dagboek

“Geprezen zij de Here.
Dag aan dag draagt Hij ons;
die God is ons heil.”
Psalm 68:2020 Geprezen zij de Here. Dag aan dag draagt Hij ons; die God is ons heil. sela.



Dag aan dag

draagt Hij ons

Bijbels dagboek

ds. H.J. van Abbema

ds. J.H. Zwart

stichting

Sola Scriptura

Dag aan dag draagt Hij ons

Bijbels dagboek van de hand van ds. H.J. van Abbema en ds. J.H. Zwart,

beiden als herder en leraar verbonden aan de Gereformeerde Kerk te Grootegast.

Behandelde bijbelboeken:

Bijbelteksten zijn weergegeven in de NBG-vertaling uit 1951.

© Stichting Sola Scriptura

www.stichtingsolascriptura.nl

1 januari

Hoe indrukwekkend goed het scheppingswerk van de HERE is, blijkt uitvoerig uit de beschrijving hier aan het begin van de Bijbel.
We hebben hier trouwens direct geloof nodig om onze ogen te openen voor de werkelijkheid van Zijn scheppend werk. Uiteraard is voor ieder mens de schoonheid, orde, structuur en doelmatigheid van de geschapen dingen te zien. Je hoeft daar geen wetenschapper voor te zijn. Maar om te weten dat God alles zo goed geschapen heeft, is geloof in dit Schriftwoord nodig. En dat Hij de mens naar Zijn beeld heeft geschapen en deze over Zijn schepping wil laten heersen, is ook een kwestie van geloof in Zijn Woord. Want los van dit Woord, komt de mens tot bedenkelijke opvattingen over natuur en leven. Dan verdwijnt ook het doel, om het beeld Gods te vertonen. Dan wordt de mens niet hoger gewaardeerd dan het dier. En gaat de mens de schepping dienen, om zichzelf in leven te houden, in plaats van God te dienen, die door Zijn Woord het leven geeft.

De werken van Gods handen zijn een niet te weerspreken getuigenis van Zijn oneindige wijsheid en almacht. Aanbiddelijk is de HERE, die door Zijn Woord en Geest alles uit niets heeft geschapen.

Verder lezen: Hebreeën 11:1-101 Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet. 2 Want door dit (geloof) is aan de ouden een getuigenis gegeven. 3 Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare. 4 Door het geloof heeft Abel Gode een beter offer gebracht dan Kaïn; hierdoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was, daar God getuigenis gaf aan zijn gaven, en hierdoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is. 5 Door het geloof is Henoch weggenomen zodat hij de dood niet zag, en hij werd niet meer gevonden, want God had hem weggenomen. Want vóórdat hij werd weggenomen, is van hem getuigd, dat hij Gode welgevallig was geweest; 6 maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken. 7 Door het geloof heeft Noach, nadat hij een godsspraak ontvangen had over iets, dat nog niet gezien werd, eerbiedig de ark toebereid tot redding van zijn huisgezin; en door dat (geloof) heeft hij de wereld veroordeeld en is hij een erfgenaam geworden der gerechtigheid, die aan het geloof beantwoordt. 8 Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou. 9 Door het geloof heeft hij vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaak en Jakob, die medeërfgenamen waren van dezelfde belofte; 10 want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is.

2 januari

Genesis 2:4b - 25

Voordat de mens van de Here God zijn ambt krijgt, verzorgt de Here alles. De mens werd duidelijk goed en liefdevol behandeld. En het gebod dat God hem oplegde was goed. Als de Here zoveel heeft gegeven, het hele paradijs, met de rivier en vele vruchtbomen, dan is Hij groots te prijzen. Adam mag in de hof wonen, werken en leven. En via de rivieren kan hij grote gebieden bereiken. En dan stelt God alle dieren onder Adam, omdat hij ze een naam moet geven. Zo mag Adam heersen over de dieren. God schiep de dieren uit de aardbodem. Ze zijn van dezelfde stof gemaakt, maar ieder naar zijn aard, zodat ze niet te vermengen zijn. En de mens krijgt ook zijn metgezel, waarover hij zich groots verheugd. Samen hebben ze een bestemming, die God hen gaf (hoofdstuk 1:28.). Dus is alles goed door God geschapen en voorbereid om tot ontplooiing te komen. De lofprijzing op de Schepper en Vader van alle leven wordt erdoor vermeerderd. God is te prijzen om Zijn heerlijke schepping. Elke dag opnieuw. Ook vandaag. Elke dag is weer een getuigenis van zijn alvermogen, waardoor Hij alles tot stand heeft gebracht. Onbevattelijk goed is het wat Hij de mens gaf. En zo zal het nog meer zijn, in het hernieuwde paradijs.

Verder lezen: Openbaring 22:1-51 En hij toonde mij een rivier van water des levens, helder als kristal, ontspringende uit de troon van God en van het Lam. 2 Midden op haar straat en aan weerszijden van de rivier staat het geboomte des levens, dat twaalfmaal vrucht draagt, iedere maand zijn vrucht gevende; en de bladeren van het geboomte zijn tot genezing der volkeren. 3 En niets vervloekts zal er meer zijn. En de troon van God en van het Lam zal daarin zijn en zijn dienstknechten zullen Hem vereren, 4 en zij zullen zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hun voorhoofden zijn. 5 En er zal geen nacht meer zijn en zij hebben geen licht van een lamp of licht der zon van node, want de Here God zal hen verlichten en zij zullen als koningen heersen tot in alle eeuwigheden.

3 januari

Genesis 3:1-241 De slang nu was het listigste van alle dieren des velds, die de Here God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: God heeft zeker wel gezegd: Gij zult niet eten van enige boom in de hof? 2 Toen zeide de vrouw tot de slang: Van de vrucht van het geboomte in de hof mogen wij eten, 3 maar van de vrucht van de boom, die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: Gij zult daarvan niet eten noch die aanraken; anders zult gij sterven. 4 De slang echter zeide tot de vrouw: Gij zult geenszins sterven, 5 maar God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad. 6 En de vrouw zag, dat de boom goed was om van te eten, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden, en zij nam van zijn vrucht en at, en zij gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at. 7 Toen werden hun beider ogen geopend, en zij bemerkten, dat zij naakt waren; zij hechtten vijgebladeren aaneen en maakten zich schorten. 8 Toen zij het geluid van de Here God hoorden, die in de hof wandelde in de avondkoelte, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor de Here God tussen het geboomte in de hof. 9 En de Here God riep de mens tot Zich en zeide tot hem: Waar zijt gij? 10 En hij zeide: Toen ik uw geluid in de hof hoorde, werd ik bevreesd, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij. 11 En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van de boom gegeten, waarvan Ik u verboden had te eten? 12 Toen zeide de mens: De vrouw, die Gij aan mijn zijde gesteld hebt, die heeft mij van de boom gegeven en toen heb ik gegeten. 13 Daarop zeide de Here God tot de vrouw: Wat hebt gij daar gedaan? En de vrouw zeide: De slang heeft mij verleid en toen heb ik gegeten. 14 Daarop zeide de Here God tot de slang: Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte des velds; op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft. 15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen. 16 Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren en naar uw man zal uw begeerte uitgaan, en hij zal over u heersen. 17 En tot de mens zeide Hij: Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, 18 en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten; 19 in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren. 20 En de mens noemde zijn vrouw Eva, omdat zij de moeder van alle levenden is geworden. 21 En de Here God maakte voor de mens en voor zijn vrouw klederen van vellen en bekleedde hen daarmede. 22 En de Here God zeide: Zie, de mens is geworden als Onzer een door de kennis van goed en kwaad; nu dan, laat hij zijn hand niet uitstrekken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven. 23 Toen zond de Here God hem weg uit de hof van Eden om de aardbodem te bewerken, waaruit hij genomen was. 24 En Hij verdreef de mens en Hij stelde ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de boom des levens te bewaken.

De zonde van de hoogmoed, om als God te willen zijn, brengt de mens tot het overtreden van geboden. De straffen die de Here aan de slang, de mens en zijn vrouw oplegt zijn zeer gepast. Maar wonderlijk is toch de barmhartigheid van de Here. Want hoe genadig is God dat Hij de belofte van overwinning geeft (vers 1515 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.). Die belofte moet dan wel buiten het paradijs geloofd worden, toch wijst het naar een nieuw paradijs. De duivel gaat er helemaal aan. De zonde ook. En Hij, die daarvoor zorgt, zal uit het vlees en bloed van de mens geboren worden. Maar Hij komt van boven. Hij is de Zoon der belofte, de Zoon van God. Die niet uit de wil van de man geboren zal worden. Hij leert de weg ter zaligheid, en, baant die weg. Maar leert daarbij ook onze zonde en zondige aard. Nu Hij is gekomen, moet het dan ook eens gedaan zijn met het vingerwijzen naar de ander, zoals Adam en Eva deden. Adam beschuldigde Eva, die God hem gegeven had, terwijl hij gewoon instemde met de zonde. En Eva verwijt de slang. Het kwaad van de zonde zit diep. Alleen Christus verlost hiervan. Naar Hem moet u dan ook steeds weer toe. Hij is de enige Verlosser. In Hem geloofden onze allereerste voorouders al, want God beloofde Hem!

Verder lezen: Johannes 1:1-181 In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. 2 Dit was in den beginne bij God. 3 Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. 4 In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; 5 en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen. 6 Er trad een mens op, van God gezonden, wiens naam was Johannes; 7 deze kwam als getuige om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden. 8 Hij was het licht niet, maar was om te getuigen van het licht. 9 Het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld. 10 Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend. 11 Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. 12 Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; 13 die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn. 14 Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid. 15 Johannes heeft van Hem getuigd en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van wie ik zeide: Die na mij komt, is vóór mij geweest, want Hij was eer dan ik. 16 Immers uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs genade op genade; 17 want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen. 18 Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen.

4 januari

Genesis 4:1-261 De mens nu had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde Kaïn; en zij zeide: Ik heb met des Heren hulp een man verkregen. 2 Voorts baarde zij zijn broeder Abel; en Abel werd schaapherder, Kaïn landbouwer. 3 Na verloop van tijd nu bracht Kaïn van de vruchten der aarde aan de Here een offer; 4 ook Abel bracht er een van de eerstelingen zijner schapen, van hun vet; en de Here sloeg acht op Abel en zijn offer, 5 maar op Kaïn en zijn offer sloeg Hij geen acht. Toen werd Kaïn zeer toornig en zijn gelaat betrok. 6 En de Here zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij toornig en waarom is uw gelaat betrokken? 7 Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed handelt? Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen. 8 Maar Kaïn zeide tot zijn broeder Abel: (Laten wij het veld ingaan). Toen zij nu in het veld waren, stond Kaïn tegen zijn broeder Abel op en doodde hem. 9 Toen zeide de Here tot Kaïn: Waar is uw broeder Abel? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder? 10 En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? Hoor, het bloed van uw broeder roept tot Mij van de aardbodem. 11 En nu, vervloekt zijt gij, ver van de bodem, die zijn mond heeft opengesperd om het bloed van uw broeder van uw hand te ontvangen. 12 Wanneer gij de aardbodem bewerken zult, zal hij u zijn volle opbrengst niet meer geven; een zwerver en een vluchteling zult gij op de aarde zijn. 13 Toen zeide Kaïn tot de Here: Mijn misdaad is te groot om de straf te dragen. 14 Zie, Gij verdrijft mij heden uit het land en ik zal voor uw aangezicht verborgen zijn, een zwerver en een vluchteling op de aarde; ieder, die mij aantreft, zal mij doden. 15 Toen zeide de Here tot hem: Geenszins; ieder, die Kaïn doodt, zal zevenvoudig boeten. En de Here stelde een teken aan Kaïn, dat niemand, die hem zou aantreffen, hem zou verslaan. 16 Toen ging Kaïn weg van het aangezicht des Heren, en ging wonen in het land Nod, ten oosten van Eden. 17 En Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw en zij werd zwanger en baarde Henoch; daarna werd hij de stichter van een stad en hij noemde deze stad naar zijn zoon Henoch. 18 En aan Henoch werd Irad geboren en Irad verwekte Mechujaël, en Mechujaël verwekte Metusaël, en Metusaël verwekte Lamech. 19 En Lamech nam zich twee vrouwen; de ene heette Ada, en de andere Silla. 20 En Ada baarde Jabal; hij is de vader geworden van hen, die in tenten en bij de kudde wonen. 21 En de naam van zijn broeder was Jubal; hij is de vader geworden van allen, die citer en fluit bespelen. 22 En Silla baarde eveneens, namelijk Tubal-Kaïn, (de vader van) de smeden, allen, die koper en ijzer bewerken. En de zuster van Tubal-Kaïn was Naäma. 23 En Lamech zeide tot zijn vrouwen: Ada en Silla, hoort naar mijn stem; vrouwen van Lamech, neigt uw oor tot mijn rede. Ik sloeg een man dood om mijn wonde, een knaap om mijn striem; 24 want Kaïn wordt zevenvoudig gewroken, maar Lamech zevenenzeventig maal! 25 En Adam had weer gemeenschap met zijn vrouw en zij baarde een zoon en gaf hem de naam Set, want (zeide zij) God heeft mij een andere zoon gegeven in plaats van Abel; hem immers heeft Kaïn gedood. 26 En ook aan Set werd een zoon geboren, en hij noemde hem Enos. Toen begon men de naam des Heren aan te roepen.

De doorwerking van de zonde wordt hier zo duidelijk beschreven. Het is hier de zonde van de jaloezie en de nijd om de goedheid die de HERE bewijst aan wie Hem liefhebben. Straks komt het terug bij Ismaël tegen Izak en bij Ezau tegen Jakob. Hier nu komt vooral de hardnekkigheid van het kwaad tot uitdrukking, doordat Kaïn, hoewel gewaarschuwd, toch in toorn zijn broer dood slaat. Vervolgens zien we door het geslacht van Kaïn al spoedig een stad gebouwd worden en is er cultuurvorming. Maar positief is het allerminst te noemen. De stad is er om zichzelf te beschermen en te bewaren. De bescherming die Kaïn van de HERE kreeg (vers 1515 Toen zeide de Here tot hem: Geenszins; ieder, die Kaïn doodt, zal zevenvoudig boeten. En de Here stelde een teken aan Kaïn, dat niemand, die hem zou aantreffen, hem zou verslaan.) wordt van de naam Gods ontdaan en misbruikt voor eigen eer (vers 2424 want Kaïn wordt zevenvoudig gewroken, maar Lamech zevenenzeventig maal!). Daarentegen wordt in de kerkfamilie van Seth en Enos eer aan God gebracht en Zijn Naam aangeroepen. Daar is geen stedenbouw tot roem van eigen naam, maar altaarbouw tot roem van Gods naam, om de belofte die Hij gaf. De tegenstelling (antithese) wordt helder getekend en zal steeds scherper zich aftekenen. En omdat het kwaad van het zoeken van eigen eer en het roemen in eigen vlees ook de kerk steeds bedreigt, wordt in de hele Bijbel deze antithese tot waarschuwing en tot troost geleerd.

Verder lezen: Matteüs 23:29-3929 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij bouwt de grafsteden der profeten en verfraait de gedenktekenen der rechtvaardigen, 30 en gij zegt: Indien wij geleefd hadden in de dagen onzer vaderen, zouden wij met hen geen gemene zaak gemaakt hebben ten opzichte van het bloed der profeten. 31 Gij getuigt dus van uzelf, dat gij zonen zijt van de moordenaars der profeten. 32 Maakt ook gij de maat uwer vaderen vol! 33 Slangen, adderengebroed, hoe zult gij ontkomen aan het oordeel der hel? 34 Daarom, zie, Ik zend tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden. Van hen zult gij sommigen doden en kruisigen en van hen zult gij anderen geselen in uw synagogen en vervolgen van stad tot stad, 35 opdat over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde, van het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zacharias, de zoon van Berekja, die gij vermoord hebt tussen het tempelhuis en het altaar. 36 Voorwaar, Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht. 37 Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild. 38 Zie, uw huis wordt aan u overgelaten. 39 Want Ik zeg u, gij zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!

5 januari

Genesis 5:1-321 Dit is het geslachtsregister van Adam. Ten dage, dat God Adam schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods; 2 man en vrouw schiep Hij hen, en Hij zegende hen en noemde hen "mens" ten dage, dat zij geschapen werden. 3 Toen Adam honderd dertig jaar geleefd had, verwekte hij (een zoon) naar zijn gelijkenis, als zijn beeld, en noemde hem Set. 4 En de dagen van Adam, nadat hij Set verwekt had, waren achthonderd jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. 5 Zo waren al de dagen van Adam, die hij geleefd heeft, negenhonderd dertig jaar; en hij stierf. 6 Toen Set honderd vijf jaar geleefd had, verwekte hij Enos. 7 En Set leefde, nadat hij Enos verwekt had, achthonderd zeven jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. 8 Zo waren al de dagen van Set negenhonderd twaalf jaar; en hij stierf. 9 Toen Enos negentig jaar geleefd had, verwekte hij Kenan. 10 En Enos leefde, nadat hij Kenan verwekt had, achthonderd vijftien jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. 11 Zo waren al de dagen van Enos negenhonderd vijf jaar; en hij stierf. 12 Toen Kenan zeventig jaar geleefd had, verwekte hij Mahalalel. 13 En Kenan leefde, nadat hij Mahalalel verwekt had, achthonderd veertig jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. 14 Zo waren al de dagen van Kenan negenhonderd tien jaar; en hij stierf. 15 Toen Mahalalel vijfenzestig jaar geleefd had, verwekte hij Jered. 16 En Mahalalel leefde, nadat hij Jered verwekt had, achthonderd dertig jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. 17 Zo waren al de dagen van Mahalalel achthonderd vijfennegentig jaar; en hij stierf. 18 Toen Jered honderd tweeënzestig jaar geleefd had, verwekte hij Henoch. 19 En Jered leefde, nadat hij Henoch verwekt had, achthonderd jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. 20 Zo waren al de dagen van Jered negenhonderd tweeënzestig jaar; en hij stierf. 21 Toen Henoch vijfenzestig jaar geleefd had, verwekte hij Metuselach. 22 En Henoch wandelde met God, nadat hij Metuselach verwekt had, driehonderd jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. 23 Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijfenzestig jaar. 24 En Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomen. 25 Toen Metuselach honderd zevenentachtig jaar geleefd had, verwekte hij Lamech. 26 En Metuselach leefde, nadat hij Lamech verwekt had, zevenhonderd tweeëntachtig jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. 27 Zo waren al de dagen van Metuselach negenhonderd negenenzestig jaar; en hij stierf. 28 Toen Lamech honderd tweeëntachtig jaar geleefd had, verwekte hij een zoon, 29 en gaf hem de naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over de moeitevolle arbeid onzer handen op deze aardbodem, die de Here vervloekt heeft. 30 En Lamech leefde, nadat hij Noach verwekt had, vijfhonderd vijfennegentig jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. 31 Zo waren al de dagen van Lamech zevenhonderd zevenenzeventig jaar; en hij stierf. 32 Toen Noach vijfhonderd jaar oud geworden was, verwekte Noach Sem, Cham en Jafet.

De hoge leeftijden van de eerste mensen laten iets zien van het eeuwige leven dat God voor de mens bestemd heeft. Dat het einde van het refrein is, dat zij stierven, laat zien, dat het beeld Gods in de mens kapot was gemaakt. De eens volkomen band tussen God en de mens was door de mens doorgesneden. Het paradijsverbond was verbroken en dus heeft ieder mens uit Adam geboren niet het leven met God in zich. Adam was geschapen naar Gods beeld, maar Set werd verwekt naar Adams beeld. En daar tussen in staat de geschiedenis van de zondeval en de verdrijving uit het paradijs met de vloek die op de aardbodem is gekomen. Lamech spreekt er van. Maar Lamech weet ook van Gods genadige ontferming. Lamech heeft zijn grootvader Henoch gekend en weet van het wandelen met God. Waarbij God Henoch had opgenomen, zonder dat hij stierf. (Wat daarna alleen Elia is ten deel gevallen.) Lamech dan, doet belijdenis van de troost van het Woord van God, dat van vader op zoon werd doorgegeven. Hij noemt zijn zoon Noach, dat betekent: Troost. Troost, dat heeft de HERE hen in die oude dagen gegeven. Zijn Woord ging en gaat altijd met de zijnen mee. Tot vandaag de dag aan toe!

Verder lezen: Judas 1:9-169 Maar Michaël, de aartsengel, durfde, toen hij met de duivel in twist gewikkeld was over het lichaam van Mozes, geen smadelijk oordeel uitbrengen, doch hij zeide: De Here straffe u! 10 Zij echter lasteren al wat zij niet kennen en in hetgeen zij, gelijk de redeloze wezens, van nature weten, ligt hun verderf. 11 Wee hun, want zij zijn de weg van Kaïn opgegaan, zij zijn voor de verleiding van een Bileamsloon bezweken en door het verzet van een Korach ten onder gegaan. 12 Dezen zijn de schandvlekken bij uw liefdemalen, zij, die zonder schroom tezamen feesten om zichzelf te weiden; wolken, die geen water geven, daar zij door winden voorbijgejaagd worden; bomen, die in de late herfst geen vrucht geven; tweemaal gestorven zijn zij en ontworteld; 13 wilde baren der zee, die hun eigen schande opschuimen; dwaalsterren. Voor hen is de donkerste duisternis voor eeuwig weggelegd. 14 Ook over hen heeft Henoch, de zevende van Adam af, geprofeteerd, zeggende: Zie, de Here is gekomen met zijn heilige tienduizenden, 15 om over allen de vierschaar te spannen en alle goddelozen te straffen voor al hun goddeloze werken, die zij goddeloos bedreven hebben, en voor al de harde taal, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben. 16 Dit zijn de morrenden, mokkend om hun lot, wandelende naar hun begeerten, maar hun mond spreekt hoogdravend, als zij om des voordeels wil (de mensen) in hun gezicht vleien.

6 januari

Dat de mensen zich op aarde vermeerderden was in overeenstemming met Gods opdracht. Maar dat daaraan werd voldaan, is na de zondeval niet zonder meer goed. Vooral niet, als de nakomelingen van Set en Enos, die de naam des Heren aanriepen, zich vermengen gaan met de dochters van de mensen. Dat is een steeds terugkomend kwaad, waardoor de heiligheid van de kerk wordt aangetast. De uitleg dat de zonen van God hier engelen zouden zijn, die dan bij machte waren mens te worden, lijkt niet aannemelijk, omdat hier verder van straf aan engelen ook niet gesproken wordt. Nee, het gaat vooral om de begeerte van de ogen, van het vlees, waardoor Gods kinderen zich lieten verleiden. Ze wandelden niet met God als Henoch, maar lieten zich in met de geest van het Kaïns-geslacht, om de mens op nummer één te zetten. De antithese die God stelde, eerbiedigden ze niet.

Stel jezelf deze vragen: Laat ik de Here op nummer één staan, of laat ik alles om mezelf draaien? Leef ik uit geloof in God, of leef ik uit geloof in mezelf en eigen kunnen? Doe ik wat God wil, of doe ik alleen wat ik zelf wil, zonder aan Gods wil te denken?

Verder lezen: 2 Korintiërs 6:11-7:111 Onze mond heeft zich tegen u geopend, Korintiërs, ons hart staat wijd open; 12 bij ons vindt gij niet te weinig ruimte, maar in uw binnenste is het te eng. 13 Maar dan ook gelijk op, - ik spreek als tot mijn kinderen - gij moet ook ruimer worden. 14 Vormt geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeen met wetteloosheid, of welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis? 15 Welke overeenstemming is er tussen Christus en Belial, of welk deel heeft een gelovige samen met een ongelovige? 16 Welke gemeenschappelijke grondslag heeft de tempel Gods met afgoden? Wij toch zijn de tempel van de levende God, gelijk God gesproken heeft: Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. 17 Daarom gaat weg uit hun midden, en scheidt u af, spreekt de Here, en houdt niet vast aan het onreine. 18 en Ik zal u aannemen, en Ik zal u tot Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Here, de Almachtige. 1 Daar wij nu deze beloften bezitten, geliefden, laten wij ons reinigen van alle bezoedeling des vlezes en des geestes, en zo onze heiligheid volmaken in de vreze Gods.

7 januari

Genesis 6:5-9:75 Toen de Here zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, 6 berouwde het de Here, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. 7 En de Here zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. 8 Maar Noach vond genade in de ogen des Heren. 9 Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man; Noach wandelde met God. 10 En Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafet. 11 De aarde nu was verdorven voor Gods aangezicht, en de aarde was vol geweldenarij. 12 En God zag de aarde aan, en zie, zij was verdorven, want al wat leeft had zijn weg op de aarde verdorven. 13 Toen zeide God tot Noach: Het einde van al wat leeft is door Mij besloten, want door hun schuld is de aarde vol geweldenarij, en zie, Ik ga hen met de aarde verdelgen. 14 Maak u een ark van goferhout; met vakken zult gij de ark maken en haar van binnen en van buiten met pek bestrijken. 15 En zó zult gij haar maken: driehonderd el zal de lengte der ark zijn, vijftig el haar breedte en dertig el haar hoogte. 16 Gij zult aan de ark een lichtopening maken, en een el van boven af zult gij die afwerken, en de ingang der ark zult gij in haar zijkant aanbrengen; met een onderste, een tweede en een derde verdieping zult gij haar maken. 17 Want zie, Ik ga een watervloed over de aarde brengen om al wat leeft, waarin een levensgeest is, van onder de hemel te verdelgen; alles wat op de aarde is, zal omkomen. 18 Maar met u zal Ik mijn verbond oprichten, en gij zult in de ark gaan, gij en uw zonen en uw vrouw en de vrouwen uwer zonen met u. 19 En van al wat leeft, van alle vlees, van alles zult gij één paar in de ark brengen om het met u in het leven te behouden; mannetje en wijfje zullen zij zijn. 20 Van het gevogelte naar zijn aard en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte van de aardbodem naar zijn aard, van alles zal één paar tot u komen om het in het leven te behouden. 21 En gij, neem u van alle voedsel, dat gegeten wordt, en verzamel het bij u, opdat het voor u en voor hen tot spijze zij. 22 En Noach deed het; geheel zoals God het hem geboden had, deed hij. 1 En de Here zeide tot Noach: Ga in de ark, gij en geheel uw huis, want u heb Ik in dit geslacht voor mijn aangezicht rechtvaardig bevonden. 2 Van alle reine dieren zult gij zeven paar nemen, het mannetje en zijn wijfje, maar van de dieren, die niet rein zijn, één paar, het mannetje en zijn wijfje; 3 ook van het gevogelte des hemels zeven paar, mannetjes en wijfjes, om het geslacht in het leven te behouden op de gehele aarde. 4 Want over nog zeven dagen zal Ik het op de aarde veertig dagen en veertig nachten doen regenen, en Ik zal alles wat bestaat, hetgeen Ik gemaakt heb, van de aardbodem verdelgen. 5 En Noach deed naar alles wat de Here hem geboden had. 6 En Noach was zeshonderd jaar oud, toen de watervloed over de aarde kwam. 7 En Noach ging met zijn zonen en zijn vrouw en de vrouwen zijner zonen met hem, in de ark vanwege de wateren van de vloed. 8 Van de reine dieren en van de dieren, die niet rein waren, van het gevogelte en (van) alles wat op de aarde kruipt, 9 kwamen er twee aan twee tot Noach in de ark, mannetje en wijfje, zoals God Noach geboden had. 10 Na zeven dagen kwamen de wateren van de vloed over de aarde. 11 In Noachs zeshonderdste levensjaar, in de tweede maand, op de zeventiende dag der maand, op die dag braken alle kolken der grote waterdiepten open en werden de sluizen des hemels geopend. 12 En de slagregen was veertig dagen en veertig nachten over de aarde. 13 Op diezelfde dag gingen Noach en Sem, Cham en Jafet, Noachs zonen, en de vrouw van Noach en de drie vrouwen zijner zonen met hem in de ark, 14 zij en al het wild gedierte naar zijn aard en al het vee naar zijn aard en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard en al het gevogelte naar zijn aard, alle vogels van allerlei gevederte; 15 zij kwamen dan tot Noach in de ark twee aan twee, van al wat leeft, waarin een levensgeest is. 16 En die kwamen, kwamen als mannetjes en wijfjes van al wat leeft, zoals God hem geboden had; en de Here sloot de deur achter hem. 17 En de vloed was veertig dagen over de aarde en de wateren wiesen en hieven de ark op, zodat zij oprees boven de aarde. 18 Toen de wateren zeer toenamen en sterk wiesen boven de aarde, dreef de ark op de wateren. 19 En de wateren namen geweldig sterk toe over de aarde, en alle hoge bergen onder de ganse hemel werden overdekt. 20 Vijftien el daarboven stegen de wateren, en de bergen werden overdekt. 21 En al wat leeft, dat zich op de aarde roert, het gevogelte, het vee en het wild gedierte en alle wemelend gedierte, dat op de aarde wemelt, benevens alle mensen, kwamen om. 22 Alles, in welks neus de adem van de levensgeest was, alles wat op het droge was, stierf. 23 Zo verdelgde Hij alles wat bestond, wat op de aardbodem was, mensen zowel als vee en kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, zodat zij verdelgd werden van de aarde; Noach alleen bleef over en wat met hem in de ark was. 24 En de wateren hadden de overhand over de aarde, honderd vijftig dagen lang. 1 Toen gedacht God Noach en al het wild gedierte en al het vee, dat met hem in de ark was, en God deed een wind over de aarde strijken, zodat de wateren daalden. 2 De kolken der waterdiepte en de sluizen des hemels werden toegesloten en de regen uit de hemel hield op, 3 en de wateren vloeiden gestadig van de aarde weg. Aldus namen de wateren na verloop van honderd vijftig dagen af. 4 En in de zevende maand, op de zeventiende dag der maand, bleef de ark vastzitten op het gebergte van Ararat. 5 En de wateren namen tot de tiende maand gestadig af; in de tiende maand, op de eerste der maand, werden de toppen der bergen zichtbaar. 6 Na verloop van veertig dagen opende Noach het venster, dat hij in de ark gemaakt had, 7 en hij liet een raaf uit, en deze vloog heen en weer, totdat de wateren van de aarde waren opgedroogd. 8 Daarna liet hij een duif uit om te zien, of de wateren afgenomen waren van de aardbodem. 9 Doch de duif vond geen rustplaats voor het hol van haar voet en keerde tot hem in de ark terug, omdat op de gehele aarde water was, en hij stak zijn hand uit, greep haar en bracht haar tot zich in de ark. 10 Toen wachtte hij nog zeven dagen en hij liet de duif weer uit de ark; 11 tegen de avond kwam de duif bij hem, en zie, een vers olijfblad was in haar snavel. Hieraan bemerkte Noach, dat de wateren afgenomen waren van de aarde. 12 Voorts wachtte hij nog zeven dagen en hij liet de duif uit, en zij keerde niet weer tot hem terug. 13 In het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste (maand), op de eerste der maand, waren de wateren opgedroogd van de aarde; daarop verwijderde Noach het luik van de ark, en hij zag uit, en zie, de aardbodem droogde op. 14 In de tweede maand, op de zevenentwintigste dag der maand, was de aarde droog. 15 En God sprak tot Noach: 16 Ga uit de ark, gij en uw vrouw en uw zonen en de vrouwen uwer zonen met u; 17 doe al het gedierte dat met u is, van al wat leeft: het gevogelte, het vee en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, met u uitgaan, opdat zij wemelen op de aarde, en vruchtbaar zijn en talrijk worden op de aarde. 18 Toen ging Noach uit, en zijn zonen en zijn vrouw en de vrouwen zijner zonen met hem. 19 Al het wild gedierte, al het kruipend gedierte en al het gevogelte, alles wat zich op de aarde roert, naar hun geslachten, ging uit de ark. 20 En Noach bouwde een altaar voor de Here, en hij nam van al het reine vee en van al het reine gevogelte en bracht brandoffers op het altaar. 21 Toen de Here de liefelijke reuk rook, zeide de Here bij Zichzelf: Ik zal de aardbodem niet weer vervloeken om de mens, omdat het voortbrengsel van des mensen hart boos is van zijn jeugd aan, en Ik zal al wat leeft niet weer slaan, zoals Ik gedaan heb. 22 Voortaan zullen, zolang de aarde bestaat, zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht, niet ophouden. 1 En God zegende Noach en zijn zonen en zeide tot hen: Weest vruchtbaar, wordt talrijk en vervult de aarde. 2 En de vrees en de schrik voor u zij over al het gedierte der aarde en over al het gevogelte des hemels, al wat zich op de aardbodem roert en alle vissen der zee; in uw hand zijn zij gegeven. 3 Alles wat zich roert, wat leeft, zal u tot spijze zijn; Ik heb het u alles gegeven evenals het groene kruid. 4 Alleen vlees met zijn ziel, zijn bloed, zult gij niet eten. 5 En waarlijk, Ik zal uw eigen bloed eisen; van al het gedierte zal Ik het eisen en van de mensen onderling zal Ik het leven des mensen eisen. 6 Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden, want naar het beeld Gods heeft Hij de mens gemaakt. 7 En gij, weest vruchtbaar en wordt talrijk, wemelt op de aarde, ja, wordt talrijk daarop.

Voor en na de zondvloed is het getuigenis over de mens hetzelfde. Je zou denken; een nieuw begin! De aarde is schoongespoeld van een verdorven mensengeslacht. Maar hoewel de Here in het Noachitisch verbond belooft, dat de seizoenen en jaargetijden voortgang zullen hebben, zegt Hij wel: “het voortbrengsel van des mensen hart boos is van zijn jeugd aan” (hoofdstuk 8:2222 Voortaan zullen, zolang de aarde bestaat, zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht, niet ophouden.). Veel geduld had de Here bewezen (hoofdstuk 6:33 En de Here zeide: Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn.) maar allen vergingen behalve Noach, die evenals Henoch, wandelde met God. Troost bracht de Here door Noach. Troost is de rust en vrede die komt, wanneer een einde aan onrecht, geweld en chaos wordt gebracht. Want de zondvloed stelt gerust, dat de Here komt met Zijn rechtvaardig oordeel, om eens de geweldenarij op aarde te stoppen. Ook vandaag is dat een troostrijke gedachte voor wie met God wandelt. Het onrecht, dat de kerk ondergaat, wordt begrensd. Bedenk wel, dat uw hart genezing, ja wedergeboorte nodig heeft. Daarvoor moest de beloofde Zoon geboren worden, wiens doopwater uw zonden wegwast zoals het water van de zondvloed de aarde schoon maakte. En zoals Noach in de ark werd gered, zo wordt u in het kerkschip gered; het heilig lichaam van Christus (1 Petrus 3:13-2213 En wie zal u kwaad doen, als gij u beijvert voor het goede? 14 Al moest gij lijden om de gerechtigheid, toch zijt gij zalig. Doch vreest niet voor hun dreiging, en laat u niet verschrikken. 15 Maar heiligt de Christus in uw harten als Here, altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop, die in u is, doch met zachtmoedigheid en vreze, 16 en met een goed geweten, opdat bij al het kwaad, dat men van u spreekt, zij, die uw goede wandel in Christus smaden, beschaamd gemaakt worden. 17 Want het is beter te lijden, indien de wil van God dit eist, goed doende dan kwaad doende. 18 Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou brengen: Hij, die gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de geest, 19 in welke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis, 20 die eertijds ongehoorzaam geweest waren, toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten, in de dagen van Noach, terwijl de ark in gereedheid werd gebracht, waarin weinigen, dat is acht zielen, door het water heen gered werden. 21 Als tegenbeeld daarvan redt u thans de doop, die niet is een afleggen van lichamelijke onreinheid, maar een bede van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus, 22 die aan de rechterhand Gods is, naar de hemel gegaan, terwijl engelen en machten en krachten Hem onderworpen zijn.).

Verder lezen: 2 Petrus 31 Dit is reeds de tweede brief, geliefden, die ik u schrijf; in beide tracht ik uw zuiver besef door herinnering wakker te houden, 2 om aan de woorden te denken, die door de heilige profeten tevoren gesproken zijn, en aan het gebod uwer apostelen van de Here en Heiland. 3 Dit vooral moet gij weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen, 4 en zeggen: Waar blijft de belofte van zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zó, als het van het begin der schepping af geweest is. 5 Want willens en wetens ontgaat hun, dat door het woord van God de hemelen er sedert lang geweest zijn en de aarde, die uit en door het water bestaat, 6 waardoor de toenmalige wereld is vergaan, verzwolgen door het water. 7 Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel en van de ondergang der goddeloze mensen. 8 Doch dit ene mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Here is als duizend jaar en duizend jaar als één dag. 9 De Here talmt niet met de belofte, al zijn er, die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen. 10 Maar de dag des Heren zal komen als een dief. Op die dag zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen door vuur vergaan, en de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden. 11 Daar al deze dingen aldus vergaan, hoedanig behoort gij dan te zijn in heilige wandel en godsvrucht, 12 vol verwachting u spoedende naar de komst van de dag Gods, ter wille waarvan de hemelen brandende zullen vergaan en de elementen in vuur zullen wegsmelten. 13 Wij verwachten echter naar zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont. 14 Daarom, geliefden, beijvert u in deze verwachting, onbevlekt en onberispelijk te blijken voor Hem in vrede, 15 en houdt de lankmoedigheid van onze Here voor zaligheid, zoals ook onze geliefde broeder Paulus naar de hem gegeven wijsheid u geschreven heeft, 16 evenals in alle brieven, wanneer hij over deze dingen spreekt. Daarin is een en ander moeilijk te verstaan, wat de onkundige en onstandvastige lieden tot hun eigen verderf verdraaien, evenals trouwens de overige schriften. 17 Geliefden, daar gij het nu van tevoren weet, weest op uw hoede, dat gij niet, door de dwaling der zedelozen medegesleept, afvalt van uw eigen standvastigheid; 18 maar wast op in de genade en in de kennis van onze Here en Heiland, Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als tot de dag der eeuwigheid.

8 januari

Als je de regenboog ziet denk je aan het verbond van God met Noach na de zondvloed. Dat zal nooit meer gebeuren. Dat geeft troost. Troost met het oog op Christus, die ware rust en eeuwige troost geeft. Wat in de tekst hier opvalt is dat alle dieren, alle levende wezens van alle vlees, ook in het verbond zijn opgenomen (vers 10,1110 en met alle levende wezens die bij u zijn: het gevogelte, het vee en het wild gedierte der aarde bij u, allen, die uit de ark gegaan zijn, alle gedierte der aarde. 11 Ik dan richt mijn verbond met u op, dat voortaan niets dat leeft, meer door de wateren van de zondvloed zal worden uitgeroeid, en dat er geen zondvloed meer wezen zal, om de aarde te verderven.,12,15,16,17). En ook de aarde wordt apart genoemd, vers 1313 mijn boog stel Ik in de wolken, opdat die tot een teken zij van het verbond tussen Mij en de aarde.. Hoe de dieren dit verbond verstaan is ons niet bekend. Maar er is toch een instinct in hen, waarmee ze zich afhankelijk weten van hun Schepper (Psalm 104:2727 Zij alle wachten op U, dat Gij hun spijze geeft te rechter tijd.). Nu komt de Here tot ons spreken in deze perikoop. Het gaat er niet zozeer om dat wij de regenboog zien, maar (dat we bedenken) dat Hij hem ziet. De HERE, Hij ziet de boog aan en denkt aan Zijn verbond. God is bezig dat verbond te gedenken, en niet zijn toorn weer zo over de aarde en alle levende wezens te laten komen. Hij houdt die toorn in en doet die tenslotte over Zijn Zoon komen. Een schepsel zou onder Zijn toorn vergaan, maar God Zelf niet. Zijn Zoon heeft die toorn over onze zonden gedragen. Wat een evangelie brengt de regenboog voor mens en dier op aarde! Zijn trouw is zo groot dat Hij Zijn verbond voor eeuwig zal gedenken.

