“Geprezen zij de Here.\\ Dag aan dag draagt Hij ons;\\ die God is ons heil.”\\ //Psalm 68:20// //\\ \\ // Dag aan dag draagt Hij ons Bijbels dagboek ds. H.J. van Abbema ds. J.H. Zwart {{media/image1.png?39x39}} stichting Sola Scriptura **Dag aan dag draagt Hij ons** Bijbels dagboek van de hand van ds. H.J. van Abbema en ds. J.H. Zwart, beiden als herder en leraar verbonden aan de Gereformeerde Kerk te Grootegast. Behandelde bijbelboeken: * Genesis (ds. H.J. van Abbema) * Psalm 1-41 (ds. J.H. Zwart) * Jesaja 40-66 (ds. J.H. Zwart) * Marcus (ds. H.J. van Abbema) * Handelingen (ds. J.H. Zwart) * Galaten (ds. H.J. van Abbema) * Efeziërs (ds. H.J. van Abbema) * Filippenzen (ds. H.J. van Abbema) * Kolossenzen (ds. H.J. van Abbema) * 1 & 2 Tessalonicenzen (ds. H.J. van Abbema) * Titus (ds. J.H. Zwart) * 1-3 Johannes (ds. J.H. Zwart) * Judas (ds. J.H. Zwart) Bijbelteksten zijn weergegeven in de NBG-vertaling uit 1951. © Stichting Sola Scriptura www.stichtingsolascriptura.nl ====== ====== ====== 1 januari ====== > Genesis 1:1 – 2:4a Hoe indrukwekkend goed het scheppingswerk van de HERE is, blijkt uitvoerig uit de beschrijving hier aan het begin van de Bijbel.\\ We hebben hier trouwens direct geloof nodig om onze ogen te openen voor de werkelijkheid van Zijn scheppend werk. Uiteraard is voor ieder mens de schoonheid, orde, structuur en doelmatigheid van de geschapen dingen te zien. Je hoeft daar geen wetenschapper voor te zijn. Maar om te weten dat God alles zo goed geschapen heeft, is geloof in dit Schriftwoord nodig. En dat Hij de mens naar Zijn beeld heeft geschapen en deze over Zijn schepping wil laten heersen, is ook een kwestie van geloof in Zijn Woord. Want los van dit Woord, komt de mens tot bedenkelijke opvattingen over natuur en leven. Dan verdwijnt ook het doel, om het beeld Gods te vertonen. Dan wordt de mens niet hoger gewaardeerd dan het dier. En gaat de mens de schepping dienen, om zichzelf in leven te houden, in plaats van God te dienen, die door Zijn Woord het leven geeft. De werken van Gods handen zijn een niet te weerspreken getuigenis van Zijn oneindige wijsheid en almacht. Aanbiddelijk is de HERE, die door Zijn Woord en Geest alles uit niets heeft geschapen. Verder lezen: Hebreeën 11:1-10 ====== 2 januari ====== > Genesis 2:4b - 25 Voordat de mens van de Here God zijn ambt krijgt, verzorgt de Here alles. De mens werd duidelijk goed en liefdevol behandeld. En het gebod dat God hem oplegde was goed. Als de Here zoveel heeft gegeven, het hele paradijs, met de rivier en vele vruchtbomen, dan is Hij groots te prijzen. Adam mag in de hof wonen, werken en leven. En via de rivieren kan hij grote gebieden bereiken. En dan stelt God alle dieren onder Adam, omdat hij ze een naam moet geven. Zo mag Adam heersen over de dieren. God schiep de dieren uit de aardbodem. Ze zijn van dezelfde stof gemaakt, maar ieder naar zijn aard, zodat ze niet te vermengen zijn. En de mens krijgt ook zijn metgezel, waarover hij zich groots verheugd. Samen hebben ze een bestemming, die God hen gaf (hoofdstuk 1:28). Dus is alles goed door God geschapen en voorbereid om tot ontplooiing te komen. De lofprijzing op de Schepper en Vader van alle leven wordt erdoor vermeerderd. God is te prijzen om Zijn heerlijke schepping. Elke dag opnieuw. Ook vandaag. Elke dag is weer een getuigenis van zijn alvermogen, waardoor Hij alles tot stand heeft gebracht. Onbevattelijk goed is het wat Hij de mens gaf. En zo zal het nog meer zijn, in het hernieuwde paradijs. Verder lezen: Openbaring 22:1-5 ====== 3 januari ====== > Genesis 3:1-24 De zonde van de hoogmoed, om als God te willen zijn, brengt de mens tot het overtreden van geboden. De straffen die de Here aan de slang, de mens en zijn vrouw oplegt zijn zeer gepast. Maar wonderlijk is toch de barmhartigheid van de Here. Want hoe genadig is God dat Hij de belofte van overwinning geeft (vers 15). Die belofte moet dan wel buiten het paradijs geloofd worden, toch wijst het naar een nieuw paradijs. De duivel gaat er helemaal aan. De zonde ook. En Hij, die daarvoor zorgt, zal uit het vlees en bloed van de mens geboren worden. Maar Hij komt van boven. Hij is de Zoon der belofte, de Zoon van God. Die niet uit de wil van de man geboren zal worden. Hij leert de weg ter zaligheid, en, baant die weg. Maar leert daarbij ook onze zonde en zondige aard. Nu Hij is gekomen, moet het dan ook eens gedaan zijn met het vingerwijzen naar de ander, zoals Adam en Eva deden. Adam beschuldigde Eva, die God hem gegeven had, terwijl hij gewoon instemde met de zonde. En Eva verwijt de slang. Het kwaad van de zonde zit diep. Alleen Christus verlost hiervan. Naar Hem moet u dan ook steeds weer toe. Hij is de enige Verlosser. In Hem geloofden onze allereerste voorouders al, want God beloofde Hem! Verder lezen: Johannes 1:1-18 ====== 4 januari ====== > Genesis 4:1-26 De doorwerking van de zonde wordt hier zo duidelijk beschreven. Het is hier de zonde van de jaloezie en de nijd om de goedheid die de HERE bewijst aan wie Hem liefhebben. Straks komt het terug bij Ismaël tegen Izak en bij Ezau tegen Jakob. Hier nu komt vooral de hardnekkigheid van het kwaad tot uitdrukking, doordat Kaïn, hoewel gewaarschuwd, toch in toorn zijn broer dood slaat. Vervolgens zien we door het geslacht van Kaïn al spoedig een stad gebouwd worden en is er cultuurvorming. Maar positief is het allerminst te noemen. De stad is er om zichzelf te beschermen en te bewaren. De bescherming die Kaïn van de HERE kreeg (vers 15) wordt van de naam Gods ontdaan en misbruikt voor eigen eer (vers 24). Daarentegen wordt in de kerkfamilie van Seth en Enos eer aan God gebracht en Zijn Naam aangeroepen. Daar is geen stedenbouw tot roem van eigen naam, maar altaarbouw tot roem van Gods naam, om de belofte die Hij gaf. De tegenstelling (antithese) wordt helder getekend en zal steeds scherper zich aftekenen. En omdat het kwaad van het zoeken van eigen eer en het roemen in eigen vlees ook de kerk steeds bedreigt, wordt in de hele Bijbel deze antithese tot waarschuwing //en// tot troost geleerd. Verder lezen: Matteüs 23:29-39 ====== 5 januari ====== > Genesis 5:1-32 De hoge leeftijden van de eerste mensen laten iets zien van het eeuwige leven dat God voor de mens bestemd heeft. Dat het einde van het refrein is, dat zij stierven, laat zien, dat het beeld Gods in de mens kapot was gemaakt. De eens volkomen band tussen God en de mens was door de mens doorgesneden. Het paradijsverbond was verbroken en dus heeft ieder mens uit Adam geboren niet het leven met God in zich. Adam was geschapen naar Gods beeld, maar Set werd verwekt naar Adams beeld. En daar tussen in staat de geschiedenis van de zondeval en de verdrijving uit het paradijs met de vloek die op de aardbodem is gekomen. Lamech spreekt er van. Maar Lamech weet ook van Gods genadige ontferming. Lamech heeft zijn grootvader Henoch gekend en weet van het wandelen met God. Waarbij God Henoch had opgenomen, zonder dat hij stierf. (Wat daarna alleen Elia is ten deel gevallen.) Lamech dan, doet belijdenis van de troost van het Woord van God, dat van vader op zoon werd doorgegeven. Hij noemt zijn zoon Noach, dat betekent: Troost. Troost, dat heeft de HERE hen in die oude dagen gegeven. Zijn Woord ging en gaat altijd met de zijnen mee. Tot vandaag de dag aan toe! Verder lezen: Judas 1:9-16 ====== 6 januari ====== > Genesis 6:1-4 Dat de mensen zich op aarde vermeerderden was in overeenstemming met Gods opdracht. Maar dat daaraan werd voldaan, is na de zondeval niet zonder meer goed. Vooral niet, als de nakomelingen van Set en Enos, die de naam des Heren aanriepen, zich vermengen gaan met de dochters van de mensen. Dat is een steeds terugkomend kwaad, waardoor de heiligheid van de kerk wordt aangetast. De uitleg dat de zonen van God hier engelen zouden zijn, die dan bij machte waren mens te worden, lijkt niet aannemelijk, omdat hier verder van straf aan engelen ook niet gesproken wordt. Nee, het gaat vooral om de begeerte van de ogen, van het vlees, waardoor Gods kinderen zich lieten verleiden. Ze wandelden niet met God als Henoch, maar lieten zich in met de geest van het Kaïns-geslacht, om de mens op nummer één te zetten. De antithese die God stelde, eerbiedigden ze niet. Stel jezelf deze vragen: Laat ik de Here op nummer één staan, of laat ik alles om mezelf draaien? Leef ik uit geloof in God, of leef ik uit geloof in mezelf en eigen kunnen? Doe ik wat God wil, of doe ik alleen wat ik zelf wil, zonder aan Gods wil te denken? Verder lezen: 2 Korinthiërs 6:11-7:1 ====== 7 januari ====== > Genesis 6:5-9:7 Voor en na de zondvloed is het getuigenis over de mens hetzelfde. Je zou denken; een nieuw begin! De aarde is schoongespoeld van een verdorven mensengeslacht. Maar hoewel de Here in het Noachitisch verbond belooft, dat de seizoenen en jaargetijden voortgang zullen hebben, zegt Hij wel: “het voortbrengsel van des mensen hart boos is van zijn jeugd aan” (hoofdstuk 8:22). Veel geduld had de Here bewezen (hoofdstuk 6:3) maar allen vergingen behalve Noach, die evenals Henoch, wandelde met God. Troost bracht de Here door Noach. Troost is de rust en vrede die komt, wanneer een einde aan onrecht, geweld en chaos wordt gebracht. Want de zondvloed stelt gerust, dat de Here komt met Zijn rechtvaardig oordeel, om eens de geweldenarij op aarde te stoppen. Ook vandaag is dat een troostrijke gedachte voor wie met God wandelt. Het onrecht, dat de kerk ondergaat, wordt begrensd. Bedenk wel, dat uw hart genezing, ja wedergeboorte nodig heeft. Daarvoor moest de beloofde Zoon geboren worden, wiens doopwater uw zonden wegwast zoals het water van de zondvloed de aarde schoon maakte. En zoals Noach in de ark werd gered, zo wordt u in het kerkschip gered; het heilig lichaam van Christus (1 Petrus 3:13-22). Verder lezen: 2 Petrus 3 ====== 8 januari ====== > Genesis 9:8-17 Als je de regenboog ziet denk je aan het verbond van God met Noach na de zondvloed. Dat zal nooit meer gebeuren. Dat geeft troost. Troost met het oog op Christus, die ware rust en eeuwige troost geeft. Wat in de tekst hier opvalt is dat alle dieren, alle levende wezens van alle vlees, ook in het verbond zijn opgenomen (vs. 10,11,12,15,16,17). En ook de aarde wordt apart genoemd, vers 13. Hoe de dieren dit verbond verstaan is ons niet bekend. Maar er is toch een instinct in hen, waarmee ze zich afhankelijk weten van hun Schepper (Psalm 104:27). Nu komt de Here tot ons spreken in deze perikoop. Het gaat er niet zozeer om dat //wij// de regenboog zien, maar (dat we bedenken) dat //Hij// hem ziet. De HERE, Hij ziet de boog aan en denkt aan Zijn verbond. God is bezig dat verbond te gedenken, en niet zijn toorn weer zo over de aarde en alle levende wezens te laten komen. Hij houdt die toorn in en doet die tenslotte over Zijn Zoon komen. Een schepsel zou onder Zijn toorn vergaan, maar God Zelf niet. Zijn Zoon heeft die toorn over onze zonden gedragen. Wat een evangelie brengt de regenboog voor mens en dier op aarde! Zijn trouw is zo groot dat Hij Zijn verbond voor eeuwig zal gedenken. Verder lezen: Jeremia 33:19-26 ====== 9 januari ====== > Genesis 9:18-29 De zondaars waren van de aarde verwijderd, maar de zonde niet. Die bleek ook in Noach nog aanwezig. Het kwaad van Cham is dat hij de zonde niet wil bedekken. En hij spotte met zijn vader en vond de zonde daarmee niet zo erg. Omdat Noach een profeet was vervloekte hij volgens Gods ingeving alleen Kanaän, de vierde zoon van Cham. Nadrukkelijk wordt Cham de vader van Kanaän genoemd. In het volgende hoofdstuk wordt van de uitwerking daarvan al iets duidelijk, maar met name ook in de eeuwen er na. De volken uit Kanaän geboren moeten om hun zonden het beloofde land uit. De zegen is voor Sem en Jafet. De gedachte, dat Afrikaanse volken als nakomelingen van Cham slaven moeten zijn, is op deze tekst niet te baseren. De vloek is alleen op Kanaän, en de volken uit hem leefden toch in het gebied van het beloofde land. We zien in de beperking van de vloek Gods inhouding van zijn toorn. Die inhouding is er ook nu vandaag, na Christus’ komst, maar tot de dag aanbreekt. Deze tekst leert ons, dat we nog te strijden hebben tegen de zonde, ook na gedoopt en verlost te zijn. Dat we de zonde van de ander moeten bedekken, zoals Christus onze bedekt. Leef dan van genade alleen. Verder lezen: Spreuken 10:1-14 ====== 10 januari ====== > Genesis 10:1-32 Genesis is het boek van de geboorten en de geslachtsregisters.\\ De volken die na de zondvloed op aarde leefden zijn hier al beschreven. Assur, Babel, Amorieten, Filistijnen om enkele te noemen. Eerst worden de nakomelingen van Jafet, de jongste genoemd. Ze gingen de kustlanden bewonen. Voor hen is het Evangelie van de Messias bestemd, Jesaja 51:5. Dan volgen de nakomelingen van Noachs tweede zoon, Cham. Uit zijn oudste zoon wordt Nimrod geboren die als eerste machthebber op aarde steden bouwt om daar de menselijke macht te concentreren. De torenbouw van Babel wordt hier voorbereid. Bedenk dat de zonen van Kanaän later uit hun land verdreven worden vanwege hun afschuwelijk misdadige afgoderij (Genesis 15:16, Leviticus 18:24-30, Deuteronomium 12:29-31). Uit Sem zal via zijn derde zoon Eber geboren worden, waarnaar de Hebreeën worden genoemd. In vers 21 wordt, evenals van Kanaän in hoofdstuk 9:18, benadrukt dat Eber een opvallende plaats krijgt in de geschiedenis van zegen en vloek. Zegen is er voor de volken in het geloof in Christus, die uit Abraham de Hebreeër is, en vloek buiten Christus, waar de zondige mens in zichzelf roemt. Verder lezen: Psalm 67 ====== 11 januari ====== > Genesis 11:1-9 Het boek Genesis laat zien hoe, van de zondeval af aan, de mens geneigd en gericht is zichzelf een naam te maken. De mens wil als God zijn en met zijn toren tot in de hemel God van de troon stoten. Het ijdele van zijn streven wordt in ook deze tekst openbaar. De Here kwam naar beneden om inspectie te houden. En zie het was niet goed. In de stad waar Nimrod heerser van was (//Genesis 10:10//) begon de hoogmoed van de mens al hoger op te klimmen. Meer macht en meer aanzien voor die geweldige mens. Het is vandaag niet anders. De architecten van de nieuwe wereldorde zoeken alle volken en rijken onder één regering te brengen met vervaging van de grenzen. Maar we zien dat God ingrijpt op zijn tijd en wijze. Hij weet op zeer passende wijze de mens alsnog over de aarde te verspreiden zoals Hij wilde. Als de mens niet gehoorzaamt, dan brengt de Here de mens zelf wel naar zijn plaats. Hij stelt de grenzen van de volken (Handelingen 17:26). En het taalverschil dat Hij creëert heft Hij ook weer op wanneer Hem dat schikt, met het oog op de vergadering van Zijn kerk uit alle stam en taal en volk en natie. Heel de aarde moet van Zijn lof vol worden. Laten we Hem op onze eigen plaats en in onze eigen taal loven. Verder lezen: Handelingen 2:1-11 ====== 12 januari ====== > Genesis 11:10-32 Het totaal van het aantal jaren dat Sem en zijn nakomelingen leefden wordt niet vermeld zoals in hoofdstuk vijf, waar bij herhaling stond: “zo waren al de dagen van.” Hier zien we Sem 600 jaar worden, en zijn nakomelingen minderen in leeftijd. Het menselijk geslacht wordt al zwakker. Wel heeft Sem Abraham, Izaäk en Jakob nog kunnen kennen. Want Abraham is ongeveer 292 jaar na Arpaksad geboren. Toen was Sem 392, en bij Izaäks geboorte 492 en bij Jakobs geboorte ongeveer 552. Of zij elkaar kenden is verder onbekend. Maar het is heel bijzonder te bedenken, dat je tot in het tiende geslacht, of zelfs verder, kinderen kan zien. Terach krijgt pas op late leeftijd kinderen en Haran sterft nog bij zijn leven. Meerdere kinderen van Terach worden genoemd met het oog op de geschiedenis die volgen zou. De Here zou Abraham roepen en zijn verbond met hem oprichten. Izaäk, zijn zoon, zou met Rebekka, de kleindochter van Nachor trouwen. Het lijkt er sterk op dat Terach de roeping van Abram gekend en erkend heeft, want hij nam hen met zich en vertrekt met hen uit Ur, naar Kanaän. Hij sterft op een tussenplaats, maar de belofte blijft. Gods Woord blijft voor eeuwig, ondanks de geslachten die komen en gaan. Verder lezen: Psalm 105:1-15 ====== 13 januari ====== > Genesis 12:1-9 Door het geloof is Abram uit Haran verder getrokken naar Kanaän. Door geloof in Hem die hem riep. De geloofsgehoorzaamheid die hij de Here bewees is meer dan een voorbeeld. Daarmee is Abram onze vader in het geloof. Zo moeten we vandaag de dag ook leven. Leven uit geloof, dat God Zijn belofte vervullen zal en Christus zal wederkomen. Zodat wanneer u al uw hoop op God vestigt, u ook tot de zaligheid zal worden gebracht in het hemels Kanaän. Christus heeft de weg daar naartoe bereid. Om te geloven komt de roepstem van de Here tot ons in het gepredikte Woord. Gods stem klinkt vandaag, zoals het in Abrams oren klonk. En Gods verschijning aan Abram heeft zijn vervulling in de verschijning van Gods Zoon in ons vlees. Christus, Hij is Zelf de beloofde Zoon, in wie alle geslachten van de aarde gezegend worden. Ook het geslacht van de Batavieren, Saksen en Friezen. Het heil van God is langs de weg van de verkiezing en roeping van Abram tot alle volken gekomen. Dat heil, de zegen van de Here, heeft Christus Zelf voor ons verworven. In Hem, het nageslacht van Abraham (Galaten 3:16) is alle zaligheid gelegen. Hij heeft het verkregen en heeft er voor geleden. Dit vraagt alleen: geloof. Verder lezen: Hebreeën 11:8-19 ====== 14 januari ====== > Genesis 12:10-20 Abram is angstig geweest, ook al had de Here hem rijke beloften toegezegd. De Farao van Egypte kon zijn vrouw hem afnemen en hem doden. Dan zou het gedaan zijn. De HERE had evenwel gezegd: “Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken” (vs. 3). Maar als er gevaar is, zoekt een mens voor zich bescherming. Abrams inschatting van de situatie bleek correct, ten minste wat betreft de benadering van Sarai door de Egyptenaren. Toch laat de Here niet toe dat haar iets wordt aangedaan en zorgt Hij op ongedachte wijze voor uitredding. En dat, ondanks het plan van Abram en Sarai. Met rijke zegeningen trekken zij weer weg uit Egypte zodat ze niet alleen van het gevaar verlost zijn, maar ook nog eens gezegend met goederen. Deze geschiedenis wijst zo vooruit op de Exodus uit Egypte. Steeds blijkt de Here, ondanks angst van de zijnen, de vervulling van zijn belofte te bewerken, zodat Hem de roem en eer wordt toegebracht. Ook vandaag. Voor geen wereldse overmacht hoeven we dan ook bang te zijn. God zal zijn kerk blijven vergaderen tot Christus’ wederkomst. Christus is met ons tot aan de voleinding der wereld. Onze ‘slimme plannetjes’ zijn niet nodig Verder lezen: Exodus 3 ====== 15 januari ====== > Genesis 13:1-18 Terug uit Egypte gaat Abram naar het eerder door hem gebouwde altaar en roept de naam des Heren aan. We zien dus dat Hij God dankt voor de verlossing uit Egypte. En aan het einde van het hoofdstuk is daar weer altaarbouw en lofprijzing. Want de Here herhaalt zijn beloften aan Abram. Heel het land zal hij krijgen. Wat Abram Lot tot keuze voorstelt is eigenlijk een schenking. Het land is immers door de Here aan hem beloofd. Dat Lot enigszins zelfzuchtig en onbeschaamd het voornaamste leefgebied koos, wil niet zeggen dat hij de zegen van God krijgt. Die zegen heeft hij alleen in en met Abrams nageslacht. Lot neemt een groot risico door dichtbij Sodom te gaan wonen. Later zal hij zelfs in de goddeloze stad zijn woning hebben. Begeerte tot rijkdom leidt tot schade aan de ziel. Het leven van de Sodomieten heeft hem kwaad gedaan. Ook in dit hoofdstuk leren we dat alleen Gods belofte ons rijk maakt. Zijn zegen in Zijn gemeenschap moet voor ons alles zijn. Nu Hij ons goed gezind is in Christus, heeft onze ziel rust. Liever maar iets minder groene weilanden te Hebron, met een altaar, dan de groene weiden van Sodom, waar straks het vuur op neerdaalt en het een onvruchtbare zoutvlakte wordt. Verder lezen: 2 Petrus 2:1-9 ====== 16 januari ====== > Genesis 14:1-17 Dat Abraham met driehonderd man optrok tegen een leger van vier koningen, dat zeer waarschijnlijk wel enkele duizenden manschappen had, is aanwijzing van zijn geloofsmoed. Daarbij ging Abraham, evenals later Gideon, met krijgslist te werk, door in de nacht aan te vallen. Geloofsmoed en overleg zijn niet strijdig. Geloof is dan ook geen sprong in de diepte, waarbij je, je leven op het spel zet, zonder te weten of het goed komt. Hoewel trouw aan de Here wel inzet van het leven vereist, is het toch geen onbestemd lot als je, je leven inzet voor de dienst van God. Abraham mocht met zijn geoefende strijders een klinkende overwinning behalen. De heerszuchtende koningen uit het Oosten versloeg hij. De overmoed van die machthebbers werd zo gestraft. Opmerkelijk ook, dat Abraham maar liefst 318 strijdbare mannen, in zijn huis geboren, kon optrommelen. Wel een aanwijzing dat hijzelf ook een vorst was. Een man van aanzien. Iets wat straks in hoofdstuk 20 duidelijk wordt. Zo rijk had God hem dus al gezegend! Deze oorlog is dus gewonnen door Abraham, door het geloof. Dat is veelzeggend. Ons geloof overwint de wereld (1 Johannes 5:4). Want God doet zijn volk overwinnen. Verder lezen: Richteren 7 ====== 17 januari ====== > Genesis 14:18-24 De koning van Salem en de koning van Sodom komen Abraham wat aanbieden. De eerste brood en wijn, de tweede de hele buit. De eerste is betrouwbaar, want hij komt bovenal met de zegen van God, de Allerhoogste, de tweede is niet betrouwbaar (Genesis 13:13). De gave van de koning van Sodom, die blijkbaar uit de asfaltput is geklommen (vs. 10), heeft een asgeur. Maar de zegen van Melchizedek (vertaald: mijn koning is rechtvaardig) is van de Here. Deze koning van Salem (=vrede) komt met het hoogste wat iemand kan wensen, namelijk met de zegen van de Schepper van hemel en aarde. Door God aangesteld als priesterkoning is Melchizedek dienaar van hemelse zegeningen zoals rechtvaardigheid, verzoening en vrede. Het doet vermoeden dat Abraham hem al kende. In ieder geval erkent Abraham hem als een van God aangestelde priester, door wie Abraham Gods zegen krijgt. En Abraham dankt God voor de overwinning en geeft de tienden, die als symbool staan voor het geheel. Alles is van God afkomstig. Alle zegen komt van Hem, waarom Hij gediend moet worden; het leven Hem toegewijd. Hierbij passen geen geschenken van Sodoms onbetrouwbare koning. Verder lezen: Hebreeën 7:1-10 ====== 18 januari ====== > Genesis 15 Ook hier is het geloof van Abraham een voorbeeld voor ons. Zo ook zijn vrijmoedigheid. Hij spreekt vrijuit tot de HERE. Over hoe hij zeker zal weten dat de HERE zijn belofte zal gaan vervullen (vers 8). Het verbond dat de HERE dan Zelf met Abraham hier sluit is van grote betekenis voor het begrijpen van de latere verbondssluitingen door de HERE. Dat de HERE alleen tussen de stukken doorging, is aanwijzing dat Christus alleen alles voor ons volbrengt. Hij is het, die als de stukgesneden (offer)dieren, geslacht zal worden. Hij moet sterven om de schuld van de verbondspartij (de mens). De zondige verbondsleden, die het verbond met de HERE niet kunnen naleven, verdienen de straf, en moeten als de gedode dieren sterven. Maar de HERE ging alleen tussen de stukken door. Alleen de HERE neemt de verplichting van het verbond waar. En Christus doet dat in onze plaats. Het enige wat Abraham moet doen is gelovig wachten en de roofvogels wegjagen. God maakt de toekomstige dingen bekend en sluit het verbond. De zaken staan vast. En wij, wij hebben slechts te geloven in Christus, Christus, dankzij wie het nageslacht van Abraham geworden is als de sterren des hemels. Verder lezen: Handelingen 7:1-7 ====== 19 januari ====== > Genesis 16 Nadat Abraham zijn leven zelf wilde redden tegenover de Farao (//Genesis 12:13//), wat hem mogelijk de slavin Hagar opleverde (//Genesis 12:16//), is nu Sara degene die langs eigen wegen gaat opereren. Ongetwijfeld was het toen, in die cultuur, geen vreemd voorstel. Maar, dit is niet de weg van de HERE. Het is niet uit geloof. Daarom heeft Sara het ook over ‘misschien’ (vs. 2). Het geloof echter twijfelt niet. Abraham, liet evenals Adam, de vrouw leiding nemen. Maar het liep mis. De HERE evenwel is de vernederde, maar tegelijk ook schuldige slavin genadig, en redt haar van gevaren in de woestijn. Hij ziet naar haar om. En zij blijft in leven en belijdt de HERE als de God die omziet; die omziet naar het verlorene. Zijn verschijning en woorden aan haar neemt Abraham over in de naamgeving van de zoon met de voorgeschreven naam Ismaël. Zijn toekomst zal er één van voortdurende strijd zijn. Juist ook als voortdurende herinnering aan deze geschiedenis. In Genesis wordt de basis gelegd voor de wereldgeschiedenis. De zonde heeft zijn doorwerking, maar de genade eveneens. De Egyptische Hagar wordt weer opgenomen in Abrahams tent, en ook in Egypte is het Evangelie verkondigd (Handelingen 2:10). Verder lezen: Galaten 4:21-31 ====== 20 januari ====== > Genesis 17 De HERE komt tot Abraham en verschijnt aan hem. Dat was heel ontzagwekkend. Toch betekende dit niet de dood voor Abraham. Dat was in het paradijs na de zondeval ook niet zo. De HERE komt zijn verbond oprichten en bevestigt wat Hij beloofd had. Grote, heilrijke beloften. Zo verstrekkend, dat het altijd herdacht moet worden. De besnijdenis is het teken dat daaraan dienstbaar is. Een onderscheidingsteken. Daarbij moet Abraham in zijn vlees snijden. Niet alleen letterlijk, maar vooral wat zijn denken betreft. Niet Ismaël, naar het vlees verwekt, volgens het plan van de mens, maar Izaäk, de zoon der belofte, zal de erfgenaam zijn met wie de HERE zijn verbond zal voortzetten. Zo is het vandaag met ons. Niet wat wij bedenken voor de kerk gebeurt, maar Christus vergadert Zich Gods gemeente. Niet de mensen die wij hoog hebben, maar die de Here verkiest, zijn erfgenamen. Alleen wie zijn vlees laat kruisigen door de besnijdenis van Christus wordt gered. Gods beloften zijn rijker dan wij kunnen indenken. We moeten er gelovig naar horen. Zondaren, in Christus’ gedoopt, gereinigd en opnieuw geboren, beërven het hemels Kanaän. Verder lezen: Matteüs 19:16-26 ====== 21 januari ====== > Genesis 18:1-15 De HERE komt de belofte herhalen, dat een lijfelijke zoon uit Abraham en Sara geboren zal worden (17:16,21). Deze verschijning heeft betrekkelijk kort na de vorige plaats gehad (vergelijk vers 10). Deze verschijningswijze door drie mannen maakt de geschiedenis levendig. Redelijk plotseling staan ze voor Abraham. Maar er is geen schrik en beving. De Here past Zich genadig aan, aan onze zwakheid. Sara is er nu ook bij. Abraham en Sara bewijzen de mannen gastvrijheid. En dan komt de Here Zijn belofte aan Abraham herhalen. Waarbij ditmaal Sara een vergelijkbare overweging heeft als Abraham in vers 17 van het vorige hoofdstuk. En hoe begrijpelijk is de redenering van Sara. Maar de grote les is dus: “Zou voor de Here iets te wonderlijk zijn?” Wat Hij belooft, doet Hij. Hij is niet afhankelijk van de mens. Zijn wegen zijn hoger dan onze wegen en zijn gedachten zijn hoger dan onze gedachten. Hij is niet begrensd door de schepping, laat staan door de mogelijkheden van de gevallen mens. Soeverein schept Hij leven uit de doden. Vertrouw dan op deze God, en weet u gezegend in de beloofde Zoon van Abraham, de Here Jezus Christus, die gekomen is langs ongedachte wegen. Verder lezen: Jesaja 51:1-16 ====== 22 januari ====== > Genesis 18:16-33 Tien rechtvaardigen waren er niet in Sodom. Die tien hadden haar verwoesting kunnen voorkomen. Het waren er minder. Haar einde is nabij. En het is indrukwekkend, hoe genadig en lankmoedig God Zich bewijst tegenover de uitermate goddeloze stad. Het volgende hoofdstuk zal die goddeloosheid duidelijk laten zien, als Zijn engelen die onderzoeken gaan. Zoals bij de torenbouw van Babel komt Hij op aarde onderzoek instellen. Hij komt oordelen en tegelijk komt Hij zijn rijke beloften schenken, zoals we gisteren lazen. De overweging van de Here wordt onder woorden gebracht (vs. 17-19). Dit is een heerlijke openbaring van Gods gedachten. Zijn gedachten zijn hetzelfde als Zijn woorden. Volstrekt betrouwbaar is Hij. En in Zijn handelen betrekt Hij Zijn verbondskind Abraham. Abraham mag als middelaar optreden en bidt voor het behoud van Lot en andere rechtvaardigen, //mochten die er zijn//. En de Here laat tot Zich bidden en bewijst buitengewoon lankmoedig te zijn, terwijl Hij ook laat blijken Zijn gerechtigheid te zullen oefenen. Zo doet de HERE Zich kennen en is Hij te vrezen. Er is ook vandaag ontkoming aan de komende toorn als u in Christus gelooft, God eert, lief hebt en vertrouwt. Verder lezen: Ezechiël 16:44-63 ====== 23 januari ====== > Genesis 19:1-29 Als u gisteren Ezechiël 16 hebt gelezen, dan zag u dat de zonde van Sodom spreekwoordelijk is geworden in de Bijbel. Ook Jesaja 1 spreekt er van. De verschrikkelijkheid van hun kwaad is hier getekend evenals de rechtvaardige straf daarover. Vandaag de dag is het hemels zwavel nog in het gebied rond de Dode Zee te vinden. Omwille van Abrahams gebed (vs. 29) wilde de Here Lot sparen (vs. 16). De engelen leidden hem met dwang uit. Zozeer was Lot verknocht aan het aardse. Erger was het gesteld met zijn vrouw, die, hoewel ze goed en wel in Soar waren (vs. 23) zich omkeerde. Waar haar hart was, daarnaar richtte zij zich. En dat werd haar einde. Zij is ten voorbeeld gesteld door de Here Jezus: “Denkt aan de vrouw van Lot.” Plotseling, als een dief in de nacht, zal het oordeel Gods over deze wereld komen. En wie kan gered worden? Alleen zij, die hun hart volstrekt van deze zondige wereld aftrekken en tot Christus in de hemel opheffen. De zondvloed en de omkering van Sodom zijn tot voorbeeld. Maar hoe rechtvaardig is de Here, dat Hij de rechtvaardige redt en ontkoming biedt. Er is verlossing van de komende toorn door het geloof in Christus, die wij tot onze zaligheid verwachten. Verder lezen: Lucas 17:20-37 ====== 24 januari ====== > Genesis 19:30-38 Het was eerst de bedoeling dat ook Soar omgekeerd zou worden (Genesis 19:21). Dat is dus een aanwijzing dat de bevolking daar van eenzelfde slechtheid was als de bewoners van Sodom en dus durfde Lot er niet te blijven. Hij gaat in betrekkelijke eenzaamheid in een grotwoning leven. Omdat de mannen van zijn dochters waren omgekomen door de straf, komt, zoals vaker in Genesis, de moeiten rond het krijgen van kinderen naar voren. Uit vrees voor de straf, zoals die over Sodom kwam, zien de dochters van Lot het niet zitten opnieuw met dergelijke mannen zich in te laten. Maar in plaats van te denken aan verbintenis met Abrahams tent, wordt een, zacht gezegd, niet goed te keuren noodgreep door de eerstgeboren dochter bedacht en uitgevoerd. De omkering van Sodom en Gomorra heeft dus niet geleid tot reiniging van zonden op zedelijk gebied in Lots huis. Zoals na de zondvloed ook de zonde nog bleef in de mens. We moeten er van leren, dat door straffen de zondige natuur niet veranderd wordt. Herschepping van hart en denken is nodig. Opnieuw geboren worden. Dat is werk dat van boven wordt uitgevoerd door de genadige en wederbarende kracht van de Heilige Geest. Verder lezen: Titus 3:1-7 ====== 25 januari ====== > Genesis 20 Deze geschiedenis lijkt bijna een kopie van die in hoofdstuk 12:10-20 staat beschreven. Abraham en Sara handelen opnieuw overeenkomstig hun afspraak (vs. 13). Het feit dat zij zo’n afspraak gemaakt hadden, wijst op het kwaad dat er onder de mensen was. De afspraak van Abraham en Sara is begrijpelijk, maar Gods belofte komt erdoor in gevaar. Toch leest u geen woord van afkeuring in de Schrift over dit handelen van Abraham en Sara. Bedenk ook maar eens als u zelf in zo’n situatie komt. Alle nadruk ligt hier op het reddend optreden van de Here. Hij beschermt Sara. Hij voorkomt dat tegen Hem gezondigd wordt (vs. 6). Hij is met zijn alom tegenwoordige kracht werkzaam om zijn beloften tot vervulling te doen komen (zie Genesis 21). Hij sluit daartoe elke moederschoot van Abimelechs huis. En in de droom spreekt Hij Abimelech aan. Deze vorst, zijn naam betekent zoveel als ‘mijn vader is koning’, blijkt een zekere rechtschapenheid te hebben, zoals uit zijn woorden blijkt. Hij spreekt vrijuit tot God en gehoorzaamt Hem. Vervolgens zegent hij Abraham en zijn vrouw Sara rijkelijk en geeft hij hen vrijheid in zijn land te verblijven. Zo neigt de Here het hart van de koning om te doen wat Hem behaagt, tot Zijn eer. Verder lezen: Spreuken 21:1-8 ====== 26 januari ====== > Genesis 21:1-7 Dit is het evangelie van de lach. Het evangelie van de uitzonderlijk grote blijdschap over de geboorte van de beloofde zoon. Een blijdschap die nooit vergaat. Want het is blijdschap om wat de Here heeft gedaan tot vervulling van Zijn belofte. Wat geen mens voor mogelijk houdt, heeft de Here bewerkt. Zijn belofte, dat Abraham en Sara een eigen zoon zouden krijgen, is voor de mens niet met zijn verstand te beredeneren. Zijn belofte moet geloofd worden. En dat gaat tegen het beperkte denken van ons menselijk verstand in. We moeten ons vlees kruisigen, en, door Gods Geest geleid, aanvaarden, dat de Here langs wegen gaat die hoger zijn dan de onze. En als wij alleen geloven zonder dat we het zien, en volkomen vertrouwen op Hem, dan blijkt hoe heerlijk Hij Zijn beloften vervult. Hij schept leven uit de doden. Verstorven lichamen maakt Hij levend en doet nieuw leven geboren worden. Ook vandaag moeten we niet stilstaan bij wat voor ons onmogelijk lijkt. De Here zal zijn beloften vervullen. Zoals Zijn Zoon werd geboren langs ongedachte wegen en heel onze schuld heeft gedragen. Dankzij Christus is er de belofte van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Het enige wat nodig is, is geloof! Verder lezen: Johannes 8:48-59 ====== 27 januari ====== > Genesis 21:8-21 Groot was het feest dat Abraham verzorgde voor Isaak. De gevaarlijke eerste jaren van het leven was Isaak doorgekomen en hij was bewaard. Ook hier bleek de Here trouw voor de verwerkelijking van Zijn belofte te zorgen. Het was immers Zijn Woord geweest dat Hij met Isaak Zijn verbond zou oprichten, en met diens nageslacht (Genesis 17:19). Alles is hier uit Gods belovend spreken. Dus is ook de blijdschap groot als Isaak groter wordt. Maar het vlees heeft daar geen boodschap aan. Ismaël, naar het vlees geboren, bespot de liefde voor Isaak. Hij staat tegen Isaak op en vervolgt hem. En dat is vandaag niet anders (Galaten 4:29). De vrije genade van God waarvan de vrije kerk leeft, staat tegenover de aan haar wetten gebonden ‘kerk’ die het van eigen werken moet hebben. Die, aan wetten gebonden ‘kerk’, brengt slaven voort. Mensen die alleen maar uitwendige godsdienst kennen. Het hemels Jeruzalem waar wij burgers van zijn, brengt kinderen Gods voort, door het Woord van Gods verkiezende genade. Dat is door de leer van Christus, de beloofde Zoon van Abraham, die via Isaak is geboren. Uit Gods zuivere beloftewoord alleen is er leven. Maar niet iedereen vat dit. Ook dat, is een kwestie van genade. Verder lezen: Romeinen 9-1-9 ====== 28 januari ====== > Genesis 21:22-34 Het zat Abimelech blijkbaar niet lekker dat God Abraham zo zegende. Tenminste, hij vreesde gevaar voor de toekomst, en daarom besluit hij met Abraham een verbond te sluiten. Abraham sluit dit verbond, maar komt ook iets aan de kaak stellen. Nu niet angst voor wat Abimelech zou kunnen doen (hoofdstuk 20) maar er is een feitelijke misdaad van Abimelechs knechten. De zaak wordt wijs opgelost door Abraham en de zegen van de HERE is over hem, want lange tijd kan hij als vreemde bij de Filistijnen wonen. Een verbond sluiten, ook met hen die niet in Gods verbond zijn opgenomen, is dus niet een verboden aangelegenheid of negeren van de antithese. Het is een manier om het leven op aarde voortgang te doen hebben in vrede, zodat Gods dienst voort gaat. Zoals Abraham doet. Hij plantte een Tamarisk en riep de naam van de HERE, de eeuwige God aan. Dit is zo schoon aan het geloof van Abraham. Hij dient en eert de Here God om diens trouwe gunst. In het geloof mag u steeds Gods bewaring en leiding opmerken en steeds weer de Here danken om de vrede die Hij schenkt. De vrede in het leven op aarde, als vreemdeling. En daarboven, de vrede die alle verstand te boven gaat. De hemelse vrede van Christus. Verder lezen: Filippenzen 4:4-9 ====== 29 januari ====== > Genesis 22:1-19 Deze beproeving van de patriarch is groot geweest. Wanneer de Here vraagt alles voor Hem over te hebben, zoals Hij hier bij Abraham doet, dan is alleen in geloof te antwoorden. Alleen door het geloof is het mogelijk het meest kostbare in je leven te geven. Wanneer dan de vraag tot offervaardigheid komt, en die vraag komt, dan moet je voorbereid zijn. De Here nu had Abraham al voorbereid. Want Abraham had reeds huis en haard verlaten voor de belofte en de Here had hem gezegend en Zijn belofte reeds vervuld met de geboorte van Isaak. //Zijn// beloften zijn meer dan het leven, zodat Abraham zijn zoon het overwinnend geloofsantwoord geeft: “God zal Zichzelf voorzien van een lam ten brandoffer, mijn zoon.” We zien vervolgens dat ook Isaak zonder enig tegenspreken zich laat binden en ten offer brengen. Hoe was dat mogelijk? De spanning zal om te snijden zijn geweest. Maar boven alles is het Woord van Gods belofte. En de Engel van de HERE komt dat Woord verlossend spreken. Abraham heeft door het geloof en zijn ongeveinsde en volkomen toewijding aan de HERE, de zegen van God ontvangen. De ram die hij offerde is afbeelding van Christus, door Wie God er Zelf in heeft voorzien. Verder lezen: Hebreeën 6:9-20 ====== 30 januari ====== > Genesis 22:20-24 De geboorte van de geslachten en volken heeft een voorname plaats in het boek Genesis. Zo staat hier de naam Aram vermeld, uit wie het volk is, dat in strijd met Israël zal komen. Israël aan wie God Zijn raad vervullen gaat, wordt straks geboren uit de beloofde zoon van Abraham, uit Isaak. En de geboorte van zijn moeder Rebekka, wordt hier beschreven. Straks zal haar komst naar Isaak beschreven worden. Een geschiedenis van uitzonderlijke schoonheid. Het is op te merken dat Rebekka een generatie jonger is dan Isaak. In contrast met de enkele nakomeling van Abraham staan hier de vele nakomelingen van zijn broer Nachor beschreven. Dit laat zien hoe ongelijk het er voor het menselijk oog aan toe gaat. Maar de ene zoon van Abraham is meer dan de twaalf van Nachor. Want de volken uit Nachor geboren zullen slechts gezegend worden in Christus, die uit Isaak voortkomt. Dat het volk van de belofte in grote minderheid is en ook maar traag toeneemt, is slechts uiterlijk en getalsmatig. Alle aandacht moet gevestigd worden op God en Zijn beloftewoord. Geloof in Zijn Woord en u ontvangt, door de beproevingen, ook door de beproeving van het kleine getal, het leven. Verder lezen: Romeinen 4:16-25 ====== 31 januari ====== > Genesis 23 Met veel moeite verkrijgt Abraham een stuk grondgebied in het land. Maar niet om op te wonen en niet om vaste voet aan de grond te krijgen. Hij blijft vreemdeling. Voor de volle prijs wilde hij het kopen. Het principe dat hij hanteerde tegenover de koning van Sodom handhaaft hij (Genesis 14:23). Niemand mag zeggen Abraham rijk te hebben gemaakt. Nu was het handhaven van dit principe niet gemakkelijk; Sara was immers overleden. En de zorg voor haar begrafenis mocht toch niet verhinderd worden. En als de Hethieten dan zo vriendelijk een gratis graf aanbieden, en de voorname Efron zelfs een hele spelonk met grond en alles eromheen; blijf dan maar eens volharden! Toch houdt Abraham vast. Hij wil het alleen van de Here krijgen en van niemand anders. Ook deze koop van de grafspelonk van Makpela is betoon van geloof. Van Abraham leren we hier, dat hoewel er wederzijds respect is met hen die buiten het verbond staan, toch alleen van de Here alles verwacht moet worden. Omstandigheden van nood maken daar geen uitzondering op. We zien verderop hoe de Hethitische vrouwen veel ellende brachten (Genesis 26:34-35). Let dus goed op, juist in tijden van nood. Verder lezen: 1 Kronieken 29:10-19 ====== 1 februari ====== > Genesis 24 Abraham heeft in hoge ouderdom niet nagelaten de belofte vast te houden. De Here zou zijn nageslacht het land Kanaän geven, waarom er van geen terugkeer naar het land van herkomst sprake mocht zijn, noch van vermenging met de Kanaänieten. Ook heeft hij betoond een profeet te zijn, en heeft hij zonder twijfel door Gods ingeven gesproken dat God Eliëzer een engel zou vooruitzenden om het in orde te maken (vs. 7 en 40). Dat is dus ook voor Eliëzer tot inspiratie geweest zo’n vrijmoedig gebed de Here voor te leggen (vs. 14). Dat de engel dus werkzaam was, is wel duidelijk in de ijverige en snelle Rebekka. Ook is zij al spoedig zelf geheel bereid om mee te gaan en wil niet eens langer tijd hebben om afscheid te nemen (vs. 58). Dit alles is uiteraard Gods bijzondere besturing, zoals Betuël en Laban belijden. Het is hier op het hoogst duidelijk hoe trouw de HERE is en op zijn uitzonderlijke wijze mensenkinderen in Zijn dienst neemt. Wat tenslotte tot troost voor Isaak is, die als enig kind van zijn moeder, ongetwijfeld een hechte band met haar had. En bij de put van het omzien, ziet hij de kamelen aankomen met Rebekka. Hij hoort het verhaal en weet dat de HERE er in voorziet. Verder lezen: Richteren 6:11-24 ====== 2 februari ====== > Genesis 25:1-11 Ook aan het einde van zijn leven laat Abraham zich leiden door de belofte van de HERE. Alles laat hij aan Isaak. De andere zonen stuurt hij met geschenken weg. Uit die zonen worden ook volken geboren maar het gaat om de belofte. Door Isaak zal men van Abrahams nageslacht spreken. Daarom moeten de anderen weggezonden worden. En nu Isaak Rebekka gehuwd heeft, kan Abraham gerust sterven. Hij sluit de ogen, wordt begraven in het beloofde land dat hij naar Gods belofte heeft verkregen en slaat zijn ogen op in het eeuwig hemels vaderland. De Here heeft hem trouw bewezen en zijn belofte vervuld. En zo zegent Hij ook Isaak die woont bij de put van het omzien. Ismaël is zijn vader ook niet vergeten en het gezamenlijk begraven van vader bewijst mildheid en Gods goedheid (vergelijk hoofdstuk 35:29). Het einde van Abrahams leven is zo gekenmerkt door Gods weldadige zegen. En aan dit uiteinde moeten wij vandaag zien dat de Here het goede heeft weggelegd voor wie Hem vrezen. Voor hen die op Zijn goedheid hopen en van Hem alles verwachten. God bewijst dat Hij het lot van Zijn kinderen goed beschikt en alles zo schikt en richt dat wij het heil mogen zien. Geloofwaardig is de HERE! Verder lezen: Hebreeën 13:5-16 ====== 3 februari ====== > Genesis 25:12-18 Ook wat betreft Ismaël vervult de Here zijn belofte. Want hoewel Isaak de uitverkoren beloofde zoon is, is de Here Abraham ook tegemoet gekomen inzake zijn eerstgeboren zoon naar het vlees. “Och mocht Ismaël voor uw aangezicht leven!” zo had Abraham de Here gebeden (hoofdstuk 17:18). En de Here had hem toen geantwoord: “En wat Ismaël betreft, Ik heb u verhoord; zie, Ik zal hem zegenen, hem vruchtbaar doen zijn en uitermate talrijk maken; twaalf vorsten zal hij verwekken, en Ik zal hem tot een groot volk stellen.” Bij de wegzending van Ismaël herhaalde de Here deze belofte (hoofdstuk 21:13) en ook aan Hagar (16:10 en 21:18). Deze, bij herhaling gegeven beloften, zien we in deze tekst vervuld. Ook wat de engel tot Hagar had gezegd, dat hij tegenover zijn broeders zou wonen (16:12), zien we hier bevestigd (vs. 18). Oftewel, God bepaalt de grenzen en voorspoed der volken. Van de vervulling van Zijn belofte aangaande Ismaël, zal Abraham zeer waarschijnlijk tijdens zijn leven wel hebben vernomen, ookal staat de geslachtslijst vermeld na zijn sterven. Ismaël was bij Abrahams sterven al zo’n 85 jaar oud. De twaalf vorsten van Ismaël staan in contrast met het achterblijven van zonen in het huis van Isaak. Verder lezen: Jesaja 21:13-17 en 60:1-7 ====== 4 februari ====== > Genesis 25:19-34 Ook Isaak en Rebekka hebben eenzelfde strijd als Abraham en Sara; de onvruchtbaarheid. En dat niet een of twee jaar, maar wel twintig jaren. Dat was geen kleine beproeving. Isaak weet de handen te vouwen en van de Here de belofte af te bidden. Het gaat om de vervulling van Zijn belofte. En de Here liet Zich verbidden. Dat moeten we vandaag goed bedenken. Als we in nood zijn om de zaak van de Here, om Zijn kerk, dan moeten wij bidden tot Hem. Want het gaat hier in dit hoofdstuk er niet om, dat een echtpaar graag kinderen wil, dat komt wel meer voor. Nee het gaat om de komst van Christus. Om Zijn komst en dat van Gods Koninkrijk, en dat moet onze harten vervullen. Esau veracht de belofte en denkt zoals goddelozen doen: “Als ik sterf is alles voorbij”. Dit is een verwerpen van Gods doel om de mens weer met Zich te verzoenen, langs de lijn van Isaak, Jakob en door Christus. Jakob grijpt Esau bij de hiel. Hij begint direct met inhalen. Hij zal echter door schade en schande wijs worden, dat alles van de Here verwacht moet worden. Met sluw beleid ‘koopt’ hij het eerstgeboorterecht. Maar het verkrijgen van zoiets, is een kwestie van genade. Als u slechts gelooft, krijgt u de belofte, door genade. Verder lezen: Psalm 113 ====== 5 februari ====== > Genesis 26 Het verblijf van Abraham bij Abimelech (Genesis 20 en 21:22-34) krijgt haast een soort herhaling in het verblijf van Isaak in diens gebied. Opnieuw het leugentje om bestwil dat Rebekka niet zijn vrouw maar zijn zus is. En Abimelech is hier verontwaardigd over. Vervolgens komt grote zegen van de Here over Isaak. Dit maakt Abimelech angstig, waarom hij Isaak wegzendt. Abimelech wil een nieuw verbond met Isaak sluiten om zich te beschermen, waarin Isaak bewilligt. Het moeizame verblijf van Isaak te Gerar wordt echter bestraald en verlicht door twee verschijningen van de HERE aan hem. Machtig herhaalt de HERE Zijn verbondsbeloften aan Isaak. Wat Hij Abraham had gezworen, dat bevestigt Hij aan Isaak. De Almachtige staat Isaak ter zijde. //IK BEN MET U//. Dat is de zekerheid die Isaak krijgt en dat ziet hij ook bevestigd in de overvloedige zegeningen van God. Het slot van het hoofdstuk laat evenwel zien wat het genieten van die zegen in de weg staat. Dat is de onverschilligheid ten aanzien van het verbond en het kiezen van vrouwen, wie men maar wil (Genesis 6:2). Esau gaat zijn eigen gang, al meer weg van het aangezicht des Heren. Maar de schaduw hiervan kan het licht niet wegnemen. Verder lezen: Johannes 4:1-14 ====== 6 februari ====== > Genesis 27:1-40 Een heel spannend verhaal waarin de karakters van de vier personen duidelijk uit de verf komen. Geen van hen kan allicht goedkeuring verwerven in onze ogen, terwijl wijzelf hetzelfde gedaan zouden hebben. Om te zeggen dat Jakob Esau de zegen ontsteelt, zoals boven de perikoop staat, zou ik niet zo zeggen. Want allereerst moet bedacht worden dat de Here tot Rebekka gesproken had dat de oudste de jongste dienstbaar zou zijn. En dat woord had Isaak toch ook te bedenken in plaats van op zijn smaakzin af te gaan? De vlugge Rebekka weet snel een list te verzinnen. Jakob is wel bang ontdekt te worden, maar doet graag mee als zijn moeder de vermomming weet te fabriceren. En Esau doet net alsof zijn neus bloedt en hij nooit onder ede heeft afgezien van het eerstgeboorterecht. Daarom is het geheel terecht dat Jakob de zegen meekrijgt. Door al dit handelen van de strijders om de zegen Gods, gaat de Here voort met zijn werk. O, er is vaak zoveel aan te merken op het handelen van kerkmensen. En men vindt er wat van. Maar we moeten altijd verder kijken en er doorheen leren zien. Want onze zaligheid hangt niet van af van wat mensen al of niet goed doen, maar van God die Zich ontfermt. Verder lezen: Romeinen 9:10-18 ====== 7 februari ====== > Genesis 27:41-28:9 Esau heeft de zegen wel willen ontvangen, maar die niet verkregen. Hij werd afgewezen. Hij weende en zocht berouw (bij Isaak), maar vond die niet (Hebreeën 12:17). Dan komt de wraaklust in hem. Maar Rebekka is de ellende voor en weet Jakob te redden. Vooral ook wil ze voorkomen dat hij hetzelfde pad op gaat als zijn broer en van die walging opwekkende vrouwen trouwt. Isaak blijkt met Rebekka overeen te stemmen en roept en zegent en zendt Jakob. Jakob gehoorzaamt en gaat op weg naar Paddan-Aram. Gods zegen is met hem. De Almachtige zal blijken hem te beschermen en met hem te zijn. Zo begeleidt de Here barmhartig de zijnen. Wat een troost. Maar Esau, hij komt met schijnoplossingen. Hij had gedaan wat hij maar wilde. Trouwde Hethitische vrouwen die hem bevielen, zonder, ja, tegen de wil van zijn ouders. Nu komt hij met een goedmakertje, en neemt er nog maar een vrouw uit het geslacht van Ismaël bij. Dit is een soort ‘compensatie-godsdienst’ om anderen ter wille te zijn. Want Esau zoekt de gunst van zijn ouders. Maar zoekt hij de HERE met verlangen? Dat is de vraag naar het hart. Hem oprecht zoeken en Christus verlangen, tot Hem bidden in geest en in waarheid, dat is Hem aangenaam. Verder lezen: Psalm 145 ====== 8 februari ====== > Genesis 28:10-22 De belofte aan Abraham gedaan heeft de HERE aan Isaak bevestigd en ook aan Jakob herhaald. Zijn rijke verbondszegeningen komt de Here, tot heil van alle volken, geven. Alle geslachten van de aardbodem worden gezegend in het nageslacht van Jakob. De waarheid hiervan is in Christus vervuld. Het Evangelie van Christus is over het rond der aarde verspreid tot heil der volken. Tot vergadering van de kerk uit alle stam en taal en volk en natie. De heerlijkheid hiervan heeft Jakob in de droom gehoord. De heerlijkheid van de HERE is hem in die droom daarbij geopenbaard. Engelen neerdalend en opklimmend op de ladder. Welk een onuitwisbare indruk moet dat hebben gemaakt. Daarbij heeft de Here Jakob beloofd met hem te zijn en hem terug te brengen. Zo heeft hij goddelijke bescherming ontvangen en kon hij geheel gerust zijn, terwijl hij alleen op weg was. God heeft hem toen zeer getroost en gerust gesteld. Mogelijk klaagde zijn geweten hem aan vanwege het gepasseerde. Maar God is zeer genadig. Zo zorgt de Here voor zijn kinderen die Hij niet aan hun lot overlaat. Hij wil niet dat hen iets overkomt zodat zijn beloften daardoor belemmerd worden. Zijn engelen behoeden wie Hem liefhebben. Verder lezen: Johannes 1:44-52 ====== 9 februari ====== > Genesis 29:1-30 Jakob zal zijn weg met gerust gemoed hebben vervolgd. De HERE was met hem, wat zou een mens hem dan doen? Al spoedig blijkt Gods bijzondere leiding en ontmoet hij spoedig zijn toekomstige vrouw en zijn oom Laban. Met enorme krachtsinspanning verwijderd hij de grote steen van de put en drenkt de kudde van Laban, zoals zijn moeder de kamelen van Abraham water gaf. En dan overmant hem de emotie. Hij zal toch doordrongen zijn geweest van Gods liefdevolle leiding. En dan volgen zeven vreugdevolle jaren. De liefde voor Rachel is zijn kracht. Maar dan komt het bedrog. Laban blijkt niet oprecht te zijn. Noch tegenover zijn dochters noch tegenover Jakob. Tenslotte krijgt Jakob wel zijn geliefde Rachel, maar zijn de wortels van tweedracht en twist geplant. Toch worden langs deze weg de stamvaders van het volk Israël geboren. Toch weet God de misdaden van mensenkinderen te gebruiken voor de realisatie van zijn heilsplan. Dat kunnen we hier, en steeds weer, in de bijbelse geschiedenis opmerken. Gods leiding gaat boven de dwaze handelingen van mensen uit. Zijn wegen zijn hoger dan onze wegen. Besef dat goed en leef uit het geloof dat Hij alle dingen goed bestuurt. Verder lezen: Hosea 12 ====== 10 februari ====== > Genesis 29:31-30:24 In deze geschiedenis zien we de zeer onprettige strijd tussen twee zusters om Jakob en om kinderen. Die strijd krijgt weerklank in de namen die Lea en Rachel aan de kinderen geven. Toch klinkt ook de lof op God in de naam Juda, maar de tendens is of de moeder toch maar de voornaamste mag zijn met haar zonen in het gezin. Harde woorden klinken bij Rachel aan het adres van Jakob. De onredelijkheid kent geen grenzen. Slavinnen worden ingezet als middel zichzelf te verhogen. En bij de geboorte van Dan is het alsof Rachel dan opeens recht wordt gedaan. Alsof ze het verdiend had een kind te krijgen en haar voorheen onrecht was aangedaan. En als Rachel tenslotte zelf een kind krijgt, dan lijkt het enige wat voor haar telt, of ze er toch nog meer mag krijgen. Jozef (toevoegen) werd zijn naam. Maar we moeten hier bedenken, dat het de HERE is, die Jakob zegent en nakomelingen geeft. Hij is het die Lea gedenkt en haar als eerste kinderen geeft. Lea was de achtergestelde. Maar zij werd de moeder van Juda en daarmee van David en Christus. Het voornemen van de HERE gaat voort, ondanks de onsmakelijke strijd. De komst van het beloofde Vrouwenzaad (Genesis 3:15) gaat voor en boven de straf van Genesis 3:16! Verder lezen: 1 Samuël 1:1-8, 2:1-10 ====== 11 februari ====== > Genesis 30:25-43 De Here heeft Laban door Jakobs dienst gezegend. De belofte aan Abraham: “en gij zult tot een zegen zijn” in hoofdstuk 12:2b, blijkt hier door Jakob werkelijkheid. Klein was Labans kudde toen Jakob kwam, en het is een grote kudde geworden. Laban erkent zelf ook dat hij omwille van Jakob gezegend werd. En omdat Laban op vermeerdering van eigen vermogen uit is, wil hij dat ook zo houden en bepaalt een afstand van drie dagreizen tussen elkaars vee. De zonen van Jakob weiden hun vee, Jakob dat van Laban. Zo denkt Laban voordeel te behouden. Maar Jakob wil nu om eigen huis kunnen werken en weet op ongedachte wijze zijn veestapel uit die van Laban te vermeerderen. Of dat biologisch te verklaren is zou eens aan een schapenfokker gevraagd moeten worden. In ieder geval is het duidelijk dat de Here Jakob zegende en Zijn Woord aan hem gestand deed. En Jakob zocht die zegen van de Here. Niet het loon van Laban, maar de zegen van de Verbondsgod, die Hij in Zijn voorzienigheid toebedeelt aan wie Hem vrezen (zie SV noot 43). Die zegen ontvingen Abraham en Isaak, en ook Jakob ontvangt die. Dat is de te leren les voor vandaag. Aan ’s Heren zegen is het al gelegen. Zoek en ontvang die. Verder lezen: Psalm 144 ====== 12 februari ====== > Genesis 31:1-21 God is met Jakob. Deze Immanuëlbelofte gaf de Here hem bij Betel en die herhaalt Hij in vers 3. Ook verklaart Jakob aan Rachel en Lea (die volgorde) dat God met hem is (vers 5) en dat alle voorspoed aan Zijn zegen is te danken. In de droom, een openbaringsmiddel van de HERE, heeft de Engel Gods hem verklaard welke dieren zich zouden vermeerderen. De Engel Gods is Christus, want Hij zegt: //Ik// ben de God van Betel, vs. 13. In wat Hij zegt, zien we dus dat het inderdaad slechts uit Gods bijzondere voorzienigheid te verklaren is waarom de gestreepte, gespikkelde en gevlekte door Jakob waren uitgekozen. We hoeven het de schapenfokker niet te vragen. Laban blijkt de bedrieger te zijn, wat ook Lea en Rachel beamen. Reeds bij Elimelechs komst was het Laban om goud en zilver te doen. Dat was dan ook zijn diepste reden om eerst Lea aan Jakob te geven. Hij wilde Jakob binden, om de zegen die God door hem gaf. Het was Laban niet om de Here te doen, maar om aardse rijkdom. Dat Jakob en zijn vrouwen vervolgens zonder afscheid vluchten wordt niet goedgekeurd. Maar bedenk eens wat uzelf zou doen. Gelovigen zijn nog niet volmaakt, maar uitverkoren zondaren, die Gods genade niet kunnen missen. Verder lezen: Maleachi 3:1-12 ====== 13 februari ====== > Genesis 31:22-55 De Here wilde Jakob doen terugreizen. En om te voorkomen dat Laban hem en het zijne zou terugleiden, hetzij goedschiks, hetzij kwaadschiks, komt de Here tot Laban spreken in een droom. Door dit openbaringsmiddel wordt Laban door God gedwongen Jakob met rust te laten. Maar Laban zit nog met zijn afgodsbeeldje, waar Rachel ook nogal waarde aan hecht. Met vrouwensluwheid weet Rachel haar diefstal te maskeren. Daarom vindt Laban niets tegen Jakob. En dat veroorzaakt grote verontwaardiging bij Jakob. Hij beschrijft de harde handelwijze van Laban en kent dan zijn behoud en geluk toe aan de God van Abraham en de Vreze van Isaak. Machtig komt tot uitdrukking, hoe, ondanks onrechtvaardige behandeling door mensen, vele jaren lang, toch de Here zijn kinderen zegent. Voorspoed en zaligheid mag dus nooit aan onszelf, allerlei omstandigheden of werkwijze van andere mensen worden opgehangen. God is het, die in trouw aan Zijn verbond en woorden, zegent. Tenslotte wordt dankzij God, die toeziet, ook vrede tussen Laban en Jakob gesloten. In alle strijd moet u zich aan God toevertrouwen, dat Hij voor uitkomst zorgt. Hij ziet toe. Verder lezen: Spreuken 16:1-7 ====== 14 februari ====== > Genesis 32:1-21 Het gebed dat Jakob hier bidt tot God is van grote schoonheid. Juist omdat hij pleit op Gods rijke beloften die Hij hem had gedaan. Ook verootmoedigt hij zich en kent al zijn voorspoed aan Gods zegeningen toe. Zo’n gebed wordt zeker van God verhoord. We mogen bouwen en vertrouwen op zijn genade, zoals Hij die genade door Christus aan ons bewijst. Jakob behoefde niet zo doodsbenauwd te zijn voor Esau. Hij had toch engelenlegers bij zich gezien? Die konden met gemak het legertje van Esau verslaan. Maar Jakob is toch heel bang. Hij neemt van allerlei voorzorgsmaatregelen om Esau mild te stemmen, maar hij is er niet gerust op. Het zal het geweten zijn. Enorme gaven geeft hij afzonderlijk. Zijn vermogen is zeer aanzienlijk, wat weer wijst op Gods overduidelijke zegeningen. Dit alles geeft Jakob met de gedachte: “misschien zal hij mij goedgunstig zijn.” Zo is dat vaak bij mensenkinderen. Je weet maar nooit hoe de vlag erbij hangt en of ze vergevingsgezind zijn danwel voortdurend op wraak en vergelding uit zijn. Daarom moet ook alleen op de Here vertrouwd worden en van Hem verlossing afgebeden worden. Dan vindt het hart rust en zekerheid, in de trouwe God van het verbond. Verder lezen: Psalm 80 ====== 15 februari ====== > Genesis 32:22-32 Jakob had grote geschenken gezonden, maar geen bericht terug ontvangen. Hij moet afwachten hoe de vlag er bij Esau bij hangt. Aan slapen komt hij niet toe en bang voor het zwaard brengt hij ’s nachts zijn gezin in veiligheid. En dan ontmoet hij de Here in de gedaante van een mens en strijdt met Hem. Het is een ronduit wonderlijke worsteling in de nacht. Is de aanleiding van dit gevecht soms Jakobs angst voor Esau? En dat hij met het verkrijgen van Gods zegen weer verder kan, doordat zijn vertrouwen zo versterkt wordt? Dat Jakob de Man niet wil laten gaan en diens zegen opeist, is een aanwijzing dat Jakob wel wist dat hij niet slechts met een mens van doen had. Hij streed dus met God in mensengedaante. Hij won de worsteling, kreeg de naam Israël, maar betaalde de prijs met een aangetaste heupspier. Nu was hij er van doordrongen dat God hem in het leven had behouden en dus zal redden van Esau. De Here zal hem beschermen en behouden. Door strijd met God en mensen heen, was Jakob daar nu weer ten volle van overtuigd. Deze strijd van het geloof, die God ons aandoet, wordt overwonnen door geloof in Christus. Hij is de Man, die voor ons streed en overwon. Verder lezen: Efeziërs 6:10-20 ====== 16 februari ====== > Genesis 33 Jakob was een doorzetter. Een strijder. Israël werd zijn naam. Ook hier zien wij zijn vasthoudendheid in het geven van geschenken aan Esau. Het is ook, als gaf hij die gaven aan God. Want dat zei hij tegen zijn broer: “omdat ik uw aangezicht gezien heb zoals men het aangezicht Gods ziet”. Welk een strijd had Jakob dan ook gevoerd om deze ontmoeting met Esau in vrede te hebben. Daarin is Gods bijzondere gunst toch op te merken waar Jakob steeds op gehoopt zal hebben. Al zijn voorzorgsmaatregelen ten aanzien van Esau’s komst waren tenslotte overbodig gebleken. God had het hart van Esau ten gunste gekeerd ten aanzien van Jakob. De ontmoeting werd een zeer emotioneel weerzien. Esau biedt Jakob zelfs allerlei hulp en bescherming aan. Maar die acht Jakob niet nodig, want de HERE is met hem. Hij bouwt een tentenkamp en koopt land, en evenals zijn vader Abraham richt hij een altaar op midden tussen de heidenen. De God van Israël, die alleen God is, Hem komt het offer toe. Hem komt de lof en de eer toe. Want Hij is nabij hen, die Hem vrezen. Hij gaat met de zijnen mee, overal waar zij gaan en Hij brengt hen weer thuis in het beloofde land. Hij is hun Hoop en hun Lot. Verder lezen: 1 Koningen18:30-39 ====== 17 februari ====== > Genesis 34 Of Dina er wel zo goed aan deed erop uit te gaan om vriendinnen te worden met heidense meisjes is geen onterechte vraag. In ieder geval beging Sichem de eerste misdaad in de hier beschreven geschiedenis. De Bijbel laat het misdadig handelen van mensen niet onbesproken. Zonder enige terughouding wordt het zondig handelen van mensen beschreven. Zowel wat betreft Sichem als van Simeon en Levi en de andere zonen van Jakob. Sichem dacht als zoon van de vorst, als voornaam man, zich van alles te kunnen veroorloven. Zo gaat dat vaker met hooggeplaatsten. Ze denken vanwege hun aanzien boven de wet te staan en te kunnen doen wat ze willen. Uiteraard waren de Sichemieten qua macht sterker dan het herdersvolk, maar daar weten de zonen van Jakob wel raad mee. Bedrieglijk handelen hoefden ze niet te leren. De ongebreidelde begeerte van Sichem, en de wens tot vermenging met Jakobs nageslacht, brengt hen ten val, door het sluw en listig handelen van Jakobs zonen. De eerwraak was verwoed en wreed. Het heilig teken van het verbond misbruikt om eigen woede te botvieren. Dat komt hen duur te staan (zie hoofdstuk 49:5-7) Hoe nu verder? Vraagt vader Jakob zich dan af. Verder lezen: Richteren 19 ====== 18 februari ====== > Genesis 35:1-15 Reformatie in de tenten van Jakob. De Here sprak tot Jakob om naar Betel (=huis van God) terug te gaan. Om daar gedachtenis te stichten aan wat de Here allemaal gedaan had de afgelopen jaren. Wat een trouwe zorg had Hij Jakob bewezen, en hoe groot waren de zegeningen wel niet, waarmee Hij hem gezegend had. Met niet meer dan een staf in de hand vertrok hij en nu was hij tot een volk geworden met vrouwen en kinderen en slaven en vee; heel veel vee. Uit gevaren heeft de Here hem verlost en wie hem benadeelden kwamen er bekaaid van af. Maar om de Here te ontmoeten te Betel, mag er geen plaats zijn voor enige afgod. Rachel moet de terafim van haar vader nu achter zich laten. Weg met die nepgoden, onder de grond er mee, de plaats van het verderf. Voor de wormen. God herhaalt en bevestigt Zijn beloften aan Jakob. Hij spreekt met hem, allicht in de gedaante van een engel. Zijn verbond blijft Hij gedenken en Zijn beloften zal Hij vervullen. Gedenk vandaag hoe de Here u de afgelopen jaren geholpen en gered heeft. Hoeveel zegeningen Hij u heeft toebedeeld. Veel redenen om Hem te danken en te eren. Zijn goedertierenheid blijft tot in eeuwigheid. Verder lezen: Psalm 107:1-9 ====== 19 februari ====== > Genesis 35:16-29 Het is uiteraard niet te ontkennen dat het zwaar voor Rachel was bij de geboorte van haar tweede kind te moeten sterven. Evenwel laat zij zich niet opwekken met het blijde bericht dat ze een zoon kreeg. Ze zinkt als het ware weg in haar onheil en trekt haar kind daar bijna in mee. Jakob verhindert dat. Zijn zoon zal niet zijn leven slijten in de voortdurende herinnering aan Rachels dood, daar is die steen voor, maar hij zal leven als de zoon van mijn rechterhand. Een erenaam. We zien hier hoe Jakob door geloof berust in het lot, maar ook het kwade tot het goede keert. In zoverre dat in zijn macht ligt uiteraard. Dit hebben wij vandaag de dag, door het geloof, evengoed doen. In alles wat God toebedeelt, ook het sterven van geliefden, is in geloof uitkomst te zien. Want God is het die zijn beloften geeft en troost biedt. Zijn oordelen zijn altijd rechtvaardig en goed. Dat geeft zekerheid, dat Hij het goed zal maken. Want na dit leven volgt meer. Daarop moeten de ogen ook gericht worden, als ziende de Onzienlijke. Ook als de ogen blind zijn. Zoals die van Isaak. Die op hoge leeftijd, lang nadat hij de zegen gaf, de geest gaf. En dat in bezit van Gods belofte, die de Here aan Israël zou gestand doen. Zijn werk gaat altijd door en voort. Verder lezen: Jeremia 31:15-17 en Matteüs 2:13-21 ====== 20 februari ====== > Genesis 36 Na het sterven van Isaak is zijn begrafenis in vrede verlopen. Geen blijk van spanning tussen de broers die vroeger zo tegenover elkaar stonden. Geen enkele strijd noch ook enig woord van verwijt. Er blijkt vrede tussen hen te zijn. God bewerkte die. We zien overigens dat Esau ook enorm gezegend was. Beide zonen hadden overvloed. Ze konden vanwege de menigte van hun vee niet bij elkaar blijven. Evenals het nageslacht van Ismaël wordt ook dat van Esau beschreven. Het was Jakobs broeder. De vrouwen van Esau worden genoemd. Ze waren een doorn geweest in de ogen van Isaak en Rebekka; “Ik walg van mijn leven om die Hethitische vrouwen” (27:46). Esau was onverschillig. De Here spreekt later door de profeten: “Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat.” (Maleachi 1:3, Romeinen 9:13) Edom zal later in de geschiedenis van Israël nog een rol spelen. Veelal die van vijandschap. Het schijnt dat ook Herodes een Edomiet was. Het oordeel van de Here kwam over Edom vanwege zijn gewelddaad aan zijn broedervolk Jakob. God laat de vijanden van Israël voortbestaan, maar dan ook om door Zijn oordeel Zich aan hen te verheerlijken. Het koningschap zal zijn aan de HERE! Verder lezen: Obadja ====== 21 februari ====== > Genesis 37 De verschrikkelijke uitwerking van het bedrog, van de leugen, zien we in Jakobs rouw over een zoon die niet dood is. En niemand van de broeders die dacht: laat ik het maar zeggen, of impliciet bekend maken hoe het zit. Uiteraard bevreesd voor ontdekking van hun complot en de schande die hen dan zou treffen. Bang mogelijk voor vergelding. De leugen houdt henzelf gevangen en heel de familie. Juda, de naam Jood is er van afgeleid, is hier de handelaar. Het levert hen allen welgeteld twee zilverstukken op. Wat een geluk zeg. En ze zijn dan van hun vervelende verwende broertje af. Maar toch, het zijn volwassen mannen. Er is geen verontschuldiging. De dromen van Jozef waren geen verzinsels. Dromen zijn openbaringsmiddelen van de Here. Juist ook bij de komst van de Messias spreekt Hij door de droom tot Jozef En de broers (de mensen) kunnen zich wel tegen de openbaring verzetten, omdat het hen niet welgevallig is, maar met en door hun verzet wijkt de Here er niet van af om zijn bekendgemaakte plan uit te voeren. Ja, juist door het verzet van de mensen, tegen Gods wil, werkt de Here zijn raad uit. Dat blijkt steeds weer. En daar moeten we vandaag in berusten, erop hopen, er zeker van zijn en er gelukkig mee zijn. Verder lezen: Matteüs 26:15,16; 27:1-10 ====== 22 februari ====== > Genesis 38 De zonden van Gods verbondskinderen worden niet verborgen gehouden in de Schrift, maar zonder weerhouding beschreven. Die van Ruben, Simeon en Levi eerst. Hier die van Juda’s twee oudste zonen en van hemzelf; zijn verbreking van zijn belofte aan Tamar. Dat dreef Tamar tot het uiterste om het recht tot gelding te doen komen, daar gaat het hier om. Juda wil haar ter dood veroordelen om de misdaad die hijzelf heeft bedreven. Maar dit had Tamar blijkbaar voorzien. Juda geeft toe. Hij kan ook niet anders. En Tamar krijgt haar recht. Hierbij moeten we op Christus letten. Want Tamar wordt in Zijn geslachtsregister genoemd. De belofte komt Juda toe. Ruben, Simeon en Levi worden om hun zonden overgeslagen (zie Genesis 49:2-7). Ook hier is het niet de oudste, maar de uitverkorene. En dat ondanks Juda’s overtreden. Maar vergeet hierbij niet, wij zijn niets beter. Christus is gekomen volgens de belofte, langs de lijn der geslachten, die zelf niet van overtreding vrij zijn. Hij kwam dan ook om zondaren te roepen, om het verlorene te redden. Er is geen enkele roem in de zondige mens. Wat een genade dat Tamars naam in Mattheüs 1 staat. Onze kromme wegen wilde Hij gebruiken voor zijn heil. Verder lezen: Matteüs 1:1-17 ====== 23 februari ====== > Genesis 39 Het is duidelijk Gods voorzienigheid dat Jozef slaaf wordt van niemand minder dan het hoofd van de lijfwacht van Farao. Als de Here Jozefs hand zichtbaar zegent en dit niet onopgemerkt blijft, zien we daarin de zegen van de God van het verbond, die ook de volken toekomt (Genesis 28:14). Maar de overspelige en leugenachtige vrouw weet op sluwe wijze Jozef veroordeeld te krijgen. Zo gaat dat niet zelden met rechtvaardigen. Door leugen en bedrog worden ze veroordeeld en het leven hen als het ware ontnomen. Maar de Here gaat door. Ook in het lijden door onrecht, blijft Hij dezelfde, om Zijn dienstknechten bij te staan en Zijn verbondskinderen te gedenken. Zo ook zegent de Here Jozef in de gevangenis van de koning. Ongetwijfeld heerste daar een streng regime, zoals tegen staatsvijanden veelal wordt gehanteerd. Maar Gods zegen aldaar, is voor Jozef ongetwijfeld rustgevend en vertrouwen wekkend. Het zal goed komen, hoe het ook gaat. Ook voor ons vandaag moeten we dit inzien. Tegenspoed moet de ijver niet bedwingen, maar lettend op Christus, //tegen// Wie Gods hand eens was, volharden tot het einde. Want om Zijnentwil is God voor ons. Verder lezen: Romeinen 8:31-39 ====== 24 februari ====== > Genesis 40 In de gevangenis van de koning komen de opstandige lieden. Zoals hier de oversten van de schenkers en de bakkers. Deze geschiedenis, die boekdelen spreekt, wijst ons op de handelwijze van grote vorsten. Schenkers en bakkers hebben aan de hoven grote verantwoordelijkheid. En hun oversten in het bijzonder. Ruime tijd zaten ze vast vanwege hun zondigen tegen de Farao. Wat hun misdaad was, wordt niet duidelijk. In ieder geval krijgen ze een tegengesteld vonnis, nadat ze uit de streng bewaakte gevangenis worden gehaald. Hun dromen, zoals Jozef ze door Gods gave verklaarde, zouden na drie dagen waarheid worden. En hoewel Jozef zo nadrukkelijk vraagt of de overste der schenkers hem wil gedenken, vanwege zijn onrechtvaardige hechtenis, luidt het slot: “Doch de overste der schenkers dacht niet aan Jozef, maar vergat hem.” En zie hier hoe de mens is. Als het goed gaat, wordt niet gedacht aan wie het slecht heeft. Als het door Jozefs voorzegde geluk daar is, dan gaat de overste der schenkers daarin op. Het drukke feestelijke bestaan aan het hof nemen hem op en de weldaad, hem in de gevangenis bewezen, vergeet hij. Maar de Here, die gedenkt de arme, de verdrukte en de ellendige. Verder lezen: Klaagl. 3:52-59 ====== 25 februari ====== > Genesis 41:1-45 Ten laatste werkt de Here de verlossing van Jozef uit de gevangenis, alsnog via de schenker die de Farao op Jozef wijst. God gebruikt mensen om Zijn doelen te bereiken. En de gave van verklaring van dromen, die Hij Jozef gaf, is de weg waarlangs Jozef uit het kerkerhol wordt gehaald en diezelfde dag nog onderkoning van het land wordt. Dit zijn gebeurtenissen, die laten zien, dat God op ongedachte wijze het leven van Zijn kinderen van de diepste ellende tot de hoogste eer brengt. En zo moeten wij vandaag de dag ook bedenken, dat het volhardend vertrouwen op de Here voor een heerlijke uitkomst zal zorgen. Na een tijd van lijden en verdrukking volgt een tijd van ongedachte eer en heerlijkheid. Een blijdschap om God te loven en te prijzen. Hij zal blijken de hand in alles te hebben; alles te hebben geleid zoals het Hem behaagt. Tot vermeerdering van Zijn eer en lof en behoud van Christus’ kerk in het eeuwige leven. Bij deze tekst moeten we goed letten op Jozefs belijdenis dat God het is, die hier bekend maakt wat gebeuren gaat. Niet Jozef zelf, maar God de Here is het, die Jozef dromen laat verstaan (vs. 16), wat de Farao bevestigt (vs. 39). Aan God behoort de wijsheid en de kracht! Verder lezen: Daniël 2 ====== 26 februari ====== > Genesis 41:46-57 De uitlegging van Farao’s droom door Jozef vond direct instemming. Het was duidelijk dat Jozef juist had gesproken, maar eveneens had Jozef raad gegeven, wat het juiste was om te doen. En zoals hij voorzegd had, zo geschiedde het ook. Jozef werd bevestigd in Gods bijzondere leiding van zijn leven. Op de hoogste plaats werd hij gesteld. Dit zal blijken de weg te zijn, waarlangs straks ook zijn eigen dromen zouden uitkomen. Ook heeft Jozef troost gevonden in deze leiding van de Here. Bij de naamgeving van zijn beide kinderen komt dat tot uitdrukking. Manasse: ‘die doet vergeten’ en Efraïm: ‘dubbele vrucht’. Ja, de ellende en verlorenheid waaronder hij zo lang gebukt ging, heeft God hem doen vergeten. Het verdriet van vaders huis weggevoerd te zijn, uitlandig, oftewel in de ellende te zijn en in het kerkerhol, dat liet God hem vergeten, door zijn nieuwe leven als onderkoning; door de twee kinderen die God hem gaf. Zo braken voor hem, op zijn dertigste levensjaar, na toch zeker een decennium in ellende te zijn verkeerd, goede tijden aan. Tijden van verkwikking en rust. Welk een dankbaarheid vervult het hart dan ook, als de Here naar zijn kinderen omziet! Na het zure geeft Hij het zoet. Het echte zoet. Verder lezen: Handelingen 11:19-30 ====== 27 februari ====== > Genesis 42 Jozef herkende zijn broers direct toen zij om graan in Egypte bij hem kwamen. Doordat ze via een tolk met elkaar spraken, werd Jozef door zijn spreken niet herkend door zijn broers. Jozef zal eind dertig zijn geweest en ze hadden elkaar zo’n twintig jaren niet gezien. De herders en stamvaders van Israël knielen voor hun broer. Jozefs droom ging in vervulling. De één wordt boven de anderen gesteld. God is het die vernedert of verhoogt en niemand houdt dat tegen. Het gaat hier om Zijn besturing en regering. De onderwijzing is, dat de Here de bestuurder is van ons lot. Deze geschiedenis wijst op Christus. Hij is verhoogd. En allen die Hem verwierpen, zullen moeten erkennen dat de Vader Hem verhoogd heeft en Hij de Koning over Israël is, ja over alle volken. Langs ongedachte wegen en volgens Zijn besluit brengt God Zijn Uitverkorene tot de troon. Dat was ook bij David langs de weg van vervolging. Ook Jozef ging een weg van lijden en onrecht, maar werd tenslotte verhoogd. Dit vervulde de Here Jezus, uit eigen wil, met het ondergaan van de toorn van God. Nu is Hij uitermate verhoogd, en moet eenieder voor Hem knielen. Bij Hem is brood. Hij is het Brood. Het Brood des levens. Verder lezen: Psalm 75 ====== 28 februari ====== > Genesis 43 Zowel Jakob en zijn zonen zijn onwetend van de bedoelingen van de onderkoning van Egypte. De hongersnood drijft hen naar die onderkoning toe, terwijl Jozef Simeon gevangen hield als verzekering van hun terugkomst. De honger werd zo sterk, dat ook Jakob Benjamin moest laten gaan, om anders niet allemaal om te komen. Op een aangename en bedachtzame manier handelt Jozef met zijn broeders, als hij hen aan de maaltijd nodigt. Eerst vraagt hij naar hun vader en dan spreekt hij tot Benjamin. Gods uitzonderlijke barmhartigheid, die Jakob zijn zonen toe bad, komt hen toe, maar in het bijzonder ook Jozef. Jozef moest zich van Benjamin afkeren om alleen te wenen. Hij wilde zich (nog) niet bekend maken. De tafelschikking deed de broeders uiteraard verbaasd staan. De hand van God in dit alles werd al meer openbaar. Hij is hier alles aan het leiden, ook het hart van onderkoning Safenat Paneach (Jozef). In deze geschiedenis komt de troost van Gods vaderlijke liefde tot zijn kinderen. Hij leidt langs onbekende en ongedachte wegen hun leven. Opdat u zich leert gewennen aan Zijn hoogheilige wegen en van Zijn vaderlijke barmhartigheid alles verwacht. Verder lezen: Psalm 77 ====== 1 maart ====== > Genesis 44 Jozef herhaalt zijn voorgaande handeling, door het geld weer in hun zakken mee terug te geven. En nu wil hij te weten komen hoe het met zijn broeders staat. Zullen zij met Benjamin, de zoon van Rachel, de lieveling van vader, net zo doen als ze met hem gedaan hadden? Zullen ze hem voor een slaaf wegdoen, uit jaloezie voor vaders liefde voor hem? Zouden ze Benjamin wreed aan zijn lot overlaten, of voor hem opkomen? En zo hun vader gerust stellen. Zouden zijn broers veranderd zijn en verbeterd? Dit nu, zou Jozef te weten komen. En dan is het Juda die het op zich genomen ambt uitoefent. Hij plaatst zichzelf voor Benjamin en biedt zich aan in de plaats van Benjamin. En dat doet hij op treffende wijze. Uit zijn uitgebreide relaas blijkt duidelijk dat hij zich volledig inzet om Benjamin vrij te krijgen, zodat die naar vader kan terugkeren. Hij wil daarvoor zichzelf opofferen. En zie in dit optreden van Juda, zijn Nakomeling, onze Heiland en Zaligmaker Jezus Christus. Hij, die, met het Middelaarsambt bekleed, Zichzelf voor de hoogste hemelse Rechter heeft gesteld. Hij heeft Zijn ziel, zijn leven, in onze plaats gegeven. Hij pleit ons vrij voor God en reinigt ons geweten van zonden. Geloof in Hem. Verder lezen: Hebreeën 7:11-28 ====== 2 maart ====== > Genesis 45 Jozef heeft de pleitrede van Juda aangehoord en zo de liefde vernomen die daar was voor vader en Benjamin. Het is hem nu duidelijk dat zijn broers veranderd waren. Luid huilend maakt hij zich vervolgens aan zijn broers bekend, die uiteraard volstrekt verbaasd zijn. Maar Jozef verklaart dan de raad van God in wat de broers met hem hadden gedaan. De Here wilde langs deze weg Jakob en zijn huis in het leven houden. Niet zij hadden hem verkocht, maar God had hem voor hen uitgezonden om hen te redden. Wat een wijsheid van God en wat een troost voor wie in Hem geloven. Hij weet het leven, dwars door het zondig handelen van mensen, zo te leiden, dat zijn kinderen verlost worden. Zo ook heeft Christus geleden onder het misdadig handelen van zijn eigen broeders. Het kwaad en onrecht dat Hij onderging was daarbij vergezeld met de toorn van God. Maar de overvloed van zijn verdienste is het eeuwige leven voor wie in Hem geloven. Overvloed schonk Jozef in wagens en goederen. Zoveel gaf Jozef mee, dat zijn vader Jakob overtuigd werd van deze ongedachte verlossing uit zijn verdriet. En Israël zeide: “Het is genoeg; mijn zoon Jozef leeft nog; ik wil gaan en hem zien, eer ik sterf.” Wat een troost. Verder lezen: Psalm 105:16-22 ====== 3 maart ====== > Genesis 46:1-30 Jakob ging op reis naar Egypte op de wagens van Farao. Maar te Berseba, de zuidelijkste plaats van het land stopt hij. Hij offert aan de God van zijn vader Isaak. Niet zomaar trekt hij weg uit het land der belofte. Hij denkt aan de belofte van de God van het verbond, de God van zijn vader. En de HERE komt dan tot hem spreken en Jakob zijn lot bekendmaken. De goede leiding van de HERE is Jakobs deel en de vervulling van de belofte. Jakob zal in het land van de belofte teruggebracht worden en aldaar begraven worden, nadat hij Jozef had gezien. Nu kan Israël doortrekken. Want de HERE Zelf trekt met hem mee en brengt hem terug. Er is een ingaan en uitgaan en weide vinden onder Gods bijzondere leiding. Juda vervulde het middelaarswerk weer. En Jozef, vol begeerte zijn vader te zien, haast zich op weg. Vele tranen vloeiden, toen Jakob Jozef ontmoette. Jozef viel hem om de hals en weende //geruime// tijd. Het is maar moeilijk in te denken, welke gevoelens daar loskwamen zonder het zelf te hebben meegemaakt. De vereniging van vader en zoon na een scheiding van vele jaren was daar. Dit nu bewerkt Gods voorzienigheid. Na jaren van verdriet om verlies, geeft God leven. Verder lezen: Psalm 121 ====== 4 maart ====== > Genesis 46:31-47:12 Jozef gaat nu ook een middelaarsfunctie bekleden. Hij gaat pleiten bij Farao voor een goed onderkomen voor zijn (bekeerde) broeders. Ook leert hij hen de Farao op gepaste wijze te antwoorden. De Farao blijkt hen zeer goed gezind om Jozefs wil, en dat ondanks, dat al wat schaapherder is voor de Egyptenaren een gruwel is (vs. 34). Farao geeft Jozef toestemming hen woonplaatsen te geven in het beste deel van het land. Dat doet Jozef dan ook en daarbij onderhield hij heel Israël. Zo valt Gods volk het beste ten deel. De Here voorziet in het leven van Zijn kinderen, opdat zij Hem zullen erkennen als de overvloedige Bron van alle goede dingen. Langs ongedachte wegen gaat de Here en Hij leidt en weidt Zijn kudde. Indrukwekkend is de ontmoeting van Jakob met Farao. Tot tweemaal toe zegent Jakob de Farao. Terwijl slechts de levensjaren van Jakob wordt besproken, getuigt Jakob daarbij van het geloof. Hij spreekt van de jaren van mijn vreemdelingschap. Zo zegt hij, dat hij een nieuwe aarde, een hemels vaderland verwacht (Hebreeën 11:13-16). En met zijn zegenen van Farao worden we herinnerd aan Genesis 12:2 en 3 en 26:4. Uit geloof in de belofte komt zegen op aarde. Verder lezen: Handelingen 7:8-16 ====== 5 maart ====== > Genesis 47:13-26 Jozef handelt verstandig met de bevolking van Egypte. Hij houdt hen in leven door de door hem opgeslagen voorraden aan hen te verkopen. Hierdoor kreeg Farao al het vee en heel het land in bezit. De bevolking echter raakt niet aan de bedelstaf, want ze mogen in dienst van Farao werken en leven. Ze zijn dan wel knechten geworden, maar worden heel gunstig behandeld. Want maar liefst tachtig procent van de opbrengst van het land mogen ze zelf houden. Slechts twintig procent moeten ze afstaan. Ze waren dan wel bezitloos geworden, maar konden wel veel van de opbrengst van het land voor zichzelf houden. Ze hadden evenwel geen keus, of ze moesten al de hongerdood prefereren boven deze dienstbaarheid. Ze bieden hun land en zichzelf aan om in leven te blijven. Zo was er hoop voor hen. Want voor al wie tot de levenden behoort is er hoop, immers een levende hond is beter dan een dode leeuw. Jozef was dus niet hard voor het volk. Zijn belastingtarief is zelfs laag in vergelijking met vandaag. De mens heeft er veel voor over om in leven te blijven. Maar voor het eeuwige leven, kan hijzelf niets geven. Daarvoor moet geloofd worden in de God van Jozef, geloofd in Hem die alles gaf. Verder lezen: Prediker 9:1-12 ====== 6 maart ====== > Genesis 47:27-31 Jakob nadert het einde van zijn leven op aarde. Het verblijf in vreemdelingschap. De HERE is met hem geweest, overal waar hij gegaan is. De HERE heeft Zijn Woord aan hem gehouden en heeft zijn trouw bewezen. God heeft Jakob wel beproefd, en zijn dagen waren vaak vol verdriet en tegenspoed, vanwege zijn eigen zonden, vanwege het bedrog van Laban, vanwege de misdaad van zijn zonen, vanwege het vroegtijdig verlies van Rachel, vanwege de verdwijning van Jozef Maar door alles heen was de HERE met hem en heeft hij het geloof behouden. Eén ding ontbreekt hem nu het einde nadert. Hij woont niet in het land der belofte. Het land dat zijn nageslacht erfelijk gaat bezitten, omdat God het gezegd heeft. //Daar// wil hij naar toe. Waar zijn vaders begraven liggen. En dan verzoekt hij Jozef hem plechtig te zweren hem daar te begraven. Een eed vereist Jakob. Hij wil zekerheid. Ook bij zijn sterven. Hij zoekt troost dat Gods beloften aan hem vervuld worden, teneinde toe. Zo wil het geloof. De zekerheid dat de HERE het beloofde land geeft en dat Zijn toegezegde genadegave wordt ontvangen. Toen Jozef het hem zwoer, boog Israël zich en bad tot God. Veel dankbaarheid om Gods trouw. In leven en sterven blijft Hij dezelfde. Verder lezen: Psalm 42 ====== 7 maart ====== > Genesis 48:1-22 Jakob zegent de zonen van Jozef op kenmerkende wijze. Zoals hij als jongste de zegen mee kreeg, zo doet hij ook bij Manasse en Efraïm. Manasse was de oudste, maar Jakob stelde de jongste boven hem. Daarom zijn wij gewend te zeggen: Efraïm en Manasse. De kruislingse zegenende handeling van Jakob wijst ons erop, dat het bij de Here gaat langs de weg, niet van het vlees, maar naar de verkiezing. Niet de oudste of de sterkste verkrijgt de grootste zegen, maar zoals God het bepaald heeft. Het ontvangen van Gods zegen is een kwestie van louter genade. De zegenrijke belofte die de HERE aan Abraham, Isaak en Jakob gaf, geeft Jakob allereerst door aan Jozef, door diens zonen te zegenen (vs. 15: “En hij zegende Jozef”). Jakob neemt hen als zijn eigen zonen aan. Zo kreeg Jozef twee stammen in Israël. En de jongste werd de grootste. Ook herhaalt Israël de Immanuëlbelofte, als hij zegt, vers 21: “God zal met u zijn”. Israël heeft het zelf steeds ondervonden. Gods zegenrijke nabijheid, Zijn permanente bescherming. Al Gods woorden zijn uitgekomen. Die trouw van de HERE zal Jozef en zijn zonen steeds vergezellen. Daar kunnen zij van op aan. En dat is vandaag ook u gegeven, gedoopt in de naam van God Drieenig. Verder lezen: Psalm 73:21-28 ====== 8 maart ====== > Genesis 49:1-28 Het buigen van de schoven van Jakobs zonen voor Jozefs schoof werd vervuld. Maar daarna zal voor een ander gebogen worden. Als Jakob profetisch Gods zegen gaat geven, dan is het Juda voor wie Jakobs zonen zullen neerbuigen. Uit hem zal de Christus voortkomen. De eerste drie zonen van Jakob worden hier gepasseerd vanwege hun overtreden, ja zelfs een vorm van straf wordt hen aangezegd (vers. 7). Juda’s overtreding wordt voorbijgezien. De verklaring hiervoor? Genade alleen. De unieke zegen voor iedere zoon wordt middenin onderbroken door het gebed: “Op uw heil wacht ik, o HERE.” Zo spreekt het geloof. Geloof is wachten met zekerheid. Want wat Jakob zijn zonen aanzegt zal zeker komen (vers 1). De toename en overvloed van Gods zegeningen wordt speciaal Jozef toegezegd. Waarbij hij de uitverkorene wordt genoemd (SV: de afgezonderde). Hij was immers van hen afgezonderd, als geliefde van vader, als onderkoning van Egypte en als verzorger van heel de familie. Hij is beeld en type van Juda’s grote Zoon, onze Here Jezus Christus, aan wie de volken gehoorzaam zullen zijn. En zalig bent u, nu u onder Zijn hemelse heerschappij bent gebracht en gelovig en gewillig Hem gehoorzaam zijt. Verder lezen: Psalm 2 ====== 9 maart ====== > Genesis 49:29-50:14 De begrafenis van vader Jakob kent zijns gelijke bijna niet in de Schrift. Ongekend is de eer die hem wordt aangedaan bij zijn sterven. Engelen Gods zag hij, toen hij eenzaam en alleen vertrok uit Kanaän. Hij kreeg de belofte. Terugkerend zag hij een groot leger aan engelen. En nu wordt hij door een machtig groot leger begeleid naar Kanaän, zijn laatste rustplaats bij zijn vaderen. Hoezeer had hij dat verlangd, dat hij bij hen begraven zou worden! Want hij zocht daarmee het beloofde land, ja, de belofte van de HERE. En daarmee verwachtte hij de stad met fundamenten waarvan God de Bouwmeester is, het hemels vaderland (vergelijk Hebreeën 11:10 en 16). Hoezeer Jozef geliefd was aan het hof van Farao blijkt wel als een enorme delegatie hooggeplaatsten meegaat naar Kanaän. Een ware staatsbegrafenis krijgt Jakob, met zeer groot rouwbedrijf. Zelfs een plaatsnaam werd er naar vernoemd. Wij moeten dat niet overdreven vinden, maar het zien als aanwijzing welk een eer God zijn uitverkoren knechten laat bewijzen. Jakob was een strijder met God en mensen om de belofte te verkrijgen. In het geloof heeft hij volhard tot het einde. Zo is hij vader van de ware Israëlieten. Verder lezen: 2 Korinthiërs 5:1-10 ====== 10 maart ====== > Genesis 50:15-21 Jozef heeft, vanaf het moment dat hij zijn broers zag, erop ingezet zijn vader en Benjamin te zien. Zijn liefde ging vooral naar zijn vader uit en die liefde was daar ook bij Jakob voor Jozef. Dit werd rond het geven van de zegen duidelijk, omdat Jakob eerst Jozef in diens zonen zegende. De broers denken, na het sterven van hun vader, aan het kwaad dat zij Jozef hadden aangedaan. En dan doet hun denken aan straf de schrik om het lijf slaan en smeken Jozef per brief om vergeving. Jozef weende toen. Zijn broeders kenden zijn gezindheid niet. Ook bogen zijn broers voor hem neer. Opnieuw ging zijn droom in vervulling. Maar Jozef verklaart vrede te hebben met de voorzienige leiding van de HERE. Die leiding is er ook door het kwaad dat mensen je kunnen aandoen. Jozef weet zijn plaats in Gods bestuur. Iets wat je moet aanvaarden om Hem te kunnen dienen. Zo ook weet Jozef zijn taak ten aanzien van Israël, om het volk in leven te houden. En hij troost zijn broers, dat hij voor hen zal zorgen. Hij sprak tot hun hart. Niet wraak, maar vergeving. Dat is het evangelie. Zo begint het eerste Bijbelboek. Gods genade voor zondaren, doet hen ook genade bewijzen. Onverdiende en verbeurde gunst. Verder lezen: Matteüs 6:5-15 ====== 11 maart ====== > Genesis 50:22-26 Jozef wist zijn leven in Gods hand. Hij is door de duisternis van verraad, verloochening en verkoop gegaan. God was aan zijn zijde. Zijn dromen kwamen uit, want het was Gods getuigenis, dat vast en zeker is. Hij heeft de beloften die de HERE aan Abraham, Isaak en Jakob had gezworen gelovig vastgehouden tot het einde van zijn leven toe. En ook heeft hij bij zijn sterven de belofte gelovig beleden en herhaald, door zijn broeders te verzekeren dat God naar hen zou omzien en zijn belofte inlossen. Zo heeft Jozef dan ook, evenals Jakob, zijn broeders doen zweren zijn gebeente mee te nemen en op de bestemde plaats te begraven. Namelijk te Sichem waar Jakob een stuk grond gekocht had, wat Jozef toebedeeld was (zie Joz. 24:32). Dit heeft Jozef door het geloof gedaan. En in dat geloof is hij gestorven. En zoals hier het boek van de geboorten, Genesis, eindigt, zo zal het zijn voor allen die de belofte geloven. Zij zullen de zegen van de HERE zien. En na de ogen hier gesloten worden, die opslaan in het hemels vaderland. Dit is de trouw van de HERE aan Zijn verbond en woorden. In de grijze dagen zijn wij, die geloven, nog jong in dit geloof. Want God zorgt voor de vervulling. Hijzelf zal alles waar maken. Zo is er rust. Verder lezen: Exodus 13:17-22 ====== 12 maart ====== > Psalm 1 Twee wegen tekent Psalm 1. De eerste weg is die van de rechtvaardigen. Het is de smalle weg die wordt bewandeld door een ieder die Gods thora (Zijn leer) liefheeft en overdenkt. Het is de weg die tot het eeuwige leven leidt en goede vruchten doet dragen. Daarom is al wie deze weg bewandelt gelukkig te prijzen. Tegenover deze weg staat echter een heel andere weg: die van de goddelozen. Het is de brede weg van de hardnekkige zondaren, die als werkers der wetteloosheid samenrotten terwijl ze met God en godsdienst spotten. Zij zijn allerminst gelukkig te prijzen, want hun weg loopt dood. Het gaat er voor ons dan ook om, dat wij de juiste weg bewandelen. We moeten niet wandelen in “de raad der goddelozen”, die van alles bedenken en beraadslagen tegen God en Zijn Woord. We moeten niet plaatsnemen in “de kring der spotters”, die uiteindelijk alleen maar zichzelf bespottelijk maken. Maar we moeten ons van harte voegen bij de vergadering van de rechtvaardigen. En nee, dat zijn wij beslist niet uit onszelf: rechtvaardigen. Maar dat zijn we wel door het geloof in Christus. Christus heeft met Zijn dood en opstanding de weg ten leven voor ons gebaand; Hij die Zelf is de Weg, de Waarheid en het Leven. Door het geloof in Hem zijn wij rechtvaardig voor God, en is onze weg de eeuwige weg. Verder lezen: Matteüs 7:13-23 ====== 13 maart ====== > Psalm 2 De eeuwen door komen vele volken en volksoversten (ook kerkleiders!) in opstand tegen de Messias, de Gezalfde des HEEREN. Maar tevergeefs! Hoeveel aardse machten ook samenspannen tegen de hemelse God en Zijn eeuwig geboren Zoon, zij maken zichzelf alleen maar belachelijk en bespottelijk. Want niemand is zo machtig als de almachtige God. En niemand ontkomt aan Zijn straffende toorn, behalve door een waar geloof in Christus. Christus is door God de Vader gezalfd tot Koning over Sion, Zijn kerk. En deze Koning is een almachtig Koning, die Zijn onderdanen beschermt tegen al Zijn en hun vijanden. Alle knie zal zich uiteindelijk voor Hem buigen, zo niet door geloof en bekering, dan wel door een verpletterend oordeel. Want ieder mens is als klei in de hand van de Pottenbakker, die goddelozen genadig omvormt tot gelovigen dan wel rechtvaardig verbrijzelt om hun ongeloof. Psalm 2 komt dan ook met een dringende waarschuwing voor alle vorsten en koningen, en niet minder voor ons: “Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne”. Geloof in Christus als de Koning der koningen, dan zult u niet te gronde gaan. Buigt u nederig onder Zijn zachte juk, om voor eeuwig door Hem verhoogd te worden. Want wie hoogmoedig opstaat tegen de Heere, zal beschaamd uitkomen. Maar wie nederig bij Hem schuilt, wordt niet beschaamd maar beschermd, gespaard en bewaard. Verder lezen: Handelingen 4:1-31 ====== 14 maart ====== > Psalm 3 “Hij vindt geen hulp bij God”, beweren de vijanden van koning David, die tegen hem zijn opgestaan. Vijanden, niet maar van buitenaf, maar van binnenuit. Want niemand minder dan Davids eigen zoon Absalom is met vele volksgenoten tegen zijn vader en koning in opstand gekomen. Voor David een verdrietig gebeuren, maar geen hopeloze toestand. Want hoe hoog de nood ook oploopt, hij vreest niet voor de tienduizenden die hem omsingelen. In vast vertrouwen op de HEERE, zijn schild en zijn eer, hanteert David het machtige wapen van het gebed: “Sta op, HEERE, verlos mij, mijn God!” De HEERE zal deze smeekbede van Zijn gezalfde knecht beantwoorden vanaf Zijn heilige berg, waar Hij troont op Zijn ark tot zegen van Zijn volk. Dat David wel degelijk hulp en verlossing vindt bij God, was in het verleden al zo vaak gebleken. Zo vaak als er gevaar dreigde, kon David gerust slapen, want de HEERE was hem tot steun en had al zijn eerdere vijanden verslagen. De HEERE zal David ook nu niet in de steek laten, alleen al om Zijn beloften aan hem te vervullen. Zodat David niet tevergeefs hoopt op Gods genade. En voor ons is het niet anders. Hoevelen ons ook Gods hulp ontzeggen, mogen ook wij weten van Zijn verlossing en zegen. Zolang wij niet in opstand komen tegen God en Zijn Gezalfde, hebben ook wij niets te vrezen. Verder lezen: 2 Samuël 15:10-26 ====== 15 maart ====== > Psalm 4 Hoewel David in benauwdheid verkeert en geminacht wordt door leugenachtige mannen, vertrouwt Hij op de God zijner gerechtigheid, die hem recht verschaft door naar zijn gebed te horen en hem de nodige ruimte te geven. David weet zich immers als Gods gunstgenoot geheiligd om over Israël te regeren als voorafschaduwing van Christus. En evenals Paulus in Efeziërs 4 komt David met deze waarschuwing: wie boos is op een ander, moet zich niet aan de ander bezondigen, maar rustig tot bezinning komen. Een ieder moet op de HEERE vertrouwen en dankbaar aan Hem offeren wat men Hem verschuldigd is. Dan hoeft men zich niet vertwijfeld af te vragen: “Wie zal ons het goede doen zien?”, want dan weet men van het goede dat God in Christus schenkt. En dan weet men zich verzekerd van de zegen des HEEREN, die Zijn aangezicht doet lichten over al de Zijnen. Dan schenkt God te midden van alle benauwdheid vreugde in het hart, ééuwige vreugde, die zoveel méér is dan de tijdelijke vreugde die meekomt met een overvloed aan koren en wijn. Met die vreugde in het hart kan een mens gerust gaan slapen, wetende dat hij veilig zal ontwaken. “Want Gij alleen, O HEERE, doet mij veilig wonen.” Gij doet mij het goede zien. Omdat Gij in Christus met mij bent. Verder lezen: Efeziërs 4:17-32 ====== 16 maart ====== > Psalm 5 Belaagd door goddelozen, roept David de hulp in van de HEERE, Hem aanroepend als zijn Koning en zijn God. Als Koning immers beschermt de HEERE allen die bij Hem schuilen, zodat zij zich kunnen verheugen. En als God is de HEERE rechtvaardig, verre van alle goddeloosheid. Geen boze zal bij Hem standhouden. Want de HEERE haat alle bedrijvers van ongerechtigheid en verdelgt hen die liegen en bedriegen of moordlustig bloedvergieten. En Romeinen 3 benadrukt dat van álle mensen geldt wat David hier toeschrijft aan zijn belagers, dat hun keel een open graf is enzovoort. Want van nature zijn wij allen verdwaasde goddelozen. Alleen het geloof doet ons door Gods grote goedertierenheid voor de HEERE neerbuigen in Zijn heiligdom, Hem biddend of Hij ons toch wil leiden door Zijn gerechtigheid; of Hij Zich toch rechtvaardig wil betonen in het straffen van onze vijanden en daardoor in het effenen van onze weg. Want zo toch doet een rechtvaardig God en Koning: Hij doet de weerspannigen boeten, maar beschermt de rechtvaardigen. Wie in de HEERE gelooft, mag zich als rechtvaardige-dóór-het-geloof gezegend weten en beschermd met het schild van Gods welbehagen, dankzij de Zoon van Gods welbehagen, die als onze eeuwige Koning voortdurend Zijn kerk beschermt, juist ook door het straffen van onze vijanden. Verder lezen: Romeinen 3:1-18 ====== 17 maart ====== > Psalm 6 Door te bidden of de HEERE hem niet wil straffen in Zijn toorn, belijdt David wel straf verdiénd te hebben. David pleit zichzelf dan ook niet vrij van zonde, maar doet een beroep op Gods genade. En bidt tot God om genezing en verlossing. Want David is ernstig verzwakt en de dood nabij. En al is het voor een gelovige geen straf om heen te gaan, eenmaal gestorven kan David God niet meer loven in het midden van Zijn gemeente. Daarom wacht David niet op de dood, maar op de HEERE, pleitend op Zijn goedertierenheid. En daarom vermaant David allen die hem benauwen van hem te wijken, voordat het te laat is. Als bedrijvers van ongerechtigheid zijn zij immers niet slechts vijanden van David, maar van de HÉÉRE, die hen dan ook beschaamd doet staan. Want alleen wie op de HEERE vertrouwt, zal niét beschaamd uitkomen, maar evenals David mogen geloven dat God eens alle tranen van onze ogen zal afwissen, niet in de laatste plaats omdat Hij in Christus al Zijn en onze vijanden overwint. Met een beroep op Gods genade in Christus zenden ook wij onze smeekbeden niet tevergeefs op, want God is de grote Hóórder der gebeden, die ons om Christus’ wil niet ongenadig straft in Zijn toornegloed, maar ons hooguit kastijdt “met medelijden, gelijk een vader doet”. Verder lezen: Hebreeën 12:1-11 ====== 18 maart ====== > Psalm 7 Dit klaaglied zong David na te zijn aangeklaagd door de Benjaminiet Kus, één van Sauls hovelingen. Vervolgd om een valse beschuldiging, schuilt David bij de HEERE en zweert hij onschuldig te zijn in deze zaak. Ook roept hij Gods toorn tegen zijn vijanden in. Laat God hén richten en hém recht doen. Laat God de goddelozen tot bedaren brengen en de rechtvaardige bevestigen. Hij is immers de rechtvaardige God, die wel toornt tegen Zijn vijanden, maar die tegelijk alle oprechten van hart verlost. Hoe dwaas is het dan ook om een naaste onheil te beramen. Want wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in. Zo iemand zal hoe dan ook getroffen worden door de dodelijke wapens van God. Daarom belooft David de naam van de Allerhoogste psalm te zingen. Hij zal de HEERE loven naar Zijn gerechtigheid. Die gerechtigheid is wel straffend voor al Zijn vijanden, maar reddend voor al Zijn kinderen. Het is de gerechtigheid die wel bij uitstek is geopenbaard in Christus, die ook Zelf onschuldig werd vervolgd, maar Zich overgaf aan Hem die rechtvaardig oordeelt. Christus werd tot zonde gemaakt, opdat wij gerechtigheid Gods zouden worden in Hem. Als wij bij Hem schuilen, hoeven wij het oordeel niet te vrezen. Dat geeft moed om, te midden van onrecht en laster, het pleit in Gods handen te leggen en te wachten op Zijn verlossing. Verder lezen: 1 Petrus 2:19-25 ====== 19 maart ====== > Psalm 8 Psalm 8 bezingt de majesteit van God als de grote Schepper van hemel en aarde. Die in Zijn majesteit niet te min is om Zich lof te bereiden zelfs uit de mond van kinderen en zuigelingen. Lof die Hij doet klinken, terwijl Hij de wanklanken van de wraakgierigen doet verstommen. O zeker, de mens is maar een klein onderdeel van de schepping. De mens lijkt het niet waard dat God hem gedenkt. Toch heeft God hem geschapen als króón van de schepping; hem doen héérsen over de werken van Gods handen. Waar de mens echter zichzelf van zijn heerlijkheid en luister heeft beroofd, daar vindt deze Psalm haar vervulling in Christus, van wie pas echt geldt dat Hij met heerlijkheid en luister is gekroond, en ook dat Hem alles onder zijn voeten is gelegd. Wie ziet op Christus, kan niet anders dan God loven om Zijn majesteit: “O HEERE, onze Heere, hoe heerlijk is Uw naam op de ganse aarde.” Uw naam, die niet alleen schittert in de schepping, maar ook in de herschepping. Want in de vernedering van Christus tot onze verlossing, zien wij de weg naar de kroning met heerlijkheid en eer. Doordat Hij de dood heeft gesmaakt, brengt Hij vele zonen tot heerlijkheid. In Christus zien wij de volmaakte mens. In Hem ligt de heerschappij vast. En door Hem zal de lof uit de mond van kinderen en zuigelingen de vijand voorgoed overstemmen. Verder lezen: Hebreeën 2:5-18 ====== 20 maart ====== > Psalm 9 In deze Psalm bezingt David God als de rechtvaardige Rechter die de wereld oordeelt in gerechtigheid. God is het, die de goddelozen te gronde Richteren Die op Zijn tijd met al Zijn vijanden afrekent. Met allen die de Zijnen verdrukken. Want God is een wreker van alle kwaad. En dat God Zijn vijanden doet vergaan, dat strekt tot verlossing van de verdrukten. Voor hen is de HEERE een burcht, een hoog vertrek in drukkend lijden, een toevlucht in benauwde tijden. Juist ook door Zijn vijanden te doen vergaan, beschermt God allen die Hem zoeken. David weet dan ook wat hem in de verdrukking te doen staat. Hij vlucht tot God, bidt om Zijn genade, opdat hij mag ontsnappen aan de poorten van de dood, juist ook om in de poorten van de kerkstad Gods grote daden te bejubelen. Dát wil en zal David doen: zich verheugen in God, Hem loven, Zijn wonderen verhalen, Zijn naam psalmzingen, terwijl Davids vijanden struikelen en vergaan. Want wie God vergeten, zullen zélf in de vergetelheid raken. Maar zalig zijn de armen, als zij tenminste ook arm zijn van geest, door klein te denken van zichzelf en groot van God. Zij worden niet vergeten en in de steek gelaten. Want God verlaat nooit wie Hem zoeken. Hij zal niet voorgoed laten zuchten, wie gelovig tot Hem vluchten, wie alles verwachten van Zijn genade in Christus. Verder lezen: Lucas 6:20-26 ====== 21 maart ====== > Psalm 10 Psalm 10 vormt een eenheid met Psalm 9. Zowel qua vorm - elke twee verzen beginnen in de Hebreeuws grondtekst met een nieuwe letter van het alfabet - alsook qua inhoud. De HEERE wordt aangeroepen en opgeroepen om recht te doen aan de verdrukte, door de goddeloze te doen verstrikken in diens boze plannen. Omdat het ingrijpen van de HEERE vooralsnog lijkt uit te blijven, vraagt David waarom de HEERE Zich verbergt. Nu denkt de goddeloze in zijn hoogmoed dat God hem niet ziet en dus ook niet zal straffen voor het verdrukken van de arme. De goddeloze doet alsof God niet bestaat. Onbeschaamd bezondigt hij zich aan vervloeking, bedrog en verdrukking, de ellendige vangend met zijn scherpe klauwen. Daarom vraagt David de HEERE toch op te staan en de arm van de goddeloze te verbreken, om zo eens te meer te laten zien wie Hij is: een Helper voor allen die op Hem vertrouwen. De HEERE immers is de eeuwige Koning, die de ootmoedigen hoort en sterkt. Die de verdrukten recht doet, zodat zelfs eenzame wezen uiteindelijk niets hebben te vrezen. Laten ook wij in verdrukking evenals David “met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd” (Hebreeën 4:16). Want op tijd, op Zíjn tijd zál God opstaan, zal Chrístus komen, om ons recht te doen. Verder lezen: Hebreeën 4:9-16 ====== 22 maart ====== > Psalm 11 ”Bij de HEERE schuil ik.” Het is een belijdenis van iemand die wéét waar bescherming te vinden is. Vervolgd door Saul en de zijnen, kon David naar de mens gesproken niet anders doen dan als een vogel vluchten naar de bergen, maar in plaats van angstvallig de benen te nemen, verheft hij zijn hart tot een plaats die oneindig veel hoger is dan de hoogste bergen: tot de hoogste hemelen. Daar immers woont en troont de HEERE in Zijn heilig paleis. En vanaf daar slaat de HEERE alles en iedereen gade. Niet als een afzijdig toeschouwer, maar als de Almachtige, die de wereld richt en regeert, onder meer door het vuur van Zijn toorn te laten regenen op de goddelozen. Want de HEERE is rechtvaardig. Hij heeft gerechtigheid lief, en haat elke liefhebber van geweld. De goddelozen zullen dan ook verschroeien, zodat alleen de oprechten Gods aangezicht zullen aanschouwen. Gods gúnstrijk aangezicht, dat Hij doet lichten over de rechtvaardige, die niet rechtvaardig is in zichzelf, maar in Christus, door een waar geloof in Hem. Laat dat geloof ook ons doen opzien naar boven, waar Christus is, gezeten in de troon van God de Almachtige, door Wiens haat de goddeloze vergaat, maar door Wiens liefde de rechtvaardige leeft. En laat het ook ónze belijdenis zijn: “Bij de HEERE schuil ik.” Verder lezen: Habakuk 2:1-14 ====== 23 maart ====== > Psalm 12 David roept Gods hulp in vanwege de groeiende goddeloosheid in het land. Er zijn maar weinig getrouwen overgebleven, die ook nog eens heel wat te verduren hebben van mensen die hun werk maken van liegen en bedriegen, die voortdurend zondigen met de tong, “een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn” (Jakobus 3:8). Ze spreken valse getuigenissen tegen hun naaste, in regelrechte strijd met het negende gebod van Gods wet. In plaats van het eenvoudige Woord der Waarheid na te spreken, bezondigen zij zich aan dubbelhartige leugentaal. En in plaats van zich klein te weten tegenover de HEERE hun God, bezondigen zij zich aan grootspraak en wanen zij zich heer en meester. Maar hoeveel hoogmoedige goddelozen er ook zijn en hoezeer zij de armen van geest ook doen zuchten, intussen weet David dat de HEERE Zich opmaakt om de Zijnen in veiligheid te stellen. Want dat heeft Hij Zelf beloofd. En God houdt woord. Want Zijn beloften zijn geen loze kreten, maar zúivere woorden, beproefd en gelouterd als zilver in een smeltoven. God zál Zijn woorden gestand doen, en dus de Zijnen beschermen tegen het goddeloos geslacht van snode mensenkinderen. Laat dat ook ons voor ogen staan: als een vermaning om de zonden der tong te vermijden en tegelijkertijd de toevlucht te nemen tot God, die naar Zijn belofte de Zijnen te hulp komt, hoe klein het getal der vromen ook worden kan. Verder lezen: Jakobus 3:1-12 ====== 24 maart ====== > Psalm 13 “Hoe lang nog, HERE?” Dat is de bange vraag die tot viermaal toe klinkt aan het begin van deze Psalm. David voelt zich vergeten, alsof God Zijn aangezicht voorgoed verborgen houdt. Dag aan dag wordt hij gekweld door zorgen in zijn ziel en verdriet in zijn hart. De vijand lijkt de overhand te krijgen en de doodslaap dreigt. Het is de diepe aanvechting die wij ook vandaag kunnen kennen: de hemel lijkt van koper en onze gebeden lijken niet door te dringen. Maar David blijft niet steken in zijn klacht. Juist in zijn diepe nood wendt hij zich tóch tot God: “Aanschouw toch, antwoord mij, HERE, mijn God!” Hij pleit op het verbond ('mijn' God) en vraagt om levenslicht in zijn ogen. En dan gebeurt er een wonder. De omstandigheden zijn nog niet veranderd, maar het hart van de dichter wel. De Heilige Geest werkt geloofsvertrouwen: “Ik echter vertrouw op uw goedertierenheid.” De klacht slaat om in een loflied. Niet omdat de vijand al weg is, maar omdat David weer ziet op de belofte van Gods heil. “Ik wil de HERE zingen, omdat Hij mij heeft welgedaan.” Ten diepste heeft God ons welgedaan in Christus, die de ware Godverlatenheid heeft doorleden, opdat wij nimmermeer verlaten zouden worden. Verder lezen: Romeinen 8:18-30 ====== 25 maart ====== > Psalm 14 “Er is geen God”, zegt de dwaas in zijn hart. De dwaas die maar doet en leeft zoals hij zelf wil. Die niet wil weten van God en gebod, maar zich schuldig maakt aan allerlei zonden, even gruwelijk als afschuwelijk. En wij denken hierbij al gauw aan anderen. Aan de atheïst die Gods bestaan ronduit ontkent, of aan de ongebonden wereldling die nergens rekening mee houdt. Maar deze Psalm gaat ook over onszélf. Want de woorden van vers 3 en 4 worden door de apostel Paulus in Romeinen 3 betrokken op álle mensen. Ook wij zijn van nature afgedwaald en verdorven; er is niemand die goed doet, ook niet één. Van ons is dan ook niets goeds te verwachten. Van nature zijn wij hopeloos verloren. En toch mag de Psalmist denken aan redding. “Och, dat uit Sion Israëls redding daagde!” Deze redding zou ten volle aanbreken met de komst van onze Heere Jezus Christus. Hij werd dwaas in de ogen van de wereld, om ons de ware wijsheid te schenken. Door Christus heeft de HEERE voorgoed een keer gebracht in het lot van Zijn volk. Door Hem is en blijft er een Israël, een kerk van gelovigen, die juichen mag om haar verlossing en zich verheugt in haar Heiland. Verder lezen: Romeinen 3:9-24 ====== 26 maart ====== > Psalm 15 Het is beslist niet vanzelfsprekend te mogen verkeren in Gods tent, te wonen op Zijn heilige berg, dat is: in de kerk. Want onze Psalm zegt duidelijk dat dit alleen is weggelegd voor hem, “die onberispelijk wandelt en doet wat recht is en waarheid spreekt in zijn hart”. En als we eerlijk in de spiegel kijken die deze Psalm ons voorhoudt, dan schrikken we. Wij zijn toch niet onberispelijk? Wij doen nog zoveel verkeerde dingen. In plaats van alleen maar waarheid te spreken in ons hart, zijn wij nog zo vaak zo dubbelhartig. En in plaats van onze naaste geen kwaad te doen, is er bij ons nog zo vaak liefdeloosheid. Eigenlijk kunnen we daarmee voor God niet bestaan. Betekent dit dat Zijn tent leeg blijft? Nee, want er is Één die de toets van deze Psalm doorstaat: Christus. Hij wandelde onberispelijk, deed alleen wat recht is, sprak louter waarheid en deed Zijn naaste niets dan goed. Door het geloof in Hem worden wij bekleed met Zijn gerechtigheid en heiligheid. Zodat we tóch mogen wonen op Gods heilige berg. En niet wankelen, maar wandelen, in ware gerechtigheid en heiligheid. Verder lezen: 1 Petrus 1:13-25 ====== 27 maart ====== > Psalm 16 David schuilt bij de Heere, zijn erfdeel en zijn beker. Dat wil zeggen: de HERE is zijn rijkdom en zijn levenslot. Op de HEERE heeft hij zijn vertrouwen gevestigd. En dat niet tevergeefs. Want wie op de Heere vertrouwt, zal niet wankelen, maar veilig wonen. Immers schrijft David: “Gij geeft mijn ziel niet prijs aan het dodenrijk; noch laat Gij uw gunstgenoot de groeve zien.” Het zijn profetische woorden, gesproken met het oog op Christus, zoals Petrus aangeeft in zijn Pinksterpreek. David heeft in de toekomst gezien en gesproken van de opstanding van de Christus. Onze Heiland is niet aan het dodenrijk overgelaten. Zíjn vlees heeft geen ontbinding gezien. Want Christus is wel gestorven en begraven, maar Hij is dat niet gebleven! Hij is opgewekt uit de doden en zet ons op de weg ten leven. Hij beveiligt ons voor de eeuwige dood. De macht van de dood is gebroken, omdat ons leven met Christus verborgen is in God. Hij heeft voor ons de weg gebaand naar de eeuwige vreugde. En dus: zalig wie bij de Heere schuilt! Verder lezen: Handelingen 2:22-36 ====== 28 maart ====== > Psalm 17 David bidt om gered te worden van de wereldse mannen, die hem vervolgen. Die dat ten onrechte doen. Want David staat in zijn recht. Daarom doet hij een beroep op God. “Sta op, Here!” Zijn vervolgers zijn goddelozen. Zij hebben alleen maar deel aan dít leven, niet aan het leven van de toekomende eeuw. Zij hebben zich wel aardse schatten verzameld, maar zullen met hun sterven alles moeten achterlaten. David niet. Hij heeft toekomst. Hij kent Gods beloften. Hij zal eens Gods aangezicht mogen aanschouwen. En dat in gerechtigheid, in volkomen gerechtigheid en heiligheid. Want hij zal verzadigd zijn met Gods beeld, als hij ontwaakt. Hier op aarde begint die vernieuwing al. Efeze 4 getuigt dat dit beeld bestaat in ware gerechtigheid en heiligheid. Naar dat beeld is de mens geschapen, en naar dat beeld wordt de gelovige ook hérschapen in en door Christus. Zodat we Gods beeld nu al begínnen te vertonen, en dat straks helemaal doen, in volkomen heerlijkheid. Dan zullen wij Hem zien gelijk Hij is. Hoe heerlijk zal dat zijn! Verder lezen: 1 Johannes 3:1-10 ====== 29 maart ====== > Psalm 18 Verlost is David uit de hand van koning Saul, die hem meedogenloos opjaagde. Eenmaal verlost, is David de Heere niet vergeten, maar neemt hij uitgebreid de tijd en woorden om Hem te loven en te prijzen en te danken. Hij noemt de HERE: “mijn sterkte, mijn steenrots, mijn burcht, mijn redder, mijn schild, de hoorn mijns heils”. Het stapelt zich op; woorden schieten tekort om Gods trouw te beschrijven. Middenin de Psalm klinkt die zo heerlijke belijdenis: “Gij toch verlost het ellendige volk en vernedert de hovaardige ogen.” Daarmee bewijst de HEERE dat niemand God is behalve Hij, en dat niemand een Rots is buiten Hem. Dat Hij het is, die Zijn volk kracht geeft om de vijand te weerstaan en muren te beslechten. God is dan ook te loven om Zijn trouw aan zijn gezalfde. Aan David en zijn nageslacht. En dus ten diepste aan Christus, de grote Davidszóón. Christus heeft de strijd tegen de banden des doods en de stromen van Belial werkelijk gestreden. God heeft Hem uit de diepte opgetrokken. Daarom zingt Hij nu lof onder de heidenen (Romeinen 15:9). En wij zingen mee, want Hij is ook de Rots van ons behoud. Verder lezen: 2 Samuël 22:1-32 ====== 30 maart ====== > Psalm 19 Gods heerlijkheid schittert in de schepping. De geschapen wereld is als een prediking zonder woorden. Ze toont ons Gods macht en majesteit. “Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden,” schrijft Paulus, Gods “eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit Zijn werken met het verstand doorzien”. Wie kijkt naar de schepping, kan daarin het werk herkennen van de Schepper. Zodat de ongelovigen geen verontschuldiging hebben voor hun ongeloof. Wij hebben alle reden in God te geloven. En ook om Hem te loven. Niet alleen om Zijn schepping, maar evengoed om Zijn wetgeving. Want Gods wet is volmaakt, betrouwbaar en waarachtig. Al is het niet de wet, die redt. Die eer komt alleen toe aan Christus. En aan Zijn evangelie. Want dat “is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft”. We hebben dan ook niets aan de wet der werken zonder de wet des gelóófs, zonder de léér des geloofs, die ons bepaalt bij het verlossingswerk van Christus! Vrezen wij Hem, dan hoeven we niet te vrezen voor de straf op onze zonden. Want dan worden wij vrijgesproken, zelfs van onze verborgen zonden. Dan heerst de zonde in ons niet meer en leven wij van grote zonden vrij. Dan zijn wij niet áfvallig, maar wélgevallig voor onze God en Schepper, die in Christus onze Rots en Verlosser is. Verder lezen: Romeinen 1:16-32 ====== 31 maart ====== > Psalm 20 De HEERE geeft Zijn gezalfde de overwinning, zo belijdt David in deze Psalm. Het gaat hier om de gezalfde koning, die uittrekt ten strijde. En dat is David in de dagen van onze tekst. Het volk bidt vurig voor hem: dat de HEERE hem mag antwoorden in benauwdheid en hem hulp mag zenden vanuit Zijn heiligdom. Want wapens, paarden en strijdwagens bieden ten diepste geen redding; de ware overwinning is te verwachten van de HEERE alleen. En deze Psalm reikt nog verder, is vooral ook een profetisch lied dat wijst op onze grote Koning, onze Heere Jezus Christus. Ook Hij is ten strijde getrokken. Niet tegen legers van vlees en bloed, maar tegen de machten van zonde, dood en hel. Tot en met Golgotha heeft Hij gestreden en overwonnen. En door Hem zijn ook wij meer dan overwinnaars, als christenen die delen in Zijn zalving. Ook ons schenkt de HEERE de overwinning. De overwinning in onze strijd tegen de zonde en de duivel. Een overwinning waarvoor wij met David roemen, niet op wagens en op paarden, maar in de naam van de HEERE, onze God. Verder lezen: Efeziërs 6:10-24 ====== 1 april ====== > Psalm 21 Na het gebed óm de overwinning in Psalm 20, volgt in Psalm 21 een danklied vóór de overwinning. Dankzij Gods heil heeft de koning alle reden om te juichen. En dat doet hij dan ook, vol overgave. De HEERE is hem genadig tegemoetgekomen met rijke zegeningen. Hij heeft een kroon van fijn goud op zijn hoofd gezet en hem lengte van dagen geschonken. Rijk gezegend is de koning; door Gods goedertierenheid zal hij nimmermeer wankelen. Wat hier van David wordt gezongen, geldt bij uitstek van Christus, onze eeuwige Koning. God de Vader heeft de wens van Zijn hart niet geweigerd. Christus ontving het leven, om het uit te delen aan zondaren als wij. Na Zijn diepe vernedering aan het kruis is Hij door de Vader bekleed met majesteit en heerlijkheid. Hij is gekroond met de hoogste eer en regeert tot in eeuwigheid. Al Zijn vijanden, die bewust tegen Hem samenspanden, zullen Zijn vurige toorn ontmoeten. Ze worden als in een brandende oven verteerd. Maar voor een ieder die in Hem gelooft, is deze verhoogde Koning de bron van de hoogste vreugde. Laten wij dan ook Zijn sterkte met Psalmen bezingen. Verder lezen: Openbaring 19:1-16 ====== 2 april ====== > Psalm 22:1-22 Psalm 22 is de Schriftplaats die in het Nieuwe Testament het meest wordt aangehaald. David spreekt hier profetisch over het diepe lijden van Christus. Aan het kruis riep de Heiland het uit: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” Van deze psalmwoorden bediende Christus Zich op het dieptepunt van Zijn lijden. Waarom? Om ons te brengen tot het hoogtepunt van onze verlossing. Ons avondmaalsformulier geeft daarop het heerlijke antwoord: “opdat wij tot God zouden genomen, en nimmermeer van Hem verlaten worden”. Door Zijn helse lijden komen wij tot hemelse heerlijkheid. Christus werd overeenkomstig deze Psalm versmaad en veracht; Hij was als een worm en geen man. Hij kwam terecht in de muil van de brullende leeuw, de duivel, maar uitsluitend om die vijand de kop te vermorzelen. Dankzij het plaatsvervangend lijden van Christus is God nu onze sterkte. Hij hoort en antwoordt ons, Hij redt en verlost ons. Wij mogen