Verder lezen: Jeremia 33:19-2619 Het woord des Heren kwam tot Jeremia: 20 Zo zegt de Here: Indien gij mijn verbond aangaande de dag en de nacht kunt verbreken, zodat er geen dag en nacht meer zou zijn op hun tijd, 21 dan zal ook mijn verbond met mijn knecht David verbroken worden, dat hij geen zoon meer hebben zal, die koning is op zijn troon, en met de Levieten, de priesters, mijn dienaren. 22 Zoals het heer des hemels niet geteld en het zand der zee niet gemeten kan worden, zó talrijk zal Ik maken het nageslacht van mijn knecht David, en de Levieten, die Mij dienen. 23 Het woord des Heren kwam tot Jeremia: 24 Hebt gij niet gemerkt, wat dit volk spreekt: De twee geslachten, die de Here verkoren heeft, heeft Hij verworpen? En mijn volk verachten zij, alsof het in hun ogen geen volk meer is. 25 Zo zegt de Here: Indien Ik mijn verbond aangaande de dag en de nacht, de verordeningen van hemel en aarde, niet heb vastgesteld, 26 dan zal Ik ook het nakroost van Jakob en mijn knecht David verwerpen, dat Ik uit zijn nazaten geen heersers neem over het nageslacht van Abraham, Isaak en Jakob, want Ik zal een keer brengen in hun lot en Mij over hen ontfermen.

9 januari

De zondaars waren van de aarde verwijderd, maar de zonde niet. Die bleek ook in Noach nog aanwezig. Het kwaad van Cham is dat hij de zonde niet wil bedekken. En hij spotte met zijn vader en vond de zonde daarmee niet zo erg. Omdat Noach een profeet was vervloekte hij volgens Gods ingeving alleen Kanaän, de vierde zoon van Cham. Nadrukkelijk wordt Cham de vader van Kanaän genoemd. In het volgende hoofdstuk wordt van de uitwerking daarvan al iets duidelijk, maar met name ook in de eeuwen er na. De volken uit Kanaän geboren moeten om hun zonden het beloofde land uit. De zegen is voor Sem en Jafet. De gedachte, dat Afrikaanse volken als nakomelingen van Cham slaven moeten zijn, is op deze tekst niet te baseren. De vloek is alleen op Kanaän, en de volken uit hem leefden toch in het gebied van het beloofde land. We zien in de beperking van de vloek Gods inhouding van zijn toorn. Die inhouding is er ook nu vandaag, na Christus’ komst, maar tot de dag aanbreekt.

Deze tekst leert ons, dat we nog te strijden hebben tegen de zonde, ook na gedoopt en verlost te zijn. Dat we de zonde van de ander moeten bedekken, zoals Christus onze bedekt. Leef dan van genade alleen.

Verder lezen: Spreuken 10:1-141 De Spreuken van Salomo. Een wijs zoon verheugt zijn vader, maar een dwaas zoon is een bekommering voor zijn moeder. 2 Schatten, door goddeloosheid verkregen, doen geen nut, maar gerechtigheid redt van de dood. 3 De Here laat de rechtvaardige geen honger lijden, maar de begerigheid der goddelozen wijst Hij af. 4 Een trage hand maakt arm, maar de hand des vlijtigen maakt rijk. 5 Wie verzamelt in de zomer, is een verstandig zoon; wie slaapt in de oogsttijd, is een zoon die zich schandelijk gedraagt. 6 Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen, maar de mond der goddelozen verbergt geweld. 7 De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn, maar de naam der goddelozen zal wegrotten. 8 Wie wijs van hart is, neemt geboden aan, maar wie dwaas van lippen is, komt ten val. 9 Wie in oprechtheid wandelt, gaat veilig, maar wie zijn wegen verdraait, wordt doorzien. 10 Wie met zijn ogen knipt, veroorzaakt smart, wie dwaas van lippen is, komt ten val. 11 De mond des rechtvaardigen is een bron van leven, maar de mond der goddelozen verbergt geweld. 12 Haat verwekt krakelen, maar liefde bedekt alle overtredingen. 13 Op de lippen van de verstandige wordt wijsheid gevonden, maar de roede is voor de rug van de verstandeloze. 14 Wijzen bewaren de kennis, maar de mond van de dwaas is een steeds dreigend onheil.

10 januari

Genesis 10:1-321 Dit zijn de nakomelingen der zonen van Noach: Sem, Cham en Jafet; hun werden namelijk zonen geboren na de vloed. 2 De zonen van Jafet waren Gomer, Magog, Madai, Jawan, Tubal, Mesek en Tiras. 3 En de zonen van Gomer waren Askenaz, Rifat en Togarma. 4 En de zonen van Jawan waren Elisa, Tarsis, de Kittiërs en de Dodanieten. 5 Naar dezen zijn de kustlanden der volken in hun landen verdeeld, elk naar zijn taal, naar hun geslachten, onder hun volken. 6 En de zonen van Cham waren Kus, Misraïm, Put en Kanaän. 7 En de zonen van Kus: Seba, Chawila, Sabta, Rama en Sabteka; en de zonen van Rama waren Seba en Dedan. 8 En Kus verwekte Nimrod; deze was de eerste machthebber op de aarde; 9 hij was een geweldig jager voor het aangezicht des Heren; daarom zegt men: Een geweldig jager voor het aangezicht des Heren als Nimrod. 10 En het begin van zijn koninkrijk was Babel, Erek, Akkad en Kalne, in het land Sinear. 11 Uit dat land trok hij naar Assur en hij bouwde Nineve, Rechobot-Ir, Kalach 12 en Resen tussen Nineve en Kalach; dat is de grote stad. 13 En Misraïm verwekte de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten, 14 de Patrusieten, de Kasluchieten, uit wie de Filistijnen zijn voortgekomen, en de Kaftorieten. 15 En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Chet 16 en de Jebusiet, de Amoriet, de Girgasiet, 17 de Chiwwiet, de Arkiet, de Siniet, 18 de Arwadiet, de Semariet en de Hamatiet; en daarna verspreidden zich de geslachten van de Kanaäniet. 19 En de grens van de Kanaäniet was van Sidon in de richting van Gerar tot Gaza, in de richting van Sodom, Gomorra, Adma en Seboïm tot Lesa. 20 Dit waren de zonen van Cham naar hun geslachten, naar hun talen, in hun landen, in hun volken. 21 En aan Sem, de vader van alle zonen van Eber, de oudere broeder van Jafet, werden eveneens (zonen) geboren. 22 De zonen van Sem waren Elam, Assur, Arpaksad, Lud en Aram. 23 En de zonen van Aram waren: Us, Chul, Geter en Mas. 24 En Arpaksad verwekte Selach, en Selach verwekte Eber. 25 En aan Eber werden twee zonen geboren; de naam van de ene was Peleg, want in zijn dagen werd de aarde verdeeld, en de naam van zijn broeder was Joktan. 26 En Joktan verwekte Almodad, Selef, Chasarmawet, Jerach, 27 Hadoram, Uzal, Dikla, 28 Obal, Abimaël, Seba, 29 Ofir, Chawila en Jobab; deze allen waren de zonen van Joktan. 30 En hun woonplaats strekte zich uit van Mesa in de richting van Sefar, het gebergte in het Oosten. 31 Dit waren de zonen van Sem naar hun geslachten, naar hun talen, in hun landen, naar hun volken. 32 Dit zijn de geslachten der zonen van Noach naar hun afstammingen, in hun volken. En van dezen verdeelden zich de volken op de aarde na de vloed.

Genesis is het boek van de geboorten en de geslachtsregisters.
De volken die na de zondvloed op aarde leefden zijn hier al beschreven. Assur, Babel, Amorieten, Filistijnen om enkele te noemen. Eerst worden de nakomelingen van Jafet, de jongste genoemd. Ze gingen de kustlanden bewonen. Voor hen is het Evangelie van de Messias bestemd, Jesaja 51:55 Mijn zege is nabij, mijn heil treedt te voorschijn, en mijn armen zullen de volken richten; op Mij zullen de kustlanden wachten en op mijn arm zullen zij hopen.. Dan volgen de nakomelingen van Noachs tweede zoon, Cham. Uit zijn oudste zoon wordt Nimrod geboren die als eerste machthebber op aarde steden bouwt om daar de menselijke macht te concentreren. De torenbouw van Babel wordt hier voorbereid. Bedenk dat de zonen van Kanaän later uit hun land verdreven worden vanwege hun afschuwelijk misdadige afgoderij (Genesis 15:1616 Het vierde geslacht echter zal hierheen wederkeren, want eerder is de maat van de ongerechtigheid der Amorieten niet vol., Leviticus 18:24-3024 Verontreinigt u niet door dit alles, want door dit alles hebben zich verontreinigd de volken die Ik voor u uit wegdrijf. 25 Het land toch werd verontreinigd en Ik vergold daaraan zijn ongerechtigheid, zodat het land zijn inwoners uitspuwde. 26 Gij echter zult mijn inzettingen en mijn verordeningen in acht nemen en geen van deze gruwelen doen, noch de geboren Israëliet, noch de vreemdeling die in uw midden vertoeft - 27 want al deze gruwelen deden de lieden van het land, die vóór u waren, zodat het land onrein werd - 28 opdat het land u niet uitspuwe, wanneer gij het verontreinigt, zoals het uitgespuwd heeft het volk, dat vóór u was. 29 Want ieder die iets van al deze gruwelen doet, - degenen, die ze doen, zullen uit het midden van hun volk uitgeroeid worden. 30 Zo zult gij het voorschrift dat Ik u geef, in acht nemen, zodat gij de gruwelijke inzettingen niet doet, die vóór u gedaan werden, opdat gij u daardoor niet verontreinigt. Ik ben de Here, uw God., Deuteronomium 12:29-3129 Wanneer de Here, uw God, de volken, naar wier gebied gij trekt om hen te verdrijven, uitgeroeid heeft, en gij hun gebied in bezit genomen hebt en in hun land woont, 30 neem u er dan voor in acht, dat gij u niet laat verleiden na hun verdelging hun voorbeeld te volgen, en dat gij hun goden niet zoekt, zeggende: hoe dienden deze volken hun goden? zo wil ik het ook doen. 31 Niet alzo zult gij de Here, uw God, dienen; want al wat de Here een gruwel is, wat Hij haat, doen zij voor hun goden; zelfs hun zonen en hun dochters verbranden zij voor hun goden met vuur.). Uit Sem zal via zijn derde zoon Eber geboren worden, waarnaar de Hebreeën worden genoemd. In vers 2121 Wanneer de plaats die de Here, uw God, verkiezen zal om daar zijn naam te vestigen, te ver voor u is, dan zult gij van de runderen en van het kleinvee, die de Here u gegeven heeft, slachten, zoals ik u geboden heb, en in al uw woonplaatsen daarvan eten zoveel gij wilt. wordt, evenals van Kanaän in hoofdstuk 9:1818 Daarop wierp ik mij voor de Here neder, zoals de eerste maal, veertig dagen en veertig nachten - brood at ik niet en water dronk ik niet - vanwege heel uw zondig bedrijf: dat gij deedt wat kwaad is in de ogen des Heren en Hem krenktet., benadrukt dat Eber een opvallende plaats krijgt in de geschiedenis van zegen en vloek. Zegen is er voor de volken in het geloof in Christus, die uit Abraham de Hebreeër is, en vloek buiten Christus, waar de zondige mens in zichzelf roemt.

Verder lezen: Psalm 671 Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een psalm. Een lied. 2 God zij ons genadig en zegene ons, Hij doe zijn aanschijn bij ons lichten; sela 3 opdat men op aarde uw weg kenne, onder alle volken uw heil. 4 Dat de volken U loven, o God; dat de volken altegader U loven. 5 Dat de natiën zich verheugen en jubelen, omdat Gij de volken in rechtmatigheid richt, en de natiën op de aarde leidt. sela 6 Dat de volken U loven, o God, dat de volken altegader U loven. 7 De aarde gaf haar gewas, God, onze God, zegent ons; 8 God zegent ons, opdat alle einden der aarde Hem vrezen.

11 januari

Het boek Genesis laat zien hoe, van de zondeval af aan, de mens geneigd en gericht is zichzelf een naam te maken. De mens wil als God zijn en met zijn toren tot in de hemel God van de troon stoten. Het ijdele van zijn streven wordt in ook deze tekst openbaar. De Here kwam naar beneden om inspectie te houden. En zie het was niet goed. In de stad waar Nimrod heerser van was (Genesis 10:1010 En het begin van zijn koninkrijk was Babel, Erek, Akkad en Kalne, in het land Sinear.) begon de hoogmoed van de mens al hoger op te klimmen. Meer macht en meer aanzien voor die geweldige mens. Het is vandaag niet anders. De architecten van de nieuwe wereldorde zoeken alle volken en rijken onder één regering te brengen met vervaging van de grenzen. Maar we zien dat God ingrijpt op zijn tijd en wijze. Hij weet op zeer passende wijze de mens alsnog over de aarde te verspreiden zoals Hij wilde. Als de mens niet gehoorzaamt, dan brengt de Here de mens zelf wel naar zijn plaats. Hij stelt de grenzen van de volken (Handelingen 17:2626 Hij heeft uit één enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald.). En het taalverschil dat Hij creëert heft Hij ook weer op wanneer Hem dat schikt, met het oog op de vergadering van Zijn kerk uit alle stam en taal en volk en natie. Heel de aarde moet van Zijn lof vol worden. Laten we Hem op onze eigen plaats en in onze eigen taal loven.

Verder lezen: Handelingen 2:1-111 En toen de Pinksterdag aanbrak, waren allen tezamen bijeen. 2 En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren; 3 en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen; 4 en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken. 5 Nu waren er Joden te Jeruzalem woonachtig, vrome mannen uit alle volken onder de hemel; 6 en toen dit geluid gekomen was, liep de menigte te hoop en verbaasde zich, want een ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken. 7 En buiten zichzelf van verwondering zeiden zij: Zie, zijn niet al dezen, die daar spreken, Galileeërs? 8 En hoe horen wij hen dan een ieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? 9 Parten, Meden, Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kapadocië, Pontus en Asia, 10 Frygië en Pamfylië, Egypte en de streken van Libië bij Cyrene, en hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten, 11 Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden Gods spreken.

12 januari

Genesis 11:10-3210 Dit zijn de nakomelingen van Sem. Toen Sem honderd jaar oud was, verwekte hij Arpaksad, twee jaar na de vloed. 11 En Sem leefde, nadat hij Arpaksad verwekt had, vijfhonderd jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. 12 Toen Arpaksad vijfendertig jaar geleefd had, verwekte hij Selach. 13 En Arpaksad leefde, nadat hij Selach verwekt had, vierhonderd drie jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. 14 Toen Selach dertig jaar geleefd had, verwekte hij Eber. 15 En Selach leefde, nadat hij Eber verwekt had, vierhonderd drie jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. 16 Toen Eber vierendertig jaar geleefd had, verwekte hij Peleg. 17 En Eber leefde, nadat hij Peleg verwekt had, vierhonderd dertig jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. 18 Toen Peleg dertig jaar geleefd had, verwekte hij Reü. 19 En Peleg leefde, nadat hij Reü verwekt had, tweehonderd negen jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. 20 Toen Reü tweeëndertig jaar geleefd had, verwekte hij Serug. 21 En Reü leefde, nadat hij Serug verwekt had, tweehonderd zeven jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. 22 Toen Serug dertig jaar geleefd had, verwekte hij Nachor. 23 En Serug leefde, nadat hij Nachor verwekt had, tweehonderd jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. 24 Toen Nachor negenentwintig jaar geleefd had, verwekte hij Terach. 25 En Nachor leefde, nadat hij Terach verwekt had, honderd negentien jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. 26 Toen Terach zeventig jaar geleefd had, verwekte hij Abram, Nachor en Haran. 27 En dit zijn de nakomelingen van Terach: Terach verwekte Abram, Nachor en Haran, en Haran verwekte Lot. 28 En Haran stierf bij het leven van zijn vader Terach in zijn geboorteland, in Ur der Chaldeeën. 29 En Abram en Nachor namen zich vrouwen; de naam van Abrams vrouw was Sarai, en de naam van Nachors vrouw was Milka, de dochter van Haran, de vader van Milka en Jiska. 30 Sarai nu was onvruchtbaar; zij had geen kinderen. 31 En Terach nam zijn zoon Abram en Lot, de zoon van Haran, zijn kleinzoon, en Sarai, zijn schoondochter, de vrouw van zijn zoon Abram; en hij deed hen wegtrekken uit Ur der Chaldeeën om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen te Haran en bleven daar. 32 En de dagen van Terach waren tweehonderd vijf jaar, en Terach stierf te Haran.

Het totaal van het aantal jaren dat Sem en zijn nakomelingen leefden wordt niet vermeld zoals in hoofdstuk vijf, waar bij herhaling stond: “zo waren al de dagen van.” Hier zien we Sem 600 jaar worden, en zijn nakomelingen minderen in leeftijd. Het menselijk geslacht wordt al zwakker. Wel heeft Sem Abraham, Izaäk en Jakob nog kunnen kennen. Want Abraham is ongeveer 292 jaar na Arpaksad geboren. Toen was Sem 392, en bij Izaäks geboorte 492 en bij Jakobs geboorte ongeveer 552. Of zij elkaar kenden is verder onbekend. Maar het is heel bijzonder te bedenken, dat je tot in het tiende geslacht, of zelfs verder, kinderen kan zien. Terach krijgt pas op late leeftijd kinderen en Haran sterft nog bij zijn leven. Meerdere kinderen van Terach worden genoemd met het oog op de geschiedenis die volgen zou. De Here zou Abraham roepen en zijn verbond met hem oprichten. Izaäk, zijn zoon, zou met Rebekka, de kleindochter van Nachor trouwen. Het lijkt er sterk op dat Terach de roeping van Abram gekend en erkend heeft, want hij nam hen met zich en vertrekt met hen uit Ur, naar Kanaän. Hij sterft op een tussenplaats, maar de belofte blijft. Gods Woord blijft voor eeuwig, ondanks de geslachten die komen en gaan.

Verder lezen: Psalm 105:1-151 Looft de Here, roept zijn naam aan, maakt onder de volken zijn daden bekend; 2 zingt Hem, psalmzingt Hem, gewaagt van al zijn wonderen. 3 Beroemt u in zijn heilige naam; het hart van wie de Here zoeken, verheuge zich. 4 Vraagt naar de Here en zijn sterkte, zoekt zijn aangezicht bestendig. 5 Gedenkt aan de wonderen, die Hij heeft gedaan, zijn tekenen en de oordelen van zijn mond, 6 gij nakroost van Abraham, zijn knecht, gij kinderen van Jakob, zijn uitverkorenen. 7 Hij, de Here, is onze God, zijn oordelen gaan over de ganse aarde; 8 Hij gedenkt voor eeuwig aan zijn verbond, - het woord, dat Hij gebood aan duizend geslachten - 9 dat Hij met Abraham sloot, en aan zijn eed aan Isaak; 10 ook stelde Hij het voor Jakob tot een inzetting, voor Israël tot een eeuwig verbond, 11 toen Hij zeide: U zal Ik het land Kanaän geven als het u toegemeten erfdeel. 12 Toen zij weinige mensen in getal waren, een kleine schare en vreemdelingen daarin, 13 en van volk tot volk trokken, van het ene koninkrijk tot de andere natie, 14 gedoogde Hij niet, dat enig mens hen verdrukte, en bestrafte Hij koningen om hunnentwil: 15 Raakt mijn gezalfden niet aan, en doet mijn profeten geen kwaad.

13 januari

Door het geloof is Abram uit Haran verder getrokken naar Kanaän. Door geloof in Hem die hem riep. De geloofsgehoorzaamheid die hij de Here bewees is meer dan een voorbeeld. Daarmee is Abram onze vader in het geloof. Zo moeten we vandaag de dag ook leven. Leven uit geloof, dat God Zijn belofte vervullen zal en Christus zal wederkomen. Zodat wanneer u al uw hoop op God vestigt, u ook tot de zaligheid zal worden gebracht in het hemels Kanaän. Christus heeft de weg daar naartoe bereid. Om te geloven komt de roepstem van de Here tot ons in het gepredikte Woord. Gods stem klinkt vandaag, zoals het in Abrams oren klonk. En Gods verschijning aan Abram heeft zijn vervulling in de verschijning van Gods Zoon in ons vlees. Christus, Hij is Zelf de beloofde Zoon, in wie alle geslachten van de aarde gezegend worden. Ook het geslacht van de Batavieren, Saksen en Friezen. Het heil van God is langs de weg van de verkiezing en roeping van Abram tot alle volken gekomen. Dat heil, de zegen van de Here, heeft Christus Zelf voor ons verworven. In Hem, het nageslacht van Abraham (Galaten 3:1616 Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus.) is alle zaligheid gelegen. Hij heeft het verkregen en heeft er voor geleden. Dit vraagt alleen: geloof.

Verder lezen: Hebreeën 11:8-198 Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou. 9 Door het geloof heeft hij vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaak en Jakob, die medeërfgenamen waren van dezelfde belofte; 10 want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is. 11 Door het geloof heeft ook Sara kracht ontvangen om moeder te worden, en dat ondanks haar hoge leeftijd, daar zij Hem, die het beloofd had, betrouwbaar achtte. 12 Daarom zijn er dan ook uit één man, en wel een verstorvene, voortgekomen als de sterren des hemels in menigte en gelijk het zand aan de oever der zee, dat ontelbaar is. 13 In (dat) geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde. 14 Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een vaderland zoeken. 15 En als zij gedachtig geweest waren aan het vaderland, dat zij verlaten hadden, zouden zij gelegenheid gehad hebben terug te keren; 16 maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels, vaderland. Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid. 17 Door het geloof heeft Abraham, toen hij verzocht werd, Isaak ten offer gebracht, en hij, die de beloften aanvaard had, wilde zijn enige zoon offeren, 18 hij, tot wie gezegd was: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken. Hij heeft overwogen, dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken, 19 en daaruit heeft hij hem ook bij wijze van spreken teruggekregen.

14 januari

Abram is angstig geweest, ook al had de Here hem rijke beloften toegezegd. De Farao van Egypte kon zijn vrouw hem afnemen en hem doden. Dan zou het gedaan zijn. De HERE had evenwel gezegd: “Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken” (vers 33 Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.). Maar als er gevaar is, zoekt een mens voor zich bescherming. Abrams inschatting van de situatie bleek correct, ten minste wat betreft de benadering van Sarai door de Egyptenaren. Toch laat de Here niet toe dat haar iets wordt aangedaan en zorgt Hij op ongedachte wijze voor uitredding. En dat, ondanks het plan van Abram en Sarai. Met rijke zegeningen trekken zij weer weg uit Egypte zodat ze niet alleen van het gevaar verlost zijn, maar ook nog eens gezegend met goederen. Deze geschiedenis wijst zo vooruit op de Exodus uit Egypte. Steeds blijkt de Here, ondanks angst van de zijnen, de vervulling van zijn belofte te bewerken, zodat Hem de roem en eer wordt toegebracht. Ook vandaag. Voor geen wereldse overmacht hoeven we dan ook bang te zijn. God zal zijn kerk blijven vergaderen tot Christus’ wederkomst. Christus is met ons tot aan de voleinding der wereld. Onze ‘slimme plannetjes’ zijn niet nodig

Verder lezen: Exodus 31 Mozes nu was gewoon de kudde van zijn schoonvader Jetro, de priester van Midjan, te hoeden. Eens, toen hij de kudde naar de overkant van de woestijn geleid had, kwam hij bij de berg Gods, Horeb. 2 Daar verscheen hem de Engel des Heren als een vuurvlam midden uit een braamstruik. Hij keek toe, en zie, de braamstruik stond in brand, maar werd niet verteerd. 3 Mozes nu dacht: Laat ik toch dat wondere verschijnsel gaan bezien, waarom de braamstruik niet verbrandt. 4 Toen de Here zag, dat hij het ging bezien, riep God hem uit de braamstruik toe: Mozes, Mozes! En hij antwoordde: Hier ben ik. 5 Daarop zeide Hij: Kom niet dichterbij: doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats, waarop gij staat, is heilige grond. 6 Voorts zeide Hij: Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. Toen verborg Mozes zijn gelaat, want hij vreesde God te aanschouwen. 7 En de Here zeide: Ik heb terdege gezien de ellende van mijn volk, dat in Egypte is, en hun gejammer over hun drijvers gehoord, ja, Ik ken hun smarten. 8 Daarom ben Ik nedergedaald om hen uit de macht der Egyptenaren te redden en uit dit land te voeren naar een goed en wijd land, een land vloeiende van melk en honig, naar de woonplaats van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. 9 En nu, zie, het gejammer der Israëlieten is tot Mij doorgedrongen; ook heb Ik gezien, hoezeer de Egyptenaren hen verdrukken. 10 Nu dan, ga, Ik zend u tot Farao, om mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte te leiden. 11 Maar Mozes zeide tot God: Wie ben ik, dat ik naar Farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden? 12 Toen zeide Hij: Ik ben immers met u! En dit zal u het teken zijn, dat Ik u gezonden heb: wanneer gij het volk uit Egypte hebt geleid, zult gij God dienen op deze berg. 13 Daarop zeide Mozes tot God: Maar wanneer ik tot de Israëlieten kom en hun zeg: De God uwer vaderen heeft mij tot u gezonden, en zij mij vragen: hoe is zijn naam - wat moet ik hun dan antwoorden? 14 Toen zeide God tot Mozes: Ik ben, die Ik ben. En Hij zeide: Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: Ik ben heeft mij tot u gezonden. 15 Voorts zeide God tot Mozes: Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: De Here, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dit is mijn naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht. 16 Ga heen, vergader de oudsten van Israël en zeg tot hen: De Here, de God uwer vaderen, de God van Abraham, Isaak en Jakob is mij verschenen en heeft gezegd: Ik heb terdege acht geslagen op u en op wat u in Egypte wordt aangedaan. 17 Ik heb gezegd, dat Ik u uit de ellende van Egypte voeren zal naar het land der Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, naar een land vloeiende van melk en honig. 18 En zij zullen naar uw stem horen; dan zult gij met de oudsten van Israël naar de koning van Egypte gaan en tot hem zeggen: De Here, de God der Hebreeën, heeft ons ontmoet; nu dan, wij wilden wel drie dagreizen ver de woestijn intrekken om de Here, onze God, een offer te brengen. 19 Ik weet echter, dat de koning van Egypte u niet zal toestaan te gaan, zelfs niet door een sterke hand. 20 Maar Ik zal mijn hand uitstrekken en de Egyptenaren slaan met alle wondertekenen, die Ik in hun midden zal doen; daarna zal hij u laten gaan. 21 En Ik zal bewerken, dat de Egyptenaren dit volk gunstig gezind zijn, zodat gij, wanneer gij wegtrekt, niet ledig wegtrekt: 22 iedere vrouw moet dan van haar buurvrouw en van haar huisgenote zilveren en gouden voorwerpen vragen en klederen, die gij uw zoons en dochters te dragen geeft; zo zult gij de Egyptenaren beroven.

15 januari

Genesis 13:1-181 En Abram trok uit Egypte naar het Zuiderland, hij en zijn vrouw en al wat hij bezat, en Lot met hem. 2 Abram nu was zeer rijk aan vee, aan zilver en aan goud. 3 En hij ging van de ene pleisterplaats naar de andere, uit het Zuiderland tot bij Betel, de plaats, waar zijn tent in het eerst gestaan had, tussen Betel en Ai, 4 naar de plaats van het altaar, dat hij daar vroeger gemaakt had, en Abram riep daar de naam des Heren aan. 5 En ook Lot, die met Abram mede ging, had schapen en runderen en tenten. 6 Maar het land liet niet toe, dat zij tezamen bleven wonen, want hun have was talrijk, zodat zij niet tezamen konden wonen. 7 Daardoor ontstond er twist tussen de herders van Abrams vee en de herders van Lots vee. De Kanaänieten nu en de Perizzieten woonden toen in het land. 8 Dus zeide Abram tot Lot: Laat er toch geen twist zijn tussen mij en u, en tussen mijn herders en uw herders, want wij zijn mannen broeders. 9 Ligt het gehele land niet voor u open? Scheid u toch van mij af; hetzij naar links, dan ga ik rechts, hetzij naar rechts, dan ga ik links. 10 Toen sloeg Lot zijn ogen op en zag, dat de gehele streek van de Jordaan rijk aan water was; voordat de Here Sodom en Gomorra verwoest had, was zij tot Soar toe als de hof des Heren, als het land Egypte. 11 Dus koos Lot voor zich de gehele streek van de Jordaan, en Lot brak op naar het oosten; en zij scheidden van elkander. 12 Abram bleef wonen in het land Kanaän en Lot vestigde zich in de steden van de Streek, en sloeg zijn tenten op tot bij Sodom. 13 De mannen van Sodom nu waren zeer slecht en zondig tegenover de Here. 14 En de Here zeide tot Abram, nadat Lot zich van hem gescheiden had: Sla toch uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt, naar het noorden, zuiden, oosten en westen, 15 want het gehele land, dat gij ziet, zal Ik u en uw nageslacht voor altoos geven. 16 En Ik zal uw nageslacht maken als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zou kunnen tellen, ook uw nageslacht te tellen zou zijn. 17 Sta op, doorwandel het land in zijn lengte en breedte, want u zal Ik het geven. 18 Daarna sloeg Abram zijn tenten op en ging wonen bij de terebinten van Mamre, bij Hebron, en hij bouwde daar een altaar voor de Here.

Terug uit Egypte gaat Abram naar het eerder door hem gebouwde altaar en roept de naam des Heren aan. We zien dus dat Hij God dankt voor de verlossing uit Egypte. En aan het einde van het hoofdstuk is daar weer altaarbouw en lofprijzing. Want de Here herhaalt zijn beloften aan Abram. Heel het land zal hij krijgen.

Wat Abram Lot tot keuze voorstelt is eigenlijk een schenking. Het land is immers door de Here aan hem beloofd. Dat Lot enigszins zelfzuchtig en onbeschaamd het voornaamste leefgebied koos, wil niet zeggen dat hij de zegen van God krijgt. Die zegen heeft hij alleen in en met Abrams nageslacht. Lot neemt een groot risico door dichtbij Sodom te gaan wonen. Later zal hij zelfs in de goddeloze stad zijn woning hebben. Begeerte tot rijkdom leidt tot schade aan de ziel. Het leven van de Sodomieten heeft hem kwaad gedaan.

Ook in dit hoofdstuk leren we dat alleen Gods belofte ons rijk maakt. Zijn zegen in Zijn gemeenschap moet voor ons alles zijn. Nu Hij ons goed gezind is in Christus, heeft onze ziel rust. Liever maar iets minder groene weilanden te Hebron, met een altaar, dan de groene weiden van Sodom, waar straks het vuur op neerdaalt en het een onvruchtbare zoutvlakte wordt.

Verder lezen: 2 Petrus 2:1-91 Toch zijn er ook valse profeten onder het volk geweest, zoals ook onder u valse leraars zullen komen, die verderfelijke ketterijen zullen doen binnensluipen, zelfs de Heerser, die hen gekocht heeft, verloochenende en een schielijk verderf over zichzelf brengend. 2 En velen zullen hun losbandigheden navolgen, zodat door hun schuld de weg der waarheid gelasterd zal worden; 3 en zij zullen uit hebzucht met verzonnen redeneringen u als koopwaar behandelen; maar het oordeel houdt zich reeds lang met hen bezig en hun verderf sluimert niet. 4 Want indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen, door hen in de afgrond te werpen, aan krochten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren; 5 en de wereld van de voortijd niet gespaard heeft, maar Noach, de prediker der gerechtigheid, met zeven anderen bewaard heeft, toen Hij de zondvloed over de wereld der goddelozen bracht; 6 en de steden Sodom en Gomorra tot as verbrand, tot omkering gedoemd en ten voorbeeld gesteld heeft voor hen, die goddeloos zouden leven, 7 maar de rechtvaardige Lot, die zwaar te lijden had onder de losbandige wandel dier zedelozen, heeft behouden 8 - want deze rechtvaardige heeft, onder hen wonende, dag aan dag zijn rechtvaardige ziel gekweld door het zien en horen van hun tegen alle wet ingaande werken - 9 dan weet de Here de godvruchtigen uit de verzoeking te verlossen en de onrechtvaardigen te bewaren om hen op de dag des oordeels te straffen.

16 januari

Genesis 14:1-171 Het gebeurde nu in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, Arjok, de koning van Ellasar, Kedorlaomer, de koning van Elam, en Tidal, de koning der volken, 2 dat dezen oorlog voerden tegen Bera, de koning van Sodom, Birsa, de koning van Gomorra, Sinab, de koning van Adma, Semeber, de koning van Seboïm, en de koning van Bela, dat is Soar. 3 Deze allen kwamen in bondgenootschap naar het dal Siddim, dat is de Zoutzee. 4 Twaalf jaar hadden zij Kedorlaomer gediend en in het dertiende jaar waren zij in opstand gekomen; 5 en in het veertiende jaar kwam Kedorlaomer met de koningen die bij hem waren, en zij sloegen de Refaïeten te Asterot-Karnaïm, de Zuzieten te Ham, de Emieten te Sawe-Kirjataïm 6 en de Chorieten op hun gebergte Seïr tot El-Paran, dat aan de rand der woestijn ligt. 7 Daarna keerden zij terug en kwamen te En-Mispat, dat is Kades, en sloegen het gehele gebied van de Amalekieten, en ook de Amorieten, die te Chaseson-Tamar woonden. 8 Toen rukten de koning van Sodom, de koning van Gomorra, de koning van Adma, de koning van Seboïm en de koning van Bela, dat is Soar, uit en zij stelden zich tegen hen in slagorde in het dal Siddim, 9 tegen Kedorlaomer, de koning van Elam, Tidal, de koning der volken, Amrafel, de koning van Sinear, en Arjok, de koning van Ellasar, vier koningen tegen vijf. 10 Het dal Siddim nu was vol asfaltputten. Toen de koning van Sodom en die van Gomorra vluchtten, vielen zij daarin, en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte. 11 En zij namen al de have van Sodom en Gomorra en al hun voedsel en trokken af. 12 Ook namen zij Lot mede, de zoon van Abrams broeder, en zijn have, en trokken af - hij nu woonde te Sodom. 13 Toen kwam een vluchteling en deelde dit mede aan de Hebreeër Abram, - hij nu woonde bij de terebinten van de Amoriet Mamre, de broeder van Eskol en Aner, die Abrams bondgenoten waren. 14 Toen Abram hoorde, dat zijn broeder als gevangene was weggevoerd, bracht hij zijn geoefenden, degenen die in zijn huis geboren waren, in de strijd, driehonderd achttien man, en achtervolgde hen tot Dan toe. 15 En zij verdeelden zich des nachts tegen hen in troepen, hij en zijn slaven, en versloegen hen en achtervolgden hen tot Choba toe, dat ten noorden van Damascus ligt. 16 En hij bracht al de have terug, en ook zijn broeder Lot en diens have bracht hij terug, evenals de vrouwen en het volk. 17 Toen ging de koning van Sodom uit, hem tegemoet, nadat hij teruggekeerd was van het verslaan van Kedorlaomer en de koningen die met hem waren, naar het dal Sawe, dat is het Koningsdal.

Dat Abraham met driehonderd man optrok tegen een leger van vier koningen, dat zeer waarschijnlijk wel enkele duizenden manschappen had, is aanwijzing van zijn geloofsmoed. Daarbij ging Abraham, evenals later Gideon, met krijgslist te werk, door in de nacht aan te vallen. Geloofsmoed en overleg zijn niet strijdig. Geloof is dan ook geen sprong in de diepte, waarbij je, je leven op het spel zet, zonder te weten of het goed komt. Hoewel trouw aan de Here wel inzet van het leven vereist, is het toch geen onbestemd lot als je, je leven inzet voor de dienst van God. Abraham mocht met zijn geoefende strijders een klinkende overwinning behalen. De heerszuchtende koningen uit het Oosten versloeg hij. De overmoed van die machthebbers werd zo gestraft. Opmerkelijk ook, dat Abraham maar liefst 318 strijdbare mannen, in zijn huis geboren, kon optrommelen. Wel een aanwijzing dat hijzelf ook een vorst was. Een man van aanzien. Iets wat straks in hoofdstuk 20 duidelijk wordt. Zo rijk had God hem dus al gezegend! Deze oorlog is dus gewonnen door Abraham, door het geloof. Dat is veelzeggend. Ons geloof overwint de wereld (1 Johannes 5:44 want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons geloof.). Want God doet zijn volk overwinnen.

Verder lezen: Richteren 71 En Jerubbaäl - dat is Gideon - stond in de vroegte op met al het volk dat bij hem was, en zij legerden zich bij de bron Charod; de legerplaats van Midjan lag ten noorden van hem, gezien van de heuvel More, in de vlakte. 2 En de Here zeide tot Gideon: Er is te veel krijgsvolk bij u dan dat Ik Midjan in hun macht zou geven; anders zou Israël zich tegen Mij kunnen beroemen, zeggende: mijn eigen hand heeft mij verlost. 3 Nu dan, roep ten aanhoren van het volk: wie bang is en beeft, kere terug en sluipe weg van het gebergte Gilead. Toen keerden er tweeëntwintigduizend van het krijgsvolk terug en er bleven tienduizend over. 4 Maar de Here zeide tot Gideon: Nog is er te veel krijgsvolk; doe het afdalen naar het water, dan zal Ik hen daar voor u schiften. Ieder van wie Ik u zeggen zal: deze zal met u gaan, die zal met u gaan, maar ieder van wie Ik u zeggen zal: deze zal niet met u gaan, die zal niet gaan. 5 Toen deed Gideon het volk afdalen naar het water, en de Here zeide tot hem: Al wie met zijn tong het water opslurpt als een hond, die zult gij afzonderen van al degenen, die op hun knieën gaan liggen om te drinken. 6 Het getal nu van hen die slurpten met de hand aan de mond, bedroeg driehonderd man, maar al het overige volk ging op de knieën liggen om water te drinken. 7 Toen zeide de Here tot Gideon: Door de driehonderd mannen, die geslurpt hebben, zal Ik u verlossen: Ik zal Midjan in uw macht geven; maar al het overige volk kan heengaan, ieder naar zijn woonplaats. 8 Daarop namen zij de teerkost en de horens van dit volk met zich mee; en alle mannen van Israël liet hij heengaan, ieder naar zijn tent, maar die driehonderd mannen hield hij bij zich. De legerplaats nu van Midjan lag beneden hem in de vlakte. 9 In die nacht zeide de Here tot hem: Sta op, val de legerplaats binnen, want Ik heb die in uw macht gegeven. 10 Indien gij echter bevreesd zijt om die binnen te vallen, daal dan met uw dienaar Pura af naar de legerplaats; 11 dan zult gij horen wat zij zeggen; daarna zullen uw handen gesterkt worden en zult gij de legerplaats binnenvallen. Toen daalde hij met zijn dienaar Pura af tot aan de voorposten van de strijdmacht in de legerplaats. 12 Midjan nu en Amalek en al de stammen van het Oosten lagen in de vlakte, talrijk als sprinkhanen, en hun kamelen waren ontelbaar, talrijk als het zand aan de oever der zee. 13 Toen Gideon aankwam, vertelde juist een man een droom aan zijn makker en zeide: Ik heb een droom gehad; zie, een gerstebroodkoek rolde de legerplaats van Midjan binnen, kwam tot aan de tent, stootte die om, zodat ze neerviel, en keerde ze onderstboven, en daar lag de tent. 14 Toen antwoordde zijn makker en zeide: Dit is niet anders dan het zwaard van Gideon, de zoon van Joas, de Israëliet; God heeft Midjan en de gehele legerplaats in zijn macht gegeven. 15 Zodra Gideon het verhaal van de droom en de uitlegging daarvan gehoord had, boog hij zich in aanbidding neder; daarop keerde hij terug naar de legerplaats van Israël en zeide: Staat op, want de Here heeft de legerplaats van Midjan in uw macht gegeven. 16 Toen verdeelde hij de driehonderd man in drie groepen en gaf hun allen horens en ledige kruiken in de hand met fakkels binnen in de kruiken. 17 En hij zeide tot hen: Gij moet op mij letten en doen als ik. Zie, wanneer ik aan de buitenrand van de legerplaats gekomen ben, doet dan als ik: 18 wanneer ik op de hoorn blaas met allen die bij mij zijn, dan moet ook gij op de horens blazen rondom de gehele legerplaats, en roepen: Voor de Here en voor Gideon! 19 Gideon nu en de honderd mannen die bij hem waren, kwamen aan de buitenrand van de legerplaats bij het begin van de middelste nachtwake, toen men juist de wachtposten had uitgezet. Toen bliezen zij op de horens, terwijl zij de kruiken stuksloegen, die zij in de hand hadden. 20 Zo bliezen de drie groepen op de horens, braken de kruiken stuk en hielden in de linkerhand de fakkels en in de rechterhand de horens om te blazen en riepen: Het zwaard van de Here en van Gideon! 21 Daarbij bleven zij staan, ieder op zijn plaats, rondom de legerplaats, maar het gehele leger ging op de loop en vluchtte al schreeuwend. 22 Terwijl nu de driehonderd op de horens bliezen, richtte de Here in de gehele legerplaats het zwaard van de één tegen de ander, en het leger vluchtte tot Bet-Hassitta, in de richting van Serera tot aan de oever van Abel-Mechola boven Tabbat. 23 Toen werden de mannen van Israël bijeengeroepen uit Naftali en uit Aser en uit geheel Manasse en zij achtervolgden Midjan. 24 Ook zond Gideon boden uit in het gehele gebergte van Efraïm met de boodschap: Daalt af de Midjanieten tegemoet, en snijdt hun tot aan Bet-Bara de overtocht af over het water, over de Jordaan. Toen werden alle mannen van Efraïm bijeengeroepen en sneden hun tot aan Bet-Bara de overtocht af over het water, over de Jordaan, 25 en zij namen twee vorsten van Midjan gevangen, Oreb en Zeëb. Oreb doodden zij op de rots Oreb en Zeëb doodden zij in de perskuip Zeëb; en zij vervolgden Midjan; de hoofden van Oreb en Zeëb brachten zij Gideon aan de overzijde van de Jordaan.

17 januari

De koning van Salem en de koning van Sodom komen Abraham wat aanbieden. De eerste brood en wijn, de tweede de hele buit. De eerste is betrouwbaar, want hij komt bovenal met de zegen van God, de Allerhoogste, de tweede is niet betrouwbaar (Genesis 13:1313 De mannen van Sodom nu waren zeer slecht en zondig tegenover de Here.). De gave van de koning van Sodom, die blijkbaar uit de asfaltput is geklommen (vers 1010 Toen sloeg Lot zijn ogen op en zag, dat de gehele streek van de Jordaan rijk aan water was; voordat de Here Sodom en Gomorra verwoest had, was zij tot Soar toe als de hof des Heren, als het land Egypte.), heeft een asgeur. Maar de zegen van Melchizedek (vertaald: mijn koning is rechtvaardig) is van de Here. Deze koning van Salem (=vrede) komt met het hoogste wat iemand kan wensen, namelijk met de zegen van de Schepper van hemel en aarde. Door God aangesteld als priesterkoning is Melchizedek dienaar van hemelse zegeningen zoals rechtvaardigheid, verzoening en vrede. Het doet vermoeden dat Abraham hem al kende. In ieder geval erkent Abraham hem als een van God aangestelde priester, door wie Abraham Gods zegen krijgt. En Abraham dankt God voor de overwinning en geeft de tienden, die als symbool staan voor het geheel. Alles is van God afkomstig. Alle zegen komt van Hem, waarom Hij gediend moet worden; het leven Hem toegewijd. Hierbij passen geen geschenken van Sodoms onbetrouwbare koning.

Verder lezen: Hebreeën 7:1-101 Want deze Melchisedek, koning van Salem, priester van de allerhoogste God, die Abraham bij zijn terugkeer na het verslaan van de koningen tegemoet kwam en hem zegende, 2 aan wie ook Abraham een tiende van alles gegeven heeft, is vooreerst, volgens de uitlegging (van zijn naam): koning der gerechtigheid, vervolgens ook: koning van Salem, dat is: koning des vredes; 3 zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde des levens, en, aan de Zoon van God gelijkgesteld, blijft hij priester voor altoos. 4 Merkt dan op, hoe groot deze is, aan wie de aartsvader Abraham een tiende gegeven heeft van het beste van de buit. 5 Nu hebben zij, die uit de zonen van Levi het priesterambt verkrijgen, volgens de wet wel de opdracht tienden te heffen van het volk, dat is, van hun broeders, hoewel dezen uit de lendenen van Abraham zijn voortgekomen; 6 maar hij, die zich niet tot hun geslacht kon rekenen, heeft van Abraham tienden genomen en een zegen gegeven aan de drager der beloften. 7 Nu is het onwedersprekelijk, dat het mindere door het meerdere wordt gezegend. 8 En hier ontvangen sterfelijke mensen tienden, doch dáár iemand, van wie wordt getuigd, dat hij leeft. 9 Ja, om zo te zeggen, is zelfs Levi, die tienden heft, door Abraham aan het tiendrecht (van een ander) onderworpen, 10 want hij was nog in de lendenen van zijn vader, toen Melchisedek deze tegemoet kwam.

18 januari

Genesis 151 Hierna kwam het woord des Heren tot Abram in een gezicht: Vrees niet, Abram, Ik ben uw schild; uw loon zal zeer groot zijn. 2 En Abram zeide: Here Here, wat zult Gij mij geven, daar ik kinderloos heenga en de bezitter van mijn huis, dat zal deze Damascener Eliëzer zijn. 3 En Abram zeide: Zie, mij hebt Gij geen nakroost gegeven, en nu moet een onderhorige mijn erfgenaam zijn. 4 En zie, het woord des Heren kwam tot hem: Deze zal uw erfgenaam niet zijn, maar uw lijfelijke zoon, die zal uw erfgenaam zijn. 5 Toen leidde Hij hem naar buiten, en zeide: Zie toch op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw nageslacht zijn. 6 En hij geloofde in de Here, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid. 7 En Hij zeide tot hem: Ik ben de Here, die u uit Ur der Chaldeeën heb geleid om u dit land in bezit te geven. 8 En hij zeide: Here Here, waaraan zal ik weten, dat ik het bezitten zal? 9 En Hij zeide tot hem: Haal Mij een driejarige jonge koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif. 10 Hij haalde die alle voor Hem, deelde ze middendoor en legde de stukken tegenover elkander, maar het gevogelte deelde hij niet. 11 Toen de roofvogels op de dode dieren neerstreken, joeg Abram ze weg. 12 Toen de zon op het punt stond onder te gaan, viel een diepe slaap op Abram. En zie, hem overviel een angstwekkende, dikke duisternis. 13 En Hij zeide tot Abram: Weet voorzeker, dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land, dat het hunne niet is, en dat zij hen dienen zullen, en dat die hen zullen verdrukken, vierhonderd jaar. 14 Doch ook het volk, dat zij zullen dienen, zal Ik richten, en daarna zullen zij met grote have uittrekken. 15 Maar gij zult in vrede tot uw vaderen gaan; gij zult in hoge ouderdom begraven worden. 16 Het vierde geslacht echter zal hierheen wederkeren, want eerder is de maat van de ongerechtigheid der Amorieten niet vol. 17 Toen de zon was ondergegaan, en er dikke duisternis was, zie, een rokende oven met een vurige fakkel, welke tussen die stukken doorging. 18 Te dien dage sloot de Here een verbond met Abram, zeggende: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven, van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat: 19 de Keniet, de Kenizziet, de Kadmoniet, 20 de Hethiet, de Perizziet, de Refaïeten, 21 de Amoriet, de Kanaäniet, de Girgasiet en de Jebusiet.

Ook hier is het geloof van Abraham een voorbeeld voor ons. Zo ook zijn vrijmoedigheid. Hij spreekt vrijuit tot de HERE. Over hoe hij zeker zal weten dat de HERE zijn belofte zal gaan vervullen (vers 88 En hij zeide: Here Here, waaraan zal ik weten, dat ik het bezitten zal?). Het verbond dat de HERE dan Zelf met Abraham hier sluit is van grote betekenis voor het begrijpen van de latere verbondssluitingen door de HERE. Dat de HERE alleen tussen de stukken doorging, is aanwijzing dat Christus alleen alles voor ons volbrengt. Hij is het, die als de stukgesneden (offer)dieren, geslacht zal worden. Hij moet sterven om de schuld van de verbondspartij (de mens). De zondige verbondsleden, die het verbond met de HERE niet kunnen naleven, verdienen de straf, en moeten als de gedode dieren sterven. Maar de HERE ging alleen tussen de stukken door. Alleen de HERE neemt de verplichting van het verbond waar. En Christus doet dat in onze plaats. Het enige wat Abraham moet doen is gelovig wachten en de roofvogels wegjagen. God maakt de toekomstige dingen bekend en sluit het verbond. De zaken staan vast. En wij, wij hebben slechts te geloven in Christus, Christus, dankzij wie het nageslacht van Abraham geworden is als de sterren des hemels.

Verder lezen: Handelingen 7:1-71 En de hogepriester zeide: Is dat zo? 2 En hij zeide: Gij, mannen broeders en vaders, hoort toe. De God der heerlijkheid is verschenen aan onze vader Abraham, toen hij nog in Mesopotamië was, voordat hij in Haran ging wonen, 3 en Hij zeide tot hem: Verlaat uw land en uw bloedverwanten en kom herwaarts naar het land, dat Ik u wijzen zal. 4 Toen vertrok hij uit het land der Chaldeeën en vestigde zich in Haran. En nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem vandaar over naar dit land, waar gij nu woont; 5 en Hij gaf hem geen erfdeel daarin, zelfs niet één voet, maar Hij beloofde het hem en zijn nakomelingschap tot een bezitting te geven, ofschoon hij geen kinderen had. 6 En God sprak aldus, dat zijn nakomelingen bijwoners zouden zijn in een vreemd land en dat zij hen knechten en mishandelen zouden vierhonderd jaren; 7 maar het volk, dat zij dienen zullen, zal Ik oordelen, sprak God, en daarna zullen zij uittrekken en Mij vereren aan deze plaats.

19 januari

Genesis 161 Sarai nu, de vrouw van Abram, schonk hem geen kinderen, en zij had een Egyptische slavin, wier naam was Hagar. 2 En Sarai zeide tot Abram: Zie toch, de Here heeft mij niet vergund te baren; ga toch tot mijn slavin; misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram luisterde naar Sarai. 3 En Sarai, de vrouw van Abram, nam Hagar, de Egyptische, haar slavin, nadat Abram tien jaar in het land Kanaän gewoond had, en gaf haar aan haar man Abram tot vrouw. 4 En hij ging tot Hagar en zij werd zwanger; toen zij zag, dat zij zwanger geworden was, was haar meesteres verachtelijk in haar ogen. 5 Toen zeide Sarai tot Abram: De krenking mij aangedaan, komt voor uw rekening; ik heb mijn slavin in uw schoot gegeven, en nu zij ziet, dat zij zwanger geworden is, ben ik verachtelijk in haar ogen; de Here doe recht tussen mij en u. 6 En Abram zeide tot Sarai: Zie, uw slavin is in uw macht; doe met haar wat goed is in uw ogen. Toen vernederde Sarai haar, en zij vluchtte van haar weg. 7 En de Engel des Heren trof haar aan bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sur. 8 En Hij zeide: Hagar, slavin van Sarai, vanwaar komt gij en waarheen gaat gij? En zij zeide: Ik ben op de vlucht voor mijn meesteres Sarai. 9 En de Engel des Heren zeide tot haar: Keer naar uw meesteres terug en verneder u onder haar hand. 10 En de Engel des Heren zeide tot haar: Ik zal uw nageslacht zeer talrijk maken, zodat het vanwege de menigte niet geteld kan worden. 11 Voorts zeide de Engel des Heren tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en hem Ismaël noemen, want de Here heeft naar uw ellende gehoord. 12 Hij zal een wilde ezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn en de hand van allen tegen hem, en hij zal ten aanschouwen van al zijn broederen wonen. 13 Toen noemde zij de naam des Heren, die tot haar gesproken had: Gij zijt een God des aanziens; want, zeide zij, heb ik hier ook omgezien naar Hem, die naar mij ziet? 14 Daarom noemt men die put: de put Lachai-Roï; zie, hij is tussen Kades en Bered. 15 En Hagar baarde Abram een zoon en Abram noemde de zoon, die Hagar gebaard had, Ismaël. 16 En Abram was zesentachtig jaar oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde.

Nadat Abraham zijn leven zelf wilde redden tegenover de Farao (Genesis 12:1313 Zeg toch, dat gij mijn zuster zijt, opdat het mij om uwentwil welga, en ik om uwentwil in het leven moge blijven.), wat hem mogelijk de slavin Hagar opleverde (Genesis 12:1616 En hij deed Abram wèl om harentwil, zodat hij schapen, runderen, ezels, slaven, slavinnen, ezelinnen en kamelen ontving.), is nu Sara degene die langs eigen wegen gaat opereren. Ongetwijfeld was het toen, in die cultuur, geen vreemd voorstel. Maar, dit is niet de weg van de HERE. Het is niet uit geloof. Daarom heeft Sara het ook over ‘misschien’ (vers 22 Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn.). Het geloof echter twijfelt niet. Abraham, liet evenals Adam, de vrouw leiding nemen. Maar het liep mis.

De HERE evenwel is de vernederde, maar tegelijk ook schuldige slavin genadig, en redt haar van gevaren in de woestijn. Hij ziet naar haar om. En zij blijft in leven en belijdt de HERE als de God die omziet; die omziet naar het verlorene. Zijn verschijning en woorden aan haar neemt Abraham over in de naamgeving van de zoon met de voorgeschreven naam Ismaël. Zijn toekomst zal er één van voortdurende strijd zijn. Juist ook als voortdurende herinnering aan deze geschiedenis. In Genesis wordt de basis gelegd voor de wereldgeschiedenis. De zonde heeft zijn doorwerking, maar de genade eveneens. De Egyptische Hagar wordt weer opgenomen in Abrahams tent, en ook in Egypte is het Evangelie verkondigd (Handelingen 2:1010 Frygië en Pamfylië, Egypte en de streken van Libië bij Cyrene, en hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten.).

Verder lezen: Galaten 4:21-3121 Zegt mij, gij, die onder de wet wilt staan, luistert gij niet naar de wet? 22 Er staat immers geschreven, dat Abraham twee zonen had, één bij de slavin en één bij de vrije. 23 Maar die van de slavin was naar het vlees verwekt, doch die van de vrije door de belofte. 24 Dit is iets, waarin een diepere zin ligt. Want dit zijn twee bedelingen: de ene van de berg Sinai, die slaven baart, dit is Hagar. 25 Het (woord) Hagar betekent de berg Sinai in Arabië. Het staat op één lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met zijn kinderen in slavernij. 26 Maar het hemelse Jeruzalem is vrij; en dat is onze moeder. 27 Want er staat geschreven: Verheug u, gij onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, gij die geen weeën kent; want talrijker zijn de kinderen der eenzame dan van haar, die een man heeft. 28 En gij, broeders, zijt, evenals Isaak, kinderen der belofte. 29 Maar zoals destijds hij, die naar het vlees verwekt was, hem, die naar de geest verwekt was, vervolgde, zo ook nu. 30 Maar wat zegt het schriftwoord? Zend de slavin weg met haar zoon, want de zoon der slavin zal in geen geval erven met de zoon der vrije. 31 Daarom, broeders, zijn wij geen kinderen ener slavin, maar van de vrije.

20 januari

Genesis 171 Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de Here aan Abram en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk; 2 Ik zal mijn verbond tussen Mij en u stellen, en u uitermate talrijk maken. 3 Toen wierp Abram zich op zijn aangezicht en God sprak tot hem: 4 Wat Mij aangaat, zie, mijn verbond is met u, en gij zult de vader van een menigte volken worden; 5 en gij zult niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal zijn Abraham, omdat Ik u tot een vader van een menigte volken gesteld heb. 6 Ik zal u uitermate vruchtbaar maken en u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen. 7 Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn. 8 Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin gij als vreemdeling vertoeft, het ganse land Kanaän, tot een altoosdurende bezitting geven, en Ik zal hun tot een God zijn. 9 Voorts zeide God tot Abraham: En wat u aangaat, gij zult mijn verbond houden, gij en uw nageslacht, in hun geslachten. 10 Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde; 11 gij zult het vlees van uw voorhuid laten besnijden, en dat zal tot een teken van het verbond zijn tussen Mij en u. 12 Wie acht dagen oud is, zal bij u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: zowel wie in uw huis geboren is, als wie van enige vreemdeling voor geld is gekocht, doch niet van uw nageslacht is. 13 Wie in uw huis geboren is en wie door u voor geld gekocht is, moet voorzeker besneden worden; zo zal mijn verbond in uw vlees zijn tot een eeuwig verbond. 14 En de onbesnedene, de man namelijk, die het vlees van zijn voorhuid niet laat besnijden, die mens zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten: hij heeft mijn verbond verbroken. 15 Verder zeide God tot Abraham: Wat uw vrouw Sarai betreft, gij zult haar niet Sarai noemen, maar Sara zal haar naam zijn. 16 En Ik zal haar zegenen, en ook zal Ik u uit haar een zoon schenken, ja, Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal; koningen van volken zullen uit haar voortkomen. 17 Toen wierp Abraham zich op zijn aangezicht, lachte en zeide bij zichzelf: Zal dan aan een honderdjarige een kind geboren worden, en zal Sara, een negentigjarige, baren? 18 En Abraham zeide tot God: Och, mocht Ismaël voor uw aangezicht leven! 19 Maar God zeide: Neen, maar uw vrouw Sara zal u een zoon baren, en gij zult hem Isaak noemen, en Ik zal mijn verbond met hem oprichten tot een eeuwig verbond, voor zijn nageslacht. 20 En wat Ismaël betreft, Ik heb u verhoord; zie, Ik zal hem zegenen, hem vruchtbaar doen zijn en uitermate talrijk maken; twaalf vorsten zal hij verwekken, en Ik zal hem tot een groot volk stellen. 21 Maar mijn verbond zal Ik oprichten met Isaak, die Sara u op deze zelfde tijd in het volgend jaar baren zal. 22 Toen God geëindigd had met hem te spreken, voer Hij van Abraham op. 23 Daarop nam Abraham zijn zoon Ismaël en allen die in zijn huis geboren waren, ook allen die door hem voor geld gekocht waren, al wat mannelijk was onder Abrahams huisgenoten, en hij besneed het vlees van hun voorhuid op diezelfde dag, zoals God tot hem gesproken had. 24 En Abraham was negenennegentig jaar oud, toen hij het vlees van zijn voorhuid liet besnijden. 25 En zijn zoon Ismaël was dertien jaar oud, toen hij het vlees van zijn voorhuid liet besnijden. 26 Op diezelfde dag werden Abraham en zijn zoon Ismaël besneden. 27 En al zijn huisgenoten, zowel die in zijn huis geboren, als die van een vreemdeling voor geld gekocht waren, werden met hem besneden.

De HERE komt tot Abraham en verschijnt aan hem. Dat was heel ontzagwekkend. Toch betekende dit niet de dood voor Abraham. Dat was in het paradijs na de zondeval ook niet zo. De HERE komt zijn verbond oprichten en bevestigt wat Hij beloofd had. Grote, heilrijke beloften. Zo verstrekkend, dat het altijd herdacht moet worden. De besnijdenis is het teken dat daaraan dienstbaar is. Een onderscheidingsteken. Daarbij moet Abraham in zijn vlees snijden. Niet alleen letterlijk, maar vooral wat zijn denken betreft. Niet Ismaël, naar het vlees verwekt, volgens het plan van de mens, maar Izaäk, de zoon der belofte, zal de erfgenaam zijn met wie de HERE zijn verbond zal voortzetten.

Zo is het vandaag met ons. Niet wat wij bedenken voor de kerk gebeurt, maar Christus vergadert Zich Gods gemeente. Niet de mensen die wij hoog hebben, maar die de Here verkiest, zijn erfgenamen. Alleen wie zijn vlees laat kruisigen door de besnijdenis van Christus wordt gered. Gods beloften zijn rijker dan wij kunnen indenken. We moeten er gelovig naar horen. Zondaren, in Christus’ gedoopt, gereinigd en opnieuw geboren, beërven het hemels Kanaän.

Verder lezen: Matteüs 19:16-2616 En zie, iemand kwam tot Hem en zeide: Meester, wat voor goed moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven? 17 Hij zeide tot hem: Wat vraagt gij Mij naar het goede? Eén is de Goede. Maar indien gij het leven wilt binnengaan, onderhoud de geboden. 18 Hij zeide tot Hem: Welke? Jezus zeide: Deze: Gij zult niet doodslaan, gij zult niet echtbreken, gij zult niet stelen, gij zult geen vals getuigenis geven, 19 eer uw vader en uw moeder, en gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. 20 De jongeling zeide tot Hem: Dat alles heb ik in acht genomen; waarin schiet ik nog te kort? 21 Jezus zeide tot hem: Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop uw bezit en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemelen hebben, en kom hier, volg Mij. 22 Toen de jongeling [dit] woord hoorde, ging hij bedroefd heen, want hij bezat vele goederen. 23 Jezus zeide tot zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u, een rijke zal moeilijk het Koninkrijk der hemelen binnengaan. 24 Wederom zeg Ik u, het is gemakkelijker, dat een kameel gaat door het oog van een naald dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat. 25 Toen de discipelen dit hoorden, waren zij zeer verslagen en zeiden: Wie kan dan behouden worden? 26 Jezus zag hen aan en zeide: Bij de mensen is dit onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.

21 januari

Genesis 18:1-151 En de Here verscheen aan hem bij de terebinten van Mamre, terwijl hij op het heetst van de dag in de ingang der tent zat. 2 En hij sloeg zijn ogen op en zag, en zie, drie mannen stonden bij hem; toen hij hen zag, liep hij hun uit de ingang van zijn tent tegemoet, en boog zich ter aarde; 3 en hij zeide: Mijn heer, indien ik uw genegenheid gewonnen heb, ga dan niet aan uw knecht voorbij. 4 Laat toch een weinig water gehaald worden, en wast uw voeten en vlijt u neder onder de boom; 5 dan wil ik een bete broods gaan halen, opdat gij uw hart versterkt; daarna kunt gij verder trekken; daartoe zijt gij immers langs uw knecht getrokken? En zij zeiden: Doe zoals gij gesproken hebt. 6 Toen spoedde Abraham zich naar de tent tot Sara, en zeide: Haast u! Drie maten fijn meel! Kneed het en bereid koeken! 7 En Abraham liep naar de runderen, nam een kalf, mals en goed, en gaf het aan een knecht, en deze haastte zich om het te bereiden. 8 Ook nam hij boter en melk en het kalf, dat hij bereid had, en zette het hun voor; en hij stond onder de boom bij hen, terwijl zij aten. 9 Toen zeiden zij tot hem: Waar is uw vrouw Sara? En hij zeide: Daar, in de tent. 10 En Hij zeide: Voorzeker zal Ik over een jaar tot u wederkeren, en dan zal uw vrouw Sara een zoon hebben. En Sara luisterde bij de ingang der tent, die zich achter Hem bevond. 11 Abraham nu en Sara waren oud en hoogbejaard; het ging Sara niet meer naar de wijze der vrouwen. 12 Dus lachte Sara in zichzelf, denkende: Zal ik wellust hebben, nadat ik vervallen ben, terwijl mijn heer oud is? 13 Toen zeide de Here tot Abraham: Waarom lacht Sara daar en zegt: Zal ik werkelijk baren, terwijl ik oud geworden ben? 14 Zou voor de Here iets te wonderlijk zijn? Te bestemder tijd, over een jaar, zal Ik tot u wederkeren, en Sara zal een zoon hebben. 15 Toen loochende Sara het: Ik heb niet gelachen, want zij was bevreesd; doch Hij zeide: Neen, gij hebt wèl gelachen.

De HERE komt de belofte herhalen, dat een lijfelijke zoon uit Abraham en Sara geboren zal worden (17:16,2116 En Ik zal haar zegenen, en ook zal Ik u uit haar een zoon schenken, ja, Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal; koningen van volken zullen uit haar voortkomen. (...) 21 Maar mijn verbond zal Ik oprichten met Isaak, die Sara u op deze zelfde tijd in het volgend jaar baren zal.). Deze verschijning heeft betrekkelijk kort na de vorige plaats gehad (vergelijk vers 1010 En Hij zeide: Voorzeker zal Ik over een jaar tot u wederkeren, en dan zal uw vrouw Sara een zoon hebben. En Sara luisterde bij de ingang der tent, die zich achter Hem bevond.). Deze verschijningswijze door drie mannen maakt de geschiedenis levendig. Redelijk plotseling staan ze voor Abraham. Maar er is geen schrik en beving. De Here past Zich genadig aan, aan onze zwakheid. Sara is er nu ook bij. Abraham en Sara bewijzen de mannen gastvrijheid. En dan komt de Here Zijn belofte aan Abraham herhalen. Waarbij ditmaal Sara een vergelijkbare overweging heeft als Abraham in vers 1717 En de Here dacht: Zou Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen? van het vorige hoofdstuk. En hoe begrijpelijk is de redenering van Sara. Maar de grote les is dus: “Zou voor de Here iets te wonderlijk zijn?” Wat Hij belooft, doet Hij. Hij is niet afhankelijk van de mens. Zijn wegen zijn hoger dan onze wegen en zijn gedachten zijn hoger dan onze gedachten. Hij is niet begrensd door de schepping, laat staan door de mogelijkheden van de gevallen mens. Soeverein schept Hij leven uit de doden. Vertrouw dan op deze God, en weet u gezegend in de beloofde Zoon van Abraham, de Here Jezus Christus, die gekomen is langs ongedachte wegen.

Verder lezen: Jesaja 51:1-161 Hoort naar Mij, gij die de gerechtigheid najaagt, gij die de Here zoekt. Aanschouwt de rots waaruit gij gehouwen zijt, en de holte van de put waaruit gij gegraven zijt; 2 aanschouwt Abraham, uw vader, en Sara, die u baarde; want Ik riep hem als eenling en Ik zegende hem en vermenigvuldigde hem. 3 Want de Here troost Sion, Hij troost al haar puinhopen; Hij maakt haar woestijn als Eden en haar wildernis als de hof des Heren; blijdschap en vreugde zullen er gevonden worden, loflied en geklank van gezang. 4 Luistert naar Mij, mijn volk, en mijn natie, neig uw oor tot Mij. Want een wet zal van Mij uitgaan en mijn recht zal Ik stellen tot een licht der volken. 5 Mijn zege is nabij, mijn heil treedt te voorschijn, en mijn armen zullen de volken richten; op Mij zullen de kustlanden wachten en op mijn arm zullen zij hopen. 6 Heft uw ogen op naar de hemel en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel verdwijnt als rook, de aarde vergaat als een kleed en haar bewoners sterven als muggen, maar mijn heil duurt eeuwig en mijn gerechtigheid wordt niet verbroken. 7 Hoort naar Mij, gij die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart mijn wet is. Vreest niet voor de smaad van stervelingen, wordt niet verschrikt vanwege hun beschimpingen. 8 Want als een kleed verteert hen de mot en als wol verteert hen de worm; maar mijn gerechtigheid duurt eeuwig en mijn heil van geslacht tot geslacht. 9 Waak op, waak op, bekleed u met sterkte, gij arm des Heren! Waak op als in de dagen van ouds, van de geslachten uit de voortijd! Zijt gij het niet, die Rahab neergehouwen, de zeedraak doorboord hebt? 10 Zijt gij het niet, die de zee hebt drooggelegd, de wateren van de grote diepte; die de diepte der zee hebt gemaakt tot een weg, een doortocht voor verlosten? 11 De vrijgekochten des Heren zullen wederkeren en met gejubel in Sion komen; eeuwige vreugde zal op hun hoofd wezen, blijdschap en vreugde zullen zij verwerven, kommer en gezucht zullen wegvluchten. 12 Ik, Ik ben het, die u troost. Wie zijt gij, dat gij bevreesd zijt voor een sterfelijk mens, voor een mensenkind, dat als gras wordt weggeworpen; 13 dat gij vergeet de Here, uw Maker, die de hemel uitspande en de aarde grondvestte; dat gij bestendig, de gehele dag, verschrikt zijt vanwege de grimmigheid van de verdrukker, wanneer hij uit is op verderven? Waar is nu de grimmigheid van de verdrukker? 14 IJlings wordt de kromgeslotene ontboeid, hij zal niet sterven, niet in de groeve dalen en hem zal geen brood ontbreken. 15 Want Ik ben de Here, uw God, die de zee opzweep, zodat haar golven bruisen, wiens naam is Here der heerscharen. 16 Ik heb mijn woorden in uw mond gelegd en met de schaduw mijner hand heb Ik u bedekt, Ik, die de hemel uitspan en de aarde grondvest en tot Sion zeg: Gij zijt mijn volk.

22 januari

Genesis 18:16-3316 Toen vertrokken die mannen vandaar en zagen in de richting van Sodom; en Abraham ging met hen mede om hen uitgeleide te doen. 17 En de Here dacht: Zou Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen? 18 Abraham immers zal voorzeker tot een groot en machtig volk worden en met hem zullen alle volken der aarde gezegend worden; 19 want Ik heb hem gekend, opdat hij gebieden zou, dat zijn zonen en zijn huis na hem de weg des Heren zouden bewaren door gerechtigheid en recht te doen, opdat de Here aan Abraham vervulle wat Hij over hem gesproken heeft. 20 Daarop zeide de Here: Het geroep over Sodom en Gomorra is voorwaar groot, en haar zonde is voorwaar zeer zwaar. 21 Ik wil nederdalen om te zien, of zij inderdaad gedaan hebben naar het geroep, dat tot Mij gekomen is, of niet; Ik wil het weten. 22 Toen wendden die mannen zich vandaar en gingen naar Sodom, maar Abraham bleef nog staan voor de Here. 23 En Abraham trad nader en zeide: Zult Gij dan de rechtvaardige met de goddeloze verdelgen? 24 Misschien zullen er vijftig rechtvaardigen in de stad zijn; zult Gij haar dan verdelgen, en aan de plaats geen vergiffenis schenken ter wille van de vijftig rechtvaardigen, die in haar zijn? 25 Het zij verre van U, aldus te handelen, de rechtvaardige te doden met de goddeloze, zodat de rechtvaardige zou zijn gelijk de goddeloze; verre zij het van U; zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen? 26 En de Here zeide: Indien Ik te Sodom vijftig rechtvaardigen in de stad vind, zal Ik de gehele plaats vergiffenis schenken om hunnentwil. 27 En Abraham antwoordde: Zie toch, ik heb mij verstout tot de Here te spreken, hoewel ik stof en as ben. 28 Misschien ontbreken er aan de vijftig rechtvaardigen vijf; zult Gij dan om die vijf de gehele stad verwoesten? En Hij zeide: Ik zal haar niet verwoesten, indien Ik er vijfenveertig vind. 29 En hij sprak verder tot Hem en zeide: Misschien worden er daar veertig gevonden. En Hij zeide: Ik zal het niet doen ter wille van de veertig. 30 En hij zeide: De Here worde toch niet toornig, als ik nog eens spreek; misschien worden er daar dertig gevonden. En Hij zeide: Ik zal het niet doen, indien Ik er daar dertig vind. 31 En hij zeide: Zie toch, ik heb mij verstout tot de Here te spreken; misschien worden er daar twintig gevonden. En Hij zeide: Ik zal haar niet verwoesten ter wille van de twintig. 32 En hij zeide: De Here worde toch niet toornig, als ik nog eenmaal spreek; misschien worden er daar tien gevonden. En Hij zeide: Ik zal haar niet verwoesten ter wille van de tien. 33 Toen ging de Here weg, nadat Hij geëindigd had tot Abraham te spreken, en Abraham keerde naar zijn woonplaats terug.

Tien rechtvaardigen waren er niet in Sodom. Die tien hadden haar verwoesting kunnen voorkomen. Het waren er minder. Haar einde is nabij. En het is indrukwekkend, hoe genadig en lankmoedig God Zich bewijst tegenover de uitermate goddeloze stad. Het volgende hoofdstuk zal die goddeloosheid duidelijk laten zien, als Zijn engelen die onderzoeken gaan. Zoals bij de torenbouw van Babel komt Hij op aarde onderzoek instellen. Hij komt oordelen en tegelijk komt Hij zijn rijke beloften schenken, zoals we gisteren lazen. De overweging van de Here wordt onder woorden gebracht (vers 17-1917 En de Here dacht: Zou Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen? 18 Abraham immers zal voorzeker tot een groot en machtig volk worden en met hem zullen alle volken der aarde gezegend worden; 19 want Ik heb hem gekend, opdat hij gebieden zou, dat zijn zonen en zijn huis na hem de weg des Heren zouden bewaren door gerechtigheid en recht te doen, opdat de Here aan Abraham vervulle wat Hij over hem gesproken heeft.). Dit is een heerlijke openbaring van Gods gedachten. Zijn gedachten zijn hetzelfde als Zijn woorden. Volstrekt betrouwbaar is Hij. En in Zijn handelen betrekt Hij Zijn verbondskind Abraham. Abraham mag als middelaar optreden en bidt voor het behoud van Lot en andere rechtvaardigen, mochten die er zijn. En de Here laat tot Zich bidden en bewijst buitengewoon lankmoedig te zijn, terwijl Hij ook laat blijken Zijn gerechtigheid te zullen oefenen. Zo doet de HERE Zich kennen en is Hij te vrezen. Er is ook vandaag ontkoming aan de komende toorn als u in Christus gelooft, God eert, lief hebt en vertrouwt.

Verder lezen: Ezechiël 16:44-6344 Zie, iedere spreukendichter zal over u deze spreuk gebruiken: zo moeder, zo dochter. 45 Gij zijt de dochter van uw moeder, die een afkeer had van haar man en haar zonen, gij zijt de zuster uwer zusters, die een afkeer hadden van haar mannen en zonen. Uw moeder was een Hethitische en uw vader een Amoriet. 46 Uw grote zuster was Samaria, die met haar dochters ten noorden van u woonde; en uw kleine zuster die ten zuiden van u woonde, was Sodom met haar dochters. 47 Maar gij hebt zelfs niet gewandeld in haar wegen en naar haar gruwelen gedaan; het duurde niet lang, of gij waart erger dan zij in heel uw gedrag. 48 Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here Here, voorzeker, uw zuster Sodom, samen met haar dochters, heeft niet gedaan wat gij gedaan hebt, samen met uw dochters. 49 Zie, dit was de ongerechtigheid van uw zuster Sodom: in trots, overdaad en zorgeloze rust leefde zij met haar dochters zonder de ellendige en de arme te ondersteunen. 50 Verwaten waren zij en bedreven gruwelen voor mijn aangezicht. Daarom vaagde Ik ze weg, zodra Ik het zag. 51 En Samaria heeft nog niet de helft van uw zonden bedreven; gij hebt meer gruwelen gedaan dan zij. Zo hebt gij uw zusters onschuldig doen schijnen door al de gruwelen die gij bedreven hebt. 52 Draag dan uw schande, gij die het oordeel over uw zusters gunstiger hebt doen worden; door uw zonden, waarin gij gruwelijker hebt gehandeld dan zij, zijn zij minder schuldig dan gij. Schaam u dan en draag uw schande, omdat gij uw zusters onschuldig hebt doen schijnen. 53 En Ik zal een keer brengen in haar lot, het lot van Sodom en haar dochters en het lot van Samaria en haar dochters; en tevens zal Ik een keer brengen in uw lot, 54 opdat gij uw schande draagt en u beschaamd gevoelt over alles wat gij gedaan hebt, waardoor gij haar troost hebt verschaft. 55 Uw zusters, Sodom en haar dochters, zullen terugkeren tot haar vorige staat; Samaria en haar dochters zullen terugkeren tot haar vorige staat; en gij en uw dochters zult eveneens terugkeren tot uw vorige staat. 56 Evenals de naam van uw zuster Sodom nooit over uw lippen kwam ten dage van uw trots, 57 voordat uw verdorvenheid openbaar werd, zo is het nu de tijd, waarop gij een voorwerp van smaad zijt voor de dochters van Aram en al zijn naburen, voor de dochters der Filistijnen, die leedvermaak over u hebben, overal om u heen. 58 Uw schanddaden en uw gruwelen - gij zult ze dragen, luidt het woord des Heren. 59 Want, zo zegt de Here Here: Ik zal u doen, zoals gij gedaan hebt, die de eed gering hebt geacht door het verbond te verbreken. 60 Maar ik zal mijn verbond met u uit de dagen van uw jeugd gedenken, en een eeuwig verbond met u oprichten. 61 Dan zult gij terugdenken aan uw gedrag en u schamen, wanneer gij zowel uw grote als uw kleine zusters zult ontvangen, en Ik u die tot dochters geven zal, hoewel niet op grond van het met u gesloten verbond. 62 Ik zal mijn verbond met u oprichten; en gij zult weten, dat Ik de Here ben, 63 opdat gij de herinnering bewaart en u schaamt en gij wegens uw schande uw mond niet meer opendoet - wanneer Ik voor u verzoening doe voor alles wat gij gedaan hebt, luidt het woord van de Here Here.