geloven dat wij in onze donkerste uren nimmer door God verlaten zijn. Christus heeft die uiterste verlatenheid immers voor ons gedragen! Daarom loven we Hem in Zijn gemeente en eren we Zijn Naam. Verder lezen: Matteüs 27:33-54 ====== 3 april ====== > Psalm 22:23-32 Na de diepe verlatenheid in het eerste deel van deze Psalm, slaat de toon om. De overgang in vers 22 – “Gij hebt mij geantwoord!” – markeert het kantelpunt van het kruis naar de opstanding. Het lijden is volbracht, nu is er de victorie. Christus heeft de dood overwonnen. God heeft Hem uitermate verhoogd. Waarvoor we Hem te loven hebben in het midden van Zijn gemeente. Het verlossingswerk van Christus draagt eeuwig vrucht. En blijft niet beperkt tot Israël. De grenzen vallen weg: tot aan de einden der aarde zal men het gedenken en zich tot de HEERE bekeren. Zelfs de geslachten van later tijd, die nog geboren moeten worden, zullen horen van Zijn gerechtigheid. Want de Heere hééft het gedaan! De kerk van alle tijden en plaatsen mag het weten, en leven uit de overwinning van haar Koning. De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden aan de tafel van het verbond. En eenmaal zal de hele schepping zich buigen voor de heerschappij van Christus. Laten wij dat nu al doen, door Hem te loven en te dienen, en Zijn naam te verheerlijken in de tegenwoordigheid van wie Hem vrezen. Verder lezen: Filippenzen 2:1-11 ====== 4 april ====== > Psalm 23 “De HEERE is mijn herder”, zo mogen wij met David belijden. Zoals een herder onmisbaar is voor zijn kudde, zo is Christus onmisbaar voor ons. Als de Goede Herder zorgt Hij voor ons, Zijn schapen. Hij schenkt ons rust in grazige weiden en leidt ons naar zacht stromende wateren. Hij gaat voor ons uit en wijst ons de weg in het spoor van de gerechtigheid. Ook wanneer onze weg door een donker dal gaat, hoeven wij geen kwaad te vrezen. Want onze goede Herder is bij ons. Zijn stok en Zijn staf vertroosten ons. Zijn Woord en Zijn Geest, waarmee Hij de roofdieren en vijanden verdrijft, en ons liefdevol tot Zich trekt wanneer wij dreigen af te dwalen. In Christus zijn wij één kudde, veilig onder de hoede van deze Herder die Zijn leven voor ons heeft ingezet, opdat wij het eeuwige leven zouden ontvangen. En alsof dat niet genoeg is, bereidt Hij voor ons een feestmaal. Hij zalft ons hoofd met vreugdeolie en vult onze beker. Zijn goedertierenheid volgt ons dag aan dag, en Zijn heil is ons deel als Zijn kinderen aan huis. Verder lezen: Johannes 10:1-15 ====== 5 april ====== > Psalm 24 De aarde is van de HEERE. De aarde met haar volheid, met alles wat in haar is en ook met allen die op haar wonen. De HEERE immers is de soevereine Schepper van dit alles. En op die aarde heeft de HEERE ook Zijn heilige berg, de plek waar Hij in het midden van Zijn gemeente wil wonen. De kerk mag de plaats zijn waar wij met Hem verkeren. Maar wie mag daar staan? Alleen wie rein van handen en zuiver van hart is. Buiten Christus om kunnen wij die toets onmogelijk doorstaan, maar in Hem worden wij rechtvaardig verklaard om vrijmoedig voor God te kunnen verschijnen. Paulus herhaalt dat alles van de HEERE is in zijn brief aan de Korintiërs. Zelfs vlees dat op de markt verkocht werd en aan afgoden was gewijd, is ten diepste van de HEERE en blijft dat. Daarom kan het met een vrij geweten gegeten worden, mits het geen aanstoot geeft. Alles behoort Christus toe! Laat dan voor Hem de poorten openen, die van de kerk, en ook die van ons hart, waarin deze Koning der ere binnentrekt. Verder lezen: 1 Korintiërs 10:23-33 ====== 6 april ====== > Psalm 25 Vertrouwen op de God van het verbond, en van Hem alles verwachten: vergeving, verlossing, ja Hemzélf. Daar gaat het om in deze Psalm, waarin David bidt om verlossing uit de hand van zijn vijanden, en om vergeving van al zijn zonden. En dat niet tevergeefs, want wie de Heere verwacht en bij Hem schuilt, zal niet beschaamd uitkomen. Wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet bedrogen worden in zijn verwachtingen. Omdat God in Christus Zijn beloften waarmaakt. Beschaamd worden slechts de vijanden, die trouweloos handelen en de gelovige haten. Tegenover hun hoogmoed staat de ootmoed van de vromen, die God doet wandelen op de weg van het recht, waarop zij vergeving ontvangen voor al hun ónrecht. Het is de weg van goedertierenheid en trouw, die de Heere ons bewijst en ook doét bewijzen. Het is de weg van de waarheid, waarin Hij ons leidt door Zijn Geest. Het is de weg van de tucht, waarop Hij ons tot Zich trekt door vermaningen. En dat alles om Zijns Naams wil, om Zichzelf te bewijzen als onze barmhartige Verbondsgod, die ons redt van al onze angsten en ellende. Laten wij Hem niet verwerpen, maar verwachten. In oprecht geloofsvertrouwen. Opdat wij niet beschaamd uitkomen. Verder lezen: Jeremia 15:5-16 ====== 7 april ====== > Psalm 26 Van “vergeef mij mijn ongerechtigheid” in de vorige Psalm naar “ik was mijn handen in onschuld” in deze Psalm. Dat lijkt misschien tegenstrijdig. Maar dat is het allerminst. Want David spreekt hier niet van onschuld in het algemeen, maar van zijn onschuld in het oprecht bewandelen van de rechte weg. Want ondanks zijn eigen zonden heeft David door een waar geloof op de HEERE vertrouwd. En dat is hij ook blijven doen. De HEERE heeft hem met volharding doen wandelen op Zijn wegen. In het licht. In de waarheid. En dus in onschuld. Door Gods genade heeft David daarin mogen wandelen zonder te wankelen. Heeft hij niet gezeten bij kromme goddelozen, maar gestaan op effen baan. Door naar Gods huis op te gaan. Waar de HEERE met Zijn heerlijkheid woont en troont op Zijn altaar. Waar Hij geprezen wil worden om Zijn wonderen van schepping en herschepping. Niet slechts met een stille overdenking in het verborgene, maar met een luid loflied in het openbaar. Uit dank daarvoor, dat Hij ons genadig verlost. En dat Hij ons recht doet, door ons te rechtvaardigen en ons recht te doen wandelen door een waar geloof in Christus. Verder lezen: 1 Johannes 1:5-2:11 ====== 8 april ====== > Psalm 27 In de duisternis van allerlei tegenspoed mogen wij de HEERE belijden als ons Licht. En tegelijk als ons Heil, die ons verlost van alle ónheil. Bij Hem zijn we veilig. Als we dat geloven, wie zouden we dan nog vrezen? Toen boosdoeners op David afkwamen, vielen zij zelf in de kuil die ze voor hem groeven. Want wie op de Heere vertrouwt, hoeft voor niemand bang te zijn, zelfs niet voor een groot vijandelijk leger. Bij de Heere vinden we immers bescherming. En wel in Zijn huis, waar wij Zijn dienst waarnemen en Zijn Woord onderzoeken. Waar de Heere ons bergt en verhoogt. En waar Hij ons verzekert van Christus’ overwinning op Zijn en onze vijanden. Dat geeft stof tot lof. En dat maakt goedsmoeds. Al staan valse getuigen tegen ons op, God is ons in Christus tot hulp en heil. Hij verlaat ons niet, maar leert ons Zijn weg en toont ons Zijn goedheid. In alle tegenspoed mogen wij geduldig op Hem wachten. Als wij Zijn gunstrijk aangezicht zoeken, wijst Hij ons niet af in toorn, maar betoont Hij zich de God van ons heil. Dan hebben wij inderdaad niets te vrezen. Want als God vóór ons is, wie zal tégen ons zijn? Geen tegenspoed kan ons scheiden van Zijn liefde in Christus. Verder lezen: Romeinen 8:31-39 ====== 9 april ====== > Psalm 28 De HEERE is onze Rots, de Rotssteen van ons heil. Op wie wij kunnen bouwen en vertrouwen. En die wij niet tevergeefs aanroepen. Want nadat David in vers 2 gebeden heeft: “Hoor naar mijn luide smekingen”, kan hij in vers 6 al de HEERE prijzen: “want Hij hééft gehoord mijn luide smekingen.” God is de grote Hoorder van het gebed. Die helpt al wie op Hem vertrouwt. Hij is onze kracht, onze burcht en onze vesting. Dat is Hij voor Zijn gezalfde, zegt vers 8. Voor Zijn gezalfde koning David, die de Christus mocht voorafbeelden, maar evengoed voor ons, die delen in de zalving van Christus. Gezalfd zijn wij om Zijn naam te belijden. Opdat wij niet weggerukt worden met de goddelozen, die niet letten op Gods grote daden en werken. Hen zal Hij afbreken en niet opbouwen, maar ons zal Hij verlossen en zegenen, eeuwig weiden en dragen. Laten wij daarom met David van harte juichen, de Heere loven met ons lied. Laten wij onze handen en vooral ook onze harten opheffen in de richting van Gods heiligdom, waar Hij woont en troont bij Zijn volk. Want God is in Christus een sterke vesting van heil, niet slechts voor David, maar voor heel de kerk, ja voor alle gelovigen. Verder lezen: 1 Samuël 2:1-10 ====== 10 april ====== > Psalm 29 De stem van de HEERE klinkt niet alleen in de prediking, maar ook in de schepping. Want David spreekt hier tot zevenmaal toe over het onweer als Gods stem, die krachtig dondert in de door Hem geschapen wereld. Ook in de natuur komt God met Zijn wonderen. Reeds in donder en bliksem toont Hij Zijn kracht en heerlijkheid, de koninklijke majesteit van Zijn naam. Ontzagwekkend is Zijn donderstem. Die doet stervelingen hun nietigheid beseffen tegenover de hoogverheven God. En die doet ons samen voor Hem buigen, Hem aanbidden in de heerlijkheid van Zijn heiligdom, getooid in heilige feestdos. Om samen Gods hemelse heerlijkheid te vieren. Want God laat Zijn stem overal horen, maar in het bijzonder wel in Zijn huis, in Zijn paleis of tempel, waar ieder zegt: Ere! Ere zij God, in de hoge. Daar in de kerk wordt Gods macht en majesteit niet slechts gehoord, maar ook beleden en bezongen. Daar spreekt Hij niet slechts met betoon van kracht, maar met beloften van heil. En daar wordt de Koning der ere de eer gegeven die Hem toekomt, als de Heere der heerlijkheid, die eeuwig troont als de hemelse Koning. Die reeds troonde boven de zondvloed tot oordeel van de goddelozen, en die tot op de dag van vandaag troont tot heil van Zijn volk. Die ons kracht en vrede geeft, de kracht en de vrede van Christus. Verder lezen: Job 37 ====== 11 april ====== > Psalm 30 David dankt de Heere voor de uitredding uit de nood waarin hij verkeerde. En hij doet dat met een Psalm die helemaal in het teken staat van de lofprijzing: “Ik zal U verhogen, HEERE”, zo begint de Psalm, om te eindigen met: “voor altoos zal ik U loven”. Daartussenin belijdt David dat de Heere hem het leven heeft gegeven, nadat hij in doodsgevaar verkeerde. De Heere heeft hem genezen, van een dodelijke ziekte dan wel van andere moeiten. En daarom roept David Gods gunstgenoten op de HEERE psalm te zingen en te loven. Want Zijn toorn en straffen duren maar even, maar Zijn welbehagen een leven lang, ja zelfs een eeuwig leven. De HEERE bedroeft Zijn kinderen immers niet van harte, zegt Klaagliederen 3. “Als Hij bedroefd heeft, ontfermt Hij Zich naar de grootheid van zijn gunstbewijzen.” Daarom smeekte David niet tevergeefs om Gods genade. Hij bad om in leven te mogen blijven, niet voor zichzelf, maar voor de Heere; om Zijn trouw te vermelden. Want wie tot stof is teruggekeerd, kan God niet loven; althans niet in het midden van Zijn kerk op aarde. En daar toch moet het ons om te doen zijn: om zolang het ons gegeven wordt, met hart en mond de Heere te loven. Hem samen psalm te zingen, zonder ooit te verstommen. Verder lezen: Klaagliederen 3:19-33 ====== 12 april ====== > Psalm 31 “In Uw hand beveel ik mijn geest”, zo klinkt het in Psalm 31. David bevindt zich in grote benauwdheid. Zijn leven wordt verteerd door verdriet, zijn bekenden ontvluchten hem, en zijn vijanden smeden plannen om hem te doden. Toch geeft hij zich niet over aan wanhoop. Hij vlucht tot de HEERE, zijn Rots en zijn Vesting. Wat de omstandigheden ook zijn, David weet zijn leven veilig. Zijn tijden zijn in Gods Hand. Eeuwen later klinken deze zelfde woorden op de heuvel van Golgotha. De grote Davidszoon, Jezus Christus, hangt in de grootst denkbare nood. Veracht door mensen, omringd door spotters en verlaten door God. Maar vlak voordat Hij sterft, geeft Hij Zich vol vertrouwen over: “Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest.” Omdat Christus dit riep in de diepste duisternis, mogen wij weten dat we nooit uit Gods hand zullen vallen. Zelfs als het leven ons zwaar valt, als ziekte of rouw ons treft, of als de satan ons belaagt, hebben wij een veilige schuilplaats. God bewaart de Zijnen. Hebt de HEERE lief, al Zijn gunstgenoten! Wie vast op Hem vertrouwt, mag moed scheppen. Ons leven is in Zijn hand, nu en tot in eeuwigheid. Verder lezen: Lucas 23:33-46 ====== 13 april ====== > Psalm 32 "Welzalig hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is". David wist wat het betekent om zonden te verzwijgen. Toen hij zijn schuld voor God verborgen hield, drukte Gods hand zwaar op hem. Zijn geweten klaagde hem aan. Maar zodra David zijn zonden oprecht beleed, vergaf de HEERE de schuld. Deze Psalm leert ons dat ware gelukzaligheid niet te zoeken is in een leven zonder zonde – want wie van ons is zonder zonde? – maar in een leven waarin de zonden eerlijk beleden en door God bedekt worden. De apostel Paulus grijpt in Romeinen 4 op deze Psalm terug. Wij worden voor God niet gerechtvaardigd door onze goede werken, maar doordat God ons de gerechtigheid van Christus toerekent. Christus heeft onze schuld aan het kruis gedragen, zodat wij vrijgesproken worden. Laten wij onze ongerechtigheden daarom niet verbergen, maar ze belijden. Dan ontvangen we vergeving op grond van het zoenoffer van Christus, volbracht aan het kruis. Dan hebben we alle reden ons met de Psalmist te verheugen in de HEERE. Verder lezen: Romeinen 4:1-12 ====== 14 april ====== > Psalm 33 Deze Psalm is een machtig loflied, dat meteen inzet met de oproep om God te loven. Waarom? Omdat Gods Woord waarachtig is en Zijn werken getuigen van Zijn goedertierenheid en trouw. De HEERE is de God van de schepping. Hij sprak, en het was er; Hij gebood, en het stond er. Maar Gods macht beperkt zich niet tot het verleden. Hij bestuurt tot op de dag van vandaag de hele wereldgeschiedenis. Koningen en andere machthebbers bedenken wel allerlei plannen, maar de HEERE verbreekt de raad der volken. Alleen Zijn raad houdt eeuwig stand. Hoe troostrijk is dat voor de kerk! Te midden van een onrustige wereld is de blik van de HEERE gericht op degenen die Hem vrezen, op degenen die hopen op Zijn goedertierenheid. Het Nieuwe Testament wijst op Degene door Wie God alles geschapen heeft: het vleesgeworden Woord, Jezus Christus. In Hem schittert Gods goedertierenheid over ons. Geen aards leger of wapengeweld kan onze ziel van de dood redden. Alleen Christus kan dat. Hij is onze hulp en ons schild. Laten we Hem dus niet verachten maar verwachten, op Hem hopend en vertrouwend. Verder lezen: Johannes 1:1-14 ====== 15 april ====== > Psalm 34 David dichtte Psalm 34 nadat hij was ontsnapt aan de hand van koning Abimelech. Gered uit de nood, roept hij allen op om samen met hem de HEERE groot te maken. David getuigt: "Ik zocht de HEERE en Hij antwoordde mij". David weet aan wie hij zijn bevrijding te danken heeft. En hij weet dat het gelovige gebed nooit tevergeefs is. Dat wie de HEERE vrezen, in wezen geen gebrek zullen lijden. De benauwdheden van de gelovige zijn weliswaar vele, maar de HEERE redt hem uit die alle. God bewaart de Zijnen. Zelfs hun beenderen worden beschermd; geen daarvan wordt gebroken. Deze specifieke belofte vond haar diepste vervulling in de Heere Jezus Christus. Toen Hij stierf aan het kruis, braken de Romeinse soldaten Zijn benen niet, precies zoals de Schrift had voorzegd. En door de kruisdood van Christus mogen wij weten van verlossing. Daarom is deze Psalm een enorme troost. God is altijd nabij de gebrokenen van hart. Als we ons aan Hem toevertrouwen, mogen we proeven van Zijn genade. Mogen we smaken en zien dat God oneindig goed is in Zijn Zoon. Wie bij Christus schuilt, zal nimmer beschaamd worden. Want Hij verlost de ziel van Zijn knechten. Verder lezen: 1 Petrus 3:8-22 ====== 16 april ====== > Psalm 35 "Twist, HEERE, tegen wie met mij twisten, bestrijd wie mij bestrijden." David roept in deze Psalm om recht. Hij wordt onschuldig vervolgd. Mensen aan wie hij vriendschap had bewezen, keren zich nu als vijanden tegen hem. Ze vergelden hem kwaad voor goed. In het vervolgen van David, vervolgen zij ten diepste ook Davids grote Zoon. Daarom vraagt David of God Zijn wapenrusting wil aantrekken en voor hem wil strijden. Daarmee laat David het oordeel aan de volmaakt rechtvaardige Rechter. David neemt niet zelf wraak, maar legt zijn zaak in Gods handen. En dat is dus ten diepste de zaak van Christus. Die vers 19 betrok op Zichzelf: "Zij hebben Mij zonder reden gehaat" (Johannes 15:25) Ondanks dat Christus het evangelie predikte en zieken genas, ontmoette Hij haat, spot en ten slotte het kruis. Toch sloeg Hij niet eigenmachtig terug. Hij liet Zijn zaak over aan Zijn hemelse Vader. En aan het kruis heeft Hij de allergrootste vijand, de satan, voorgoed overwonnen. Wie door een waar geloof met Hem verbonden is, weet dat de HEERE onze onoverwinnelijke Pleitbezorger is. Verder lezen: Johannes 15:18-27 ====== 17 april ====== > Psalm 36 Deze Psalm tekent het scherpe contrast tussen diepgevallen zondaren en de hoogverheven God. Allereerst wordt de goddeloosheid van de zondige mens ontleed. De zondaar vleit zichzelf, kent geen vreze Gods, spreekt leugens en bedenkt onrecht. Het is een duidelijke spiegel die ons de verdorvenheid van het zondige hart laat zien. Maar dan, in het hart van de Psalm, richt David het oog omhoog. "HEERE, hemelhoog is Uw goedertierenheid." Tegenover de donkere zonde van de mens staat de stralende trouw van God. Gods gerechtigheid staat vast als de bergen, Zijn oordelen zijn diep als de zee. Mens en dier verlost Hij met macht. Bij Hem valt dan ook te schuilen. Bij God is de bron des levens; in Zijn licht zien wij het licht. En dan denken we vooral ook aan Christus: Hij is het Licht der wereld. Wie van Zijn water drinkt, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid. Hij laaft ons in Zijn kerk met het vette van Gods huis! Verder lezen: Johannes 4:1-14 ====== 18 april ====== > Psalm 37 "Wees niet afgunstig op de bedrijvers van ongerechtigheid". Het is een herkenbare beproeving die in deze Psalm onze aandacht vraagt. Soms lijkt het alsof de goddelozen in alles voorspoedig zijn, terwijl de rechtvaardigen slechts verdrukking ervaren. David roept ons vermanend op om ons daar niet door te laten ontmoedigen. Want de voorspoed van de wereld is slechts tijdelijk; goddelozen zullen verdorren als gras. Wat ons daarentegen wel te doen staat, is vertrouwen op de HEERE. In plaats van ons blind te staren op het onrecht om ons heen, moeten wij hopen op God. Want Hij regeert. En Hij belooft dat de zachtmoedigen de aarde zullen beërven. Diezelfde rijke belofte horen wij opnieuw uit de mond van de Heere Jezus in Zijn bergrede. Christus Zelf is de volmaakte Zachtmoedige, die niet met het zwaard Zijn koninkrijk stichtte, maar door Zijn bittere lijden en sterven aan het kruis. In Hem hebben wij een eeuwige, onvergankelijke erfenis. Wie bij Hem schuilt, vindt verlossing. Wacht daarom op de HEERE, en bewaar Zijn weg! Verder lezen: Mattheüs 5:1-12 ====== 19 april ====== > Psalm 38 We lezen hier het gebed van een man die zwaar beproefd wordt. David lijdt: hij is ernstig ziek, zijn wonden etteren, hij is uitgeput en zijn vrienden houden zich op afstand. Maar het zwaarst weegt hem zijn geestelijke nood. David beseft dat zijn ellende alles te maken heeft met zijn zonde. “Niets is heel aan mijn gebeente vanwege uw gramschap, niets is heel aan mijn gebeente vanwege mijn zonde”. David belijdt dan ook schuld. Dat is een pijnlijke, maar heilzame weg. Want wie zijn zonden over het hoofd ziet, kan rekenen op het onheil dat David door zijn vijanden wordt toegewenst. David echter gaat met zijn zonden naar de HEERE. "Want op U, HEERE, hoop ik". En hoe zwaar David het er ook mee heeft, er zou Eén komen Die een nog veel zwaardere last zou dragen. Onze Heere Jezus Christus werd bespot, door Zijn discipelen verlaten en met onze zonden beladen. Jesaja profeteerde al: "Onze ziekten heeft Hij op Zich genomen en onze smarten gedragen." Door Zijn striemen is er voor ons geestelijke genezing. Door Zijn lijden in onze plaats zoeken wij nooit tevergeefs ons heil bij de HEERE. Want Hij ís ons heil, zo mogen we het David nazeggen. Verder lezen: Jesaja 53:1-12 ====== 20 april ====== > Psalm 39 David lijdt onder de goddeloosheid van zijn tegenstanders. Hij wil niet zondigen met zijn tong door kwaad te spreken, al heeft hij goede redenen om te getuigen van zijn onschuld tegenover hen. Helemaal zwijgen kan hij echter niet, en daarom spreekt hij tot de HEERE. David belijdt zijn vergankelijkheid, de korte duur van het leven hier op aarde, zeker in de ogen van de eeuwige God: “mijn levensduur is als niets voor U”. Daarom hoopt David ook niet op zichzelf, maar op de HEERE, en bidt hij God om verlossing van al zijn zonden en ellende. Tegelijkertijd wil hij geen grote mond opzetten tegen God, want David weet zich door Zijn hand gekastijd. Maar omdat die hand om Christus’ wil een Vaderhand is, mag David toch hopen op uitkomst. En kan hij vrijmoedig bidden of de HEERE zijn gebed wil horen en de straf wil doen ophouden. Opdat David zich weer kan verblijden in het leven op aarde met en voor de HEERE. En van nature moeten wij het David nazeggen: “ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner”, maar door Christus hebben wij toegang tot de Vader, en zijn wij “geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods”. Verder lezen: Efeziërs 2:11-22 ====== 21 april ====== > Psalm 40 Geduldig wachten op de HEERE is vaak het moeilijkste wat er is. Toch getuigt David in Psalm 40 dat dit wachten nooit tevergeefs is. God neigde Zich tot hem, trok hem uit de kuil van het verderf, en stelde zijn voeten op een stevige rots. En het heil dat God schenkt vraagt om een loflied, door God Zelf in de mond gelegd. Maar het gaat nog dieper. In deze Psalm spreekt de Heilige Geest profetisch over de komst van de Christus. De oudtestamentische dierenoffers konden de zonden nooit daadwerkelijk wegnemen. Daarom zegt de eeuwige Zoon: "Zie, Ik kom; in de boekrol is over Mij geschreven. Ik heb lust om Uw wil te doen, mijn God". Christus werd mens om het enige volmaakte offer van Zijn lichaam te brengen. Hij volbracht de wil van de Vader tot het uiterste. Omdat Híj gehoorzaam Gods oordeel is ingegaan, worden onze voeten op de Rots gezet. Laat de volkomen zelfovergave van Christus om onze zaligheid ons steeds weer verwonderen. Opdat wij van harte meejuichen: "De HEERE is groot!" Verder lezen: Hebreeën 10:1-18 ====== 22 april ====== > Psalm 41 Deze laatste Psalm van het eerste Psalmboek begint met een zegenbede voor wie oog heeft voor de ellendige. David is zelf zo'n ellendige geworden. Hij is ziek of anderszins in nood. Zijn vijanden wensen hem dood. Maar de ergste pijn komt van een vriend: “Zelfs mijn vriend, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft zijn hiel tegen mij opgeheven.” Midden in deze ellende roept David om Gods genade: “Maar Gij, HEERE, wees mij genadig en richt mij op”. David pleit op Gods barmhartigheid, ondanks zijn eigen schuld, want hij belijdt het ronduit: “tegen U heb ik gezondigd”. En God houdt hem staande. Deze Psalm wijst vooruit naar de grote Davidszoon. Christus Zelf zou wijzen op de vervulling van dit Schriftwoord met het oog op Judas, de discipel die Zijn brood at, maar Hem zou verraden. Christus kende als geen ander de bittere pijn van verraad door een vriend. Hij werd de allerellendigste, om ellendige zondaren als wij te verlossen. Omdat Christus voor ons verraden werd, worden wij uit al onze ellende verlost. Laten wij dan ook van harte instemmen met het slotakkoord van dit eerste Psalmboek: “Geloofd zij de Here, de God van Israël, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid. Amen, ja amen.” Verder lezen: Johannes 13:18-30 ====== 23 april ====== > Jesaja 40:1-11 “Troost, troost mijn volk”, beveelt de HEERE Zijn profeet. En dat na meerdere oordeelsaankondigingen in de vorige hoofdstukken. Gods volk zou om de eigen zonden in ballingschap worden weggevoerd. Hier echter schittert het licht van Gods genade. De HEERE spreekt tot het hart van Jeruzalem: haar lijdenstijd is volbracht, de ongerechtigheid is geboet. De straf is gedragen. Deze troostrijke boodschap ziet in eerste instantie op de terugkeer uit Babel, maar reikt nog veel verder. Het is een machtige profetie over de komst van onze Heere Jezus Christus, die straf droeg die wij met onze ongerechtigheid verdiend hadden. Met Zijn lijden en sterven heeft Hij betaald voor onze zonden. Het bevel om in de woestijn de weg des Heren te bereiden, is vervuld in het optreden van Johannes de Doper. Als een heraut kwam hij de weg voor de Koning banen. Jesaja wijst daarbij op onze nietigheid. Alle vlees is gras, wij mensen zijn zo vergankelijk als een veldbloem. Maar tegenover onze nietigheid staat de onwankelbare Rots: “het Woord van onze God houdt eeuwig stand”. Dat eeuwige Woord is vleesgeworden. In Christus openbaart God Zijn oneindige kracht. En tegelijk Zijn liefdevolle zorg. Want “Hij zal als een herder zijn kudde weiden”. Hij vergadert ons en draagt ons in Zijn schoot. Een machtige troost voor in zichzelf zwakke zondaren als wij!” Verder lezen: Matteüs 3:1-12 ====== 24 april ====== > Jesaja 40:12-31 Jesaja bepaalt ons bij Gods majesteit. Bij Zijn macht en verhevenheid. Niemand is met de HEERE te vergelijken. Voor Hem zijn alle volken slechts als een druppel water. Elk aards machtsvertoon, en zeker ook het dwaze werk van afgodenmakers, valt in het niet bij de HEERE. Geen mens of mensenwerk kan zich meten met de soevereine God, die hemel en aarde heeft geschapen en nog altijd onderhoudt en regeert. Bovendien is Zijn wijsheid ondoorgrondelijk. Jesaja vraagt: “Wie bestuurde de Geest des Heren en onderrichtte Hem als zijn raadsman?” De apostel Paulus haalt deze woorden later tot twee keer toe aan om te roemen in Gods raad tot onze verlossing. Niemand van ons kan de Heere iets leren of aanreiken. Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen! Hoe dwaas is het dan om in benauwdheid te klagen: “Mijn weg is voor de Heere verborgen.” Alsof God de Zijnen zou vergeten! Hij ontfermt Zich juist over ons in onze nood. “Hij geeft de moede kracht en de machteloze vermeerdert Hij sterkte.” In Christus daalde God genadig af in onze machteloosheid. Onze eigen kracht schiet tekort, zelfs jonge mannen struikelen. Maar wie zijn heil zoekt bij Christus, ontvangt altijd kracht naar kruis. Verder lezen: Romeinen 11:25-36 ====== 25 april ====== > Jesaja 41:1-7 God daagt de wereld voor het gericht. De HEERE vraagt de volken wie “de overwinnaar uit het oosten” heeft verwekt. Die overwinnaar is de latere Perzische koning Kores. Hij zal in Gods almachtige hand het instrument zijn om Babel te verslaan en Gods volk te bevrijden. Geen sterveling bewerkt dit, maar de HEERE, die soeverein regeert als Degene die de Eerste en de Laatste is. Hoe reageert de wereld op Gods wereldwijde oordelen? Met dwaze, zelfbedachte godsdienst. In plaats van zich te buigen voor de Rechter, zoekt men in blinde angst houvast bij zelfgemaakte afgoden. Men smeedt beelden en slaat die vast met spijkers, in de waan dat ze dan niet wankelen. Hier tekent Jesaja de dwaasheid van ons van nature door en door zondige hart. Als Gods gericht dreigt, proberen ook wij onszelf van nature overeind te houden door te leunen op eigen werken. Maar een zelfgemaakte god kan ons niet redden. Zoals God Kores verwekte voor een tijdelijke, aardse verlossing, zo zond Hij in de volheid van de tijd Zijn eniggeboren Zoon tot een eeuwige verlossing. De ware Overwinnaar, onze Heere Jezus Christus, liet Zich met spijkers aan het kruis nagelen om ons te verlossen. Wie door genade rust op Zijn volbrachte zoenoffer, dié zal niet wankelen in eeuwigheid. Verder lezen: Jeremia 10:1-16— ====== 26 april ====== > Jesaja 41:8-20 Anders dan de volken uit de vorige verzen, krijgt Gods volk de boodschap dat het niet hoeft te vrezen, omdat God met hen is. Israël wordt hier liefdevol aangesproken als Gods verkoren knecht en nakroost van Gods vriend Abraham. God herinnert Zijn volk aan hun genadige verkiezing door Hem. Wie door de HEERE geroepen is, wordt niet versmaad. “Ik ben met u; zie niet angstig rond, want Ik ben uw God.” Toch heeft Gods volk in zichzelf niets om op te roemen. De HEERE noemt Israël “wormpje Jakob”. Een worm is zwak, weerloos en wordt maar zo vertrapt. En dat tekent precies wat wij van nature zijn: volkomen machteloos, ellendig en dorstig. Maar juist voor zúlke mensen is er redding. God neemt ons bij de hand. Hij stelt dat zwakke wormpje tot een scherpe dorsslede om bergen van tegenstand te verbrijzelen. En dat in en door onze Heere Jezus Christus. Híj is Gods volmaakte Knecht, die voor ons aan het kruis als een worm en geen man werd (Psalm 22:7). Door het volbrachte zoenoffer van deze Immanuël is God eeuwig met ons. Hij laat ons niet van geestelijke dorst omkomen, maar schenkt stromen van levend water in de dorre woestijn van ons leven. Waar Christus door Zijn Geest werkt, verandert de wildernis in een vruchtbaar land. Opdat wij dankbaar belijden: de hand des HEREN heeft dit gedaan! Verder lezen: Johannes 4:1-15— ====== 27 april ====== > Jesaja 41:21-29 We zien hier opnieuw een rechtszaak van de hemelse Rechter, nu niet tegen de volken, maar tegen hun afgoden. Als de grote Koning van Jakob daagt de HEERE die afgoden uit bekend te maken wat de toekomst brengen zal. Laten zij op z’n minst íéts doen, goed of kwaad. Maar zelfs dat kunnen ze niet. Want afgoden kunnen helemaal niets. Wie op ze vertrouwt, is dan ook een gruwel voor God. En nu moeten we niet denken dat dit ver van ons afstaat. Want ook als wij geen afgodsbeelden gieten, ligt de zonde van de afgoderij altijd op de loer. Ook wij stellen maar zo iets of iemand naast of boven God. We vertrouwen maar zo op ons eigen denken of doen. En maken daarvan dan onze afgoden. Maar afgoden kunnen ons niet verlossen of het leven geven. Alleen de HEERE kan dat. Hij deed Kores uit het noorden opstaan om Babel te verslaan. Alleen God wist dat van tevoren en kon het dan ook voorzeggen, tot troost van Zijn volk. Aan Jeruzalem beloofde Hij een vreugdebode te geven. En nog steeds zendt Hij in Zijn goedertierenheid verkondigers van de zeer blijde boodschap van verlossing door Christus. Wie wegblijft bij levenloze afgodsbeelden en schuilt bij deze levende Zaligmaker, houdt zich niet bezig met wind en ijdelheid maar vindt eeuwige zaligheid. Verder lezen: 1 Koningen 18:20-39— ====== 28 april ====== > Jesaja 42:1-7 Na de afgoden uit het vorige hoofdstuk, richt de HEERE nu onze blik op Zijn knecht. Deze knecht is niemand minder dan onze Heere Jezus Christus, in wie God Zijn welbehagen heeft en op wie Hij Zijn Geest heeft gelegd. Deze knecht zal komen, niet met veel kabaal, maar in alle rust en met zachtmoedigheid. Hij zal recht en gerechtigheid aan het licht brengen. Heerlijk is daarbij de belofte, dat Hij het geknakte riet niet zal verbreken en de kwijnende vlaspit niet zal uitdoven. Dat houdt in dat Christus geduld heeft met de zwakheid van zondige mensen. Zwakke zondaren zijn als een geknakt riet, gebroken en machteloos. Maar Christus laat ons nooit helemaal breken. Waar wij al gauw dreigen uit te doven, daar is Christus gesteld “tot een licht der natiën”, tot heil ook van heidenen die mogen delen in de verlossing door Christus. Hij kwam naar deze aarde om onze van nature blinde ogen te openen en ons uit de donkere kerker van de zonde te bevrijden. Aan het kruis liet Híj Zich breken, opdat wij geheeld zouden worden. Wie dan ook met een gebroken geest en een verbrijzeld hart tot Hem vlucht, wordt door deze Heiland niet verstoten maar verlost. Verder lezen: Matteüs 12:9-21 — ====== 29 april ====== > Jesaja 42:8-17 De HEERE eist hier alle eer voor Zichzelf op. Hij deelt Zijn lof niet met gesneden beelden. Wie op afgoden vertrouwt, zal beschaamd uitkomen. Maar wat afgoden niet kunnen, dat doet de HEERE wel: redding brengen. Hij trekt uit als een held. Als een Krijgsman trekt Hij ten strijde tegen de machten van de duisternis. Die strijd is beslissend gestreden op Golgotha. Daar heeft Christus de zonde, de duivel en de dood overwonnen. En de vrucht van Zijn kruisdood is heerlijk. De HEERE belooft: “Ik zal de blinden leiden op een weg die zij niet kenden”. Dat is precies wat wij nodig hebben. Van nature zijn wij blind voor de dingen van God. Wij tasten in het duister en kunnen onszelf niet redden. Maar Christus, het ware Licht der wereld, maakt de duisternis voor ons tot licht. Hij pakt ons bij de hand en leidt ons op de weg ten leven. En wie zich door Hem laat leiden, zingt de HEERE van harte een nieuw lied, een nooit verouderend loflied om Zijn altijd nieuwe gunstbewijzen. Verder lezen: Klaagliederen 3:22-32 — ====== 30 april ====== > Jesaja 42:18-43:8 Jesaja houdt Gods volk een spiegel voor. Want blinden, dat waren zij! Israël kende Gods grote daden wel, maar luisterde niet naar Hem. En van nature geldt dat ook voor ons, nemen wij Gods Woord niet ter harte en overtreden we Zijn wet. Zo hebben we Gods rechtvaardige toorn over onszelf afgeroepen. Door de eigen zonden zat Gods volk gevangen. En het kon zichzelf niet bevrijden. “Maar nu”, zo klinkt dan het evangelie. Waar Gods volk faalde als Zijn knecht, daar greep Hijzelf in. Daar zond Hij Zijn ware knecht: Christus, die niet doof was of blind, maar volkomen gehoorzaam. Hij kwam om ons te verlossen, niet vanwege iets goeds in ons, maar alleen uit genade. God zegt: “Vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn.” Als onze Verlosser heeft de HEERE de allerhoogste prijs voor ons overgehad. Aan het kruis droeg Christus het verterende vuur van Gods toorn tegen onze zonden. In Christus is God daarom eeuwig met ons. Door Christus zijn wij kostbaar in Gods ogen. En om Christus heeft God Zijn volk verlost uit de gevangenschap te Babel, en wat meer is: uit het slavenhuis van de zonde. Laten wij daar niet blind voor zijn! Verder lezen: 1 Petrus 1:13-21 —- ====== 1 mei ====== > Jesaja 43:9-21 Opnieuw staan we in de rechtszaal. De heidenvolken moeten nu toch echt eens gaan bewijzen dat hun afgoden iets voorstellen, wat zij natuurlijk niet kunnen. De HEERE eist daarom alle eer op. “Ik, Ik ben de Heere, en buiten Mij is er geen Verlosser.” De HEERE alleen is almachtig en Hij zet Zijn almacht in tot verlossing van Zijn volk. Wij mogen en kunnen ons heil dan ook nergens zoeken dan bij Hem alleen. En tegen Hem is geen vijand opgewassen. God herinnert Israël aan de uittocht uit Egypte, toen Hij voor Zijn volk een weg baande en de farao uitschakelde. Toch moeten zij daar niet bij blijven hangen. Want de HEERE maakt iets nieuws. Hij zal voor Zijn volk opnieuw een weg banen door de woestijn. Dat wijst op de naderende verlossing uit Babel, maar bovendien op onze verlossing door Christus. Van nature is ons hart immers een wildernis, een dorre plaats zonder geestelijk leven. Maar waar voor ons geen uitweg was, baande Christus door Zijn kruisdood een weg naar de Vader. Hij drenkt ons dorre hart met het levende water van Zijn Geest. Opdat het volk dat Hij heeft geformeerd en gereformeerd Zijn lof zal verkondigen. Daar is het de HEERE om te doen, ook vandaag. Verder lezen: 1 Petrus 2:1-10 — ====== 2 mei ====== > Jesaja 43:22-44:5 De HEERE had Zich geopenbaard als de almachtige Verlosser. Maar wat deed Zijn volk? Het heeft Hem niet aangeroepen. Israël weigerde de HEERE te dienen. De Israëlieten brachten Hem geen zuivere offers, maar vielen Hem lastig met hun zonden. Ook wij vermoeien de HEERE maar zo, met onze zonden en ongerechtigheden. Gods volk heeft het zelf dan ook allerminst verdiend, dat het toch te horen krijgt: “Ik, Ik ben het, die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil”. God vergeeft niet omdat wij het verdienen, maar omwille van Zichzelf. En op grond van het volmaakte offer van Christus. Waar wij God lastigvielen met onze zonden, daar droeg Christus de last van onze zonden aan het kruis. Daarom begint hoofdstuk 44 weer met dat heerlijke evangelie: “Maar nu”. In Christus ziet God ons aan als “Jesurun”, de oprechte. En waar ons hart van nature een dorre vlakte is, daar giet God genadig Zijn Geest uit. Dat levende water doet doodse zondaren geestelijk opbloeien. Het doet ons met blijdschap onze enige troost geloven en belijden: “Ik ben des Heren!” Verder lezen: Titus 3:1-7 — ====== 3 mei ====== > Jesaja 44:6-20 De HEERE is de Koning en Verlosser van Israël. Hij is de Eerste en de Laatste. Er is geen Rots buiten Hem. Tegenover deze waarheid schetst Jesaja de dwaasheid van de afgodendienst. Een man kapt een boom, gebruikt de helft van het hout om zich te warmen en brood te bakken, en van het overschot snijdt hij een godenbeeld. Daar buigt hij dan voor neer en roept: “Red mij, want gij zijt mijn god!” Hoe belachelijk is zoiets eigenlijk! Zou een blok hout, waar je zojuist je maaltijd op hebt gekookt, je kunnen redden? Dwaas zijn we dan ook als we ons heil zoeken bij stomme beelden. Dan houden we onszelf alleen maar voor de gek. We moeten ons geen beelden vormen, ook niet in ons denken, maar beelden zijn, naar Gods beeld geschapen én herschapen mensen, die hun heil verwachten van Christus alleen. Híj boog Zich niet neer voor een stuk hout, maar liet Zich hangen aan het hout, om ons te verlossen, ook van onze neiging tot afgoderij. Op Hem moeten wij vertrouwen. Want als wij Zijn evangelie niet schamen, zullen wijzelf niet beschaamd worden. Dan mogen wij het op heerlijke wijze ondervinden: de HEERE is de Koning en Verlosser van Israël. Verder lezen: Romeinen 1:16-25 — ====== 4 mei ====== > Jesaja 44:21-28 De HEERE wil dat Zijn volk als Zijn knecht beseft dat Hij de enige God is, en dat afgoden niets voorstellen. Israël mag zijn God niet vergeten. En zal door Hem niet vergeten worden. Want de HEERE staat op met gunstige gedachten: “Ik vaag uw overtredingen weg als een nevel en uw zonden als een wolk.” De zonden van Gods volk pakken zich samen als een donkere onweerswolk, die op uitbarsten staat. Wij mensen kunnen zo’n wolk niet verdrijven. Maar de HEERE blaast hem weg. Hij delgt onze zonden uit. En daarmee verplicht Hij ons tot een leven in waarachtige bekering. “Keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost.” De HEERE verlost ons, niet omdat maar wel ópdat wij voor Hem leven. En als onze Schepper en Herschepper geeft Hij hemel en aarde stof tot vreugde om alles wat Hij heeft gedaan. De HEERE is het die de heidense koning Kores als Zijn ‘herder’ de kerkstad Jeruzalem zou laten herbouwen. En dat met het oog op Christus als onze ware Herder. Wie zich door Gods genade tot Hem bekeert, is voor eeuwig verlost. En wie zou daarom niet juichen? De HEERE heeft het gedaan! Hij “heeft Jakob verlost en Hij verheerlijkt Zichzelf in Israël”. Verder lezen: Micha 7:14-20 — ====== 5 mei ====== > Jesaja 45:1-8 Wonderlijk: de HEERE noemt de heidense koning Kores Zijn “gezalfde”. God grijpt de rechterhand van deze wereldse vorst om koperen deuren te openen en ijzeren grendels te verbrijzelen. En dat terwijl Kores God helemaal niet kende! Tot twee keer toe zegt de HEERE: “hoewel gij Mij niet kendet”. God gebruikt deze machthebber als instrument, ten gunste van Zijn uitverkoren volk. Hier schittert Gods absolute soevereiniteit. Wij wanen onszelf al gauw aan het roer van ons leven, maar er gebeurt werkelijk niets buiten God om. “Ik ben de Here, en er is geen ander.” Hij formeert het licht en schept de duisternis, Hij bewerkt het heil en schept het onheil. God leidt de loop van de geschiedenis onfeilbaar naar Zijn doel. Als werktuig in Gods hand bracht Kores een aardse verlossing, liet hij de grendels van de stadspoorten in Babel openbreken om Israël te doen terugkeren in het Beloofde Land. Maar ons zondige hart zat opgesloten achter veel zwaardere grendels. Wij konden onszelf onmogelijk bevrijden uit de gevangenis van de zonde. Daarom zond God de ware Gezalfde: onze Heere Jezus Christus. Híj verbrak voor ons de grendels van de dood. Door Hem laat God de hemel druppelen van gerechtigheid. In Hem ontluikt voor ons eeuwig heil. Verder lezen: Psalm 107:1-16— ====== 6 mei ====== > Jesaja 45:9-25 “Wee hem die met zijn Formeerder twist.” Met deze woorden ontmaskert Jesaja onze aangeboren hoogmoed. Van nature willen wij namelijk helemaal geen leem zijn in Gods hand. Wij willen zélf de pottenbakker zijn. Wij twisten maar zo met onze Schepper en trekken Zijn wegen en leiding al gauw in twijfel. Hoe dwaas is echter een aarden scherf, om in opstand te komen tegen de Pottenbakker! Naar Zijn heilig recht zou de HEERE ons om onze opstandigheid moeten verbrijzelen. Toch klinkt in dit gedeelte een heerlijk evangelie. God verbreekt de Zijnen niet, maar openbaart Zich als hun Verlosser. Hij belooft Zijn volk geen tijdelijke, maar een eeuwige verlossing. En de nodiging daartoe blijft niet beperkt tot Israël, maar klinkt wereldwijd: “Wendt u tot Mij en laat u verlossen, alle einden der aarde.” Aan die roeping mogen en moeten ook wij gehoor geven. We moeten ons afwenden van onze zonde en ons toewenden naar Christus. In Zijn volbrachte werk alleen is onze ware gerechtigheid en sterkte. De HEERE heeft Zelf gezworen dat eens elke knie zich voor Hem zal buigen. Wie dat door Gods genade nu al doet in ware ootmoed, wordt niet beschaamd maar door Christus gerechtvaardigd. Beroem u dus in Hem! Verder lezen: Romeinen 9:14-24—- ====== 7 mei ====== > Jesaja 46 De afgoden van Babel, Bel en Nebo, storten in. Ze kunnen niet redden. In plaats van dat zij hun aanbidders dragen, moeten ze zelf gedragen worden, zelfs als een loodzware last door uitgeputte dieren worden weggesleept. Hoe schril is het contrast met de HEERE! Hij spreekt tot Zijn volk heel andere taal: “die door Mij gedragen zijt van moeders lijf aan”. Afgoden moeten gedragen worden, maar de levende God draagt Zijn volk. En hoe rijk is het dat Hij belooft dat ook te zullen blijven doen: “tot de grijsheid toe zal Ik u torsen”. De HEERE garandeert Zelf: Ik heb het gedaan en Ik zal het blíjven doen; Ik zal u dragen, ja Ik zal torsen en redden. Gebleken is dat wel op het heerlijkst in het verlossingswerk van onze Heere Jezus Christus. Wij waren “trotsen van hart” en “ver van gerechtigheid”. Wij hadden eigenlijk moeten bezwijken onder de ondraaglijke last van Gods toorn tegen onze zonden. Maar God openbaarde Zijn gerechtigheid in Zijn Zoon. Aan het kruishout torste Christus de zware vloek van onze zonden, om ons voor eeuwig te verlossen. Wie dan ook alle ballast loslaat en schuilt bij deze Zaligmaker, wordt door de HEERE gedragen tot in alle eeuwigheid. Verder lezen: Psalm 68:20-36 — ====== 8 mei ====== > Jesaja 47 Babel zal Gods volk wel wegvoeren in ballingschap, maar toch zelf eens ten onder gaan. Gods oordeel over deze wereldstad staat vast. En waarom? Vanwege haar hoogmoed. Babel is slechts een instrument in Gods hand, maar waant zichzelf heer en meester: “Ik ben het en niemand anders.” Ze vertrouwt op haar eigen wijsheid en denkt wel weg te komen met haar boosheid. “Niemand ziet het”. Maar daarmee vergeet Babel te rekenen met de alwetende en alziende God van Israël. En dus kan Babel rekenen op Zijn oordeel. Onheil zal deze goddeloze stad treffen, zonder dat zij dat zal kunnen tegenhouden. Nu zit de hoogmoed van Babel ook ons in het bloed. Ook wij willen van nature het liefst zelf op de troon van ons leven zitten. We vertrouwen maar al te gauw op ons eigen verstand of onze eigen plannen, en we zondigen vaak alsof God het toch niet ziet. Maar Jesaja waarschuwt scherp: zondige plannen vergaan als stoppels in het verterende vuur van Gods oordeel. Laten wij dan ook onze toevlucht nemen tot Christus, en belijden: “De naam van onze Verlosser is de Here der heerscharen”. God straft de hoogmoed, maar Hij redt in Christus. Hij redt ons van de straf op onze zonden. Daartoe doorstond Christus het vuur van Gods toorn in onze plaats. Verder lezen: Openbaring 18— ====== 9 mei ====== > Jesaja 48:1-11 De HEERE spreekt Zijn volk hier aan met alle ernst. De Israëlieten zeggen de HEERE wel te kennen, ze belijden Zijn naam wel en zweren daar wel bij, maar “niet in waarheid en niet in gerechtigheid.” Er is sprake van een lege, uiterlijke godsdienst. Het is allemaal schijn. Maar God prikt daar doorheen. Hij kent de onbuigzame aard van Zijn volk. Hij noemt hun nek een ijzeren stang en hun voorhoofd van koper. Vanaf de moederschoot zijn zij al overtreders. Dat raakt ook ons. Hoe gemakkelijk schuilen wij achter een zuivere belijdenis of een trouwe kerkgang, terwijl ons hart zich niet werkelijk voor God buigt. Van nature zijn ook wij halsstarrig. Wij hebben werkelijk niets om God aan te bieden. Als Hij met ons zou handelen naar onze trouweloosheid, was het voor eeuwig gedaan. Maar waarom roeit God zo’n onbuigzaam volk niet uit? Het antwoord is het wonder van het evangelie: “Om Mijnentwil.” God redt ons ter wille van Zijn eigen eer. Om Zijn heilige Naam hoog te houden, zorgt Hijzelf voor verlossing. Door het geloof mogen wij weten: de beproevingen in dit leven zijn geen straf meer om ons te vernietigen, maar een smeltoven om ons te louteren. Opdat wij dankbaar leren leven voor Hem, die Zijn eer niet aan een ander geeft. Verder lezen: Ezechiël 36:16-32— ====== 10 mei ====== > Jesaja 48:12-22 De HEERE stelt Zich hier voor in al Zijn majesteit. Hij is de Eerste en de Laatste, de Schepper van hemel en aarde. Hij leidt de geschiedenis en Hij is het die Zijn volk de weg wil leren. Maar dan volgt een aangrijpende aanklacht: “Och, dat gij naar mijn geboden luisterdet”. Daar zit het euvel van Gods volk. Had het naar de HEERE geluisterd, dan had het vrede gekend. Dan was haar gerechtigheid overvloedig geweest. Nu zit Israël echter in Babel, beroofd van die vrede, vanwege haar ongerechtigheid. Toch klinkt dan ineens die machtige oproep: “Trekt uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën.” De HEERE laat Zijn volk niet wegkwijnen in ballingschap. Hij is de Verlosser die Zelf de weg vrijmaakt. En zoals Hij vroeger het volk na de uittocht uit Egypte door de woestijn leidde en water uit de harde rots liet stromen, zo zal Hij ook nu Zijn wegtrekkende volk verzorgen op hun terugreis. Verkondig het met jubelgeklank: de HEERE redt Zijn knecht! Tegelijk blijft gelden: de goddelozen hebben geen vrede. Wie de zonde niet ontvlucht, vindt nergens blijvende rust. Maar wie op Gods roepstem uittrekt, mag drinken uit de ware Rots. De apostel Paulus leert ons dat die Rots Christus is. In Hem ontvangen wij stromen van levend water. Door Hem is er voor ons eeuwige vrede en gerechtigheid. Verder lezen: 1 Korintiërs 10:1-13— ====== 11 mei ====== > Jesaja 49:1-7 De Knecht des HEEREN spreekt de verre volken en kustlanden toe. God heeft Hem geroepen en Zijn mond gemaakt als een scherp zwaard, dat harten treft. De HEERE noemt deze Knecht “Israël”, maar dat is hier niet Gods zondige volk, maar Christus, die het volk vertegenwoordigt en de gehoorzaamheid opbrengt die zij hadden moeten opbrengen. Waar Gods volk steeds weer faalde en ongehoorzaam was, daar is deze volmaakte Knecht de Israël in Wie God Zich daadwerkelijk zal verheerlijken. Toch lijkt het werk van deze Knecht in eerste instantie op een mislukking uit te lopen. Hij is diep veracht en wordt door het volk verafschuwd. Hij lijkt Zich tevergeefs te hebben afgemat en Zijn kracht vruchteloos te hebben verbruikt. Maar Hij vertrouwt Zich volkomen toe aan de Vader, die Zijn Knecht stelt tot een licht voor de volken, opdat Zijn heil reikt tot aan het einde der aarde. Tijdens Zijn leven op aarde werd Christus veracht en bespot. En aan het kruis leek Hij verloren. Maar juist daar verwierf Hij eeuwig heil, voor Jood en Griek, ja voor een ieder die zich in geloof voor deze Knecht neerbuigt. Verder lezen: Lucas 2:25-35 — ====== 12 mei ====== > Jesaja 49:8-21 De HEERE belooft Zijn volk heil: er komt een tijd van Zijn welbehagen. Hijzelf zal Zijn volk barmhartig leiden naar waterbronnen om hun dorst te lessen met levend water. Maar wat is de reactie van Sion? “De Here heeft mij verlaten en de Here heeft mij vergeten.” Wat een bittere klacht na zulke rijke beloften. En toch, hoe herkenbaar! Als wij in tegenspoed verkeren, twijfelen we al snel aan Gods trouw. We laten ons zo makkelijk leiden door onze omstandigheden, in plaats van door Zijn Woord. Ons vertrouwen op de HEERE wankelt maar zo. Toch komt niet met een afwijzing, maar met een ontroerend beeld. Kan een moeder haar eigen zuigeling vergeten? Dat is toch ondenkbaar! En zelfs al zou dat gebeuren, God vergeet Zijn volk nooit. “Zie, Ik heb u in mijn handpalmen gegrift.” Zó onuitwisbaar en dichtbij draagt Hij de Zijnen met Zich mee, zelfs in ballingschap. En de tijd van Gods welbehagen is met de komst van Christus ten volle aangebroken. Hij deelt levend water uit om onze geestelijke dorst te lessen. Het komt er voor ons nu op aan om die genade niet in de wind te slaan, want “nú is de tijd des welbehagens”. Wie door een waar geloof Christus verwacht, zal niet beschaamd worden. Verder lezen: 2 Korintiërs 6:1-10 — ====== 13 mei ====== > Jesaja 49:22-50:3 Kan een sterke de buit ontnomen worden, of zullen gevangenen ontkomen? Op die bange vraag van Gods weggevoerde volk antwoordt de HEERE bevestigend. “Ik zelf zal strijden en uw zonen redden.” Toch voelt dat voor Israël tijdens de ballingschap vaak niet zo. Het is alsof God hen de rug heeft toegekeerd. Daarom vraagt de HEERE: Waar is dan de scheidbrief waarmee Ik u heb weggestuurd? Aan welke schuldeiser heb Ik u verkocht? Op dergelijke vragen moet Gods volk het antwoord schuldig blijven. Want God heeft Zijn verbond niet verbroken, noch Zijn volk willen verstoten. Maar “om uw ongerechtigheden zijt gij verkocht.” Het is de eigen schuld van Gods volk dat het van Hem vervreemd is geraakt. En dat geldt ook voor ons: van nature zijn wij slaven van de zonde. De duivel hield ons als een ‘sterke’ in zijn dodelijke greep. Maar Gods hand is niet te kort om te verlossen! Wat Hij bewijst in Christus, die als de Sterkere de duivel versloeg en Hem zijn buit ontnam. Christus betaalde met Zijn eigen bloed voor onze ongerechtigheden om ons voor eeuwig vrij te kopen. Verder lezen: Romeinen 7:14-25 — ====== 14 mei ====== > Jesaja 50:4-11 Opnieuw horen we de stem van de Knecht des HEEREN. En zien we een behoorlijk contrast met onszelf. Waar wij van nature onze oren sluiten voor Gods Woord en weerspannig zijn, daar is deze Knecht de volmaakte Leerling. Elke morgen laat Hij Zich het oor wekken om volkomen gehoorzaam te zijn aan de Vader. Die gehoorzaamheid kostte Hem echter niet weinig. “Mijn rug heb ik gegeven aan wie sloegen, en mijn wangen aan wie mij de baard uittrokken.” Hier voorzegt Jesaja het bittere lijden van onze Heiland. Hij werd gegeseld, bespot en in het gezicht gespuugd. Toch deinsde Hij niet terug. Hij maakte Zich op om de lijdensweg naar het kruis ten einde toe te gaan. Omdat Hij wist dat de Vader Hem zou helpen en rechtvaardigen. Deze profetie eindigt met een ernstige boodschap. Als we in donkere tegenspoed verkeren, moeten we niet ons eigen vuurtje willen stoken. Uit onszelf doen wij dat maar al te graag: vertrouwen op ons eigen denken en doen. Maar wie zulke ‘brandpijlen’ aansteekt, doet dat tevergeefs; hij zal door datzelfde vuur verteren. Wij moeten dan ook leren ons eigen vuur te doven en uitsluitend te steunen op de Heere. Wie vertrouwt op Christus, zal misschien wel onrecht lijden maar niet te schande worden. Want op Hem vertrouwen, dat doet niemand tevergeefs! Verder lezen: 1 Petrus 2:19-25— ====== 15 mei ====== > Jesaja 51:1-16 God roept Zijn volk op om terug denken aan hun oorsprong, aan hun voorouders Abraham en Sara. Toen God hen riep, was er naar de mens gesproken geen enkel perspectief op nieuw leven. Toch bracht Hij uit hun ‘dode’ schoot een groot volk voort. Precies dát wonder zal de HEERE herhalen als het gaat om de puinhopen van Sion. Waarom is Israël dan toch zo bang, te midden van de Babylonische ballingschap? “Wie zijt gij, dat gij bevreesd zijt voor een sterfelijk mens?” Hier raakt de HEERE onze zwakste plek. Wij zijn vaak banger voor de mening of macht van mensen, dan voor de almachtige Schepper. We staren ons blind op tijdelijke dreiging en vergeten God. Zo raken we verstrikt in angst. Maar de profeet vertrouwt op de HEERE, en bidt of Zijn arm wil ontwaken om in te grijpen. En die smeekbede is heerlijk verhoord. Gods machtige arm ís ontwaakt, bij de verlossing uit Babel, maar ten volle wel in onze verlossing door Christus. Waar wij door onze zonden in een hopeloze doodsgreep vastzaten, baande Híj dwars door het oordeel een weg naar de eeuwige vrijheid. Door Zijn lijden en sterven zorgde Christus voor ons leven en hoeven wij voor niemand te beven. In Christus is God ons nabij en blijft Hij ons troosten met die zo heerlijke woorden: “Gij zijt mijn volk”. Verder lezen: Romeinen 4:16-25— ====== 16 mei ====== > Jesaja 51:17-52:12 Tijdens de ballingschap ligt Jeruzalem er woest en verlaten bij. Niemand van haar zonen kan haar bij de hand nemen. Maar de HEERE grijpt in. Hij neemt de beker van Zijn toorn weer uit haar hand en roept Sion op het stof af te schudden en zich te bekleden met pronkgewaden. Israël was “om niet” verkocht, maar wordt nu “zonder geld” gelost. Vreugdeboden snellen over de bergen met goed nieuws: de HEERE keert terug naar Sion! Hij leidt Zijn volk veilig uit Babel. Hij gaat voor hen uit en is hun achterhoede. Ook wij hebben onszelf door ongehoorzaamheid ‘om niet’ aan de zonde overgeleverd en Gods volle toorn verdiend. Wij kunnen onszelf onmogelijk redden. Hoe kan God zondaren als wij dan zonder geld verlossen? Alleen doordat de beker van Zijn toorn is overgegaan op Christus. Aan het kruis dronk Hij die voor ons tot de laatste druppel leeg. Dáárom mag het heerlijk evangelie klinken, inclusief de heilige roeping: “Vertrekt, raakt het onreine niet aan.” Gods volk moet voortdurend breken met de wereld en de zonde. Schud het stof van u af en bekleed u met het pronkgewaad van Christus. Dan bent u veilig. Want dan trekt de HEERE met u mee. Verder lezen: 2 Korintiërs 6:14-7:1 — ====== 17 mei ====== > Jesaja 52:13-53:12 In dit bekende gedeelte lezen we over de lijdende Knecht des HEEREN. Voor Wie mensen hun gezicht met afschuw verbergen. Hij is veracht en verlaten. Zijn tijdgenoten dachten zelfs dat Hij door God vervloekt en gestraft werd vanwege Zijn eigen zonden: “een door God geslagene”. Maar Hij is zonder zonden! Zijn lijden is puur plaatsvervangend. Hij werd verbrijzeld en doorboord vanwege de overtredingen van het volk. Als een onschuldig Lam liet Hij Zich ter slachting leiden. Als het ware Paaslam, dat voor ons geslacht werd. Het is een even heerlijke als ernstige profetie. Want de lijdende knecht, dat is hier niet Gods volk, zoals de hedendaagse joden menen. Nee, het gaat hier over Christus en wat Hij gedaan heeft voor ons. De HEERE deed ónze schuld op Hem neerkomen. Christus is aan het kruis verbrijzeld, in ónze plaats. Hij gaf Zijn leven als een schuldoffer. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem. Door Zijn striemen is er voor ons een eeuwige genezing. Christus is de Rechtvaardige, die ons rechtvaardigmaakt door onze ongerechtigheden te dragen. Laten wij Hem dan niet verachten maar van Hem alleen de zaligheid verwachten. Verder lezen: Handelingen 8:26-35 — ====== 18 mei ====== > Jesaja 54 Meteen na het gedeelte over de lijdende Knecht des HEEREN, klinkt er een machtig jubellied over Sion, de kerk. Jeruzalem ligt er in de ballingschap bij als een onvruchtbare vrouw, een eenzame weduwe. Het lijkt alsof haar tijd definitief voorbij is. Maar de HEERE roept haar op om uit te breken in gejuich. Want haar kinderen zullen ontelbaar zijn! Geestelijke kinderen zal zij baren, door de prediking van het Woord. God Zelf is immers de Man en Losser van Zijn volk. De ballingschap was slechts een kort ogenblik van Zijn toorn, maar straks ontfermt de HEERE Zich over Sion met eeuwige goedertierenheid. Bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar Gods goedertierenheid en Zijn vredesverbond zullen standhouden in eeuwigheid. Deze troostrijke belofte wordt vervuld op grond van het volbrachte werk van de lijdende Knecht des HEEREN. Omdat Christus Gods toorn voor ons heeft weggedragen, delen wij in Gods eeuwige vredesverbond. Van nature zijn wij geestelijk onvruchtbaar, ellendig en door de zonde voortgedreven. Maar wie de toevlucht neemt tot Christus, ontvangt Zijn gerechtigheid. De vijand zal de kerk nog wel aanvallen, maar geen enkel wapen zal haar wezenlijk kunnen schaden. Niets kan ons scheiden van Gods liefde. Want in Christus ligt onze verlossing voor eeuwig vast! Verder lezen: Romeinen 8:31-39— ====== 19 mei ====== > Jesaja 55 Als een marktkoopman laat de HEERE Zijn stem horen aan Zijn volk in ballingschap: “O, alle dorstigen, komt tot de wateren!” Israël sloofde zich af voor zaken die niet echt konden verzadigen. Waarom geld en moeite besteden aan afgoderij en valse leer, in plaats van aan het gezonde voedsel van Gods Woord? God biedt de ware zaligheid aan, gratis en voor niets. Kom, koop zónder geld! Hij roept dringend op goddeloze wegen te verlaten en Hem te zoeken nu Hij Zich laat vinden. Zijn gedachten van genade reiken immers oneindig veel hoger dan onze zondige gedachten. Deze nodiging klinkt vandaag ook tot ons. Wij zijn van nature wel dorstig, maar zoeken al gauw verzadiging in verkeerde dingen. We verspillen ons leven maar zo aan aardse zaken die de ziel niet kunnen voeden, of proberen met eigen vroomheid vrede bij God te ‘kopen’. Maar God roept: kom en koop zónder prijs! Dat kan alleen omdat Christus de losprijs betaalde. “Mij dorst”, riep Hij aan het kruis, waaraan Hij leed om onze dorst te lessen, om ons het water des levens te schenken. Ga dan ook geen eigenwillige wegen, maar zoek de HEERE nu Hij nabij is. Kom tot Christus en ontvang de zaligheid, gratis en voor niets! Verder lezen: Johannes 7:37-44 — ====== 20 mei ====== > Jesaja 56:1-8 Jesaja roept Gods volk op om recht te doen, want Zijn heil is nabij. Wie vasthoudt aan Gods verbond en de sabbat eert, wordt gezegend. En dat is alleen mogelijk dankzij Christus, in wie Gods heil is verschenen. Vervolgens klinkt er een wonderlijke belofte. Onder de wet van Mozes stonden ontmanden en vreemdelingen buiten de tempeldienst. Een ontmande voelde zich een dorre boom zonder nageslacht, en de vreemdeling vreesde voor altijd buitengesloten te zijn. Maar de HEERE gooit de deuren wijd open! Wie Hem dient, krijgt een onuitwisbare naam in Zijn huis. Vreemdelingen naderen de heilige berg en hun offers worden aanvaard. Gods huis wordt een bedehuis voor álle volken. Hij verzamelt de verdrevenen van Zijn volk en voegt er nog velen aan toe. Deze profetie wijst heerlijk vooruit. Van nature zijn ook wij als dorre bomen en vreemdelingen: onvruchtbaar en vervreemd van Gods verbond. Maar door Christus is de scheidsmuur afgebroken. Wie zich door Gods genade aan Hem verbindt, is niet langer een buitengeslotene. God vergadert Zijn kerk uit alle volken, ongeacht afkomst. Laten wij daarom gehoorzaam leven als Zijn verbondsvolk, Zijn dag eren. Niet als vreemdelingen, maar als kinderen van de Vader in Zijn huis. Verder lezen: Efeziërs 2:11-22— ====== 21 mei ====== > Jesaja 56:9-57:13 Na de heerlijke beloften uit het vorige gedeelte, klinkt nu een ernstige oordeelsprofetie. De geestelijke leiders van Israël schieten ernstig tekort. Jesaja noemt hen blinde wachters en stomme honden die de kudde niet waarschuwen, maar enkel uit zijn op hun eigen gewin en genot. In deze geestelijke duisternis sterven de rechtvaardigen, zonder dat iemand het opmerkt. Toch is hun dood geen straf: God neemt hen in Zijn genade weg voor het komende onheil en geeft hun vrede. Daartegenover staat het volk dat afgoden dient. Met harde woorden klaagt de HEERE hun geestelijk overspel aan. Ze zoeken hun heil buiten God om en maken zich zelfs schuldig aan kinderoffers. Ze vrezen dode goden, maar de levende God van het verbond zijn ze vergeten. God maakt echter duidelijk dat hun afgoden hen niet zullen redden in het oordeel; een zuchtje wind blaast ze zo weg. En hoe snel bouwen ook wij op ‘afgoden’, we vertrouwen maar zo op ons geld of goed. Maar daarmee zullen we het niet redden. Er is slechts één uitweg, zo geeft de HEERE aan: “Wie bij Mij schuilt, zal mijn heilige berg bezitten.” Onze enige, ware schuilplaats is Christus. Hij immers is de Rechtvaardige, die in onze plaats de straf droeg. Wie bij Hem schuilt, is voor eeuwig veilig, en wordt verlost van de komende toorn. Verder lezen: Ezechiël 34:1-10— ====== 22 mei ====== > Jesaja 57:14-21 God is volmaakt heilig en hoogverheven. Hij woont en troont in de hemel. Toch wil Hij ook op aarde wonen, en wel bij mensen die gebroken en nederig van hart zijn. Maar hoe krijgen we zo’n hart? Niet vanzelf of uit onszelf. Dat bleek wel bij Israël: ondanks Gods liefdevolle vermaningen liep het volk koppig verder op een zondige weg. Als God Zijn volk aan zichzelf zou hebben overgelaten, zou het voorgoed zijn omgekomen. Maar hier schittert het wonder van Zijn genade. Ondanks de weerspannigheid van Zijn volk, zoekt en werkt God Zelf hun bekering! Hij oordeelt niet definitief, want Hij zegt vol troost: “Zijn wegen heb Ik gezien, doch Ik zal hem genezen.” Waar Gods volk vastloopt vanwege de eigen zonden, maakt God Zelf de weg voor hen vrij. Hij is het die ons van nature hoogmoedige hart verandert en ware nederigheid in ons uitwerkt. En Hij schenkt ons de eeuwige vrede, in en door Christus. Toch klinkt er ook een ernstige waarschuwing. Er zijn en blijven immers mensen die zich niet laten bekeren. Wie volhardt in zijn zonde, lijkt op een woeste zee die voortdurend modder opwerpt. “De goddelozen”, zegt God, “hebben geen vrede.” Laat die waarschuwing ons des te meer uitdrijven naar onze Heiland. Wie met een verbrijzeld hart bij Christus schuilt, ontvangt de eeuwige vrede en rust. Verder lezen: Hosea 14:2-10— ====== 23 mei ====== > Jesaja 58 Jesaja moet de schijnvroomheid van Gods volk blootleggen. Aan de buitenkant lijken de Israëlieten heel vroom. Ze vasten, bezoeken de tempel en bidden tot God. Maar ze doen dat niet van harte. Ook denken ze met hun godsdienst wat bij God te verdienen. Ze verbazen zich erover dat ze niets van Hem merken. “Waarom vasten wij, als U er toch niet op let?” Ze denken dat de HEERE wel een behagen in hen moet hebben om alles wat zij doen, maar hun huichelarij is Hem een gruwel. Terwijl ze in rouwgewaad hun hoofd laten hangen, buiten ze hun arbeiders uit en leven ze enkel voor eigen gewin. Ze doen slechts aan uiterlijke godsdienst, puur voor de vorm, zonder innerlijke liefde. Maar wat de HEERE wil, is hartelijke liefde tot Hem en de naaste. Het ware vasten bestaat dan ook in zaken als oog hebben voor verdrukten en hongerigen, en zich verlustigen in de sabbat. Dat doen wij niet uit onszelf, maar het is Christus die daar door Zijn Geest voor zorgt. Wanneer Zijn Geest ons hart vernieuwt, verdwijnt bij ons alle schijnvroomheid. Dan gaan we in liefde God dienen en Zijn rustdag vieren zoals Hij het van ons vraagt en zoals het Hem behaagt. Dan verlustigen we ons in de HEERE en gaat Zijn heil voor ons uit. Verder lezen: Matteüs 6:5-18 — ====== 24 mei ====== > Jesaja 59 God is bij machte Zijn volk te verlossen en te verhoren, maar hun zonden brengen een dodelijke scheiding teweeg tussen hen en Hem. Jesaja bepaalt het volk bij hun verdorvenheid. Hun werken zijn giftig als slangen. Het recht is ver te zoeken en ze tasten als blinden in de duisternis. Deze ontdekking brengt hen ten slotte tot een eerlijke schuldbelijdenis: “Onze overtredingen zijn talrijk voor U en onze zonden getuigen tegen ons.” Maar wie kan het volk redden? God ziet dat er niemand is die als middelaar tussenbeide kan treden. Omdat de mens zichzelf onmogelijk kan bevrijden, grijpt de HEERE Zelf in. Zijn eigen arm brengt redding! Hij bekleedt Zich met het pantser van gerechtigheid en zet de helm des heils op. En dat wel bij uitstek in Christus. Híj is onze Verlosser en Middelaar. Hij kwam voor Sion, voor eenieder die zich met oprecht berouw van zijn overtredingen tot Hem bekeert. En door Hem vervult God die zo heerlijke belofte: Zijn Geest en Woord zullen tot in eeuwigheid niet van ons wijken. En de wapenrusting Gods, die de Heere in dit hoofdstuk Zelf aantrekt, schenkt Christus nu ook aan óns, opdat wij krachtig zijn “in de Here en in de sterkte zijner macht”. Verder lezen: Efeziërs 6:10-20 — ====== 25 mei ====== > Jesaja 60 Na de diepe geestelijke duisternis uit het vorige hoofdstuk, breekt nu de dageraad aan. “Sta op, word verlicht, want uw licht komt!” Terwijl een dichte donkerheid de volken bedekt, gaat over Sion de heerlijkheid van de HEERE op. Het is een heerlijke profetie van herstel. Koningen en natiën worden onweerstaanbaar naar dit goddelijke licht getrokken. Van heinde en verre stromen ze toe met goud en wierook, om de Naam van God luid te prijzen. Sion, eertijds verlaten en veracht, wordt weer het stralende middelpunt. Haar poorten staan onafgebroken wijd open, haar muren heten ‘Heil’ en haar poorten ‘Lof’. Dit werd vervuld bij de komst van Christus. Hij is het ware Licht der wereld. Niet voor niets trokken de heidense wijzen uit het Oosten met goud en wierook naar Bethlehem om Hem te aanbidden! Door Zijn Geest roept God nu zondaren uit álle volken tot Zijn heerlijk licht. Tot Hem, die straalt als de Zon der gerechtigheid. En deze belofte reikt nog verder; ze wijst vol hoop vooruit naar het nieuwe Jeruzalem. Daar is straks geen aardse zon of maan meer nodig, want de HEERE Zelf zal ons tot een eeuwig licht zijn. Dan zijn de dagen van rouw en zonde voorgoed voorbij. Laten wij daarnaar uitzien, maar ook nu al in Zijn licht wandelen, als kinderen van het licht. Verder lezen: Efeziërs 5:6-14— ====== 26 mei ====== > Jesaja 61 “De Geest des Heren HEREN is op mij…” Het is de beloofde Messias Zelf die hier spreekt. Hij is door God gezalfd en gezonden om als onze hoogste Profeet en Leraar een blijde boodschap te brengen. Maar aan wie? Niet aan de sterken en zelfverzekerden, maar aan ootmoedigen, gebrokenen van hart en geestelijke gevangenen. De Messias roept een ‘jaar van het welbehagen’ uit, wat teruggrijpt op het oudtestamentische jubeljaar waarin alle schulden werden kwijtgescholden en slaven hun vrijheid terugkregen. In de synagoge van Nazareth las de Heere Jezus precies deze profetie voor en sprak Hij het machtige woord: “Heden is dit Schriftwoord voor uw oren vervuld.” Christus is de ware Heilbode. Hij daalde af in de puinhoop van onze zonden om ons daarvan te bevrijden. As maakt door Hem plaats voor een prachtig hoofdsieraad, en een kwijnende geest voor een lofgewaad. Wanneer wij met een door schuldbesef gebroken hart tot Christus vluchten, spreekt Hij ons niet alleen vrij van schuld, maar trekt Hij ons ook iets nieuws aan. Hij bekleedt ons met de klederen des heils en omhult ons met de mantel van Zijn gerechtigheid. Als Zijn rijk versierde bruidsgemeente hebben wij alle reden ons in de Heere te verblijden. Verder lezen: Leviticus 25:8-17— ====== 27 mei ====== > Jesaja 62 Na de verwoesting van Jeruzalem en de Babylonische ballingschap ligt Gods volk er troosteloos bij. De stad ligt in puin. Het land Israël wordt de ‘Verlatene’ genoemd en ‘Woestenij’. Gods volk lijkt door de HEERE voorgoed te zijn afgeschreven. Maar dan klinkt er een machtig woord van hoop: “Om Sions wil zal ik niet zwijgen.” De HEERE laat Zijn kerk niet los! Hij is daarvan een Koning die zonder onderdanen niet zijn kan. Hij gunt Zichzelf geen rust totdat de redding van Jeruzalem stralend doorbreekt. Uit soevereine genade keert Hij het lot van Zijn volk om en geeft Hij hun een nieuwe naam: ‘Mijn Welgevallen’ en ‘Gehuwde’. Het is een ontroerend beeld: zoals een bruidegom zich verblijdt over zijn bruid, zo verheugt God Zich over Zijn volk. Christus is onze hemelse Bruidegom. Aan het kruis onderging Hij de uiterste Godverlatenheid, opdat wij als Zijn bruidsgemeente nimmermeer verlaten zouden worden. Om die boodschap te verkondigen heeft de HEERE wachters aangesteld op de muren van Jeruzalem. Herders en leraars, die Gods volk het evangelie prediken en die tegelijk God aan Zijn beloften herinneren en daarop pleiten. Laten we de vervulling van Zijn beloften blijven afsmeken, totdat de Bruidegom terugkomt en Hij Zijn ‘Begeerde’ stad voor eeuwig volmaakt. Verder lezen: Openbaring 21:1-11— ====== 28 mei ====== > Jesaja 63:1-6 Een indrukwekkende gestalte nadert vanuit Edom, de aartsvijand van Israël. Zijn klederen zijn rood gekleurd, als van iemand die de wijnpers heeft getreden. Wie is deze Strijder? Het is de HEERE Zelf, die terugkeert van een beslissende veldslag. Edom staat hier symbool voor alle vijandige machten die Gods volk bedreigen en verdrukken. In deze profetie zien we hoe de HEERE Zich ontzet, omdat er bij de mensen niemand is die Zijn volk kan verlossen. Daarom brengt Zijn eigen sterke arm de overwinning. God voltrekt Zijn wraakgericht over de vijanden. Al is dat geen doel op zich; Gods wraak staat in dienst van het heil voor Zijn volk. “Het jaar van Mijn verlossing was gekomen”, klinkt het. De ondergang van de vijand betekent de verlossing van Zijn kerk. Dat geldt ook voor de nederlaag van de duivel. In zijn strijd tegen de duivel stond Christus helemaal alleen. Geen mens kon Hem helpen toen Hij die strijd aanbond. Maar Christus heeft overwonnen. Tot ons heil. En straks komt deze grote Overwinnaar terug op aarde, om alle goddeloosheid voorgoed te straffen. Voor Zijn tegenstanders is dat een verschrikkelijke dag van toorn, maar voor Zijn bruidsgemeente de heerlijke dag van haar volle verlossing. Want de HEERE, die in gerechtigheid spreekt en Zijn vijanden rechtvaardig veroordeelt, Hij is machtig om Zijn kerk te verlossen! Verder lezen: Openbaring 19:11-16 ====== 29 mei ====== > Jesaja 63:7-19 De profeet blikt terug op Gods trouw in het verleden. In al de benauwdheid van Zijn volk was de HEERE Zelf ook benauwd. Met medelijden en vol liefde verloste en droeg Hij hen. Maar Gods volk ging daar niet dankbaar mee om. Ze waren weerspannig en bedroefden Zijn Heilige Geest. Daarom kon God hun zonden niet ongestraft laten. Hij keerde Zich tegen hen en streed tegen hen als een vijand. Maar dan klinkt een ontroerend gebed. De kerk belijdt eerlijk haar schuld en de afdwaling van haar hart. Ze kan zich nergens op beroepen, niet eens op haar vrome afstamming van Abraham. Maar daarom werpt ze zich volkomen op Gods genade: “Gij, HEERE, zijt onze Vader; onze Verlosser van oudsher is Uw naam.” En ook wij mogen God onze Vader noemen, omdat wij om Christus’ wil tot Zijn kinderen zijn aangenomen. Omdat Hij voor al onze zonden heeft betaald. En als onze Verlosser zendt Christus Zijn Geest uit in ons hart. Zijn Heilige Geest, die niet wil dat wij Hem bedroeven met onze zonden, maar dat wij door Zijn krachtige werking bidden: “Abba, Vader!” Verder lezen: Romeinen 8:9-17 — ====== 30 mei ====== > Jesaja 64 “Och, dat Gij de hemel scheurdet, dat Gij nederdaaldet!”, zo smeekt Jesaja namens Gods volk. Gods volk kan zichzelf niet redden. Het lijdt onder Gods toorn vanwege de eigen zonden. De profeet vergoeilijkt niets, maar belijdt schuld: “Wij zijn allen geworden als een onreine, al onze gerechtigheden zijn als een bezoedeld kleed.” Het is een wrange constatering. Die ook op ons van toepassing is. Zelfs onze beste, meest vrome daden zijn bevlekt met zonden. Omdat Gods volk geen enkel recht heeft op redding, klampt het zich in dit gebed vast aan Gods onverdiende gunst en genade. “Wij zijn het leem, Gij zijt onze Formeerder.” Wij hebben onszelf bedorven, maar wilt U ons in Uw genade opnieuw kneden! En de HEERE heeft geluisterd naar deze noodkreet. Hij heeft de hemel gescheurd. In Christus is Hij Zelf neergedaald in de wereld. Omdat onze eigen gerechtigheid slechts een bezoedeld kleed is, bekleedt Christus ons met Zijn volkomen gerechtigheid. Wie zijn eigen onreinheid belijdt en vlucht naar deze Heiland, ligt veilig in de handen van de HEERE, onze Formeerder, die ons heeft gevormd en door Zijn Geest ook hérvormt tot een nieuwe schepping, tot mensen die aan Hem denken en voor Hem leven. Verder lezen: Zacharia 3 — ====== 31 mei ====== > Jesaja 65 De HEERE beantwoordt hier het smeekgebed van Zijn volk. Israël klaagde dat God zich niet liet vinden, maar dat was aan henzelf te wijten. Immers liet de HEERE Zich vinden door wie Hem niet zochten. Voortdurend strekte Hij Zijn handen uit naar Zijn volk, maar dat ging zelf een andere weg en liep daarbij zelfs achter andere goden aan. Dit moest Gods toorn wel laten ontbranden. En wie volhardt in ongehoorzaamheid en afgoderij, wacht een rechtvaardig oordeel. Maar de HEERE zal Zijn volk nooit helemaal verstoten. Zoals men een druiventros met goed sap niet vernietigt, zo spaart God vol ontferming het overblijfsel naar de verkiezing van Zijn genade. En voor eenieder die in Christus gelooft, schildert God een heerlijke toekomst. Bij de komst van Christus laat de HEERE Zich zelfs vinden door vele heidenen, die God niet zochten. En bij Zijn wederkomst schept God een nieuwe hemel en een nieuwe aarde! De vloek van de zonde en de dood wordt dan helemaal weggenomen. Er zal geen geween meer gehoord worden. Er is dan sprake van een machtige harmonie: de wolf en het lam zullen samen weiden. De gemeenschap met God zal volmaakt zijn: “Voordat zij roepen, zal Ik antwoorden.” Door het volbrachte verlossingswerk van Christus is deze heerlijke toekomst voor ons veiliggesteld. Laten we ons daarover dankbaar verblijden! Verder lezen: Romeinen 10:11-21 ====== 1 juni ====== > Jesaja 66:1-4 “De hemel is mijn troon en de aarde de voetbank mijner voeten.” Met deze woorden maakt de HEERE duidelijk dat Hij oneindig groot is en hoogverheven. En dat om af te rekenen met de hoogmoed van Zijn volk. Vele joden dachten dat zij God in een aards gebouw konden opsluiten, en meenden dat een uiterlijke godsdienst vol offers genoeg was, zelfs als ze ondertussen goddeloos leefden. Maar God gruwt van zulke huichelarij. Wie een dier offert zonder oprecht geloof en zonder schuldbesef, begaat in Gods ogen net zo’n grote gruwel als het plegen van een moord of het prijzen van een afgod! Daarmee veroordeelt God alle schijnvrome godsdienst. In huichelaars heeft God geen welbehagen. Maar op wie rust Gods genadige oog dan wél? “Op de ellendige, de verslagene van geest en wie voor mijn woord beeft.” Dat is de mens die, geleid door de Geest, zijn geestelijke armoede en zijn gebrek aan eigen gerechtigheid leert erkennen. Met een hart dat verbrijzeld is vanwege de kennis van de zonde, en dat met kinderlijke eerbied buigt voor Gods Woord. Uiterlijke vroomheid redt ons niet; wij moeten alle eigenwillige godsdienst verliezen om Christus te winnen. Wanneer Zijn Geest ons overtuigt van onze zonden en ons met een ootmoedig hart doet vluchten tot Christus, mogen wij voor eeuwig verkeren in de plaats van Gods rust. Verder lezen: Psalm 51:11-21— ====== 2 juni ====== > Jesaja 66:5-24 Het boek Jesaja eindigt troostrijk voor allen die voor Gods Woord beven, die er ontzag voor hebben en ernaar luisteren. Zij worden om hun geloof wel gehaat en bespot door anderen, zelfs door volksgenoten, die de ware leer niet kunnen uitstaan, maar dat is slechts tijdelijk. Want uiteindelijk zullen alle vijanden van de HEERE en de Zijnen beschaamd worden. De HEERE Zelf zal hen beschamen door hen hun verdiende loon te geven. Sion daarentegen wordt rijk gezegend. Waar zij voorheen nog werd aangesproken als een onvruchtbare, die niet gebaard heeft, wordt nu gezegd dat zij gebaard heeft nog voordat ze last kreeg van weeën. Het is een profetie over de snelle groei van de kerk na de komst van Christus. Moeder zal zij zijn van vele gelovigen, zelfs uit de heidenen. Maar Gods vijanden zijn dus gewaarschuwd. De HEERE zal komen als vuur om gericht over hen te oefenen. Hun worm zal niet sterven en hun vuur zal niet uitdoven; het vuur van Gods toorn zal hen eeuwig blijven verteren. Laten wij dus geloven in Christus, die voor ons in het vuur ging van Gods toorn, om ons de troost van Gods genade te kunnen schenken. Allen die door de werking van Zijn Geest gelovig voor Gods Woord beven, ontvangen in Christus het eeuwige leven. Verder lezen: 2 Tessalonicenzen 1:3-10 ====== 3 juni ====== > Marcus 1:1-8 De komst van onze Zaligmaker heeft de Here uitvoerig voorbereid door Johannes de Doper te zenden. Ja, het was zelfs al in de profeten aangezegd, dat die eerst zou komen als wegbereider. Als een heraut heeft hij met luide en duidelijke stem de komst van Hem aangekondigd. Niemand kon er omheen dat de Messias er aan kwam. Iedereen werd actief om Hem te zien komen. Ook werd wel gedacht dat Johannes zelf de Messias was, een duidelijke aanwijzing dat hij op goddelijk bevel optrad. Ook was hij de grootste onder de profeten, omdat hij de Christus mocht aanwijzen. Maar om Christus te zien en te ontvangen is bekering nodig. De zonden moeten worden weggedaan. Daar moet verootmoediging zijn en nederigheid tegenover de Here. Alleen dan is daar vergeving van zonden. Als Johannes het al niet waardig is het minste slavenwerk aan de Here Jezus te bewijzen, waar zullen wij dan zijn? Maar Gode zij dank, Christus doopt met de Heilige Geest. Hij zegt ook Zelf dat Hij gekomen is om te dienen. Hij geeft al het nodige voor ons geloof. De gave van de Heilige Geest, tot kennis, liefde, geduld, zachtmoedigheid, nederigheid, geloof, trouw, dankbaarheid, blijdschap en vreugde in de Here. Verder lezen: Jesaja 40 ====== 4 juni ====== > Marcus 1:9-13 Dat de Heilige Geest de geliefde Zoon van God uitdrijft naar de woestijn om veertig dagen verzocht te worden door de satan, is een wel heel duidelijke aanwijzing, dat onze Zaligmaker onze plaats is gaan innemen. Het is iets heel groots, dat de Here Jezus, na zijn doop, direct zo’n zware beproeving moet doorstaan. Maar wat voor Man is Hij, dat Hij die beproeving kan doorstaan! Hij is de Zoon van God. De //geliefde// Zoon. De Man naar Gods hart, ja, de Man, de Zoon van Gods hart, die aan de boezem van de Vader is. Die de Vader voorbestemd heeft, om het werk van onze verlossing te volbrengen. Om in onze natuur, de weg te gaan, om ons de weg tot God te bereiden. Om gehoorzaam te zijn aan het bevel van de Vader en zo het eeuwige leven voor ons te verwerven. Zo kwam Hij tot ons. Werd ons in alles gelijk, behalve de zonde, en liet Zich dopen, evenals Zijn volksgenoten, in de Jordaan. Vanaf het begin van Zijn publieke optreden, is Hij bereid en wordt Hij geleid, om de Raad van God de Allerhoogste te vervullen. Dit is onze Zaligmaker, Jezus van Nazareth, de Zoon van God. In Hem en door Zijn werk van lijden, heeft God ons een volmaakte verlossing en de zaligheid van het eeuwige leven bereid. Dank zij aan God! Verder lezen: Genesis 3:1-15 ====== 5 juni ====== > Marcus 1:14-20 De roepstem van het Evangelie klinkt zeer indringend. Het Woord van God overwint mensenharten en legt beslag op mensenlevens. Johannes de Doper werd erom gevangen, en de discipelen die de Here Jezus roept, laten hun familiebedrijf zonder pardon achter zich. Hun toekomst als vissersbazen nemen ze geheel voor lief. Hoe dat kon? Alles verlaten om Jezus’ wil? Doordat de Here Jezus met goddelijke gezag roept. Zijn kracht is onstuitbaar. Zodat allerlei redeneringen waarom ze Hem niet direct zouden gehoorzamen, als sneeuw voor de zon verdwijnen. Die overwegingen, al zouden ze er zijn geweest, worden niet in de Bijbel genoemd. Want niet de biografieën van discipelen, vormen de inhoud van de Bijbel, maar de vervulling van de Raad Gods. God, die door Zijn Zoon het Koninkrijk der Hemelen nabij brengt. En zo is de opdracht voor u en mij vandaag niet om biografieën van Jezus en zijn apostelen te lezen, maar zich te bekeren en het Evangelie te geloven! En om uit het geloof in Christus en het heil dat Hij brengt, te leven. En dus ook zich te bekeren van een levenswandel die niet overeenstemt met de wet van Gods Koninkrijk, namelijk Gods wil. En uit het onderwijs van onze Here Jezus kennen wij die wil. Verder lezen: Matteüs 19:27-30 ====== 6 juni ====== > Marcus 1:21-28 Dat de Here Jezus optrad met gezag, en zodanig onderwijs gaf dat de menigte zeer onder de indruk was, is de duidelijke aanwijzing dat Hij met de Geest gezalfd is, en aanleiding voor de boze er direct bij te zijn om het heerlijk licht van Christus te verduisteren. Maar tegelijk, is het ook Christus Zelf, die de demon bestrijdt. Hij legt hem met goddelijk gezag het zwijgen op. Want het spreken van onreine geesten, het spreken van de leugen, werkt veel kwaad. De onreine geest wil Jezus in een kwaad daglicht stellen, alsof Hij gekomen zou zijn om te verderven. Het is onvoorstelbaar, dat in de Middeleeuwen de voorstelling van Christus als wrekende rechter, voor wie je doodsbang moet zijn, de geesten der mensen heeft bevangen. Zijn verlossingswerk, zoals hier blijkt, moet ons juist vervullen met de begeerte bij Hem te zijn. Om Zijn zaligmakende leer te horen en van Hemzelf de zaligheid te ontvangen in de vergeving van onze zonden. Uiteindelijk is de roep die van Hem en zijn werk uitgaat zo sterk dat het werk Gods voortgaat. Want Hij is Gods eigen Zoon, die zijn volk verlost van al haar zonden en van de boze geesten. Want de duivel, de overste der boze geesten, heeft Hij verslagen. Verder lezen: Openbaring 12:1-12 ====== 7 juni ====== > Marcus 1:29-39 Het werk van de Here Jezus in het genezen van vele zieken, zoals hier is verteld, laat duidelijk zijn overmacht zien over de zonde en de macht van de boze. Bezetenen van boze geesten worden door Hem bevrijd. Hoe kwaadaardig die geesten of demonen waren, blijkt wel in het feit dat Hij hen het zwijgen oplegt. Door hun vals getuigen van Hem, konden zij de menigte in twijfel en beroering brengen. We weten hoe vals de duivel de mensen kan laten denken over onze Zaligmaker. We zien hier ook hoe ijverig onze Here is geweest. Hij nam amper nachtrust, om te kunnen bidden met als doel verder te gaan met preken en genezen. Alles zette Hij in om aan allen op elke plaats het Evangelie te verkondigen. Zijn ijver is onbegrensd om zijn volk te verlossen van haar ongerechtigheden en ziekten, door velen van allerlei ziekten te genezen. Zo ging Hij al predikend en genezend rond in Galilea. Daartoe was Hij uitgezonden. Het gaat om de vervulling van Gods Raad door Hem. Onze ziekten heeft Hij op Zich genomen en de zonden van velen gedragen (Jesaja 53:4 en 12). Hij is gezonden door de Vader. In Hem blijkt de barmhartigheid en verbondstrouw van de HERE, voor een arm en ellendig volk. Verder lezen: Matteüs 12:22-37 ====== 8 juni ====== > Marcus 1:40-45 De melaatse smekeling toont ons het beeld van de mens die helemaal hopeloos is. De mens, die alle moed heeft verloren, maar nog één ding weet. Het ene nodige. Namelijk dat God kan redden; dat de Here Jezus kan en wil genezen. Dat geloof nu is het, wat wij elke dag en iedere minuut nodig hebben. Juist als wij de diepe ellende vanwege onze zonden inzien, vallen wij de Here Jezus te voet. En barmhartigheid is bij Hem, zoals bij de Vader. Wanneer wij dan in onze gebeden tot de Vader gaan, dan weten we dat Hij niet alleen barmhartig is, maar dat ook bewijst. Welk een enorme impact de genezing voor de melaatse had, blijkt in zijn verkondiging er van, ondanks het strenge verbod van de Here Jezus. Dit hinderde de Here vervolgens in zijn dienst. De oploop werd te massaal en daarom moest Hij Zich terugtrekken. Wat zegt dit? Allereerst dat wij Hem moeten gehoorzamen op zijn Woord, dan gaat Zijn werk allerbest voort. En het moet niet gaan om de wonderen, in ons eigen voordeel. Ook zegt deze tekst dat de komst van het Koninkrijk onstuitbaar is. Maar voor het ingaan in dat Rijk is oprechte bekering en geloof in Hem nodig. Verder lezen: Johannes 14:1-14 ====== 9 juni ====== > Marcus 2:1-12 In deze perikoop wordt veel openbaar van de bedoeling van Jezus’ komst. Hij heeft als de Zoon des mensen macht om zonden te vergeven. Hijzelf is gekomen om die zonden immers te dragen en onze ziekten op Zich te nemen. Beide, ziekte en zonde, neemt Hij hier weg. Neemt Hij de oorzaak van onze ziekten weg, namelijk onze zonden, dan is het geheel goed. Welk een onuitsprekelijke en onbevattelijke grote weldaad is dit! Te prijzen is ook het geloof dat de Here Jezus opwekte. De mannen vertrouwden volledig in zijn wil en vermogen om de verlamde weer te doen lopen. Ze nemen dan ook rigoureuze maatregelen om bij Jezus te komen. Het was vervolgens ronduit schokkend, in de goede zin van het woord, dat Hij deze genezing bewerkte als antwoord op hun geloof. Een duidelijk blijk van Zijn scheppende macht. Van Zijn goddelijk vermogen de harten der mensen te kennen, geeft Hij hier eveneens duidelijk blijk. De schriftgeleerden moesten door dit spreken van de Here toch direct overtuigd zijn van Hem als de Messias. Want wie kent de harten en wat wij van binnen denken, dan God alleen!? Welk een Zaligmaker is de Here Jezus! Wat een vermogen en wijsheid en doortastendheid en liefde. Verder lezen: Spreuken 15:11-16:3 ====== 10 juni ====== > Marcus 2:13-17 Ook bij de roeping van Levi, ons beter bekend als Mattheüs, de schrijver van het evangelie, is de roepstem van onze Verlosser alles bepalend. Maar wat uiteraard opvalt, is dat Levi een tollenaar was. En dat was toch ongedacht. Tollenaars, ze worden vaak samen met de hoeren genoemd, en hun reputatie was slecht. Ze waren in dienst van de Romeinen en dus gehaat. Het aura van landverraad hing rondom hen. Met zulken ga je niet om. Hoe kon dan Jezus de tollenaar Levi tot discipel roepen? De vissersjongens, waren die al wel niet zo heel geschikt, hoeveel te minder zo’n belastingambtenaar van de vijand. Deze vraag zouden we in onze tijd evengoed stellen. Omdat wij uitgaan van het uiterlijk voorkomen van mensen. Maar zie, Jezus is een Zaligmaker van zondaars. Voor zieken is een geneesheer nodig. En we moeten goed begrijpen dat wij geen haar beter zijn. We zijn evengoed ziek. Ziek tot op het bot. Dus hebben wij de Here Jezus als onze Geneesheer nodig. En moeten wij Hem nodigen. En ons door Hem laten nodigen, aan Zijn tafel. Wanneer wij dit door genade zien, is er veel reden voor een groot feest. Zalig zij die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam! Verder lezen: Psalm 32 ====== 11 juni ====== > Marcus 2:18-22 Dat Christus de Zaligmaker werkelijk de zaligheid brengt, was zeker reden om zich te bekeren, maar in zak en as vasten was er niet bij. Veel verheuging was er, waar Hij kwam. Want heil en zegen kwam Hij brengen in grote en overvloedige mate. Wie zou dan gaan vasten? Grote dankbaarheid en blijdschap was er bij de discipelen en allen die Hem hoorden. Want het Evangelie is blijde boodschap, om zich over te verheugen en te verblijden. Namelijk dat God vrede brengt en in barmhartigheid omziet naar zijn volk. Christus is de Bruidegom. Hij bereidt het grote bruiloftsfeest voor. Straks zal Hij alles in gereedheid hebben gebracht en terugkomen en zijn bruidsgemeente tot Zich nemen in heerlijkheid. De Vader beslist wanneer de Zoon alles voldoende in orde heeft gemaakt en de bruid mag ophalen. Waar de Bruidegom is, daar is vrolijkheid en feest tot eer van God, die bruidegom en bruid voor elkaar geschapen heeft. Wanneer u dit beseft, krijgt u reden tot feest en niet tot treurig vasten. Dit legt de Here uit met de nieuwe wijn die men in nieuwe zakken doet. Wanneer wij onze aandacht op Hem vestigen geeft dit de ware vreugde. Want Hij komt om ons tot Zich te nemen. Verder lezen: Jeremia 33:1-18 ====== 12 juni ====== > Marcus 2:23-28 De regels die de Farizeeën aan de wet hadden toegevoegd waren voor hen //de// manier om God te dienen. De manier, om de gerechtigheid voor God te verdienen. Wie dat allemaal na kwam, die moest van de Here toch wel terugbetaald worden. Deze manier van denken zit de mens in het bloed. En wie zich aan dat verderfelijk denken over geeft, gaat zichzelf verheffen boven anderen. En gaat zichzelf rechtvaardigen door de overtredingen die anderen begaan. Overtredingen van eigen bedachte regels. De vrees en eerbied voor God en zijn Woord worden vervangen door het naleven van aangeleerde leefregels door mensen bedacht. Slechts lippendienst blijft over. Maar de Here, Hij heeft zijn wet voor de mens gegeven zodat die wet dienstbaar is aan het geluk van de mens in het leven in Gods gemeenschap. En de Zoon des mensen, ons Hoofd en onze Koning, die verklaart ons de wet zuiver en recht, zodat we weer het goede en heilzame ontvangen van wat God in Zijn goede geboden voor ons heeft bepaald! Zodat, wanneer wij hongeren, te eten krijgen, ook op de sabbat. Om niet te zeggen, juist op de sabbat. De Here is goed, en zijn koren smaakt goed en zijn Woord geeft leven. Verder lezen: Psalm 119:17-32 ====== 13 juni ====== > Marcus 3:1-6 Al spoedig wordt actie ondernomen om de Here Jezus te doden. Hij moet uit de weg geruimd worden. Het begin van deze perikoop, en vooral het einde, wijzen daar op. Zo gaat het met de vijandschap tegen het licht en de waarheid. De mens die eigen gerechtigheid wil verdienen, haat de genade van God en van Christus. En om die vijandschap tegen God en Zijn Gezalfde vorm te geven, wordt er overleg gepleegd en vergaderd, om de Dienaar van die genade te doden. Bij de Here Jezus is rechtvaardige en heilige toorn om de hardnekkigheid en ongefundeerde vijandschap tegen het Evangelie en de genezing. De wet wordt misbruikt om Hem te vangen. Terwijl Hij als Heer over de sabbat er juist voor zorgt, dat iemand weer zes dagen kan arbeiden en al zijn werk doen. Maar dat is voor zijn vijanden blijkbaar niet van waarde. Ze offeren het liefst de gezondheid van een ander op aan hun eigen gelijk. Ze menen dat ware godsdienst niets anders is dan wet op wet, regel op regel. En dat het hart daarbij verhard is, dat heeft geen aandacht. Dit nu maakt de Here bedroefd. Want een oprecht en open hart, met liefde tot God en de naaste, is wat Hem behaagd. Hij is gekomen om goed te doen. Verder lezen: Psalm 30 ====== 14 juni ====== > Marcus 3:7-12 We zagen bij Jezus’ eerste optreden in de synagoge te Kafarnaüm al direct de aanwezigheid van een onreine geest om Zijn machtig verlossingswerk te bevuilen. Het rijk van de duisternis is er snel bij om al het goede te verderven. De duisternis kan het licht niet verdragen. En de valse satan doet er alles aan om Gods goedheid in een kwaad daglicht te stellen. Dat de boze geesten duidelijk door hebben wie de Here Jezus is - de Zoon van God - is overigens een beschaming voor de mensen die Hem verwerpen. De boze geesten maken Hem bekend als de Zoon van God. Maar Hij verhindert hen dat te doen. Want Hij is gekomen in vernedering en om het lijden te ondergaan. Het getuigenis van de onreine geesten is daarbij ook altijd onzuiver en met kwade bedoelingen vermengd. En hun angst en siddering voor God willen ze maar al te graag op de mensen overbrengen, zodat die uit angst niet tot Christus zouden gaan voor verlossing. Maar de weldadigheid en liefde van onze Zaligmaker is zo groot en overmachtig, dat iedereen, uit het hele land, van de uiterste grenzen, er van hoort, en tot Hem komt. Welk een getuigenis gaat van Hem uit! Wat een vervulling van de profetie! Verder lezen: Jesaja 35 ====== 15 juni ====== > Marcus 3:13-19 De roeping en aanstelling van de twaalf apostelen heeft rijke betekenis. Het getal twaalf stemt overeen met de twaalf stammen van Israël. En deze twee, de twaalf stammen en de twaalf apostelen, ontmoeten elkaar in het volk van God en later in de stad van God, het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt; wat Johannes vanaf een hoge berg heeft gezien. Deze stad heeft op haar poorten de namen van de twaalf stammen Israëls en op de fundamenten de namen van de twaalf apostelen staan. Omdat hun leer, de christelijke leer, de basis is van de kerk. De Here Jezus heeft hen die leer opgedragen te verkondigen. Die leer is niet vrijblijvend. Zonder geloof in die leer is daar de dreiging van de donderstem en van vuur uit de hemel. En wie trouweloos de Christus verloochent en verlaat, staat een schrikkelijk oordeel te wachten. Maar wie eenvoudigweg de leer der apostelen aanneemt als de leer der zaligheid, mag zich in Israël ingelijfd weten en door de poorten ingaan in de stad. Daarvoor is het nodig eigen vlees te kruisigen, eigen denken gevangen te geven aan de leer van het Evangelie, het levende Woord van God. Het Woord dat het pad ten leven is om de stad van God binnen te gaan. Verder lezen: Openbaring 21:9-27 ====== 16 juni ====== > Marcus 3:20-30 De Here Jezus heeft de satan overwonnen. Dat blijkt in het uitdrijven van boze geesten. Die zijn allen aan Hem onderworpen, moeten in Hem hun meerdere erkennen en ze sidderen voor Hem. Christus is hier op aarde gekomen en heeft hun sterke eigenaar, de satan, gebonden. Zodoende bedwingt en beveelt Hij de boze geesten. Zij moeten Hem gehoorzamen, ook al willen ze het niet. Zo verlost Hij zijn volk van die demonen. De valse beschuldiging, dat Hij op last van de overste van de boze geesten, de duivel zelf, boze geesten uitdrijft, is niets anders dan een verzinsel om Hem zwart te maken. Ja, deze leugen is het wapen van de mensenmoorder. En wie dan de Heilige Geest lastert, begaat een eeuwige zonde, die niet vergeven wordt. Wie het werk van de Heilige Geest uit haat bestrijdt en het lastert - zoals dat werk er overduidelijk is als de Here demonen uitdrijft en mensen verlost - wie dat doet, sluit zichzelf van verlossing uit en strijdt daartegen tot eigen rechtvaardige veroordeling. De logische onderwijzing van onze Heiland hier, maakt duidelijk dat Hij de Messias is. Bij Hem moeten we zijn. Hij verlost uit het diensthuis der zonde, waarvoor Hij de heer van dat huis heeft gebonden. Verder lezen: Hebreeën 6:1-12 ====== 17 juni ====== > Marcus 3:31-35 Evenals Mattheüs en Lucas, verhaalt Marcus deze gebeurtenis en onderwijzing. De moeder, broers en zussen van de Here Jezus willen Hem spreken. Maar ze staan buiten en sturen iemand om Hem te roepen. Jezus is binnen en velen zitten rondom Hem om naar Hem te horen. Zijn familie wil wat tegen Hem zeggen, maar Hij heeft //echt// wat te zeggen. Hij verkondigt het Evangelie. Zij zijn op zoek naar //hun// familie. Hij zoekt //de// Familie. En het volk lijkt de wens van de familie wel te waarderen, maar de Here Jezus verklaart wie Zijn Familie is. Namelijk, wie de wil van God doen. En dat zijn zij die rondom Hem zitten en naar Hem horen. Zij die zich willen laten leren door de Here. Zij die erop gericht zijn, het Woord van God als het Woord des levens te ontvangen. Wie dat doen, doen de wil van de Vader. Zij zoeken daarmee Gods Koninkrijk en aanvaarden de wil van de Vader. Wie naar de Here Jezus Christus gelovig horen, zijn van Hem. Dat zijn zijn familieleden, aan wie Hij de liefde van de Vader bewijst, voor wie Hij zijn leven inzet. Aan wie Hij het Woord Gods verkondigt, en aan wie Hij door Zijn Woord het leven geeft. Wie dat verstaat, ziet Hem, en ziet in Hem de Vader en heeft het leven in Zijn gezin. Verder lezen: Psalm 27 ====== 18 juni ====== > Marcus 4:1-20 Deze gelijkenis van onze Here Jezus komt tot ons met het bevel: “Wie oren heeft om te horen, die hore.” We mogen dus nooit de houding van de valse lijdelijkheid aannemen. Zo van: “dat ik toch maar die goede grond mag worden.” Deze schijnvrome houding wordt hier tegen gesproken door de Heiland. Het Woord wordt dankzij Gods voorzienig bestuur verkondigt, waar Hij wil en wanneer Hij wil. Wie gezegend is om Zijn Woord te mogen horen, heeft ook de verantwoordelijkheid het aan te nemen. Om het te geloven als het Woord der waarheid. Om het te geloven en te belijden en er uit te leven. Om zich te bekeren en zich door dit Woord te laten leiden en regeren. De Bijbel is geen vrijblijvend leesboek voor geïnteresseerden. Het is het levendmakende Woord van God. Omdat de Here woorden van leven heeft, daarom is het van levensbelang, om alles wat de aanname van Zijn Woord in de weg staat, weg te doen. Zoals de verleidingen van de wereld, zorgen om geld en eer en aanzien. Alle aandacht moet u vestigen op Zijn Woord en dus op Hemzelf, de enige Zaligmaker en Verlosser, Jezus Christus. Dan komt er ook het vrucht dragen in veelvoud. En dus volle blijdschap en lofprijzing. Verder lezen: Jesaja 6 ====== 19 juni ====== > Marcus 4:21-25 Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad. Deze bekende woorden uit Psalm 119 worden weerkaatst in de twee onderwijzingen van de Here Jezus hier. Dit Woord hebben we als het voorname Licht te laten branden, zodat de duisternis in ons en rondom ons opklaart en we leven en bewegen kunnen. Het leven is in Christus, uit God. In het Woord was het leven, en het leven was het licht der mensen. We hebben in Hem, en in het geloof in Zijn leer, de Christelijke leer, het leven. Als u Christus’ Woord hoort en in hartelijk geloof aanneemt, zult u ook te meer met Zijn zegeningen in uw hart gezegend worden. En dan komt u te wandelen in het levenslicht. De Here, Hij voegt zegeningen toe, aan wie Zijn Woord geloven. Niet alleen in de toekomende eeuw, maar vandaag al. Hoe meer u aandacht geeft aan Zijn leer en investeert in het (gelovig) begrijpen van het Evangelie, hoe meer opbrengst er is. Hoe verder uw kennis en inzicht toenemen in de dingen die God geeft door Christus. Maar wie denkt alles wel te weten, verliest ook het kleine beetje inzicht dat hij dacht te hebben. Hoor gelovig naar Zijn Woord, met een ruime maat, en laat Zijn licht schijnen. Uw hart leve op voor immer. Verder lezen: Psalm 119:105-112 ====== 20 juni ====== > Marcus 4:26-34 Jaarlijks verwonder je je over de groei van de planten en vruchten. God geeft die groei. Het wijst op Zijn altijd en overal tegenwoordige kracht. Op wonderlijke wijze groeien de vruchten. De aar van de korenplant stijgt omhoog in de stengel en komt tot volle bloei met veelvoudige vrucht. De boer in deze gelijkenis hoeft daar niets aan te doen. Hij hoeft slechts te zaaien en te wachten. Het Woord dat verkondigd wordt, is slechts een klein zaadje. Het lijkt zo weinig en veel mensen geven er niets om. De prediking boeit hen niet omdat het niet beantwoordt aan hun eigen begeerten. De mens wil bijzondere ervaringen, tekenen en openbaringen. Toch is het Woord het levendmakende Zaad dat gezaaid wordt en zonder men het merkt, blijkt het na lange tijd heel veel op te brengen. Het Koninkrijk van God breidt Zich geleidelijk uit. Het is //Gods// Koninkrijk. Hijzelf zorgt op onnavolgbare wijze dat het komt en het Zich uitbreidt tot leven van velen. Om dit te verstaan, zodat je leeft, is het nodig heel goed te letten op wat Christus verkondigt. Zijn leer in te drinken als water en Zijn Woord als brood te eten, om te groeien in geloof en te kennen de verborgenheden van het Koninkrijk. Verder lezen: Jesaja 55 ====== 21 juni ====== > Marcus 4:35-41 Wat je bij deze tekst nog wel eens vergeet, is dat er meer dan één schip was. Er waren nog andere schepen bij Hem. Ook die, met hun bemanning, heeft Hij gered. Vestig uw aandacht op Zijn Woord: “Waarom zijt gij zó bevreesd? Hoe hebt gij geen geloof?” De toepassing van dit woord van uw Zaligmaker, voor uw leven vandaag, staat direct helder voor ogen. De Almachtige Zoon van God is de Kapitein van Zijn Kerkschip. Dat kerkschip biedt behouden vaart, dankzij Zijn Almachtige kracht waarmee Hij de Zijnen beschermt en bewaart. En dat de eeuwen door en ook vandaag. Zolang Hij de belijdenis van onze mond is en ons hart in Hem gelooft, is er geen grond voor angst. Ook niet voor de hevigste stormen die in fysieke of geestelijke zin op ons losbarsten. De duivel gaat rond als een briesende leeuw, zoekend wie hij kan verslinden. De wereld wil u verleiden tot zonde evenals uw eigen vlees. De dood wil angsten aanjagen. Allerlei tegenspoed als depressie, ziekte, slapeloosheid, strubbelingen op het werk, moeiten met kinderen, ze kunnen ons niet scheiden van Christus zolang wij met Hem aan boord zijn van Zijn kerkschip. In alle turbulentie geeft Zijn bescherming ware rust. Verder lezen: Psalm 91 ====== 22 juni ====== > Marcus 5:1-20 Jezus werpt een legioen aan boze geesten uit. Maar de bewoners van het gebied, die daarvoor zeer dankbaar zouden moeten zijn, willen Hem niet bij zich hebben. Ze dringen er bij Hem op aan te vertrekken. Het is een uitzonderlijke maar ook leerrijke geschiedenis. De verschrikkelijke toestand van de bezeten man toont de hel op aarde. Maar als zijn verlossing daar is, wordt men juist bevreesd voor de Verlosser. Daaruit blijkt de enorme blindheid en zwakte van de mens. Maar alhoewel Christus weer vertrekt, blijft zijn getuigenis. De man, hij wil wel met de Here Jezus mee, maar dan zou het getuigenis van de komst van de Verlosser verstommen. De man zelf is het getuigenis en moet bekendmaken welk een uitzonderlijke daad van ontferming God hem heeft bewezen. Een verandering en vernieuwing van zijn leven, wat eerst ongedacht was. Zijn redding was niets anders dan verlossing uit de macht van de boze geesten. Zijn lot was dood en verderf. Er was geen uitweg. Niemand kon hem redden. Door een leger aan boze geesten werd hij gekweld en vernield. Nu hij daar van verlost is, kan hij niet van deze ontferming van de Here zwijgen! Er is iemand gekomen, die sterker is dan de boze; Jezus is zijn Naam. Verder lezen: Klaagliederen 3:16-33 ====== 23 juni ====== > Marcus 5:21-43 Twee vrouwen. De ene nog een meisje, dat op sterven ligt en sterven gaat. De andere uitzichtloos ziek en leeft dagelijks in afzondering en ziet haar leven wegkwijnen. Maar, de Here Jezus is er. En zij gelooft in Hem. Slechts even zijn mantel aanraken en ze zou genezen zijn. Wat een geloof! En ze werd genezen. Voor Jaïrus bleef ook alleen geloof over. Bevreesd mocht hij niet zijn. De Here Jezus ziet de dingen anders dan wij ze zien. Hij staat boven de dood. Hij heeft macht over het leven en kan dat leven geven. En in zijn barmhartigheid, die de barmhartigheid van de Vader is, geeft Hij dat leven. Hij doet wakker worden uit de slaap, die wij voor dood achten. Majestueus en liefdevol. Ook zorgt Hij voor onze lichamen en zegt dat het meisje moet eten. Door ontzetting dachten ze daar niet aan. Jaïrus en zijn vrouw behoeven niet te wenen en te weeklagen over hun eniggeborene. De Eniggeboren Zoon van God stelt zijn leven in haar, en in hun, en in onze plaats. En de zegen daarvan onthoudt Hij niet, aan wie op Hem hopen. Hij ontfermt Zich over wie zwaar gebukt gaan onder de gevolgen der zonde. Hij draagt die zonde weg en geeft het leven weer. Nu in beginsel, straks in volkomenheid. Zijn bevel is: //geloof// alleen. Verder lezen: 1 Samuël 1:9-20 ====== 24 juni ====== > Marcus 6:1-6a In plaats van dankzegging en geloof om wat de Here Jezus leerde, ontmoet Hij wantrouwen en ongeloof. Dat Hij zoveel kennis heeft en de zaligmakende leer verkondigt, dat kunnen zijn stad / dorpsgenoten maar niet vatten. Zij kennen Hem toch en zijn familie? Maar omdat zijzelf het buitengewone van Gods gave aan een (in hun ogen) gewone buurjongen niet kunnen plaatsen, gaan ze wantrouwen. Dat euvel komt vaker voor, zo blijkt uit het gezegde van de Here Jezus. Hij verbaast Zich daarbij over hun ongeloof. Wat hierbij zeer opmerkelijk is, is dat er staat dat Hij daar geen enkele kracht kon doen. Gods zegen werd dus beperkt door het ongeloof. Gaven werden in zeer beperkte mate geschonken. Alles werd beknot en ingeperkt. Zijn eer en heerlijkheid werd verduisterd, terwijl Hij Gods Koninkrijk nabij bracht. Zo werd God oneer aangedaan en Zijn krachtwerking in Christus, tot verlossing, tegen gestaan. Dit was dus maar niet een schuldeloos handelen van Jezus’ stadsgenoten. Maar hun ongeloof stelt hen schuldig en is oorzaak van krenking van Gods genadewerking onder Zijn volk, door de Here Jezus. Wie Hem niet gelooft ziet het Koninkrijk niet, maar duisternis en ondergang. Verder lezen: Lucas 10:5-16 ====== 25 juni ====== > Marcus 6:6b-13 Geen brood, geen reiszak, geen geld. Alles wat zekerheid zou bieden voor levensonderhoud ontzegt de Here Jezus zijn apostelen. Want de Vader voorziet in al het nodige. Christus zendt hen uit om Zijn werk te doen. De heerlijke opdracht van de verkondiging van het Heilig Evangelie. De zaligheid der zielen mogen zij aanzeggen. Het Koninkrijk is nabij gekomen. Door geloof en bekering is daar ingang in dat rijk. En ter bevestiging van deze heerlijke boodschap dreven zij boze geesten uit, zalfden zieken met olie en genazen hen. Tekenen die de leer bevestigden, zodat eenieder ook kon zien, dat wat zij leerden, de waarheid is. En zo ook is niemand te verontschuldigen, als hij deze leer verwerpt en zich niet bekeert. Het Evangelie is niet een vrijblijvende boodschap. Het komt met goddelijk gezag. Een neutrale positie is niet in te nemen. Het is dood of leven. Christus of zonder Christus. Verlossing of verlies. En dan is het opmerkelijk hoevelen voor verlies kiezen. De dood begeren boven het leven, de duisternis boven het licht, omdat ze aan deze wereld vastzitten en aan eigen begeerten, bezit en ego. Het is louter genade als je in geloof en bekering het Woord aanneemt. Verder lezen: Psalm 119:33-40 ====== 26 juni ====== > Marcus 6:14-29 De moord op Johannes de Doper was ingegeven door haat tegen zijn handhaving van de wet. Hij deinsde er niet voor terug de koning te bestraffen om echtbreuk. Een treffend voorbeeld van de onverschrokken trouw die Gods dienaren hebben te bewijzen. Hij werd de eerste martelaar van het Nieuwe Testament omwille van de eis van bekering. De begeerte van koning Herodes naar vrouwelijk schoon maakt hem blind en doet hem onbehoorlijk zweren. Vervolgens stelt hij zijn eigen eer boven de wet van God. Alhoewel hij beter weet, doodt hij Johannes de Doper. Hij handelt tegen zijn protesterend geweten. Zo denkt hij zijn eer te behouden tegenover de hoogwaardigheidsbekleders rondom hem, maar staat hij voor eeuwig bekend als de slappeling die moreel verwerpelijk handelde. We zien hier het gevaar van groepsdruk. En daarbij het handhaven van eigen eer tegenover anderen. Mensen doen wat anderen willen, terwijl ze zelf weten dat het niet goed is. Bedenk eens, of u zelf ook niet door verkeerde begeerten of groepsdruk gedwongen wordt tot zondigen. Bekering is de aangewezen weg. Oneer bij mensen weegt nooit op tegen de eer van God. Verder lezen: 2 Samuël 12:1-14 ====== 27 juni ====== > Marcus 6:30-44 De Here Jezus werd met ontferming bewogen over de schare. Ze waren als schapen zonder herder. Er waren er zeer veel die voortdurend Hem en de discipelen zochten om geleerd en genezen te worden. Hij betoont hun Herder te zijn en geeft hen te eten. Zijn vermenigvuldigen van de broden en vissen leert ons de onbegrensdheid van Gods vermogen om voor ons te zorgen. De Here Jezus laat zien dat Gods ontferming voor arme zondaren, die Hem zoeken, ook Hem beweegt hen te redden. God laat zijn barmhartigheid blijken in de verbondszegen die Hij schenkt. Hij is daarbij niet afhankelijk van het schepsel of de mens. Ver boven onze verwachting schenkt Hij gaven, zodat we opmerken dat we van doen hebben met de Here, de almachtige God. Die God, die zijn almacht gebruikt tot zaligheid van wie Hem geloven. Zijn zegen is zeer overvloedig. Bij de Here is geen enkel gebrek. Er is altijd overvloedig veel meer. Laat de goede God maar zorgen. Zijn zorg en liefde is voor wie Hem vrezen en de verlossing van hun zonden in Christus. Zijn Woord is onbegrensd, zijn leer voedt de ziel tot het eeuwige leven. Er is volop voedzaam, levendmakend onderwijs. Dankzij Christus, de Zoon van de Vader. Verder lezen: Exodus 16:1-18 ====== 28 juni ====== > Marcus 6:45-52 De Here Jezus heeft ruimte gemaakt voor het gebed. De schare weggezonden en zijn discipelen voor Hem uit laten varen. Maar zowel wat de schare als zijn discipelen betreft, is er nog veel werk te verrichten. En aan u en mij ook. De harten van de discipelen waren verhard. Ze waren niet tot inzicht gekomen. Het wonder van de broodvermeerdering had niet het besef gebracht dat //Hij// het is. Dat Hij de Zoon van God is, de beloofde Messias. Daarom is ingrijpen van de Here Jezus nodig. Zodanig ingrijpen, dat zij wel bewogen worden en besef krijgen van Wie het is, die bij hen is, en van Wie zij discipelen zijn. Niet maar een gewone rabbi of profeet. Nee, veel meer is hier. Hier is Hij, die macht heeft over heel de schepping, die wind en zee en zwaartekracht in Zijn hand heeft en beheerst. Hier is de Zoon van de God, die Zelf Here is en God, de Almachtige. Die ook de barmhartige God is, om hen uit hun zwoegen te redden en van hun onverstand te verlossen. Onder Zijn hoede en bescherming is het goed varen. Met deze Kapitein op het schip is er behouden vaart. Verlossing en uitkomst op de juiste tijd (aan het einde van de nacht komt de zon). Gelukzalig bent u, als u dat gelooft en met Zijn trouw omringd bent. Verder lezen: Psalm 130 ====== 29 juni ====== > Marcus 6:53-56 Het meer van Galilea of de zee van Tiberias is ook wel het meer van Gennesareth genoemd. Na de nachtelijke terugkeer over dit meer kwam Jezus bij dit plaatsje Gennesareth ten zuiden van Kapernaüm. En zoals op het meer Zijn almacht bleek, zo ook in dit plaatsje, waar Hij al bekend was. Spoedig gaat het bericht rond, misschien niet zo snel als door social media, maar het duurde niet lang of velen kwamen tot Hem. Want de roep over Hem was al uitgegaan. Een korte mededeling dat //Hij// in de buurt was, doet velen met spoed komen. Met name wel de ongeneeslijk zieken, voor wie hoop op een reguliere genezing voorbij is. In tegenstelling tot Nazareth, is hier geloof. Geloof dat Hij geneest. Want ze smeekten om slechts de kwast van zijn mantel aan te raken. Reeds dat achtte men voldoende om gezond te worden. Ziedaar het geloof. De bloedvloeiende vrouw van zes dagen terug handelde daar ook naar. Als ik maar slechts zijn mantel aan raak. Zie hierin ook, hoe weinig van Gods gunst ons zeer veel geeft. Hoe groot is dan wel niet het goed dat Hij heeft weggelegd, in Christus, in de hemelen, voor wie Hem vrezen. Bedenk voor vandaag opnieuw die overvloed die daar is bij de Here, die Hij geeft aan wie gelooft. Verder lezen: 1 Petrus 1:3-12 ====== 30 juni ====== > Marcus 7:1-23 Het verderf dat steeds weer bij de mensen van de kerk kan insluipen is het navolgen van de regels der mensen. De uitwendige godsdienst. Het dienen van de Here met mond en lippen, zonder hart. Er ontstaat een soort van ‘sleurgodsdienst’, waarbij slechts gelet wordt op het uitvoeren van regeltjes. En dan vooral, of anderen zich wel aan die regeltjes houden. Liefde tot God en barmhartigheid tegenover de naaste is hier niet bij. Dit is verwaarlozing van Gods gebod (enkelvoud, vs. 8). Gods wet of woord is namelijk één en ongedeeld. Het gaat de Here om ons hart, niet om ons eten. De Here Jezus heeft alle spijzen rein verklaard. Dit is uiteraard geen vrijbrief om vraatzuchtig te zijn. En gezond eten is niet verkeerd. Maar daar moet het in ons leven niet om gaan. En ook dat is vandaag de dag een gevaar. Die veel te grote aandacht voor wat onze mond wel of niet in gaat. Daarentegen is het beter goed te bedenken wat onze mond uit moet gaan. De lof op Gods heilige naam. De dankzegging. De belijdenis van de Here Jezus als onze Zaligmaker. De trouwe dienst aan de Here en de liefde tot de naaste. Uit een rein hart, gereinigd door het zoenoffer van onze Heiland en Zaligmaker en vernieuwd door de Heilige Geest. Verder lezen: Romeinen 14:13-23 ====== 1 juli ====== > Marcus 7:24-30 Het hebben van een bezeten kind deed menig ouder in die dagen tot wanhoop drijven. En vandaag de dag zijn er ook ouders die, laten we zeggen, minder goed hanteerbare kinderen hebben en overal om raad gaan voor een oplossing. Zeer waarschijnlijk is dat wel wat anders dan waar de Bijbel over spreekt. Nochtans, in de nood en zonder uitzicht, gaat menigeen naar Jezus toe. Maar het is wel de vraag //hoe// je naar Hem gaat. De Griekse vrouw deed dat in geloof. En zij deed dat in onderwerping aan wat de Here leerde, namelijk, dat het heil uit de Joden is en Hij gezonden is om Zijn volk te verlossen. Zij onderwerpt zich aan deze leer en weet heel treffend daar belijdenis van te doen. Zo is dat vandaag ook. Wie de weg waarlangs de Here de zaligheid schenkt, aanvaardt, en zich daaraan onderwerpt in geloof, die krijgt ook deel aan de zaligheid. Dus wie in wijsheid te kort schiet die moet daarom bidden (Jakobus 1:5). En om te geloven moet je horen naar het gepredikte woord (Romeinen 10:14,17). De Griekse vrouw had groot geloof. Want als van het brood van de Verlosser der Joden ook maar een kruimeltje haar deel zou worden, dan zou dat genoeg zijn, voor de genezing van haar dochter. En zo was het. Verder lezen: 1 Petrus 5:1-7 ====== 2 juli ====== > Marcus 7:31-37 Ook hier lezen we van de smeking van het volk aan het adres van de Here Jezus om iemand die ernstig ziek is te genezen. De Zaligmaker wijst hun smeking niet af. Hij heeft duidelijk medelijden met door ziekten geplaagden. Je ziet hier, dat je bij de HERE terecht kan in alle nood. Christus geneest de doofstomme op onnavolgbare wijze. Vingers in de oren, dan hoor je toch juist niet? En met speeksel in de mond kun je niet goed spreken. Waarom spuwde de Here Jezus? Dat is toch geen geneesmiddel? Eens streek Hij zand met speeksel op iemands blinde ogen, zodat die kon zien. We zien hierin Zijn almacht, die Hij ontleent aan Zijn Godheid en hemelse zending. Hij ziet op naar de hemel. Hij werkt met de Vader, de Schepper. Hij is de Herschepper. Zoals God zag dat alles goed was, na de schepping, zo beamen de mensen dat de Zoon van God alles goed heeft gemaakt. Maar onze Zaligmaker moet het ambt vervullen van Middelaar, en mag daarom volgens de profetie niet Zijn stem verheffen (Jesaja 42). Het is niet de bedoeling dat men overal over Hem gaat rondbazuinen. Begrijpelijk dat men dat deed, gelet op Zijn genezingswonderen. Maar het was om Zijn vernedering niet de bedoeling dat zij dat deden. Verder lezen: Jesaja 42:1-7 ====== 3 juli ====== > Marcus 8:1-10 Waarvoor is de Zoon van God op aarde gekomen? Waarom heeft Hij zijn hemelse majesteit afgelegd en is ons gelijk geworden? Ons lot ging Hem ter harte. Onze ellende heeft Hij aangezien. Hij wilde niet dat wij onder Gods rechtvaardige toorn en straf zouden bezwijken. Hij wilde niet dat wij in zonde zouden blijven leven en onder de gevolgen er van tenslotte ten onder gaan. Christus bewijst hier de barmhartigheid van de Vader. Hij heeft medelijden met de schare. En zijn almacht en scheppend vermogen gebruikt Hij om zijn liefdevolle zorg aan een arm volk te bewijzen. Dezelfde goddelijke kracht zou Hij ook aanwenden op Golgotha om als het Brood des levens ons voor eeuwig van voeding te voorzien. Ook bij deze wonderbare spijziging is er weer de overvloed. Er waren niet weinigen bij de Here Jezus vergaderd. Ze kregen allemaal meer dan voldoende. Er bleven zeven manden vol over. Een zevenvoudige goddelijke volheid. De goedertierenheid en weldadigheid van de Here zijn overvloedig. Niet alleen zijn volk, maar alle volken zullen in Hem gezegend worden. Bij Hem is nooit tekort. Daar kun je altijd van op aan. Daarom: kom tot Hem en blijf bij Hem. Verder lezen: Psalm 23 ====== 4 juli ====== > Marcus 8:11-21 De Here Jezus is heilig. En zijn werken zijn volmaakt en goed. Alleen doordat zijn heiligheid en gerechtigheid ons met God kunnen verzoenen, verzet de mens, die in zichzelf roemt, zich daartegen. De Farizeeën twistten met Hem en verzochten Hem om een teken uit de hemel te doen. Dat zou hen dan overtuigen, terwijl ze niet in Hem geloofden. Wie echter in ongeloof iets vraagt, krijgt het niet. En trouwens, Jezus’ werken getuigden overvloedig van Gods genadig omzien naar zijn volk. De hemel blijft voor Farizeeën gesloten. Zij zoeken door eigen gerechtigheid de gunst van God te verdienen. Hun leer van verdienstelijke werken is voor de godsdienstige mens heel aantrekkelijk; kun je het toch zelf verdienen. Heb je je zaligheid in eigen hand. God moet je toch wel vergelden als je het zo goed hebt gedaan? Deze leer wil als een zuurdesem de leer van soevereine genade bederven, zodat niet God alle eer wordt gebracht. Ernstig waarschuwt onze Zaligmaker daarvoor. Maar de discipelen maakten zich zorgen om het dagelijks brood. Hoe vaak maken wij ons niet druk om de dagelijkse dingen. Laten we heel opmerkzaam zijn, dat we niet Gods genadeleer laten aantasten. Verder lezen: Psalm 25 ====== 5 juli ====== > Marcus 8:22-26 Ook deze handelwijze van onze Zaligmaker is onnavolgbaar. Dat Hij de blinde buiten het dorp leidt, heeft waarschijnlijk als reden het willen vermijden van ruchtbaarheid. De Here Jezus wil niet dat het volk massaal zich achter Hem verenigd om Hem met geweld koning te maken. Nu volgt een heel bijzondere handeling. De Here spuugt zo waar in de ogen van de blinde. Het speeksel van een mens heeft toch niet bepaald genezend vermogen. Het speeksel van de slang is giftig, die spuugt je blind. Maar Jezus geneest met zijn speeksel en het opleggen van zijn handen. Dit is een wijze van handelen die in ieder geval zijn almacht aanwijst, zijn herscheppende kracht. Bijzonder is hier ook het eerste woord dat de blinde sprak. Hij zag niet direct scherp. Er was een tweede handoplegging nodig. Wat betekent dat? Het doet te indringender verstaan dat wij almeer door Hem genezen en verlicht moeten worden. We gaan beter zien, als Zijn