23 januari

Genesis 19:1-291 En de twee engelen kwamen in de avond te Sodom. Lot zat in de poort van Sodom en toen Lot hen zag, stond hij op, ging hun tegemoet, boog zich neder met het aangezicht ter aarde, 2 en zeide: Zie toch, mijne heren, neemt toch uw intrek in het huis van uw knecht, overnacht en wast uw voeten, dan kunt gij morgenvroeg uws weegs gaan. Maar zij zeiden: Neen, wij zullen de nacht op het plein doorbrengen. 3 Toen hij echter sterk bij hen aandrong, namen zij bij hem hun intrek en kwamen in zijn huis; en hij bereidde voor hen een maaltijd en bakte ongezuurde koeken, en zij aten. 4 Zij hadden zich nog niet ter ruste gelegd, of de mannen der stad, de mannen van Sodom, omsingelden het huis, van jong tot oud, de gehele bevolking, niemand uitgezonderd, 5 en zij riepen Lot toe en zeiden tot hem: Waar zijn de mannen, die vannacht bij u gekomen zijn? Breng hen bij ons buiten, opdat wij met hen gemeenschap hebben. 6 Toen ging Lot tot hen naar buiten, maar de deur sloot hij achter zich toe, 7 en hij zeide: Mijn broeders, doet toch geen kwaad; 8 zie toch, ik heb twee dochters, die met geen man gemeenschap hebben gehad; laat mij die tot u naar buiten brengen en doet met haar, zoals goed is in uw ogen; alleen doet deze mannen niets, want daartoe zijn zij onder de schaduw van mijn dak gekomen. 9 Maar zij zeiden: Ga op zij! En zij zeiden: Deze ene is als vreemdeling komen vertoeven om ons geheel en al de wet te stellen! Nu zullen wij u meer kwaad doen dan hun. En zij drongen sterk op tegen de man, tegen Lot, en kwamen naderbij om de deur open te breken. 10 Maar die mannen staken hun hand uit, trokken Lot tot zich naar binnen en sloten de deur. 11 En de lieden, die bij de ingang van het huis waren, sloegen zij met blindheid, van klein tot groot, zodat zij zich tevergeefs moeite gaven om de ingang te vinden. 12 Toen zeiden die mannen tot Lot: Wie hebt gij hier nog meer? Schoonzoons, of uw zonen, uw dochters, of wie gij ook in de stad hebt, voer hen uit deze plaats, 13 want wij gaan deze plaats verwoesten; want groot is het geroep over haar voor de Here; daarom heeft de Here ons gezonden om haar te verwoesten. 14 Toen ging Lot heen en sprak tot zijn schoonzoons, die met zijn dochters zouden trouwen, en zeide: Staat op, verlaat deze plaats, want de Here gaat de stad verwoesten. Maar hij was in de ogen van zijn schoonzoons als iemand, die schertste. 15 Toen de dageraad gekomen was, drongen de engelen bij Lot op spoed aan en zeiden: Sta op, neem uw vrouw en uw beide dochters, die zich hier bevinden, opdat gij niet vanwege de ongerechtigheid der stad verdelgd wordt. 16 En toen hij talmde, grepen de mannen hem en zijn vrouw en zijn beide dochters bij de hand, omdat de Here hem wilde sparen, en leidden hem uit en brachten hem buiten de stad. 17 En zodra zij hen naar buiten geleid hadden, zeide een van hen: Vlucht om uws levens wil; zie niet om, en sta nergens in de Streek stil; vlucht naar het gebergte, opdat gij niet verdelgd wordt. 18 En Lot zeide tot hen: Neen toch, mijn heer. 19 Zie toch, uw knecht heeft genade gevonden in uw ogen, en gij hebt mij een grote weldaad bewezen door mij in het leven te behouden, maar ik zal niet naar het gebergte kunnen ontkomen, zonder dat het onheil mij achterhaalt en ik sterf. 20 Zie toch, gindse stad is dicht genoeg bij om daarheen de wijk te nemen; zij is maar klein; laat mij toch daarheen vluchten; zij is immers klein? Dan zal ik in het leven blijven. 21 Toen zeide hij tot hem: Zie, ik zal u ook in dit opzicht ter wille zijn, dat ik de stad, waarvan gij gesproken hebt, niet zal omkeren. 22 Haast u, vlucht daarheen, want ik zal niets kunnen doen, voordat gij daar aangekomen zijt. 23 Daarom noemt men die stad Soar. De zon was over de aarde opgegaan, toen Lot te Soar aankwam. 24 Toen liet de Here zwavel en vuur op Sodom en Gomorra regenen, van de Here, uit de hemel; 25 en Hij keerde die steden om, benevens de gehele Streek, met al de inwoners der steden en het gewas van de aardbodem. 26 Maar zijn vrouw, die achter hem liep, zag om, en werd een zoutpilaar. 27 Toen Abraham zich vroeg in de morgen begaf naar de plaats, waar hij voor de Here gestaan had, 28 en uitzag in de richting van Sodom en Gomorra en het gehele land van de Streek, zag hij, en zie, de rook van de aarde steeg op als de rook van een smeltoven. 29 Toen God de steden der Streek verwoestte, gedacht God Abraham, en Hij leidde Lot uit het midden der omkering, toen Hij de steden waarin Lot gewoond had, omkeerde.

Als u gisteren Ezechiël 161 Het woord des Heren kwam tot mij: 2 Mensenkind, doe Jeruzalem haar gruwelen kennen 3 en zeg: zo spreekt de Here Here tot Jeruzalem: gij zijt naar afkomst en geboorte uit het land der Kanaänieten; uw vader was een Amoriet en uw moeder een Hethitische. 4 Wat uw geboorte aangaat: toen gij geboren waart, werd uw navelstreng niet afgesneden en werdt gij niet tot uw reiniging met water gewassen; ook werdt gij niet met zout ingewreven noch in windsels gewikkeld. 5 Geen oog zag met ontferming op u neer om uit mededogen één dezer dingen aan u te doen, maar gij werdt weggeworpen op het veld, omdat men geen waarde hechtte aan uw leven, toen gij geboren waart. 6 Toen kwam Ik voorbij u, en Ik zag u trappelen in het bloed van uw geboorte en Ik zeide tot u, in uw bloed: leef; ja, Ik zeide tot u, in uw bloed: leef. 7 Ik deed u opgroeien als het veldgewas, gij groeidet op en werdt groot en kwaamt tot volle schoonheid; uw borsten werden vast en uw haar groeide; maar gij waart naakt en bloot. 8 Toen kwam Ik voorbij u en zag u, en zie, de tijd der liefde was voor u gekomen; Ik spreidde de slip van mijn kleed over u en bedekte uw naaktheid, Ik ging onder ede een verbond met u aan, luidt het woord van de Here Here; zo werdt gij de mijne. 9 Toen wies Ik u met water, spoelde het bloed van u af en zalfde u met olie. 10 Ik bekleedde u met een kleurig geborduurd gewaad, schoeide u met het kostbaarste leder, wond u een fijn linnen hoofddoek om en hulde u in zijde. 11 Ik tooide u met sieraden, deed armbanden aan uw armen en een keten om uw hals. 12 Ik gaf u een ring voor uw neus, oorringen voor uw oren en een sierlijke kroon op het hoofd. 13 Gij tooidet u met goud en zilver, uw kleding was fijn linnen en zijde en kleurig geborduurd gewaad. Gij at fijn meel, honig en olie, en gij werdt uitermate schoon, ja, het koningschap waardig. 14 Zo ging er een roep van u uit onder de volken vanwege uw schoonheid, want die was volmaakt, dank zij de sieraden waarmee Ik u getooid had, luidt het woord van de Here Here. 15 Maar gij hebt op uw schoonheid vertrouwd en ontucht gepleegd, trots op uw faam, en gij hebt aan iedere voorbijganger uw ontucht opgedrongen: het zou voor hem zijn. 16 Gij hebt van uw klederen genomen, de hoogten kleurig gemaakt en daarop ontucht gepleegd; nooit is zo iets voorgekomen en nooit zal het weer geschieden. 17 Ook hebt gij uw sieraden van goud en zilver, dat Ik u gegeven had, genomen en u daarvan mansbeelden gemaakt en daarmee ontucht gepleegd. 18 Gij hebt uw kleurig geborduurde gewaden genomen en hen daarin gehuld; mijn olie en mijn reukwerk hebt gij hun voorgezet. 19 De spijze die Ik u gegeven had - fijn meel, olie en honig gaf Ik u te eten - hebt gij hun tot een liefelijke reuk voorgezet. Zelfs is het zover gekomen, luidt het woord van de Here Here, 20 dat gij de zonen en dochters die gij Mij gebaard hadt, genomen en ten offer gebracht hebt, hun tot spijze. Was uw ontucht niet voldoende, 21 dat gij ook mijn zonen geslacht hebt en die hebt overgegeven door ze voor hen te verbranden? 22 Bij al uw gruwelen en uw ontucht hebt gij niet gedacht aan de dagen van uw jeugd, toen gij naakt en bloot waart en laagt te trappelen in uw bloed. 23 En na al uw boosheid - wee, wee u! luidt het woord van de Here Here - 24 hebt gij u een verhoging gebouwd en een verhevenheid op elk plein gemaakt. 25 Op elk kruispunt hebt gij uw verhevenheid gebouwd, uw schoonheid weggeschonken, u aan iedere voorbijganger schaamteloos aangeboden en veel ontucht gepleegd. 26 Ook hebt gij ontucht gepleegd met de Egyptenaren, uw wellustige naburen; veel ontucht hebt gij gepleegd, waarmee gij Mij hebt gekrenkt. 27 Maar zie, Ik heb mijn hand tegen u uitgestrekt, het u toegewezen deel verkleind en u overgegeven aan het goeddunken van wie u haten: de dochters der Filistijnen, die zich schamen over uw schandelijke levenswijze. 28 Bovendien hebt gij ontucht gepleegd met de Assyriërs, omdat gij niet te bevredigen waart; ja, gij hebt ontucht met hen gepleegd en toch zijt gij niet bevredigd geworden. 29 Eveneens hebt gij veel ontucht gepleegd met het handelsland Chaldea, maar ook daardoor werdt gij niet bevredigd. 30 Hoe werdt gij door hartstocht verteerd, luidt het woord van de Here Here, dat gij dit alles gedaan hebt, het werk van een brutale hoer, 31 dat gij uw verhoging gebouwd hebt op elk kruispunt en uw verhevenheid gemaakt op elk plein. Toch hebt gij u zelfs niet als een hoer gedragen, omdat gij het loon van een hoer versmaaddet. 32 Zo'n overspelige vrouw, die vreemden aanhaalt, terwijl zij gehuwd is! 33 Aan alle hoeren geeft men geschenken, maar gij gaaft zelf geschenken aan al uw minnaars en loktet hen daarmee om van alle kanten naar u toe te komen en ontucht met u te plegen. 34 Zo was het bij u in uw ontucht juist omgekeerd als bij andere vrouwen; want men liep u niet als hoer achterna, maar, terwijl gij zelf het loon van een hoer gaaft, werd er aan u geen gegeven. Zo was het met u juist omgekeerd. 35 Daarom, hoer, hoor het woord des Heren. 36 Zo zegt de Here Here: Omdat uw eer prijsgegeven en uw schaamte ontbloot werd bij uw ontucht met uw minnaars en met al uw gruwelijke afgoden, en om het bloed uwer zonen die gij hun gegeven hebt - 37 daarom zie, Ik ga al de minnaars die gij behaagd hebt, bijeenbrengen, allen die gij hebt liefgehad zowel als allen van wie gij een afkeer gekregen hebt: Ik zal hen van alle kanten tegen u bijeenbrengen en Ik zal uw schaamte voor hen ontbloten, zodat zij heel uw schaamte zien. 38 Ik zal u richten naar wat men met overspeelsters en bloedvergietsters pleegt te doen; Ik zal u maken tot een voorwerp van bloedige grimmigheid en naijver. 39 Ik zal u in hun macht overgeven, zij zullen uw verhoging neerhalen en uw verheven plaatsen slechten, zij zullen u uw klederen uittrekken, uw sieraden wegnemen en u naakt en bloot doen staan. 40 Zij zullen een menigte tegen u doen optrekken, die u zal stenigen en met zwaarden neerhouwen, 41 en ook uw huizen met vuur zal verbranden en gerichten aan u voltrekken ten aanschouwen van vele vrouwen. Ik zal u met de ontucht doen ophouden, en ook het loon van een hoer zult gij niet meer geven. 42 Daardoor zal Ik mijn grimmigheid tegen u tot bedaren doen komen en mijn naijver zal van u wijken; dan zal Ik tot rust komen en niet langer vertoornd zijn. 43 Omdat gij niet gedacht hebt aan de dagen van uw jeugd, maar door dit alles Mij tot toorn geprikkeld hebt, zal Ik uw wandel op uw hoofd doen neerkomen, luidt het woord van de Here Here. Want hebt gij niet naast al uw gruwelen deze schandelijke ontucht bedreven? 44 Zie, iedere spreukendichter zal over u deze spreuk gebruiken: zo moeder, zo dochter. 45 Gij zijt de dochter van uw moeder, die een afkeer had van haar man en haar zonen, gij zijt de zuster uwer zusters, die een afkeer hadden van haar mannen en zonen. Uw moeder was een Hethitische en uw vader een Amoriet. 46 Uw grote zuster was Samaria, die met haar dochters ten noorden van u woonde; en uw kleine zuster die ten zuiden van u woonde, was Sodom met haar dochters. 47 Maar gij hebt zelfs niet gewandeld in haar wegen en naar haar gruwelen gedaan; het duurde niet lang, of gij waart erger dan zij in heel uw gedrag. 48 Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here Here, voorzeker, uw zuster Sodom, samen met haar dochters, heeft niet gedaan wat gij gedaan hebt, samen met uw dochters. 49 Zie, dit was de ongerechtigheid van uw zuster Sodom: in trots, overdaad en zorgeloze rust leefde zij met haar dochters zonder de ellendige en de arme te ondersteunen. 50 Verwaten waren zij en bedreven gruwelen voor mijn aangezicht. Daarom vaagde Ik ze weg, zodra Ik het zag. 51 En Samaria heeft nog niet de helft van uw zonden bedreven; gij hebt meer gruwelen gedaan dan zij. Zo hebt gij uw zusters onschuldig doen schijnen door al de gruwelen die gij bedreven hebt. 52 Draag dan uw schande, gij die het oordeel over uw zusters gunstiger hebt doen worden; door uw zonden, waarin gij gruwelijker hebt gehandeld dan zij, zijn zij minder schuldig dan gij. Schaam u dan en draag uw schande, omdat gij uw zusters onschuldig hebt doen schijnen. 53 En Ik zal een keer brengen in haar lot, het lot van Sodom en haar dochters en het lot van Samaria en haar dochters; en tevens zal Ik een keer brengen in uw lot, 54 opdat gij uw schande draagt en u beschaamd gevoelt over alles wat gij gedaan hebt, waardoor gij haar troost hebt verschaft. 55 Uw zusters, Sodom en haar dochters, zullen terugkeren tot haar vorige staat; Samaria en haar dochters zullen terugkeren tot haar vorige staat; en gij en uw dochters zult eveneens terugkeren tot uw vorige staat. 56 Evenals de naam van uw zuster Sodom nooit over uw lippen kwam ten dage van uw trots, 57 voordat uw verdorvenheid openbaar werd, zo is het nu de tijd, waarop gij een voorwerp van smaad zijt voor de dochters van Aram en al zijn naburen, voor de dochters der Filistijnen, die leedvermaak over u hebben, overal om u heen. 58 Uw schanddaden en uw gruwelen - gij zult ze dragen, luidt het woord des Heren. 59 Want, zo zegt de Here Here: Ik zal u doen, zoals gij gedaan hebt, die de eed gering hebt geacht door het verbond te verbreken. 60 Maar ik zal mijn verbond met u uit de dagen van uw jeugd gedenken, en een eeuwig verbond met u oprichten. 61 Dan zult gij terugdenken aan uw gedrag en u schamen, wanneer gij zowel uw grote als uw kleine zusters zult ontvangen, en Ik u die tot dochters geven zal, hoewel niet op grond van het met u gesloten verbond. 62 Ik zal mijn verbond met u oprichten; en gij zult weten, dat Ik de Here ben, 63 opdat gij de herinnering bewaart en u schaamt en gij wegens uw schande uw mond niet meer opendoet - wanneer Ik voor u verzoening doe voor alles wat gij gedaan hebt, luidt het woord van de Here Here. hebt gelezen, dan zag u dat de zonde van Sodom spreekwoordelijk is geworden in de Bijbel. Ook Jesaja 11 Het gezicht van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij heeft gezien over Juda en Jeruzalem in de dagen van Uzzia, Jotam, Achaz en Jechizkia, koningen van Juda. 2 Hoort, hemelen, en aarde, neig uw oor, want de Here spreekt: Ik heb kinderen grootgebracht en opgevoed, maar zij zijn van Mij afvallig geworden. 3 Een rund kent zijn eigenaar en een ezel de krib van zijn meester, maar Israël heeft geen begrip, mijn volk geen inzicht. 4 Wee het zondige volk, de natie, beladen met ongerechtigheid, het gebroed van boosdoeners, de verdorven kinderen. Zij hebben de Here verlaten, de Heilige Israëls versmaad, zich achterwaarts gewend. 5 Waar wilt gij nog meer geslagen worden, dat gij voortgaat met af te wijken? Het gehele hoofd is ziek, het gehele hart vol krankheid; 6 van de voetzool af tot de schedel is er niets gaaf; wonden, striemen en verse kwetsuren, die niet uitgedrukt zijn noch verbonden noch met olie verzacht. 7 Uw land is een woestenij; uw steden zijn met vuur verbrand; uw akker, daarvan eten vreemden voor uw ogen: een woestenij, als door vreemden onderstboven gekeerd. 8 En de dochter van Sion is achtergebleven als een hut in een wijngaard, als een nachthut in een komkommerveld, als een belegerde stad. 9 Indien de Here der heerscharen ons niet enige weinige ontkomenen had overgelaten, waren wij als Sodom geworden, aan Gomorra gelijk. 10 Hoort het woord des Heren, bestuurders van Sodom; neigt uw oor tot de onderwijzing van onze God, volk van Gomorra. 11 Waartoe dient Mij de menigte uwer slachtoffers? zegt de Here; oververzadigd ben Ik van de brandoffers van rammen en het vet van mestkalveren, en aan het bloed van stieren, schapen en bokken heb Ik geen welgevallen. 12 Wanneer gij komt om voor mijn aangezicht te verschijnen - wie heeft dit van u verlangd mijn voorhoven plat te treden? 13 Gaat niet voort met huichelachtige offers te brengen - gruwelijk reukwerk is het Mij; nieuwe maan en sabbat, het bijeenroepen der samenkomsten - Ik verdraag het niet: onrecht met feestelijke vergadering. 14 Uw nieuwemaansdagen en uw feesten haat Ik met heel mijn ziel, zij zijn Mij een last. Ik ben moede ze te dragen. 15 Wanneer gij uw handen uitbreidt, verberg Ik mijn ogen voor u; zelfs wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; uw handen zijn vol bloed. 16 Wast u, reinigt u, doet uw boze daden uit mijn ogen weg; houdt op kwaad te doen; 17 leert goed te doen, tracht naar recht, houdt de geweldenaar in toom, doet recht aan de wees, verdedigt de rechtszaak der weduwe. 18 Komt toch en laat ons tezamen richten, zegt de Here; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. 19 Als gij gewillig zijt en luistert, zult gij het goede des lands eten; 20 maar als gij weigert en weerspannig zijt, zult gij door het zwaard worden verteerd, want de mond des Heren heeft het gesproken. 21 Hoe is de getrouwe veste tot een ontuchtige geworden, zij die vervuld was van recht, en waarin gerechtigheid overnachtte, en nu - enkel moordenaars! 22 Uw zilver is met onzuivere bestanddelen vermengd, uw edele wijn is met water vervalst. 23 Uw vorsten zijn opstandelingen en metgezellen der dieven; ieder van hen is belust op geschenken en jaagt beloningen na; aan de wees doen zij geen recht en de rechtszaak der weduwe vindt bij hen geen gehoor. 24 Daarom luidt het woord van de Here, de Here der heerscharen, de Machtige Israëls: Wee, Ik zal wraak oefenen aan mijn tegenstanders en Ik wil Mij wreken op mijn vijanden; 25 Ik wil mijn hand tegen u keren en Ik zal uw slakken als met loog uitzuiveren en al uw looddelen verwijderen; 26 uw rechters zal Ik weer maken als weleer en uw raadsheren als in den beginne. Daarna zal men u noemen: stad der gerechtigheid, getrouwe veste. 27 Sion zal door recht verlost worden, en wie daaruit zich bekeren, door gerechtigheid; 28 maar er zal verplettering zijn van de overtreders en de zondaars tezamen, en wie de Here verlaten, zullen vergaan. 29 Want gij zult beschaamd worden over de terebinten die gij hebt begeerd, en gij zult schaamrood worden over de tuinen die gij verkoren hebt. 30 Want gij zult worden als een terebint waarvan het loof afvalt, en als een tuin die geen water heeft. 31 En de sterke zal tot afval van vlas worden en zijn werk tot een vonk, en zij zullen beide tezamen verbranden, zonder dat er iemand blust. spreekt er van. De verschrikkelijkheid van hun kwaad is hier getekend evenals de rechtvaardige straf daarover. Vandaag de dag is het hemels zwavel nog in het gebied rond de Dode Zee te vinden. Omwille van Abrahams gebed (vers 2929 Want gij zult beschaamd worden over de terebinten die gij hebt begeerd, en gij zult schaamrood worden over de tuinen die gij verkoren hebt.) wilde de Here Lot sparen (vers 1616 Wast u, reinigt u, doet uw boze daden uit mijn ogen weg; houdt op kwaad te doen.). De engelen leidden hem met dwang uit. Zozeer was Lot verknocht aan het aardse. Erger was het gesteld met zijn vrouw, die, hoewel ze goed en wel in Soar waren (vers 2323 Uw vorsten zijn opstandelingen en metgezellen der dieven; ieder van hen is belust op geschenken en jaagt beloningen na; aan de wees doen zij geen recht en de rechtszaak der weduwe vindt bij hen geen gehoor.) zich omkeerde. Waar haar hart was, daarnaar richtte zij zich. En dat werd haar einde. Zij is ten voorbeeld gesteld door de Here Jezus: “Denkt aan de vrouw van Lot.”

Plotseling, als een dief in de nacht, zal het oordeel Gods over deze wereld komen. En wie kan gered worden? Alleen zij, die hun hart volstrekt van deze zondige wereld aftrekken en tot Christus in de hemel opheffen. De zondvloed en de omkering van Sodom zijn tot voorbeeld. Maar hoe rechtvaardig is de Here, dat Hij de rechtvaardige redt en ontkoming biedt. Er is verlossing van de komende toorn door het geloof in Christus, die wij tot onze zaligheid verwachten.

Verder lezen: Lucas 17:20-3720 En op de vraag der Farizeeën, wanneer het Koninkrijk Gods komen zou, antwoordde Hij hun en zeide: Het Koninkrijk Gods komt niet zó, dat het te berekenen is; 21 ook zal men niet zeggen: zie, hier is het of daar! Want zie, het Koninkrijk Gods is bij u. 22 En Hij zeide tot zijn discipelen: Er zullen dagen komen, dat gij zult begeren één der dagen van de Zoon des mensen te zien en gij die niet zult zien. 23 En men zal tot u zeggen: Zie, daar is het; zie, hier is het! Gaat er niet heen, en loopt het niet na. 24 Want gelijk de bliksem flitst en van de ene kant des hemels tot de andere kant licht, zó zal de Zoon des mensen wezen op zijn dag. 25 Maar eerst moet Hij veel lijden en verworpen worden door dit geslacht. 26 En gelijk het geschiedde in de dagen van Noach, zó zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen: 27 zij aten, zij dronken, zij huwden, en zij werden ten huwelijk genomen tot op de dag, waarop Noach in de ark ging en de zondvloed kwam en allen verdelgde. 28 Op dezelfde wijze als het geschiedde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden. 29 Maar op de dag, waarop Lot uit Sodom ging, regende vuur en zwavel van de hemel en verdelgde hen allen. 30 Op dezelfde wijze zal het gaan op de dag, waarop de Zoon des mensen geopenbaard wordt. 31 Wie op die dag op het dak zal zijn, terwijl zijn huisraad in huis is, ga niet naar beneden om het te halen, en wie in het veld is evenzo, hij kere niet terug. 32 Denkt aan de vrouw van Lot! 33 Ieder, die zijn leven zal trachten te behouden, die zal het verliezen, maar ieder, die het verliezen zal, die zal het vernieuwen. 34 Ik zeg u, in die nacht zullen er twee in één bed zijn, de een zal aangenomen, de ander achtergelaten worden. 35 Twee vrouwen zullen samen bezig zijn met malen, de ene zal aangenomen, de andere achtergelaten worden. 36 [Twee zullen op het land zijn, de een zal aangenomen, de ander achtergelaten worden.] 37 En zij antwoordden en zeiden tot Hem: Waar, Here? Hij zeide tot hen: Waar het lichaam is, daar zullen ook de gieren zich verzamelen.

24 januari

Het was eerst de bedoeling dat ook Soar omgekeerd zou worden (Genesis 19:2121 Toen zeide hij tot hem: Zie, ik zal u ook in dit opzicht ter wille zijn, dat ik de stad, waarvan gij gesproken hebt, niet zal omkeren.). Dat is dus een aanwijzing dat de bevolking daar van eenzelfde slechtheid was als de bewoners van Sodom en dus durfde Lot er niet te blijven. Hij gaat in betrekkelijke eenzaamheid in een grotwoning leven. Omdat de mannen van zijn dochters waren omgekomen door de straf, komt, zoals vaker in Genesis, de moeiten rond het krijgen van kinderen naar voren. Uit vrees voor de straf, zoals die over Sodom kwam, zien de dochters van Lot het niet zitten opnieuw met dergelijke mannen zich in te laten. Maar in plaats van te denken aan verbintenis met Abrahams tent, wordt een, zacht gezegd, niet goed te keuren noodgreep door de eerstgeboren dochter bedacht en uitgevoerd. De omkering van Sodom en Gomorra heeft dus niet geleid tot reiniging van zonden op zedelijk gebied in Lots huis. Zoals na de zondvloed ook de zonde nog bleef in de mens. We moeten er van leren, dat door straffen de zondige natuur niet veranderd wordt. Herschepping van hart en denken is nodig. Opnieuw geboren worden. Dat is werk dat van boven wordt uitgevoerd door de genadige en wederbarende kracht van de Heilige Geest.

Verder lezen: Titus 3:1-71 Herinner hen eraan, dat zij zich aan overheid en gezag onderwerpen, gehoorzaam, tot alle goed werk bereid zijn, 2 geen lastertaal uiten, niet twisten, vriendelijk zijn en alle zachtmoedigheid bewijzen aan alle mensen. 3 Want vroeger waren ook wij verdwaasd, ongehoorzaam, dwalende, verslaafd aan velerlei begeerten en zingenot, levende in boosheid en nijd, hatelijk en elkander hatende. 4 Maar toen de goedertierenheid en mensenliefde van onze Heiland (en) God verscheen, 5 heeft Hij, niet om werken der gerechtigheid, die wij zouden gedaan hebben, doch naar zijn ontferming ons gered door het bad der wedergeboorte en der vernieuwing door de heilige Geest, 6 die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onze Heiland, 7 opdat wij, gerechtvaardigd door zijn genade, erfgenamen zouden worden overeenkomstig de hope des eeuwigen levens.

25 januari

Genesis 201 Abraham nu brak vandaar op naar het Zuiderland en vestigde zich tussen Kades en Sur, en vertoefde als vreemdeling in Gerar. 2 Daar Abraham van zijn vrouw Sara gezegd had: Zij is mijn zuster, liet Abimelek, de koning van Gerar, Sara weghalen. 3 Maar God kwam des nachts in een droom tot Abimelek en zeide tot hem: Zie, gij zijt een kind des doods, omdat gij die vrouw genomen hebt, want zij is gehuwd. 4 Abimelek nu was niet tot haar genaderd. En hij zeide: Here, zult Gij dan een rechtvaardig volk doden? 5 Heeft hij zelf niet tot mij gezegd: Zij is mijn zuster? En zij heeft zelf ook gezegd: Hij is mijn broeder; in onschuld mijns harten en reinheid mijner handen heb ik dit gedaan. 6 En God zeide tot hem in de droom: Ik weet ook, dat gij het in onschuld uws harten gedaan hebt, Ik heb u dan ook ervan weerhouden tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten haar aan te raken. 7 En nu breng de vrouw van deze man terug, want hij is een profeet; dan zal hij voor u bidden, opdat gij in het leven moogt blijven; maar indien gij haar niet terugbrengt, weet, dat gij voorzeker zult sterven, gij en al de uwen. 8 De volgende morgen vroeg riep Abimelek al zijn dienaren en bracht dit alles te hunner kennis, en de mannen werden zeer bevreesd. 9 Voorts riep Abimelek Abraham en zeide tot hem: Wat hebt gij ons aangedaan, en waarin heb ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en mijn koninkrijk een grote zonde hebt gebracht? Gij hebt tegenover mij dingen gedaan, die niet gedaan mochten worden. 10 Ook zeide Abimelek tot Abraham: Wat hebt gij beoogd, dat gij dit deedt? 11 Toen zeide Abraham: Ik dacht: wellicht is er geen vreze Gods in deze plaats; zij zullen mij doden om mijn vrouw. 12 En bovendien is zij werkelijk mijn zuster; zij is de dochter van mijn vader, maar niet de dochter van mijn moeder; en zij is mij tot vrouw geworden. 13 Toen God mij uit mijns vaders huis liet omzwerven, zeide ik tot haar: Dit zal de liefdedienst zijn, die gij mij bewijzen zult: zeg van mij op elke plaats, waar wij komen: hij is mijn broeder. 14 Toen nam Abimelek schapen en runderen, slaven en slavinnen, en schonk die aan Abraham, en hij gaf hem zijn vrouw Sara terug. 15 En Abimelek zeide: Zie, mijn land staat voor u open, vestig u, waar het u goeddunkt. 16 En tot Sara zeide hij: Zie, ik geef aan uw broeder duizend zilverstukken; zie, dat zal voor u de ogen bedekken van allen die bij u zijn; en gij zult gerechtvaardigd zijn, ja, in elk opzicht. 17 Toen bad Abraham tot God, en God genas Abimelek en zijn vrouw en zijn slavinnen, zodat zij baarden. 18 De Here had namelijk elke moederschoot in Abimeleks huis toegesloten ter oorzake van Sara, de vrouw van Abraham.

Deze geschiedenis lijkt bijna een kopie van die in hoofdstuk 12:10-2010 Toen er hongersnood in het land uitbrak, trok Abram naar Egypte, om daar als vreemdeling te vertoeven, want de hongersnood was zwaar in het land. 11 Toen hij op het punt stond Egypte binnen te trekken, zeide hij tot zijn vrouw Sarai: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt schoon van uiterlijk. 12 Wanneer de Egyptenaren u zien, zullen zij zeggen: Dit is zijn vrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven laten. 13 Zeg toch, dat gij mijn zuster zijt, opdat het mij om uwentwil welga, en ik om uwentwil in het leven moge blijven. 14 Zodra Abram Egypte binnentrok, zagen de Egyptenaren, dat de vrouw zeer schoon was; 15 en toen de vorsten van Farao haar zagen, roemden zij haar bij Farao, zodat de vrouw naar het huis van Farao gehaald werd. 16 En hij deed Abram wèl om harentwil, zodat hij schapen, runderen, ezels, slaven, slavinnen, ezelinnen en kamelen ontving. 17 Maar de Here sloeg Farao met zware plagen, evenals zijn huis, ter oorzake van Sarai, de vrouw van Abram. 18 Toen riep Farao Abram en zeide: Wat hebt gij mij daar aangedaan? Waarom hebt gij mij niet meegedeeld, dat zij uw vrouw is? 19 Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijn zuster, zodat ik haar mij tot vrouw genomen heb? En nu, ziehier uw vrouw, neem haar en ga heen. 20 En Farao gaf enige mannen omtrent hem opdracht, en zij deden hem, zijn vrouw en al wat hij bezat, uitgeleide. staat beschreven. Abraham en Sara handelen opnieuw overeenkomstig hun afspraak (vers 1313 Toen God mij uit mijns vaders huis liet omzwerven, zeide ik tot haar: Dit zal de liefdedienst zijn, die gij mij bewijzen zult: zeg van mij op elke plaats, waar wij komen: hij is mijn broeder.). Het feit dat zij zo’n afspraak gemaakt hadden, wijst op het kwaad dat er onder de mensen was. De afspraak van Abraham en Sara is begrijpelijk, maar Gods belofte komt erdoor in gevaar. Toch leest u geen woord van afkeuring in de Schrift over dit handelen van Abraham en Sara. Bedenk ook maar eens als u zelf in zo’n situatie komt. Alle nadruk ligt hier op het reddend optreden van de Here. Hij beschermt Sara. Hij voorkomt dat tegen Hem gezondigd wordt (vers 66 En God zeide tot hem in de droom: Ik weet ook, dat gij het in onschuld uws harten gedaan hebt, Ik heb u dan ook ervan weerhouden tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten haar aan te raken.). Hij is met zijn alom tegenwoordige kracht werkzaam om zijn beloften tot vervulling te doen komen (zie Genesis 211 De Here bezocht Sara, zoals Hij gezegd had, en de Here deed aan Sara, zoals Hij gesproken had. 2 En Sara werd zwanger, en zij baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, te bestemder tijd, waarvan God tot hem gesproken had. 3 En Abraham noemde de zoon, die hem geboren was, die Sara hem gebaard had, Isaak. 4 En Abraham besneed zijn zoon Isaak, toen hij acht dagen oud was, zoals God hem geboden had. 5 Abraham nu was honderd jaar oud, toen hem zijn zoon Isaak geboren werd. 6 En Sara zeide: God heeft gemaakt, dat ik lach; ieder die het hoort, zal om mijnentwil lachen. 7 En zij zeide: Wie had aan Abraham durven toezeggen: Sara zoogt kinderen? Want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom. 8 En het kind groeide op en werd gespeend, en Abraham richtte een grote maaltijd aan op de dag dat Isaak gespeend werd. 9 Toen zag Sara, dat de zoon van Hagar, de Egyptische, die zij Abraham gebaard had, spotte, 10 en zij zeide tot Abraham: Jaag die slavin met haar zoon weg, want de zoon van deze slavin zal niet erven met mijn zoon, met Isaak. 11 Dit nu mishaagde Abraham zeer ter wille van zijn zoon. 12 Maar God zeide tot Abraham: Laat dit niet kwaad zijn in uw ogen, om de jongen en om uw slavin; in alles wat Sara tot u zegt, moet gij naar haar luisteren, want door Isaak zal men van uw nageslacht spreken. 13 Maar ook de zoon der slavin zal Ik tot een volk stellen, omdat hij uw nakomeling is. 14 De volgende morgen vroeg nam Abraham brood en een zak water, en gaf het aan Hagar, dat leggende op haar schouder, alsook het kind, en hij zond haar weg; daarop ging zij heen en dwaalde door de woestijn van Berseba. 15 Toen het water uit de zak op was, wierp zij het kind onder één der struiken, 16 en ging op een afstand zitten, zo ver als een boogschot reikt, want zij zeide: Ik kan het sterven van het kind niet aanzien. Terwijl zij op een afstand zat, verhief zij haar stem en weende. 17 En God hoorde de stem van de jongen, en de Engel Gods riep van de hemel tot Hagar en zeide tot haar: Wat deert u, Hagar? Vrees niet, want God heeft naar de stem van de jongen gehoord, daar waar hij is. 18 Sta op, neem de jongen op, en houd hem vast met uw hand, want Ik zal hem tot een groot volk stellen. 19 Toen opende God haar ogen, en zij zag een waterput; zij ging de zak met water vullen en liet de jongen drinken. 20 En God was met de jongen en hij groeide op; hij ging in de woestijn wonen en werd een boogschutter. 21 En hij woonde in de woestijn Paran, en zijn moeder nam voor hem een vrouw uit het land Egypte. 22 In die tijd zeide Abimelek, alsook zijn legeroverste Pikol, tot Abraham: God is met u in alles wat gij doet. 23 Nu dan, zweer mij toch hier bij God, dat gij niet bedrieglijk met mij zult handelen, noch met mijn kroost, noch met mijn nageslacht; naar de vriendschap, die ik u betoond heb, zult gij mij en het land waarin gij als gast vertoeft, behandelen. 24 En Abraham zeide: Ik zweer het. 25 Maar Abraham maakte Abimelek een verwijt over een waterput, die de knechten van Abimelek zich hadden toegeëigend. 26 Daarop zeide Abimelek: Ik weet niet, wie dat gedaan heeft; ook hebt gij het mij niet meegedeeld, en ik heb het ook niet vernomen vóór vandaag. 27 Toen nam Abraham schapen en runderen en gaf ze aan Abimelek, en die beiden sloten een verbond. 28 Maar Abraham zette zeven lammeren van de schapen afzonderlijk. 29 Toen zeide Abimelek tot Abraham: Wat betekenen die zeven lammeren hier, die gij afzonderlijk gezet hebt? 30 En hij zeide: Voorzeker moet gij de zeven lammeren uit mijn hand aannemen, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik deze put gegraven heb. 31 Daarom noemt men die plaats Berseba, want die beiden hebben daar gezworen. 32 Toen zij te Berseba het verbond gesloten hadden, gingen Abimelek en zijn legeroverste Pikol heen, en keerden naar het land der Filistijnen terug. 33 En (Abraham) plantte te Berseba een tamarisk, en riep daar de naam van de Here, de eeuwige God, aan. 34 En Abraham vertoefde vele dagen als vreemdeling in het land der Filistijnen.). Hij sluit daartoe elke moederschoot van Abimelechs huis. En in de droom spreekt Hij Abimelech aan. Deze vorst, zijn naam betekent zoveel als ‘mijn vader is koning’, blijkt een zekere rechtschapenheid te hebben, zoals uit zijn woorden blijkt. Hij spreekt vrijuit tot God en gehoorzaamt Hem. Vervolgens zegent hij Abraham en zijn vrouw Sara rijkelijk en geeft hij hen vrijheid in zijn land te verblijven. Zo neigt de Here het hart van de koning om te doen wat Hem behaagt, tot Zijn eer.