Woord ons verlicht en de ogen van onze ziel gezond maakt. Het dorp Batsaida moet de genezene niet ingaan. Geen ruchtbaarheid en volksoploop. Jezus spreekt er overigens ook over, dat Hij zijn tekenen tevergeefs in deze plaats had verricht. Verder lezen: Matteüs 11:16-24 ====== 6 juli ====== > Marcus 8:27-9:1 Hoewel Petrus de waarheid sprak en namens de apostelen belijdenis deed, dat Jezus de Christus is, ging hij daarna toch de mist in. Hij wilde Jezus wel beschermen voor het lijden. Maar alleen langs dit lijden zou Hij blijken de Christus te zijn; zou Hij ons verlossen van onze zonden. Petrus betoonde zich tegenstander van dit verlossingswerk. Hij onderwierp zich niet aan wat Jezus leerde. Hij had zo zijn eigen ideeën. We zien hier het vlees van de mens aan het werk, dat niet bedenkt wat Gods wil en doel is. En zich ook niet aan Gods onderwijzing onderwerpt. Dit is een ernstig gebrek waar alle mensen aan lijden. Ook wil de mens graag zijn eigen leven redden en in de hand houden. Maar dit is zonder meer onmogelijk. Wie behouden wil worden, moet om de belijdenis van Jezus als de Christus, zijn kruis op zich nemen. Wie Jezus belijdt als Here, verliest zijn leven om Jezus’ wil. Die moet lijden aanvaarden en zijn leven overgeven in Gods hand. Daarvoor is grondige bekering en herschepping nodig. God de Heilige Geest bewerkt die herschepping. Dit is het dagelijks gebed van wie op de Here vertrouwen, om alles voor Hem achter te laten. Vooral het denken volgens menselijke maatstaf. Verder lezen: Psalm 131 ====== 7 juli ====== > Marcus 9:2-13 Het is indrukwekkend om te lezen dat Petrus, na zijn strenge terechtwijzing, toch begenadigd wordt. Hij mag samen met Jakobus en Johannes getuige worden van de verheerlijking van de Meester op de berg. En wat zij zagen tart elk voorstellingsvermogen. De hemel kwam als het ware op aarde en het gewicht ervan was groot. Ze waren dan ook zeer bevreesd. Zeker zal ook hun verstand verlicht geweest zijn, omdat ze wisten dat het Mozes en Elia waren, die daar aanwezig waren. Bovenal klinkt de stem van de Almachtige Vader: “Deze is mijn Zoon, de Geliefde, hoort naar Hem.” Dit is ook weer een duidelijke aanwijzing dat we uit Jezus’ mond de leer der zaligheid ontvangen en van Hem alles hebben te verwachten. Door Hem is daar de weg omhoog, naar de hemel, tot de Vader. Zich verzetten tegen Zijn leer is dan ook spelen met vuur en vragen om verpletterd te worden, zoals Psalm 2 daarvan spreekt. Daarentegen vereist het optreden van Johannes de Doper (Elia) bereidwilligheid om met bekering van zonden van Christus de vergeving te ontvangen, door het geloof in Hem. Zalig wie Hem tot Leidsman en Zaligmaker heeft. Hij heeft voor uw verlossing Zichzelf tot het diepst laten vernederen. Verder lezen: Maleachi 4 ====== 8 juli ====== > Marcus 9:14-29 De Here Jezus verwijt zijn geslacht ongeloof en zegt: “Hoe lang zal Ik u nog verdragen?” Zijn terugkeer, en deze woorden, doen sterk denken aan Mozes’ terugkeer van de berg. De verbazing van de schare over de Here Jezus zal verband houden met de glans van heerlijkheid die nog op Hem was. De discipelen hadden eerder van Hem macht gekregen over de onreine geesten (6:7,13). Blijkbaar was het hier hun ongeloof dat zij niet in staat waren te helpen. Kleingeloof was daar ook bij de vader van de bezeten zoon. Hij smeekt om medelijden, maar ook om hulp teneinde van zijn ongeloof afgeholpen te worden. Een heel belangrijk gebed. Zonder geloof is er geen leven en geen genezing van zonden. En voor wie gelooft zijn alle dingen mogelijk. Dat leert de Here Jezus, opdat we niet klein denken van Gods wil om ons te redden uit onze nood. Maar dit geslacht kan door niets uitvaren, tenzij door gebed. Dat is hier de realiteit. Maar het is een gebrek en een onvermogen en houdt zeker verband met ongeloof. Het is verwijtbaar en gevolg van de zonde. Het geeft zeker te denken, dat we zeer veel tekort schieten. Zijn hulp van boven hebben we deze dag weer nodig. En Hij wil die bieden. Verder lezen: Exodus 34:29-35 ====== 9 juli ====== > Marcus 9:30-37 Het contrast is groot. De Here Jezus verklaart wat er met Hem gaat gebeuren. Ditmaal geen discipel die het denkt beter te weten en Hem tegenspreekt. Geen pogingen ook om Hem van deze weg af te halen. Naast Zijn lijden en gedood worden, spreekt Hij ook van Zijn opstanding. Hij wist wat Hem stond te gebeuren en wat Hij moest doen om ons te verlossen. En Hij heeft het gedaan. Hij heeft Zijn leven niet lief gehad maar het voor ons overgegeven. Daarentegen waren de discipelen slechts bezig met de vraag wie van hen de meeste was. Hier is het vlees weer dominant. Alhoewel zij Jezus nu niet tegenspreken, gaan ze wel tegen zijn leer in. Het gaat hen om hun eigen ego. En zo zijn wij van onszelf allemaal. Geneigd zichzelf voorop te stellen en zichzelf aan te prijzen. De oerzonde van de hoogmoed, die komt voor de val. Hiertegen leert onze Zaligmaker dat we groot zijn als we de minste zijn en dienstbaar zijn, als we de laatste plaats innemen. En daarmee bereid zijn, de kleine kinderen in zijn Naam te ontvangen, als kinderen Gods. En zo de Vader te ontvangen. Want, voor wie als de kinderen zijn, is het Koninkrijk. Afhankelijk, klein, maar groot en eenvoudig en zuiver in geloof. Verder lezen: 2 Korinthiërs 10:12-18 ====== 10 juli ====== > Marcus 9:38-50 De loutering die een ieder moet ondergaan, als door vuur beproefd, stelt persoonlijk verantwoordelijk. Er zijn tal van verleidingen tot zonde, linksom of rechtsom. Maar wat opvalt in wat de Here Jezus hier leert, is dat de verleiding tot zonde van mijn eigen hand komt. En de bekoring komt van mijn eigen oog. En verleiding tot zonde kan komen van eigen voet. We moeten de oorzaak van de zonde dus bij onszelf en in onszelf zien. De mens is snel geneigd de oorzaak van zijn overtreden ergens anders te zoeken. Buiten zichzelf. In de ander, of, in ‘de omstandigheden’. We weten hoe dat ging in het paradijs. De zondige begeerte om de eerste en de grootste te willen zijn. Het komt uit ons eigen hart voort. Het houdt ook verband met jaloezie. De duivel is jaloers op God en wil God van Zijn troon stoten. Jaloezie kan ook nog wel eens parten hebben gespeeld bij de wil anderen te beletten in Jezus’ naam op te treden. Maar wie waarlijk in Christus’ naam optreden, kunnen Hem niet verloochenen. Licht en duisternis mengen niet met elkaar, zoals de Farizeeën zeiden (Matteüs 12:24). Wees bereid gelouterd te worden, om zout te zijn, zuiver in geloof en gericht op de vrede van God. Verder lezen: Jakobus 3:13-18 ====== 11 juli ====== > Marcus 10:1-12 Omdat echtscheiding in de wereld bijna een gewone zaak is geworden, neemt de dreiging toe dat in de kerk het huwelijk ook gerelativeerd gaat worden. Maar het huwelijk is een heilige en goede zaak. Ze is een ordening van de Schepper. En in Zijn wet heeft Hij het echtbreken verboden. Men denkt er beter van af te zijn, als een slecht huwelijk wordt ontbonden. Maar men beseft dan niet, dat dan tegen Gods goede scheppingsorde wordt ingegaan. De man zal vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en die twee zullen tot één vlees zijn. Daar zit een grote verborgenheid in, leert Paulus. En wel met het oog op Christus en zijn gemeente. De liefde van de man voor zijn vrouw moet een opofferende liefde zijn en hij moet zich hoeden een maagd aan te zien (vergelijk Job 31:1-10). Bij echtbreuk wordt Gods rijke zegen versmaad en eigen wil en begeerte op nummer 1 gezet. En de schade is niet te overzien. Voor de echtbrekers, hun kinderen en de maatschappij. Verbonden worden gebroken. Mensen worden onbetrouwbaar. Maar Gods zegen is over wie Hem vrezen en zijn zevende gebod hoog achten en ijveren voor een goed huwelijk tot eer van God (Ps. 128). Verder lezen: Matteüs 5:27-32 ====== 12 juli ====== > Marcus 10:13-16 Het is ongetwijfeld een moeilijke passage voor menig volwassen gelovige. Want de Here Jezus toont aan dat de kinderen veelal een groter geloof hebben dan de volwassenen. En dat er dus geen enkele roem in het vlees kan zijn. De volwassenen hebben niets voor op de kinderen. Maar als kinderen van het verbond, die de ontferming van de Hemelse Vader genieten, hebben zij dezelfde beloften toegezegd. En de Here Jezus laat dat duidelijk zien in wat Hij met hen deed. Hij omarmde ze en zegende ze. Wat een troostrijk beeld. En wat een blijdschap bij deze kinderen. Hun eenvoudig ongeveinsd geloof waarom ze naar de Here Jezus kwamen, krijgt rijke vergelding. Hoewel ze eerst nog tegen werden gehouden door de grote mannen om Jezus heen. Die dachten Jezus te moeten beschermen voor al die drukke kinderen, die toch veel te klein waren. En hun kleren waren misschien ook wel vies van het spelen. Maar die grote mannen, discipelen, later apostelen, krijgen een enorme donderpreek te horen. Hij nam het hen maar niet kwalijk, maar zéér kwalijk. Als een kind hebt u het koninkrijk te ontvangen en anders is er geen ingaan in dat rijk. Dus weg met de barricades van de ‘groten’. Geloof groot als een kind. Verder lezen: Psalm 8 ====== 13 juli ====== > Marcus 10:17-27 De rijke jongeling die zoveel vermogen had, dat het hem aan niets ontbrak, miste toch het enige wat nodig is om echt gelukzalig te zijn: het eeuwige leven. En die gave van het eeuwige leven geeft de Here Jezus. Daarom was hij aan het goede adres, bij de juiste Persoon, bij de Enige die hem de weg ging wijzen. Dat wist de rijke jongeling. Maar dan blijkt hij er nog niet klaar voor te zijn het eeuwige leven te ontvangen. Want daarvoor moet je alles waar je hart aan vast zit weg doen. Wat je het liefst is. Dat kan familie zijn, dat kunnen vrienden zijn, dat kan je maatschappelijke positie en je eer zijn. Dat kan, en niet zelden komt het voor, je bezit zijn. En dat noemt de Here hier een groot obstakel. Je bezit achter laten om gered te worden, is welhaast onmogelijk. En wanneer de Here daarover onderwijst zinkt de discipelen de moed in de schoenen. Wie kan dan behouden worden? Bij mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God. Dit leert ons weer te geloven als de kinderen. Het eeuwige hemelse leven is van een andere orde. Het is meer dan waard om er alles voor op te geven. Alleen, weet wel, het kan slechts ontvangen worden. Het is pure genadegave. Verder lezen: Psalm 62 ====== 14 juli ====== > Marcus 10:28-31 Alles verlaten om Jezus’ wil, om Gods koninkrijk in te kunnen gaan. De ballast van waar ons hart aan vastkleeft moet geheel afgeworpen worden. Zijn we te zwaar bepakt met verslaving aan geld en goed en wat niet al, dan komen we de berg Sion niet op. Maar bij mensen is het niet mogelijk alles te verlaten. Dat Petrus en de andere discipelen wel hun schepen en goederen hadden achtergelaten om Jezus te volgen, dat was alleen te danken aan de roepstem van de Heiland. Wanneer God ons roept en bekeert door Zijn Woord en Geest, dan maakt Hij ons bereid alles te verlaten om Hem en het Evangelie. Om Hem in vrijheid te dienen, los van eigen bezit, wil en begeerten. En dat levert alles op. Het leven in het Koninkrijk van God. Hoe gelukkig dat is, is niet voor te stellen. Maar ook voegt onze Zaligmaker er aan toe, dat wij ook in dit leven, in deze tijd, al terug ontvangen: broeders en zusters en moeders en kinderen en huizen en akkers. Daar komen vervolgingen bij. Maar toch, een honderdvoudige vergelding wordt ontvangen. Dus aanvaardt het lijden, heb alles over voor Christus en Zijn Evangelie, en er wacht een erfenis vol liefde en leven. U zult een wijd uitgestrekt land zien. Ja, de Koning in zijn schoonheid blijvend aanschouwen. Verder lezen: Jesaja 33 ====== 15 juli ====== > Marcus 10:32-34 Bij de eerste aankondiging van Christus’ lijden was er weerstand tegen, opkomend uit het vlees van de mens. Bij de tweede aankondiging, onbegrip, en hielden de discipelen zich bezig met eigen positie en eer, volgens de wil van de mens. Bij deze derde aankondiging volgt opnieuw de begeerte naar een ereplaats. En na Zijn opstanding is er geen begrip dat de Zoon des mensen eerst moest lijden. Oftewel, van onszelf begrijpen we niets van de weg der verlossing die God gaat. Wel was er ontzetting en angst. Een onbestemd gevoel kwam over de volgelingen van de Here Jezus. En de feiten die de Here Jezus als //de// Profeet voorzegt, die geven hier uitkomst uit de nood en de angsten. Doordat Hij kraakhelder voorstelt wat er staat te gebeuren, komt er overzicht en vooruitzicht op de goede afloop. Door Zijn kennis zal Hij velen rechtvaardig maken en hun ongerechtigheden zal Hij dragen. Door zijn hand zal het voornemen des Heren voortgang hebben! Maar daarvoor komt angst over Hem. Hij gaat de nacht en het uur van de duisternis in. Hij gaat lijden. Hij laat zich verdrukken, vernederen, doden. Allemaal voor u en mij. Daardoor is er bevrijding van zonden en angst en een leven in Zijn gemeenschap. Verder lezen: Jesaja 53 ====== 16 juli ====== > Marcus 10:35-45 Het is eigenlijk schokkend, dat, nadat de Here Jezus zijn zeer bitter lijden aankondigde, voor de derde maal de discipelen bezig zijn de eerste plaats naast Hem te verkrijgen. Het antwoord van de Here aan zowel Johannes en Jakobus en later aan al de discipelen, geeft wel aan dat niemand zich druk hoeft te maken over enige positie in zijn rijk. Die zijn namelijk voorbestemd. En God deelt eenieder het zijne toe. Maar de begeerte de meeste te willen zijn is verkeerd. Niet heersen, maar dienen. Dat is het bevel. En daar gaat het vaak mis. Niet in de laatste plaats in de kerk. Daar zijn altijd weer leden van de gemeente die vergeten wat de Here Jezus hier zegt. Als dit voor de apostelen gold, dan evengoed voor ons. Dienstbaar zijn. De laatste plaats willen innemen. De ander voor laten gaan. Hopen en bidden voor andermans zaligheid en voorspoed. Geven in plaats van nemen. Helpen in plaats van heersen en bevelen geven. Steeds probeert de boze ons te verleiden om te heersen in plaats van te dienen. Maar we hebben een Zaligmaker in onze Here Jezus Christus, die door lijden heen tot heerlijkheid is gekomen. Laat u leiden door Zijn raad en keer het hart naar God, om uit de banden van zelfzucht verlost te worden. Verder lezen: 1 Korinthiërs 10:23-11:1 ====== 17 juli ====== > Marcus 10:46-52 We zien hier de onbarmhartigheid van de schare, van de menigte. Ze willen niet dat hun Heer en Koning in zijn triomftocht verhinderd wordt door zo’n bedelaar aan de weg. Je denkt toch niet dat de Here Jezus zich laat ophouden door jou? Dit gebrek aan medelijden is tekenend voor de trotse mens die zich bezig houdt met hoogdravende idealen. Zijn oog schouwt grootse dingen, zodat hij ver over een blinde man heen kijkt. Maar zo niet de Zaligmaker, Jezus van Nazareth, de Zoon van David. Hij is nederig van hart en vol goddelijk erbarmen over armen die zeer gebukt gaan onder de gevolgen van de zonde. Hij trekt hun lot zich aan. En dus roept Hij Bartimeüs, die Hem beleed als de Messiaanse Koning. Dat is de Vredekoning, die verzoening van zonden en dus genezing van het leven, ook van zijn blindheid, kan en wil bewerken. Dit geloofde Bartimeüs. Dus liet hij zich niet monddood maken door wie hem bestraften, maar riep om ontferming. En zo werd hij behouden door de Here. Dit is dus onze hoop als we vast zitten in ellende. We mogen bidden om Gods ontferming in Christus. En steeds hopen op Zijn barmhartigheid. Roepen in geloof dat Hij antwoordt. Want ook Zijn roepstem gaat uit! Verder lezen: Psalm 146 ====== 18 juli ====== > Marcus 11:1-10 De Here Jezus treedt in deze perikoop profetisch en koninklijk op. Als Koning eist Hij zijn rijdier op. En zijn volk is gewillig. Ze laten Hem het ezelsveulen nemen en berijden. Maar, Hij stuurt het veulen ook weer terug. Hij ontneemt niemand iets. Hij komt geven. En Hij komt vervullen, het profetisch Woord. Met zijn profetisch optreden bedoelen we niet alleen dat gebeurt wat Hij zegt, maar eveneens dat Hij de Schriften komt vervullen. Zacharia 9:9: “Zie, uw Koning komt tot u, hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een ezelinnejong.” Maar ook, wat daar voor staat: “Jubel luide, gij dochter van Sion; juich, gij dochter van Jeruzalem!” Ook dat ging toen in vervulling op wat nu wel Palmzondag wordt genoemd. Een week voor Pasen. Publiekelijk laat de Here Jezus zien, dat Hij de Messiaanse Koning is uit het huis van David. Er is waarlijk grote vreugde te bedrijven, omdat Hij is gekomen. En die vreugde was groot in de hemelen bij zijn Hemelvaart. En die wordt nog ruimer en groter bij Zijn tweede komst, voor wie in Hem geloven en Zijn naam, ondanks alle verwerping en versmading, trouw belijden in het Jeruzalem hier beneden. Verder lezen: Zacharia 9:9-17 ====== 19 juli ====== > Marcus 11:11-26 Een vijgenboom vol in blad is mooi om te zien. Hij nodigt uit om in zijn schaduw te zitten en mogelijk heeft hij ook wat heerlijke vrucht. Maar als het de tijd niet is, dan kom je bedrogen uit. Van een afstand leek het wat, maar het was ijdel. Zo was het met de tempel. Het was vol activiteit. Vol ijdele handel, zogenaamd ten behoeve van de offerdienst en mooidoenerij met kostbare stenen en wijgeschenken aan de muren van de gebouwen. Maar het volk bracht geen vrucht voort. De Here Jezus kwam niet om met geweld de Romeinen weg te jagen, maar om de tempel te reinigen en te heiligen. Zijn volk te zuiveren van hun zonden en te bekeren tot de waarachtige dienst van Zijn Vader. Hij kwam tot Zijn tempel vol ijver voor oprechte, zuivere Godsverering. Daarom keerde Hij met geweld de tafels om. En leerde waarvoor de tempel er was, als bedehuis voor alle volken. Dat is heel wat anders dan een marktplaats voor religieuze handelaartjes. Zoals het Jeremia verging, vergaat het de Here Jezus. Haat en moordaanslag. Maar door geloof kwam Hij de profetie vervullen. Hij bracht het grote Zoenoffer. Geloof hierin. Bid en verwacht veel. En vergeef, zoals u vergeven bent. Dankzij de Here Jezus, de Reformator. Verder lezen: Jeremia 7:1-15 ====== 20 juli ====== > Marcus 11:27-33 Zij die Jezus willen doden zoeken een reden om dat volgens de wet te doen. Zou Jezus wijzen op zijn goddelijke zending, dan zouden ze wel weer een teken vragen, en als Hij die niet geeft, Hem van leugenachtigheid beschuldigen. Zegt de Here, zo denken ze, dat Hij uit zichzelf optreedt, dan kunnen ze Hem als ordeverstoorder of revolutionair pakken. Hoe ze ook denken, ze hebben zo hun plannetjes uitgedacht Hem te vangen. Maar uiteindelijk worden ze zelf gevangen in hun sluwheid. De Here doorziet hun gedachten en zet hen schaakmat Ze druipen af, want hun eigen onbekeerlijkheid wordt openbaar door die ene wedervraag van de Here Jezus. Daar hebben ze geen antwoord op. In hun optreden tegenover Johannes, is hun onbekeerlijkheid van hun eigen zonden openbaar geworden. Ze menen immers aan de wet wel te hebben voldaan, door hun nauwgezette wandel. Oproep tot bekering is aan hen niet besteed. Het gaat hier om aanvaarding van de goddelijke zending van Christus. Wie Hem aanvaardt als zijn Verlosser, en Zijn leer gelooft en belijdt, is zalig. Daarvoor is oprechte erkenning en belijdenis nodig van eigen zonden. En Hij neemt die weg. Verder lezen: Job 5:8-16 ====== 21 juli ====== > Marcus 12:1-12 Hoe scherp de waarheid is, die Jezus met de gelijkenis voorstelt, blijkt vooral aan het slot van de perikoop. De zonen van de profetenmoordenaars, stemmen geheel in met het handelen van hun vaderen. Zij hebben Gods knechten, de profeten, gedood, ze zullen ook de Zoon doden. Het is haast verbijsterend, dat, terwijl ze door hebben dat de Here met het oog op hen deze gelijkenis sprak, toch daar mee instemmen. Ze blijven erop gericht Hem uit de weg te ruimen. Daarmee sluit deze gelijkenis aan bij wat de Here eerder had uitgesproken, na zijn eerste tempelreiniging: “Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.” (Johannes 2:19). Dat hadden ze toen niet verstaan. Maar deze gelijkenis wel. Al duidelijker wordt het bedenken van het vlees als vijandschap tegen God openbaar. En de vijanden van onze Zaligmaker, verharden in hun kwaad. Ze bekeren zich niet, ondanks dat ze hun zonden voor ogen krijgen geschilderd in deze gelijkenis. Verhard in het kwaad gaan ze in blinde woede voort om de Zoon des mensen te doden. En tegelijk wordt al meer de liefde van de Zoon van God openbaar. Om de wil van de Vader te doen, ondergaat Hij vrijwillig deze vijandschap tot de dood aan toe. Verder lezen: Psalm 118:19-29 ====== 22 juli ====== > Marcus 12:13-17 De sluwheid van de Farizeeën en Herodianen blijkt direct al in wat ze tegen de Here Jezus zeggen. Ze eren Hem als Meester, die de mensen niet naar de ogen ziet en de weg Gods in waarheid leert. Zo denken ze de Here Jezus het idee te geven dat ze Hem goed gezind zijn. Zal Hij dan zeggen dat ze geen belasting hoeven te betalen, dan kunnen ze Hem de Romeinen uitleveren. Zegt Hij dat je wel belasting moet betalen, dan kunnen ze Hem als volksverrader ten toon stellen. Hoe dan ook, hun sluwe poging mislukt. De Here bewijst opnieuw de harten te kennen en hun pogingen te doorzien. En zijn aanwijzing van de munt van de keizer doet hen verwonderd staan. Zijn wijsheid overstijgt alle sluwheid. Ook is zijn onderwijzing voor vandaag nuttig. We hoeven geen tijd te verdoen met de vraag of we belasting moeten betalen. Daarentegen zullen we ervoor waken het geld te dienen en daar ons geluk in te vinden. De zaligheid is gelegen in Gods zegeningen in Christus. En God dienen, Hem de eer geven, dat is onze taak en opdracht. En het eren van God strekt over heel ons leven uit. Elke dag en in elke aangelegenheid. Dat is goed en nuttig te bedenken op deze nieuwe dag. In het vereren van God is blijdschap en vreugde. Verder lezen: Romeinen 13:1-7 ====== 23 juli ====== > Marcus 12:18-27 Hier wordt duidelijk dat dwaling gepaard gaat met gebrek aan kennis van de Bijbel. Ook in onze dagen komt de gedachte wel voor als zou in het Oude Testament de opstanding niet worden geleerd. Onze Zaligmaker weerlegt op meesterlijke wijze deze dwaling, zoals die onder de Sadduceeën heerste. Ze dachten wel met een slim verhaaltje te komen, om hun visie te bevestigen. Wat je niet ziet is er ook niet. Dood is dood, dus geen opstanding. Hoe dwaas dit denken is blijkt uit Gods openbaring. In Zijn Woord wordt getuigd van Zijn verlossingswerk van zonde en dood, en van belofte van wederopstanding en eeuwig leven. De Here geeft hier te weten hoe het leven in de opstanding als engelen zal zijn. Dan is er niet meer het adagium trouwen en kinderen krijgen, want de dood neemt niemand meer weg. Er is geen sterven, maar leven, in Gods gemeenschap voor eeuwig. Want het leven uit God, geeft Hij ons, door Zijn Naam aan ons te verbinden. Hij is de God der levenden. En zo leven zij voor Hem, ook al zijn ze lichamelijk gestorven. Dit is vandaag onze hoop en bron van levenskracht. Er wacht een hemels en eeuwig leven, om God te loven en te prijzen. Dankzij de Zoon die daarvoor Zijn leven gaf. Verder lezen: Psalm 16 ====== 24 juli ====== > Marcus 12:28-34 De weerlegging van de Sadduceeën door de Here Jezus vond instemming bij een Schriftgeleerde. Deze geleerde stelt de Meester een gebruikelijke vraag die onder Joodse rabbi’s werd gesteld. De Schriftgeleerde stelt zich duidelijk wat vriendelijker op en het lijkt dat er enige aansluiting is. In ieder geval als het gaat om de samenvatting van de wet in het grote gebod. Deze ontleent de Here uit de Schrift, en de Schriftgeleerde stemt er mee in. Dan spreekt de Here Jezus de uitnodigende woorden: “Gij zijt niet ver van het Koninkrijk Gods.” Jezus heeft zijn naaste lief als Zichzelf en laat duidelijk blijken dat daar zaligheid is voor deze Schriftgeleerde die Zijn leer erkende en er mee instemde. We zien de laatste stap om het Koninkrijk in te gaan als de volkomen aanvaarding van de Here Jezus als de Messias, de Zoon van David en de Zoon van God (zie het opvolgende). Hier komt het voor u en mij vandaag op aan; op geloven in de Here Jezus als de Zoon van God onze volkomen Zaligmaker. In de volkomen aanvaarding van Hem als Heiland is het leven en door het geloof in Hem een ingaan in Gods Koninkrijk. Om dit geloof moet u bidden, uit dit geloof leven, daarin groeien. Hij is de Weg naar het Godsrijk. Verder lezen: Deuteronomium 6:1-9 ====== 25 juli ====== > Marcus 12-35-37a De Here weet met deze vraag de Farizeeën in grote verlegenheid te brengen. Beantwoording van de vraag leidt al spoedig tot erkenning dat niemand minder dan de Here, Zoon van David, in zijn vlees zou komen en dus mens zou worden. Dat is het heerlijk feit van Kerst en //de// verklaring van het optreden van de Here Jezus in de tempel. Hij is de Zoon van God, de Here, die als Messias beloofd was en gekomen is. Hij heeft alle kennis en wijsheid. Hij bezit alle vermogen en bevoegdheid om te spreken en op te treden, zoals Hij in de tempel, het huis van Zijn Vader, deed. Alleen door Hem is er kennis van de verlossing. Verlossing die bestaat in de vergeving van de zonden. Die verlossing kan Hij als de Messias alleen brengen. En die brengt Hij met de gave van Zijn leven. Daarover onderwijst Hij de zijnen, en eenieder die oren heeft, moet naar Hem horen om niet verloren te gaan, maar door te geloven in Hem eeuwig leven te hebben. De plaats aan de rechterhand van de Macht, in de Hemel, is Hem bereid. Davids Zoon is Davids Here. Hij is onze Here en onze God. Onze Zaligmaker in ons vlees verschenen, aan ons gelijk geworden. Opdat Hij in onze plaats zou lijden en Gods genade voor eeuwig tot ons te doen komen. Verder lezen: Psalm 110 ====== 26 juli ====== > Marcus 12:37b-40 Naast het onderwijzen in de leer van de zaligheid, om ons voor eeuwig te behouden door het geloof in Hem, waarschuwt onze Zaligmaker ons ook. Van onszelf zijn we zo geneigd ons te laten verblinden door wat voor ogen is. Het aanzien van valse leraars, hun vrome optreden en hun kennis kunnen je zo verleiden hen te geloven. Onder het Joodse volk waren de schriftgeleerden in aanzien. Ze imponeerden met hun letterlijke kennis van de Bijbel en hun lange gebeden. Ze zagen er ook zo voornaam uit met hun statige gewaden. Maar de Here Jezus ziet hun ware aard en wijst op wat zij werkelijk doen in strijd met de wet. Daar is onoprechtheid bij hen en schijn. En die schijn bedriegt. En vandaag de dag is dat niet anders. Geweldige massabijeenkomsten met grote ‘sprekers’ waarbij ‘getuigd’ wordt dat ‘God’ er is, enzovoorts. Maar je moet waakzaam zijn. Het uiterlijk voorkomen kan bedriegen en we zijn sinds de zondeval geneigd de duivel, de valse leer, te geloven, die in een vroom jasje wordt voorgedragen. Het oordeel over hen die zo optreden is zwaarder. Zij misleiden zichzelf en anderen, en dat met misbruik van het gezag van Gods Woord. Dus, wees waakzaam en laat je niet misleiden. Verder lezen: I1 Timotheüs 3:1-13 ====== 27 juli ====== > Marcus 12:41-44 Nadat de Here van de slechtheid van de schriftgeleerden sprak in hun omgang met weduwen, komt nu een weduwe in beeld. En dan leert onze Zaligmaker de les die niemand vergeten mag. Waar iemands schat is, daar is zijn hart. En het is wel duidelijk waar de schat van de weduwe was. Met dat zij in de tempel kwam en haar laatste geld in de offerkist wierp, offerde zij haar hart aan God. In de hemel is haar schat. Daar gaat haar begeerte naar uit. Naar haar God en Here. Voor Zijn eer en dus voor Zijn tempel heeft zij alles over. Heel haar levensonderhoud. Zulk een toewijding en liefde prijst onze Zaligmaker. Een dergelijke overgave van het hart is God aangenaam. De grote hoeveelheden die uit overvloed worden gegeven, behoeven uiteraard niet met een gesloten hart gepaard te gaan, maar als een arme weduwe, wat aan haar uiterlijke verschijning duidelijk was te zien, zoveel geeft, dat haar leven er van af hangt, dan zien we hoe volledig de liefde tot God behoord te zijn. Jezus nu, gaf Zijn leven als //de Offeraar//. Zijn rijkdom die Hij weg gaf voor ons, is onvoorstelbaar. De uiterste vernedering. Hij kwam van al zo hoge, van al zo veer. De volkomen overgave en Offergave. O diepte van rijkdom! Verder lezen: Filippenzen 2:5-11 ====== 28 juli ====== > Marcus 13:1-37 Deze profetische rede van onze Heiland zit vol kracht en troost. Kracht, omdat God het is, die kracht zal geven in alle verdrukking en vervolging. En dat ondervonden niet alleen de apostelen, maar alle knechten van de Here, heel de apostolische kerk. De kerkgeschiedenis is er vol mee, dat ondanks vervolging het getuigenis bleef klinken en de waarheid overwon. En daarbij is er de troost dat wij die geloven nooit Gods bijstand zullen ontberen. De Heilige Geest leidt in alle waarheid en doet getuigen van het Evangelie van Christus. Maar ook klinkt de waarschuwing hier toe te zien op jezelf. Om niet overweldigd door druk en verleiding van het geloof af te vallen. Volharding is nodig. En dit Woord geeft inzicht in hoe de wereld tegen de kerk woeden kan, zodat je niet verbaasd bent wanneer vervolging komt. Vaak wordt de vraag gesteld: Wanneer? Je wil graag overzicht. Maar het antwoord is helder in vers 32; het is aan de Vader. Dat is troostrijk. Want God bestuurt de dingen altijd precies goed. Voor nu is het nodig dagelijks bij de les te blijven en wakker te zijn. Want de Meester heeft genoeg stof en u en ik genoeg te leren. Het uiterlijk van deze wereld gaat voorbij (de aardse tempel) het eeuwige blijft. Verder lezen: Handelingen 4:1-12 ====== 29 juli ====== > Marcus 14:1-11 De voorbereiding op Jezus’ sterven is in dit gedeelte van twee zijden bezien. De weg om via list en verraad Hem te vangen en te doden en de liefdevolle zalving van Hem met volle overgave. Of de vrouw (Maria, Johannes 12:3) zelf wist dat Hij dichtbij zijn lijden en sterven was, staat hier niet. Maar omdat zij goed naar de Here luisterde kon ze het zeker geweten hebben (vergelijk Matteüs 28:6, Lucas 10:39). In ieder geval is Judas, als dief van de pot, er zeker van dat zijn droom niet uitkomt, als hij hoort dat de Here niet altijd bij hen blijft en sterven zal. Judas wil rijk worden. Het ging hem in het volgen van Jezus niet om Gods Koninkrijk zoals Christus dat leerde, maar om rijkdom en aanzien. En die gaat hij zo niet meer bereiken, zo denkt hij. Hij gaat over tot de meest afschuwelijke misdaad ooit, het verraden van de Zoon des mensen. Het lijden wordt voor onze Zaligmaker hierdoor verzwaard. Hij wordt door zijn eigen broeder en discipel verraden om geld. Bij de andere discipelen was er mogelijk wel oprechte zorg voor de armen. Maar zij leren toch van de Here dat Maria terecht haar laatste kans heeft gegrepen Hem haar liefde te bewijzen. Zoveel als Hij gaat geven, kan slechts met de hoogste liefde beantwoord worden. Verder lezen: Hooglied 5:2-7 ====== 30 juli ====== > Marcus 14:12-21 De man vinden met een waterkruik was voor de discipelen waarschijnlijk hierom goed te doen, omdat in de regel de vrouwen waterkruiken droegen. Niettemin was het een wonder dat langs deze weg de Here het huis wijst. En blijkbaar was de huismeester bekend met de Meester. Ook dat wist de Here vooruit. De discipelen en wij, krijgen hier zicht op de bijzondere goddelijke leiding ten behoeve van die maaltijd. Die maaltijd had uitzonderlijke waarde. Uiteraard vanwege het Pascha, maar bovenal vanwege het Paaslam, dat voor onze zonden geslacht zou gaan worden. En zie, hoe wrang het verraad is, in het licht van Gods genade die in Christus ons toeschijnt. Het zal toch voor een bedrukte stemming hebben gezorgd, dat de Here Jezus het hen zo vooraf vertelde. Maar het leert ons vandaag weer, dat, terwijl de Here Jezus wist wie Hem verraden zou en dat Hij verraden zou worden, Hij daar toch niets tegen heeft gedaan. Je zou zoiets toch voorkomen en tegen gaan? Maar de Here Jezus moest de Psalmen vervullen en Zich bezig houden met de wil van de Vader. Hij wilde niet terug op de weg van de verlossing. Hij wilde niet omkeren, maar doorgaan, om Gods wil te doen. Hij wilde door lijden heen u en mij redden. Verder lezen: Psalm 41 ====== 31 juli ====== > Marcus 14:22-25 In het Nieuwe Verbond te zijn opgenomen, houdt in aan het Lichaam van Christus deel te hebben; aan Zijn lijden en sterven. Zijn lichaam heeft Hij voor u gebroken. Hij wijst Zichzelf aan, als het Zoenoffer. Door er van te spreken dat Zijn bloed voor //velen// vergoten wordt, wijst Hij u en mij vandaag aan. Nadrukkelijk noemt de Here het //mijn// verbond. Hij, de Here Jezus Christus, is de Zoon van God. Hij is, evenals de Vader en de Heilige Geest, Here en God. En zo heeft Hij ook alle volmacht dit Nieuwe Verbond te sluiten. De Vader zelf immers is het, die Hem daartoe gezonden heeft. De Here Jezus is de Zoon van God en de Engel van het Verbond. Ook de Middelaar van het Verbond. Alle aandacht hebben we te vestigen op Hem om verlost te worden. Hij is het Paaslam. Hij is Zoenoffer //en// Offeraar. Hij is de Gever van de verbondsgoederen. Hij geeft zijn lichaam en zijn bloed. Hij zorgt ook voor bewaring in Zijn lichaam, door u steeds weer, middels het Avondmaal in de kerk, aan Zich te verbinden en met Hem te verenigen. En dat, tot en met de volkomen komst van Gods Koninkrijk. De genade en heerlijkheid hiervan is zo groot. Hij had er alles voor over. Dit inspireert om Hem wederkerig lief te hebben. Verder lezen: Jeremia 31:31-34 ====== 1 augustus ====== > Marcus 14:26-31 Evenals het verraad heeft de Here Jezus ook de verloochening voorzegd. En dat zal Hem toch zeker geraakt hebben. Veel vragen kunnen opkomen. Petrus kon het toch weten? Hij wist toch dat zijn Meester als Profeet wist wat Hij zei? Hij zou niet bij machte blijken in eigen kracht de beproeving te doorstaan. In het (geestelijk) geweld dat over de Zoon des mensen kwam, kan een sterveling zichzelf niet staande houden. De nacht en het uur van de duisternis, daarin houden wij mensenkinderen geen stand. Daarin kan alleen Hij blijven. Dat kan Hij alleen doorstaan. Ook de grievende kennis van het verraad en de verloochening draagt Hij. Alle duivelen en boosaardige vijanden komen op Hem af in een stortvloed van onmenselijke aanvallen. Daarbij blijft geen discipel staande, immers, de profetie getuigt er van. Daarentegen zeggen ze allen en Petrus steeds heftiger: “Al moest ik met U sterven, ik zal U voorzeker niet verloochenen.” We denken maar al te snel dat we het wel kunnen. Maar de Heilige Geest leert ons van onszelf af te zien, om te geloven in Hem die ons kracht geeft. Om de lofzang te zingen van de grote verlossingsdaden van de Here. Verlossing, door het slaan van de Herder. Uw Goede Herder. Verder lezen: Zacharia 13:7-9 ====== 2 augustus ====== > Marcus 14:32-42 Het leven voor eeuwig, in vreugde en blijdschap. De vergeving van al uw zonden. De goedertierenheid van God voor altijd te mogen smaken. Nooit meer van God verlaten te zijn. Deze grote zegeningen zijn verkregen door het zeer diepe lijden van uw Heiland. De diepte van Zijn lijden is voor ons niet te pijlen. Straf en toorn zouden terecht op ons komen. Maar die dragen en ondergaan, zonder eeuwig ten onder te gaan, is niet mogelijk voor zwakke stervelingen. Wij kunnen niet voor onze zonden betalen. Hij wel. En Hij deed het, door de Vader gehoorzaam te zijn. In Gethsemane begon Hij ontsteld en beangst te worden. Het gewicht van de toorn is ondraaglijk. Als Jezus het op Zich laat leggen, van boven, dan vallen de discipelen in slaap. Dit kunnen zij niet aan. Met Hem waken is al niet mogelijk, terwijl Hij verderop alleen is. Smart, droefheid, angst zonder grens. Ik kan hier niet bij. De Herder wordt geslagen. Goddelijke slagen. Hier zijn goddelijke krachten nodig om niet ten onder te gaan. En Christus heeft die krachten. Anders zouden de discipelen niet kunnen slapen. Anders zou heel die tuin, ja, heel de wereld ten onder gaan. Maar omdat Hij er is, is er nu een aarde en een leven met God als onze Vader. Verder lezen: 2 Korinthiërs 5:11-21 ====== 3 augustus ====== > Marcus 14:43-52 Het verraad van Judas heeft door sluw overleg zijn uitwerking gehad. De bozen zijn met raad te werk gegaan. Met sluwe list en geweld wilden ze de Here Jezus grijpen. Hoe vilein Judas’ optreden was, is met geen pen te beschrijven. Maar ook dat breekt de Heiland niet, en maakt Hem niet moedeloos. De Here Jezus houdt ook hier stand in al het wapengeweld en duivels bedrog. Hij doorziet in volstrekte zin hun boos oogmerk en weet als altijd wat in de mens is en geeft daar verhelderende woorden aan. Ze behandelen Hem als een grove misdadiger, die bedekt opereert, terwijl Hij dagelijks openlijk in de tempel leerde. Maar onze Zaligmaker weet dat de Schriften er van spraken, dat dit zo moest gebeuren. En dat zijn discipelen moesten vluchten. Al is er nog een opmerkelijke jongeman, waarvan sommigen denken dat het Marcus zelf is, die Jezus nog wil volgen. Maar doordat sommigen van de soldaten dat niet toestaan, vlucht deze ook, zelfs naakt in de nacht weg. Het is de ure van de duisternis. Onrechtvaardigen grijpen de Rechtvaardige. Al zijn discipelen vluchten in angst. En nu u en ik vandaag. Vluchten wij ook weg voor de waarheid? Wees dapper en moedig in Zijn kracht. Verder lezen: Psalm 118:1-14 ====== 4 augustus ====== > Marcus 14:53-65 De poging Jezus veroordeeld te krijgen komt nogal slordig over. Ongetwijfeld zullen de valse getuigen evenals Judas wel een geldsom zijn beloofd. Maar het lijkt erop dat alles snel moest gebeuren. En dan worden nogal snel foutjes gemaakt. De uitspraak van de Here over het afbreken van deze tempel heeft men niet meer helder in het geheugen. Jezus zweeg, als een Lam ter slachting geleid. Zich verdedigen en vrijpleiten was heel gemakkelijk. Uiteraard trof Hem geen blaam. Zuiver rechtvaardig en heilig was Hij. En Hij laat het aankomen op het punt, waar het allemaal om moet gaan. Of Hij de Gezondene van God is; de Zoon van de Gezegende. De Messias, dat is, de Christus der Schriften. De Man van wie Mozes profeteerde. De Zoon van David. Het Zaad van Abraham. En de heerlijkheid en waarheid hiervan stelt de Here Jezus voor ogen. Hij zal komen met de wolken des hemels. Hij gaat zetelen aan Gods rechterhand, als Koning over hemel en aarde. Dit is nu uw en mijn Verlosser, die als Zoon van de Allerhoogste Zich zo liet vernederen, zoals hier staat. Langs die weg kwam Hij uw en mijn zonden op Zich nemen. De smaad, de vuistslagen, de hoon, de spot. Zo liet Hij Zich vernederen voor ons. Verder lezen: Johannes 2:13-25 ====== 5 augustus ====== > Marcus 14:66-72 Petrus komt in het nauw. Hij werd bang om ook gevangen en gestraft te worden. Hij bedacht daarbij blijkbaar niet, dat het geen zonde was Jezus’ discipel te zijn. Door de mensen werd hem vrees aangejaagd. En hij zette alles op alles om maar niet tot de veroordeelden gerekend te worden. Hij zocht zichzelf uit te redden. En kwam zelfs met een vervloeking en zweerde. Hij die eens sprak: “Gij zijt de Christus”, zweert nu: “Ik ken de mens niet, over wie gij spreekt”. Hoe dit mogelijk is? Niet bij God, maar wel bij mensen. Leugenachtig en zwak als die zijn. Die meer vrees en eerbied hebben voor mensen dan voor God. En in zichzelf is daar de overmoed bij Petrus. We zien hier echter de man die meende de eerste te zijn, door slechts een slavin verslagen worden. En boven dit alles kraait de haan en komt Christus’ voorzegging uit. En als Petrus het hoort, dringt het tot hem door. Hij wordt gebroken en weent. Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valt. Ons grote gevaar is, dat wij het denken op eigen kracht te kunnen. We overschatten onszelf vaak, terwijl we het zelf niet eens door hebben. We moeten daarom zondags de haan horen kraaien en opstaan om te horen naar Christus’ ontdekkend en genezend Woord. Verder lezen: 1 Korinthiërs 10:1-13 ====== 6 augustus ====== > Marcus 15:1-5 Ook hier spreekt het handelen van het Sanhedrin boekdelen. Geboeid en geslagen leveren ze de Here Jezus als misdadiger uit. Ze gaan allerlei beschuldigingen tegen Hem in brengen, zoals: Koning der Joden. Zo is Hij dus de vijand van Pilatus. Uiteraard is Pilatus niet onder de indruk van een man die als een verslagen gevangene voor hem wordt gebracht. Een enkel belijdeniswoord geeft de Here. Meer krijgt Pilatus niet te weten. De Here Jezus gaat Zich niet vrijpleiten. Dat zou heel gemakkelijk kunnen. En dat verbaast Pilatus uiteraard. Hoe zou iemand zijn eigen leven niet willen redden terwijl Hij ongefundeerd beschuldigd wordt? Iemand laat zich toch niet op valse beschuldiging ter dood veroordelen zonder enige tegenspraak? Toch zweeg Jezus. En zijn zwijgen moet ons spreken worden. Want door zijn zwijgen komt het tot zijn veroordeling. En door zijn veroordeling komt het tot zijn verder lijden en sterven. Als een lam dat stom is voor zijn scheerders deed Hij zijn mond niet open. En zo was uw Zaligmaker bezig uw zaligheid te verkrijgen, door te zwijgen. Gods Raad tot onze verlossing moest vervuld worden. Dat beheerste uw Heiland. Hij zweeg, wat diende tot uw zaligheid. Verder lezen: 1 Timotheüs 6:2b-21 ====== 7 augustus ====== > Marcus 15:6-15 Onschuldig ter dood veroordeeld. Dat wordt hier wel duidelijk. Het onrecht kan niet groter. De man die een ander doodde komt vrij, maar de Man die doden levend maakte, moet gekruisigd worden. De oproerling en rebel, die geweld niet schuwt, krijgt vrijheid, maar de heilige en rechtvaardige moet de vreselijkste doodsstraf ondergaan. De rechter, die eerst de onschuldige probeert vrij te krijgen, laat zich overmeesteren door volkswoede. Hij redt liever zijn eigen hachje. Als het erop aankomt is een mensenleven van een niet-Romein in de oog van deze heiden niet zoveel waard (Lucas 13:1). En Jezus? Hij zwijgt. Hij onderneemt niets tegen het vonnis dat zeer onrechtvaardig over Hem wordt uitgesproken. Hij laat Zich zo veroordelen, want Pilatus is de door God aangestelde hoogste rechter. En tegen God verweert de Here Jezus Zich niet. Nee, de wil van de Vader, het oordeel van God, over ons, Barabbassen, barbaren, zondaren en vijanden van God, wil Hij op Zich nemen. Plaatsvervanging noemen wij dat. Louter genade is dat. Krachtig werkzame liefde van de Zoon van God, om de geselslagen, die wij verdiend hadden op Zich te laten komen. Daarom alleen kunnen wij nu bidden: Vader, vergeef ons, om Zijnentwil. Verder lezen: Romeinen 5:1-11 ====== 8 augustus ====== > Marcus 15:16-21 De verachting van het Joodse volk door de Romeinen wordt hier wel overduidelijk ten toon gesteld. En de Joden hebben dat ook aan zichzelf te danken (Ezechiël 36:21). Toch is hier meer. Hier is verachting voor de mens. Hier is verachting van de onschuldige mens en diepe vernedering van //de// Rechtvaardige, door onrechtvaardige heidenen. De bespotting is duivels en toont het gezicht van de duivel, om de mens geheel te verderven, en daarmee Gods beeltenis en gelijkenis te vernietigen. De duivel wil langs die weg God Zelf aantasten. Onze Zaligmaker gaat langs deze weg echter de duivel en de overheden en machten al hun wapens ontnemen. Dat zal Hij aan het kruis volbrengen, door het handschrift van onze zonden daaraan te hechten. Onze zonden, die zijn het, waarom Hij deze slagen kreeg en zo bespot werd. Hij werd lichamelijk ook verzwakt. Iemand anders werd met geweld gedwongen Zijn kruis te dragen. Want het ging de soldaten niet snel genoeg. De duivel heeft altijd haast, want zijn tijd is kort. Maar de Man van smarten lijdt. De lange weg naar Golgotha. Slagen, bespotting, hoon, misverstand. Maar het zal Hem heel veel opleveren. Alexander en Rufus, en vele heidenen meer. Ook u, die gelooft. Verder lezen: Romeinen 16:1-16 ====== 9 augustus ====== > Marcus 15:22-32 Reeds de naam van de plaats van executie wijst op dood en verderf. Er is geen sprankje licht of verlichting meer voor de Here Jezus. De wijn met mirre zou de pijn moeten temperen. Enige vorm van medemenselijkheid? Maar de Here weigert. Hij is niet bezig zijn last te verlichten. Hij is Zichzelf in volle bewustzijn aan het opofferen aan God. Daarin is Hij bezig de Schriften te vervullen. Alles wordt van Hem afgenomen. De plaats van de grootste misdadiger neemt Hij in, en zo ontvangt Hij ook de bespotting en de blikken van verachting. De roep om zichzelf te redden en van het kruis af te komen is intensivering van het lijden van onze Heiland. Zou Hij, de Redder der wereld, dan Zijn werk staken ten koste van Zijn kerk? Zou Hij, net als de zondaren, kiezen voor Zichzelf en dus Zijn ambt van Middelaar neerleggen en Gods toorn dan over de verloren zondaren doen komen? Ook de duivel hoopt ten zeerste dat de spot en hoon daartoe leidt. Maar ook in deze hoogste aanvallen van duivelse spot en hoon aan het kruis, blijft onze Here trouw aan Zijn roeping. En nu? Zijn lijden in volle bewustzijn brengt de reiniging van uw bewustzijn. Zijn bespotting wordt uw zegen. Zijn volharding in lijden, uw volkomen redding. Verder lezen: Psalm 69 ====== 10 augustus ====== > Marcus 15:33-41 Evenals de drie uur durende duisternis zijn ook de laatste woorden van onze Heiland weergave van de onpeilbare diepte en grootte van Zijn lijden. Het is voor ons niet te bevatten. We weten niet hoe het is van God verlaten te zijn. Al helemaal niet hoe dat is, terwijl Hij Zijn toorn ten volle uitgiet. Maar de Zoon van God heeft dat alles in het vlees geleden. En dat in onze plaats. De betekenis er van blijkt in het doormidden scheuren van het zeer zware tempelgordijn voor het heilige der heiligen. Nu is de (hoge)priesterdienst van Aäron beëindigd. We hebben een Hogepriester die Zelf de toegang tot God heeft gebaand. Hij heeft Zelf in eigen Persoon, alles voor ons volbracht. En dat door Zijn goddelijke liefde en kracht. Die kracht erkent ook de Romeinse hoofdman, naar zijn begripsvermogen, zeggen we er bij. Maar laten we daar maar voorzichtig en vooral ootmoedig van denken. Wij staan toch voor een diep geheimenis, van de openbaring van Gods Zoon in ons vlees. Van een lijden van Jezus aan het kruis, Zoon van Maria, Zoon van God. We verstaan dat Hij het voor ons heeft volbracht. Maar het gewicht van Zijn offer, het gewicht van Gods toorn, de hoeveelheid van onze schuld. Hier is geen meten aan. Verder lezen: Hebreeën 9:11-15; 10:19-25 ====== 11 augustus ====== > Marcus 15:42-47 Blijkbaar was het een waagstuk van Jozef van Arimatea om aan Pilatus het lichaam van Jezus te vragen. Maar bij de rijke moest Jezus zijn in zijn dood en een voorname begrafenis ontvangen (Jesaja 53:9). Hij had Zich er volledig op gericht de Schriften in vervulling te doen gaan en de Vader te gehoorzamen, en hier begint zijn vergelding. Het is wel een soort spoedbegrafenis geweest, zo in de avond voor sabbat, maar niettemin werd niets gespaard. En vooral, hier is liefde voor de Here Jezus, nu Hij alles volbracht heeft. De vrouwen zijn gereed Hem alle eer te bewijzen hoewel ze het als een laatste eer beschouwen. En Jozef, een aanzienlijk lid van de Raad, al is hij één van de weinigen, stemde niet met het besluit tot Zijn veroordeling in. Hij zocht rechtsherstel. Hij wilde de Here eer bewijzen waarvoor hij bereid was een groot risico te nemen. Niet alleen ten aanzien van Pilatus, maar ook ten aanzien van de andere leden der Joodse Raad. Maar Jozef verwachtte het Koninkrijk Gods en geloofde dat de Here Jezus het verkondigde. En zelf draagt hij nu, waarschijnlijk onwetend, bij aan de vervulling van de profetie. Pilatus is verbaasd over Jezus’ spoedig sterven. Vraagtekens voor hem, uitroeptekens voor ons. Verder lezen: Johannes 19:28-42 ====== 12 augustus ====== > Marcus 16:1-8 Dat de vrouwen als eerste op de eerste dag van de nieuwe week de Here zoeken te dienen is lovenswaardig te noemen. Ze waren uiteraard diep in shock geweest door zijn kruisdood. En bevangen door het feit dat Hij gestorven en begraven was, denken ze niet meer aan Zijn woorden. Niemand denkt daar aan. De feiten van de dag domineren in de mensenzielen en niet het Woord van de Here Jezus. De manier hoe wijzelf tegen de werkelijkheid aankijken, verhindert ons te letten op Gods beloftewoord. Dat komt zo veel voor. Ons denken laten we maar zo beheersen door wat we zien, terwijl Gods Woord ons de enige juiste weg wijst. Die weg is niet naar het graf, maar naar het leven. Wanneer de vrouwen dan bevangen door hun heel begrijpelijk denken over Jezus’ graf, met de waarheid van Zijn opstanding worden geconfronteerd, worden ze bevangen door siddering. Ze werden ontzet, waren buiten zichzelf en wisten niet hoe ze het hebben moesten. Doodsbang ook voor die hemelboden, zoals dat zo vaak gebeurt bij mensen zoals wij. Leer hier van om niet bang te zijn voor Jezus’ wederkomst en zijn engelen, door nu Zijn Woord helemaal te geloven, zonder reserve. En dus waakzaam te zijn. Verder lezen: Richteren 13 ====== 13 augustus ====== > Marcus 16:9-20 De Here Jezus zond na zijn opstanding eerst Maria van Magdala en de Emmaüsgangers om zijn opstanding bekend te maken aan zijn leerlingen. Maar dat stuitte op ongeloof. Zelfs zijn eigen discipelen geloofden zijn opstanding niet, hoewel Hij het vooraf had gezegd. Maar hun harten waren hard. Dit laat zien, hoe bot en koud wij van nature zijn. We zijn helemaal niet zelf in staat de hemelse leer aan te nemen en te geloven. De Here moet dat bewerken. Daarvoor laat Hij het Woord verkondigen en doet Hij blijken, door tekenen en wonderen, dat Zijn Woord waarheid is. Niemand kan eromheen, want Hij Zelf werkt vanuit de hemel mee aan de prediking. Als Priesterkoning in de troon blijft Hij zijn unieke ambt uitoefenen. Zo zorgt Christus er Zelf voor, dat het Raadsplan van God wordt uitgevoerd. Hijzelf zendt zijn dienaren die het Evangelie verkondigen. Wie hun leer geloven en zich laten dopen worden behouden. En wie niet geloven worden veroordeeld. Eeuwig leven is daar alleen, waar in Christus geloofd wordt. Hij is het Leven. Hij heeft in onze plaats alles gedaan wat nodig was om ons met God te verzoenen. De zekerheid hiervan wordt in het Woord voorgesteld. En de Heilige Geest bevestigt het. Verder lezen: 1 Korinthiërs 15:1-11 ====== 14 augustus ====== > Handelingen 1:1-11 De evangelist Lucas begint zijn tweede boek met een terugblik op het eerste. Daarin beschreef hij al wat de Heere Jezus “begonnen is te doen en te leren”. Nu, in Handelingen, horen we hoe de verhoogde Christus vanuit de hemel daarmee dóórgaat. Zijn heilswerk stopt niet bij Zijn hemelvaart. Zijn werkterrein wordt juist uitgebreid tot aan het uiterste der aarde! Vlak voor Zijn hemelvaart vroegen de apostelen nog: “Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?” Hoe menselijk en herkenbaar. Ook wij verlangen in onze nood al gauw naar wereldse oplossingen. Maar Christus wijst de Zijnen terecht. Het is niet aan ons om Gods verborgen tijden te weten. Bovendien wil Hij onze ogen richten op het hemelse goed: “maar gij zult kracht ontvangen,” zo belooft Hij Zijn discipelen, “wanneer de heilige Geest over u komt”. Door de Geest ontvangen zwakke mensen de kracht om in de wereld vrijmoedig te getuigen van Christus. En nadat Hij is opgenomen, klinkt de troostvolle belofte van de engelen: “Deze Jezus (…) zal op dezelfde wijze wederkomen”. Tot die grote dag hebben ook wij niet lijdelijk naar boven te staren, maar op aarde te getuigen van onze hemelse Koning. Verder lezen: Lucas 24:36-53 ====== 15 augustus ====== > Handelingen 1:12-26 Na de hemelvaart van Christus keren Zijn discipelen gehoorzaam terug naar Jeruzalem. Ze doen precies wat de Heere Jezus hun geboden had: wachten. Maar dit wachten is beslist geen passief stilzitten. In de bovenzaal blijven zij “eendrachtig volharden in het gebed”, samen met de vrouwen, Maria en de broers van Jezus. Biddend zien zij uit naar de komst van de beloofde Trooster. Tijdens dit wachten staat Petrus stil bij de lege plaats die Judas door zijn verraad heeft achtergelaten. Geleid door de Geest ziet Petrus dit niet als een noodlottige catastrofe, maar als vervulling van de Schriften. Zelfs de huiveringwekkende val van Judas viel niet buiten Gods raad. “Zijn plaats worde woest”, zegt de Psalm. Maar die opengevallen plaats mag niet leeg blijven. Het ambt moet overgaan op een ander: “Een ander neme het opzicht, dat hij had”. De nieuwe apostel moet getuige zijn van Christus’ opstanding. In afhankelijk opzien tot de Here, “die aller harten kent”, werpen zij het lot. En zo vult Christus Zelf de lege plaats aan met Mattias. Judas viel weg “om naar zijn eigen plaats te gaan”, maar geen duivelse tegenstand kan het werk van de Heiland tegenhouden. Op weg naar het volgende heilsfeit zorgt de Koning der kerk Zelf voor alles wat nodig is. Verder lezen: Efeziërs 4:1-16 ====== 16 augustus ====== > Handelingen 2:1-13 Wanneer de discipelen bijeen zijn op de Pinksterdag, wordt de belofte van de verhoogde Christus vervuld. Ineens komt er een geluid uit de hemel als van een geweldige windvlaag en vertonen zich tongen als van vuur. De discipelen worden vervuld met de heilige Geest en beginnen in andere talen te spreken, en wel in al de talen van de aanwezigen. Het is het omgekeerde van het oordeel bij de torenbouw van Babel. Daar verwarde de HEERE de talen als straf op de menselijke hoogmoed. Maar nu met Pinksteren doorbreekt Christus de taalgrenzen om Zijn kerk wereldwijd te vergaderen. Vrome mannen uit allerlei volken horen de apostelen in hun eigen taal “van de grote daden Gods spreken”. De Geest laat hen spreken van wat God in en door Christus voor Zijn volk heeft gedaan. De menigte reageert verdeeld. De een vraagt vol verwondering: “Wat wil dit toch zeggen?” Maar de ander spot: “Zij hebben te veel zoete wijn gehad!” En dat is vandaag niet anders. Ook nu kan er op twee manieren worden gereageerd op Gods openbaring. Gelovig dan wel ongelovig. Hoe luisteren wij vandaag naar de roepstem van de Geest in de prediking? Wie Gods werk spottend of onverschillig afwijst, gaat voor eeuwig verloren. Maar wie door diezelfde Geest de grote daden Gods in Christus leert bewonderen, ontvangt uit genade het eeuwige leven. Verder lezen: Genesis 11:1-9 ====== 17 augustus ====== > Handelingen 2:14-40 Wanneer Petrus zijn stem verheft, benadrukt hij eerst: hier is geen dronkenschap, maar de heerlijke vervulling van wat de profeet Joël had voorzegd. God stort Zijn Geest uit! En vol van die Geest predikt Petrus de Christus. De Geest wijst immers altijd naar het Woord. Petrus tekent de dood en de opstanding van Christus. Het kruis was geen toeval, want Christus is “naar de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd”, ook al is Hij “door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld”. God heeft Hem opgewekt, de dood kon Hem niet vasthouden. En Petrus komt dan met die vlijmscherpe boodschap: God heeft Hem tot Here en Christus gemaakt, “deze Jezus, die gij gekruisigd hebt”. Dat oordelende woord mist zijn uitwerking niet, want Gods Woord keert nooit ledig tot God weder maar doet altijd wat Hem behaagt. De hoorders worden “diep in hun hart getroffen” en roepen in uiterste nood: “Wat moeten wij doen, mannen broeders?” De Joden die het horen, staan voor een beslissende keus. “Bekeert u”, zo krijgen ze te horen. Bekeert u, want dan hebt u deel aan de vergeving van uw zonden. Die eis en belofte klinken ook vandaag nog, voor ons én onze kinderen. Bekeert u en laat u behouden! Verder lezen: Jesaja 55:6-13 ====== 18 augustus ====== > Handelingen 2:41-47 De uitstorting van de Heilige Geest draagt meteen vrucht. Petrus’ prediking wordt rijk gezegend: ongeveer drieduizend zielen aanvaarden het door hem gepredikte Woord en laten zich dopen. De kerk groeit en bloeit. En de gelovigen, zij blijven “volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden.” Bij die dingen dus, die de ware kerk tot op de dag van vandaag kenmerken. Ook wij ontvangen het onderwijs van de apostelen, in de dienst van het Woord. En ook wij breken het brood, in de dienst van het sacrament van het Heilig Avondmaal. En ook wij zenden samen onze gebeden op, in de dienst der gebeden. Laten wij dat alles doen, niet uit gewoonte, maar door een waar geloof, en zo als levende leden van de kerk, en dus evenals de gemeente uit Handelingen 2 in “blijdschap en eenvoud des harten”, waarmee wij voortdurend God loven. Ook wij hebben daarin trouw te volharden. En daarbij te vértrouwen, niet op onszelf, maar op onze verhoogde Heiland. Want Hij is het, die Zijn kerk doet groeien en bloeien en zo bewaart en vermeerdert. Lezen: Hebreeën 10:19-25 ====== 19 augustus ====== > Handelingen 3:1-10 Als Petrus en Johannes opgaan naar de tempel treffen zij een bedelaar, die al van kinds af aan verlamd is. Hij verwacht van de apostelen een aalmoes, een kleine stoffelijke gave om de dag door te komen. Het zou een tijdelijke verlichting geven van zijn aardse nood. Maar de ware nood van deze man, en ook van ons, zit veel dieper. Van nature zijn wij immers allemaal gééstelijk verlamd, vanaf onze geboorte niet in staat om in Gods wegen te wandelen. Petrus heeft dan ook geen zilver of goud te bieden. Hij wijst niet op aardse rijkdom, en evenmin op zijn eigen kracht. Hij heeft iets veel beters: “Wat ik heb geef ik u; in de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër: Wandel!” Niet de apostelen, maar de verhoogde Christus geneest deze man, en dat maar niet gedeeltelijk of tijdelijk, maar helemaal. De man, die nooit had gelopen, springt op en gaat met de apostelen de tempel binnen, “lopende en springende en God lovende”. Waar wij van nature verlamd op de grond liggen, daar richt het evangelie van Christus ons op. Hij geneest ons, opdat wij uit genade opstaan om eeuwig voor Hem te leven en Hem te loven. Verder lezen: Jesaja 35 ====== 20 augustus ====== > Handelingen 3:11-26 Het samengestroomde volk staart Petrus en Johannes aan, alsof zíj een wonder hebben verricht. Maar Petrus benadrukt dat hier geen sprake is van mensenwerk. God heeft Christus verheerlijkt, en Christus is het, die door de dienst van Zijn apostelen wonderen verricht. U hebt wel een moordenaar begeerd en de Leidsman ten leven gedood, zo klaagt Petrus de Joden aan, maar God heeft Hem opgewekt uit de doden. En door het geloof in Zijn Naam is er volkomen herstel, niet alleen voor de verlamde man, maar ook voor u, ja voor allen die in Hem geloven. En dat juist ook dankzij Zijn kruisdood. Want Christus móést wel lijden, om te betalen voor onze zonden. Door Zijn kruisdood vervult God Zijn verbondsbeloften. Dwars door de zonden van mensen heen, volvoert God Zijn heilsplan. En dat zegt Petrus niet zonder ernstig op te roepen tot berouw en bekering. Wie zich tot Christus keert, ontvangt de vergeving der zonden en het eeuwige leven. Maar wie naar deze hoogste Profeet niet luistert, zal worden uitgeroeid. En daar moeten ook wij ernst mee maken. Laten wij luisteren naar Christus en geloven in Zijn naam. Om zo te mogen delen in de zegen, die eerst kwam tot de Joden, maar in Abrahams Zaad ook tot ons. Verder lezen: Galaten 3:6-14 ====== 21 augustus ====== > Handelingen 4:1-22 Terwijl Petrus