Verder lezen: Spreuken 21:1-81 Het hart van de koning is in de hand des Heren als waterbeken, Hij leidt het overal heen, waar het Hem behaagt. 2 Elke weg van een mens is recht in zijn ogen, maar de Here beproeft de harten. 3 Gerechtigheid en recht doen, is de Here welgevalliger dan offers. 4 Trotsheid van ogen en opgeblazenheid van hart - de glans der goddelozen is zonde. 5 De plannen van de vlijtige strekken tot louter overvloed, maar al wie overijlt, komt slechts tot gebrek. 6 Schatten verwerven met bedrieglijke tong is een verwaaiende nevel, dodelijke valstrikken. 7 De gewelddaad der goddelozen sleurt hen mee, want zij weigeren recht te doen. 8 Kronkelend is de weg van de bedrieger, maar een eerlijk man is recht in zijn doen.

26 januari

Dit is het evangelie van de lach. Het evangelie van de uitzonderlijk grote blijdschap over de geboorte van de beloofde zoon. Een blijdschap die nooit vergaat. Want het is blijdschap om wat de Here heeft gedaan tot vervulling van Zijn belofte. Wat geen mens voor mogelijk houdt, heeft de Here bewerkt. Zijn belofte, dat Abraham en Sara een eigen zoon zouden krijgen, is voor de mens niet met zijn verstand te beredeneren. Zijn belofte moet geloofd worden. En dat gaat tegen het beperkte denken van ons menselijk verstand in. We moeten ons vlees kruisigen, en, door Gods Geest geleid, aanvaarden, dat de Here langs wegen gaat die hoger zijn dan de onze. En als wij alleen geloven zonder dat we het zien, en volkomen vertrouwen op Hem, dan blijkt hoe heerlijk Hij Zijn beloften vervult. Hij schept leven uit de doden. Verstorven lichamen maakt Hij levend en doet nieuw leven geboren worden.

Ook vandaag moeten we niet stilstaan bij wat voor ons onmogelijk lijkt. De Here zal zijn beloften vervullen. Zoals Zijn Zoon werd geboren langs ongedachte wegen en heel onze schuld heeft gedragen. Dankzij Christus is er de belofte van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Het enige wat nodig is, is geloof!

Verder lezen: Johannes 8:48-5948 De Joden antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet terecht, dat Gij een Samaritaan zijt en bezeten zijt? 49 Jezus antwoordde: Ik ben niet bezeten, maar Ik eer mijn Vader, en gij onteert Mij. 50 Maar Ik zoek niet mijn eer; Eén is er, die haar zoekt en die oordeelt. 51 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien iemand mijn woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen. 52 De Joden zeiden tot Hem: Nu weten wij, dat Gij bezeten zijt. Abraham is gestorven en ook de profeten, en Gij zegt: indien iemand mijn woord bewaard heeft, zal hij de dood in eeuwigheid niet smaken. 53 Gij zijt toch niet meer dan onze vader Abraham, die gestorven is? Ook de profeten zijn gestorven; voor wie houdt Gij Uzelf? 54 Jezus antwoordde: Als Ik Mijzelf eer, betekent mijn eer niets; mijn Vader is het, die Mij eert, van wie gij zegt: Hij is onze God, 55 en gij kent Hem niet, maar Ik ken Hem. En indien Ik zeide: Ik ken Hem niet, dan zou Ik u gelijk zijn, een leugenaar; doch Ik ken Hem en zijn woord bewaar Ik. 56 Uw vader Abraham heeft zich erop verheugd mijn dag te zien en hij heeft die gezien en zich verblijd. 57 De Joden dan zeiden tot Hem: Gij zijt nog geen vijftig jaar en hebt Gij Abraham gezien? 58 Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Eer Abraham was, ben Ik. 59 Zij namen dan stenen op om naar Hem te werpen; maar Jezus verborg Zich en verliet de tempel.

27 januari

Genesis 21:8-218 En het kind groeide op en werd gespeend, en Abraham richtte een grote maaltijd aan op de dag dat Isaak gespeend werd. 9 Toen zag Sara, dat de zoon van Hagar, de Egyptische, die zij Abraham gebaard had, spotte, 10 en zij zeide tot Abraham: Jaag die slavin met haar zoon weg, want de zoon van deze slavin zal niet erven met mijn zoon, met Isaak. 11 Dit nu mishaagde Abraham zeer ter wille van zijn zoon. 12 Maar God zeide tot Abraham: Laat dit niet kwaad zijn in uw ogen, om de jongen en om uw slavin; in alles wat Sara tot u zegt, moet gij naar haar luisteren, want door Isaak zal men van uw nageslacht spreken. 13 Maar ook de zoon der slavin zal Ik tot een volk stellen, omdat hij uw nakomeling is. 14 De volgende morgen vroeg nam Abraham brood en een zak water, en gaf het aan Hagar, dat leggende op haar schouder, alsook het kind, en hij zond haar weg; daarop ging zij heen en dwaalde door de woestijn van Berseba. 15 Toen het water uit de zak op was, wierp zij het kind onder één der struiken, 16 en ging op een afstand zitten, zo ver als een boogschot reikt, want zij zeide: Ik kan het sterven van het kind niet aanzien. Terwijl zij op een afstand zat, verhief zij haar stem en weende. 17 En God hoorde de stem van de jongen, en de Engel Gods riep van de hemel tot Hagar en zeide tot haar: Wat deert u, Hagar? Vrees niet, want God heeft naar de stem van de jongen gehoord, daar waar hij is. 18 Sta op, neem de jongen op, en houd hem vast met uw hand, want Ik zal hem tot een groot volk stellen. 19 Toen opende God haar ogen, en zij zag een waterput; zij ging de zak met water vullen en liet de jongen drinken. 20 En God was met de jongen en hij groeide op; hij ging in de woestijn wonen en werd een boogschutter. 21 En hij woonde in de woestijn Paran, en zijn moeder nam voor hem een vrouw uit het land Egypte.

Groot was het feest dat Abraham verzorgde voor Isaak. De gevaarlijke eerste jaren van het leven was Isaak doorgekomen en hij was bewaard. Ook hier bleek de Here trouw voor de verwerkelijking van Zijn belofte te zorgen. Het was immers Zijn Woord geweest dat Hij met Isaak Zijn verbond zou oprichten, en met diens nageslacht (Genesis 17:1919 Maar God zeide: Neen, maar uw vrouw Sara zal u een zoon baren, en gij zult hem Isaak noemen, en Ik zal mijn verbond met hem oprichten tot een eeuwig verbond, voor zijn nageslacht.). Alles is hier uit Gods belovend spreken. Dus is ook de blijdschap groot als Isaak groter wordt. Maar het vlees heeft daar geen boodschap aan. Ismaël, naar het vlees geboren, bespot de liefde voor Isaak. Hij staat tegen Isaak op en vervolgt hem. En dat is vandaag niet anders (Galaten 4:2929 Maar zoals destijds hij, die naar het vlees verwekt was, hem, die naar de geest verwekt was, vervolgde, zo ook nu.). De vrije genade van God waarvan de vrije kerk leeft, staat tegenover de aan haar wetten gebonden ‘kerk’ die het van eigen werken moet hebben. Die, aan wetten gebonden ‘kerk’, brengt slaven voort. Mensen die alleen maar uitwendige godsdienst kennen. Het hemels Jeruzalem waar wij burgers van zijn, brengt kinderen Gods voort, door het Woord van Gods verkiezende genade. Dat is door de leer van Christus, de beloofde Zoon van Abraham, die via Isaak is geboren. Uit Gods zuivere beloftewoord alleen is er leven. Maar niet iedereen vat dit. Ook dat, is een kwestie van genade.

Verder lezen: Romeinen 9-11 Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet, want mijn geweten betuigt mij dit mede door de heilige Geest: 2 ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer. 3 Want zelf zou ik wel wensen van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees; 4 immers, zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften: 5 hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen. 6 Maar het is niet mogelijk, dat het woord Gods zou vervallen zijn. Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël, 7 en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham zijn, maar: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken. 8 Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der belofte gelden voor nageslacht. 9 Want er ligt een belofte in dit woord: omstreeks deze tijd zal Ik komen en Sara zal een zoon hebben. 10 Maar dit niet alleen; daar is ook Rebekka, bevrucht van één man, onze vader Isaak. 11 Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan - opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep, - 12 werd tot haar gezegd: De oudste zal de jongste dienstbaar zijn, 13 gelijk geschreven staat: Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat. 14 Wat zullen wij dan zeggen: Zou er onrechtvaardigheid zijn bij God? Volstrekt niet! 15 Want Hij zegt tot Mozes: Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen, en jegens wie Ik barmhartig ben, zal Ik barmhartig zijn. 16 Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt. 17 Want het schriftwoord zegt tot Farao: Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn kracht zou tonen en mijn naam verbreid zou worden over de gehele aarde. 18 Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil. 19 Gij zult nu tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie wederstaat zijn wil? 20 Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt? 21 Of heeft de pottebakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik? 22 En als God nu, zijn toorn willende tonen en zijn kracht bekend maken, de voorwerpen des toorns, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft - 23 juist om de rijkdom zijner heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid? 24 En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen, 25 gelijk Hij ook bij Hosea zegt: Ik zal niet-mijn-volk noemen: mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde. 26 En het zal geschieden ter plaatse, waar [tot hen] gezegd was: gij zijt mijn volk niet, daar zullen zij genoemd worden: zonen van de levende God. 27 En Jesaja roept over Israël uit: Al was het getal der kinderen Israëls als het zand der zee, het overschot zal behouden worden; 28 want wat Hij gesproken heeft, zal de Here doen op de aarde, volledig en snel. 29 En gelijk Jesaja tevoren gezegd had: Indien de Here Sebaot ons geen zaad overgelaten had, als Sodom zouden wij geworden zijn en aan Gomorra zouden wij gelijk gemaakt zijn. 30 Wat zullen wij dan zeggen? Dit: heidenen, die geen gerechtigheid najaagden, hebben gerechtigheid verkregen, namelijk gerechtigheid, die uit geloof is; 31 doch Israël, hoewel het een wet ter gerechtigheid najaagde, is aan de wet niet toegekomen. 32 Waarom niet? Omdat het hierbij niet uitging van geloof, maar van vermeende werken. Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots, 33 gelijk geschreven staat: Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. 1 Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn. 2 Want de wet van de Geest des levens heeft u in Christus Jezus vrijgemaakt, van de wet der zonde en des doods. 3 Want wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees - God heeft, door zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat der zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees, 4 opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest. 5 Want zij, die naar het vlees zijn, hebben de gezindheid van het vlees, en zij, die naar de Geest zijn, hebben de gezindheid van de Geest. 6 Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de Geest is leven en vrede. 7 Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods; trouwens, het kan dat ook niet: 8 zij, die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen. 9 Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe. 10 Indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid. 11 En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont. 12 Derhalve, broeders, zijn wij schuldenaars, maar niet van het vlees, om naar het vlees te leven. 13 Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven. 14 Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods. 15 Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. 16 Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn. 17 Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking. 18 Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden. 19 Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods. 20 Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om (de wil van) Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, 21 in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. 22 Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is. 23 En niet alleen zij, maar ook wij zelf, [wij,] die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam. 24 Want in die hoop zijn wij behouden. Maar hoop, die gezien wordt, is geen hoop, want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet? 25 Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding. 26 En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. 27 En Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij namelijk naar de wil van God voor heiligen pleit. 28 Wij weten nu, dat [God] alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. 29 Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; 30 en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt. 31 Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn? 32 Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken? 33 Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt; 34 wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit. 35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard? 36 Gelijk geschreven staat: Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen. 37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad. 38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, 39 noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here. 1 Of weet gij niet, broeders, - ik spreek immers tot wie de wet kennen - dat de wet heerschappij voert over de mens, zolang hij leeft? 2 Want de gehuwde vrouw is door de wet aan haar man gebonden, zolang deze leeft; wanneer echter de man sterft, is zij ontslagen van de wet, die haar aan die man bond. 3 Zo zal zij dan, indien zij bij het leven van haar man een ander tot man neemt, echtbreekster heten; wanneer echter de man sterft, is zij vrij van de wet, zodat zij geen echtbreekster is, indien zij zich aan een andere man geeft. 4 Bijgevolg, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de wet door het lichaam van Christus om het eigendom te worden van een ander, van Hem, die uit de doden opgewekt is, opdat wij Gode vrucht zouden dragen. 5 Want toen wij in het vlees waren, werkten de zondige hartstochten, die door de wet geprikkeld worden, in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen; 6 maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter. 7 Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen, tenzij door de wet; immers, ook van de begeerlijkheid zou ik niet geweten hebben, indien de wet niet zeide: gij zult niet begeren. 8 Maar uitgaande van het gebod, wekte de zonde in mij allerlei begeerlijkheid op; want zonder wet is de zonde dood. 9 Ik heb eertijds geleefd zonder wet; toen echter het gebod kwam, begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven, 10 en het gebod dat ten leven moest leiden, bleek voor mij juist ten dode te zijn; 11 want de zonde heeft uitgaande van het gebod, mij misleid en door middel daarvan gedood. 12 Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed. 13 Is dan het goede mijn dood geworden? Volstrekt niet! Maar de zonde heeft, opdat zij zou blijken zonde te zijn, door het goede mijn dood bewerkt, opdat de zonde bij uitstek zondig zou worden door het gebod. 14 Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde. 15 Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik. 16 Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet goed is. 17 Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. 18 Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet. 19 Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dát doe ik. 20 Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ík het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. 21 Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig; 22 want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods, 23 maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is. 24 Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? 25 Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here! 26 Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de wet Gods, maar met mijn vlees aan de wet der zonde. 1 Wat zullen wij dan zeggen? Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme? 2 Volstrekt niet! Immers, hoe zullen wij, die der zonde gestorven zijn, daarin nog leven? 3 Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn? 4 Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen. 5 Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn (met hetgeen gelijk is) aan zijn opstanding; 6 dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn; 7 want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde. 8 Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven, 9 daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft: de dood voert geen heerschappij meer over Hem. 10 Want wat zijn dood betreft, is Hij voor de zonde eens voor altijd gestorven; wat zijn leven betreft, leeft Hij voor God. 11 Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wèl dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus. 12 Laat dan de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam, zodat gij aan zijn begeerten zoudt gehoorzamen, 13 en stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God, als mensen, die dood zijn geweest, maar thans leven, en stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God. 14 Immers, de zonde zal over u geen heerschappij voeren, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade. 15 Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet onder de wet, maar onder de genade zijn? Volstrekt niet! 16 Weet gij niet, dat gij hem, in wiens dienst gij u stelt als slaven ter gehoorzaamheid, ook moet gehoorzamen als slaven, hetzij dan van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid? 17 Maar Gode zij dank: gij wáárt slaven der zonde, doch gij zijt van harte gehoorzaam geworden aan die vorm van onderricht, die u overgeleverd is; 18 en, vrijgemaakt van de zonde, zijt gij in dienst gekomen van de gerechtigheid. 19 Ik zeg dit van menselijk standpunt om de zwakheid van uw vlees. Want gelijk gij uw leden gesteld hebt ten dienste van de onreinheid en van de wetteloosheid tot wetteloosheid, zo stelt nu uw leden ten dienste van de gerechtigheid tot heiliging. 20 Want toen gij slaven waart der zonde, waart gij vrij van de gerechtigheid. 21 Wat voor vrucht hadt gij toen? Dingen, waarover gij u nu schaamt; immers, het einde daarvan is de dood. 22 Maar thans, vrijgemaakt van de zonde en in de dienst van God gekomen, hebt gij tot vrucht uw heiliging en als einde het eeuwige leven. 23 Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here. 1 Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, 2 door wie wij ook de toegang hebben verkregen [in het geloof] tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods. 3 En niet alleen (hierin), maar wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt, 4 en de volharding beproefdheid, en de beproefdheid hoop; 5 en de hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de heilige Geest, die ons gegeven is, 6 zo zeker als Christus, toen wij nog zwak waren, te zijner tijd voor goddelozen is gestorven. 7 Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven - maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede te sterven - 8 God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is. 9 Veel meer zullen wij derhalve, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn. 10 Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood zijns Zoons, zullen wij veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden worden, doordat Hij leeft; 11 en dát niet alleen, maar wij roemen zelfs in God door onze Here Jezus [Christus], door wie wij nu de verzoening ontvangen hebben. 12 Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben; 13 want reeds vóór de wet was er zonde in de wereld. Maar zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is. 14 Toch heeft de dood als koning geheerst van Adam tot Mozes, ook over hen, die niet gezondigd hadden op een gelijke wijze als Adam overtrad, die een beeld is van de komende. 15 Maar het is met de genadegave niet zo als met de overtreding; want, indien door de overtreding van die ene zeer velen gestorven zijn, veel meer is de genade Gods en de gave, bestaande in de genade van de ene mens, Jezus Christus, voor zeer velen overvloedig geworden. 16 En het is met het geschenk niet zo als door het zondigen van één; want het oordeel leidde van één overtreding tot veroordeling, maar de genadegave van vele overtredingen tot rechtvaardiging. 17 Want, indien door de overtreding van de ene de dood als koning is gaan heersen door die ene, veel meer zullen zij, die de overvloed van genade en van de gave der gerechtigheid ontvangen, leven en als koningen heersen door de ene, Jezus Christus. 18 Derhalve, gelijk het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven. 19 Want, gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens zeer velen zondaren geworden zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één zeer velen rechtvaardigen worden. 20 Maar de wet is er bijgekomen, zodat de overtreding toenam; waar evenwel de zonde toenam, is de genade meer dan overvloedig geworden, 21 opdat, gelijk de zonde als koning heerste in de dood, zo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid ten eeuwigen leven door Jezus Christus, onze Here. 1 Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze voorvader naar het vlees, verkregen heeft? 2 Want indien Abraham uit werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God. 3 Want wat zegt het schriftwoord? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. 4 Nu wordt hem die werkt, het loon niet toegerekend uit genade, maar krachtens verplichting. 5 Hem echter, die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid, 6 gelijk ook David de mens zalig spreekt, aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken: 7 Zalig zij, wier ongerechtigheden vergeven en wier zonden bedekt zijn. 8 Zalig de man, wiens zonde de Here geenszins zal toerekenen. 9 Geldt deze zaligspreking dan de besnedene of ook de onbesnedene? Wij zeggen immers: Het geloof werd Abraham tot gerechtigheid gerekend. 10 Hoe werd het hem dan toegerekend? Was hij toen besneden of onbesneden? Niet besneden, maar onbesneden. 11 En het teken der besnijdenis ontving hij als het zegel der gerechtigheid van dat geloof, dat hij in zijn onbesneden staat bezat. Zo kon hij een vader zijn van alle onbesneden gelovigen, opdat hun [de] gerechtigheid zou worden toegerekend, 12 en een vader van de besnedenen, voor hen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook treden in het voetspoor van het geloof, dat onze vader Abraham in zijn onbesneden staat bezat. 13 Want niet door de wet had Abraham of zijn nageslacht de belofte, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door gerechtigheid des geloofs. 14 Want indien zij, die het van de wet verwachten, erfgenamen zijn, dan is het geloof zonder inhoud en de belofte zonder gevolg. 15 De wet immers bewerkt toorn; waar echter geen wet is, is ook geen overtreding. 16 Daarom is het (alles) uit geloof, opdat het zou zijn naar genade, en dus de belofte zou gelden voor al het nageslacht, niet alleen voor wie uit de wet, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is, 17 gelijk geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld - voor het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept. 18 En hij heeft tegen hoop op hoop geloofd, dat hij een vader van vele volken zou worden, volgens hetgeen gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn. 19 En zonder te verflauwen in het geloof heeft hij opgemerkt, dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara's moederschoot was gestorven; 20 maar aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode eer, 21 in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen. 22 Daarom [ook] werd het hem gerekend tot gerechtigheid. 23 Echter niet om zijnentwil alleen werd geschreven: het werd hem toegerekend, 24 maar ook om onzentwil, wie het zal worden toegerekend, ons, die ons geloof vestigen op Hem, die Jezus, onze Here, uit de doden opgewekt heeft, 25 die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging. 1 Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis? 2 Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats [toch] dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd. 3 Wat toch is het geval? Als sommigen ontrouw geworden zijn, zal dan hun ontrouw de trouw Gods tenietdoen? 4 Volstrekt niet! Maar het blijve: God waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden, en overwint in uw rechtsgedingen. 5 Maar indien onze onrechtvaardigheid Gods rechtvaardigheid staaft, wat zullen wij dan zeggen? Is God, die zijn toorn doet voelen - ik spreek op menselijke wijze - soms onrechtvaardig? 6 Volstrekt niet! Hoe zal God anders de wereld oordelen? 7 Maar, indien de waarachtigheid Gods door mijn leugen des te overvloediger is gebleken tot zijn heerlijkheid, waarom word ik dan nog als zondaar geoordeeld? 8 Het is toch niet, zoals men van ons lastert en sommigen ons laten zeggen: Laten wij het kwade doen, opdat het goede eruit voortkome? Het oordeel over dezen is welverdiend. 9 Wat dan? Worden anderen boven ons gesteld? In geen enkel opzicht; wij hebben immers tevoren Joden zowel als Grieken beschuldigd, dat zij allen onder de zonde zijn, 10 gelijk geschreven staat: Niemand is rechtvaardig, ook niet één, 11 er is niemand, die verstandig is, niemand, die God ernstig zoekt; 12 allen zijn afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één. 13 Hun keel is een open graf, met hun tong plegen zij bedrog, addergif is onder hun lippen; 14 hun mond is van vloek en bitterheid vol; 15 Snel zijn hun voeten om bloed te vergieten, 16 verwoesting en ellende zijn op hun wegen, 17 en de weg des vredes kennen zij niet. 18 De vreze Gods staat hun niet voor ogen. 19 Nu weten wij, dat de wet, bij al wat zij zegt, tot hén spreekt, die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt en de gehele wereld strafwaardig worde voor God, 20 daarom, dat uit werken der wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd zal worden, want wet doet zonde kennen. 21 Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, 22 en wel gerechtigheid Gods door het geloof in [Jezus] Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid. 23 Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, 24 en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. 25 Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden - 26 om zijn rechtvaardigheid te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is. 27 Waar blijft het roemen dan? Het is uitgesloten. Door welke wet? Der werken? Neen, maar door de wet van geloof. 28 Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet. 29 Of is God alleen de God der Joden? Niet ook der heidenen? Zeker, ook der heidenen. 30 Indien er namelijk één God is, die de besnedenen rechtvaardigen zal uit het geloof en de onbesnedenen door het geloof. 31 Stellen wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de wet. 1 Daarom zijt gij, o mens, wie gij ook zijt, niet te verontschuldigen, wanneer gij oordeelt. Want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf; want gij, die oordeelt, bedrijft dezelfde dingen. 2 Wij weten echter, dat het oordeel Gods onpartijdig gaat over hen, die zulke dingen bedrijven. 3 Rekent gij wellicht hierop, o mens, die oordeelt over hen, die zulke dingen bedrijven, en ze zelf doet, dat gij het oordeel Gods ontgaan zult? 4 Of veracht gij de rijkdom van zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, en beseft gij niet, dat de goedertierenheid Gods u tot boetvaardigheid leidt? 5 Maar in uw weerbarstigheid en onboetvaardigheid van hart hoopt gij u toorn op tegen de dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods, 6 die een ieder vergelden zal naar zijn werken: 7 hun, die, in het goeddoen volhardende, heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven; 8 maar hun, die zichzelf zoeken, der waarheid ongehoorzaam en der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, wacht toorn en gramschap. 9 Verdrukking en benauwdheid (zal komen) over ieder levend mens, die het kwade bewerkt, eerst de Jood en ook de Griek; 10 maar heerlijkheid, eer en vrede over ieder, die het goede werkt, eerst de Jood en ook de Griek. 11 Want er is geen aanzien des persoons bij God. 12 Want allen, die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en allen, die onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden; 13 want niet de hoorders der wet zijn rechtvaardig bij God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden. 14 Wanneer toch heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet gebiedt, dan zijn dezen, ofschoon zonder wet, zichzelf tot wet; 15 immers, zij tonen, dat het werk der wet in hun harten geschreven is, terwijl hun geweten medegetuigt en hun gedachten elkander onderling aanklagen of ook verontschuldigen, 16 ten dage, dat God het in de mensen verborgene oordeelt volgens mijn evangelie, door Christus Jezus. 17 Indien gij u dan Jood laat noemen, steunt op de wet, u beroemt op God, 18 zijn wil kent, weet te onderscheiden waarop het aankomt, daar gij onderricht in de wet geniet, 19 en u overtuigd houdt, dat gij een leidsman van blinden zijt, een licht voor hen, die in duisternis zijn, 20 een opvoeder van onverstandigen en een leermeester van onmondigen, daar gij in de wet de belichaming der kennis en der waarheid bezit, - 21 hoe nu, gij, die een ander onderwijst, onderwijst gij uzelf niet? Gij, die predikt, dat men niet stelen mag, steelt gij? 22 Die overspel verbiedt, doet gij overspel? Die gruwt van de afgoden, pleegt gij tempelroof? 23 Die u op de wet beroemt, onteert gij God door uw overtreden van de wet? 24 Want de naam Gods wordt om u gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven staat. 25 Want besneden te zijn heeft wel betekenis, indien gij de wet volbrengt, maar indien gij een overtreder van de wet zijt, is uw besnijdenis tot onbesnedenheid geworden. 26 Zal dan, indien de onbesnedene de eisen der wet in acht neemt, zijn onbesnedenheid niet voor besnijdenis gelden? 27 Dan zal de van nature onbesnedene, doordat hij de wet volbrengt, u oordelen, die, hoewel in het bezit van letter en besnijdenis, een overtreder van de wet zijt. 28 Want niet híj is een Jood, die het uiterlijk is, en niet dát is besnijdenis, wat uiterlijk, aan het vlees, geschiedt, 29 maar híj is een Jood, die het in het verborgen is, en de (ware) besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter. Dan komt zijn lof niet van mensen, maar van God. 1 Paulus, een dienstknecht van Christus Jezus, een geroepen apostel, afgezonderd tot verkondiging van het evangelie van God, 2 dat Hij tevoren door zijn profeten beloofd had in de heilige Schriften - 3 aangaande zijn Zoon, gesproten uit het geslacht van David naar het vlees, 4 naar de geest der heiligheid door zijn opstanding uit de doden verklaard Gods Zoon te zijn in kracht, Jezus Christus, onze Here - 5 door wie wij genade en het apostelschap ontvangen hebben om gehoorzaamheid des geloofs te bewerken voor zijn naam onder al de heidenen, 6 tot welke ook gij behoort, geroepenen van Jezus Christus - 7 aan alle geliefden Gods, geroepen heiligen, die te Rome zijn: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus. 8 In de eerste plaats dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen, omdat in de gehele wereld van uw geloof gesproken wordt. 9 Want God, die ik met mijn geest dien in het evangelie van zijn Zoon, is mijn getuige, hoe ik onophoudelijk te allen tijde bij mijn gebeden uwer gedenk, 10 biddende, of mij eindelijk door de wil van God eens een weg gebaand moge worden om tot u te komen. 11 Want ik verlang u te zien om u enige geestelijke gave mede te delen tot uw versterking, 12 dat is te zeggen: onder u mede bemoedigd te worden door elkanders geloof, van u zowel als van mij. 13 Doch ik stel er prijs op, broeders, dat gij weet, dat ik dikwijls het voornemen heb opgevat tot u te komen - waarin ik tot nu toe verhinderd ben - om ook onder u enige vrucht te hebben, evenals onder de andere heidenen. 14 Van Grieken en niet-Grieken, van wijzen en onwetenden ben ik een schuldenaar. 15 Vandaar mijn bereidheid om ook u te Rome het evangelie te brengen. 16 Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek. 17 Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven. 18 Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, 19 daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. 20 Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben. 21 Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister geworden in hun onverstandig hart. 22 Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden, 23 en zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren. 24 Daarom heeft God hen in hun hartstochten overgegeven aan onreinheid, zodat bij hen het lichaam onteerd wordt. 25 Zij immers hadden de waarheid Gods vervangen door de leugen en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen. 26 Daarom heeft God hen overgegeven aan schandelijke lusten, want hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke. 27 Eveneens hebben de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven, en zijn in wellust voor elkander ontbrand, als mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende en daardoor het welverdiende loon voor hun afdwaling in zichzelf ontvangende. 28 En daar zij het verwerpelijk achtten God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan een verwerpelijk denken om te doen wat niet betaamt: 29 vervuld van allerlei onrechtvaardigheid, boosheid, hebzucht en slechtheid, vol nijd, moord, twist, list en kwaadaardigheid; 30 oorblazers, lasteraars, haters van God, verwatenen, overmoedigen, grootsprekers, vindingrijk in het kwaad, hun ouders ongehoorzaam; 31 onverstandig, onbestendig, zonder hart of barmhartigheid. 32 Immers, hoewel zij de rechtseis van God kenden, namelijk, dat zij, die zulke dingen bedrijven, de dood verdienen, doen zij ze niet alleen zelf, maar schenken ook nog hun bijval aan wie ze bedrijven.-9

28 januari

Genesis 21:22-3422 In die tijd zeide Abimelek, alsook zijn legeroverste Pikol, tot Abraham: God is met u in alles wat gij doet. 23 Nu dan, zweer mij toch hier bij God, dat gij niet bedrieglijk met mij zult handelen, noch met mijn kroost, noch met mijn nageslacht; naar de vriendschap, die ik u betoond heb, zult gij mij en het land waarin gij als gast vertoeft, behandelen. 24 En Abraham zeide: Ik zweer het. 25 Maar Abraham maakte Abimelek een verwijt over een waterput, die de knechten van Abimelek zich hadden toegeëigend. 26 Daarop zeide Abimelek: Ik weet niet, wie dat gedaan heeft; ook hebt gij het mij niet meegedeeld, en ik heb het ook niet vernomen vóór vandaag. 27 Toen nam Abraham schapen en runderen en gaf ze aan Abimelek, en die beiden sloten een verbond. 28 Maar Abraham zette zeven lammeren van de schapen afzonderlijk. 29 Toen zeide Abimelek tot Abraham: Wat betekenen die zeven lammeren hier, die gij afzonderlijk gezet hebt? 30 En hij zeide: Voorzeker moet gij de zeven lammeren uit mijn hand aannemen, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik deze put gegraven heb. 31 Daarom noemt men die plaats Berseba, want die beiden hebben daar gezworen. 32 Toen zij te Berseba het verbond gesloten hadden, gingen Abimelek en zijn legeroverste Pikol heen, en keerden naar het land der Filistijnen terug. 33 En (Abraham) plantte te Berseba een tamarisk, en riep daar de naam van de Here, de eeuwige God, aan. 34 En Abraham vertoefde vele dagen als vreemdeling in het land der Filistijnen.

Het zat Abimelech blijkbaar niet lekker dat God Abraham zo zegende. Tenminste, hij vreesde gevaar voor de toekomst, en daarom besluit hij met Abraham een verbond te sluiten. Abraham sluit dit verbond, maar komt ook iets aan de kaak stellen. Nu niet angst voor wat Abimelech zou kunnen doen (hoofdstuk 20) maar er is een feitelijke misdaad van Abimelechs knechten. De zaak wordt wijs opgelost door Abraham en de zegen van de HERE is over hem, want lange tijd kan hij als vreemde bij de Filistijnen wonen. Een verbond sluiten, ook met hen die niet in Gods verbond zijn opgenomen, is dus niet een verboden aangelegenheid of negeren van de antithese. Het is een manier om het leven op aarde voortgang te doen hebben in vrede, zodat Gods dienst voort gaat. Zoals Abraham doet. Hij plantte een Tamarisk en riep de naam van de HERE, de eeuwige God aan. Dit is zo schoon aan het geloof van Abraham. Hij dient en eert de Here God om diens trouwe gunst. In het geloof mag u steeds Gods bewaring en leiding opmerken en steeds weer de Here danken om de vrede die Hij schenkt. De vrede in het leven op aarde, als vreemdeling. En daarboven, de vrede die alle verstand te boven gaat. De hemelse vrede van Christus.

Verder lezen: Filippenzen 4:4-94 Verblijdt u in de Here te allen tijde! Wederom zal ik zeggen: Verblijdt u! 5 Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend. De Here is nabij. 6 Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God. 7 En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus. 8 Voorts, broeders, al wat waar, al wat waardig, al wat rechtvaardig is, al wat rein, al wat beminnelijk, al wat welluidend is, al wat deugd heet en lof verdient, bedenkt dat; 9 wat u geleerd en overgeleverd is, wat gij van mij gehoord en gezien hebt, breng dat in toepassing en de God des vredes zal met u zijn.

29 januari

Genesis 22:1-191 Hierna gebeurde het, dat God Abraham op de proef stelde. Hij zeide tot hem: Abraham, en deze zeide: Hier ben ik. 2 En Hij zeide: Neem toch uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Isaak, en ga naar het land Moria, en offer hem daar tot een brandoffer op een der bergen, die Ik u noemen zal. 3 Toen stond Abraham des morgens vroeg op, zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn knechten met zich, benevens zijn zoon Isaak; hij kloofde hout voor het brandoffer, begaf zich op weg en ging naar de plaats, die God hem genoemd had. 4 Toen Abraham op de derde dag zijn ogen opsloeg, zag hij die plaats in de verte. 5 En Abraham zeide tot zijn knechten: Blijft gij hier met de ezel, terwijl ik en de jongen daarginds heengaan; wanneer we hebben aangebeden, zullen wij tot u terugkeren. 6 Toen nam Abraham het hout voor het brandoffer, legde het op zijn zoon Isaak, en nam vuur en een mes met zich mede. Zo gingen die beiden tezamen. 7 Toen sprak Isaak tot zijn vader Abraham en zeide: Mijn vader, en deze zeide: Hier ben ik, mijn zoon. En hij zeide: Hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam ten brandoffer? 8 En Abraham zeide: God zal Zichzelf voorzien van een lam ten brandoffer, mijn zoon. Zo gingen die beiden tezamen. 9 Toen zij aan de plaats die God hem genoemd had, gekomen waren, bouwde Abraham daar een altaar, schikte het hout, bond zijn zoon Isaak en legde hem op het altaar boven op het hout. 10 Daarop strekte Abraham zijn hand uit en nam het mes om zijn zoon te slachten. 11 Maar de Engel des Heren riep tot hem van de hemel en zeide: Abraham, Abraham! En hij zeide: Hier ben ik. 12 En Hij zeide: Strek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik, dat gij godvrezend zijt, en uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthouden. 13 Toen sloeg Abraham zijn ogen op en daar zag hij een ram achter zich, met zijn horens verward in het struikgewas. En Abraham ging en nam de ram en offerde hem ten brandoffer in plaats van zijn zoon. 14 En Abraham noemde die plaats: De Here zal erin voorzien; waarom nog heden gezegd wordt: Op de berg des Heren zal erin voorzien worden. 15 Toen riep de Engel des Heren ten tweeden male van de hemel tot Abraham en zeide: 16 Ik zweer bij Mijzelf, luidt het woord des Heren: omdat gij dit gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt, 17 zal Ik u rijkelijk zegenen, en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee, en uw nageslacht zal de poort zijner vijanden in bezit nemen. 18 En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat gij naar mijn stem gehoord hebt. 19 Toen keerde Abraham terug tot zijn knechten, en zij gingen tezamen op weg naar Berseba, en Abraham woonde te Berseba.

Deze beproeving van de patriarch is groot geweest. Wanneer de Here vraagt alles voor Hem over te hebben, zoals Hij hier bij Abraham doet, dan is alleen in geloof te antwoorden. Alleen door het geloof is het mogelijk het meest kostbare in je leven te geven. Wanneer dan de vraag tot offervaardigheid komt, en die vraag komt, dan moet je voorbereid zijn. De Here nu had Abraham al voorbereid. Want Abraham had reeds huis en haard verlaten voor de belofte en de Here had hem gezegend en Zijn belofte reeds vervuld met de geboorte van Isaak. Zijn beloften zijn meer dan het leven, zodat Abraham zijn zoon het overwinnend geloofsantwoord geeft: “God zal Zichzelf voorzien van een lam ten brandoffer, mijn zoon.” We zien vervolgens dat ook Isaak zonder enig tegenspreken zich laat binden en ten offer brengen. Hoe was dat mogelijk? De spanning zal om te snijden zijn geweest. Maar boven alles is het Woord van Gods belofte. En de Engel van de HERE komt dat Woord verlossend spreken. Abraham heeft door het geloof en zijn ongeveinsde en volkomen toewijding aan de HERE, de zegen van God ontvangen.

De ram die hij offerde is afbeelding van Christus, door Wie God er Zelf in heeft voorzien.

Verder lezen: Hebreeën 6:9-209 Maar wat u betreft, geliefden, ook al spreken wij zo, wij zijn overtuigd van iets beters, waaraan uw heil hangt. 10 Want God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk zou vergeten en de liefde, die gij voor zijn naam getoond hebt door de diensten, welke gij de heiligen bewezen hebt en nog bewijst. 11 Maar het is onze begeerte, dat ieder uwer dezelfde ijver blijve betonen tot de verwezenlijking der hoop tot het einde toe, 12 opdat gij niet traag wordt, maar navolgers moogt zijn van hen, die door geloof en geduld de beloften beërven. 13 Want toen God aan Abraham zijn belofte deed, zwoer Hij, omdat Hij bij niemand hoger kon zweren, bij Zichzelf, 14 zeggende: Voorzeker zal Ik u zegenen en zekerlijk u vermeerderen. 15 En zó, door geduld te oefenen, heeft deze het beloofde verkregen. 16 Want mensen zweren bij wie hoger is, en de eed dient hun tot bekrachtiging, als einde van alle tegenspraak. 17 Daarom heeft God, toen Hij des te nadrukkelijker aan de erfgenamen der belofte het onveranderlijke van zijn raad wilde doen blijken, Zich onder ede verbonden, 18 opdat door twee onveranderlijke dingen, waarbij het onmogelijk is, dat God liegen zou, wij, die (tot Hem de) toevlucht genomen hebben, een krachtige aansporing zouden hebben om de hoop te grijpen, die voor ons ligt. 19 Haar hebben wij als een anker der ziel, dat veilig en vast is, en dat reikt tot binnen het voorhangsel, 20 waarheen Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan naar de ordening van Melchisedek hogepriester geworden in eeuwigheid.