en Johannes nog tot het volk spreken, worden zij overvallen en gevangengezet. De verkondiging van de opstanding uit de doden in en van en door Christus roept felle weerstand op bij met name de Sadduceeën, die immers “beweren, dat er geen opstanding is” (Mar. 12:18). Maar het Woord van God is niet geboeid en laat Zich niet binden. Dwars door de verdrukking heen groeit de kerk gestaag. Wanneer de apostelen de volgende dag door de joodse raad worden gevraagd naar de bron van hun kracht, wijst Petrus niet op eigen vroomheid, maar getuigt hij onverschrokken van de gekruisigde en opgewekte Christus. Hij haalt Psalm 118 aan: de bouwlieden hebben de Steen versmaad, maar God heeft Hem tot Hoeksteen gemaakt. Op Christus rust de kerk. Door Hem alleen worden wij behouden. Wie het leven zoekt buiten Christus om, vindt slechts de eeuwige dood. De raadsleden verbazen zich over de vrijmoedigheid van deze eenvoudige mannen. Zij herkennen echter één beslissend kenmerk: zij waren “met Jezus geweest”. Dat is het geheim van een waarachtig getuigenis. Wie door het geloof met Christus verbonden is, kan en mag niet nalaten te spreken van wat hij van Hem gezien en gehoord heeft. Wanneer de wereld ons probeert het zwijgen op te leggen, geldt daarom ook vandaag: wij moeten God meer gehoor geven dan mensen. Verder lezen: 1 Petrus 2:1-10 ====== 22 augustus ====== > Handelingen 4:23-31 Zodra Petrus en Johannes zijn vrijgelaten, zoeken zij onmiddellijk de hunnen op. De gemeente is de plek waar gelovigen bemoediging en vertroosting zoeken. Wanneer de apostelen verslag doen van de vijandschap van de kant van de joodse overpriesters en oudsten, breekt er geen paniek uit. In plaats daarvan verheffen de gelovigen eenparig hun stem tot God. Het gebed dat zij dan opzenden is uiterst leerzaam. Ze beginnen niet met hun eigen nood, maar belijden de Here als de almachtige Schepper. Daarna grijpen ze terug op de Schriften. Wat ze meemaken, is de vervulling van Psalm 2. Aardse en geestelijke machten spannen samen “tegen de Here en tegen zijn Gezalfde”. Herodes, Pilatus, de heidenen en Israël hebben de Heere Jezus gekruisigd. Maar, zo belijdt de kerk vol ontzag: zij deden daarmee slechts “al wat uw hand en uw raad tevoren bepaald had, dat geschieden zou”. Zelfs de ergste zonden vielen niet buiten Gods soevereine raadsplan. Door het kruis bewerkte Hij onze verlossing! Vanuit dat rotsvaste vertrouwen bidden zij niet om een makkelijk leven zonder tegenspoed, maar om alle vrijmoedigheid om Gods Woord te te blijven spreken. En de Here verhoort dat gebed meteen. De plaats wordt bewogen, zij worden allen vervuld met de heilige Geest en spreken Gods Woord vrijmoedig. Laten ook wij dat doen: Gods Woord vrijmoedig (na)spreken, vervuld met Gods Geest. Verder lezen: Efeziërs 6:18-24 ====== 23 augustus ====== > Handelingen 4:32-37 De vrucht van de heilige Geest is niet alleen vrijmoedigheid om te (s)preken, maar ook onderling liefdebetoon. Lucas beschrijft hoe de menigte van hen die tot het geloof gekomen waren, “één van hart en ziel” is. Deze geestelijke eenheid krijgt zichtbaar gestalte in de omgang met geld en goed. Niemand hecht zich vast aan zijn bezit als zijn persoonlijk eigendom; de gelovigen hebben alles gemeenschappelijk. De liefde van Christus brengt hen tot diakonie, tot diénst, tot liefdedienst. Omdat er grote genade over hen allen is, verdwijnt het egoïsme. Men verkoopt zo nodig huizen en stukken grond, opdat de opbrengst kan worden uitgedeeld naar behoefte. Daardoor was er “ook niet één behoeftig onder hen”. Als voorbeeld noemt Lucas de Leviet Jozef, beter bekend als Barnabas: “zoon der vertroosting”. Hij verkoopt zijn akker en legt de opbrengst aan de voeten der apostelen. Deze levenshouding houdt ook ons een spiegel voor. Ware gemeenschap der heiligen betekent dat we niet krampachtig vasthouden aan ons aardse bezit, maar bereid zijn om met elkaar te delen, ja om elkaar te dienen, ook met wat wij bezitten aan stoffelijke gaven. Verder lezen: 1 Johannes 3:11-18 ====== 24 augustus ====== > Handelingen 5:1-11 In schril contrast met de toewijding van Barnabas staat het handelen van Ananias en Saffira. Ook zij verkopen een stuk eigendom, maar met een heel andere gezindheid. Zij houden iets van de opbrengst achter, terwijl ze net doen alsof ze alles aan de voeten der apostelen leggen. Ze zoeken de eer van mensen en kennen geen liefde tot God. Door de Geest geleid doorziet Petrus hun huichelarij. Hij vraagt scherp: “Waarom heeft de satan uw hart vervuld om de Heilige Geest te bedriegen?” Zij waren immers vrij om de opbrengst te houden. Hun zonde is de schijnheiligheid, het bewust bedriegen van de Heere. Petrus stelt het met klem: “Gij hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God.” Het ontzagwekkende oordeel dat volgt, laat zien hoe heilig de Heere is. Zowel Ananias als Saffira valt dood neer. God duldt geen zuurdesem van bedrog in de kerk die Christus zo duur heeft gekocht. Hij bewaart Zijn gemeente voor geestelijk bederf. Grote vrees kwam over de gehele gemeente. En ook ons moet deze geschiedenis brengen ontzag inboezemen. God laat niet met Zich spotten. Hij ziet dwars door onze vrome buitenkant heen en peilt onze harten. Laten wij ons met ons hart dan ook niet tot ons eigen verderf overgeven aan leugen en bedrog, maar aan Christus, de Weg, de Waarheid en het Leven. Verder lezen: Jozua 7:1-15 ====== 25 augustus ====== > Handelingen 5:12-16 Door de dienst van Zijn apostelen zet onze verhoogde Heiland Zijn werk vanuit de hemel krachtig voort. Er geschieden vele tekenen en wonderen, die niet op zichzelf staan, maar de prediking van het evangelie begeleiden. Ze hebben een ondersteunende functie, bevestigen het apostolische getuigenis dat Christus is opgestaan uit de doden. Velen komen tot geloof, terwijl anderen het niet aandurven zich bij de kerk te voegen, uit vrees bijvoorbeeld voor verlies van eigen eer of aanzien, of uit angst voor maatregelen van de priesters en de Sadduceeën. De Joodse raad had het immers verboden in de naam van Christus te spreken. Onder het volk is echter ontzag voor het werk van de apostelen. Men hoopt op genezing doordat zelfs ook maar de schaduw van Petrus op een zieke zou vallen. Daarbij gaat het om geloof, niet in zogenaamd magische krachten van Petrus, maar in Christus en Zijn Geest. Want Christus Zelf is hier door Zijn Heilige Geest aan het werk. Hij is de grote Medicijnmeester, die Zijn overwinning op zonde, ziekte en de duivel hier aantoont door zieken te genezen. Laten ook wij vandaag onze toevlucht nemen tot Hem, die de macht heeft om volkomen te behouden. Verder lezen: Psalm 103:1-13 ====== 26 augustus ====== > Handelingen 5:17-25 Het evangelie verspreidt zich krachtig, maar dat roept felle weerstand op. De hogepriester en de Sadduceeën worden vervuld met jaloezie. Ze slaan de handen aan de apostelen en werpen hen in de gevangenis. Zo denken ze de opmars van hun ‘nieuwe leer’ definitief een halt toe te roepen. Maar de religieuze leiders vergeten één ding: ze strijden hier niet tegen een groepje ongewapende vissers, maar tegen de verhoogde Christus! Geen aardse gevangenis kan het werk van de levende Heiland tegenhouden. Zoals het graf Hem niet kon vasthouden, zo kunnen nu de gevangenisdeuren Zijn dienaren niet vasthouden. Een engel van de HEERE opent ‘s nachts de deuren. En hij beveelt de apostelen niet om veilig onder te duiken, maar stuurt hen rechtstreeks terug naar het hol van de leeuw: “Ga in de tempel staan en spreek tot het volk al deze woorden des levens.” Vol geloofsmoed gaan de apostelen daarmee door. Terwijl de joodse Raad even later in opperste verwarring bijeen is vanwege een hermetisch gesloten maar toch lege cel, klinkt in de tempel het evangelie alweer. Gods Woord laat zich niet binden. Het evangelie van de opgestane Christus is een woord van eeuwig leven, en die levendmakende boodschap moet klinken. Laten wij, geleid door Zijn Geest, dat evangelie geloven en met dezelfde vrijmoedigheid de Christus belijden! Verder lezen: 2 Timoteüs 2:1-13 ====== 27 augustus ====== > Handelingen 5:26-42 Opnieuw staan de apostelen voor de joodse Raad. De aanklacht luidt: “Gij hebt Jeruzalem vervuld met uw leer!” Onbedoeld een prachtig getuigenis dat de evangelieprediking voortvarend voortgaat. De apostelen deinzen niet terug voor de Raad. Geleid door de Heilige Geest belijden ze standvastig: “Men moet Gode meer gehoorzamen dan de mensen.” Bovendien gebruiken ze het verhoor niet maar om zichzelf te verdedigen, maar om de Christus te prediken. Ze wijzen de geestelijke leiders op hun schuld – zij hebben Christus aan het kruishout genageld – maar tonen bovenal Gods heilsplan: God heeft deze Jezus opgewekt en verhoogd tot een Leidsman en Heiland, “om bekering en vergeving van zonden te schenken.” Een heerlijk wonder van Gods genade! De Raad ontsteekt in blinde woede, maar God waakt over Zijn gemeente. Hij gebruikt de farizeeër Gamaliël om een bloedbad te voorkomen. Zelfs een gruwelijke geseling krijgt de apostelen er niet onder. Integendeel, ze verlaten de rechtbank vol blijdschap, omdat ze zijn verwaardigd om te lijden voor de Naam van hun Heiland. Onophoudelijk klinkt de boodschap verder. Laten wij, door diezelfde Geest bezield, vrijmoedig ons kruis dragen en van Christus getuigen. Verder lezen: 1 Petrus 4:12-19 ====== 28 augustus ====== > Handelingen 6 De gemeente van Christus groeit gestaag, maar waar Gods werk voortgaat, daar zit de duivel niet stil. Hij probeert de kerk van binnenuit te ontwrichten. Er ontstaat gemor over de verzorging van de weduwen. De apostelen kunnen die verzorging niet goed aan zonder dat de dienst van het Woord en van de gebeden in het gedrang komen. Daarom stellen zij zeven met de Heilige Geest vervulde mannen aan. Hoe goed zorgt de Heere daarmee voor Zijn kerk zorgt: met de instelling van het diakenambt naast het predikambt komt de prediking noch de armenverzorging in gevaar. Eén van de zeven diakenen is Stefanus. Hij mag niet alleen dienen aan de tafels, maar ook wonderen verrichten onder het volk. En dat stuit op vijandschap. Als de joodse tegenstanders het afleggen tegen de geestelijke wijsheid van Stefanus, grijpen ze naar een doortrapt wapen: valse getuigenissen. Ze slepen hem voor het Sanhedrin. Stefanus volgt hierin zijn grote Meester, die immers ook door valse getuigen werd aangeklaagd inzake het afbreken van de tempel. Maar Stefanus raakt niet in paniek. Terwijl de leugens over tafel vliegen, straalt zijn gezicht als dat van een engel. Hij mag delen in de heerlijkheid van de verhoogde Christus. Laten ook wij vervuld met diezelfde Geest ons niet schamen voor onze Heiland. Verder lezen: 1 Timoteüs 3:8-16 ====== 29 augustus ====== > Handelingen 7:1-53 Tijdens zijn verhoor door de Joodse Raad houdt Stefanus geen krampachtige verdedigingsrede voor zichzelf, maar een machtige preek over Gods handelen in de heilsgeschiedenis. De rode draad in zijn betoog is even helder als ontdekkend. Eerst toont hij aan dat God Zich niet laat opsluiten in een stenen tempel; Hij verscheen immers al aan Abraham toen deze nog in het heidense Mesopotamië was. Vervolgens houdt Stefanus de geestelijke leiders een pijnlijke spiegel voor. Hij wijst op een hardnekkig patroon in de geschiedenis van Israël: telkens wanneer God een verlosser zond, werd deze door het volk afgewezen. Jozef werd uit jaloezie verkocht. Mozes werd weggestuurd met de kille woorden: “Wie heeft u tot overste aangesteld?” De vaderen stootten Gods dienaren van zich af en bogen liever voor afgoden. En dan volgt de climax. Stefanus doorprikt de schijnvroomheid van zijn aanklagers en noemt hen “hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren”. Ze doen precies hetzelfde als hun voorvaders, maar dan erger: ze hebben de beloofde Christus, de Rechtvaardige, verraden en vermoord! Ze verzetten zich tegen de Heilige Geest. Dat is een ernstige waarschuwing, ook voor ons vandaag. Wij hebben de Heilige Geest nodig om ons af te helpen van de hardheid van ons hart, opdat wij Christus niet verwerpen maar gelovig omhelzen. Verder lezen: Jeremia 7:1-15 ====== 30 augustus ====== > Handelingen 7:54-8:3 De preek van Stefanus treft doel, maar in plaats van berouw roept het een moorddadige woede op bij de Joodse leiders. Ze knarsen de tanden. Maar Stefanus kijkt niet naar zijn tierende vijanden; hij kijkt omhoog. Vervuld met de Heilige Geest ziet hij de hemel geopend en de Heere Jezus staan aan de rechterhand van God. Onze verhoogde Heiland staat in de hemel op om Zijn trouwe getuige te verdedigen en hem straks welkom te heten in Zijn hemelse heerlijkheid. Terwijl de stenen zijn lichaam verbrijzelen, weerspiegelt Stefanus zijn Meester. Precies zoals de Heere Jezus aan het kruis, beveelt hij zijn geest in Gods handen en bidt hij om vergeving voor zijn moordenaars: “Heere, reken hun deze zonde niet toe!” Daarna ontslaapt hij in vrede. Bij deze brute moord staat een jonge, fanatieke farizeeër: Saulus. Hij stemt van harte in met de steniging van Stefanus. Het lijkt een enorme nederlaag voor de kerk, zeker als er een zware vervolging losbarst. Maar de Heere regeert. Juist deze verstrooiing vormt het zaad waardoor het evangelie straks groeit en bloeit in de wijde wereld. En we weten hoe Saulus straks diezelfde Christus ontmoet en door Zijn ingrijpen tot bekering komt. Zelfs in de grootste moeiten voor de kerk houdt haar verhoogde Heiland de regie in handen! Verder lezen: Lucas 23:33-46 ====== 31 augustus ====== > Handelingen 8:4-25 De Heere gebruikt de vervolging in Jeruzalem voor Zijn doel, dwars tegen de bedoeling van de vijand in. De gelovigen worden verstrooid en dragen zo het zaad van het evangelie overal mee naartoe. Filippus trekt zelfs naar Samaria. De eeuwenoude vijandschap tussen Joden en Samaritanen wordt doorbroken. Filippus preekt er de Christus, en het resultaat is overweldigend: boze geesten vluchten, zieken genezen en blijdschap vervult de stad. In Samaria woont echter ook Simon de tovenaar, een man die lang indruk wist te maken met zijn toverijen. Ook hij komt op de prediking van Filippus tot ‘geloof’, echter niet tot een waar geloof. Hij laat zich wel dopen, maar als Petrus en Johannes de Heilige Geest ‘uitdelen’, wil Simon die macht met geld kopen. Het blijkt hem slechts te doen om eigen macht en aanzien. Petrus doorziet het: “Uw hart is niet recht voor God.” Simon is wel lid van de kerk geworden, maar geen levend lid. Het is een ernstige waarschuwing: we kunnen in de kerk gedoopt zijn en met alles meedoen zonder in Christus te geloven. Maar we houden God niet voor de gek. Hij laat Zich niet bedriegen en zal alle huichelaars vroeg of laat ontmaskeren. Laat het ons er dan ook om te doen zijn, om alleen uit genade deel te hebben aan Christus en Zijn Geest. Verder lezen: Matteüs 7:13-23 ====== 1 september ====== > Handelingen 8:26-40 Filippus krijgt een bijzondere opdracht. Een engel stuurt hem naar een eenzame woestijnweg. Waarom? Omdat de Heere de Goede Herder is, die ook dat éne verdwaalde schaap zoekt. Op die weg rijdt een hooggeplaatste Ethiopiër. Hij is in de tempel van Jeruzalem geweest om God te aanbidden, maar kennelijk heeft hij nog niet genoeg kennis van de zaligheid. Hij leest in de boekrol van Jesaja, maar hij verstaat niet wat hij leest. En dan is het enkel en alleen te danken aan Gods voorzienigheid, dat Filippus naar zijn wagen komt. De Heilige Geest stuurt hem daarnaartoe. De Ethiopiër leest net het hoofdstuk over het Lam dat ter slachting wordt geleid. “Over wie gaat dit?” vraagt hij. Filippus grijpt dit moment aan en predikt hem Jezus. Híj is dat onschuldige Lam. Christus zweeg toen Hij werd aangeklaagd, om in onze plaats de straf te dragen. Zijn leven werd weggenomen, opdat wij eeuwig zouden leven. Wanneer de ogen van de kamerling opengaan voor deze Zaligmaker, wil hij meteen gedoopt worden. Hij belijdt met heel zijn hart dat Jezus de Zoon van God is. Daarna reist hij met grote blijdschap verder. Wie in de Schriften de Heere Jezus als zijn persoonlijke Verlosser leert kennen, ontvangt een vreugde die de wereld nooit kan geven. Verder lezen: Jesaja 53:1-8 ====== 2 september ====== > Handelingen 9:1-19a Saulus is vervuld met haat. Hij wil de volgelingen van Christus vervolgen. Gewapend met arrestatiebevelen trekt hij naar Damascus om de kerk van Christus uit te roeien. Maar God grijpt in. Een hemels licht omstraalt Saulus. De levende Christus werpt hem in het stof met de indringende vraag: “Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?” Wie christenen vervolgt, raakt immers Christus Zelf aan! Hij is één met de Zijnen. Eenmaal in Damascus zit de verblinde Saulus in duisternis en angst. Maar “zie, hij is in gebed”, krijgt Ananias te horen. De trotse farizeeër is gebroken, de felle vervolger is een roepende boeteling geworden. Als Ananias ten slotte bij hem komt, klinkt niet Gods oordeel, maar het heerlijke wonder van Gods genade: “Saul, broeder”, mag Ananias zeggen. De vijand is door de HEERE uitgekozen als Zijn werktuig. De bekering van Saulus bewijst dat niemand te slecht is of te ver afgedwaald om gered te kunnen worden. Nu kunnen wij onszelf niet redden, maar de levende Christus kan dat wel. Hij zoekt vijanden op om hen tot Gods kinderen te maken. Paulus zou later schrijven, wat ook voor ons geldt: wij zijn, toen wij nog vijanden waren, met God verzoend door de dood van Zijn Zoon. Hoeveel temeer zullen wij dan nu behouden worden, doordat Hij leeft! Verder lezen: Romeinen 5:1-11 ====== 3 september ====== > Handelingen 9:19b-31 Hoe wonderlijk: Saulus, de man die kortgeleden de kerk nog wilde uitroeien, staat nu in de synagoge van Damascus vol vuur te preken dat Jezus de Zoon van God is! Hij toont duidelijke vruchten van ware bekering. Maar zijn ommekeer roept onmiddellijk vijandschap op; de jager wordt nu zelf de prooi. De Joden verdragen de naam van Christus niet en smeden daarom plannen om Saulus te vermoorden. Wanneer hij veilig in Jeruzalem aankomt, is de gemeente begrijpelijkerwijs wantrouwend. Wie kan geloven dat deze bloeddorstige wolf werkelijk in een schaap is veranderd? Is hij niet een wolf in schaapskleren? Maar dan ontfermt Barnabas zich over hem. Hij pleit voor Saulus bij de apostelen en neemt het wantrouwen weg. En waar Barnabas bemiddelt, daar doet de Heere Jezus dat wel bij uitstek. Hij is onze grote, volmaakte Middelaar, die onwaardige zondaren verzoent en binnenbrengt in de gemeenschap met God en Zijn kinderen. Ondanks de felle weerstand bewaart God Zijn kerk. De gemeente ontvangt een gezegende tijd van vrede. Ze wandelt in de vreze des Heeren en neemt toe door de troost van de Heilige Geest. Er is bij haar een ootmoedig ontzag voor de HEERE en een kinderlijke afhankelijkheid van Zijn Geest. Laat dat ook bij ons het geval zijn! Verder lezen: Galaten 1:11-24 ====== 4 september ====== > Handelingen 9:32-43 De rondreizende Petrus ontmoet ene Eneas, die al acht jaar verlamd op bed ligt. Petrus spreekt hem aan en zegt: “Eneas, Jezus Christus geneest u!” Niet de apostel, maar de verhoogde Heiland is hier aan het werk. Alleen Hij is de ware Geneesheer, die gaat over leven en dood. Alleen Hij is machtig om herstel te bewerken. Om gezond te maken door Zijn Geest en Woord. Zijn levendmakende Woord klinkt ook bij het sterfbed van Dorkas. Deze vrome vrouw was overvloedig in goede werken en diende God met ware naastenliefde – vrucht van een levend geloof. Maar haar liefdadigheid kon de dood niet weghouden. Petrus stuurt iedereen naar buiten en knielt in ootmoedige afhankelijkheid neer om te bidden. Dan klinkt het levenwekkende woord: “Tabita, sta op!” Beide wonderen leiden ertoe dat velen zich bekeren. En daar is het de Heere vooral om te doen! Dat van zichzelf dode zondaren komen tot een levend geloof in Hem. Christus toont Zijn heerschappij over ziekte en zelfs over de dood. En Hij komt vandaag ook ons opwekken uit de dood, uit de geestelijke dood waarin wij van nature liggen, om ons net als Dorkas vruchten van dankbaarheid te laten dragen in Zijn kerk en koninkrijk. Verder lezen: Efeziërs 2:1-10 ====== 5 september ====== > Handelingen 10:1-23a De verkondiging van het evangelie gaat zich nu ook uitstrekken tot de heidenen. Ook vele heidenen zullen tot geloof en bekering komen, zonder dat ze joods of jodengenoten hoeven te worden door zich te laten besnijden. De Romeinse hoofdman Cornelius was als heiden een buitenstaander, uitgesloten van de verbondsgemeenschap van Israël. Maar God gaat de scheidsmuur doorbreken. Hij stuurt een engel naar Cornelius om Petrus te laten halen. Tegelijkertijd bereidt de Heere Petrus voor. Op het dak in Joppe krijgt de apostel een visioen. Een groot laken daalt neer uit de hemel, vol reine én onreine dieren. De hemelse stem beveelt: “Slacht en eet!” Petrus weigert stellig, in overeenstemming met de joodse wet. Maar dan klinkt Gods Woord: “Wat God rein verklaard heeft, moogt gij niet voor onheilig houden.” Dit visioen gaat over veel meer dan voedsel. Het markeert een keerpunt in de heilsgeschiedenis. De oudtestamentische ceremoniële wetten, die als een muur tussen Jood en heiden stonden, zijn met de komst van Christus vervuld. Er is nu geen onderscheid meer tussen Jood en Griek. Wat een rijke troost voor ons, die afstammen van onreine heidenen! Wie door het bloed van Christus is gewassen en door Hem is gereinigd, is ongeacht afkomst niet meer onrein te noemen. Verder lezen: Efeziërs 2:11-22 ====== 6 september ====== > Handelingen 10:23b-48 Wanneer Petrus in het huis van Cornelius aankomt, valt deze hoge heidense officier eerbiedig voor hem neer. Maar Petrus weigert elke persoonsverheerlijking: “Sta op, ik ben zelf ook een mens.” Trouwe dienaren van God willen nooit zelf de eer die God toekomt, maar laten die aan Hem. En dat is precies wat Petrus doet. Hij houdt een machtige preek waarin Christus centraal staat. Hij vertelt van Christus en Zijn zalving, Zijn kruisdood, Zijn opstanding en Zijn absolute heerschappij. En dan volgt die zo heilrijke belofte van het evangelie: “Een ieder, die in Hem gelooft, ontvangt vergeving van zonden.” Deze belofte mag tot op de dag van vandaag klinken in de wereld. Terwijl Petrus nog spreekt, gebeurt er een wonder. De Heilige Geest valt op alle luisterende heidenen! Het heilsfeit van Pinksteren herhaalt zich hier als het ware voor de heidenwereld. God deelt Zijn genade soeverein en vrijmachtig uit, aan Joden en heidenen. En wie de Geest van Christus ontvangt en Zijn lichaam wordt ingelijfd, mag ook het teken van de doop ontvangen. De scheidsmuur is gevallen. Laten wij God grootmaken, want Zijn onverdiende genade is zo ook tot ons gekomen. Verder lezen: Romeinen 10:4-13 ====== 7 september ====== > Handelingen 11:1-18 De wonderlijke gebeurtenissen in het huis van Cornelius blijven in Jeruzalem niet onopgemerkt. Wanneer Petrus terugkeert, stuit hij op fel verzet. De Joodse gelovigen roepen hem ter verantwoording: hij heeft immers de heilige wetten overtreden door met onbesneden heidenen te eten! Deze reactie is menselijk gezien erg begrijpelijk. Bij een verandering wordt al gauw gedacht aan een gevaarlijke dwaling of aan nieuwlichterij. Maar daarvan is hier allerminst sprake, zo blijkt wel uit wat Petrus aangeeft. Hij benadrukt hoe God Zelf de leiding nam en de Heilige Geest liet uitstorten. God Zelf liet niet de afkomst maar alleen het geloof in Christus bepalend zijn. Petrus geeft aan: “Hoe zou ik dan bij machte geweest zijn God tegen te houden?” Als de Heere aan het werk is, past ons slechts eerbiedige onderwerping. Deze woorden breken het verzet. De broeders vallen stil en verheerlijken God om dit wonder: “Zo heeft dan God ook de heidenen de bekering ten leven geschonken.” Wat een rijke troost! Ook wij mogen weten van die bekering, niet als een prestatie van onszelf, maar als een genadegave, als een levensreddend geschenk uit de hemel, door de HEERE onverdiend geschonken aan geestelijk dode zondaren. Verder lezen: Efeziërs 3:1-13 ====== 8 september ====== > Handelingen 11:19-30 De vervolging rond Stefanus leek het voortbestaan van de kerk te bedreigen, maar de HEERE gebruikt het juist als een middel om Zijn kerk uit te breiden. De vluchtelingen trekken naar Antiochië en verkondigen daar niet alleen aan de Joden, maar ook aan heidenen het evangelie. Wat is het geheim van deze opwekking? Is die te danken aan hun eigen welsprekendheid? Nee, “de hand des Heren was met hen.” Alleen door de soevereine kracht van de HEERE kan een zondig mensenhart verbroken worden en tot waar geloof komen. Als Barnabas vanuit Jeruzalem poolshoogte komt nemen, ziet hij dan ook geen mensenwerk, maar “de genade Gods”. Hij haalt Saulus erbij, en samen onderwijzen ze de jonge gemeente. Hier in Antiochië ontvangen de discipelen voor het eerst de naam ‘christenen’. Dat is een erenaam geworden, die ervan getuigt dat wij door het geloof levende leden van Christus zijn geworden en delen in Zijn zalving met de Heilige Geest. En dat Gods genade nooit onvruchtbaar blijft, blijkt wel als er hongersnood dreigt. Deze voormalige heidenen verzamelen meteen een gave voor de arme Joodse broeders in Judea. Het ware geloof breekt alle egoïsme af en wekt oprechte naastenliefde. Laten wij ons ook ware christenen bewijzen door te leven in liefde tot God en de naaste. Verder lezen: 2 Korintiërs 8:1-15 ====== 9 september ====== > Handelingen 12:1-17 De nieuwtestamentische kerk krijgt zware slagen te verduren. Koning Herodes laat de apostel Jakobus onthoofden. Omdat dit de joden welgevallig is, wordt ook Petrus gegrepen en zwaar bewaakt in de kerker geworpen. Na het Paasfeest wacht hem de dood. Naar de mens gesproken is het een uitzichtloze situatie. Maar wat doet de kerk? Zij grijpt niet naar het zwaard, maar naar een machtig geestelijk wapen: “door de gemeente werd voortdurend tot God voor hem gebeden.” En terwijl de dood hem in de ogen staart, ligt Petrus rustig te slapen. Welk een geloofsvertrouwen op de Heere! En dan grijpt God in. Geen enkele aardse macht, geen ijzeren ketenen of zwaarbewapende soldaten kunnen Gods raad tegenhouden. Een engel leidt Petrus soeverein de gevangenis uit. De verhoogde Christus bewijst te waken over Zijn dienaar. Petrus zoekt meteen de biddende gemeente op. De broeders en zusters durven nauwelijks te geloven dat de Heere hun noodkreet verhoord heeft. Ze denken aan wartaal of aan een engel. Maar het blijkt waar: Petrus is in hun midden. De verhoogde Christus heeft gezorgd voor uitredding uit de nood. En Hij doet dat ook vandaag nog. Hij redt ons immers uit de macht van de zonde, de duivel en de dood. Laten ook wij daarom volharden in dankzegging en gebed! Verder lezen: 2 Korintiërs 1:3-11 ====== 10 september ====== > Handelingen 12:18-23 Koning Herodes ontdekt dat zijn prooi ontkomen is. Zelfs na grondig onderzoek blijft de ontsnapping van Petrus voor hem een raadsel. Boos laat de tiran de schildwachten gevangenzetten (of zelfs doden, zoals het woord vertaald met ‘wegleiden’ ook kan aangeven) en vertrekt hij naar Caesarea. De machtige vorst blijkt volstrekt machteloos tegenover het verlossend optreden van God. En Herodes blijkt niets van deze les te hebben geleerd. In Caesarea waant hij zich alsnog de absolute heerser. Wanneer hij in een schitterend koninklijk gewaad het volk toespreekt, barst de afhankelijke menigte los in goddeloze vleierij: “De stem van een god en niet van een mens!” In plaats van deze afgoderij af te wijzen, neemt de hoogmoedige tiran de eerbewijzen aan zijn adres maar al te graag aan. Maar dan volgt een ontzagwekkend oordeel. Dezelfde God die zojuist een engel stuurde om Petrus te bevrijden, zendt nu een engel om Herodes te slaan. De man die God de eer weigerde te geven, wordt door wormen gegeten en sterft een gruwelijke dood. Dit snelle oordeel toont hoe nietig en breekbaar de mens is, hoe groot zijn aardse macht ook kan zijn. De Heere haat de hoogmoed, want daarmee beroven mensen Hem van Zijn eer. Laten wij hiervan leren. En ons diep verootmoedigen. Want God weerstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. Verder lezen: Daniël 4:28-37 ====== 11 september ====== > Handelingen 12:24-13:12 Koning Herodes is door Gods oordeel gestorven, maar Gods Woord gedijt en verbreidt zich. Gods werk gaat onstuitbaar door. In de biddende en vastende gemeente van Antiochië beveelt de Heilige Geest Barnabas en Saulus af te zonderen voor het zendingswerk. God Zelf zendt Zijn dienaren uit. Geleid door de Geest varen de mannen naar Cyprus. Maar waar God werkt, zit de satan nooit stil. In Pafos stuiten ze op felle tegenstand. De Romeinse landvoogd wil Gods Woord horen, maar de valse profeet en tovenaar Elymas probeert hem van het ware geloof af te houden. Saulus – vanaf nu Paulus genoemd – doorziet deze duivelse poging. Vervuld met de Heilige Geest ontmaskert hij Elymas als een zoon des duivels en een vijand van Gods gerechtigheid. En ook nu volgt meteen Gods oordeel: Elymas wordt tijdelijk met blindheid geslagen, een treffend, zichtbaar teken van de geestelijke duisternis waarin hij verkeert. Het verzet wordt gebroken en de landvoogd komt tot geloof, verwonderd over de leer van Christus. Geen enkele macht kan Gods genade tegenhouden. En de Heere heeft onze aangeboren geestelijke blindheid weggenomen en ons verlicht met de kennis van Zijn heerlijkheid, opdat wij Zijn rechte wegen niet krombuigen maar oprecht bewandelen. Verder lezen: 2 Korintiërs 4:1-6 ====== 12 september ====== > Handelingen 13:13-49 In de synagoge van Antiochië in Pisidië houdt Paulus een machtige preek. Hij neemt zijn hoorders mee in de heilsgeschiedenis van Israël, om uit te komen bij de komst van “de Heiland Jezus”. Paulus verkondigt Zijn dood en opstanding en de vergeving van zonden door Hem. Niet de wet van Mozes, maar Christus is het die ons volkomen rechtvaardigt. Aanvankelijk willen de joden hier meer over horen, totdat ze jaloers worden op de enorme invloed van Paulus’ prediking op vele mensen. Dat in die prediking niet hún werken der wet maar Góds gunst en genade centraal staat, moet hen een doorn in het oog zijn geweest. Ze worden vervuld met afgunst en stoten het Woord van zich af. Daarom richten de apostelen zich vervolgens tot de heidenen. Voor hen klinkt de troostrijke profetie dat Christus een Licht voor de heidenen is. Vele heidenen verblijden zich erover. Allen die bestemd zijn tot het eeuwige leven, komen tot geloof, geeft de evangelist aan. Het geloof komt immers niet op uit onszelf, maar is vrucht van Gods genadige verkiezing. Laten ook wij ons verblijden over dit evangelie. Opdat wij Gods Woord niet ondankbaar van ons afstoten maar dankbaar ter harte nemen. Verder lezen: Efeziërs 1:3-14 ====== 13 september ====== > Handelingen 13:50-14:20 Paulus en Barnabas ondervinden aan den lijve dat de evangelieprediking tweeërlei uitwerking heeft. Het brengt tot bekering en blijdschap dan wel tot verharding en vijandschap. In Ikonium moeten de apostelen vluchten voor een gewelddadige oploop. In Lystra volgt echter een andere beproeving. Als Paulus daar een verlamde man geneest, is de heidense menigte zó diep onder de indruk dat zij de apostelen als goden willen aanbidden. Ze noemen hen Zeus en Hermes, de bekende Griekse ‘goden’, en willen stieren voor hen offeren. Hoe gaan de apostelen daarmee om? Ze nemen de eerbewijzen aan hun adres niet aan, maar scheuren vol afschuw hun mantels en smeken de menigte om zich te bekeren van deze ijdele afgoderij. Bekeren moeten zij zich tot de levende God, de Schepper van hemel en aarde. En zo betaamt het trouwe dienaren van de Heere. Zij hebben van zichzelf af te wijzen naar hun grote Zender. Hoe wispelturig de mens is, blijkt even later. Opgehitst door joodse vijanden uit Antiochië, stenigt dezelfde menigte Paulus totdat hij voor dood blijft liggen. Maar de Heere beschermt Zijn knecht. Wonderlijk opgericht, staat Paulus overeind en reist hij de volgende dag onverschrokken verder om te preken. Laten ook wij in al ons denken en doen de Heere alle eer geven, en ons door tegenspoed niet laten afbrengen van Zijn weg. Verder lezen: 2 Timoteüs 3:1-12 ====== 14 september ====== > Handelingen 14:21-28 Na de steniging in Lystra kiezen Paulus en Barnabas niet de weg van de minste weerstand. Integendeel, ze reizen moedig terug naar precies die steden waar ze zo hevig vervolgd werden: Lystra, Ikonium en Antiochië in Pisidië. En wel omdat ze de gemeenten aldaar willen versterken. Zij hebben immers geen goedkope belofte ontvangen van een makkelijk leven. Paulus benadrukt: we moeten door vele verdrukkingen het Koninkrijk Gods binnengaan. Kruisdragen hoort bij het leven van een christen hier op aarde. Kruisdragen achter onze gekruisigde Heiland aan, op weg naar de hemelse heerlijkheid. Maar de apostelen laten de christenen in hun lijden en strijden niet aan hun lot over. Onder bidden en vasten stellen zij in elke gemeente oudsten aan. Zo zorgt de grote Herder voor Zijn kudde. Hij geeft ambtsdragers aan Zijn gemeente om haar te weiden. Eenmaal terug te Antiochië (in Syrië), vanwaar ze waren uitgezonden, slaan de apostelen zichzelf niet op de borst, maar brengen ze een ootmoedig verslag uit van al wat Gód met en voor hen had gedaan. Híj was het die voor de heidenen een geloofsdeur had geopend. Voor de heidenen, en daarmee ook voor ons, die genetisch gezien van heidenen afstammen. Laten ook wij door alle verdrukkingen heen binnengaan in het Koninkrijk Gods, waarvan wij door het geloof nu al burgers mogen zijn. Verder lezen: Filippenzen 3:17-4:7 ====== 15 september ====== > Handelingen 15:1-21 Leraren uit Judea beweren dat gelovigen uit de heidenen evenals de joden besneden moeten worden en ook verder de wet van Mozes moeten houden om deel te hebben aan de zaligheid. Daarom komt men te Jeruzalem in vergadering bijeen. Na een verhitte discussie neemt Petrus het woord. Hij wijst erop dat God de harten van de heidenen reinigde door het gelóóf. Petrus noemt het opleggen van de wet een ondragelijk juk. Geen mens kan door de wet behouden worden, want we zijn allemaal wetsovertreders. En dan klinkt die zo bevrijdende belijdenis: “Maar door de genade van de Heere Jezus geloven wij behouden te worden.” Het deelhebben aan de zaligheid is één en al genade, voor zowel Jood als Griek! Jakobus stemt hiermee in. Dat is het vermelden waard, omdat dit probleem later ook in zijn kring blijkt te spelen en zelfs Petrus zich door sommigen daaruit laat verleiden zijn eigen getuigenis te verloochenen (Galaten 2:12). De heidense bekeerlingen krijgen slechts enkele praktische leefregels mee. Gewaakt is hier tegen het kwaad van het wetticisme en de eigengerechtigheid. En daartegen moeten ook wij blijven waken. We moeten niets willen toevoegen aan (en zo afdoen van) het verlossingswerk van Christus, maar uitsluitend leven van Zijn genade. De zaligheid is in geen ander! De zaligheid, die wij ontvangen door het geloof alleen. Verder lezen: Galaten 2:1-16 ====== 16 september ====== > Handelingen 15:22-34 De uitkomst van de vergadering in Jeruzalem is een zegen voor de kerk. Er wordt een mededelingsbrief gestuurd naar de heidenchristenen in Antiochië. De apostelen nemen daarmee nadrukkelijk afstand van de dwaalleraren die de gelovigen in verwarring hadden gebracht. En verwarring, dat is iets waar een wettische prediking altijd voor zorgt. Het berooft mensen van de zekerheid en brengt de ziel onnodige onrust. Hoe anders is het besluit dat nu wordt overgebracht! Dat bevat maar geen menselijk compromis, maar goddelijke wijsheid: “Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht.” De Geest van God is een Geest van vrede, die bevrijdt van elk ondraaglijk slavenjuk. De heidenchristenen hoeven de ceremoniële wet niet te houden om gered te worden. En de praktische leefregels die ze wel meekrijgen, dienen niet om daarmee de zaligheid te verdienen, maar om de liefdesband met hun Joodse broeders te bewaren en zich rein te houden van heidense afgoderij. Als de brief in Antiochië wordt voorgelezen, verblijdt de gemeente zich over deze bemoediging. Het evangelie van Gods genade in Christus stemt altijd vrolijk! Wie in eigen kracht probeert zalig te worden, blijft diep in zijn hart onrustig. Maar wie door een waar geloof mag rusten in het volbrachte verlossingswerk van Christus, ontvangt een vrede, vreugde en vrijheid die de wereld niet kent. Verder lezen: Galaten 5:1-15 ====== 17 september ====== > Handelingen 15:35-16:3 In Antiochië ontstaat een pijnlijke ruzie tussen twee botsende broeders. Barnabas wil zijn neef Johannes Marcus meenemen op hun volgende reis. Paulus weigert echter, omdat Marcus hen op de eerste zendingsreis in de steek heeft gelaten. De botsing is zó groot dat hun wegen scheiden. Het laat maar zien: zelfs de meest vooraanstaande dienaren van Christus blijven zondige mensen. Maar hoe wonderlijk is Gods voorzienigheid! Hij laat Zijn werk niet verhinderen door menselijk falen. Integendeel: in plaats van één, trekken er nu twéé zendingsgroepen de wereld in! Paulus neemt Silas mee en ontmoet in Lystra de jonge discipel Timotheüs. Wat er dan gebeurt, lijkt enigszins verrassend: Paulus laat Timotheüs besnijden. Gaat hij nu in tegen het pas genomen besluit in Jeruzalem? Beslist niet! Toen dwaalleraren de besnijdenis eisten als vereiste voor de zaligheid, verzette Paulus zich fel. Maar hier gaat het om iets anders: liefdevolle verdraagzaamheid. Paulus wil niet dat de afkomst van Timotheüs een onnodig struikelblok is voor de nog onvoldoende onderwezen joden die zij willen bereiken. Hij gebruikt de besnijdenis niet om valse leer te staven, maar slechts om ingang te verkrijgen met het oog op de verkondiging van het zuivere evangelie van Christus. Het is een belangrijke les: we moeten onbuigzaam zijn als de waarheid van het evangelie in het geding is, maar anderszins uiterst verdraagzaam. Verder lezen: 1 Korintiërs 9:16-23 ====== 18 september ====== > Handelingen 16:4-18 Tijdens zijn zendingsreis ondervindt Paulus hoe soeverein de Heilige Geest de weg wijst. Tot twee keer toe wordt de apostel verhinderd het evangelie te prediken in gebieden waar hij zélf naartoe dacht te gaan. God trekt Zijn eigen spoor. Dan volgt de roeping in een droom: “Steek over naar Macedonië en help ons.” Het evangelie bereikt Europa. In de stad Filippi zien we hoe Gods Woord ingang vindt. Bij een rivier spreekt Paulus tot een groepje vrouwen. Eén van hen is Lydia. Zij luistert aandachtig, en de Heere doet wat Hij alleen kan: Hij opent haar hart. Alleen als Gods Geest ons van nature gesloten hart openbreekt, komen we tot geloof en verstaan we de dingen van God. Geloof is ten diepste dus geen eigen beslissing, maar een hemels geschenk! Waar het licht van het evangelie doordringt, bindt het direct de strijd aan met de machten van de duisternis. Een slavin met een waarzeggende geest, die haar eigenaars met haar waarzeggerij veel winst opleverde, spreekt vrome woorden over de apostelen. Maar Paulus doorziet de demonische list waarmee de onreine geest de waarheid met de leugen wil vermengen. In de naam van Jezus Christus werpt hij de onreine geest uit. Waar Christus spreekt, moet de satan wijken. Laat het ons dan ook te doen zijn om de waarheid alleen! Verder lezen: 1 Korintiërs 2:10-16 ====== 19 september ====== > Handelingen 16:19-40 De bevrijding van de bezeten slavin valt slecht bij haar eigenaars, die zonder haar waarzeggende geest geen geld meer aan haar verdienen. Paulus en Silas worden in de kerker geworpen. Maar in plaats van te klagen, bidden ze en zingen ze Gods lof. Ondanks hun gevangenschap kennen ze immers de vrede die de Heilige Geest in het hart stort, dwars door alle verdrukking heen. Aardse ketenen kunnen niets afdoen van de hemelse vrijheid in Christus. En dan grijpt God in met een zware aardbeving. Alle gevangenisdeuren vliegen open. De gevangenbewaarder wordt wakker en gaat ervan uit dat zijn gevangenen ontsnapt zijn. Uit angst voor represailles wil hij zelfmoord plegen. Als Paulus hem verzekert dat niemand gevlucht is, breekt deze Romein. Overdonderd en verwonderd werpt hij zich voor Paulus en Silas neer met de noodkreet: "Wat moet ik doen om behouden te worden?" Het bevrijdende antwoord: "Geloof in de Heere Jezus, en gij zult behouden worden." Geen onmogelijke prestatie wordt van hem verwacht, maar een gelovig rusten in het volbrachte werk van de Zaligmaker. Nog diezelfde nacht wordt de gevangenbewaarder met zijn gezin gedoopt. De cipier is door Gods genade wedergeboren, wat ook blijkt uit zijn liefdevolle zorg voor Paulus en Silas. Waar Christus komt, maakt dodelijke wanhoop plaats voor de blijdschap van een levend geloof. Verder lezen: Filippenzen 1:12-20 ====== 20 september ====== > Handelingen 17:1-14 Onvermoeibaar predikt Paulus in de synagoge van Tessalonica de Christus der Schriften. Uitgebreid verkondigt hij dat Christus naar uitwijzen van Gods Woord wel moest lijden en opstaan uit de doden. Deze boodschap mist haar uitwerking niet: velen komen tot geloof. Maar waar de Heere Zijn kerk bouwt, verzet de vorst der duisternis zich fel. Uit haat en afgunst ontketenen ongelovige Joden een oploop. Ze beschuldigen Paulus en Silas ervan de wereld in opschudding te brengen door een 'andere koning' te prediken. En inderdaad, Christus ís Koning! Zijn rijk is echter geen aards rijk, dat een bedreiging vormt voor het rijk van de keizer, maar een hemels rijk, dat Christus regeert met het Zwaard van de Geest, dat is Gods Woord. De apostelen vluchten dan naar Berea. Daar ontmoeten ze een heel andere luisterhouding. De Joden in Berea onderscheiden zich gunstig van die in Tessalonica. Ze wijzen de prediking niet vijandig af, maar ze nemen ook niet zomaar alles klakkeloos aan. Te goeder trouw onderzoeken ze dagelijks de Schriften of de gepredikte dingen werkelijk zo zijn. Ze toetsen elke preek aan het onfeilbare Woord van God. En dat wordt rijk gezegend: velen komen tot een waar geloof. Laten ook wij net als de Bereeërs voortdurend bidden en de Schriften onderzoeken. Want de Schriften zijn het, die ons wijs maken tot zaligheid. Verder lezen: 1 Tessalonicenzen 1 ====== 21 september ====== > Handelingen 17:15-34 Paulus komt in Athene, het hart van de Griekse cultuur. Daar wordt hij diep geraakt, niet door de indrukwekkende kunst en architectuur, maar door de vele afgodsbeelden. De stad ademt valse religie. Paulus richt het woord dan ook niet alleen tot de joden in de synagoge, maar ook tot de afgodische heidenen op de markt. Hij wordt ook meegenomen naar de Areopagus, een podium voor filosofen. Daar haakt de apostel in op een altaar gewijd “aan een onbekende god”. De God die de Atheners niet kennen, komt Paulus hun nu verkondigen: de enige ware God en Schepper van hemel en aarde. Anders dan al hun afgoden is Hij de levende God, die niet in beelden of tempels te vangen is. Paulus ontmaskert de dwaasheid van de afgoderij en benadrukt Gods bevel aan alle mensen tot bekering, voordat Hij de wereld rechtvaardig zal oordelen door de opgestane Christus. De reacties verschillen. Velen spotten met het in hun ogen dwaze evangelie of stellen hun beslissing uit. En dat is levensgevaarlijk: Gods Woord aanhoren zonder het aan te nemen. Toch komen ook in Athene sommigen tot geloof. Het is te danken aan de genade van de HEERE, die voor ons geen onbekende God mag zijn, omdat Hij zich in Zijn Woord aan ons heeft geopenbaard. Verder lezen: 1 Korintiërs 1:18-31 **\\ ** ====== 22 september ====== > Handelingen 18:1-17 Paulus komt aan in de goddeloze havenstad Korinthe. Terwijl hij in zijn onderhoud voorziet als tentenmaker bij Aquila en Priscilla, preekt hij onvermoeibaar in de synagoge. Wanneer Silas en Timotheüs aankomen, wijdt hij zich volledig aan de verkondiging dat Jezus de Christus is. Maar er is veel weerstand. De Joden verzetten zich fel en lasteren de waarheid. Paulus schudt zijn kleren uit als teken dat hij geen gemeenschap meer met hen wil hebben. Wie het evangelie hardnekkig afwijst, draagt daarvoor zelf de eeuwige schuld. De apostel wendt zich nu tot de heidenen. Toch is Paulus' werk onder de joden allerminst vruchteloos te noemen. Zelfs de overste van de synagoge komt tot geloof! Omdat de vijandschap groeit, en er bij Paulus sprake is van “veel vrezen en beven” (1 Korintiërs 2:3), bemoedigt de Heere Zijn dienaar in een visioen om niet te zwichten voor de druk: "Wees niet bevreesd, maar spreek”, “want Ik heb veel volk in deze stad." Hier schittert Gods verkiezend welbehagen! Midden in een verdorven stad kent God de Zijnen, zelfs nog vóórdat zij geloven. Dit woord geeft Paulus houvast, ook wanneer hij later voor de rechterstoel van Gallio wordt gesleept en God hem wonderlijk bewaart. De Heere zal al Zijn uitverkorenen vergaderen, door de dienst van mensen die onbevreesd Zijn Woord spreken. Laten wij dat Woord niet minder vrijmoedig náspreken. Verder lezen: 1 Korintiërs 2 ====== 23 september ====== > Handelingen 18:18-28 Paulus vertrekt uit Korinthe. Na een kort verblijf in Efeze, waar hij Aquila en Priscilla achterlaat, vragen de joden hem dringend om langer te blijven. Paulus wijst dit af, maar belooft terug te keren, met als voorbehoud: "zo God wil". Een ware gelovige beseft dat wij niet over onze eigen toekomst beschikken. Hoeveel reis- en levensplannen we ook maken, we zijn volstrekt afhankelijk van de wil van onze hemelse Vader (Jakobus 4:13-15). Terwijl Paulus verder reist, arriveert in Efeze een geleerd man: Apollos. Hij is welsprekend, vurig van geest en doorkneed in de oudtestamentische Schriften. Maar zijn kennis over het volbrachte werk van de Zaligmaker is nog onvolkomen; hij weet alleen van de doop van Johannes. Wat er dan gebeurt, is een schitterend voorbeeld van christelijke ootmoed en verbondenheid. De eenvoudige tentenmakers Priscilla en Aquila nemen deze geleerde man apart om hem de weg van God nauwkeuriger uit te leggen. En Apollos laat zich onderwijzen! Hij is niet te hoogmoedig om te leren van deze 'gewone' gemeenteleden. Hierna reist Apollos naar Achaje. Daar wordt hij een belangrijk instrument in Gods hand. Doordat hij onvermoeid aantoont dat Jezus de Christus is, is hij van veel nut. En dat niet dankzij zichzelf, maar "door Gods genade". Want geleerdheid en welsprekendheid zijn prachtige gaven, maar afhankelijk blijft ook Apollos van de Gever daarvan. Verder lezen: 1 Korintiërs 3:1-9 ====== 24 september ====== > Handelingen 19:1-12 Terug in Efeze ontmoet Paulus zo'n twaalf mannen. Ze worden discipelen genoemd en zijn ongetwijfeld oprecht, maar toch ontbreekt er iets wezenlijks. Als Paulus vraagt of zij de Heilige Geest ontvangen hebben, antwoorden ze: "Wij hebben zelfs niet gehoord dat er een Heilige Geest is", of duidelijker vertaald: “dat de Heilige Geest er al is”, dat Hij al is uitgestort. Deze discipelen waren wel gedoopt met de doop van Johannes de Doper, die wees op het komende werk van Christus, maar nu ontvangen zij ook de uitgestorte Geest van Christus. Hierna verkondigt Paulus de Christus drie maanden lang in de synagoge. Als het Zwaard van de Geest snijdt Gods Woord aan twee kanten. Terwijl het geloof werkt bij de een, leidt het bij anderen tot verharding. De hardnekkige ongelovigen spreken openlijk kwaad van 'de weg', van de christelijke leer en godsdienst. Paulus laat zich echter niet ontmoedigen. Hij trekt zich met de ware gelovigen terug in de gehoorzaal van Tyrannus. Twee jaar lang klinkt daar het apostolisch onderwijs. En God Zelf bevestigt de prediking met buitengewone wonderen. Zelfs de zweetdoeken van Paulus brengen genezing en verdrijven boze geesten. Niet omdat de apostel over magische krachten beschikt, maar "Gód deed buitengewone krachten.” De HEERE is het die wonderen werkt, niet in de laatste plaats het wonder van geloof en bekering! Verder lezen: Hebreeën 3:7-19 ====== 25 september ====== > Handelingen 19:13-20 Zeven Joodse geestenbezweerders zien in Efeze de wonderen die God door Paulus doet. Ze besluiten de Naam van Jezus als een soort toverspreuk te gebruiken bij het uitdrijven van boze geesten: "Ik bezweer u bij de Jezus, die Paulus predikt". Deze geestenbezweerders kennen Christus helemaal niet. En de heilige Naam van de Heere is maar geen magische formule die voor eigen gewin is te gebruiken. Het christelijk geloof komt niet neer op een goedkope tovertruc. De reactie van de boze geest die de geestenbezweerders in de naam van de door Paulus gepredikte Jezus willen uitdrijven is dan ook veelzeggend: "Jezus ken ik en van Paulus weet ik, maar wie zijt gij?" De duivel en zijn handlangers weten heel goed wie Christus en de Zijnen zijn. Maar de schijnvrome mannen maken hen niet bang. Die worden dan ook gewelddadig overmeesterd en vluchten naakt en gewond weg. Het laat maar zien: zonder deel aan Christus' bloed en Geest is een mens volstrekt weerloos tegen de machten van de duisternis. Wanneer dit gebeuren in de stad bekend wordt, wordt de Naam van de Heere Jezus door velen grootgemaakt. Velen komen tot bekering en belijden openlijk hun zondige praktijken. Tal van dure toverboeken worden verbrand. Ware bekering betekent immers een radicaal breken met de zonde, wat het ook kost. Dat geldt tot op de dag van vandaag! Verder lezen: Marcus 5:1-20 ====== 26 september ====== > Handelingen 19:21-40 De evangelieprediking in Efeze werpt rijke vruchten af, maar wekt ook felle tegenstand. Waar Gods Woord overwint, lijdt het rijk van de duisternis schade. Dat merkt de zilversmid Demetrius direct in zijn portemonnee. Hij verdient grof geld aan de handel in zilveren tempeltjes van de godin Artemis. Omdat Paulus vrijmoedig predikt dat door mensen gemaakte goden helemaal geen goden zijn, ziet Demetrius zijn inkomsten verdampen. Sluw hitst hij zijn vakgenoten op. Onder het schijnvrome mom van religieuze ijver voor de ‘grote’ Artemis der Efeziërs verdedigen zij hun eigen financiële belangen. Binnen de kortste keren is de stad in rep en roer. Een uitzinnige, verwarde menigte stroomt samen in het theater. In blinde woede gaat de heidense wereld tekeer tegen de bevrijdende waarheid van Christus. Paulus wil de schare moedig toespreken, maar wordt tegengehouden door de discipelen. En dan toont God hoe soeverein Hij regeert. Hij gebruikt hier geen grote wonderen of engelen, maar het nuchtere spreken van een heidense stadssecretaris om de menigte te sussen en uiteen te drijven. De Heere is het, die al wakend over Zijn kerk alle dingen regeert door Zijn eeuwige raad en voorzienigheid. Laten wij dan ook van harte dienaren zijn, niet van de Mammon, de god van het geld, maar van de Heere alleen. Dan boeken we eeuwige winst! Verder lezen: 1 Timoteüs 6:3-12 ====== 27 september ====== > Handelingen 20:1-12 Ondanks voortdurende vijandschap reist Paulus door om de jonge gemeenten te bemoedigen. In Troas zien we de nieuwtestamentische kerk ten voeten uit: op de eerste dag van de week – en dus niet op de zaterdag, maar op de zondag, de dag van Christus' opstanding – komen de gelovigen samen om Gods Woord te horen en het avondmaalsbrood te breken. Er is zulk een honger naar het evangelie dat Paulus er tot middernacht doorpreekt! Maar dan valt de jonge Eutychus in slaap. Hij valt uit het raam van de derde verdieping en blijkt dood. Maar dan toont de Heere Zijn levenscheppende macht. Paulus werpt zich op de jongen en door Gods genade keert het leven in hem terug. De dood heeft niet het laatste woord, want de opgestane Levensvorst regeert! Buitengewoon bemoedigd vieren de gelovigen daarna het avondmaal en luisteren ze nog tot de morgenstond naar de apostel. Laat er bij ons ook zulk een honger zijn naar Gods Woord! En hoewel de zondagse preken niet gauw meer zo lang duren, moeten we het horen naar Gods Woord niet alleen lichamelijk vol kunnen houden, maar vooral ook geestelijk niet in slaap vallen en onverschillig worden. Laten we wakker en nuchter zijn, voortdurend biddend om de levendmakende kracht van de Heilige Geest. Want waar Hij werkt met het Woord, daar ontkiemt eeuwig leven! Verder lezen: 1 Tessalonicenzen 5:1-11 ====== 28 september ====== > Handelingen 20:13-38 Op weg naar Jeruzalem roept Paulus de oudsten van Efeze naar Milete voor een ontroerend afscheid. Hij blikt terug op zijn trouwe dienst. Met ootmoed, onder vele tranen en beproevingen heeft hij hun héél de raad van God verkondigd. Niets heeft hij achtergehouden. Onvermoeibaar drong hij daarbij aan op bekering tot God en geloof in de Heere Jezus Christus. En nu wacht hem dus de reis naar Jeruzalem. Geleid door de Geest weet de apostel dat hem daar gevangenschap en verdrukking wachten. Toch deinst de apostel daar niet voor terug. Hij heeft er zijn leven voor over om maar zijn loopbaan te mogen volbrengen en dus het evangelie van Gods genade in Christus te blijven prediken. Wat een zelfverloochenende liefde toont de gezonden apostel hier voor zijn Zender! Daarna ontvangen de oudsten van Efeze een liefdevolle vermaning en waarschuwing. Zij moeten biddend waken over de kudde, die God Zich door het dierbare bloed van Zijn eniggeboren Zoon heeft verworven. Er zullen immers grimmige wolven, ja dwaalleraren de gemeente binnendringen. Paulus draagt de oudsten ten slotte op aan de grote Bewaarder: aan de Heere en aan het woord van Zijn genade. Onder luid geween en innige omhelzingen nemen ze afscheid. Zo bindt de Geest hier de harten samen. En zo doe Hij ook aan ons! Verder lezen: 1 Petrus 5:1-11 ====== 29 september ====== > Handelingen 21:1-14 Op weg naar Jeruzalem ontmoet Paulus in Tyrus en Caesarea medegelovigen. Hun geestelijke verbondenheid blijkt wel als ze samen op het strand knielen om te bidden. Toch brengt deze ontmoeting ook een zware beproeving met zich mee. In Tyrus wordt Paulus gewaarschuwd voor naderend gevaar. En in Caesarea voegt de profeet Agabus daar een zichtbare profetie aan toe: hij bindt zichzelf met de gordel van Paulus en voorzegt dat de apostel in Jeruzalem precies zo gebonden en uitgeleverd zal worden. Paulus’ reisgenoten en de plaatselijke gelovigen smeken hem zijn reis af te breken. Dat doen ze niet door de Geest, maar in hun bezorgdheid. Hun tranen raken de apostel; ze maken zijn hart week. Het is een zware aanvechting: de goedbedoelde zorg van medegelovigen die dreigt af te houden van de gehoorzaamheid aan de Heere. Maar door Gods genade staat Paulus rotsvast. Hij is niet alleen bereid om gebonden te worden, maar zelfs om te sterven voor de Naam van Christus. Zíjn leven draait immers niet om aardse veiligheid, maar om de eer van zijn hemelse God. Wanneer de broeders deze standvastigheid opmerken, buigen ze ootmoedig het hoofd: "De wil des Heren geschiede." Laten ook wij hiervan leren onszelf altijd over te geven aan Gods geopenbaarde wil, ongeacht de offers die dat kost. Paulus – en wat meer is: Christus – is ons daarin voorgegaan! Verder lezen: Matteüs 26:36-46 ====== 30 september ====== > Handelingen 21:15-26 Wanneer Paulus in Jeruzalem aankomt, deelt hij vol blijdschap mee wat voor grote dingen God heeft gedaan onder de heidenen. De oudsten loven de Heere voor dit genadewonder. Toch is er ook onrust. In Jeruzalem zijn duizenden Joodse christenen die vurig ijveren voor het onderhouden van de ceremoniële wetten van het Oude Testament. Ze zien nog niet in dat die in Christus een einde hebben genomen. Onder hen is het hardnekkige en valse gerucht verspreid dat Paulus de Joden in de verstrooiing zou leren om de wet en de besnijdenis af te vallen. Om de eenheid te bewaren en onnodige aanstoot te voorkomen, komen Jakobus en de oudsten met een pastoraal voorstel. Paulus moet zich aansluiten bij vier mannen die een nazireeërgelofte hebben afgelegd, en hun tempelkosten betalen. Daarmee kan hij openlijk laten zien dat hij Gods wet niet minacht. En hoewel Paulus als geen ander weet dat een mens uitsluitend door het geloof in Christus gerechtvaardigd wordt en niet door de onderhouding van de wet, stemt hij ermee in. Hij sluit hiermee geen compromis over de leer van het evangelie, maar toont slechts ware naastenliefde. Om zijn zwakkere Joodse broeders te behouden en de rust in de kerk te bewaren, geeft hij vrijwillig zijn eigen vrijheid op. Laten wij ervan leren onze persoonlijke rechten zo nodig op te geven omwille van de liefde en de eensgezindheid in de kerk. Verder lezen: Romeinen 14:13-23**\\ ** ====== 1 oktober ====== > Handelingen 21:27-39 De bereidheid van Paulus om zijn vrijheid op te geven uit liefde voor zijn Joodse broeders, voorkomt niet dat de vlam in de pan slaat. Joden uit Klein-Azië zien de apostel in de tempel en stoken de menigte op met schandalige leugens. Ze beschuldigen hem ervan dat hij een onbesneden heiden het heiligdom heeft binnengebracht. Blinde religieuze haat neemt het over van een nuchter geloof. Heel Jeruzalem raakt in rep en roer. De woedende menigte sleurt Paulus de tempel uit en probeert hem dood te slaan. Hiermee gaat de eerdere profetie van Agabus in vervulling. De Romeinse commandant grijpt in, arresteert Paulus en boeit hem met twee ketenen. Terwijl de apostel wordt afgevoerd, schreeuwt de meute: "Weg met hem!" Het is een ijzingwekkende echo van wat jaren eerder klonk op de binnenplaats van Pilatus, toen de Heere Jezus werd veroordeeld. De door Christus gezonden apostel deelt hier in het bittere lijden van zijn Zender. Toch loopt de situatie God niet uit de hand. Integendeel, Hij gebruikt uitgerekend een heidense Romein om het leven van Zijn dienaar te redden, opdat Paulus het evangelie straks zelfs in Rome zal verkondigen. Zelfs in de meest bedreigende omstandigheden houdt de Heere het roer in handen. Laten wij in tijden van beproeving dan ook moed en troost putten uit de grenzeloze macht en trouw van onze hemelse God en Vader. Verder lezen: Lucas 23:13-25 ====== 2 oktober ====== > Handelingen 21:40-22:22 Paulus krijgt toestemming om tot het volk te spreken. Er valt een stilte wanneer hij zijn volksgenoten in hun eigen Hebreeuwse taal toespreekt. Wat volgt is geen spitsvondig juridisch verweer, maar een indringend persoonlijk getuigenis van de genade die God hem bewezen heeft. Paulus houdt de woedende joden een spiegel voor. Hij was immers precies zoals zij: een fanatiek ijveraar voor God, maar zó verblind door Christus-haat dat hij de volgelingen van Christus ten dode toe vervolgde. Maar toen greep de Heere in. Op de weg naar Damascus werd hij tegen de vlakte geslagen. De ontdekkende vraag van de Heere Jezus verbrijzelde zijn stenen hart: "Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?" Het bewijst maar dat het deelhebben aan de zaligheid niet afhangt van onszelf, maar van de verkiezende genade waarmee God ons opzoekt. De menigte luistert ademloos, totdat Paulus dat ene woord uitspreekt: heidenen. Zodra ze horen dat het heil ook naar de volken buiten Israël uitgaat, barst de woede weer los. De joden staan toch zeker niet op één lijn met heidenen?! Heidenen moeten volgens