30 januari

De geboorte van de geslachten en volken heeft een voorname plaats in het boek Genesis. Zo staat hier de naam Aram vermeld, uit wie het volk is, dat in strijd met Israël zal komen. Israël aan wie God Zijn raad vervullen gaat, wordt straks geboren uit de beloofde zoon van Abraham, uit Isaak. En de geboorte van zijn moeder Rebekka, wordt hier beschreven. Straks zal haar komst naar Isaak beschreven worden. Een geschiedenis van uitzonderlijke schoonheid. Het is op te merken dat Rebekka een generatie jonger is dan Isaak. In contrast met de enkele nakomeling van Abraham staan hier de vele nakomelingen van zijn broer Nachor beschreven. Dit laat zien hoe ongelijk het er voor het menselijk oog aan toe gaat. Maar de ene zoon van Abraham is meer dan de twaalf van Nachor. Want de volken uit Nachor geboren zullen slechts gezegend worden in Christus, die uit Isaak voortkomt. Dat het volk van de belofte in grote minderheid is en ook maar traag toeneemt, is slechts uiterlijk en getalsmatig. Alle aandacht moet gevestigd worden op God en Zijn beloftewoord. Geloof in Zijn Woord en u ontvangt, door de beproevingen, ook door de beproeving van het kleine getal, het leven.

Verder lezen: Romeinen 4:16-2516 Daarom is het (alles) uit geloof, opdat het zou zijn naar genade, en dus de belofte zou gelden voor al het nageslacht, niet alleen voor wie uit de wet, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is, 17 gelijk geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld - voor het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept. 18 En hij heeft tegen hoop op hoop geloofd, dat hij een vader van vele volken zou worden, volgens hetgeen gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn. 19 En zonder te verflauwen in het geloof heeft hij opgemerkt, dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara's moederschoot was gestorven; 20 maar aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode eer, 21 in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen. 22 Daarom [ook] werd het hem gerekend tot gerechtigheid. 23 Echter niet om zijnentwil alleen werd geschreven: het werd hem toegerekend, 24 maar ook om onzentwil, wie het zal worden toegerekend, ons, die ons geloof vestigen op Hem, die Jezus, onze Here, uit de doden opgewekt heeft, 25 die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging.

31 januari

Genesis 231 En Sara leefde honderd zevenentwintig jaar; dit waren de jaren van Sara's leven. 2 En Sara stierf te Kirjat-Arba, dat is Hebron, in het land Kanaän, en Abraham ging naar binnen om over Sara te weeklagen en haar te bewenen. 3 Toen stond Abraham op, en ging heen van zijn dode, en sprak tot de Hethieten: 4 Een vreemdeling en bijwoner ben ik bij u, geeft mij een eigen grafstede bij u, opdat ik mijn dode moge uitdragen en begraven. 5 Toen antwoordden de Hethieten Abraham en zeiden tot hem: 6 Luister naar ons, mijn heer, een vorst Gods zijt gij in ons midden: begraaf uw dode in de keur onzer grafsteden; niemand van ons zal u zijn grafstede weigeren om uw dode te begraven. 7 Daarna stond Abraham op, wierp zich neder voor het volk des lands, de Hethieten, en sprak tot hen: 8 Indien het naar uw wil is, dat ik mijn dode uitdrage en begrave, luistert dan naar mij en dringt voor mij bij Efron, de zoon van Sochar, erop aan, 9 dat hij mij de spelonk van Makpela geve, welke hem toebehoort en aan het einde van zijn veld ligt; hij geve mij die voor de volle prijs tot een eigen grafstede onder u. 10 Efron nu was een gezeten man onder de Hethieten. En de Hethiet Efron antwoordde Abraham ten aanhoren van de Hethieten, van allen die de poort zijner stad ingingen: 11 Neen, mijn heer, luister naar mij; het veld geef ik u en de spelonk aldaar geef ik u: in tegenwoordigheid van mijn volksgenoten geef ik het u; begraaf uw dode. 12 Toen wierp Abraham zich neder voor het volk des lands, 13 en sprak tot Efron ten aanhoren van het volk des lands: Waarlijk, indien gij (genegen) zijt, luister dan naar mij: ik geef de prijs van het veld; neem die van mij aan, opdat ik mijn dode daar begrave. 14 En Efron antwoordde Abraham en zeide tot hem: 15 Och, mijn heer, luister naar mij: een stuk land van vierhonderd sikkelen zilver, wat maakt dat uit tussen mij en u? Begraaf toch uw dode. 16 Toen hoorde Abraham naar Efron, en Abraham woog aan Efron het geld af, waarvan hij gesproken had ten aanhoren der Hethieten, vierhonderd sikkelen zilver, gangbaar bij de koopman. 17 Zo ging het veld van Efron, dat in Makpela tegenover Mamre ligt, het veld en de spelonk aldaar, en al het geboomte op het veld, op het gehele terrein ervan rondom, 18 in eigendom aan Abraham over, in tegenwoordigheid van de Hethieten, van allen die de poort zijner stad ingingen. 19 Daarna heeft Abraham zijn vrouw Sara begraven in de spelonk van het veld van Makpela, tegenover Mamre, dat is Hebron, in het land Kanaän. 20 Zo is het veld met de spelonk aldaar van de Hethieten aan Abraham overgegaan tot een eigen grafstede.

Met veel moeite verkrijgt Abraham een stuk grondgebied in het land. Maar niet om op te wonen en niet om vaste voet aan de grond te krijgen. Hij blijft vreemdeling. Voor de volle prijs wilde hij het kopen. Het principe dat hij hanteerde tegenover de koning van Sodom handhaaft hij (Genesis 14:2323 Zelfs geen draad of schoenriem, ja niets van het uwe zal ik nemen, opdat gij niet kunt zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt!). Niemand mag zeggen Abraham rijk te hebben gemaakt. Nu was het handhaven van dit principe niet gemakkelijk; Sara was immers overleden. En de zorg voor haar begrafenis mocht toch niet verhinderd worden. En als de Hethieten dan zo vriendelijk een gratis graf aanbieden, en de voorname Efron zelfs een hele spelonk met grond en alles eromheen; blijf dan maar eens volharden! Toch houdt Abraham vast. Hij wil het alleen van de Here krijgen en van niemand anders. Ook deze koop van de grafspelonk van Makpela is betoon van geloof. Van Abraham leren we hier, dat hoewel er wederzijds respect is met hen die buiten het verbond staan, toch alleen van de Here alles verwacht moet worden. Omstandigheden van nood maken daar geen uitzondering op. We zien verderop hoe de Hethitische vrouwen veel ellende brachten (Genesis 26:34-3534 Toen Esau veertig jaar oud geworden was, nam hij tot vrouw Jehudit, dochter van de Hethiet Beëri, en Basemat, dochter van de Hethiet Elon. 35 En zij waren een kwelling des geestes voor Isaak en voor Rebekka.). Let dus goed op, juist in tijden van nood.

Verder lezen: 1 Kronieken 29:10-1910 Toen prees David de Here ten aanschouwen van de gehele gemeente, en David zeide: Geprezen zijt Gij, Here, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. 11 Van U, o Here, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven. 12 Want rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst over alles; in uw hand is sterkte en kracht, en Gij hebt het in uw macht een ieder groot en sterk te maken. 13 Thans loven wij U, o onze God, en prijzen wij uw heerlijke naam. 14 Wie toch ben ik, en wat is mijn volk, dat wij in staat zouden zijn zulke vrijwillige gaven te schenken? Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand. 15 Voorwaar, wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor uw aangezicht, gelijk al onze vaderen; als een schaduw zijn onze dagen op aarde, zonder hoop. 16 Here, onze God, al deze rijkdom die wij bijeengebracht hebben om U een huis te bouwen voor uw heilige naam, komt uit uw hand; U behoort het alles. 17 Ik weet, mijn God, dat Gij het hart toetst en een welbehagen hebt in oprechtheid - ik heb in oprechtheid mijns harten U dit alles vrijwillig gegeven; nu heb ik met vreugde gezien, hoe ook uw volk dat zich hier bevindt, U vrijwillig gaven bracht. 18 Here, God van onze vaderen Abraham, Isaak en Israël, houd deze gezindheid in het hart van uw volk voor altijd in stand, en richt hun hart op U. 19 En geef mijn zoon Salomo een volkomen toegewijd hart, opdat hij uw geboden, uw getuigenissen en uw inzettingen onderhoudt, het alles volbrengt, en de burcht, die ik heb ontworpen, bouwt.

1 februari

Genesis 241 Abraham nu was oud en hoogbejaard, en de Here had Abraham in alles gezegend. 2 En Abraham zeide tot zijn knecht, de oudste in zijn huis, die alles wat hij had bestuurde: Leg toch uw hand onder mijn heup, 3 opdat ik u doe zweren bij de Here, de God des hemels en der aarde, dat gij voor mijn zoon geen vrouw zult nemen uit de dochters der Kanaänieten, in wier midden ik woon. 4 Maar gij zult naar mijn land en naar mijn maagschap gaan om een vrouw te nemen voor mijn zoon Isaak. 5 Toen zeide de knecht tot hem: Misschien zal die vrouw mij niet willen volgen naar dit land; moet ik dan uw zoon terugbrengen naar het land, vanwaar gij uitgetrokken zijt? 6 Maar Abraham zeide tot hem: Wacht u ervoor mijn zoon daarheen terug te brengen. 7 De Here, de God des hemels, die mij genomen heeft uit mijns vaders huis en uit het land mijner maagschap, en die tot mij gesproken heeft, en mij heeft gezworen: aan uw nageslacht zal Ik dit land geven - Hij zal zijn engel voor uw aangezicht zenden, en gij zult vandaar voor mijn zoon een vrouw nemen. 8 Indien echter die vrouw u niet wil volgen, zult gij van deze eed aan mij ontslagen zijn; alleen, gij zult mijn zoon daarheen niet terugbrengen. 9 Toen legde de knecht zijn hand onder de heup van zijn heer Abraham, en zwoer hem, wat hij gevraagd had. 10 Hierop nam de knecht tien van de kamelen van zijn heer en ging op weg met allerlei kostbaarheden van zijn heer bij zich; hij maakte zich op en ging naar Mesopotamië, naar de stad van Nachor. 11 En hij liet de kamelen neerknielen buiten de stad bij een waterput, tegen de avond, de tijd, dat de vrouwen uitgaan om te putten. 12 Toen zeide hij: Here, God van mijn heer Abraham, laat mij toch heden slagen en bewijs genade aan mijn heer Abraham. 13 Ik sta hier bij de waterbron, en de dochters van de mannen der stad gaan uit om water te putten. 14 Laat het nu zo zijn, dat het meisje, tot wie ik zeg: Neig toch uw kruik, opdat ik drinke, en dat zegt: Drink, en ook uw kamelen zal ik drenken, - dat Gij haar hebt bestemd voor uw knecht Isaak; dan zal ik daaraan weten, dat Gij genade bewezen hebt aan mijn heer. 15 Hij was nog niet uitgesproken, of zie, Rebekka, die geboren was aan Betuël, de zoon van Milka, de vrouw van Nachor, de broeder van Abraham, kwam naar buiten met haar kruik op haar schouder. 16 En het meisje was zeer schoon van uiterlijk, een maagd, met wie geen man gemeenschap had gehad. Zij daalde af naar de bron, vulde haar kruik, en kwam naar boven. 17 Toen liep de knecht haar tegemoet en zeide: Laat mij toch een weinig water drinken uit uw kruik. 18 Daarop zeide zij: Drink, mijn heer, en zij liet haar kruik snel op haar hand neerglijden, en gaf hem te drinken. 19 Toen zij hem genoeg had laten drinken, zeide zij: Ik zal ook voor uw kamelen putten, totdat zij genoeg gedronken hebben. 20 Daarop goot zij snel haar kruik leeg in de drinkbak, liep andermaal naar de put om te scheppen en putte voor al zijn kamelen. 21 En de man sloeg haar zwijgend gade om te weten, of de Here zijn weg voorspoedig gemaakt had of niet. 22 Toen de kamelen genoeg gedronken hadden, nam de man een gouden ring van een halve sikkel in gewicht, en twee armbanden van tien halve sikkelen goud in gewicht, 23 en hij zeide: Wiens dochter zijt gij? Vertel het mij toch. Is er in uws vaders huis voor ons plaats om te overnachten? 24 Daarop zeide zij tot hem: Ik ben de dochter van Betuël, de zoon van Milka, die zij Nachor gebaard heeft. 25 Verder zeide zij tot hem: Er is bij ons zowel stro als voeder in overvloed, ook plaats om te overnachten. 26 Toen boog de man zijn knieën en wierp zich neder voor de Here, 27 en zeide: Geprezen zij de Here, de God van mijn heer Abraham, die zijn goedertierenheid en trouw niet onttrokken heeft aan mijn heer; wat mij aangaat, de Here heeft mij geleid op de weg naar het huis der broeders van mijn heer. 28 En het meisje snelde heen en verhaalde het gebeurde aan haar moeders huis. 29 Rebekka nu had een broeder, die Laban heette. En Laban snelde naar de man, naar buiten, bij de bron. 30 Zodra hij namelijk de ring gezien had en de armbanden aan de handen van zijn zuster, en zodra hij de woorden van zijn zuster Rebekka gehoord had: Zo heeft die man tot mij gesproken, ging hij naar de man toe; en zie, deze stond bij de kamelen aan de bron. 31 En hij zeide: Kom, gij gezegende des Heren, waarom staat gij buiten, terwijl ik reeds het huis gereed gemaakt heb en ook de plaats voor de kamelen. 32 Toen kwam de man in huis. En men ontzadelde de kamelen, gaf aan de kamelen stro en voeder en bracht water om zijn voeten en de voeten der mannen die bij hem waren, te wassen. 33 Maar toen hem te eten werd voorgezet, zeide hij: Ik zal niet eten, voordat ik mijn woord gesproken heb. En hij zeide: Spreek. 34 Daarop zeide hij: Ik ben de knecht van Abraham. 35 De Here heeft mijn heer zeer gezegend, zodat hij rijk geworden is; Hij heeft hem gegeven kleinvee en runderen, zilver en goud, slaven en slavinnen, kamelen en ezels. 36 En Sara, de vrouw van mijn heer, heeft mijn heer een zoon gebaard, nadat zij oud geworden was, en hij heeft hem gegeven alles wat hij bezit. 37 Nu heeft mijn heer mij doen zweren: Gij zult voor mijn zoon geen vrouw nemen uit de dochters der Kanaänieten, in wier land ik woon, 38 maar gij zult naar mijns vaders huis gaan en naar mijn geslacht, en daar een vrouw voor mijn zoon nemen. 39 En ik zeide tot mijn heer: Misschien zal die vrouw mij niet volgen. 40 Maar hij zeide tot mij: De Here, voor wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal zijn engel met u zenden, en zal uw weg voorspoedig maken, zodat gij voor mijn zoon een vrouw zult nemen uit mijn geslacht en uit mijns vaders huis. 41 Slechts dan zult gij ontslagen zijn van de eed aan mij, wanneer gij komt tot mijn geslacht, en men haar aan u niet wil geven; dan zult gij ontslagen zijn van de eed aan mij. 42 Nu kwam ik heden bij de bron, en ik zeide: Here, God van mijn heer Abraham, wil toch de weg, waarop ik ga, voorspoedig maken; 43 zie, ik sta bij de waterbron; laat het nu zo zijn dat de maagd, die naar buiten komt om te putten en die, als ik tot haar zeg: Geef mij toch een weinig water te drinken uit uw kruik, tot mij zal zeggen: 44 Drink zelf, en ook voor uw kamelen zal ik putten, dat zij de vrouw zal zijn, die de Here voor de zoon van mijn heer bestemd heeft. 45 Ik had dit nog nauwelijks bij mijzelf gezegd, of zie, Rebekka kwam naar buiten met haar kruik op haar schouder, en zij daalde af naar de bron, en putte. En ik zeide tot haar: Geef mij toch te drinken. 46 Toen liet zij snel haar kruik neerglijden en zij zeide: Drink, en ook uw kamelen zal ik drenken. Toen dronk ik, en ook de kamelen drenkte zij. 47 Daarop vroeg ik haar en zeide: Wiens dochter zijt gij? En zij zeide: De dochter van Betuël, de zoon van Nachor, die Milka hem gebaard heeft. Toen deed ik de ring aan haar neus, en de armbanden aan haar handen. 48 Ik boog mijn knieën en wierp mij neder voor de Here, en ik prees de Here, de God van mijn heer Abraham, die mij op de rechte weg geleid had om de dochter van de broeder van mijn heer voor zijn zoon te nemen. 49 En nu, indien gij liefde en trouw wilt bewijzen aan mijn heer, laat het mij weten; en zo niet, laat het mij ook weten, opdat ik mij naar rechts of naar links wende. 50 Toen antwoordde Laban, alsook Betuël en zij zeiden: Dit is een bestiering van de Here; wij kunnen niets tot u zeggen, ten kwade of ten goede. 51 Zie, daar is Rebekka, neem haar en ga heen, opdat zij de vrouw worde van de zoon van uw heer, zoals de Here gesproken heeft. 52 Toen de knecht van Abraham hun woorden hoorde, wierp hij zich ter aarde neder voor de Here. 53 En de knecht bracht zilveren en gouden sieraden te voorschijn, en klederen, en gaf deze aan Rebekka; ook gaf hij aan haar broeder en aan haar moeder kostbare geschenken. 54 Daarna aten en dronken zij, hij en de mannen die bij hem waren, en zij overnachtten er. Toen zij des morgens opstonden, zeide hij: Laat mij naar mijn heer gaan. 55 Doch haar broeder zeide, alsook haar moeder: Laat het meisje een dag of tien bij ons blijven, ga daarna heen. 56 Hij echter zeide tot hen: Houd mij niet op, nu de Here mijn weg voorspoedig gemaakt heeft; laat mij vertrekken, opdat ik naar mijn heer ga. 57 Daarop zeiden zij: Laten wij het meisje roepen en het haar zelf vragen. 58 Toen riepen zij Rebekka en zeiden tot haar: Wilt gij met deze man meegaan? En zij zeide: Ja. 59 Zij dan lieten hun zuster Rebekka en haar voedster en de knecht van Abraham en zijn mannen gaan. 60 En zij zegenden Rebekka en zeiden tot haar: Onze zuster, moogt gij tot duizenden van tienduizenden worden, en uw nageslacht bezitte de poort van zijn haters. 61 Toen maakte Rebekka zich met haar dienstmaagden gereed en zij reden op kamelen weg, en volgden de man. De knecht nam Rebekka mede en ging heen. 62 En Isaak kwam uit de richting van de put Lachai-Roï; hij woonde namelijk in het Zuiderland. 63 Isaak ging tegen het vallen van de avond uit om te peinzen in het veld. Hij sloeg zijn ogen op, en zag daar kamelen aankomen. 64 Toen Rebekka haar ogen opsloeg en Isaak zag, liet zij zich van de kameel glijden. 65 En zij zeide tot de knecht: Wie is die man daar, die ons tegemoet komt in het veld? En de knecht zeide: Dat is mijn heer. Daarop nam zij de sluier en bedekte zich. 66 En de knecht vertelde Isaak alles wat hij gedaan had. 67 Toen bracht Isaak haar in de tent van zijn moeder Sara, en hij nam Rebekka, en zij werd hem tot vrouw, en hij kreeg haar lief. Zo vond Isaak troost na de dood van zijn moeder.

Abraham heeft in hoge ouderdom niet nagelaten de belofte vast te houden. De Here zou zijn nageslacht het land Kanaän geven, waarom er van geen terugkeer naar het land van herkomst sprake mocht zijn, noch van vermenging met de Kanaänieten. Ook heeft hij betoond een profeet te zijn, en heeft hij zonder twijfel door Gods ingeven gesproken dat God Eliëzer een engel zou vooruitzenden om het in orde te maken (vers 77 De Here, de God des hemels, die mij genomen heeft uit mijns vaders huis en uit het land mijner maagschap, en die tot mij gesproken heeft, en mij heeft gezworen: aan uw nageslacht zal Ik dit land geven - Hij zal zijn engel voor uw aangezicht zenden, en gij zult vandaar voor mijn zoon een vrouw nemen. en 40). Dat is dus ook voor Eliëzer tot inspiratie geweest zo’n vrijmoedig gebed de Here voor te leggen (vers 1414 Laat het nu zo zijn, dat het meisje, tot wie ik zeg: Neig toch uw kruik, opdat ik drinke, en dat zegt: Drink, en ook uw kamelen zal ik drenken, - dat Gij haar hebt bestemd voor uw knecht Isaak; dan zal ik daaraan weten, dat Gij genade bewezen hebt aan mijn heer.). Dat de engel dus werkzaam was, is wel duidelijk in de ijverige en snelle Rebekka. Ook is zij al spoedig zelf geheel bereid om mee te gaan en wil niet eens langer tijd hebben om afscheid te nemen (vers 5858 Toen riepen zij Rebekka en zeiden tot haar: Wilt gij met deze man meegaan? En zij zeide: Ja.).

Dit alles is uiteraard Gods bijzondere besturing, zoals Betuël en Laban belijden. Het is hier op het hoogst duidelijk hoe trouw de HERE is en op zijn uitzonderlijke wijze mensenkinderen in Zijn dienst neemt. Wat tenslotte tot troost voor Isaak is, die als enig kind van zijn moeder, ongetwijfeld een hechte band met haar had. En bij de put van het omzien, ziet hij de kamelen aankomen met Rebekka. Hij hoort het verhaal en weet dat de HERE er in voorziet.

Verder lezen: Richteren 6:11-2411 Toen kwam de Engel des Heren en zette zich neer onder de terebint te Ofra, eigendom van de Abiëzriet Joas, terwijl diens zoon Gideon bezig was in de wijnpers tarwe uit te kloppen om die voor de Midjanieten in veiligheid te brengen. 12 De Engel des Heren verscheen hem en zeide tot hem: De Here is met u, gij dappere held. 13 Maar Gideon zeide tot hem: Och, mijn heer, indien de Here met ons is, waarom is dit alles ons dan overkomen? Waar zijn dan al zijn wonderen, waarvan onze vaderen ons vertelden, als zij zeiden: Heeft de Here ons niet uit Egypte gevoerd? Maar nu heeft de Here ons verstoten en ons prijsgegeven aan de greep van Midjan. 14 Toen wendde de Here Zich tot hem en zeide: Ga heen in deze uw kracht en verlos Israël uit de greep van Midjan. Ik zend u immers? 15 Maar hij zeide tot Hem: Och, Here, waarmee zal ik Israël verlossen? Zie, mijn geslacht is het geringste in Manasse en ik ben de jongste van mijn familie. 16 En de Here zeide tot hem: Ik ben met u, daarom zult gij Midjan verslaan als was het één man. 17 Toen zeide hij tot Hem: Indien ik genade in uw ogen gevonden heb, geef mij dan een teken, dat Gij het zijt, die met mij spreekt. 18 Ga niet vanhier weg, voordat ik bij U terugkom en de gave die ik ga halen, voor U neerleg. En Hij zeide: Ik zal blijven, tot gij terugkomt. 19 Toen ging Gideon naar binnen en bereidde een geitebokje en ongezuurde broden van een efa meel; het vlees deed hij in een mand en het vleesnat in een pot, en hij bracht het Hem onder de terebint en zette het Hem voor. 20 De Engel Gods zeide tot hem: Neem het vlees en de ongezuurde broden en leg ze op deze rots en giet het vleesnat uit. En hij deed dat. 21 Toen strekte de Engel des Heren de staf die hij in de hand hield, uit en raakte met het uiteinde het vlees en de ongezuurde broden aan; en vuur steeg op uit de rots en verteerde het vlees en de ongezuurde broden. Daarop verdween de Engel des Heren uit zijn gezicht. 22 Toen begreep Gideon, dat het de Engel des Heren was, en hij zeide: Wee mij, Here Here! want ik heb de Engel des Heren gezien van aangezicht tot aangezicht. 23 Doch de Here zeide tot hem: Vrede zij u! Vrees niet, gij zult niet sterven. 24 Toen bouwde Gideon daar een altaar voor de Here en noemde dat: De Here is vrede. Het staat tot op de huidige dag nog in Ofra der Abiëzrieten.

2 februari

Ook aan het einde van zijn leven laat Abraham zich leiden door de belofte van de HERE. Alles laat hij aan Isaak. De andere zonen stuurt hij met geschenken weg. Uit die zonen worden ook volken geboren maar het gaat om de belofte. Door Isaak zal men van Abrahams nageslacht spreken. Daarom moeten de anderen weggezonden worden. En nu Isaak Rebekka gehuwd heeft, kan Abraham gerust sterven. Hij sluit de ogen, wordt begraven in het beloofde land dat hij naar Gods belofte heeft verkregen en slaat zijn ogen op in het eeuwig hemels vaderland. De Here heeft hem trouw bewezen en zijn belofte vervuld. En zo zegent Hij ook Isaak die woont bij de put van het omzien. Ismaël is zijn vader ook niet vergeten en het gezamenlijk begraven van vader bewijst mildheid en Gods goedheid (vergelijk hoofdstuk 35:2929 En Isaak gaf de geest en stierf en hij werd tot zijn voorgeslacht vergaderd, oud en van het leven verzadigd, en zijn zonen Esau en Jakob begroeven hem.). Het einde van Abrahams leven is zo gekenmerkt door Gods weldadige zegen. En aan dit uiteinde moeten wij vandaag zien dat de Here het goede heeft weggelegd voor wie Hem vrezen. Voor hen die op Zijn goedheid hopen en van Hem alles verwachten. God bewijst dat Hij het lot van Zijn kinderen goed beschikt en alles zo schikt en richt dat wij het heil mogen zien. Geloofwaardig is de HERE!

Verder lezen: Hebreeën 13:5-165 Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn, weest tevreden met wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten. 6 Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: De Here is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen? 7 Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord Gods tot u hebben gesproken; let op het einde van hun wandel en volgt hun geloof na. 8 Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid. 9 Laat u niet medeslepen door allerlei vreemde leringen; want het is goed, dat het hart zijn vastheid vindt in genade en niet in spijzen: wie het hierin zochten, hebben er geen baat bij gevonden. 10 Wij hebben een altaar, waarvan zij, die de dienst voor de tabernakel verrichten, niet mogen eten. 11 Want van de dieren, waarvan het bloed als zondoffer door de hogepriester in het heiligdom werd gebracht, werd het lichaam buiten de legerplaats verbrand. 12 Daarom heeft ook Jezus, ten einde zijn volk door zijn eigen bloed te heiligen, buiten de poort geleden. 13 Laten wij derhalve tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en zijn smaad dragen. 14 Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige. 15 Laten wij dan door Hem Gode voortdurend een lofoffer brengen, namelijk de vrucht onzer lippen, die zijn naam belijden. 16 En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welgevallen.

3 februari

Ook wat betreft Ismaël vervult de Here zijn belofte. Want hoewel Isaak de uitverkoren beloofde zoon is, is de Here Abraham ook tegemoet gekomen inzake zijn eerstgeboren zoon naar het vlees. “Och mocht Ismaël voor uw aangezicht leven!” zo had Abraham de Here gebeden (hoofdstuk 17:1818 En Abraham zeide tot God: Och, mocht Ismaël voor uw aangezicht leven!). En de Here had hem toen geantwoord: “En wat Ismaël betreft, Ik heb u verhoord; zie, Ik zal hem zegenen, hem vruchtbaar doen zijn en uitermate talrijk maken; twaalf vorsten zal hij verwekken, en Ik zal hem tot een groot volk stellen.” Bij de wegzending van Ismaël herhaalde de Here deze belofte (hoofdstuk 21:1313 Maar ook de zoon der slavin zal Ik tot een volk stellen, omdat hij uw nakomeling is.) en ook aan Hagar (16:1010 En de Engel des Heren zeide tot haar: Ik zal uw nageslacht zeer talrijk maken, zodat het vanwege de menigte niet geteld kan worden. en 21:1818 Sta op, neem de jongen op, en houd hem vast met uw hand, want Ik zal hem tot een groot volk stellen.). Deze, bij herhaling gegeven beloften, zien we in deze tekst vervuld. Ook wat de engel tot Hagar had gezegd, dat hij tegenover zijn broeders zou wonen (16:1212 Hij zal een wilde ezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn en de hand van allen tegen hem, en hij zal ten aanschouwen van al zijn broederen wonen.), zien we hier bevestigd (vers 1818 En zij woonden van Chawila tot Sur, dat ten oosten van Egypte ligt, in de richting van Assur. Zij hebben zich tegenover al hun broeders gevestigd.). Oftewel, God bepaalt de grenzen en voorspoed der volken. Van de vervulling van Zijn belofte aangaande Ismaël, zal Abraham zeer waarschijnlijk tijdens zijn leven wel hebben vernomen, ookal staat de geslachtslijst vermeld na zijn sterven. Ismaël was bij Abrahams sterven al zo’n 85 jaar oud. De twaalf vorsten van Ismaël staan in contrast met het achterblijven van zonen in het huis van Isaak.

Verder lezen: Jesaja 21:13-1713 De Godsspraak tegen Arabië. In het woud van Arabië moet gij overnachten, karavanen der Dedanieten. 14 Brengt de dorstige water tegemoet, inwoners van het land Tema; gaat de vluchteling tegen met brood. 15 Want voor de zwaarden zijn zij gevlucht, voor het getrokken zwaard, en voor de gespannen boog en voor de druk van de oorlog. 16 Want aldus heeft de Here tot mij gezegd: Binnen nog een jaar, naar de jaren van een dagloner, zal het gedaan zijn met al de heerlijkheid van Kedar; 17 en gering zal het aantal bogen van de helden der Kedarieten zijn, dat overblijft; want de Here, de God van Israël, heeft het gesproken. en 60:1-71 Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heren gaat over u op. 2 Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de Here opgaan en zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. 3 Volken zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang. 4 Hef uw ogen op en zie rondom: zij allen verzamelen zich, komen tot u; uw zonen komen van verre en uw dochters worden op de heup aangedragen. 5 Dan zult gij het zien en stralen van vreugde; uw hart zal zich ontroerd verruimen, want tot u zal de rijkdom der zee zich wenden, het vermogen der volken zal tot u komen. 6 Een menigte kamelen zal u overdekken, jonge kamelen van Midjan en Efa; uit Seba zullen zij allen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen en de roemrijke daden des Heren blijde verkondigen. 7 Al de schapen van Kedar zullen zich voor u verzamelen, de rammen van Nebajot zullen zich u ten dienste stellen; zij zullen als een welgevallig offer op mijn altaar komen en aan mijn luisterrijk huis zal Ik luister verlenen.

4 februari

Genesis 25:19-3419 Dit is de geschiedenis van Isaak, de zoon van Abraham. Abraham verwekte Isaak. 20 En Isaak was veertig jaar oud, toen hij Rebekka, de dochter van Betuël, de Arameeër uit Paddan-Aram, de zuster van de Arameeër Laban, tot vrouw nam. 21 Nu bad Isaak de Here voor zijn vrouw, want zij was onvruchtbaar; en de Here liet Zich door hem verbidden, en zijn vrouw Rebekka werd zwanger. 22 En de kinderen stieten in haar binnenste tegen elkander. Toen zeide zij: Indien het aldus gesteld is, waarom overkomt mij dat? Daarop ging zij om de Here te vragen. 23 En de Here zeide tot haar: Twee volken zijn in uw schoot, en twee natiën zullen zich scheiden uit uw lichaam; de ene natie zal sterker zijn dan de andere, en de oudste zal de jongste dienstbaar wezen. 24 Toen nu haar dagen vervuld waren, dat zij baren zou, waren er dan ook tweelingen in haar schoot. 25 En de eerste kwam te voorschijn, rossig, geheel als een haren mantel; en men gaf hem de naam Esau. 26 En daarna kwam zijn broeder te voorschijn, wiens hand Esaus hiel vasthield; en hem noemde men Jakob. En Isaak was zestig jaar oud bij hun geboorte. 27 Toen de jongens opgroeiden, werd Esau een man, ervaren in de jacht, een man van het veld, maar Jakob was een huiselijk man, die in tenten woonde. 28 En Isaak had Esau lief, want wildbraad was naar zijn smaak; maar Rebekka had Jakob lief. 29 Eens had Jakob een gerecht gekookt, en Esau kwam vermoeid van het veld. 30 Toen zeide Esau tot Jakob: Laat mij toch slokken van dat rode, dat rode daar, want ik ben moe. Daarom gaf men hem de naam Edom. 31 Maar Jakob zeide: Verkoop mij dan eerst uw eerstgeboorterecht. 32 En Esau zeide: Zie, ik ga toch sterven; waartoe dient mij dan het eerstgeboorterecht? 33 Daarop zeide Jakob: Zweer mij eerst. En hij zwoer hem. Zo verkocht hij aan Jakob zijn eerstgeboorterecht. 34 Toen gaf Jakob aan Esau brood en het linzengerecht; hij at en dronk, stond op en ging heen. Zo verachtte Esau het eerstgeboorterecht.

Ook Isaak en Rebekka hebben eenzelfde strijd als Abraham en Sara; de onvruchtbaarheid. En dat niet een of twee jaar, maar wel twintig jaren. Dat was geen kleine beproeving. Isaak weet de handen te vouwen en van de Here de belofte af te bidden. Het gaat om de vervulling van Zijn belofte. En de Here liet Zich verbidden. Dat moeten we vandaag goed bedenken. Als we in nood zijn om de zaak van de Here, om Zijn kerk, dan moeten wij bidden tot Hem. Want het gaat hier in dit hoofdstuk er niet om, dat een echtpaar graag kinderen wil, dat komt wel meer voor. Nee het gaat om de komst van Christus. Om Zijn komst en dat van Gods Koninkrijk, en dat moet onze harten vervullen. Esau veracht de belofte en denkt zoals goddelozen doen: “Als ik sterf is alles voorbij”. Dit is een verwerpen van Gods doel om de mens weer met Zich te verzoenen, langs de lijn van Isaak, Jakob en door Christus.

Jakob grijpt Esau bij de hiel. Hij begint direct met inhalen. Hij zal echter door schade en schande wijs worden, dat alles van de Here verwacht moet worden. Met sluw beleid ‘koopt’ hij het eerstgeboorterecht. Maar het verkrijgen van zoiets, is een kwestie van genade. Als u slechts gelooft, krijgt u de belofte, door genade.

Verder lezen: Psalm 1131 Halleluja. Looft, gij knechten des Heren, looft de naam des Heren. 2 De naam des Heren zij geprezen van nu aan tot in eeuwigheid. 3 Vanwaar de zon opgaat tot waar zij ondergaat, zij de naam des Heren geloofd. 4 Verheven boven alle volken is de Here, boven de hemelen is zijn heerlijkheid. 5 Wie is als de Here, onze God, die zeer hoog woont, 6 die zeer laag neerziet, in de hemel en op de aarde? 7 Die de geringe opricht uit het stof, de arme omhoog heft uit het slijk, 8 om hem te doen zitten bij de edelen, bij de edelen van zijn volk; 9 die de onvruchtbare huisvrouw doet wonen als een blijde moeder van kinderen. Halleluja.

5 februari

Genesis 261 Eens kwam er een hongersnood in het land, behalve de eerste hongersnood, die er geweest was in de dagen van Abraham; en Isaak ging naar Abimelek, de koning der Filistijnen, naar Gerar. 2 Toen verscheen hem de Here en zeide: Trek niet naar Egypte, woon in het land, dat Ik u zeggen zal, 3 vertoef in dit land als een vreemdeling, dan zal Ik met u zijn en u zegenen, want u en uw nageslacht zal Ik al die landen geven, en Ik zal de eed gestand doen, die Ik uw vader Abraham gezworen heb. 4 En Ik zal uw nageslacht vermenigvuldigen als de sterren des hemels, en Ik zal uw nageslacht al die landen geven, en met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, 5 omdat Abraham naar Mij geluisterd en mijn dienst in acht genomen heeft: mijn geboden, mijn inzettingen en mijn wetten. 6 Dus bleef Isaak in Gerar. 7 Toen de mannen van die plaats hem naar zijn vrouw vroegen, zeide hij: Zij is mijn zuster, want hij durfde niet zeggen: Zij is mijn vrouw, (want hij dacht:) de mannen van die plaats mochten mij anders eens doden om Rebekka, omdat zij schoon van uiterlijk is. 8 Toen hij lange tijd daar geweest was, en Abimelek, de koning der Filistijnen, eens door het venster keek, zag hij, en zie, Isaak was aan het minnekozen met zijn vrouw Rebekka. 9 Toen riep Abimelek Isaak en zeide: Zij is zowaar uw vrouw; hoe hebt gij dan kunnen zeggen: zij is mijn zuster? Daarop zeide Isaak tot hem: Omdat ik dacht: ik mocht anders eens om haar het leven verliezen. 10 Maar Abimelek zeide: Wat hebt gij ons toch aangedaan? Licht zou een van het volk bij uw vrouw hebben kunnen liggen, en dan zoudt gij schuld over ons gebracht hebben. 11 Toen gebood Abimelek al het volk: Wie deze man of zijn vrouw aanraakt, zal zeker ter dood gebracht worden. 12 En Isaak zaaide in dat land en oogstte in dat jaar honderdvoudig; want de Here zegende hem. 13 En die man werd rijk, ja gaandeweg rijker, totdat hij zeer rijk geworden was. 14 En hij had kudden kleinvee en runderen en een talrijke slavenstoet, zodat de Filistijnen hem benijdden. 15 Al de putten nu, die de knechten van zijn vader in de dagen van zijn vader Abraham gegraven hadden, hadden de Filistijnen dichtgestopt en met aarde gevuld. 16 Toen zeide Abimelek tot Isaak: Ga van ons heen, want gij zijt veel machtiger geworden dan wij. 17 Dus ging Isaak vandaar en hij legerde zich in het dal van Gerar, en woonde daar. 18 En Isaak groef de waterputten, die men gegraven had in de dagen van zijn vader Abraham, en die de Filistijnen na Abrahams dood hadden dichtgestopt, weer op, en noemde ze met dezelfde namen, waarmee zijn vader ze genoemd had. 19 Daarna groeven de knechten van Isaak in het dal en vonden daar een put met levend water. 20 Toen twistten de herders van Gerar met de herders van Isaak en zeiden: Dit water is van ons. En hij gaf aan die put de naam Esek, omdat zij met hem getwist hadden. 21 Toen zij een andere put groeven, twistten zij ook daarover. En hij noemde die Sitna. 22 Toen brak hij vandaar op en groef een andere put, waarover zij niet twistten. Deze noemde hij Rechobot, en zeide: Nu heeft de Here ons ruimte gemaakt, zodat wij vruchtbaar kunnen zijn in het land. 23 En hij trok vandaar op naar Berseba. 24 En de Here verscheen hem in die nacht en zeide: Ik ben de God van uw vader Abraham; vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal u zegenen en uw nageslacht vermenigvuldigen ter wille van mijn knecht Abraham. 25 Toen bouwde hij daar een altaar en riep de naam des Heren aan. Hij spande daar zijn tent, en de knechten van Isaak groeven daar een put. 26 En Abimelek ging uit Gerar tot hem, met zijn vriend Achuzzat en zijn legeroverste Pikol. 27 En Isaak zeide tot hen: Waarom komt gij tot mij, daar gij mij haat, en mij van u weggezonden hebt? 28 Daarop zeiden zij: Wij hebben duidelijk gezien, dat de Here met u is; daarom zeiden wij: laat er toch een verdrag onder ede tussen ons zijn, tussen ons en u; en laten wij een verbond met u sluiten: 29 dat gij ons geen kwaad zult doen, evenals wij u niet aangeraakt hebben, en evenals wij u enkel goed gedaan hebben en u in vrede hebben laten heengaan; nu zijt gij de gezegende des Heren. 30 Toen richtte hij hun een maaltijd aan, en zij aten en dronken. 31 De volgende morgen vroeg zwoeren zij elkander de eed. Daarop deed Isaak hen uitgeleide, en zij gingen van hem heen in vrede. 32 Te dien dage kwamen de knechten van Isaak hem bericht brengen over een put die zij gegraven hadden, en zeiden tot hem: Wij hebben water gevonden. 33 En hij noemde hem Seba; daarom is de naam der stad Berseba tot op de huidige dag. 34 Toen Esau veertig jaar oud geworden was, nam hij tot vrouw Jehudit, dochter van de Hethiet Beëri, en Basemat, dochter van de Hethiet Elon. 35 En zij waren een kwelling des geestes voor Isaak en voor Rebekka.

Het verblijf van Abraham bij Abimelech (Genesis 201 Abraham nu brak vandaar op naar het Zuiderland en vestigde zich tussen Kades en Sur, en vertoefde als vreemdeling in Gerar. 2 Daar Abraham van zijn vrouw Sara gezegd had: Zij is mijn zuster, liet Abimelek, de koning van Gerar, Sara weghalen. 3 Maar God kwam des nachts in een droom tot Abimelek en zeide tot hem: Zie, gij zijt een kind des doods, omdat gij die vrouw genomen hebt, want zij is gehuwd. 4 Abimelek nu was niet tot haar genaderd. En hij zeide: Here, zult Gij dan een rechtvaardig volk doden? 5 Heeft hij zelf niet tot mij gezegd: Zij is mijn zuster? En zij heeft zelf ook gezegd: Hij is mijn broeder; in onschuld mijns harten en reinheid mijner handen heb ik dit gedaan. 6 En God zeide tot hem in de droom: Ik weet ook, dat gij het in onschuld uws harten gedaan hebt, Ik heb u dan ook ervan weerhouden tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten haar aan te raken. 7 En nu breng de vrouw van deze man terug, want hij is een profeet; dan zal hij voor u bidden, opdat gij in het leven moogt blijven; maar indien gij haar niet terugbrengt, weet, dat gij voorzeker zult sterven, gij en al de uwen. 8 De volgende morgen vroeg riep Abimelek al zijn dienaren en bracht dit alles te hunner kennis, en de mannen werden zeer bevreesd. 9 Voorts riep Abimelek Abraham en zeide tot hem: Wat hebt gij ons aangedaan, en waarin heb ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en mijn koninkrijk een grote zonde hebt gebracht? Gij hebt tegenover mij dingen gedaan, die niet gedaan mochten worden. 10 Ook zeide Abimelek tot Abraham: Wat hebt gij beoogd, dat gij dit deedt? 11 Toen zeide Abraham: Ik dacht: wellicht is er geen vreze Gods in deze plaats; zij zullen mij doden om mijn vrouw. 12 En bovendien is zij werkelijk mijn zuster; zij is de dochter van mijn vader, maar niet de dochter van mijn moeder; en zij is mij tot vrouw geworden. 13 Toen God mij uit mijns vaders huis liet omzwerven, zeide ik tot haar: Dit zal de liefdedienst zijn, die gij mij bewijzen zult: zeg van mij op elke plaats, waar wij komen: hij is mijn broeder. 14 Toen nam Abimelek schapen en runderen, slaven en slavinnen, en schonk die aan Abraham, en hij gaf hem zijn vrouw Sara terug. 15 En Abimelek zeide: Zie, mijn land staat voor u open, vestig u, waar het u goeddunkt. 16 En tot Sara zeide hij: Zie, ik geef aan uw broeder duizend zilverstukken; zie, dat zal voor u de ogen bedekken van allen die bij u zijn; en gij zult gerechtvaardigd zijn, ja, in elk opzicht. 17 Toen bad Abraham tot God, en God genas Abimelek en zijn vrouw en zijn slavinnen, zodat zij baarden. 18 De Here had namelijk elke moederschoot in Abimeleks huis toegesloten ter oorzake van Sara, de vrouw van Abraham. en 21:22-3422 In die tijd zeide Abimelek, alsook zijn legeroverste Pikol, tot Abraham: God is met u in alles wat gij doet. 23 Nu dan, zweer mij toch hier bij God, dat gij niet bedrieglijk met mij zult handelen, noch met mijn kroost, noch met mijn nageslacht; naar de vriendschap, die ik u betoond heb, zult gij mij en het land waarin gij als gast vertoeft, behandelen. 24 En Abraham zeide: Ik zweer het. 25 Maar Abraham maakte Abimelek een verwijt over een waterput, die de knechten van Abimelek zich hadden toegeëigend. 26 Daarop zeide Abimelek: Ik weet niet, wie dat gedaan heeft; ook hebt gij het mij niet meegedeeld, en ik heb het ook niet vernomen vóór vandaag. 27 Toen nam Abraham schapen en runderen en gaf ze aan Abimelek, en die beiden sloten een verbond. 28 Maar Abraham zette zeven lammeren van de schapen afzonderlijk. 29 Toen zeide Abimelek tot Abraham: Wat betekenen die zeven lammeren hier, die gij afzonderlijk gezet hebt? 30 En hij zeide: Voorzeker moet gij de zeven lammeren uit mijn hand aannemen, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik deze put gegraven heb. 31 Daarom noemt men die plaats Berseba, want die beiden hebben daar gezworen. 32 Toen zij te Berseba het verbond gesloten hadden, gingen Abimelek en zijn legeroverste Pikol heen, en keerden naar het land der Filistijnen terug. 33 En (Abraham) plantte te Berseba een tamarisk, en riep daar de naam van de Here, de eeuwige God, aan. 34 En Abraham vertoefde vele dagen als vreemdeling in het land der Filistijnen.) krijgt haast een soort herhaling in het verblijf van Isaak in diens gebied. Opnieuw het leugentje om bestwil dat Rebekka niet zijn vrouw maar zijn zus is. En Abimelech is hier verontwaardigd over. Vervolgens komt grote zegen van de Here over Isaak. Dit maakt Abimelech angstig, waarom hij Isaak wegzendt. Abimelech wil een nieuw verbond met Isaak sluiten om zich te beschermen, waarin Isaak bewilligt.

Het moeizame verblijf van Isaak te Gerar wordt echter bestraald en verlicht door twee verschijningen van de HERE aan hem. Machtig herhaalt de HERE Zijn verbondsbeloften aan Isaak. Wat Hij Abraham had gezworen, dat bevestigt Hij aan Isaak. De Almachtige staat Isaak ter zijde. IK BEN MET U. Dat is de zekerheid die Isaak krijgt en dat ziet hij ook bevestigd in de overvloedige zegeningen van God. Het slot van het hoofdstuk laat evenwel zien wat het genieten van die zegen in de weg staat. Dat is de onverschilligheid ten aanzien van het verbond en het kiezen van vrouwen, wie men maar wil (Genesis 6:22 zagen de zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen.). Esau gaat zijn eigen gang, al meer weg van het aangezicht des Heren. Maar de schaduw hiervan kan het licht niet wegnemen.

Verder lezen: Johannes 4:1-141 Toen nu de Here vernam, dat de Farizeeën gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes, 2 - ofschoon Jezus niet zelf doopte, maar zijn discipelen - 3 verliet Hij Judea en vertrok weder naar Galilea. 4 En Hij moest door Samaria gaan. 5 Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, dicht bij het veld, dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had; daar was de bron van Jakob. 6 Jezus nu was vermoeid van de tocht en bleef zo bij de bron zitten; het was ongeveer het zesde uur. 7 Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zeide tot haar: Geef Mij te drinken. 8 Want zijn discipelen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen. 9 De Samaritaanse vrouw dan zeide tot Hem: Hoe kunt Gij, als Jood, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen? [Want Joden gaan niet om met Samaritanen.] 10 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij wist van de gave Gods en wie het is, die tot u zegt: Geef Mij te drinken, gij zoudt het Hem gevraagd hebben en Hij zou u levend water hebben gegeven. 11 Zij zeide tot Hem: Here, Gij hebt geen emmer en de put is diep; hoe komt Gij dan aan het levende water? 12 Zijt Gij soms meer dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven en zelf eruit gedronken heeft met zijn zonen en zijn kudden? 13 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal weder dorst krijgen; 14 maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven.

6 februari

Genesis 27:1-401 Toen Isaak oud geworden was, werden zijn ogen zo verzwakt, dat hij niet zien kon. Hij riep zijn oudste zoon Esau en zeide tot hem: Mijn zoon. En deze zeide tot hem: Hier ben ik. 2 En hij zeide: Zie toch, ik ben oud geworden, ik weet de dag van mijn dood niet. 3 Nu dan, neem toch uw wapentuig, uw pijlkoker en uw boog, en ga uit, het veld in en schiet voor mij een stuk wild; 4 bereid mij dan een smakelijk gerecht, zoals ik het gaarne heb, en breng het mij, opdat ik ete; dan zal ik u zegenen, eer ik sterf. 5 Rebekka had geluisterd, toen Isaak tot zijn zoon Esau sprak. Nadat Esau het veld ingegaan was om een stuk wild te schieten en het (zijn vader) te brengen, 6 zeide Rebekka tot haar zoon Jakob: Zie, ik heb uw vader horen spreken tot uw broeder Esau: 7 Breng mij toch een stuk wild en bereid mij een smakelijk gerecht, opdat ik ete, en ik zal u vóór mijn dood zegenen voor het aangezicht des Heren. 8 Nu dan, mijn zoon, luister naar mij in wat ik u gebied. 9 Ga naar de kudde, haal mij vandaar twee beste geitebokjes, dan zal ik die tot een smakelijk gerecht voor uw vader bereiden, zoals hij het gaarne heeft. 10 Breng dit dan aan uw vader om te eten, opdat hij u zegene vóór zijn dood. 11 Maar Jakob zeide tot zijn moeder Rebekka: Zie, mijn broeder Esau is een ruig man, en ik ben een onbehaard man. 12 Misschien zal mijn vader mij betasten; dan zal ik in zijn ogen zijn als iemand, die de spot met hem drijft, en ik zal vloek over mij brengen en geen zegen. 13 Maar zijn moeder zeide tot hem: Uw vloek zij op mij, mijn zoon; luister nu naar mij en ga ze mij halen. 14 Toen ging hij ze halen en bracht ze aan zijn moeder, en zijn moeder bereidde een smakelijk gerecht, zoals zijn vader het gaarne had. 15 Ook nam Rebekka de beste klederen van haar oudste zoon Esau, die bij haar in huis waren, en liet ze haar jongste zoon Jakob aantrekken. 16 En de vellen der geitebokjes trok zij over zijn handen en over zijn gladde hals. 17 Toen stelde zij het smakelijk gerecht en het brood, dat zij bereid had, haar zoon Jakob ter hand. 18 Daarop kwam hij bij zijn vader en zeide: Mijn vader. En deze zeide: Hier ben ik; wie zijt gij, mijn zoon? 19 En Jakob zeide tot zijn vader: Ik ben Esau, uw eerstgeborene; ik heb gedaan, zoals gij tot mij gesproken hebt. Richt u op, ga zitten en eet van mijn wildbraad, opdat gij mij moogt zegenen. 20 Daarop zeide Isaak tot zijn zoon: Wat hebt gij het spoedig gevonden, mijn zoon! En hij zeide: Omdat de Here, uw God, mij deed slagen. 21 Toen zeide Isaak tot Jakob: Kom toch dichterbij, opdat ik u betaste, mijn zoon, of gij inderdaad mijn zoon Esau zijt of niet. 22 Jakob dan kwam dichterbij tot zijn vader Isaak, en deze betastte hem. En hij zeide: De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn Esaus handen. 23 Doch hij herkende hem niet, omdat zijn handen behaard waren evenals de handen van zijn broeder Esau. En hij wilde hem zegenen en zeide: 24 Zijt gij inderdaad mijn zoon Esau zelf? En hij zeide: Ja. 25 Toen zeide hij: Zet het dicht bij mij, dan wil ik eten van het wildbraad van mijn zoon, opdat ik u zegene. Toen zette hij het dicht bij hem, en hij at; ook bracht hij hem wijn, en hij dronk. 26 Daarna zeide zijn vader Isaak tot hem: Kom toch dichterbij en kus mij, mijn zoon. 27 En hij kwam dichterbij en kuste hem. Toen hij de geur van zijn klederen rook, zegende hij hem en zeide: Zie, de geur van mijn zoon is als de geur van het veld, dat de Here gezegend heeft. 28 God zal u geven van de dauw des hemels en van de vette streken der aarde, en overvloed van koren en most. 29 Volken zullen u dienen, en natiën zich voor u nederwerpen; wees heerser over uw broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen. Wie u vervloekt, zij vervloekt, en wie u zegent, zij gezegend. 30 Toen Isaak geëindigd had Jakob te zegenen en Jakob nog maar nauwelijks van zijn vader Isaak naar buiten was gegaan, kwam zijn broeder Esau van de jacht. 31 Ook hij bereidde een smakelijk gerecht en bracht dat aan zijn vader. En hij zeide tot zijn vader: Mijn vader richte zich op en ete van het wildbraad van zijn zoon, opdat gij mij zegent. 32 En zijn vader Isaak zeide tot hem: Wie zijt gij? En hij zeide: Ik ben uw eerstgeboren zoon Esau. 33 Toen schrok Isaak geweldig en hij zeide: Wie was het dan toch, die het wild geschoten en mij gebracht heeft? En ik heb van alles gegeten, eer gij kwaamt en heb hem gezegend; ook zal hij gezegend zijn. 34 Zodra Esau de woorden van zijn vader hoorde, gaf hij een luide en bittere schreeuw, en hij zeide tot zijn vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader! 35 Toen zeide deze: Uw broeder is met bedrog gekomen en heeft uw zegen weggenomen. 36 En hij zeide: Noemt men hem niet terecht Jakob, omdat hij mij nu al tweemaal bedrogen heeft? Mijn eerstgeboorterecht heeft hij weggenomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen weggenomen. En hij zeide: Hebt gij voor mij geen zegen overgehouden? 37 Toen antwoordde Isaak en zeide tot Esau: Zie, ik heb hem tot een heerser over u gesteld, en al zijn broederen heb ik hem tot knechten gegeven, en van koren en most heb ik hem voorzien; wat kan ik dan voor u doen, mijn zoon? 38 Daarop zeide Esau tot zijn vader: Hebt gij slechts deze éne zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij, mijn vader! En Esau verhief zijn stem en weende. 39 Toen antwoordde zijn vader Isaak en zeide tot hem: Zie, ver van de vette streken der aarde zal uw woonplaats zijn, en zonder dauw des hemels van boven. 40 Maar van uw zwaard zult gij leven en uw broeder zult gij dienen. En het zal geschieden, wanneer gij u krachtig inspant, dat gij zijn juk van uw hals zult afrukken.

Een heel spannend verhaal waarin de karakters van de vier personen duidelijk uit de verf komen. Geen van hen kan allicht goedkeuring verwerven in onze ogen, terwijl wijzelf hetzelfde gedaan zouden hebben. Om te zeggen dat Jakob Esau de zegen ontsteelt, zoals boven de perikoop staat, zou ik niet zo zeggen. Want allereerst moet bedacht worden dat de Here tot Rebekka gesproken had dat de oudste de jongste dienstbaar zou zijn. En dat woord had Isaak toch ook te bedenken in plaats van op zijn smaakzin af te gaan?

De vlugge Rebekka weet snel een list te verzinnen. Jakob is wel bang ontdekt te worden, maar doet graag mee als zijn moeder de vermomming weet te fabriceren. En Esau doet net alsof zijn neus bloedt en hij nooit onder ede heeft afgezien van het eerstgeboorterecht. Daarom is het geheel terecht dat Jakob de zegen meekrijgt. Door al dit handelen van de strijders om de zegen Gods, gaat de Here voort met zijn werk. O, er is vaak zoveel aan te merken op het handelen van kerkmensen. En men vindt er wat van. Maar we moeten altijd verder kijken en er doorheen leren zien. Want onze zaligheid hangt niet van af van wat mensen al of niet goed doen, maar van God die Zich ontfermt.

Verder lezen: Romeinen 9:10-1810 Maar dit niet alleen; daar is ook Rebekka, bevrucht van één man, onze vader Isaak. 11 Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan - opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep, - 12 werd tot haar gezegd: De oudste zal de jongste dienstbaar zijn, 13 gelijk geschreven staat: Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat. 14 Wat zullen wij dan zeggen: Zou er onrechtvaardigheid zijn bij God? Volstrekt niet! 15 Want Hij zegt tot Mozes: Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen, en jegens wie Ik barmhartig ben, zal Ik barmhartig zijn. 16 Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt. 17 Want het schriftwoord zegt tot Farao: Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn kracht zou tonen en mijn naam verbreid zou worden over de gehele aarde. 18 Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil.

7 februari

Genesis 27:41-28:941 En Esau koesterde wrok tegen Jakob om de zegen, waarmede zijn vader hem gezegend had, en Esau zeide bij zichzelf: De dagen van de rouw over mijn vader zijn aanstaande; dan zal ik mijn broeder Jakob doden. 42 Toen aan Rebekka de woorden van Esau, haar oudste zoon, waren medegedeeld, liet zij Jakob, haar jongste zoon, roepen, en zeide tot hem: Zie, uw broeder Esau wil zich op u wreken door u te doden. 43 Nu dan, mijn zoon, luister naar mij, maak u gereed, vlucht naar mijn broeder Laban, in Haran, 44 en blijf enige tijd bij hem, totdat de grimmigheid van uw broeder gestild is, 45 totdat de toorn van uw broeder van u afgewend is; als hij vergeten is, wat gij hem hebt aangedaan, zal ik u vandaar laten halen. Waarom zou ik op één dag van u beiden beroofd worden? 46 Voorts zeide Rebekka tot Isaak: Ik walg van mijn leven om die Hethitische vrouwen; indien Jakob zich nu ook zo'n Hethitische vrouw neemt uit de dochters des lands, waarvoor leef ik dan nog? 1 Toen riep Isaak Jakob en zegende hem, en hij gebood hem en zeide tot hem: Neem geen vrouw uit de dochters van Kanaän. 2 Maak u gereed, ga naar Paddan-Aram, naar het huis van Betuël, de vader van uw moeder, en neem u vandaar een vrouw uit de dochters van Laban, de broeder van uw moeder. 3 En God, de Almachtige, zegene u, Hij make u vruchtbaar en vermenigvuldige u, zodat gij tot een menigte van volken wordt. 4 Hij geve u de zegen van Abraham, u en uw nageslacht met u, zodat gij het land uwer vreemdelingschap, dat God aan Abraham gegeven heeft, in bezit krijgt. 5 Zo zond Isaak Jakob weg, en deze ging naar Paddan-Aram, naar Laban, de zoon van Betuël, de Arameeër, de broeder van Rebekka, de moeder van Jakob en Esau. 6 Toen Esau zag, dat Isaak Jakob gezegend had en hem met een zegen had weggezonden naar Paddan-Aram, om zich vandaar een vrouw te nemen, en dat hij hem geboden had: Neem geen vrouw uit de dochters van Kanaän; 7 en dat Jakob naar zijn vader en zijn moeder geluisterd had, en naar Paddan-Aram gegaan was - 8 toen Esau nu zag, dat de dochters van Kanaän zijn vader Isaak zeer mishaagden, 9 ging hij naar Ismaël, en nam zich bij zijn vrouwen Machalat, de dochter van Ismaël, de zoon van Abraham, de zuster van Nebajot, tot vrouw.

Esau heeft de zegen wel willen ontvangen, maar die niet verkregen. Hij werd afgewezen. Hij weende en zocht berouw (bij Isaak), maar vond die niet (Hebreeën 12:1717 Want gij weet, dat hij later, toen hij (toch) de zegen wilde erven, afgewezen werd, want toen vond hij geen plaats voor berouw, hoewel hij het onder tranen zocht.). Dan komt de wraaklust in hem. Maar Rebekka is de ellende voor en weet Jakob te redden. Vooral ook wil ze voorkomen dat hij hetzelfde pad op gaat als zijn broer en van die walging opwekkende vrouwen trouwt. Isaak blijkt met Rebekka overeen te stemmen en roept en zegent en zendt Jakob. Jakob gehoorzaamt en gaat op weg naar Paddan-Aram. Gods zegen is met hem. De Almachtige zal blijken hem te beschermen en met hem te zijn. Zo begeleidt de Here barmhartig de zijnen. Wat een troost. Maar Esau, hij komt met schijnoplossingen. Hij had gedaan wat hij maar wilde. Trouwde Hethitische vrouwen die hem bevielen, zonder, ja, tegen de wil van zijn ouders. Nu komt hij met een goedmakertje, en neemt er nog maar een vrouw uit het geslacht van Ismaël bij. Dit is een soort ‘compensatie-godsdienst’ om anderen ter wille te zijn. Want Esau zoekt de gunst van zijn ouders. Maar zoekt hij de HERE met verlangen? Dat is de vraag naar het hart. Hem oprecht zoeken en Christus verlangen, tot Hem bidden in geest en in waarheid, dat is Hem aangenaam.

Verder lezen: Psalm 1451 Een loflied van David. Ik zal U verhogen, mijn God, Gij Koning, ik zal uw naam prijzen voor altoos en immer; 2 te allen dage zal ik U prijzen, uw naam loven voor altoos en immer. 3 De Here is groot en zeer te prijzen, zijn grootheid is ondoorgrondelijk. 4 Geslacht aan geslacht zal uw werken roemen, zij zullen uw machtige daden verkondigen. 5 Ik zal van de heerlijke luister uwer majesteit en van uw wonderdaden gewagen. 6 Zij zullen spreken van de macht uwer geduchte daden, en uw grootheid wil ik vertellen. 7 Zij zullen de roem uwer grote goedheid verkondigen, en jubelen over uw gerechtigheid. 8 Genadig en barmhartig is de Here, lankmoedig en groot van goedertierenheid. 9 De Here is voor allen goed, en zijn barmhartigheid is over al zijn werken. 10 Al uw werken zullen U loven, Here, uw gunstgenoten zullen U prijzen; 11 zij zullen van de heerlijkheid van uw koningschap spreken en van uw mogendheid gewagen, 12 om de mensenkinderen zijn machtige daden te verkondigen en de luisterrijke heerlijkheid van zijn koningschap. 13 Uw koningschap is een koningschap voor alle eeuwen, uw heerschappij is over alle geslachten. 14 De Here schraagt allen die vallen, Hij richt alle gebogenen op. 15 Aller ogen wachten op U, en Gij geeft hun te zijner tijd hun spijze; 16 Gij doet uw hand open en verzadigt met welbehagen al wat leeft. 17 De Here is rechtvaardig in al zijn wegen, goedertieren in al zijn werken. 18 De Here is nabij allen die Hem aanroepen, allen die Hem aanroepen in waarheid. 19 Hij vervult de wens van wie Hem vrezen, Hij hoort hun hulpgeroep en verlost hen. 20 De Here bewaart allen die Hem liefhebben, maar Hij verdelgt alle goddelozen. 21 Mijn mond zal van de lof des Heren spreken, en al wat leeft, zal zijn heilige naam prijzen voor altoos en immer.

8 februari

Genesis 28:10-2210 Jakob vertrok uit Berseba en ging naar Haran. 11 En hij bereikte een plaats, waar hij bleef overnachten, omdat de zon ondergegaan was. En hij nam een van de stenen der plaats, legde die onder zijn hoofd en ging op die plaats slapen. 12 Toen droomde hij, en zie, op de aarde was een ladder opgericht, waarvan de top tot aan de hemel reikte, en zie, engelen Gods klommen daarlangs op en daalden daarlangs neder. 13 En zie, de Here stond bovenaan en zeide: Ik ben de Here, de God van uw vader Abraham en de God van Isaak; het land, waarop gij ligt, zal Ik aan u en aan uw nageslacht geven. 14 En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen, oosten, noorden en zuiden, en met u en met uw nageslacht zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. 15 En zie, Ik ben met u en Ik zal u behoeden overal waar gij gaat, en Ik zal u wederbrengen naar dit land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik u heb toegezegd. 16 Toen Jakob uit zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Waarlijk, de Here is aan deze plaats, en ik heb het niet geweten. 17 En hij vreesde en zeide: Hoe ontzagwekkend is deze plaats. Dit is niet anders dan een huis Gods, dit is de poort des hemels. 18 De volgende morgen vroeg nam Jakob de steen die hij onder zijn hoofd gelegd had, stelde die tot een opgerichte steen en goot er olie bovenop. 19 En hij noemde die plaats Betel, maar tevoren was de naam der stad Luz. 20 En Jakob deed een gelofte: Indien God met mij zal zijn, en mij behoeden zal op deze weg, die ik ga, mij zal geven brood om te eten en klederen om aan te trekken, 21 en ik behouden tot mijns vaders huis wederkeer, dan zal de Here mij tot een God zijn. 22 En deze steen, die ik tot een opgerichte steen gesteld heb, zal een huis Gods wezen, en van alles wat Gij mij schenken zult, zal ik U stipt de tienden geven.

De belofte aan Abraham gedaan heeft de HERE aan Isaak bevestigd en ook aan Jakob herhaald. Zijn rijke verbondszegeningen komt de Here, tot heil van alle volken, geven. Alle geslachten van de aardbodem worden gezegend in het nageslacht van Jakob. De waarheid hiervan is in Christus vervuld. Het Evangelie van Christus is over het rond der aarde verspreid tot heil der volken. Tot vergadering van de kerk uit alle stam en taal en volk en natie. De heerlijkheid hiervan heeft Jakob in de droom gehoord. De heerlijkheid van de HERE is hem in die droom daarbij geopenbaard. Engelen neerdalend en opklimmend op de ladder. Welk een onuitwisbare indruk moet dat hebben gemaakt. Daarbij heeft de Here Jakob beloofd met hem te zijn en hem terug te brengen. Zo heeft hij goddelijke bescherming ontvangen en kon hij geheel gerust zijn, terwijl hij alleen op weg was. God heeft hem toen zeer getroost en gerust gesteld. Mogelijk klaagde zijn geweten hem aan vanwege het gepasseerde. Maar God is zeer genadig. Zo zorgt de Here voor zijn kinderen die Hij niet aan hun lot overlaat. Hij wil niet dat hen iets overkomt zodat zijn beloften daardoor belemmerd worden. Zijn engelen behoeden wie Hem liefhebben.

Verder lezen: Johannes 1:44-5244 De volgende dag wilde Hij naar Galilea vertrekken en Hij vond Filippus. En Jezus zeide tot hem: Volg Mij. 45 Filippus nu was uit Betsaïda, de stad van Andreas en Petrus. 46 Filippus vond Natanaël en zeide tot hem: Wij hebben Hem gevonden, van wie Mozes in de wet geschreven heeft en de profeten, Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret. 47 En Natanaël zeide tot hem: Kan uit Nazaret iets goeds komen? Filippus zeide tot hem: Kom en zie. 48 Jezus zag Natanaël tot Zich komen en zeide van hem: Zie, waarlijk een Israëliet, in wie geen bedrog is! 49 Natanaël zeide tot Hem: Vanwaar kent Gij mij? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Eer Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgeboom. 50 Natanaël antwoordde Hem: Rabbi, Gij zijt de Zoon van God, Gij zijt de Koning van Israël! 51 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Omdat Ik tot u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgeboom, gelooft gij? Gij zult grotere dingen zien dan deze. 52 En Hij zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg ulieden, gij zult de hemel open zien en de engelen Gods opstijgen en nederdalen op de Zoon des mensen.

9 februari

Genesis 29:1-301 En Jakob begaf zich op weg en ging naar het land der stammen van het Oosten. 2 Toen hij rondkeek, zag hij een put in het veld, en zie, drie kudden kleinvee waren daarbij gelegerd, want men placht de kudden uit die put te drenken. De steen op de opening van de put was groot; 3 als alle kudden daar bijeengedreven waren, wentelde men de steen van de opening van de put en drenkte het vee; daarna bracht men de steen weer op de opening van de put op zijn plaats. 4 En Jakob zeide tot (de herders): Mijn broeders, vanwaar zijt gij? En zij zeiden: Wij zijn uit Haran. 5 Daarop zeide hij tot hen: Kent gij ook Laban, de zoon van Nachor? En zij zeiden: Ja. 6 Vervolgens zeide hij tot hen: Gaat het hem wèl? En zij zeiden: Ja, maar zie, daar komt zijn dochter Rachel aan met het kleinvee. 7 Toen zeide hij: Zie, het is nog volop dag, het is nog geen tijd, dat de kudde bijeengedreven wordt; drenkt het vee en gaat het weer weiden. 8 Maar zij zeiden: Dat kunnen wij niet, voordat al de kudden bijeengedreven zijn; dan wentelt men de steen van de opening van de put, en drenken wij het vee. 9 Terwijl hij nog met hen sprak, kwam Rachel er aan met het kleinvee van haar vader, want zij was een herderin. 10 Zodra Jakob Rachel, de dochter van Laban, de broeder van zijn moeder, zag, en het kleinvee van Laban, de broeder van zijn moeder, trad Jakob toe, wentelde de steen van de opening van de put en drenkte het vee van Laban, de broeder van zijn moeder. 11 En Jakob kuste Rachel en verhief zijn stem en weende. 12 Daarop vertelde Jakob Rachel, dat hij een bloedverwant van haar vader was, en de zoon van Rebekka. Toen snelde zij weg en deelde het haar vader mede. 13 Zodra Laban het bericht aangaande Jakob, de zoon zijner zuster, hoorde, snelde hij hem tegemoet, omhelsde hem en kuste hem hartelijk, en bracht hem in zijn huis. En hij vertelde dit alles aan Laban. 14 Toen zeide Laban tot hem: Waarlijk, gij zijt mijn eigen vlees en bloed. En hij bleef een volle maand bij hem. 15 En Laban zeide tot Jakob: Zoudt gij, omdat gij mijn bloedverwant zijt, mij dienen om niet? Zeg mij, wat uw loon moet zijn. 16 Nu had Laban twee dochters; de oudste heette Lea en de jongste Rachel. 17 Lea's ogen waren flets, maar Rachel was schoon van gestalte en schoon van uiterlijk. 18 En Jakob had Rachel lief. Daarom zeide hij: Ik wil u zeven jaren dienen om uw jongste dochter Rachel. 19 En Laban zeide: Het is beter, dat ik haar aan u geef dan dat ik haar aan een andere man geef; blijf bij mij. 20 Derhalve diende Jakob zeven jaren om Rachel, en die waren in zijn ogen als enkele dagen, omdat hij haar liefhad. 21 Daarna zeide Jakob tot Laban: Geef mij mijn vrouw, want mijn tijd is om, opdat ik tot haar kome. 22 En Laban vergaderde al de mannen van die plaats, en richtte een maaltijd aan. 23 Des avonds echter nam hij zijn dochter Lea en bracht haar tot hem, en hij kwam tot haar. 24 Ook gaf Laban haar zijn slavin Zilpa, tot een slavin voor zijn dochter Lea. 25 Maar des morgens, zie, het was Lea. Toen zeide hij tot Laban: Wat hebt gij mij daar gedaan? Heb ik niet om Rachel bij u gediend, waarom hebt gij mij dan bedrogen? 26 Daarop zeide Laban: Zo doet men niet hier ter plaatse, dat men de jongste ten huwelijk geeft vóór de eerstgeborene. 27 Breng de bruiloftsweek met deze ten einde, dan zal u ook de andere gegeven worden voor de dienst, waarmede gij nog eens zeven jaren bij mij dienen zult. 28 En Jakob deed zo; hij bracht de bruiloftsweek met haar ten einde; daarop gaf hij hem zijn dochter Rachel tot vrouw. 29 En Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn slavin Bilha, haar tot een slavin. 30 (Jakob) kwam ook tot Rachel, en hij had Rachel lief, in tegenstelling met Lea. Aldus diende hij bij hem nog eens zeven jaren.

Jakob zal zijn weg met gerust gemoed hebben vervolgd. De HERE was met hem, wat zou een mens hem dan doen? Al spoedig blijkt Gods bijzondere leiding en ontmoet hij spoedig zijn toekomstige vrouw en zijn oom Laban. Met enorme krachtsinspanning verwijderd hij de grote steen van de put en drenkt de kudde van Laban, zoals zijn moeder de kamelen van Abraham water gaf. En dan overmant hem de emotie. Hij zal toch doordrongen zijn geweest van Gods liefdevolle leiding. En dan volgen zeven vreugdevolle jaren. De liefde voor Rachel is zijn kracht. Maar dan komt het bedrog. Laban blijkt niet oprecht te zijn. Noch tegenover zijn dochters noch tegenover Jakob. Tenslotte krijgt Jakob wel zijn geliefde Rachel, maar zijn de wortels van tweedracht en twist geplant. Toch worden langs deze weg de stamvaders van het volk Israël geboren. Toch weet God de misdaden van mensenkinderen te gebruiken voor de realisatie van zijn heilsplan. Dat kunnen we hier, en steeds weer, in de bijbelse geschiedenis opmerken. Gods leiding gaat boven de dwaze handelingen van mensen uit. Zijn wegen zijn hoger dan onze wegen. Besef dat goed en leef uit het geloof dat Hij alle dingen goed bestuurt.

Verder lezen: Hosea 121 Met leugen heeft Efraïm Mij omringd, met bedrog het huis Israëls - terwijl Juda zich voortdurend bandeloos gedraagt tegenover God en tegenover de Hoogheilige, die getrouw is. 2 Efraïm weidt wind, en jaagt de gehele dag de oostenwind na, het vermeerdert leugen en verwoesting. Zij sluiten een verbond met Assur, en er wordt olie naar Egypte gebracht. 3 De Here heeft een rechtsgeding met Juda; Hij gaat Jakob straffen voor zijn wandel, naar zijn daden zal Hij hem vergelden. 4 In de moederschoot bedroog hij zijn broeder, en in zijn mannelijke kracht streed hij met God. 5 Hij streed tegen een engel en overwon. Hij weende en smeekte Hem om genade. Te Betel vond hij Hem, en daar sprak Hij met ons, 6 namelijk de Here, de God der heerscharen, wiens naam Here is. 7 Gij dan, keer tot uw God terug, bewaar liefde en recht en wacht bestendig op uw God. 8 Kanaän - in zijn hand is een bedrieglijke weegschaal, afpersen is zijn lust. 9 Maar Efraïm zegt: Waarlijk, ik ben rijk geworden, ik heb mij rijkdom verworven; in al mijn vermogen vindt men bij mij geen ongerechtigheid die zonde zou zijn. 10 Maar Ik ben de Here, uw God, van het land Egypte af. Ik zal u weer doen wonen in tenten als in de dagen der samenkomst. 11 En Ik zal tot de profeten spreken en Ik zal veel gezichten geven, en door de dienst van profeten zal Ik in gelijkenissen spreken. 12 Was Gilead boosheid, zij zijn tot louter niets geworden; heeft men in Gilgal stieren geofferd, ook hun altaren zullen als steenhopen worden in de voren van het veld. 13 Jakob vluchtte naar het veld van Aram, en Israël diende om een vrouw en om een vrouw was hij veehoeder. 14 Door een profeet heeft de Here Israël uit Egypte gevoerd, en door een profeet werd het gehoed. 15 Bitter krenkend heeft Efraïm gehandeld, maar zijn Here zal zijn bloedschuld op hem doen neerkomen, en hem zijn smaad vergelden.

10 februari

Genesis 29:31-30:2431 Toen de Here zag, dat Lea niet bemind was, opende Hij haar schoot, maar Rachel bleef onvruchtbaar. 32 En Lea werd zwanger, baarde een zoon, en gaf hem de naam Ruben, want, zo zeide zij, voorwaar, de Here heeft mijn ellende aangezien; voorwaar, nu zal mijn man mij liefhebben. 33 En zij werd wederom zwanger, baarde een zoon, en zeide: Voorwaar, de Here heeft gehoord, dat ik niet bemind ben, en heeft mij ook deze geschonken; en zij gaf hem de naam Simeon. 34 Wederom werd zij zwanger, baarde een zoon, en zeide: Nu zal mijn man zich ditmaal aan mij hechten, omdat ik hem drie zonen gebaard heb; daarom gaf zij hem de naam Levi. 35 En zij werd wederom zwanger, baarde een zoon, en zeide: Nu zal ik de Here loven; daarom gaf zij hem de naam Juda. Toen hield zij op met baren. 1 Toen Rachel zag, dat zij Jakob geen kinderen baarde, werd Rachel jaloers op haar zuster, en zij zeide tot Jakob: Geef mij kinderen; zo niet, dan sterf ik. 2 Toen ontbrandde Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zeide: Neem ik de plaats van God in, die u de vrucht van de schoot ontzegd heeft? 3 Maar zij zeide: Hier is mijn slavin Bilha, kom tot haar, en zij bare op mijn knieën, opdat ook ik uit haar gebouwd worde. 4 En zij gaf hem haar slavin Bilha tot vrouw; en Jakob kwam tot haar. 5 Bilha werd zwanger en baarde Jakob een zoon. 6 Toen zeide Rachel: God heeft mij recht verschaft, ook heeft Hij mij verhoord en mij een zoon gegeven; daarom gaf zij hem de naam Dan. 7 Wederom werd Bilha, de slavin van Rachel, zwanger en baarde Jakob een tweede zoon. 8 Toen zeide Rachel: Op bovenmenselijke wijze heb ik met mijn zuster geworsteld, ook heb ik overmocht; en zij gaf hem de naam Naftali. 9 Toen Lea zag, dat zij had opgehouden te baren, nam zij haar slavin Zilpa en gaf haar aan Jakob tot vrouw. 10 En Zilpa, de slavin van Lea, baarde Jakob een zoon. 11 Toen zeide Lea: Het geluk is gekomen, en zij gaf hem de naam Gad. 12 En Zilpa, de slavin van Lea, baarde Jakob een tweede zoon. 13 Toen zeide Lea: Ik gelukkige! Voorzeker zullen de jongedochters mij gelukkig prijzen; en zij gaf hem de naam Aser. 14 Toen Ruben in de dagen van de tarweoogst naar buiten ging, vond hij op het veld liefdesappelen, die hij aan zijn moeder Lea bracht. En Rachel zeide tot Lea: Geef mij toch enige van de liefdesappelen van uw zoon. 15 Maar zij zeide tot haar: Is het niet genoeg, dat gij mijn man genomen hebt? En nu ook nog de liefdesappelen van mijn zoon nemen? Rachel zeide: Daarom mag hij vannacht bij u liggen voor de liefdesappelen van uw zoon. 16 Toen Jakob des avonds uit het veld kwam, ging Lea hem tegemoet, en zeide: Kom bij mij, want ik heb u eerlijk gehuurd voor de liefdesappelen van mijn zoon. Daarom lag hij die nacht bij haar. 17 En God hoorde naar Lea, zij werd zwanger en baarde Jakob een vijfde zoon. 18 Toen zeide Lea: God heeft mij mijn loon gegeven, omdat ik mijn slavin aan mijn man gegeven heb; en zij gaf hem de naam Issakar. 19 Wederom werd Lea zwanger en baarde Jakob een zesde zoon. Toen zeide Lea: 20 God heeft mij een schoon geschenk gegeven; ditmaal zal mijn man bij mij wonen, omdat ik hem zes zonen gebaard heb; en zij gaf hem de naam Zebulon. 21 Daarna baarde zij een dochter en noemde haar Dina. 22 Toen gedacht God Rachel, en God verhoorde haar; Hij opende haar schoot, 23 en zij werd zwanger en baarde een zoon. Toen zeide zij: God heeft mijn smaad weggenomen; 24 en zij gaf hem de naam Jozef, zeggende: Moge de Here mij er nog een andere zoon bijvoegen.