hen eerst jood worden om te delen in het heil van Israël. En dus opnieuw: weg met zo iemand! Iemand als Paulus mag zelfs niet blijven leven! Maar Paulus schrikt er al niet meer van: de kennis van Christus gaat voor hem alles te boven. Verder lezen: Filippenzen 3:1-11 ====== 3 oktober ====== > Handelingen 22:23-29 De woede van de Joodse menigte bereikt een kookpunt. Ze schreeuwen, zwaaien met hun kleren en werpen stof in de lucht. De Romeinse overste snapt niets van de religieuze ophef en beveelt Paulus te geselen om de waarheid uit hem te slaan. Dit was geen gebruikelijke lijfstraf, maar een gruwelijke marteling. Terwijl Paulus met riemen wordt vastgebonden, stelt hij een uiterst scherpe vraag: Mogen jullie een nog niet veroordeelde Romein wel geselen? Die ene vraag verandert alles. De Romeinse militairen deinzen verschrikt terug. De overste had zijn burgerrecht voor veel geld gekocht, maar had niet verwacht dat Paulus het óók bezit, en wel eenvoudigweg door geboorte in Tarsus, waar men het Romeinse burgerrecht ontving. Maar waarom beroept Paulus zich hier op zijn aardse rechten? Is hij het spoor van het geloof soms bijster? Beslist niet. Het is te danken aan Gods voorzienigheid dat Paulus dit Romeinse burgerrecht bezit. De Heere gebruikt deze seculiere wetgeving als een schild om Zijn knecht te bewaren, opdat Paulus het evangelie straks in Rome kan verkondigen! Wij mogen onze wettelijke rechten dus gerust gebruiken om onrecht te bestrijden. Tegelijkertijd ligt onze troost elders. Als christenen hebben wij nog een veel hoger burgerrecht dan het Romeinse, en wel een hémels burgerrecht, dat niet met goud of zilver is betaald, maar met het dierbare bloed van Christus. Verder lezen: Filippenzen 3:12-21 ====== 4 oktober ====== > Handelingen 22:30-23:11 De Romeinse overste brengt Paulus voor het Sanhedrin, de joodse Raad. De apostel verklaart tegenover de “mannen broeders” dat hij een volkomen zuiver geweten heeft voor God. Uit blinde haat laat de hogepriester Ananias Paulus op de mond slaan. De apostel reageert scherp: "Gód moge ú slaan, gij gewitte wand", gij die van buiten wel wat lijkt maar van binnen volstrekt bedorven zijt. Maar zodra Paulus beseft wie hij voor zich heeft, buigt hij ootmoedig voor het gezag. Hij denkt aan Exodus 22: “een vorst van uw volk zult gij niet verwensen”. Vervolgens geeft Paulus scherpzinnig aan dat hij terechtstaat vanwege de opstanding uit de doden. Daarmee weet hij de farizeeën uit te spelen tegen de sadduceeën, die geen opstanding geloofden. De Raad valt uiteen. Opnieuw moeten de Romeinen de apostel redden. Na alle tumult volgt een donkere nacht in de kazerne. Maar daar roept de Heere Zelf Zijn dienaar toe: "Houd moed!" Christus verzekert Zijn aangevochten knecht ervan dat hij ook in Rome zal getuigen. Want hoezeer de wereld ook woedt, Gods raadsplan met Zijn kerk wordt zonder meer volvoerd. Daarom hoeft Paulus niet te vrezen. “Maakt u dan niet bezorgd”, sprak Christus al eens tot Zijn discipelen. Gij zult wel “door allen gehaat worden om mijns naams wil; maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden.” Verder lezen: Matteüs 10:16-23 ====== 5 oktober ====== > Handelingen 23:12-22 Nadat de Heere Paulus in de nacht heeft bemoedigd met de belofte dat de apostel in Rome zal getuigen, smeedt de vijand overdag een complot. Meer dan veertig joden doen een duivelse gelofte: zij zullen niet eten of drinken totdat Paulus vermoord is. De joodse leiders werken maar al te graag mee aan deze goddeloze samenzwering. Het beraamde plan lijkt waterdicht en de situatie volkomen hopeloos voor de gevangen apostel. Maar dan schittert Gods voorzienigheid! En wel op eenzelfde manier als eeuwen eerder in het gebeuren van Ester 2. De Heere stuurt geen leger engelen uit de hemel, maar gebruikt een op het oog onbeduidend middel. Een eenvoudige jongeman – de neef van Paulus – hoort 'toevallig' van deze geheime hinderlaag. Hij weet de kazerne binnen te komen en mag zelfs met de hoogste Romeinse commandant spreken. Deze heidense overste neemt de waarschuwing serieus en besluit Paulus te beschermen. Zo loopt deze list van de duivel stuk op de eeuwige raad van God. Wat de Heere in de nacht beloofd heeft, zal Hij doen, ook al verzet de hele wereld zich ertegen. Het doet ons weten: blind toeval of een willekeurig noodlot bestaat niet in het leven. God leidt Zijn schepping zó, dat zelfs de kleinste dingen meewerken tot de volvoering van Zijn raadsplan. Verder lezen: Ester 2:19-23 ====== 6 oktober ====== > Handelingen 23:23-35 Zodra Claudius Lysias, de Romeinse overste, van de moordaanslag hoort, grijpt hij onmiddellijk in. Om één weerloze gevangene te beschermen, mobiliseert hij een legermacht van maar liefst 470 man! Midden in de nacht wordt Paulus, omringd door zwaarbewapende soldaten en ruiters, naar Caesarea overgebracht. Wel een schitterend bewijs van Gods leiding en trouwe zorg! De Heere had in de nacht beloofd dat Paulus in leven zou blijven, en nu zet Hij het machtige Romeinse leger in om die belofte in te lossen. In de begeleidende brief aan stadhouder Felix verdraait Lysias wel de tijdlijn om zelf als redder over te komen, maar erkent hij toch volmondig de kern van de zaak: Paulus is onschuldig. Terwijl de joodse leiders Gods knecht willen vermoorden, spreekt de heidense overheid hem vrij. Paulus arriveert veilig in het paleis te Caesarea. De eed van de veertig bloeddorstige Joden is mislukt. Deze geschiedenis toont hoe soeverein God regeert. Hij gebruikt de seculiere machten – inclusief hun eigenbelang en trots – om Zijn raadsplan te volvoeren. Hoe veilig zijn Gods kinderen bij de Heere, óók als de omstandigheden hopeloos lijken! Zo nodig schakelt Hij zelfs een leger in, van mensen of ook van engelen, om hen te beschermen. Verder lezen: 2 Koningen 6:8-18 ====== 7 oktober ====== > Handelingen 24 Paulus verschijnt voor stadhouder Felix. De door de joden ingeschakelde advocaat Tertullus schildert Paulus af als een oproerkraaier. Paulus verdedigt zich echter rustig, gerust als hij is in de Heere. Hij belijdt openlijk dat hij de God der vaderen dient en hoopt op de opstanding van doden, en dat hij zich voortdurend oefent om een zuiver geweten te hebben voor God en mensen. Dat maakt hem vrijmoedig! Felix verdaagt de zaak, maar roept Paulus later bij zich om meer te horen over het christelijk geloof. Paulus houdt dan geen oppervlakkig praatje, maar spreekt indringend over de gerechtigheid en het komende oordeel. Het confronteert Felix met zijn corrupte en losbandige leven. Het Zwaard van de Geest dringt zo diep tot Felix door, dat hij er bang van wordt. Maar zijn vrees gaat niet gepaard met ware bekering. Felix schuift de beslissing voor zich uit: "Ga voor heden heen". Het is een gevaarlijk uitstel, dat meer dan eens leidt tot afstel. Zo ook bij Felix. Zijn liefde voor geld wint het van de zorg voor zijn ziel. Hopend op steekpenningen laat hij Paulus twee jaar onschuldig gevangen zitten. Gods Woord aanhoren en er zelfs van beven, maar niet buigen voor de Zaligmaker, dat wordt een mens fataal. Laten wij dan ook waken voor uitstel en ons héden bekeren! Verder lezen: Hebreeën 4:1-13 ====== 8 oktober ====== > Handelingen 25:1-12 Festus volgt Felix op als stadhouder. Wie verwachtte dat de woede van de Joodse leiders na twee jaar wel zou zijn bekoeld, komt bedrogen uit. Want zodra Festus aantreedt, smeken de overpriesters hem om Paulus naar Jeruzalem te laten overbrengen. Hun plan is even sluw als bloeddorstig: ze willen de apostel onderweg in een hinderlaag vermoorden. Het toont aan dat zondige haat niet vanzelf uitdooft; zonder de vernieuwende genade van Gods Geest blijft het hart van een mens zich verharden. Wanneer Festus de rechtszaak opent, uiten de Joden zware beschuldigingen. Maar Festus wéét dat Paulus onschuldig is. Toch stelt hij voor de zaak naar Jeruzalem te verplaatsen, puur om de Joden een politieke gunst te bewijzen. Paulus doorziet de valstrik meteen. Als Romeins burger spreekt hij de woorden: "Ik beroep mij op de keizer!" Daarop kan Festus niet anders antwoorden dan met: “Naar de keizer zult gij gaan!” Hier is geen gebrek aan geloofsvertrouwen, maar de verantwoorde inzet van wettige middelen. En bovenal schittert hier opnieuw Gods voorzienigheid. De Heere gebruikt de seculiere rechtspraak om Zijn knecht te bewaren. Sterker nog: door dit beroep op de keizer gaat de Heere vervullen wat Hij in Handelingen 23 beloofde. Paulus zál het evangelie naar Rome brengen, zelfs op kosten van de staat! Zo volvoert God onfeilbaar Zijn niet te verhinderen raad. Verder lezen: Spreuken 16:1-9 ====== 9 oktober ====== > Handelingen 25:13-27 Koning Agrippa en zijn zus Bernice komen op staatsbezoek bij stadhouder Festus. Tijdens hun verblijf bespreekt Festus de zaak van Paulus. Het is veelzeggend hoe deze Romein de zaak samenvat: het gaat slechts over "een zekere Jezus, die dood is, van wie Paulus beweerde, dat Hij leeft." Voor de heidense Festus is zoiets een onbegrijpelijke dwaasheid. Maar voor Paulus – en voor ons – is de na Zijn kruisdood opgestane Heiland het enige fundament van onze zaligheid. Nieuwsgierig geworden, wil Agrippa de apostel wel eens aanhoren. De volgende dag vindt een hoorzitting plaats. Het contrast kan haast niet groter. Aan de ene kant zit de wereldse elite in pracht en praal, geflankeerd door hoge legercommandanten. Aan de andere kant staat een eenvoudige, geboeide gevangene. Toch is de geestelijke werkelijkheid precies omgekeerd. Agrippa en Festus zijn, ondanks al hun aanzien, dodelijk gebonden door de zonde. Paulus daarentegen is, hoewel hij letterlijk in ketenen staat, in Christus werkelijk vrij! Festus zoekt slechts een juridische aanklacht voor zijn brief aan de keizer. Maar de Heere gebruikt deze elitaire samenkomst voor Zijn doel: het evangelie van de opgestane Christus moet klinken, ook in de allerhoogste kringen. Zelfs voor de machtigste en vijandigste koningen hoeven we ons niet te schamen voor het bevrijdende evangelie van onze hemelse Koning. Verder lezen: 1 Korintiërs 15:12-22**\\ ** ====== 10 oktober ====== > Handelingen 26:1-23 Paulus krijgt de kans zich voor koning Agrippa te verdedigen. Hij begint niet met een klaagzang over zijn onterechte gevangenschap, maar grijpt de gelegenheid aan om vrijmoedig te getuigen. De ware reden dat hij terechtstaat, is de hoop op de belofte die God aan de vaderen deed. Alles draait om die ene vraag: "Waarom wordt het bij u ongelofelijk geacht, als God doden opwekt?" Paulus houdt niets verborgen van zijn zondige verleden. Eerlijk belijdt hij zijn eerdere haat en vervolging van de christelijke kerk. Maar toen was daar het wonder van Gods genade, in zijn bekering op de weg naar Damascus. In plaats van zijn verdiende loon, ontving deze vijand een goddelijke roeping. Christus stelde hem aan als Zijn dienaar om de ogen van jood en heiden te openen tot geloof en bekering. Aan deze hemelse roeping is Paulus door Gods genade gehoorzaam gebleven. Hij verkondigt slechts wat Mozes en de profeten al hadden voorzegd: de Christus móést lijden en als Eerste uit de doden opstaan. Laten ook wij dit evangelie geloven en belijden, en er vrijmoedig van getuigen dat het niet ongelofelijk maar juist voluit geloofwaardig is, ja ons aller geloof waard, dat Christus uit de doden is opgestaan en wij Hem daarin mogen volgen. Verder lezen: 1 Timoteüs 1:12-17 ====== 11 oktober ====== > Handelingen 26:24-32 Terwijl Paulus zijn getuigenis aflegt, onderbreekt Festus hem ruw: "Gij spreekt wartaal, Paulus!" En dat is niet vreemd. Want voor de natuurlijke mens is de prediking van het kruis en de opstanding pure dwaasheid. Paulus blijft echter kalm. Hij spreekt de nuchtere waarheid en richt zich rechtstreeks tot koning Agrippa, die de Schriften kent. Paulus vraagt hem: "Gelooft gij de profeten?" Agrippa voelt zich in het nauw gedreven door dit persoonlijke appèl en wringt zich er behendig onderuit: "Gij wilt mij wel spoedig als christen laten optreden!" Agrippa is zelf niet van plan om christen te worden. Maar dan toont Paulus een vurige liefde voor hun zielen. Hij bidt dat allen precies zo mogen worden als hij – volkomen vrij in Christus – maar dan wel zónder zijn knellende boeien. Het is een heerlijk blijk van Gods genade, als Zijn liefde ons hart zó vervult, dat we zelfs de redding verlangen van degenen die ons onrecht aandoen! Na afloop erkennen de machthebbers Paulus' onschuld. Slechts zijn beroep op de keizer houdt hem gevangen. Maar dat moet ook. Want Paulus moet naar Rome. Daarvan geldt niet slechts: zo de Here wil, maar: zó wil de Here. Verder lezen: Matteüs 5:38-48 ====== 12 oktober ====== > Handelingen 27:1-13 De reis naar Rome is begonnen. Onder bewaking van de Romeinse hoofdman Julius schepen Paulus en andere gevangenen in. De vaart verloopt echter moeizaam door tegenwind en vertragingen. Het laat zien dat Gods weg lang niet altijd zonder tegenslag is. Toch is God erbij met Zijn Vaderlijke zorg: Hij neigt het hart van Julius zó, dat deze heiden Gods knecht vriendelijk behandelt. Omdat de herfst inmiddels is aangebroken, wordt verder varen levensgevaarlijk. Paulus waarschuwt de bemanningsleden voor grote schade, niet alleen aan hun schip, maar ook aan hun leven. De hoofdman legt deze door de Heilige Geest ingegeven waarschuwing echter naast zich neer. Hij stelt zijn vertrouwen liever op de kennis en kunde van de stuurman en de schipper. Hoe typerend: van nature vertrouwen we liever op menselijke ‘deskundigen’ dan op het goddelijke Woord. Wanneer er plotseling een zachte zuidenwind opsteekt, lijken die deskundigen ook nog eens gelijk te krijgen. Vol zelfvertrouwen lichten ze het anker en wanen ze zich veilig. Maar hoe misleidend blijkt hun gerustheid straks te zijn! Laten wijzelf dan ook oppassen: in het leven moeten we onze koers niet laten bepalen door gebrekkige meningen van mensen, maar door Gods onfeilbaar Woord. Verder lezen: Spreuken 3:1-8 ====== 13 oktober ====== > Handelingen 27:14-44 De zachte zuidenwind verandert al snel in de verwoestende orkaan Eurakylon. Stuurloos drijft het schip rond. Menselijke hulpmiddelen falen: de vracht en het scheepstuig gaan overboord. Als dagenlang zon noch sterren verschijnen, verdampt de laatste hoop op redding. Hoe herkenbaar: als we blindvaren op ons eigen inzicht in plaats van op Gods Woord, eindigen we in duisternis en wanhoop. Maar te midden van deze doodsangst spreekt God! In de nacht bezoekt een engel Paulus. Het goddelijke raadsplan is onwrikbaar: Paulus zál in Rome getuigen. God wil zelfs het leven redden van álle 276 opvarenden. Omwille van de trouwe dienstknecht van Christus worden deze heidenen gespaard. Paulus bemoedigt hen vol geloof: "Ik heb dit vertrouwen op God, dat het zo zal gaan, als mij gezegd is." Na veertien dagen vasten breekt Paulus het brood en dankt God. Een prachtig getuigenis aan boord. Het loopt uit op een schipbreuk en de soldaten willen de gevangenen zelfs doden, maar hoofdman Julius spaart Paulus en daarmee de rest. Het schip breekt in stukken, maar Gods Woord houdt stand in eeuwigheid! Precies zoals beloofd, komt iedereen behouden aan land. Laten wij die varen op het kerkschip vast vertrouwen op de Heere en Zijn Woord, om ons geloof geen schipbreuk te laten lijden maar zelfs de grootste stormwinden in ons leven te kunnen doorstaan! Verder lezen: Psalm 107:23-32 ====== 14 oktober ====== > Handelingen 28:1-10 Behouden aan wal gekomen, blijkt de groep gestrand te zijn op het eiland Malta. God toont daar Zijn zorg door middel van de heidense eilandbewoners, die “buitengewone menslievendheid” tonen. Ze steken een groot vuur aan om de verkleumde schipbreukelingen te verwarmen. En de apostel Paulus voelt zich er niet te groot voor om mee te helpen en hout te sprokkelen. Maar dan grijpt een dodelijke adder zijn hand. De heidense bewoners denken meteen: deze man is vast een moordenaar, gestraft door goddelijke wraak. Als Paulus de slang echter ongedeerd in het vuur schudt, slaat hun mening helemaal om: hij is een god! Het toont de wispelturigheid van het zondige mensenhart. Het oordeelt verkeerd. De meningen van mensen zijn onbetrouwbaar en veranderen maar zo. Laten wij daarom alleen uitgaan van de ons in Gods Woord geopenbaarde zin en mening van de Heilige Geest! Paulus laat zich door deze dwaze verafgoding niet meeslepen. Hij weet zich een eenvoudige dienaar van Christus. Als de vader van de eilandbestuurder Publius dan ook ernstig ziek is, geneest Paulus hem niet in eigen kracht, maar onder ootmoedig gebed. De genezing van vele andere zieken volgt. Zo wordt de schijnbaar fatale schipbreuk tot een rijke zegen voor heel Malta. Waar de Heere Zijn kinderen ook brengt, daar wil Hij hen dienstbaar maken aan de vermeerdering van Zijn eer! Verder lezen: Marcus 16:14-20 ====== 15 oktober ====== > Handelingen 28:11-31 Paulus bereikt Rome. Gods belofte is dwars door alles heen vervuld. De plaatselijke broeders reizen hem tegemoet. Paulus dankt God ervoor en grijpt moed. De gemeenschap der heiligen doet hem goed. Hoewel Paulus in Rome in huisarrest verblijft, roept hij de joodse leiders samen. Hij verklaart dat hij door joods verzet als gevangene in Rome is terechtgekomen, terwijl het hem juist te doen is om "de hoop van Israël"! De joodse leiders zijn nog onbekend met Paulus en willen wel meer horen over zijn ‘sekte’. Van de vroege morgen tot de late avond opent Paulus dan de Schriften om hen ervan te overtuigen dat Jezus de Christus is. We zien het bekende patroon: sommigen geloven, anderen blijven ongelovig. Het brengt Paulus tot het uitspreken van de ernstige woorden uit Jesaja 6 over het niet willen horen en het daardoor ook niet meer kunnen verstaan. En dan wijst hij op het heil dat God nu ook tot de heidenen gezonden heeft. In tegenstelling tot veel joden, zullen veel heidenen het evangelie wél willen horen en verstaan. Hierop vertrekken de joden al twistend met elkaar. Twee jaar lang klinkt hier in Rome het evangelie, midden in het hart van het heidense wereldrijk, en wel "zonder enige belemmering". De knecht is geboeid, maar het Woord niet! Gods Woord vindt altijd Zijn weg, ook in ons leven. Verder lezen: Romeinen 1:8-17 ====== 16 oktober ====== > Galaten 1:1-10 De roeping die van God komt, om het Evangelie te verkondigen, is niet afhankelijk van mensen. Dat maakt de apostel Paulus in de eerste zinnen van zijn brief aan de gemeenten in Galatië duidelijk. Hij is door God de Vader en door de Here Jezus Christus geroepen. En wat hij moet verkondigen van zijn hemelse Zender is de enige leer tot behoud en redding uit de wereld van de zonde. Hij predikt niet voor zichzelf om in een goed boekje te komen bij de mensen. Om zoveel mogelijk volgers achter zich aan te krijgen zodat hij heel veel likes krijgt. O nee, niets daarvan. Om zijn eigen populariteit is het Paulus niet te doen. Want je maakt je toch niet populair door anderen te vervloeken die een ander evangelie brengen? Nee, de apostel is niet bezig mensen te behagen of zieltjes te winnen. Hij zoekt God te behagen, door alles op alles te zetten om het Evangelie van Jezus Christus tot zijn recht te doen komen. Het Evangelie van de Here Jezus Christus die Zichzelf voor onze zonden heeft opgeofferd. Dit is de enige weg tot zaligheid, tot verlossing uit de wereld van zonde en ondergang, om onze God en Vader de heerlijkheid toe te brengen. Verder lezen: I1 Timotheüs 1:1-11 ====== 17 oktober ====== > Galaten 1:11-24 De bedoeling hier is duidelijk te maken dat de weg die de Here gaat met Zijn dienaren ongedacht is. Een mens bedenkt dat niet. En het Evangelie dat zij verkondigen ook niet. Gods wegen zijn hoogheilige wegen. Paulus had eerst wel de ‘likes’, een heel hoge en voorname positie. Namelijk binnen het Jodendom. Hij had die zelf verdiend, als een echte man van de wet. Hij ijverde ook hartstochtelijk en vol inzet voor de wet. Hij dacht voor de HERE te strijden, maar het was tegen Hem. Hij vervolgde de gemeente, als waren het goddeloze wetsovertreders, maar hij vervolgde de Christus. Daar kwam door goddelijk ingrijpen een einde aan. De Here Jezus trad op vanuit de hemel en nam Saulus in zijn dienst. Daar kwamen geen mensen aan te pas. En wat Paulus moest gaan verkondigen ook niet. Hij kreeg het door openbaring. Eens heeft hij wel overleg gehad met enkele andere apostelen, maar dat was geen cursus evangelieverkondiging. Paulus was direct geroepen en gezonden door onze verhoogde Heiland. Die zending door God bepaalt zijn bevoegdheid en is zijn kracht. Zodat Paulus vrijmoedig, langs ongedachte wegen, het Evangelie verkondigde. Dit zorgde voor de verheerlijking van God; het doel van ons leven. Verder lezen: Handelingen 9:1-19a ====== 18 oktober ====== > Galaten 2:1-10 Het is niet afhankelijk van de persoon of iemand bekwaam is voor de verkondiging. Het is God die de kracht daartoe geeft. En het is één en al genade als de Here iemand roept en bekwaam maakt om het Evangelie van de genade van Christus te verkondigen. Dat Evangelie is bestemd voor Jood en Griek, voor besnedenen en onbesnedenen. Want alles staat onder de noemer van Gods soevereine ontferming. Uitsluitend Zijn krachtwerking in zijn dienaren is bepalend of zij kunnen arbeiden. En dan gaan zij in overleg samenwerken, eenieder naar zijn eigen arbeidsveld. Zodat ze niet door elkaar lopen maar tegelijk wel hetzelfde heilige Evangelie verkondigen, tot zaligheid voor eenieder die gelooft. Daarbij moet van begin af aan gewaakt worden voor de valse broeders die dit Evangelie van vrije genade niet uit kunnen staan. Die de vrijheid van Christus bespieden, en die proberen af te nemen met schijnvroomheid in het onderhouden van (besnijdenis)wetten. Maar de ware besnijdenis is van het hart. De eigen gerechtigheid van de mens, die de genade bestrijdt, die moet direct bestreden worden, zonder aanzien des persoons, want anders wordt niet meer alle lof aan God gebracht. Verder lezen: Handelingen 15:1-21 ====== 19 oktober ====== > Galaten 2:11-14 Angst voor mensen, dat was Petrus’ valkuil (zie Lucas 22:54-62). Daardoor ging hij huichelen. Daardoor kwam er discriminatie van de christenen uit de heidenen, die niet besneden waren. Blijkbaar was er onder sommige christenen uit de Joden hoogmoed. Hun bevoorrechting als Joden, vereiste in hun ogen een gescheiden leven van gelovigen uit de heidenen. Maar dit was niets anders dan een verloochening van de eenheid in Christus en het geloof in Hem als de vervuller van de wet. De scheidsmuur die er eerst wel was, was nu weggebroken. En Petrus wist dat, want hij at eerst gewoon met de christenen uit de heidenen. Vrees voor mensen echter deed hem het verkeerde pad opgaan. En Paulus keert zich omwille van de waarheid daartegen. Geen vrees voor mensen, maar vrees voor God stond hem hierbij voor ogen, zodat hij durfde optreden tegen één van de voornaamste apostelen. Hoe kunnen wij ook zo dapper optreden? Door te geloven in Christus. Door de HERE te vrezen om niet van Zijn Woord af te wijken. Door ons te //laten// leren zodat wij onderscheiden waarop het aankomt, en zo twist en tweedracht zoeken te voorkomen, omwille van de eenheid van de kerk, het lichaam van Christus. Verder lezen Handelingen 10-11:18 ====== 20 oktober ====== > Galaten 2:15-21 Of iemand nou een zondaar is uit de heidenen, of geboren als Jood onder de wet, het maakt geen verschil. Want door werken van de wet te doen kan niemand gerechtvaardigd worden. Er is slechts één manier om gerechtvaardigd te worden, en dat is door het geloof in Jezus Christus. En geloven staat lijnrecht tegenover het verwachten van gerechtigheid uit de werken. Als u dit goed bedenkt, dan ziet u ook dat u uw eigen vlees, uw eigen ego, moet kruisigen. Wij willen het graag zelf verdienen. De mens denkt van zichzelf dat hij het heel goed doet. Maar wij moeten daar radicaal van af door het geloof. Want dan worden wij met Christus gekruisigd en vertrouwen we voor geen millimeter meer op onszelf, maar zien we in dat Hij onze gerechtigheid voor God is. Christus, en Christus alleen! Hij is het, die de gerechtigheid die God in Zijn wet van ons eist, heeft volbracht. Volmaakt is deze Zaligmaker. Volmaakt in de liefde, waardoor Hij Zich voor u en mij heeft overgegeven in de dood. Ja, alles heeft Hij voor ons overgehad, zodat wij in Hem Gods gerechtigheid krijgen. Dat is één en al genade. En uit deze genade kunnen we leven. Elke dag opnieuw. In blijde dankbaarheid eigendom van Jezus Christus te zijn. Verder lezen: Romeinen 3:21-26 ====== 21 oktober ====== > Galaten 3:1-14 Door het geloof, en door het geloof alleen. Dat is het thema dat de apostel hier begint aan te snijden. Alleen door het geloof worden wij gerechtvaardigd door God. En dat geloof is er niet doordat wij daarvoor gewerkt hebben. En de gaven van de Heilige Geest komen niet tot ons, omdat wij ons daarvoor hebben ingespannen, door aan allerlei wetsregels te voldoen. Nee, zo is het niet. Steeds weer wordt de kerk en het Evangelie van soevereine genade van God bedreigt door de dwaling alsof onze werken maatgevend en bepalend zijn voor Gods zegeningen. Het geloof is daarentegen gevolg en uitwerking van het gepredikte Woord. Waarbij wij de gave van de Heilige Geest krijgen op de prediking van het geloof. Abraham, en een ieder die zijn geestelijk kind is, wordt gerechtvaardigd door het geloof in Christus. Daarvoor heeft Christus de gerechtigheid van de wet volbracht. Want God, die consequent is, houdt aan zijn eis van gehoorzaamheid altijd vast. Door de prediking van de Christus, en het geloof in Hem, is de zegen van Abraham tot ons gekomen. Alleen door te vertrouwen is Christus’ gerechtigheid van u en mij. Anders blijft de vloek van de wet op ons liggen. Het is het één of het ander, zegen of vloek. Verder lezen: Romeinen 4:1-12 ====== 22 oktober ====== > Galaten 3:15-29 Het gaat om Christus. Hij is de beloofde Zoon van Abraham. Op Hem sloeg de belofte. In en door Zijn komst heeft God Zijn belofte aan Abraham vervuld. En door het geloof in Hem hebben wij de belofte verkregen. Door te geloven in de Here Jezus behoor je ook tot Abrahams nageslacht, heb je hem tot geestelijk vader, en ben je ook in zijn volk opgenomen; de christelijke kerk. Dat is een uitnemend voorrecht. Want we hoeven niet op de belofte te wachten, wanneer die vervuld zal worden, want de belofte is al vervuld in Christus. En daarom is de wet ook niet meer nodig om ons als een schoolmeester voor te bereiden op zijn komst. We leven daarentegen elke dag in de zalige kennis dat Christus de wet heeft vervuld en al die offers en ceremonies niet meer nodig zijn. Alles is volbracht. En het heerlijke is, dat we door de doop zo in Christus zijn ingelijfd, dat we kinderen van Abraham en zonen en dochters van God genoemd worden. Wat een onuitsprekelijk geluk is het, om kind van God te zijn! Wat een gelukzalig leven daarom ook! Want steeds zijn we onder Zijn hoede. Wat een troost ook als we tegenspoed hebben. Om dan altijd te weten kind van de Vader te zijn en erfgenaam van het Koninkrijk. Verder lezen: Genesis 12:1-7 en 26:1-6 ====== 23 oktober ====== > Galaten 4:1-11 Het is voor ons vandaag niet voor te stellen hoe gelukkig een slaaf in de oudheid was, als zijn heer hem tot zoon aannam. Hierdoor werd de arme slaaf, zonder rechten, ineens een rijke erfgenaam. Iets wat hij voor onmogelijk hield, viel hem ten deel. De apostel zegt dat wij zonen, dat is kinderen, van God zijn. En dat dankzij de wettige en echte Zoon die onder de wet is gekomen om de slaven eruit vrij te kopen. En om ons er helemaal van te verzekeren dat wij kinderen van de Vader zijn, heeft Hij ons Zijn Heilige Geest in onze harten gegeven. Zodat we God lief hebben en gehoorzamen zoals een kind zijn Vader. De Geest leert ons met het Woord alles wat wij nodig hebben om de erfenis te krijgen. Welk een gave van genade! Hoe onmetelijk groot! We verkeren niet meer onder de wet, die de hele dag zegt, dit mag niet en dat moet wel, en blijf daar af, anders krijg je straf. Nee, het is leven als vrije kinderen van God, uit genade. Hoe verschrikkelijk dwaas is het dan, jezelf weer slaaf te (laten) maken van allerlei wetten. Wie dat doet zegt: ik wil geen zoon zijn, maar een rechteloze slaaf, zonder erfenis. Zie hier hoe levensgevaarlijk de eigengerechtigheid uit de wet is en hoe zaligmakend de leer van Christus is. Verder lezen: Romeinen 8:12-17 ====== 24 oktober ====== > Galaten 4:12-20 Wat levert de gerechtigheid van het geloof op? En wat levert de eigen gerechtigheid van de werken der wet op? Daar zit een hemelsbreed verschil tussen. Toen Paulus het Evangelie van gerechtigheid uit het geloof kwam brengen, hebben de Galaten de Geest ontvangen (hoofdstuk 3:2). Hoe grote liefde en ijver was er toen! Ze hadden bij wijze van spreken hun ogen wel willen geven aan de apostel. Ja, het Evangelie van Christus is zo krachtig dat het de aangenomen zoon bereidwillig maakt heel zijn leven de Here te geven. Want in Christus //is// het leven! Maar wat blijft van die dienstvaardigheid en motivatie en kracht over als de gerechtigheid volgens de werken van de wet de overhand krijgt? En dus het evangelie van vrije genade verduisterd wordt? Dan is er nog slechts dienstbetoon over als de apostel bij de Galaten aanwezig is, als ze hem zien. Dan is het allemaal uitwendige godsdienst, onoprecht, en niet uit een rein en zuiver hart, dat zich volkomen laat leiden door het Woord van de genade en door de Heilige Geest. Dit leert ons vandaag om uit het geloof en de kracht van Gods genade dienstbaar te zijn! Zijn Woord en Geest zijn de inspiratie voor een leven uit geloof. Verder lezen: Hebreeën 13:1-16 ====== 25 oktober ====== > Galaten 4:21-31 Het is inderdaad een wereld van verschil tussen het hemels Jeruzalem en het Jeruzalem in slavernij. Het is de slavernij van het vlees, dat gerechtigheid uit eigen werken wil bewerken door wetten na te leven. Degenen die zulke gerechtigheid najagen, missen het doel, zij zondigen en komen nooit tot Gods gerechtigheid. Uit verkeerde naijver gaan ze de kerk, de burgers van het hemelse Jeruzalem vervolgen. Zoals Ismaël bij Izaäk, om maar de erfenis van Abraham te krijgen. Maar die erfenis was voor Izaäk, de zoon van de belofte. De belofte van de HERE wordt alleen door het geloof verkregen. Door te geloven heeft Abraham de belofte gekregen en ook heeft hij de dag van Christus gezien (Johannes 8:56). En Sara, de vrije moeder, is moeder van een talloze schare geworden. Ons Jeruzalem is een vrije moeder, zij is als Sara en krijgt kinderen volgens Gods belofte. Oftewel, de kerk is vrij en geen slavin. En haar kinderen zijn vrij. Vrijgemaakt door Christus. Vrij van de zondeschuld en het aanklagend getuigen van de wet. Als kind van de vrije moeder bent u wettig erfgenaam. Dit geloof maakt u vrij en de Here plaatst u als zijn kind in de ruimte, om te ademen en Hem te dienen, nu u verlost bent. Door Zijn genade alleen. Verder lezen: Jesaja 54:1-10 ====== 26 oktober ====== > Galaten 5:1-12 Ook hier laat de apostel ons het absolute verschil zien tussen het verwachten van gerechtigheid door de wet of door de Geest. Die twee zijn onverzoenbaar. Geloof door liefde werkende, daar komt het op aan. En daarvoor moet het vlees eraan. Door wetswerken is geen gerechtigheid voor God te verwachten. Wie dat wel leren horen in de vrije kerk niet thuis. Ze blijken niet bij Christus te horen en hebben Gods straf te dragen. Polderen kan hier niet. Resoluut moet alles aan de kant om volop te hopen en te geloven Gods gerechtigheid in Christus te krijgen. En juist, omdat God wat Hij belooft ook geeft, krijgt het geloof in ons kracht om door liefde te werken. We weten dat Christus komt met de vergelding en Hij zijn gaven ons wil en zal geven. Wanneer u daaraan denkt, krijgt u moed. Hij heeft alles al volbracht voor u en mij. Dat is één en al genade! Als u dit gelooft staat u in de genade, maar gaat u denken dat u het zelf kan, dan staat u er buiten. Wie het evangelie kent, weet, dat hier geen keuze is. Want God heeft namelijk zijn gerechtigheid in Zijn Zoon geopenbaard, tot zaligheid voor wie gelooft. Er is geen enkele andere weg. Christus is de weg. Christus is de weg der vrijheid! Verder lezen: Johannes 14:1-14 ====== 27 oktober ====== > Galaten 5:13-26 Als je de lijst van de werken van het vlees vergelijkt (vers 19-21) met de lijst van de vrucht van de Geest (vers 22) dan kun je als gelovige niet anders denken: die lijst van vers 22 brengt nu echt geluk, maar al die werken van het vlees zijn verschrikkelijk en slecht en brengen alleen maar ongeluk. Maar toch, toch doen de mensen het. Dat geeft te denken. De mens is dus echt slecht van nature en geneigd tot het kwaad. Dat is echt heel triest. En het tragische is, dat de mens dit zelf niet recht inziet, maar die zonden maskeert en zich beter voordoet dan hij of zij is en zo ook blind blijft voor de verlossing, tenzij God de ogen opent. Nu over de vrucht van de Geest. Dat is dus niet de vrucht van onze keuze en onze wil, maar de vrucht van de Geest. De vrucht, van wat de Heilige Geest in hen die van Christus zijn uitwerkt, door het levendmakende Woord van God. Dat is echt een grote genade, als de Heilige Geest, dit in uw leven doet groeien. Welk een geluk brengt dat! Daarop moeten we alle aandacht vestigen. Deze vrucht van harte begeren. En dus dagelijks om de Heilige Geest bidden, die de Vader schenkt in Christus’ naam. Christus schenkt door Zijn Geest ons leven, bloeiend en rijk leven. Verder lezen: Leviticus19:1-18 ====== 28 oktober ====== > Galaten 6:1-10 Wie op eigen werken vertrouwt, kan niet doen, wat Paulus in vers 1 en 2 opdraagt. Die gaat namelijk een zondaar afwijzen en met de rug aankijken, omdat hijzelf zoveel beter doet. De vrucht van de Geest evenwel is zachtmoedigheid. En die Geest leert ons dan ook op onszelf te letten, om niet ook tot zonde te komen en anderen te helpen. Allerlei gebreken zijn nog bij ons. Daarom moeten we oppassen. Ook het verslappen in het goed doen is steeds een gevaar, zodat je er moe van wordt. Want soms lijkt alle inspanning tevergeefs, juist als het goede werk afkeuring van zondige mensen ontmoet. Maar wie op de akker van de Geest zaait zal eeuwig leven oogsten. Oftewel, u moet verder kijken dan de zichtbare eerste resultaten en lang wachten op de oogsttijd. Alles wat uit het geloof wordt gedaan, is in zichzelf goed en voor de HERE aangenaam. Alles wat niet uit geloof is, is zonde. Wie op de akker van zijn vlees zaait, zal verderf oogsten. Zo’n iemand is zelfzuchtig en zoekt alleen eigen lof en eer en dient dus zichzelf, en niet de HERE, noch de naaste. Bedenk dan: hoe ga ik goed doen, aan allen, en in het bijzonder aan mijn geloofsgenoten, en zo te leven als de HERE het wil? En bid tot God. Verder lezen: Romeinen 13:8-14 ====== 29 oktober ====== > Galaten 6:11-18 De vrede en de barmhartigheid van de Vader en de genade van onze Here Jezus Christus, dat is de ware rust en de eeuwige zaligheid voor onze zielen. Maar die zijn alleen ons deel als we ook bereid zijn de wereld resoluut achter ons te laten. Ook de zogenaamde religieuze wereld, waar het gaat om het zich uiterlijk goed voordoen; om vroom vertoon in werken. Daarachter zit de dwaalleer om de gerechtigheid voor God zelf (een beetje) te kunnen verdienen. Wie daarvoor staan, mogen op waardering rekenen. Maar wie alleen in het kruis van onze Here Jezus Christus roemen, hoeven niet op instemming te rekenen. Dan is veroordeling je deel en wordt het zwaar. Voor jezelf, want je moet het vlees kruisigen. Tegenover de (kerkelijke) wereld, want je houdt je aan de leer van Christus alleen, en verwacht alles van Zijn Woord en de herscheppende kracht van de Heilige Geest. En daar gaat het om; een nieuwe schepping te zijn. Dat is iets wat geen mens zelf kan bewerken, maar wat de Here bewerkt, door Zijn almachtige kracht. Dit is de ware genade van God. Als u daarin staat, leeft, en gelooft, dan is Gods genade, vrede en barmhartigheid voor u in gemeenschap met Gods volk, Zijn kerk! Verder lezen: 1 Korinthiërs 15:12-34 ====== 30 oktober ====== > Efeziërs 1:1-14 Als je deze verzen uit je hoofd zou kennen dan heb je de hele geloofsleer paraat. Nu hebben we daarvoor de Apostolische Geloofsbelijdenis, maar een tekst als deze zegt alles. Wat een troost en genade en zaligheid zijn in deze woorden gelegen! Echt, een rijkdom die geen grenzen heeft. Zoveel liefde van God in zijn Raad om ons tot Zijn eigen kinderen aan te nemen. Zoveel barmhartigheid ons te verlossen door Zijn Zoon. Wat een troost ook, dat dit van eeuwigheid door God besloten is en niet op twijfelachtige getuigenissen van mensen berust, of op gebeurtenissen in de wereld. Nee, Gods genade om onze overtredingen te vergeven, is er volgens zijn eeuwig besluit! En dat Zijn Zoon onze zaligheid heeft verworven, het erfdeel als wettig aangenomen, ook dat is volgens Zijn onveranderlijk en eeuwig voornemen. Niets of niemand kan dat veranderen. En daar komt bij, dat niet wijzelf, maar Zijn Heilige Geest het is, die ons van deze zaligheid verzekert. Dit vervult u met diepe blijdschap. Het doet ontroerd zien hoeveel Christus voor ons heeft over gehad; //Zijn// bloed. Het doet de wijsheid van God zien, om ons tenslotte te brengen tot heerlijkheid, om Hem voor eeuwig te roemen en te prijzen! Amen. Verder lezen: 1 Petrus 1:1-12 ====== 31 oktober ====== > Efeziërs 1:15-23 Het indrukwekkende begin van deze brief krijgt hier een rijk vervolg. Wat een grote blijdschap proef je in de woorden van de apostel hier. De eeuwige liefde en ontferming van God de Vader is in onze Here Jezus Christus dichtbij. En de Heilige Geest doet dit begrijpen. De kracht van de Geest is in Paulus werkzaam om voortdurend te danken, voor de doorwerking van het Evangelie in de gelovigen. Zij, de Efeziërs, betonen liefde tot al de heiligen. Ze zijn ijverig voor de dienst van de Here. Zozeer dat Paulus er van gehoord heeft. In de gevangenis is dat de apostel tot troost. Alhoewel hijzelf niet zoveel lijkt te kunnen doen, blijkt het Evangeliewoord krachtig door te werken in het leven van de gelovigen. Wat een energie is er! Want God is het die alles in allen volmaakt en daarvoor Christus aan de gemeente heeft gegeven als haar Hoofd. Christus heeft alle macht in hemel en op aarde en door Zijn Geest zorgt Hij er vanuit de hemel voor, dat de liefde van de Vader haar uitwerking heeft in al de heiligen. En wij zijn getroost dat Christus, onze Here, alle macht heeft. Hij beschermt en zegent ons, en geeft alles. En hoeveel staat ons nog te wachten! Hoe krachtig werkt Hij in de zijnen door. Verder lezen: Kolossenzen 1:9-20 ====== 1 november ====== > Efeziërs 2:1-10 Nadat Paulus op een onnavolgbaar schone wijze heeft geschreven van Gods eeuwige Raad tot onze verlossing door onze Here Jezus Christus (hoofdstuk 1), vervolgt hij met de uiteenzetting van dit Evangelie zodat wij diep onder de indruk zijn van Gods genade. We zijn met Christus in de hemelen geplaatst. Daar is onze positie. We zijn zo met de Here Jezus verenigd, dat wij leden van Zijn lichaam zijn. Dat betekent niets minder dan de eeuwige zaligheid te hebben. Dat houdt in, in gemeenschap met de Christus te leven. En Hij zorgt vanuit de hemel voor Zijn leden op aarde, waar Hij zijn leven voor heeft gegeven! Hier geen vraagtekens, alleen uitroeptekens. Gods genadewerking, doordat Hij ons in Christus Jezus geschapen heeft, doet ons zijn overvloedige rijkdom zien. God geeft dat en gebruikt daarvoor Zijn scheppende almacht, zodat we uit die poel van zonde en onreinheid zijn getrokken en nu leven, uit genade, door geloof. Het is u allemaal gegeven en uiteraard komt u niets tekort. Alle reden tot grote dankbaarheid. Om God te roemen en te prijzen, niet in de laatste plaats ook door goede werken te verrichten. Want Christus’ verlossingswerk; welke betoning van Gods genade is, moet in ons, zijn lidmaten, uitwerken. Verder lezen: Psalm 116:12-19 ====== 2 november ====== > Efeziërs 2:11-22 De eenheid van de kerk komt niet tot stand door inspanning van mensen. De kerk die het ene lichaam van Christus is, het huis Gods, is een bouwwerk van de grote Bouwmeester. Het was in de tijd waarin Paulus werkzaam was heel bijzonder, dat de muur tussen Joden en Grieken werd weggebroken door de Here. Er kwam op ongedachte wijze, door het ingrijpen van de Geest van Boven, een vereniging van Jood en heiden in de Christelijke kerk. De Here Jezus sprak: “Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder.” (Johannes 10:16) Dit heeft Hij ook gedaan. Het heil is tot de heidenen gekomen en het onderscheid is weggenomen, want in één Geest hebben de gelovige Jood en heiden toegang tot de Vader. En daar draait het om; de toegang tot de Vader door het geloof in Christus. Het geloof dat Gods welbehagen in Christus ons deel is als pure genade, maakt dankbaar en nederig. Want te mogen fungeren als een steen in Gods tempelhuis, is een buitengewone gunst. God Zelf woont in haar. Zijn vrede is in haar. In Zijn Huis is ruimte. Daarin weet je verzoend te zijn, dankzij Christus’ kruisdood. Verder lezen: Psalm 87 ====== 3 november ====== > Efeziërs 3:1-13 We leven in unieke tijden. Vroeger was het nog niet zo geopenbaard als nu, dat heidenen ook de belofte van de Christus deelachtig werden. De rijkdom hiervan glinstert als een kristalheldere diamant met veel kleuren. Gods plan om uit alle volken zijn tempel te bouwen, heeft Hij heerlijk uitgewerkt door onze Here Jezus Christus. In en door Hem hebben we nu vrijmoedig toegang tot de Vader. En de Geest heeft dit geopenbaard, en de apostelen en profeten van het Nieuwe Testament hebben het bekend gemaakt en uitgelegd. Paulus mocht dat ook doen. Dat was genadewerk. En datzelfde geldt voor dominees vandaag, dat is ook genadewerk. En wie het gelovig aanneemt, ontvangt genade! Waar wij vaak minder aan denken, is dat de engelen in de hemel ook bekend worden met dit geheim. Het is kosmisch. De kerk wordt op aarde vergaderd, maar in de hemel is daar ook blijdschap over. Bij engelen, aartsengelen, machten, tronen is verwondering dat God de zaligheid heeft aangebracht door Christus, en het zo’n heerlijke uitwerking heeft. Lof zij aan God. We moeten niet verslappen als dit evangelie wordt tegengesproken, want de heerlijkheid er van is heel groot. Verder lezen: Openbaring 5:8-14 ====== 4 november ====== > Efeziërs 3:14-21 Er is in deze wereld veel kennis te verkrijgen op allerlei gebied. Ook op religieus gebied. Maar, in gemeenschap met alle heiligen, is iets te kennen, dat alle kennis te boven gaat! Veel weten maakt niet gelukkig. Als je veel weet, kom je erachter dat je nog veel meer niet weet. Je ontdekt de leegte, die ieder mens heeft. Maar er is een kennis die onze leegte vult. Dat gebeurt door het kennen van de liefde van Christus. Die liefde, die van God komt, die is in staat ons te vervullen; om ons tot Gods bestemming te doen komen en gelukzalig te maken. Paulus bidt de Vader, uit Wie alle vaderschap in hemel en op aarde is, dat Christus in de harten der Efeziërs woning komt maken. En dat zij in hun binnenste gesterkt worden door de Geest! Dat is een bede die wij dagelijks nodig hebben. Het is de Geest die ons met Christus verenigt. Alle kennis vergaat en alle zogenaamde wetenschap, maar God werkt door, tot Hij alle dingen voleindigd heeft. Welk een heerlijkheid zal er dan zijn. En nu moeten we bidden in ditzelfde geloof als de apostel, dat God namelijk niet meer, ook niet veel meer, maar //oneindig// veel meer doet, dan wij bidden of beseffen! Denk daar maar eens een dag over na. Oneindig veel meer…! Verder lezen: 1 Johannes 4:7-21 ====== 5 november ====== > Efeziërs 4:1-16 Wanneer de Here ons een opdracht geeft, zoals Paulus dat in de verzen 1-3 doorgeeft, dan geeft de Here ook altijd de nodige gaven om die opdracht te vervullen. Die gaven staan vervolgens beschreven in de verzen 4-11, waarin de apostel vervolgens laat zien, dat Christus, zodanig die gaven geeft dat Zijn Lichaam, de gemeente groeit en bloeit en leeft (12-16). Onze opdrachten vervullen wij door zijn kracht en dankzij de gaven die Hij geeft vanuit de hemel. Daarvoor is Hij naar de Hemel gevaren, om vandaar zijn verdiende gaven van de Vader ons te schenken. Velerlei zijn die gaven, en heel geschikt, om opgebouwd te worden in de liefde. Om dienstbaar te zijn en de eenheid van het geloof te bewaren en vervuld te worden met Gods genade. Die eenheid is er reeds. In de kerk opgenomen te zijn, doet u delen in de gemeenschap van de Here Christus en van God de Vader, die is boven allen en door allen en in allen. Zodat al onze werken in geloof, dankzij God verricht worden en uiteindelijk blijkt dat Hij het is, die alles in allen volmaakt. Vol worden van Gods genade, groeien in Zijn liefde, dat brengt het vasthouden aan de leer der waarheid met zich mee. Standvastigheid in de leer gaat samen met het groeien in de liefde. Verder lezen: 1 Korinthiërs 12:1-11 ====== 6 november ====== > Efeziërs 4:17-32 In deze tekst maakt de apostel duidelijk wat de antithese (strijdige tegenstelling) is tussen een heidens werelds leven en het leven als lidmaat van Christus. Uiteraard is het onmogelijk als zoveel genade is geschonken door God in Christus, in de vergeving der zonden, en Christus zoveel gaven heeft geschonken aan de gemeente en ieder lid, dat er dan nog in zonde geleefd wordt. Toch moet de apostel er voor waarschuwen. De wereld blijft trekken en ons zondig vlees ook. Steeds is er de neiging tot zondigen. Op seksueel gebied. Ook door het misbruiken van de tong, door te schelden. Ook is er de zonde van het toornig en boos zijn op de naaste. Dat kwaad moeten we bestrijden. En dat doe je door dat verdorven kleed van de oude zondige mens af te leggen, en in Christus te geloven. Door de Geest van de Here in je te laten werken. Door de naaste als een aan jouw verbondene goed te doen en zo vergevingsgezind te zijn tegenover hem of haar, zoals je zelf ook vergeven bent. Leven uit de vergeving, verzoend met de Vader, doet krachten ontvangen om te werken, door verjonging van geest en vernieuwing van denken. Dit is waarheid in Jezus onze Here. Zo hebben wij Hem leren kennen; zo is Hij. Verder lezen: Romeinen 6 ====== 7 november ====== > Efeziërs 5:1-21 Het erbij laten zitten is geen optie. Dan ga je berusten in eigen onvermogen en dus eigenlijk berusten in de zonde (het doel missen). De apostel beveelt het tegenovergestelde, namelijk navolgers van God te zijn. Daarvoor heeft God overvloedige zegeningen gegeven, bovenal Zijn kostbaarste Gave gegeven, Zijn Eniggeboren Zoon, onze Here Jezus Christus. Die liefde van Christus waarmee Hij Zichzelf voor ons aan God heeft opgeofferd, is de inspiratiebron voor een leven naar Gods wil, als de nieuwe mens. Blijven in de zonde sluit de toegang tot het Koninkrijk. Dat is blijven in de duisternis, onvruchtbaarheid en dood. Tegenover de geest van de misleiding en de zonde is het nodig wakker te zijn en moet je jezelf er op toeleggen de wil van de Here te verstaan. Niet onnadenkend maar oplettend en bedenkend wat de Here aangenaam is. En dit is Hem zeker weten aangenaam, als wij ons laten vervullen door Zijn Geest. Ook dat is hier bevel! Niet maar van: ‘och mocht het eens gebeuren’. Zo niet. Het is eveneens een rijkmakende plicht God de Vader in Christus’ naam te loven en te prijzen en te danken voor alles, ja altijd te danken met heel ons hart! Laten we het Psalmboek er bij pakken. Verder lezen: Psalm 147 ====== 8 november ====== > Efeziërs 5:22-33 Er is wel gezegd dat het Evangelie niet naar de mens is. Bedoeld is dan, dat het ons mensen van nature niet ligt. Dat is zeker waar. Want alleen door genade wordt de mens behouden, door het geloof dat de Heilige Geest werkt. Ook wat de apostel Paulus hier opdraagt is niet naar de mens. Sinds de zondeval zit het niet bepaald in de vrouw onderdanig te zijn aan haar man en ontzag voor hem te hebben. En in de huidige, van het Christelijk geloof steeds verder afgedwaalde wereld, is dat wel heel duidelijk te zien. En dat de man de vrouw moet liefhebben als zichzelf is ook geen vanzelfsprekendheid. Maar Christus, Hij heeft de liefde bewezen, ons als zijn leden verzorgd en alles voor ons over gehad. Daar was geen weerhouding bij Hem. Hij heeft Zichzelf voor ons overgegeven, grotere liefde is niet denkbaar. En dit, zijn liefde, en de kracht van zijn reiniging, moet onze aandacht hebben. De gemeente is geheiligd en gereinigd en zonder vlek of rimpel. Dat bewerkte Christus. En dit nu is inspiratie voor de man zijn vrouw met zelfovergave lief te hebben. En die liefde van de man is ook weer aansporing voor de vrouw ontzag voor haar man te hebben. Dit is wel niet ‘naar’ de mens, maar wel //voor// de mens, die gelooft. Verder lezen: Johannes 15:9-17 ====== 9 november ====== > Efeziërs 6:1-9 De gehoorzaamheid. Dat is ook zo’n moeilijke zaak voor het mensenkind sinds de zondeval. Maar de Here wil zijn scheppingsorde handhaven. We moeten daar goed over nadenken. God geeft namelijk zijn zegeningen in de weg van gehoorzaamheid (niet als verdienste). Ook in de weg van gehoorzaamheid aan ouders. Een lang leven krijg je. Erkenning van de door God gestelde orde geeft rust. En gehoorzaamheid aan Hem, aan Christus, moet blijken in de gehoorzaamheid aan de ouders, of als werknemer aan je werkgever. Dit houdt uiteraard niet in, dat ouders en werkgevers maar kunnen doen wat ze willen. Christus is tenslotte Heer over allen, aan wie eenieder rekenschap moet afleggen. In alle handelingen van gezagsverhoudingen gaat het erom dat Gods genade werkzaam blijkt. Zodat het bij gehoorzaamheid er maar niet om gaat in een goed boekje te komen bij de ander, maar dat de hartelijke bereidwilligheid, die in Christus werkzaam is, ook in ons is. En als wij bevelen geven, gedenken wij, dat Hij Heer is. En als wij bevelen opvolgen, doen we dat om gehoorzaamheid aan Christus te betonen. Want Hij heeft de Vader gehoorzaamheid uit liefde bewezen en ons zo gered. Verder lezen: Spreuken 2 ====== 10 november ====== > Efeziërs 6:10-20 Hier is een aansporing van de apostel om met de wapenen van het geloof en het Woord van God te strijden. Om een harnas aan te trekken, een helm op te doen en een zwaard in de hand te nemen. Want het gaat er hard aan toe in de oorlog die gevoerd wordt. Het is een strijd op leven en dood. En aan die strijd ontkomen we niet. Die wordt sowieso gestreden; ook al zou je het niet willen. Onze tegenstanders zijn niet mensen, maar geestelijke machten. Dat maakt de strijd moeilijk. Je wordt maar zo verleid door de duivel of op ongewone manier bewogen van het geloof af te keren. Of anders door druk van de grote massa. Maar er staat een sterke Held naast je. En door te bidden in de Geest, en dus in geloof, zal blijken dat op ongedachte wijze Gods Woord overwint. Want gebed zorgt ervoor, dat een in de gevangenis geketende apostel, vrijmoedig het Evangelie verkondigt. Ja, het gebed vermag veel voor de verbreiding van het Woord en de overwinning op de boze machten in de lucht. De strijd is hevig. En onze vijanden zijn veel sterker, maar zie, de wapens die God geeft, maken onoverwinnelijk. Gevouwen handen verbreken ketenen. Gelovige gebeden binden duivelen. Verder lezen: Handelingen 16:19-34 ====== 11 november ====== > Efeziërs 6:21-24 Dit slot van deze indrukwekkende brief zit vol dynamiek. Het levende verkeer tussen de gelovigen wordt gestimuleerd, door de zending van deze brief door de dienaar Tychikus. Hij is in staat te troosten met de leer van de Schriften en goede berichten over Paulus. Ondanks Paulus’ gevangenschap gaat de verbreiding van het Evangelie (on)gewoon door. Dan volgt de zegenwens. Allereerst de vrede, de shalom. De vrede van God de Vader bevat allerlei zegen, voor alle broeders. Gods vrede gaat alle verstand te boven en brengt volmaakte blijdschap. De liefde met geloof noemt de apostel daarna. Liefde met geloof is een rijke samenstelling. De liefde van de Vader is in Zijn Zoon, onze Here Jezus Christus, geopenbaard. En die liefde werkt in alle gelovigen, in heel de gemeente, door. En dat met geloof; met het geloof dat die liefde eeuwig zal blijven bloeien en dus onverderfelijk is. Wie onze Here Jezus Christus liefheeft in onverderfelijkheid, voor diegene is de genade. Het komt aan op het liefhebben van Hem, onze Zaligmaker. Hij heeft ons gekocht met zijn kostbaar bloed. Hij heeft ons eerst uitnemend liefgehad. Alle aandacht voor Hem. Al Gods genade komt door Hem, tot ons, die Hem liefhebben. Verder lezen: Kolossenzen 4:7-18 ====== 12 november ====== > Filippenzen 1:1-11 Het Christelijk geloof is //ongetwijfeld// geloof. En de reden daarvoor vinden we in deze tekst. Want wie is het, die dit geloof is begonnen te werken en die het ook tot het einde zal voortzetten? Niet de gelovigen zelf, hoezeer ze ook van begin af aan gelovig hoorden naar de prediking. Nee, God is het, die het eenmaal begonnen werk zal voleindigen. Hij zelf is de grote Werkmeester van de zaligheid die wij in Christus Jezus hebben. En al meer en meer, door de dagen, maanden en jaren van ons leven heen, is God dezelfde, die ons doet delen in zijn genade. Die genade gaat steeds meer het leven beheersen en zo ook in liefde werken. Nu is liefde wel iets van het hart, maar de apostel verbindt het duidelijk met verstand, onderscheidingsvermogen en fijngevoeligheid. Dus is liefde niet slechts subjectief Het is niet een vaag doelloos gevoel, maar heeft als doel vol te worden van de vrucht van de gerechtigheid. God schenkt die vrucht, door het geloof in Jezus Christus. Aan Hem hebben wij het te danken dat God zijn werk voleindigen zal. Dat is vaste grond om op te bouwen. Hij werkt altijd door. En dat is de inspiratie voor deze nieuwe dag. Voor elke dag. Want dag aan dag draagt Hij ons. Gode zij dank. Verder lezen: Psalm 138 ====== 13 november ====== > Filippenzen 1:12-26 Het Woord is niet geboeid. Al mag de apostel in de gevangenis zitten, in afwachting van zijn rechtszaak, dat hindert de evangelieverkondiging niet. Nota bene zijn leden van het keizerlijk hof op de hoogte van het evangelie van Christus gebracht, omdat duidelijk werd dat Paulus om Christus’ wil gevangen zat. En dat maakte indruk. Dat Paulus zijn leven voor Christus waagde! Vrijwillig. Wie was Christus dan wel? De cel werd evangelisatie-terrein. Broeders durfden vrijmoediger te spreken van de Heiland. Omdat de apostel zijn aandacht op de verkondiging van Christus vestigt, maakt hij zich niet druk om zichzelf. Niet dat het hem geheel koud laat hoe het met hem zal aflopen. Maar hij laat zien hoe we ons leven in Gods hand moeten leggen en dienstbaar maken aan Zijn Rijk. Linksom of rechtsom, als Christus maar verheerlijkt wordt. Dat is het doel van evangeliedienaren. En God is het, die dat door zijn leiding en regering zal realiseren. Onder die leiding is de aandacht gevestigd op het verder helpen van de broeders in het geloof. Laten we de korte tijd die we hier op aarde hebben besteden in Zijn dienst, en de blijdschap in het geloof bij onze broeders en zusters bevorderen. Verder lezen: Handelingen 28:11-31 ====== 14 november ====== > Filippenzen 1:27-30 Het geloof is maar geen theoretische aangelegenheid. Dat blijkt wel duidelijk in wat hier staat. Er zijn tegenstanders. Tegenstanders die maar niet met argumenten, maar met dreiging optreden. Dreiging van vervolging en gevangenschap. Dreiging met uitsluiting en economische boycotten. Dat is in de kerkgeschiedenis zo vaak gebleken. Ook recent. Terwijl tegenstanders dreigen, blijven christenen op hun Here Jezus Christus vertrouwen. Dan behoren ze evenals hun Zaligmaker al hun vertrouwen op Gods goede regering te vestigen. En terwijl de gelovigen eensgezind in alle rust blijven, waar ongelovigen doodsbang zouden worden, wordt iets duidelijk. Voor de ongelovige bestrijders van de christenen wordt duidelijk dat zijzelf ten onder gaan. De gelovigen worden daarentegen bevestigd in Gods reddende genade. Genade, die blijkt in het geloven in Christus en in het lijden als lid van Christus. Want geloven is maar geen theoretische aangelegenheid. Er komt strijd en lijden bij. En u moet erop letten dat u niet alleen strijdt, maar samen met uw medebroeders. Want het is //dezelfde// strijd. En Christus heeft overwonnen en overwint in de Zijnen. Dat is voor ons: genade! Verder lezen: Johannes 15:18-27 ====== 15 november ====== > Filippenzen 2:1-11 Egoïsme en individualisme zijn wel de ziekten van deze tijd te noemen. Toch is het er vanouds. En Paulus spoort hier aan, vooral aan het belang van de ander te denken. En eensgezind te zijn. De strijd van het geloof is gemeenschappelijk en het leven volgens Gods wil is nooit een leven voor jezelf. Als er iemand is, die heeft laten zien wat het inhoudt het belang van de ander voorop te stellen, dan is het onze Zaligmaker wel. In de bewoording van de apostel hier, wordt wel duidelijk dat Christus vrijwillig Zich gegeven heeft voor ons leven. Dat Hij zijn hoge positie in de hemelen vrijwillig heeft verlaten en Zich zo vernederd heeft, om in onze natuur te lijden. In Hem alleen kunnen wij rust vinden en vrede met God krijgen. Dankzij Zijn inzet voor ons belang! Wanneer u bedenkt hoeveel de Here Jezus heeft over gehad om u te redden, wanneer u bedenkt dat Hij al zijn privileges in de hemel heeft opgegeven om arme zondaren in deze wereld te redden; dan inspireert Zijn gezindheid om zelf ook zo gezind te zijn en het belang van de ander zoeken. Dat nu heeft Gods Zoon gedaan. Dit is Hem ook tot eeuwige eer en grote heerlijkheid geworden. Het levert oneindig veel op. Verder lezen: Matteüs 20:20-28 ====== 16 november ====== > Filippenzen 2:12-18 God is het die in u werkt, zowel het willen als het werken. Dat moeten we steeds bedenken in het geloof. Het geloof is niet werkloos. We hebben wat te doen. Werken aan onze zaligheid met vreze en beven. Hoe? Niet om te verdienen, maar wel om het beloofde te krijgen. De Here wil niet dat wij stil neerzitten in valse gerustheid. Met de gedachte: ‘het komt toch wel goed want ik hoor toch bij de kerk en ik ga er iedere zondag heen’. Nee, zo’n instelling is niet vanuit geloof. Net als gehoorzaamheid wanneer ouderlingen in de buurt zijn. Nee, het hart waarin God werkzaam is, zoekt de Here. En door geloof in Hem, willen we niet meer leven volgens eigen ideeën of wereldse opvattingen. De gezindheid van Christus moet in ons komen. Daarvoor moeten wij Zijn Geest in ons laten werken. Want Christus werkt Zelf, om de zaligheid aan Zijn bruidskerk te geven. Vol blijdschap gericht op de bruiloft. In blijdschap dienen en als sterren lichten in deze duistere wereld. Dat is maar niet een privilége voor superchristenen, die nu eenmaal zoveel kunnen, nee, dit is de opdracht voor iedereen, zonder onderscheid. Volkomen offerdienst, want Christus is een volkomen Verlosser. Opdat wij gelovig dienen. Verder lezen: Jakobus 2:14-26 ====== 17 november ====== > Filippenzen 2:19-30 Ook het ambtelijk werk dat Paulus organiseert voor de gemeente te Filippi is uit geloof. En daarbij gaat de apostel juist ook met verstand te werk. Hij stuurt eerst de dienaar Epafroditus terug naar de Filippenzen. Hij heeft Paulus een zeer goede dienst bewezen namens de gelovigen. En we zien in Epafroditus een liefde en opofferingsgezindheid, waarin Christus’ alles gevende liefde voor ons, tot uitdrukking komt. En dan hoopt Paulus Timotheüs te zenden. Want ook die arbeider in de Here is gericht op het belang van de Filippische gelovigen. Paulus zendt in zijn gevangenschap zijn dienaren weg. Geven, geven in blijmoedigheid, doet hij. Om de broederschap, om de gemeente te bouwen en samen in geloof verenigd te worden. Dat wordt in de kerk gedaan. En dat moeten wij bedenken om te doen. Dienstbaar zijn om anderen vooruit te helpen. Dus bedenken wat uw naaste broeder of zuster echt helpt in het geloof. Andermans belang zoeken en dan samen zich verblijden over Gods grote daden in Christus Jezus onze Here. Deze brief leert ons dit geloof. En dit stuk laat het bewijs er van zien. Het moedigt aan vandaag praktisch het belang van onze mede-gelovigen te dienen. Verder lezen: Romeinen 16:1-16 ====== 18 november ====== > Filippenzen 3:1-16 Dit gedeelte leert ons om waakzaam te zijn voor mensen die steunen op hun eigen gerechtigheid. Vervolgens evengoed om op uzelf te letten, dat u niet gaat roemen op iets van uzelf of wat u ooit hebt gedaan. Die verleiding is groter dan u denkt. De apostel leert ons dat hij al die zogenaamde religieuze prestaties ver van zich heeft weggeworpen; weggeworpen op de stortplaats van het afval, ja, weg ermee! Al die zogenaamde werken en al dat roemen in de mens. Christus alleen. Ja, Hij alleen en ten volle. In het licht van Christus verbleken al onze zogenaamde prestaties. Meer nog, ze zijn allemaal met ongerechtigheid bevlekt. Onze gerechtigheden zijn als een vervuild kleed dat weggeworpen moet worden, de container in. Christus alleen is de volmaakt Rechtvaardige. Onze enige heilige Middelaar. Aan Hem hebben wij alles te danken. Heel onze rechtvaardiging is door het geloof. En dat is uit God. En dat heeft een doel. We moeten met Christus sterven en opstaan en komen tot de opstanding uit de doden. Dat is een flinke geestelijke marathonwedstrijd. We moeten in ons leven hier lang rennen, uithouden en doorzetten en jagen. En dus ook alle ballast achterlaten en wegwerpen en niet achterom kijken. Verder lezen: I1 Korinthiërs 4 ====== 19 november ====== > Filippenzen 3:17-4:9 De apostel stelt hier een tegenstelling voor. Of u bent een mede-navolger van Paulus en de anderen, en dus navolger van Christus, of u wandelt als vijand van het kruis van Christus. Dat is een tegenstelling die aansluit op wat we gisteren lazen. Zij dan, die wandelen in strijd met het kruis, zijn bezig met hun besnijdenis (hun eer stellen zij in hun schande), met hun buik, oftewel de voedselvoorschriften. Zij zijn aardsgezind. Hemels daarentegen is het burgerschap van wie geloven. En dat is van eeuwigheidswaarde en onvergankelijk. Vergankelijk zijn onze lichamen. Die gaan er aan. We moeten sterven. Maar Christus zal ons opwekken. Onsterfelijkheid en heerlijkheid is ons deel. Dus geen zorgen voor de dag van morgen maar vandaag leven onder een geopende hemel, met de vrede van God in Christus Jezus. Dan worden uw gedachten behoed om niet af te dwalen en u te verliezen in dwaze strijdvragen en onnodige ruzies met uw naasten. Ten positieve roept de apostel op te bedenken wat goed is. Om verblijd en verheugd te zijn. En God te bidden, te smeken en te danken bij alles. Dat woordje ‘alles’ kun je wel een favoriet woord van de apostel noemen. Dus niets in het leven zonder God. //Alles// van en door Hem. Verder lezen: Kolossenzen 2:16-3:4 ====== 20 november ====== > Filippenzen 4:10-23 Ik ben tot alles in staat in Hem die mij kracht geeft. Dit is wel andere taal dan; ik kan niet, ik wil niet en hoeveel ‘nieten’ er wel niet bedacht zijn. In //Hem,// daar gaat het hier om. Dat is het geheim van het vermogen van de gelovigen. Hoe kon David volhouden in al zijn vervolgingen en omzwervingen? En ook, hoe kon de Here Jezus volhouden, die geen steen had om Zijn hoofd op neer te leggen? Antwoord: het geloof in God//.// Zo is het voor wie in eenheid met Christus leven door het geloof, dat zij een onuitputtelijke Krachtbron hebben, wat de enige verklaring is voor het bestaan van de Christelijke Kerk. Door Christus’ bijstand houden de gelovigen, in alle omstandigheden vol. Niet door eigen kracht, maar door Zijn kracht. Zijn genade inspireert de gelovigen ook elkaar te ondersteunen en te helpen, zoals de Filippenzen Paulus hielpen. Dat bracht weer grote blijdschap. En de apostel wenst de Filippenzen weer alle zegen toe; dat God in alles zal voorzien. Zowel in het geestelijke als in het stoffelijke. In //alles//. In Christus Jezus, die alles voor ons is. De genade en de vrede van God vergezelschapt steeds de zijnen. Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheden. Verder lezen: 2 Korinthiërs 11:7-31 ====== 21 november ====== > Kolossenzen 1:1-14 De apostel begint zijn brief, na de lezersgroet en zegenbede, met veelzeggende dankzeggingen. In enkele zinnen beschrijft hij de overvloeiende genade en zegen van God, die de gelovigen te Kolosse kregen. Ze zijn door de Vader overgebracht uit de macht van de duisternis naar het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde. Dat heilrijk feit is alleszeggend. Het is Gods werk. Paulus spreekt hier veel over de kennis van Gods wil, en dan bidt hij dat we er vervuld van worden. Wanneer u namelijk doordrongen bent van uw verlossing in Christus, die bestaat in de vergeving van uw zonden, dan ziet u Gods wil. De Vader heeft heilrijke gedachten en voornemens; die zijn ons in het werk van Christus bekend geworden. En wanneer u zich door het werk van Christus laat inspireren, dan komt er de wens om de Here in //alles// te behagen. Om uit dankbaarheid voor de verlossing, liefde te geven aan de heiligen. Er komt groei in dienstbaarheid. Paulus bidt voor //alle// wijsheid, in //alle// goed werk vrucht dragen, en spreekt van //alle// kracht en //alle// volharding. Het werk Gods is volmaakt. De kennis van Hem vervult met blijdschap, geloof, hoop en liefde. Het geeft overvloedig stof tot het hartelijk danken van de Here. Verder lezen: Lucas 1:68-79 ====== 22 november ====== > Kolossenzen 1:15-23 De hoge plaats van Christus, zijn eer, roem, lof, heerschappij en macht wordt hier door de apostel bezongen. Maar hoe hoog Christus ook verhoogd is en hoezeer alle dingen machtig, Hij is niet ver van ons. Want Hij is het Hoofd van de gemeente, en wij zijn met Hem verenigd. De Zoon, om Hem gaat het hier, door wie de Vader alle dingen geschapen heeft en die leeft tot in alle eeuwigheden, aan de Zoon zijn wij verbonden. Met Hem zijn wij verenigd. Hoe groot is deze genade wel niet!! Door Zijn bloed aan het kruis heeft God alles met Zich verzoend van wat in de hemel en op de aarde is, zodat alles wat geschapen is, zijn verband en eenheid heeft in Christus. Heel de schepping heeft zijn bestaan en voortbestaan, en zijn redding na de zondeval, aan Christus te danken. Hij is het beeld van de onzichtbare God. Verzoening, vrede en leven hebben wij gekregen door het geloof in Hem. God houdt alle dingen in stand. Vast staat nu de aarde, zij wankelt niet. Ook de hemelen vertellen Gods eer, Zijn hoge majesteit en heerlijkheid. En doordat Christus verzoening gebracht heeft, is er vandaag alle reden God lief te hebben, te danken en te dienen. Verder lezen: Psalm 96 ====== 23 november ====== > Kolossenzen 1:24-2:3 Blijdschap om lijden. Dat is een tegenstelling. Maar niet als je verder kijkt. Want als dat lijden bijdraagt aan de eeuwige zaligheid van mensenkinderen, waardoor God geprezen wordt, dan is het lijden dienstbaar. Voor Paulus waren het de ijzeren ketenen waarin hij vast zat. Maar dat verhinderde hem niet om met spreken en schrijven te onderwijzen, zelfs hen die hem nooit hadden gezien. We zien dat Paulus zich ook voor hen inzet, die hij niet kent, maar over wie hij slechts via een ander had gehoord. Hij accepteert alle moeiten in blijdschap en strijdt door. De kracht hiervoor krijgt hij van Christus. En dat is het waar u op moet letten. In alles waartoe de Here zijn kinderen roept, geeft Hij ook Zelf de kracht om te doen wat Hij vraagt. Daarom is er ook steeds de inspiratie en het vermogen om door te werken. En dat om de harten van de mede-gelovigen te troosten en de christenen in liefde verenigd te laten blijven met het oog op de kennis van Christus. Om het geheimenis van God te kennen. Om samen te kennen en te geloven, en van de rijkdom daarvan vervuld te worden. Christus, in het midden van de gemeente, Hij is het, door wie allen Gods gaven ontvangen. De focus ligt op Hem. Verder lezen: Efeziërs 3:1-13 ====== 24 november ====== > Kolossenzen 2:4-15 De apostel sprak van de schatten van wijsheid en kennis die in Christus verborgen zijn. Nu waarschuwt hij ervoor dat de gelovigen zich niet door mensen met een eigen wijsbegeerte en ijdel bedrog laten meeslepen als een prooi. Schepselmatige, wereldse wijsheid, door mensen overgeleverd, brengt slechts verderf. Het staat tegenover Christus, in wie de volheid der Godheid lichamelijk woont. Dat is iets ontzagwekkends. En het is volkomen wijs, omdat God in zijn wijsheid, door zijn eigen Zoon in ons vlees te zenden, tot ons is gekomen. En zo is Christus de wijsheid van God, dat Hij ons verzoend heeft met God door het handschrift van onze zonden aan het kruis te nagelen. Met Christus zijn wij gestorven en begraven en opgewekt. In Christus’ gedoopt te zijn, houdt ook in het lichaam van de zonden, als een vies kleed, te hebben uitgetrokken. Als u dat bedenkt, dan is er alle reden God te danken. Want in de kennis van de vergeving van onze zonden is ons leven. Wij zijn schoongewassen en rein. Alle menselijke religieuze redeneringen gooien we graag snel in de container. Die verontreinigen ons als de boze geesten, want die trekken ons van Christus af, die ons Hoofd en onze Verlosser is. In Hem is onze reiniging. Verder lezen: Lucas 11:14-28 ====== 25 november ====== > Kolossenzen 2:16-3:4 Waar de apostel deze perikoop begint met de waarschuwing voor het oordeel der mensen met hun inzettingen, daar eindigt hij met het Evangelie. Christus is onze besnijdenis en we zijn met Hem gestorven en opgewekt. Zo ook hebben we een plaats in de hemel bij Hem en daar is een toekomst in heerlijkheid voor u en mij, met Hem. Wat een rijke beloften! Maar schijnvrome voedselvoorschriften en andere door mensen bedachte regels, die door de tijd heen verdwijnen, helpen niets. Ja, die helpen je van de regen in de drup, en trekken je af van Christus. Wanneer dan ook de leer van het geloof niet wordt bedacht en niet uit het geloof geleefd, dan krijgen allerlei ideeën en meningen van mensen de overhand. Dan gaat het er alleen nog maar om //hoe je leeft// en niet meer //wat je gelooft//. En dan is het einde zoek. Dan is Christus zoek. Dan staat Hij niet meer in de aandacht, als de Koning die komt in goddelijke heerlijkheid. Als ons Hoofd vanwaaruit wij leven. En dit is het gevaar ook in deze tijd, dat we door leefpatronen denken gelukkig te worden. Maar, dit is aards en vergankelijk. God heeft grotere en heerlijkere dingen geschonken! Verder lezen: Johannes 14:1-14 ====== 26 november ====== > Kolossenzen 3:5-17 Tegenover de leer van eigen gerechtigheid, door voedselvoorschriften na te volgen, stelde de apostel het zoeken wat boven is, bij Christus. En zo komt hij er nu van te spreken te leven uit Christus tegenover het leven uit zonde en boosheid. Al de heerlijke eigenschappen van vers 12 en alle liefde en vergevingsgezindheid moet bij ons zijn. Ook in deze perikoop hanteert de apostel weer vaak het woordje //al// of //alles// (zie bij hoofdstuk 1:1-14). En niet alleen wenst hij de vrede van Christus toe, ook geeft hij de opdracht dankbaar te zijn. De zegeningen van het verbond komen namelijk in de weg van gehoorzaamheid tot ons. De rijke zegeningen die we dankzij Christus hebben, brengen ook de opdracht met zich mee, om zich in te zetten voor Christus’ gemeente, zijn Lichaam. Zodat we in ons handelen en spreken met elkaar, steeds de lof op God zoeken te vermeerderen. Alle onderwijzing, vermaning, vertroosting moeten we laten dienen om het geloof en de blijdschap in de Here Jezus Christus te vergroten en dus God te danken en te prijzen om al Zijn grote en rijkmakende zegeningen. Deze tekst helpt om zich te bekeren. De tekst motiveert de naaste liefde te bewijzen. Deze tekst doet letten op al wat God door Christus voor u heeft gedaan. Verder lezen: Matteüs 18:21-35 ====== 27 november ====== > Kolossenzen 3:18-4:6 Hoe impopulair deze voorschriften zijn in de huidige maatschappij behoeft geen toelichting. Onderwerping van vrouw aan man. Dat is iets ondenkbaars in deze seculiere eeuw. Toch is het een voorschrift waar geen vrouw schade door lijdt, omdat het volgens Gods scheppingsorde is. Het gaat om onderwerping in de Here, dus volgens zijn heilige wil. Hier is kruisiging van het vlees nodig. En dat geldt voor het naleven van al de voorschriften die de apostel hier geeft. We moeten bedenken dat we van nature tegen Gods bevelen in gaan. En het goedpraten daarvan, omdat we nu eenmaal zwak zijn, of omdat de wereld er zo over denkt, maakt de zonde alleen maar erger. We moeten daartegen strijden, en juist de poorten openzetten voor het Woord van God om ons te verlichten, te vernieuwen en gehoorzaam te maken. Opdat we niet leven volgens de normen van de huidige verdorven maatschappij en ons vlees, maar leven uit geloof volgens de norm van Gods heilig Woord. Door te geloven komen de hemelse zegeningen in Christus tot ons. Door zijn zegen krijgen we vrijmoedigheid en wijsheid om te spreken van Zijn verlossing. Verlossing doordat Hij Zich onderwierp aan de Vader, vrijwillig en gehoorzaam, tot de kruisdood. Verder lezen: 1 Petrus 2:11-3:7 ====== 28 november ====== > Kolossenzen 4:7-18 Hoe levend het verkeer was in de begindagen van de kerk in het Nieuwe Testament laat deze perikoop zien. Er is wederzijdse zorg voor elkaar. En er is aansporing dat te blijven doen. Vanwege gevangenschap om het geloof in de Here Jezus, is het niet gemakkelijk elkaar te ontmoeten en samen God te dienen. Maar toch verhindert dat niet het werk voor het Koninkrijk van God. De vele personen van wie de apostel de groeten laat overbrengen en de gemeenten die hij groet, laat duidelijk uitkomen hoezeer het geloof samenbindt. Maar dat neemt niet weg dat ook aansporing nodig is. Aan Archippus om zijn bediening te verrichten. En aan de gemeenten om brieven uit te wisselen en te laten voorlezen. De onderwijzing moet doorgaan en zo ook de opbouw in het gemeenschappelijk geloof. Deze tekst spoort aan om naar elkaar om te zien en naar elkaars welstand te vragen. Om elkaar op te bouwen in het geloof. Voor elkaar te bidden. Elkaar te wijzen op Christus en te beseffen dat, in welke omstandigheid ook, zelfs in de koude gevangenis, de Here voortgaat met Zijn werk. Zodat ook in de kerker altijd licht schijnt. Zodat in onderlinge omgang, troost gevonden wordt, in Zijn genade. Verder lezen: Handelingen 15:22-34 ====== 29 november ====== > I Tessalonicenzen 1:1-10 De apostel en zijn medewerkers danken God om het geloof, de liefde en de volharding die de Tessalonicenzen aan de dag hebben gelegd sinds ze het Evangelie hoorden en in geloof aannamen. Dat ging alleen gepaard met enorme vervolgingen door de jaloerse Joden. Die waren razend om wat Paulus verkondigde. Hoe zij toch in het geloof volhardden, is te danken aan de Here en duidelijk blijk van hun verkiezing. Ze ontvingen de leer daarbij in blijdschap van de Heilige Geest. En als vrucht van hun verkiezing werkte hun geloof veel goeds uit. Juist ook tegen de achtergrond van de vervolgingen. En zo ging er een uitnemend getuigenis van de gemeente te Tessalonica uit. Ze waren een voorbeeld voor de andere gemeenten in hun provincie en het nabijgelegen Achaje, maar ook nog verder. Zo zien we in deze eerste zinnen een getuigenis van de apostel hoe heerlijk het Evangelie doorwerkt. Daarom alle aandacht voor het Woord van het geloof. En het voortdurend gebed om de Heilige Geest, om in de blijdschap die Hij geeft, in dit geloof te volharden. In dit gebed de dag beginnen geeft goede verwachting in liefde, dankbaarheid en blijdschap het goede te werken uit geloof. Verder lezen: Handelingen 17:1-14 ====== 30 november ====== > I Tessalonicenzen 2:1-12 Hoe Paulus en de zijnen het evangelie hebben gebracht aan de Tessalonicenzen was niet onbelangrijk. Hij brengt het hen hier in herinnering. Zijn onbaatzuchtigheid, zijn bereidheid zijn leven te geven. Het laat zien dat hij gedreven werd door de liefde van zijn hemelse Zender; Christus, die zijn leven voor ons heeft over gehad. Wanneer we dat bedenken en ook de trouw die voorgangers hebben bewezen, dan wordt ons oog gericht op de liefde waarmee Christus ons heeft liefgehad, zoals een vader eigen kinderen vermaant en een moeder haar eigen kinderen koestert. Ja, de hoogste liefde heeft God ons bewezen. Zijn roeping getuigt daarvan. Zijn Zoon, onze Here Jezus Christus heeft die liefde bewezen. Door Hem komt Gods roepstem tot ons. Daar is het eeuwig en onverderfelijk Koninkrijk dat God bestemd heeft. En de waarde daarvan, de glorie en heerlijkheid er van, neemt de verkondiger helemaal in. Zodat hij niets nalaat, ook geen zware strijd of levensgevaar, om de gelovigen te bemoedigen, aan te sporen en te onderwijzen, dit Rijk in te gaan, waar God toe roept en Christus plaats bereidt. Laten we dus de vermaningen van Christus’ ambtsdragers ter harte nemen, daaruit blijkt Zijn levendmakende liefde. Verder lezen: Matteüs 4:12-17 ====== 1 december ====== > I Tessalonicenzen 2:13-20 Deze tekst spreekt van de genegenheid van Paulus voor de Tessalonicenzen. Zij zijn evenals hij in strijd met de Joden gekomen. Een hevige, zware strijd, op leven en dood. De ijver waarmee de Joden van Tessalonica Paulus ook achtervolgden, toen hij het Evangelie kwam brengen, doen opmerken hoezeer de satan daar achter zat, om te verhinderen dat het Woord zich verbreidde. Maar zo krachtig en sterk is de liefde Gods in zijn Woord, dat het niet te stoppen is. Het is krachtig werkzaam in wie geloven. En die het geloven nemen het aan als Gods Woord. En juist dat Woord is het, dat ook wijst op de toorn van God. Een toorn, die rechtvaardig komt over alle ongerechtigheid van de mensen. Die vooral blijkt in het ten onder houden van de waarheid. Wat op zijn hoogtepunt komt in het doden van de profeten en de Christus. De enige verlossing van de komende toorn is er door de Here Jezus, de Zoon van God (zie hoofdstuk 1:10). Blijdschap is daar, wanneer de leer van de verlossing door Hem, wordt geloofd en beleden. Die blijdschap is er bij de dienaren, om hun leerlingen, omdat ze op Hem vertrouwen. De zaligheid is er alleen in Hem. En door strijd en aanvechting wordt de erekrans verkregen. Verder lezen: Matteüs 21:33-46 ====== 2 december ====== > I Tessalonicenzen 3:1-13 Verdrukking om het geloof was door de apostel aangekondigd. Hij werd vervolgd, zijn leerlingen zouden ook vervolgd worden. En dat om Christus’ wil. Dat was zo bestemd en dus onontkoombaar. Waar de apostel als ouder van zijn kinderen bezorgd om was, is of zij zouden blijven geloven en de verzoekingen doorstaan. Paulus was verheugd te horen van zijn medewerker Timotheüs dat zij hadden vol gehouden. Het gaf troost en leven, want zij stonden in de Here. Zijn dank aan God hierover was overvloedig. Hoe lief hij hen had blijkt in heel zijn schrijven, en de liefde was wederzijds. Daar is in de kerk tussen de gelovigen de hartelijke begeerte samen de Here te dienen en daarom ook het gebed dat de Here elkaar in liefde doe toenemen. Daaruit blijkt de gemeenschap der heiligen. Ook het begeren van elkaars toename in geloof en liefde werkt de Heilige Geest. Dus is ook het gebed om Zijn troostende bijstand in verdrukkingen dagelijks nodig. Met name in de samenkomst van de gemeente wordt om Zijn hulp gebeden. Laten we vandaag ook weer de Here bidden en danken om al zijn werk in en aan ons. En of Hij wil voortgaan ons in geloof en liefde op te bouwen op het fundament, onze Here Jezus Christus. Verder lezen: Johannes 17:14-26 ====== 3 december ====== > I Tessalonicenzen 4:1-12 Nadat de apostel drie hoofdstukken van goede tijding sprak, begint hij nu te vermanen. Allereerst om te blijven wandelen zoals zij geleerd hebben van de Here Jezus. Ook nu er vermaningen komen, inzake de omgang met het huwelijk en het dagelijks werk, moet bedacht worden, dat terechtwijzingen van de Here komen. Het gaat in de levensheiliging om de dienst en eer aan God. Vervolgens ook tot opbouw van het geloof van de broeders. De liefde die aan de broeders bewezen werd door de Tessalonicenzen wordt door Paulus geprezen. Toch spoort hij aan nog meer liefde te bewijzen. Niet zozeer omdat het niet genoeg was, maar omdat in meerder liefdebetoon de genade van God ook overvloediger blijkt. De eer en lof aan God en de verbreiding van het Koninkrijk Gods wordt hierdoor bevorderd. De kerk waarin de liefde bloeit en groeit kan rekenen op nog meer zegeningen van boven. En ook de buitenstaanders merken dit op en worden door de goede werken voor Christus gewonnen. Dat strekt dan tot behoud en vervulling van Gods Raad om zijn kerk tot volheid te doen komen. Ook daar moeten we aan denken in de dienst van de liefde van God en van Christus. Hierbij verwachten we terecht alles van Hem! Verder lezen: Psalm 133 ====== 4 december ====== > I Tessalonicenzen 4:13-18 Door het geloof in Christus, de Zoon van God, hebben we het leven en leven wij. De kracht van zijn opstanding is de kracht van ons leven. Ja, het onverderfelijk leven heeft Hij in Zich en heeft Hij de menselijke natuur geschonken met zijn opstanding uit de doden. Als wij met Hem gestorven en opgewekt zijn, hebben wij het eeuwige leven. Deze belofte van God is waarheid in Hem. Maar wij, die van Christus zijn, ontslapen nog wel. En dat roept bij elke graflegging bij ons zwakke mensenkinderen weer vragen op. Ook kan het gevoel opkomen dat er een verschil zit tussen het overlijden en het eeuwige leven dat wij in Christus bezitten. Hier, in deze perikoop staan de antwoorden die wij nodig hebben. En de vraag, wanneer Hij wederkomt, is alleen de Vader bekend. Wij moeten ook hierin berusten. Ons tevreden stellen dat we nog leerlingen zijn en geduld hebben en ook elkaar troosten met deze woorden. De ontslapenen zullen eerst opgewekt worden bij Zijn komst. Hun ziel, als zij in geloof in de Here sterven, wordt direct tot Hem opgenomen. De hoop vervliegt dus niet bij het sterven. Integendeel, die hoop wordt eerder meer en meer, gelet op Zijn wederkomst. Verder lezen: Handelingen 1:1-11 ====== 5 december ====== > I Tessalonicenzen 5:1-11 De wederkomst van onze Heiland en Zaligmaker behoort onze aandacht te hebben, elke dag. We hebben door Hem het leven, en God heeft ons gesteld de zaligheid door Hem te verkrijgen. Bij zijn plotselinge komst, als een dief in de nacht, is het verderf daar voor de goddelozen die Hem niet verwachten en met zijn Woord geen rekening houden. Het zal zijn als in de dagen van Noach en als in de dagen van Sodom en Gomorra, terwijl men denkt: ‘er is niets aan de hand’. De haat, dronkenschap, doodslag die er onder de zondaren is, wordt dan vergolden. Er zal recht gedaan worden en de kerk zal verlost worden. Wie echter wakker is, en kind van het licht is, die let op Hem die het licht geschapen heeft en het leven geeft. En die moet letten op zijn Woord. De apostel spoort aan nuchter te zijn en waakzaam. Hoewel wij niet weten wanneer Hij komt, zullen wij wel gereed moeten zijn, door namelijk te strijden in geloof, hoop en liefde en zo samen met Hem, onze Here Jezus Christus, te leven. Waarbij we voortdurend verzekerd zijn van Gods liefde voor ons, omdat Jezus het is, die voor ons gestorven is. Wakker zijn, dat is wandelen in het levenslicht dat God over u doet schijnen in Christus. Verder lezen: Matteüs 24:32-44 ====== 6 december ====== > I Tessalonicenzen 5:12-28 Hoeveel rijkdom er in enkele korte zinnen kan zitten, wijst deze tekst aan. Jaag altijd het goede na voor eenieder, onthoud je van elke vorm van kwaad. Bid zonder ophouden, oftewel, leef in het gebed en dank God onder alles. Want heel het leven, alles wat kan voorvallen, gebeurt onder Zijn goede voorzienige leiding en regering. Steeds bewijst de Here zijn trouw, om, tot de komst van Christus, te doen blijken dat Zijn roeping tot de eeuwige zaligheid ook door Hem wordt waar gemaakt. Daarom is er alle reden daar ook voor te bidden. En het heerlijk vooruitzicht van de zaligheid, die de God van de vrede door Christus zal brengen, inspireert tot gebed, geduld, gehoorzaamheid, werkzaamheid, liefde, blijdschap en dankbaarheid. En steeds mag in alles de slotsom zijn: ‘God heeft door Christus vrede gemaakt en alles zal goed komen’. Maar dit is niet goedkoop. Het wil niet zeggen, dat er geen moeiten meer zijn. Maar door alle tranen en lijden heen, glinstert de dankbare blijdschap in de ogen. Want Christus heeft aan het kruis alles volbracht. Niemand en niets kan ons van Hem scheiden. En Hij komt. De troost van Christus te zijn, is steeds weer opnieuw de kracht van onze kracht. Verder lezen: Psalm 84 ====== 7 december ====== > II Tessalonicenzen 1:1-12 Evenals in de eerste brief tonen Paulus, Silvanus en Timotheüs hun dankbaarheid voor het geloof en de liefde van de Tessalonicenzen. En dat, terwijl de gemeente verdrukking ondergaat. Tegenover die verdrukking die van tijdelijke aard is, stelt de apostel de heerlijkheid die God door het oordeel van Christus brengt. Het onrecht, waaronder de christenen lijden, zal vergolden worden. Christus komt terug, zoals in de eerste brief ook nadrukkelijk is voorgesteld. En Zijn wederkomst is met de machtige engelen en tot vergelding van het kwaad van de bestrijders van het Evangelie. Hoe angstwekkend is zijn komst voor hen die God niet erkennen in het Evangelie van de Christus. Maar hoe troostrijk voor wie de Here vrezen. Maar om vol te houden is steeds Gods hulp nodig. Daarvoor bidt de apostel hier ook. Dat God toch met kracht het werk van het geloof volmake! Aan Zijn welgevallen en zegenrijke krachtwerking is het gelegen. Dat Hij ook ons de roeping waardig achtte. Laten wij daar steeds om bidden. Want voor de verlossing van de kerk verwachten we het van Hem. Voor de verhoring van dit gebed is alles in Christus gelegen. Wiens heerlijkheid in de zijnen openbaar zal worden, op ongedachte wijze! Verder lezen: Openbaring 2:8-11 en 6:9-17 ====== 8 december ====== > II Tessalonicenzen 2 Ook vandaag de dag zijn er zogenaamde predikers die beweren te weten wanneer de Here terugkomt. Ze vullen sociale media met het aanwijzen van de antichrist en trekken zo de aandacht. Sensatiezucht wordt hierdoor gevoed. Het berekenen van de dag van Zijn komst is eigenlijk werk voor dwazen. Want het is niet te berekenen. Toch wijst de apostel wel op het gegeven dat eerst de afval van het Christelijke geloof komt en de mens der wetteloosheid zich zal openbaren. Maar dat is ook op zijn tijd (vs. 6). Alle tijd en gelegenheid blijft onder Gods voorzienige regering. En het verslaan van de wetteloze? Daar zal de Here Jezus voor zorgen. We hebben evenwel te waken voor de verleidingen en ons te beijveren in alle goed werk, dat voor God en mensen aangenaam is. En daarbij goed bedenken dat God ons verkoren heeft en geroepen, tot het verkrijgen van de heerlijkheid van onze Here Jezus Christus. Laten we vasthouden wat ons in de kerk is overgeleverd, de goede leer van het Woord. De Here Zelf troost onze harten in de verdrukking en sterkt tot zijn dienst, waarin wij grote vreugde vinden. Wees dan actief en paraat om Zijn Koninkrijk te zoeken in de liefde voor de waarheid van het Evangelie! Verder lezen: Openbaring 13 ====== 9 december ====== > II Tessalonicenzen 3 De gedachte aan Christus’ wederkomst werkt bij sommigen een verkeerde lijdelijkheid uit. Alsof het nu niet meer nodig is actief en paraat God te dienen in en met het dagelijks werk. De toekomst zou een luilekkerland zijn en waarom dan nu nog moeilijk werk doen terwijl die toekomst op handen is? Hiertegenover staat het gebed van Paulus: “De Here neige uw harten tot de liefde Gods en tot de volharding van Christus.” Worden wij door de Heilige Geest op Gods liefde gericht en worden we er van doordrongen hoe onze Zaligmaker tot het einde toe volhard heeft, dan inspireert dat juist tot het einde toe door te werken. Ja, juist onder inspiratie van de liefde van God is daar een trouw arbeiden. Dat is nooit tevergeefs. Want wat voor een resultaat heeft Christus bereikt! En daarin mogen we uit genade delen, en Gods vrede deelachtig zijn. Maar wie Gods genade als dekmantel voor luiheid misbruiken, moeten vermaand en vervolgens op broederlijke wijze uitgesloten worden van vriendelijke omgang. Ze moeten zo voelen dat zij handelen tegen de regel van de Here. Als Hij werkt, dan moeten wij dat ook doen. Om voor Christus dienend te werken, zodat het Woord snel loopt, een heerlijke dingen uitwerkt! Verder lezen: Galaten 6:1-10 ====== 10 december ====== > Titus 1 Paulus schrijft aan zijn geestelijke zoon Titus over de hoop van de gelovigen op het eeuwige leven. Die hoop is een vaste hoop, want ze rust op de vaste, aloude beloften van God, die niet liegen kan. Onze zaligheid hangt maar niet af van onze eigen inspanningen, maar is verankerd in Gods eeuwige raad. En dat biedt rijke troost. Troost die dringend nodig is in de weerbarstige praktijk van het leven hier op aarde. Titus heeft een zware taak op het eiland Kreta: hij moet de jonge christelijke gemeenten aldaar in orde brengen, onder meer door er bekwame oudsten aan te stellen. En bekwaam, dat is niemand uit zichzelf, zoals Paulus elders aangeeft, “maar onze bekwaamheid is Gods werk” (2 Korintiërs 3:5). Oudsten of opzieners moeten oprecht en betrouwbaar zijn, en zich bovenal houden aan het betrouwbare Woord van God. Alleen zo kunnen zij de kudde van Christus weiden en beschermen. En bescherming is nodig, want Kreta wemelt van de dwaalleraars. Zij moeten worden weerlegd op grond van de gezonde leer van Christus. Verraderlijk is daarbij vooral de huichelarij van mensen die wel met de mond belijden dat ze God kennen, maar met hun werken het tegendeel bewijzen. Het herinnert ons eraan dat we niet alleen hoorders van het Woord moeten zijn, maar ook daders, met goede werken als vruchten van een levend geloof. Verder lezen: Jakobus 1:19-27 ====== 11 december ====== > Titus 2 Paulus roept Titus op om met een gezonde prediking, waartegen niets valt in te brengen, te verkondigen wat met de gezonde leer strookt. En die gezonde leer moet in de kerk worden versierd met een godvruchtig leven. Zowel oude als jonge mannen en vrouwen worden aangespoord om te leven zoals het bij hen past, een ieder in zijn hoedanigheid en rol. Daarbij moet Titus ook zelf een voorbeeld zijn in leer en leven. Zelfs de slaven hebben hun roeping: zij moeten trouw zijn aan hun meesters, zoals wij allen trouw moeten zijn jegens allen die over ons gesteld zijn. Een ieder van ons is geroepen om voor de Heere te leven, niet alleen op de zondag, maar ook doordeweeks. Maar hoe komen we tot zo’n heilige levenswandel? Enkel en alleen door de heilbrengende genade van God. Deze genade voedt ons op. Ze leert ons onze zondige begeerten steeds meer de rug toe te keren en godvruchtig te leven. Christus gaf Zichzelf immers aan het kruis om ons vrij te kopen en voor Zichzelf een eigen volk te reinigen dat vol ijver is om het goede te doen. Wij mogen delen in het heil van Christus, om uit dank daarvoor heilig te leven in deze wereld, terwijl we intussen verlangend uitzien naar de wederkomst van onze Heiland, Christus Jezus! Verder lezen: Efeziërs 2:1-10 ====== 12 december ====== > Titus 3 Titus moet de gelovigen eraan herinneren de overheid te gehoorzamen en vriendelijk en zachtmoedig te zijn voor alle mensen. Van nature doen wij dat niet. Van nature zijn wij verdwaasd, ongehoorzaam en verslaafd aan zondige begeerten. Die spiegel houdt Paulus ons hier voor, om ons ootmoedig te maken. We hebben geen enkele reden om ons hoogmoedig boven andere mensen te verheffen. Maar de apostel blijft niet steken bij onze zondige natuur. Want in Christus is Gods goedertierenheid en mensenliefde verschenen! In Christus heeft God ons gered, niet op grond van ónze goede werken, maar enkel en alleen naar Zíjn genadige ontferming over ons. Deze redding bestaat in onze rechtvaardiging uit vrije genade door het bloed van Christus en in onze heiligmaking door de Geest van Christus. Deze genadige redding gaat gepaard met een heilige roeping. Paulus benadrukt immers dat wie zijn vertrouwen op God heeft gebouwd, er zorg voor moet dragen vooraan te staan in goede werken. Goede werken zijn niet de oorzaak van onze redding, maar wel het onmisbare bewijs ervan. Dwaze twisten en bittere verdeeldheid moeten we vermijden, want die maken ons onvruchtbaar voor de Heere en ook voor anderen. Laten we ons dan ook overgeven aan Gods genade en Geest, opdat we in geloof en in liefde God eren en elkaar dienen. Verder lezen: 1 Petrus 2:11-17 ====== 13 december ====== > 1 Johannes 1:1-4 Evenals de brief aan de Hebreeën begint ook deze brief zonder groet. In preekstijl komt Johannes meteen met het evangelie: het eeuwige Woord des levens is mens geworden! En daarmee is het Woord niet slechts iéts, maar Iémand, een goddelijk Persóón. Zoals de apostel ook al duidelijk maakte aan het begin van zijn evangeliebeschrijving: het Woord was niet alleen bíj God, maar het Woord wás God. Johannes benadrukt dat dit maar geen verzonnen verhaal is. Hij is immers zelf oor- en ooggetuige van Christus! Hij heeft Hem horen spreken, Hem gezien en Hem zelfs met zijn eigen handen aangeraakt. En het gaat Johannes daarin vooral om één doel: gemeenschap. De apostel wil dat wij door een waar geloof in het getuigenis van de apostelen geestelijk gemeenschap met hen hebben. En daarmee ook met God de Vader en Zijn Zoon Jezus Christus. Ja dáártoe verkondigt Johannes wat hij gezien heeft en gehoord, opdat wij geloven en gemeenschap hebben met de Heere en de Zijnen. En die gemeenschap geeft reden tot blijdschap. In een leven vol zorgen, verdriet en onrust, mogen wij vaste vreugde vinden in onze verbondenheid met de Heere en met elkaar. Laten we ons dan ook dankbaar verblijden over de gemeenschap ván de heiligen áán de Heilige en alle heiligen! Verder lezen: Johannes 1:1-14 ====== 14 december ====== > 1 Johannes 1:5-2:2 Johannes geeft door wat Hij van Christus Zelf gehoord heeft: God is Licht en dus volstrekt heilig. En als Licht vérlicht God ook óns. Dankzij Hem wandelen wij in het licht en dus niet meer in de duisternis van de zonde. Al betekent dat niet dat we al zonder enige zonde zijn. Want wie beweert geen zonde meer te hebben, misleidt zichzelf. Het betekent wel dat we ons door het geloof niet meer laten leiden door de zonde, maar door de Heere. Wanneer we voor Hem leven, hebben we gemeenschap met elkaar en met het bloed van Christus, dat ons reinigt van alle zonde. Maar dan moeten we dus wel eerlijk onze zonden belijden, juist om er vergeving voor te ontvangen. God is immers volkomen getrouw en rechtvaardig om te doen wat Hij heeft gezegd en beloofd; niet alleen om hardnekkige goddelozen te straffen, maar ook om schuldbewuste gelovigen te vergeven en te reinigen, te rechtvaardigen en te heiligen. Nu mogen we dit evangelie niet aangrijpen als een vrijbrief om maar te blijven zondigen. Maar zo vaak als we onverhoopt tóch zondigen, mogen we weten van onze Voorspraak bij de Vader, van onze hemelse Advocaat: Jezus Christus, die als de Rechtvaardige wél zonder enige zonde is! Door Zijn vergoten bloed is Hij de verzoening voor de zonden van álle gelovigen. Verder lezen: Romeinen 6:1-14 ====== 15 december ====== > 1 Johannes 2:3-11 Hoe weten we zeker dat we Christus kennen? Johannes antwoordt: als we Zijn geboden bewaren. Een geloof dat alleen maar uit mooie woorden bestaat, is een dood geloof. Wie zegt dat hij Christus kent en in Hem blijft, moet ook wandelen zoals Hij gewandeld heeft. Dat betekent niet dat wij Christus in Zijn middelaarsambt moeten imiteren of nadoen – Hij is immers de enige die kan verlossen – maar wel dat wij Hem moeten navolgen in de liefde waarmee Hij Zijn middelaarsambt vervult. Wij zijn immers niet verlost ómdat wij goede werken doen, maar ópdat wij goede werken doen; opdat wij wandelen in liefdevolle gehoorzaamheid aan Gods geboden. Die gehoorzaamheid spitst Johannes hier toe op de broederliefde. Dat is aan de ene kant een oud gebod, want het bevel tot naastenliefde klonk al in het Oude Testament, maar aan de andere kant ook een nieuw gebod, omdat deze liefde in Christus volmaakt is geopenbaard! Verlicht met de zaligmakende kennis van Zijn leer wijkt de duisternis van de haat uit ons hart. Wie dan ook beweert in het licht te wandelen, maar ondertussen zijn broeder of zuster haat, dwaalt feitelijk nog altijd blind rond in de geestelijke duisternis. Maar wie de ander van harte liefheeft, is en blijft in het Licht dat Christus is. Diegene ziet in Hem het eeuwige levenslicht. Verder lezen: Johannes 15:9-17 ====== 16 december ====== > 1 Johannes 2:12-17 De apostel bemoedigt de gelovigen als zijn geestelijke kinderen. Jongeren én ouderen – allen mogen weten van de vergeving van hun zonden om Christus’ wil. Zij allen kennen de eeuwige God en hebben in Christus de boze overwonnen. Zo staan zij op een rotsvast fundament. Maar dan klinkt een ernstige waarschuwing: heb de wereld niet lief! Met ‘de wereld’ bedoelt Johannes niet Gods goede schepping, maar al het goddeloze dat zich tegen de Heere verzet. Wie dié wereld liefheeft, heeft in zijn hart geen ruimte voor de liefde van God. We moeten er dan ook voor waken ons niet te laten leiden door de begeerte van ons vlees of door de wellust van onze ogen, en ons niet over te geven aan een hoogmoedig leven waarin we onszelf in het middelpunt plaatsen. Wereldsgezindheid is bovendien heel gevaarlijk. Want de goddeloze wereld met al haar verlokkingen gaat onherroepelijk voorbij. Wie dáárvoor leeft, bouwt op drijfzand en verliest straks alles. Maar wie door Gods genade Zijn wil doet en zich aan Christus toevertrouwt, blijft tot in alle eeuwigheid! Laten we dan ook niet leven voor onszelf en opgaan in wat leeg en tijdelijk is, maar eeuwig leven voor onze eeuwige God. Verder lezen: Jakobus 4:1-10 ====== 17 december ====== > 1 Johannes 2:18-27 Johannes wijst zijn geestelijke kinderen op de ernst van de tijd: sinds Pinksteren is het de laatste ure! Een beslissende tijd, waarin vele antichristen opstaan. Dit zijn geen onbekende buitenstaanders, maar dwaalleraars uit het midden van de gemeente. Door de kerk de rug toe te keren, laten zij zien dat zij nooit echt bij de kudde van Christus hoorden. Hun grootste dwaling is dat zij loochenen dat Jezus de Christus is, de gezalfde Zoon van God. En de waarschuwing is duidelijk: wie de Zoon verwerpt, heeft ook geen gemeenschap met de Vader. Die twee zijn immers één. Maar hoe blijven wij dan overeind in een tijd vol misleiding? Johannes wijst ons op de "zalving van de Heilige". Al wie door een waar geloof met Christus is verbonden, ontvangt de Heilige Geest. Die Geest leert ons de leugen van de waarheid te onderscheiden. Hij doet ons Christus kennen en belijden naar Gods Woord. Zo bewaart Hij ons bij het onvervalste evangelie. Laat u dus niet meeslepen door allerlei dwaalleringen, hoe mooi ze ook kunnen klinken. Maar houdt u aan Gods Woord. En blijf zo, door Gods genade en Geest, in de Zoon en in de Vader, ja in de gemeenschap van de drie-enige God. Want daarin ontvangt u de vervulling van wat “Hij zelf ons beloofd heeft: het eeuwige leven”. Verder lezen: 1 Timoteüs 4:1-10 ====== 18 december ====== > 1 Johannes 2:28-3:10 Verwonderd roept Johannes het uit: "Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven"! Wat een genadewonder, dat geboren zondaren kinderen van God mogen heten. Door het geloof in Christus zijn we uit God geboren! De blinde wereld begrijpt daar niets van, maar voor de gelovige is het zijn rijkste troost. Eén die gepaard gaat met een heerlijke toekomstverwachting. Want als Christus straks terugkomt op aarde, zullen wij Hem volkomen gelijk zijn. Dat betekent niet dat wij goden worden, maar dat we komen tot volkomen heerlijkheid. De vaste hoop op die toekomst maakt ons in het heden echter niet passief. Want wie deze hoop kent, reinigt zichzelf, gelijk de Heere rein is. Zoals God als sprak in Leviticus 11: “weest heilig, want Ik ben heilig”. Je kunt niet de zonde blijven dienen, als je weet dat Christus juist naar deze aarde kwam om onze zonden te verzoenen en de werken van de duivel te verbreken. Daarom zegt Johannes: "wie uit God geboren is, doet de zonde niet". Niet dat een christen nooit meer zonden doet, maar de zonde is niet langer onze heerser en onze levenslust. Want het zaad van onze wedergeboorte blijft in ons! Het door de Geest gezaaide zaad van Gods Woord, dat de vrucht voortbrengt van een rechtvaardig en liefdevol leven. Verder lezen: 2 Korintiërs 6:14-7:1 ====== 19 december ====== > 1 Johannes 3:11-17 Johannes komt niet met een nieuwe boodschap of leer, maar met de aloude verkondiging dat gelovigen elkaar moeten liefhebben. Tegenover die broederliefde plaatst Johannes de zonde van Kaïn. Die liet zich leiden door afgunst, wat uitliep op de moord op zijn broer Abel. En dat is ons tot waarschuwing: wie in zijn hart haat koestert tegen een broeder of zuster, is in Gods ogen reeds een moordenaar, omdat de wortel van de doodslag al in hem aanwezig is. Zo iemand heeft daarom geen deel aan de zaligheid, maar is geestelijk dood zolang hij zich niet bekeert. Haten is dan ook echt iets van de wereld, die God en de Zijnen niet kan uitstaan. Wij echter hebben de liefde leren kennen. En wel door Christus. In Hem is de liefde van God ten volle geopenbaard. Hij heeft immers zelfs Zijn leven voor ons ingezet. En de zelfopofferende liefde van Christus moet door ons worden nagevolgd. Uit onze liefdevolle omgang met elkaar moet blijken dat we zijn overgegaan uit de dood in het leven. En daarbij mag het niet slechts bij woorden blijven. Als we iemand gebrek zien lijden, maar onze portemonnee en ons hart gesloten houden, dan blijkt de liefde van God niet in ons te wonen. Laten wij daarom, gered en geleerd door de liefde van Christus, met elkaar leven in ware broederliefde. Verder lezen: Genesis 4:1-12 **\\ ** ====== 20 december ====== > 1 Johannes 3:18-24 De apostel wil dat wij van harte liefhebben, en dat niet slechts met het woord maar ook met de daad. Als wij geloven kán het ook niet anders of wij brengen vruchten van dankbaarheid voort en dus ook daden van oprechte liefde tot God en de naaste. En uit die vruchten mogen we afleiden dat wij uit de waarheid zijn, dat we door een waar geloof uit God geboren zijn. Toch kent een kind van God ook aanvechtingen. Ons geweten kan ons zo streng veroordelen. Als we onze tekortkomingen inzien, twijfelen we maar zo aan onze oprechtheid. Maar "God is meerder dan ons hart en Hij weet alle dingen." Waar ons hart zich kan blindstaren op onze zonde en zwakheid, daar kent God als geen ander het goede werk dat Hij in ons begonnen is. En Hij baseert Zijn oordeel niet op onze zonden, maar op het volmaakte offer van Christus! Dat geeft vrijmoedigheid om tot God te bidden. En wat we bidden naar Zijn wil, ontvangen we ook, als we tenminste Zijn geboden bewaren en Zijn wil doen, door te geloven in Christus en elkaar lief te hebben. En dat doen wij niet uit onszelf, maar door de werking van de Heilige Geest, die Christus ons gegeven heeft om ons te verzekeren van onze gemeenschap met Hem. Verder lezen: Jakobus 2:8-18 ====== 21 december ====== > 1 Johannes 4:1-6 Johannes waarschuwt de gelovigen om in geestelijke zaken niet naïef te zijn. Ze moeten mensen die zich aandienen als leraar niet zomaar vertrouwen, maar wat zij leren toetsen aan Gods Woord. Er zijn immers vele valse profeten in de wereld. Christus Zelf had hun komst al voorzegd. Belangrijk is het te toetsen of men wel belijdt dat Christus werkelijk in het vlees gekomen is, wat de tegenstanders van Johannes loochenden. Want elke leer die afdoet aan de vleeswording of het verlossingswerk van de eeuwige Zoon van God, ademt niet de Geest van God, maar de geest van de antichrist. Nu zijn valse leraars vaak populair. Ze zeggen precies wat de onbekeerde mens graag wil horen. Maar wie uit God geboren is, laat zich niet leiden door de tijdgeest, maar buigt onder het apostolische Woord. En hoewel de invloed van dwaalleringen soms ontmoedigend groot kan lijken, biedt de apostel hier een onuitsprekelijke troost: "Hij, die in u is, is meerder dan die in de wereld is!" Gods kinderen hebben de boze in wezen al overwonnen. Niet door hun eigen scherpe inzicht of vroomheid, maar door de kracht van de Heilige Geest die in hen woont. Hij leidt ons in de waarheid, ontmaskert elke geest der dwaling en doet ons tegenover de wereld de Christus der Schriften belijden! Verder lezen: Matteüs 7:15-23 ====== 22 december ====== > 1 Johannes 4:7-21 De liefde is uit God, schrijft Johannes, ja God ís liefde. Dat is wel heerlijk gebleken toen God Zijn eniggeboren Zoon gaf als een verzoening voor onze zonden. Want dát is toch wel liefde ten voeten uit: dat God in Zijn genadige ontferming omzag naar toen nog vijandige zondaren. En alleen omdat Hij ons eerst heeft liefgehad, kunnen wij Hem nu ook liefhebben. Hem, én elkaar. Want de liefde van en tot God kan in ons leven onmogelijk zonder naastenliefde blijven. Wie beweert God lief te hebben, maar intussen zijn broeder haat, is een leugenaar. Je kunt de Heere, die wij niet met onze ogen kunnen zien, onmogelijk liefhebben als je een broeder in nood wél ziet maar hem liefdeloos en kil in de kou laat staan. We kunnen dus niet zonder de liefde, zonder die zo heerlijke vrucht van de Geest, die Christus in ons hart uitstort. Die liefde drijft ook alle vrees uit voor het laatste oordeel. Want ze is tegelijk een liefde tot de waarheid. En als we de waarheid liefhebben en dus belijden dat Jezus de Zoon van God is, blijft God in ons en wij in Hem. En als we in God blijven, blijven we ook in de liefde. Want God ís liefde. Verder lezen: Romeinen 5:1-11 ====== 23 december ====== > 1 Johannes 5:1-12 Het geloof bindt ons niet alleen aan onze hemelse Vader, maar ook aan Zijn andere kinderen. Wie de Vader liefheeft, heeft ook zijn broeders en zusters lief. En die liefde is slechts oprecht als we ook God liefhebben en Zijn geboden bewaren. Want de liefde tot de naaste gaat altijd gepaard met de liefde tot God. Nu zijn Gods geboden voor ons geen zwaar juk, maar een heerlijke regel voor ons leven in dankbaarheid voor de verlossing door Christus. Ondanks onze zonde en zwakheid, kunnen we toch al beginnen Gods geboden te doen, omdat we gelóven. Het geloof doet ons delen in de overwinning van Christus op de goddeloze wereld, ook op de Boze, die geen vat meer op ons heeft. Christus is daartoe gekomen door het water van Zijn doop en met het bloed van Zijn zoenoffer. Samen met de Heilige Geest getuigen dat doopwater en dat offerbloed op aarde van het volbrachte verlossingswerk, zoals de Vader, het vleesgeworden Woord en de Heilige Geest dat doen in en vanuit de hemel. En als zelfs de drie-enige God hiervan getuigt, dan is dat getuigenis voluit geloofwaardig. Dan moeten we God niet tot een leugenaar maken door niet in Christus te geloven. Alleen door te geloven hebben wij de Zoon, en alleen wie de Zoon heeft, heeft het eeuwige leven! Verder lezen: Johannes 3:31-36 ====== 24 december ====== > 1 Johannes 5:13-21 Johannes heeft zijn brief geschreven om ons te brengen tot geloofszekerheid. Hij wil dat we niet twijfelen, maar overtuigd zijn van onze gemeenschap met Christus en daarmee met het eeuwige leven! Die zekerheid geeft ons vrijmoedigheid in de omgang met God. We mogen als Zijn kinderen tot Hem naderen. En als we iets bidden naar Zijn wil, zal Hij ons niet alleen áánhoren maar ook vérhoren. En die vrijmoedigheid moeten we ook inzetten voor onze naasten. Zien we een broeder of zuster afdwalen? Laten we dan niet hoogmoedig oordelen of roddelen, maar voor hem bidden! Want het gebed van een rechtvaardige vermag veel. En de Heere vergééft veel. De enige uitzondering is de “zonde tot de dood", een moedwillig afwijzen van Christus en Zijn Geest, uit pure haat en tegen beter weten in. Maar een kind van God zal dié zonde nooit begaan. Want een ieder die uit God geboren is, zondigt niet, dat wil zeggen: hij wandelt niet ín de zonde, het zondigen is niet zijn lust en zijn leven. Bovendien mogen wij weten van Gods bewarende hand, waarmee Hij ons beschermt tegen de Boze. Hoe heerlijk is het dan ook om Hém te kennen, “de enige waarachtige God, en Jezus Christus”, zoals onze Heiland het zegt in Johannes 17, want “dit nu is het eeuwige leven”! Verder lezen: Jakobus 5:13-20 ====== 25 december ====== > 2 Johannes 1:1-6 Zoals Petrus in zijn eerste brief (hoofdstuk 5:1), noemt ook Johannes zichzelf hier een oudste. Als drager van het ambt van oudste schrijft hij aan de 'uitverkoren vrouw en haar kinderen', aan de bruidsgemeente van Christus en haar leden. Die heeft hij in waarheid lief, zoals allen die de waarheid kennen. Waarheid en liefde blijken hier nauw verbonden. Ware broederliefde is immers onmogelijk zonder de waarheid van Gods genade in Christus te kennen en te omhelzen. En omgekeerd: wie de waarheid in het hart gesloten heeft, zal vanzelf overvloeien van oprechte liefde tot allen die in de waarheid wandelen. Het is voor de apostel dan ook verblijdend als hij ziet dat Gods kinderen dat doen: wandelen in de waarheid, leven vanuit een waar geloof. Johannes wijst daarbij weer op de bekende roeping: dat wij elkander liefhebben. Dat is geen nieuwigheid, maar een gebod dat de kerk al van oudsher kent. En naast de broederliefde, moet er bij ons ook zijn de liefde tot God. Die liefde komt tot uiting in het wandelen naar Gods geboden. Bijbelse liefde is dus niet los verkrijgbaar van Gods wet, en Gods geboden zijn niet te onderhouden zonder ware liefde. Liefde, waarheid en gerechtigheid vormen zo een drievoudig snoer dat ons verbindt met God! En dat dankzij Christus, die ons daartoe heeft verlost. Verder lezen: Johannes 14:15-24 ====== 26 december ====== > 2 Johannes 1:7-13 De apostel heeft niet alleen oog voor de waarheid, maar ook voor de leugen die de kerk bedreigt. Er zijn vele misleiders in de wereld, die in de dagen van Johannes de menswording van Gods eeuwige Zoon loochenen. Ze ontkennen dat Christus in het vlees gekomen is om door Zijn plaatsvervangend lijden de straf op de zonde te dragen. Maar wie dat fundament wegslaat, verloochent het evangelie en ademt de geest van de antichrist. Daarom roept Johannes op tot geestelijke waakzaamheid. We moeten trouw blijven aan de onvervalste leer van Christus. En dus niet hoogmoedig 'verder' willen gaan dan Gods geopenbaarde Woord. Wie de leer van Christus verlaat, is God Zelf kwijt. Maar wie door Zijn genade in die leer geworteld blijft, heeft en houdt zowel de Vader als de Zoon! De liefde voor Gods waarheid vraagt dan ook om duidelijke grenzen. Dwaalleraars mogen we geen podium bieden, om niet medeplichtig te worden aan hun verwoestende werk. De kerk moet mild zijn voor haar schapen, maar streng optreden tegen wolven. En hoewel Johannes nog veel meer te schrijven had, hebben wij vandaag genoeg aan alles wat geschreven ís. De volle waarheid is ons geopenbaard! Houden we dan ook vast aan de volkomen leer van de Zoon, dan ontvangen we straks ons volle genadeloon. Verder lezen: 2 Timoteüs 3:14-4:8 ====== 27 december ====== > 3 Johannes 1:1-8 De apostel richt deze brief aan zijn geliefde vriend Gajus. Als oudste bidt Johannes voor de fysieke gezondheid en welvaart van Gajus, zoals ook zijn ziel gezond is in geestelijk opzicht. Het geeft de apostel grote vreugde dat Gajus standvastig in de waarheid wandelt, dat deze gelovige leeft in een waar geloof. Dat blijkt bij Gajus vooral uit zijn zorgzame gastvrijheid. Hij stelt zijn huis trouw open voor rondreizende predikers, die zijn uitgegaan omwille van de Christus. Deze zendelingen weigeren financiële steun van heidenen, om het evangelie van Christus niet in diskrediet te brengen door de indruk te wekken dat de evangeliepredikers slechts uit zijn op geld, zoals zoveel valse leraren. De zendelingen steunen dus volledig op de liefdevolle zorg van de kerk. Hierin ligt een prachtige roeping. Wij zijn niet allemaal geroepen om predikant of zendeling te zijn. Maar alleen al door de dienaren van het Woord met gaven en gebeden bij te staan, kan worden samengewerkt voor de waarheid. Door Gods genade mag een ieder van ons daarmee dienstbaar zijn aan de voortgang van het evangelie. Verder lezen: Hebreeën 13:1-8 ====== 28 december ====== > 3 Johannes 1:9-15 Tegenover de gastvrije Gajus plaatst Johannes als tegenbeeld Diotrefes. Zijn probleem? Hoogmoed. Hij wil in de gemeente het belangrijkst zijn. Zijn heerszucht maakt hem blind en hard. Hij verwerpt het gezag van de apostel, verspreidt boosaardige lasterpraat, weigert de predikers te ontvangen en werpt zelfs gemeenteleden die wél liefdevol en gastvrij zijn meedogenloos uit de kerk. Het is een aangrijpende waarschuwing hoe hoogmoed de gemeenschap der heiligen kan ontwrichten. In de kerk is dan ook geen plaats voor zelfverheffing. Christus is in de kerk het enige Hoofd! Daarom hoopt Johannes binnenkort langs te komen om orde op zaken te stellen. Maar nu komt hij alvast met de dringende oproep het kwade niet na te volgen, maar het goede. Wie het goede doet, bewijst daarmee door Gods genade uit God geboren te zijn, zoals bijvoorbeeld Demetrius. Alle gelovigen die hem kennen getuigen van zijn liefde en trouw, die hij bovendien nog dagelijks bewijst. Zijn leven is in overeenstemming met de leer van Christus. Wat Johannes verder nog te zeggen heeft, bewaart hij liever voor een persoonlijke ontmoeting, zodat van mond tot mond gesproken kan worden. En wat hij ons in dit korte briefje biedt, is toch lang genoeg om ons te leren, dat wij hebben te waken voor hoogmoed en te leven in ootmoed, in onderwerping aan ons enige Hoofd Christus. Verder lezen: Filippenzen 1:27-2:11**\\ ** ====== 29 december ====== > Judas 1:1-7 Judas schrijft aan allen die door Gods Woord en Geest geroepen zijn tot gemeenschap met Christus, en daarmee ook aan ons. Door en voor Christus zijn en blijven we zalig. Maar niet zonder tot het uiterste te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd, voor het algemeen en ongetwijfeld christelijk geloof. Er zijn dwaalleraars de gemeente binnengeslopen, die de leer van het geloof verdraaien. Ze leren dat Gods genade een vrijbrief geeft voor een losbandig leven. En ze verloochenen Christus als onze enige Heerser en Heere, doordat ze zelf willen heersen en niet willen leven als Zijn eigendom. Judas waarschuwt daarom voor Gods rechtvaardig oordeel, dat over alle goddelozen komt, zoals dat in het verleden al zo vaak is gebleken. Toen Israël werd verlost uit Egypte, werden de ongelovigen alsnog in de woestijn verdelgd. En toen een deel van de engelen met satan in opstand kwam, verloren zij hun hemelwoning en wacht hen de eeuwige duisternis. En ook Sodom en Gomorra vormen een waarschuwend voorbeeld: om hun hoererij en sodomie liggen deze steden voorgoed onder het vuur van Gods toorn. Dit alles “is opgetekend ter waarschuwing voor ons”, kunnen we met Paulus zeggen. Laten we dan ook waakzaam zijn, de zonde haten en volhardend strijden voor de zuivere waarheid van Gods Woord! Verder lezen: 1 Korintiërs 10:1-12 ====== 30 december ====== > Judas 1:8-16 Judas ontmaskert de dwaalleraars als vleselijke 'dromenzieners'. Zij laten zich niet leiden door Gods Woord en Geest, maar door hun zelfbedachte visioenen en begeerten. Vanuit die opstandige hoogmoed vullen zij hun leven met zonde en verwerpen zij het goddelijk gezag. Hoe anders handelde de aartsengel Michaël! Toen hij met de duivel twistte over het lichaam van Mozes, matigde hij zich geen oordeel aan, maar onderwierp hij zich eerbiedig aan de hemelse Rechter, die alle wraak toekomt: "De Heere straffe u." Deze dwaalgeesten daarentegen spreken lasterlijk over wat ze niet begrijpen en storten zich als verstandeloze dieren in het verderf. Met hun schijngodsdienst gaan ze de weg van Kaïn, al verleidend om aards gewin bezwijken ze als Bileam, en door hun opstand tegen het wettige gezag gaan ze onherroepelijk ten onder als Korach. In de kerk zijn ze als schandvlekken, die de gemeenschap ontheiligen door slechts zichzelf te weiden. Ze wanen zich misschien wel vroom en veilig, maar juist over hén profeteerde de met God wandelende Henoch reeds dat de Heere onverwachts zal komen om gericht te houden over hun goddeloze handel en wandel. Wij moeten hun voorbeeld dan ook niet navolgen, maar ons door Gods Geest en Woord laten leiden. Opdat wij niet ten onder gaan in de eeuwige duisternis, maar eeuwig wandelen in het Licht. Verder lezen: Ezechiël 34:1-10 ====== 31 december ====== > Judas 1:17-25 De apostelen hadden al voorzegd dat er in de laatste dagen spotters zouden komen. Spotters of misleiders, die leven naar hun eigen begeerten, scheuringen in de kerk veroorzaken en met hun afwijking van Gods Woord de Heilige Geest niet blijken te hebben, ook al beweren ze van wel. Te midden van hun misleidingen klinkt daarom de heilige roeping: bewaar uzelf in de liefde van God! En dat doen we door elkaar op te bouwen in het geloof en te volharden in het gebed. Daarbij mogen we vertrouwen op de belofte dat God Zich in Christus voor eeuwig over ons zal ontfermen. Tegelijk hebben ook wíj ons te ontfermen, en wel over hen die dwalen. Als iemand twijfelt aan de waarheid, moeten we hem niet verder het vuur van Gods oordeel induwen maar juist als een brandhout uit dat vuur proberen te rukken, zoals God dat in Zijn genade ook met óns gedaan heeft. Daarbij past een heilige waakzaamheid: we moeten de zondaar liefhebben, maar zijn zonde haten, om er zelf niet mee besmet te raken. En hoe houden we dat vol? Alleen maar door Gods genade. Want niet wij, maar Hij is bij machte om ons voor struikelen te behoeden en ons onberispelijk voor Zijn hemelse troon te stellen, bekleed met het feestkleed van Christus’ gerechtigheid. Hem zij dan ook alle eer, nu en tot in eeuwigheid! Verder lezen: Zacharia 3:1-5