In deze geschiedenis zien we de zeer onprettige strijd tussen twee zusters om Jakob en om kinderen. Die strijd krijgt weerklank in de namen die Lea en Rachel aan de kinderen geven. Toch klinkt ook de lof op God in de naam Juda, maar de tendens is of de moeder toch maar de voornaamste mag zijn met haar zonen in het gezin. Harde woorden klinken bij Rachel aan het adres van Jakob. De onredelijkheid kent geen grenzen. Slavinnen worden ingezet als middel zichzelf te verhogen. En bij de geboorte van Dan is het alsof Rachel dan opeens recht wordt gedaan. Alsof ze het verdiend had een kind te krijgen en haar voorheen onrecht was aangedaan. En als Rachel tenslotte zelf een kind krijgt, dan lijkt het enige wat voor haar telt, of ze er toch nog meer mag krijgen. Jozef (toevoegen) werd zijn naam. Maar we moeten hier bedenken, dat het de HERE is, die Jakob zegent en nakomelingen geeft. Hij is het die Lea gedenkt en haar als eerste kinderen geeft. Lea was de achtergestelde. Maar zij werd de moeder van Juda en daarmee van David en Christus. Het voornemen van de HERE gaat voort, ondanks de onsmakelijke strijd. De komst van het beloofde Vrouwenzaad (Genesis 3:1515 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.) gaat voor en boven de straf van Genesis 3:1616 Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren en naar uw man zal uw begeerte uitgaan, en hij zal over u heersen.!

Verder lezen: 1 Samuël 1:1-81 Er was een zeker man uit Ramataïm-Sofim, uit het gebergte van Efraïm, die Elkana heette, de zoon van Jerocham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Suf, een Efratiet. 2 Deze had twee vrouwen: de ene heette Hanna en de andere Peninna; Peninna had kinderen, maar Hanna had geen kinderen. 3 Hij nu ging van jaar tot jaar uit zijn stad om de Here der heerscharen te Silo te aanbidden en Hem offers te brengen. Daar waren priesters des Heren de beide zonen van Eli, Chofni en Pinechas. 4 Wanneer de dag aanbrak, dat Elkana offerde, gaf hij aan zijn vrouw Peninna en aan al haar zonen en dochters ieder een deel, 5 maar aan Hanna gaf hij een dubbel deel, want hij had Hanna lief, hoewel de Here haar moederschoot toegesloten had. 6 Haar mededingster echter tergde haar voortdurend om haar tot drift te prikkelen, omdat de Here haar moederschoot toegesloten had. 7 Jaar op jaar, zo dikwijls zij opging naar het huis des Heren, handelde hij zo en tergde zij haar; dan weende zij en at niet. 8 En haar man Elkana zeide tot haar: Hanna, waarom weent gij en waarom eet gij niet? Waarom zijt gij zo verdrietig gestemd? Ben ik u niet meer waard dan tien zonen?, 2:1-101 Toen bad Hanna en zeide: Mijn hart juicht in de Here, mijn hoorn is verhoogd in de Here. Wijd opent zich mijn mond tegen mijn vijanden, want ik verheug mij in uw hulp. 2 Er is niemand heilig gelijk de Here, want niemand is er buiten U, en er is geen rots gelijk onze God. 3 Spreekt toch niet steeds zo hoogmoedig, geen verwaten taal kome uit uw mond. De Here immers is een alwetend God en door Hem worden de daden getoetst. 4 De boog der helden is verbroken, maar de wankelenden zijn met kracht omgord. 5 Wie verzadigd waren, verhuren zich om brood, maar wie hongerig waren, mogen rusten. Zelfs een onvruchtbare baart er zeven, maar wie rijk was aan kinderen, verwelkt. 6 De Here doodt en doet herleven, Hij doet naar het dodenrijk neerdalen en daaruit opkomen. 7 De Here maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij. 8 Hij heft de geringe op uit het stof, Hij heft de arme omhoog uit het slijk, om hem te doen zitten bij edelen, en een erezetel te doen verwerven. Want de grondvesten der aarde zijn des Heren; Hij heeft daarop het aardrijk gesteld. 9 De voeten zijner gunstgenoten behoedt Hij, maar de goddelozen komen om in duisternis, want niet door kracht is een man sterk. 10 Wie met de Here twisten, worden gebroken; over hen dondert Hij in de hemel. De Here richt de einden der aarde; Hij geeft sterkte aan zijn koning en verhoogt de hoorn van zijn gezalfde.

11 februari

Genesis 30:25-4325 Nadat Rachel Jozef gebaard had, zeide Jakob tot Laban: Laat mij vertrekken, opdat ik naar mijn geboorteplaats en mijn land ga. 26 Geef (mij) mijn vrouwen en kinderen, om wie ik u gediend heb, opdat ik moge heengaan, want gij weet welke diensten ik voor u verricht heb. 27 Daarop zeide Laban tot hem: Mocht ik uw genegenheid gewonnen hebben! Ik heb waargenomen, dat de Here mij om uwentwil gezegend heeft. 28 En hij zeide: Bepaal, wat uw loon bij mij zal zijn; en ik zal het geven. 29 Daarop zeide hij tot hem: Gij zelf weet, hoe ik u gediend heb, en hoe het met uw kudde bij mij gegaan is; 30 want wat gij bezat, voordat ik kwam, was weinig, maar het heeft zich uitgebreid in menigte, en de Here heeft u gezegend, waarheen ik mijn voet ook wendde; nu dan, wanneer zal ik ook eens voor mijn eigen huis kunnen werken? 31 Toen zeide hij: Wat zal ik u geven? Maar Jakob zeide: Gij behoeft mij niets te geven; ik zal wederom uw vee weiden en hoeden, indien gij mij slechts dit wilt toestaan: 32 Ik zal heden door al uw kleinvee gaan en daaruit elk gespikkeld en gevlekt stuk kleinvee afzonderen; elk zwart stuk onder de schapen, en wat gevlekt en gespikkeld is onder de geiten, dat zal mijn loon zijn. 33 En mijn eerlijkheid zal morgen voor mij spreken, wanneer gij mijn loon zult komen bezichtigen: alles wat niet gespikkeld of gevlekt is onder de geiten of zwart onder de schapen, dat zal als door mij gestolen gelden. 34 Daarop zeide Laban: Zie, het geschiede naar uw woord. 35 Toen zonderde hij op die dag de gestreepte en gevlekte bokken af en alle gespikkelde en gevlekte geiten, alles waaraan iets wits was, benevens alles wat zwart was onder de schapen, en hij stelde het onder de hoede van zijn zonen. 36 En (Laban) bepaalde een afstand van drie dagreizen tussen zich en Jakob, en Jakob weidde het overige vee van Laban. 37 Toen nam Jakob zich verse takken van populieren, amandelbomen en platanen, en schilde daarop witte strepen door het wit aan de takken te ontbloten. 38 Hij legde de takken die hij geschild had, in de troggen, in de drinkbakken, waar het kleinvee kwam drinken, vlak voor het kleinvee; en zij werden bronstig, als zij kwamen drinken. 39 Was het kleinvee bronstig geworden bij de takken, dan wierp het gestreepte, gespikkelde en gevlekte jongen. 40 Dan scheidde Jakob de schapen af, keerde de koppen van het kleinvee naar het gestreepte en naar al het zwarte onder Labans kleinvee, en zette die kudden voor zich afzonderlijk, en plaatste ze niet bij het kleinvee voor Laban. 41 En telkens, als het sterkste kleinvee bronstig werd, legde Jakob de takken voor het kleinvee in de troggen, opdat zij bij de takken bronstig zouden worden. 42 Maar als het kleinvee zwak was, legde hij ze er niet in; aldus waren de zwakke dieren voor Laban en de sterke voor Jakob. 43 Derhalve nam die man ten zeerste toe in bezit, en hij had veel kleinvee, slavinnen, slaven, kamelen en ezels.

De Here heeft Laban door Jakobs dienst gezegend. De belofte aan Abraham: “en gij zult tot een zegen zijn” in hoofdstuk 12:2b, blijkt hier door Jakob werkelijkheid. Klein was Labans kudde toen Jakob kwam, en het is een grote kudde geworden. Laban erkent zelf ook dat hij omwille van Jakob gezegend werd. En omdat Laban op vermeerdering van eigen vermogen uit is, wil hij dat ook zo houden en bepaalt een afstand van drie dagreizen tussen elkaars vee. De zonen van Jakob weiden hun vee, Jakob dat van Laban. Zo denkt Laban voordeel te behouden. Maar Jakob wil nu om eigen huis kunnen werken en weet op ongedachte wijze zijn veestapel uit die van Laban te vermeerderen. Of dat biologisch te verklaren is zou eens aan een schapenfokker gevraagd moeten worden. In ieder geval is het duidelijk dat de Here Jakob zegende en Zijn Woord aan hem gestand deed. En Jakob zocht die zegen van de Here. Niet het loon van Laban, maar de zegen van de Verbondsgod, die Hij in Zijn voorzienigheid toebedeelt aan wie Hem vrezen (zie SV noot 43). Die zegen ontvingen Abraham en Isaak, en ook Jakob ontvangt die. Dat is de te leren les voor vandaag. Aan ’s Heren zegen is het al gelegen. Zoek en ontvang die.

Verder lezen: Psalm 1441 Van David. Geprezen zij de Here, mijn rots, die mijn handen oefent ten strijde, mijn vingers tot de krijg. 2 Mijn goedertierenheid en mijn vesting, mijn burcht en mijn bevrijder, mijn schild en bij wie ik schuil, die volken aan mij onderwerpt. 3 Here, wat is de mens, dat Gij op hem let, het mensenkind, dat Gij acht op hem slaat? 4 De mens is gelijk aan een ademtocht, zijn dagen zijn als een voorbijglijdende schaduw. 5 Here, neig uw hemel en daal neder, raak de bergen aan, dat zij roken; 6 slinger uw bliksem en verstrooi hen, werp uw pijlen en breng hen in verwarring; 7 strek uw hand uit den hoge uit, bevrijd mij en red mij uit grote wateren, uit de macht der vreemden, 8 wier mond leugen spreekt, wier rechterhand een hand van bedrog is. 9 O God, een nieuw lied wil ik U zingen, met de tiensnarige harp wil ik U psalmzingen, 10 U, die de koningen de overwinning geeft, en David, uw knecht, bevrijdt van het boze zwaard. 11 Bevrijd en red mij uit de macht der vreemden, wier mond leugen spreekt, wier rechterhand een hand van bedrog is. 12 Dat onze zonen zijn als planten, hoog opgegroeid in haar jeugd, onze dochters als hoekzuilen, gebeeldhouwd als voor een paleis; 13 dat onze voorraadschuren gevuld zijn, leverende allerlei waren, dat onze kudden bij duizenden, bij tienduizenden zich vermeerderen op onze weiden; 14 dat onze runderen wèl dragen; dat er geen bres zij en geen vlucht, en geen geschreeuw op onze pleinen. 15 Welzalig het volk, waarmee het zo gaat! welzalig het volk, welks God de Here is!

12 februari

Genesis 31:1-211 En hij hoorde de zonen van Laban zeggen: Jakob heeft zich alles toegeëigend wat van onze vader was, en uit hetgeen van onze vader was heeft hij zich al deze rijkdom gevormd. 2 Ook lette Jakob op het gezicht van Laban, en zie, het was jegens hem niet als gisteren en eergisteren. 3 Toen zeide de Here tot Jakob: Keer terug naar het land uwer vaderen en naar uw maagschap, en Ik zal met u zijn. 4 Daarop liet Jakob Rachel en Lea roepen naar het veld, bij zijn kleinvee, en zeide tot haar: 5 Ik bemerk, dat het gezicht van uw vader jegens mij niet is als gisteren en eergisteren, maar de God mijns vaders is met mij geweest. 6 Ook weet gij zelf, dat ik met al mijn kracht uw vader gediend heb. 7 Maar uw vader heeft mij bedrogen en mijn loon tienmaal veranderd, doch God heeft hem niet toegelaten mij te benadelen. 8 Wanneer hij zeide: de gespikkelde zullen uw loon zijn, dan wierp al het kleinvee gespikkelde jongen; en wanneer hij zeide: de gestreepte zullen uw loon zijn, dan wierp al het kleinvee gestreepte jongen. 9 Zo heeft God de kudde uws vaders weggenomen en mij gegeven. 10 Het gebeurde eens in de tijd, toen het kleinvee bronstig was, dat ik mijn ogen opsloeg en ik zag in de droom, en zie, de bokken die het kleinvee besprongen, waren gestreept, gespikkeld en gevlekt. 11 En de Engel Gods zeide tot mij in de droom: Jakob. En ik zeide: Hier ben ik. 12 En Hij zeide: Sla toch uw ogen op en zie toe: al de bokken die het kleinvee bespringen, zijn gestreept, gespikkeld en gevlekt, want Ik heb gezien alles wat Laban u aandoet. 13 Ik ben de God van Betel, waar gij een opgerichte steen gezalfd hebt, waar gij Mij een gelofte gedaan hebt; welnu, maak u reisvaardig, ga uit dit land weg en keer naar het land uwer maagschap terug. 14 Toen antwoordden Rachel en Lea en zeiden tot hem: Hebben wij nog deel of erfenis in het huis van onze vader? 15 Zijn wij door hem niet als vreemden geacht, omdat hij ons verkocht heeft? Ook heeft hij ons geld geheel en al opgemaakt. 16 Doch al de rijkdom, die God van onze vader weggenomen heeft, die behoort ons en onze kinderen; nu dan, doe al wat God u gezegd heeft. 17 Toen maakte Jakob zich reisvaardig, zette zijn kinderen en zijn vrouwen op de kamelen, 18 en dreef zijn gehele kudde voort en al de have, die hij verworven had, de kudde, die zijn eigendom was, die hij in Paddan-Aram verworven had, om te gaan naar zijn vader Isaak, naar het land Kanaän. 19 Laban nu was heengegaan om zijn schapen te scheren. Toen stal Rachel de terafim van haar vader. 20 En Jakob misleidde de Arameeër Laban door hem niet te vertellen, dat hij wilde vluchten. 21 Zo vluchtte hij met alles wat hij had, begaf zich op weg, trok over de Rivier en sloeg de richting in naar het gebergte van Gilead.

God is met Jakob. Deze Immanuëlbelofte gaf de Here hem bij Betel en die herhaalt Hij in vers 33 Toen zeide de Here tot Jakob: Keer terug naar het land uwer vaderen en naar uw maagschap, en Ik zal met u zijn.. Ook verklaart Jakob aan Rachel en Lea (die volgorde) dat God met hem is (vers 55 Ik bemerk, dat het gezicht van uw vader jegens mij niet is als gisteren en eergisteren, maar de God mijns vaders is met mij geweest.) en dat alle voorspoed aan Zijn zegen is te danken. In de droom, een openbaringsmiddel van de HERE, heeft de Engel Gods hem verklaard welke dieren zich zouden vermeerderen. De Engel Gods is Christus, want Hij zegt: Ik ben de God van Betel, vers 1313 Ik ben de God van Betel, waar gij een opgerichte steen gezalfd hebt, waar gij Mij een gelofte gedaan hebt; welnu, maak u reisvaardig, ga uit dit land weg en keer naar het land uwer maagschap terug.. In wat Hij zegt, zien we dus dat het inderdaad slechts uit Gods bijzondere voorzienigheid te verklaren is waarom de gestreepte, gespikkelde en gevlekte door Jakob waren uitgekozen. We hoeven het de schapenfokker niet te vragen. Laban blijkt de bedrieger te zijn, wat ook Lea en Rachel beamen. Reeds bij Elimelechs komst was het Laban om goud en zilver te doen. Dat was dan ook zijn diepste reden om eerst Lea aan Jakob te geven. Hij wilde Jakob binden, om de zegen die God door hem gaf. Het was Laban niet om de Here te doen, maar om aardse rijkdom. Dat Jakob en zijn vrouwen vervolgens zonder afscheid vluchten wordt niet goedgekeurd. Maar bedenk eens wat uzelf zou doen. Gelovigen zijn nog niet volmaakt, maar uitverkoren zondaren, die Gods genade niet kunnen missen.

Verder lezen: Maleachi 3:1-121 Zie, Ik zend mijn bode, die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal; plotseling zal tot zijn tempel komen de Here, die gij zoekt, namelijk de Engel des verbonds, die gij begeert. Zie, Hij komt, zegt de Here der heerscharen. 2 Doch wie kan de dag van zijn komst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van de smelter en als het loog van de blekers. 3 Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend. Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver, opdat zij de Here in gerechtigheid offer brengen. 4 Dan zal het offer van Juda en van Jeruzalem de Here aangenaam zijn als in de dagen van ouds en als in vroegere jaren. 5 Ik zal tot u ten gerichte naderen; Ik zal een snelle aanklager zijn tegen de tovenaars, tegen de echtbrekers, tegen de meinedigen, tegen hen die het loon van de dagloner drukken, weduwe en wees verdrukken, en de vreemdeling terzijde dringen, maar Mij niet vrezen, zegt de Here der heerscharen. 6 Voorwaar, Ik, de Here, ben niet veranderd, en gij kinderen van Jakob, zijt niet verteerd. 7 Van de dagen uwer vaderen af zijt gij afgeweken van mijn inzettingen en hebt ze niet onderhouden. Keert terug tot Mij, dan zal Ik tot u terugkeren, zegt de Here der heerscharen. En dan zegt gij: In welk opzicht moeten wij terugkeren? 8 Mag een mens God beroven? Toch berooft gij Mij. En dan zegt gij: Waarin beroven wij U? In de tienden en de heffing. 9 Met de vloek zijt gij vervloekt, en Mij berooft gij, gij volk in zijn geheel. 10 Breng de gehele tiende naar de voorraadkamer, opdat er spijze zij in mijn huis; beproeft Mij toch daarmede, zegt de Here der heerscharen, of Ik dan niet voor u de vensters van de hemel zal openen en zegen in overvloed over u uitgieten. 11 Dan zal Ik, u ten goede, de afvreter dreigen, opdat hij de vrucht van uw land niet verderve en opdat de wijnstok op het veld voor u niet zonder vrucht zij, zegt de Here der heerscharen. 12 En alle volken zullen u gelukkig prijzen, omdat gij een land van welbehagen zijt, zegt de Here der heerscharen.

13 februari

Genesis 31:22-5522 Toen aan Laban op de derde dag werd bericht, dat Jakob gevlucht was, 23 nam hij zijn verwanten met zich mee, achtervolgde hem zeven dagreizen ver, en haalde hem in op het gebergte van Gilead. 24 En God kwam in een droom des nachts tot de Arameeër Laban en zeide tot hem: Neem u wel in acht, dat gij met Jakob niet ten goede of ten kwade spreekt. 25 Toen Laban Jakob bereikte, had Jakob zijn tent opgeslagen in het gebergte; ook Laban met zijn verwanten sloegen (hun tent) in het gebergte van Gilead op. 26 En Laban zeide tot Jakob: Wat hebt gij gedaan, dat gij mij misleid en mijn dochters als krijgsgevangenen weggevoerd hebt? 27 Waarom zijt gij heimelijk gevlucht en hebt gij mij misleid en het mij niet medegedeeld? Ik zou u dan uitgeleide hebben gedaan met vreugdebetoon en liederen, met tamboerijn en citer. 28 Gij hebt mij niet eens gelegenheid gegeven mijn zonen en dochters te kussen; zodoende hebt gij dwaas gehandeld. 29 Het is in mijn macht u kwaad te doen, maar de God van uw vader heeft gisterennacht tot mij gezegd: Neem u in acht, dat gij met Jakob niet ten goede of ten kwade spreekt. 30 Nu dan, als gij zijt heengegaan, enkel omdat gij zo vurig naar uws vaders huis verlangt, waarom hebt gij dan mijn goden gestolen? 31 Toen antwoordde Jakob en zeide tot Laban: Ik was bevreesd, omdat ik dacht, dat gij mij uw dochters zoudt ontrukken. 32 Bij wie gij uw goden vindt, die blijve niet in leven; onderzoek in tegenwoordigheid van onze verwanten al wat ik bij mij heb, en neem het mee. Want Jakob wist niet, dat Rachel ze gestolen had. 33 Toen kwam Laban in de tent van Jakob en in de tent van Lea en in de tent der beide slavinnen, maar hij vond ze niet. Nadat hij uit de tent van Lea gegaan was, kwam hij in de tent van Rachel. 34 Rachel nu had de terafim genomen en in het kameelzadel gelegd, en was daarop gaan zitten. En Laban doorzocht de gehele tent, maar vond ze niet. 35 En zij zeide tot haar vader: Mijn heer worde niet toornig, omdat ik voor u niet kan opstaan, want het gaat mij naar de wijze der vrouwen. En hij zocht nauwkeurig, maar vond de terafim niet. 36 Toen werd Jakob toornig en twistte met Laban, en Jakob antwoordde en zeide tot Laban: Wat is mijn overtreding, wat is mijn zonde, dat gij mij zo heftig achtervolgd hebt? 37 Nu gij al mijn huisraad doorzocht hebt, wat hebt gij gevonden van al het huisraad van uw huis? Leg het hier neer voor de ogen van mijn en uw broeders, opdat zij scheidsrechters tussen ons zijn. 38 Het is nu twintig jaar, dat ik bij u geweest ben; uw ooien en uw geiten hebben geen misdracht gehad en de rammen van uw kleinvee heb ik niet gegeten. 39 Wat verscheurd was, bracht ik niet tot u, ik moest het zelf vergoeden; wat gestolen was, hetzij bij dag, hetzij bij nacht, hebt gij van mijn hand geëist. 40 Zo ging het mij: des daags sloopte mij de hitte en des nachts de koude, en de slaap week van mijn ogen. 41 Het is nu twintig jaar, dat ik in uw huis geweest ben; ik heb u veertien jaar om uw beide dochters gediend en zes jaar om uw vee, en gij hebt mijn loon tienmaal veranderd. 42 Indien de God van mijn vader, de God van Abraham en de Vreze van Isaak, niet met mij was geweest, dan zoudt gij mij nu voorzeker met lege handen hebben weggezonden; mijn ellende en de arbeid mijner handen heeft God aangezien en Hij heeft gisterennacht het geding beslist. 43 Toen antwoordde Laban en zeide tot Jakob: Deze dochters zijn mijn dochters en deze kinderen zijn mijn kinderen en dit vee is mijn vee, ja, al wat gij ziet, dat is van mij; wat zou ik dan nu mijn eigen dochters en de kinderen die zij gebaard hebben, kunnen aandoen? 44 Welnu, komaan, laten wij een verbond sluiten, ik en gij, opdat het tot een getuige zij tussen mij en u. 45 Daarop nam Jakob een steen en zette die overeind als een opgerichte steen. 46 Voorts zeide Jakob tot zijn verwanten: Brengt stenen bijeen. Toen haalden zij stenen en maakten een hoop en zij hielden daar bij die hoop een maaltijd. 47 Laban noemde hem Jegar-Sahaduta, en Jakob noemde hem Gal-Ed. 48 En Laban zeide: Deze steenhoop zij heden getuige tussen mij en u. Daarom noemde hij hem Gal-Ed, 49 en ook Mispa, want hij zeide: De Here houde wacht tussen mij en u, wanneer wij van elkander gescheiden zullen zijn. 50 Indien gij mijn dochters vernederend behandelt, en indien gij behalve mijn dochters vrouwen neemt, zie toe, al is er niemand bij ons, God is getuige tussen mij en u. 51 Voorts zeide Laban tot Jakob: Zie, deze steenhoop, en zie, de opgerichte steen die ik geplaatst heb tussen mij en u - 52 deze steenhoop zij getuige, en de opgerichte steen zij getuige: voorzeker, ik zal deze steenhoop niet voorbijtrekken naar u toe, en gij zult deze hoop en deze opgerichte steen niet voorbijtrekken naar mij toe, met kwade bedoeling. 53 De God van Abraham en de God van Nachor, de God van hun vader, mogen richten tussen ons. Toen zwoer Jakob bij de Vreze van zijn vader Isaak. 54 En Jakob bracht een slachtoffer op die berg en nodigde zijn verwanten tot een maaltijd. En zij hielden de maaltijd en overnachtten op de berg. 55 De volgende morgen vroeg kuste Laban zijn zonen en dochters en zegende hen, en Laban keerde terug naar zijn woonplaats.

De Here wilde Jakob doen terugreizen. En om te voorkomen dat Laban hem en het zijne zou terugleiden, hetzij goedschiks, hetzij kwaadschiks, komt de Here tot Laban spreken in een droom. Door dit openbaringsmiddel wordt Laban door God gedwongen Jakob met rust te laten. Maar Laban zit nog met zijn afgodsbeeldje, waar Rachel ook nogal waarde aan hecht. Met vrouwensluwheid weet Rachel haar diefstal te maskeren. Daarom vindt Laban niets tegen Jakob. En dat veroorzaakt grote verontwaardiging bij Jakob. Hij beschrijft de harde handelwijze van Laban en kent dan zijn behoud en geluk toe aan de God van Abraham en de Vreze van Isaak. Machtig komt tot uitdrukking, hoe, ondanks onrechtvaardige behandeling door mensen, vele jaren lang, toch de Here zijn kinderen zegent. Voorspoed en zaligheid mag dus nooit aan onszelf, allerlei omstandigheden of werkwijze van andere mensen worden opgehangen. God is het, die in trouw aan Zijn verbond en woorden, zegent. Tenslotte wordt dankzij God, die toeziet, ook vrede tussen Laban en Jakob gesloten.

In alle strijd moet u zich aan God toevertrouwen, dat Hij voor uitkomst zorgt. Hij ziet toe.

Verder lezen: Spreuken 16:1-71 De mens heeft overleggingen des harten, maar het antwoord der tong is van de Here. 2 Al iemands wegen zijn rein in zijn ogen, maar de Here toetst de geesten. 3 Beveel de Here uw werken, dan zullen uw voornemens gelukken. 4 De Here heeft alles gemaakt voor zijn doel, ja, zelfs de goddeloze voor de dag des kwaads. 5 Iedere hooghartige is de Here een gruwel; voorwaar, hij blijft niet ongestraft. 6 Door liefde en trouw wordt de ongerechtigheid verzoend, door de vreze des Heren wijkt men van het kwaad. 7 Als iemands wegen de Here behagen, doet Hij zelfs diens vijanden vrede met hem maken.

14 februari

Genesis 32:1-211 Ook Jakob ging zijns weegs, en engelen Gods ontmoetten hem. 2 Toen hij hen zag, zeide Jakob: Dit is een leger Gods. Daarom noemde hij die plaats Machanaïm. 3 En Jakob zond boden voor zich uit tot zijn broeder Esau, naar het land Seïr, het gebied van Edom. 4 En hij gebood hun: Zo zult gij tot mijn heer, tot Esau, zeggen: Zo zegt uw knecht Jakob: ik heb als vreemdeling bij Laban vertoefd en ben daar tot nu toe gebleven. 5 En ik heb runderen, ezels en kleinvee, slaven en slavinnen verworven, en ik laat dit mijn heer meedelen om uw genegenheid te winnen. 6 De boden nu keerden tot Jakob terug en zeiden: Wij kwamen bij uw broeder, bij Esau, en hij is reeds op weg u tegemoet, met vierhonderd man bij zich. 7 Toen werd Jakob zeer bevreesd en het werd hem bang te moede; en hij verdeelde het volk dat bij hem was, en het kleinvee, de runderen en de kamelen in twee groepen. 8 Want hij dacht: Indien Esau op de ene groep afkomt en die verslaat, dan kan de groep die overblijft, ontkomen. 9 Toen zeide Jakob: O God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Isaak, Here, die tot mij gezegd hebt: keer terug naar uw land en naar uw maagschap en Ik zal u weldoen - 10 ik ben te gering voor al de gunstbewijzen en voor al de trouw, die Gij aan uw knecht bewezen hebt, want met mijn staf trok ik over de Jordaan hier en nu ben ik tot twee legers geworden. 11 Red mij toch uit de hand van mijn broeder, uit de hand van Esau, want ik ben bevreesd voor hem: misschien zal hij komen en mij verslaan, zowel moeder als kinderen. 12 Gij toch hebt gezegd: Ik zal u zeker weldoen en uw nageslacht maken als het zand der zee, dat wegens de menigte niet geteld kan worden. 13 En hij bleef daar die nacht over. Toen nam hij van hetgeen hij verworven had een geschenk voor zijn broeder Esau: 14 tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen, 15 dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezelhengsten. 16 En hij stelde ze onder de hoede van zijn slaven, elke kudde afzonderlijk, en zeide tot zijn slaven: Trekt voor mij uit en laat ruimte tussen de verschillende kudden. 17 En hij gebood de voorste: Als mijn broeder Esau u ontmoet en u vraagt: van wie zijt gij? en waarheen gaat gij? en van wie is dat vee daar voor u uit? 18 zeg dan: van uw knecht, van Jakob; dit is een geschenk, gezonden aan mijn heer, aan Esau, en zie, hij komt ook zelf achter ons aan. 19 En hij gebood zowel de tweede als de derde en verder allen die achter de kudden liepen: Aldus zult gij tot Esau spreken, als gij hem aantreft; 20 en gij zult zeggen: ook uw knecht Jakob komt daar reeds achter ons aan. Hij dacht namelijk: Laat ik hem verzoenen met het geschenk dat voor mij uitgaat, en daarna wil ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mij goedgunstig zijn. 21 Aldus ging het geschenk vóór hem uit, maar zelf bleef hij die nacht in de legerplaats.

Het gebed dat Jakob hier bidt tot God is van grote schoonheid. Juist omdat hij pleit op Gods rijke beloften die Hij hem had gedaan. Ook verootmoedigt hij zich en kent al zijn voorspoed aan Gods zegeningen toe. Zo’n gebed wordt zeker van God verhoord. We mogen bouwen en vertrouwen op zijn genade, zoals Hij die genade door Christus aan ons bewijst.

Jakob behoefde niet zo doodsbenauwd te zijn voor Esau. Hij had toch engelenlegers bij zich gezien? Die konden met gemak het legertje van Esau verslaan. Maar Jakob is toch heel bang. Hij neemt van allerlei voorzorgsmaatregelen om Esau mild te stemmen, maar hij is er niet gerust op. Het zal het geweten zijn. Enorme gaven geeft hij afzonderlijk. Zijn vermogen is zeer aanzienlijk, wat weer wijst op Gods overduidelijke zegeningen. Dit alles geeft Jakob met de gedachte: “misschien zal hij mij goedgunstig zijn.” Zo is dat vaak bij mensenkinderen. Je weet maar nooit hoe de vlag erbij hangt en of ze vergevingsgezind zijn danwel voortdurend op wraak en vergelding uit zijn. Daarom moet ook alleen op de Here vertrouwd worden en van Hem verlossing afgebeden worden. Dan vindt het hart rust en zekerheid, in de trouwe God van het verbond.

Verder lezen: Psalm 801 Voor de koorleider. Op de wijze van: De leliën. Een getuigenis van Asaf. Een psalm. 2 Herder Israëls, neem ter ore! Gij, die Jozef leidt als schapen, Gij, die op de cherubs troont, verschijn in lichtglans. 3 Wek uw sterkte op vóór Efraïm, Benjamin en Manasse; en kom tot onze verlossing. 4 O God, herstel ons, doe uw aanschijn lichten, opdat wij verlost worden. 5 Here, God der heerscharen, hoelang brandt (uw toorn) tegen het gebed van uw volk? 6 Gij hebt hen tranenbrood doen eten, hen tranen doen drinken in overvloed. 7 Gij hebt ons tot een twistappel voor onze naburen gesteld, en onze vijanden bespotten ons. 8 O God der heerscharen, herstel ons, doe uw aanschijn lichten, opdat wij verlost worden. 9 Gij hebt een wijnstok uit Egypte uitgegraven, Gij hebt volken verdreven en hèm geplant. 10 Gij hebt (de grond) voor hem toebereid, zodat hij wortelen schoot en het land vulde. 11 Bergen waren met zijn schaduw bedekt, en ceders Gods met zijn twijgen; 12 hij breidde zijn takken uit tot aan de zee, zijn scheuten tot aan de Rivier. 13 Waarom hebt Gij zijn muren doorbroken, zodat ieder die langs de weg voorbijgaat, ervan plukt, 14 het everzwijn uit het woud hem afvreet, en wat op het veld zich roert, hem afweidt? 15 O God der heerscharen, keer toch weder, aanschouw uit de hemel en zie, en sla acht op deze wijnstok, 16 de stek die uw rechterhand heeft geplant, op de zoon die Gij U hebt grootgebracht. 17 Als afval is hij met vuur verbrand; door uw dreigende aanblik gaan zij te gronde. 18 Uw bescherming zij over de man van uw rechterhand, over het mensenkind dat Gij U hebt grootgebracht. 19 Dan zullen wij niet van U wijken; maak ons levend, dan zullen wij uw naam aanroepen. 20 Here, God der heerscharen, herstel ons, doe uw aanschijn lichten, opdat wij verlost worden.

15 februari

Jakob had grote geschenken gezonden, maar geen bericht terug ontvangen. Hij moet afwachten hoe de vlag er bij Esau bij hangt. Aan slapen komt hij niet toe en bang voor het zwaard brengt hij ’s nachts zijn gezin in veiligheid. En dan ontmoet hij de Here in de gedaante van een mens en strijdt met Hem. Het is een ronduit wonderlijke worsteling in de nacht. Is de aanleiding van dit gevecht soms Jakobs angst voor Esau? En dat hij met het verkrijgen van Gods zegen weer verder kan, doordat zijn vertrouwen zo versterkt wordt? Dat Jakob de Man niet wil laten gaan en diens zegen opeist, is een aanwijzing dat Jakob wel wist dat hij niet slechts met een mens van doen had. Hij streed dus met God in mensengedaante. Hij won de worsteling, kreeg de naam Israël, maar betaalde de prijs met een aangetaste heupspier. Nu was hij er van doordrongen dat God hem in het leven had behouden en dus zal redden van Esau. De Here zal hem beschermen en behouden. Door strijd met God en mensen heen, was Jakob daar nu weer ten volle van overtuigd. Deze strijd van het geloof, die God ons aandoet, wordt overwonnen door geloof in Christus. Hij is de Man, die voor ons streed en overwon.

Verder lezen: Efeziërs 6:10-2010 Voorts, weest krachtig in de Here en in de sterkte zijner macht. 11 Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels; 12 want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. 13 Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden. 14 Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid, bekleed met het pantser der gerechtigheid, 15 de voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes; 16 neemt bij dit alles het schild des geloofs ter hand, waarmede gij al de brandende pijlen van de boze zult kunnen doven; 17 en neemt de helm des heils aan en het zwaard des Geestes, dat is het woord van God. 18 En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen; 19 ook voor mij, dat mij bij het openen van mijn mond het woord geschonken worde, om vrijmoedig het geheimenis van het evangelie bekend te maken, 20 waarvoor ik een gezant ben in ketenen. Dan zal ik daartoe vrijmoedig kunnen optreden, zoals ik behoor te spreken.

16 februari

Genesis 331 Jakob nu sloeg zijn ogen op en daar zag hij Esau aankomen, en met hem vierhonderd man. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea en Rachel en de beide slavinnen. 2 Hij plaatste de slavinnen en haar kinderen vooraan, Lea en haar kinderen daarachter, en Rachel en Jozef achteraan. 3 En zelf ging hij voor hen uit en boog zich zevenmaal ter aarde, totdat hij bij zijn broeder gekomen was. 4 Maar Esau snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem, en zij weenden. 5 Daarna sloeg hij zijn ogen op, zag de vrouwen en de kinderen, en vroeg: Wie hebt gij daar bij u? En hij antwoordde: De kinderen, die God in zijn genade aan uw knecht geschonken heeft. 6 Daarop naderden de slavinnen met haar kinderen en bogen zich neer. 7 Vervolgens naderde ook Lea met haar kinderen en zij bogen zich neer. En ten laatste naderden Jozef en Rachel en zij bogen zich neer. 8 Toen zeide hij: Wat bedoelt gij met die gehele schare, die ik ontmoette? En hij zeide: Om de genegenheid van mijn heer te winnen. 9 Maar Esau zeide: Ik heb al veel, mijn broeder; wat gij hebt, blijve het uwe. 10 Doch Jakob zeide: Geenszins, indien gij mij genegen zijt, neem dan mijn gave uit mijn hand aan, omdat ik uw aangezicht gezien heb zoals men het aangezicht Gods ziet, en gij welgevallen aan mij gehad hebt. 11 Neem toch mijn geschenk, dat u gebracht werd, want God is mij genadig geweest en ik heb alles. En hij hield bij hem aan, zodat hij het nam. 12 En hij zeide: Laat ons toch opbreken en verder reizen; ik wil u begeleiden. 13 Maar hij zeide tot hem: Mijn heer weet, dat de kinderen teer zijn, en dat ik kleinvee en zogende runderen bij mij heb; zou men die één dag al te zeer jagen, dan zou de gehele kudde sterven. 14 Mijn heer trekke toch vóór zijn knecht uit en ik wil op mijn gemak verder trekken naar de tred van het vee, dat vóór mij uitgaat, en naar de tred van de kinderen, totdat ik bij mijn heer in Seïr kom. 15 Toen zeide Esau: Laat mij dan van het volk dat bij mij is, enigen bij u achterlaten. Maar hij zeide: Waarom toch? Laat mij de genegenheid van mijn heer winnen. 16 Dus ging Esau die dag weer zijns weegs, naar Seïr. 17 Maar Jakob brak op naar Sukkot en hij bouwde zich daar een huis, en voor zijn kudde maakte hij hutten. Daarom noemde hij die plaats Sukkot. 18 Jakob kwam op zijn tocht uit Paddan-Aram behouden bij de stad Sichem, in het land Kanaän en sloeg zijn legerplaats ten oosten van de stad op; 19 hij kocht voor honderd geldstukken het stuk land waarop hij zijn tent gespannen had, van de zonen van Hemor, de vader van Sichem. 20 Daar richtte hij een altaar op en noemde dat: De God van Israël is God.

Jakob was een doorzetter. Een strijder. Israël werd zijn naam. Ook hier zien wij zijn vasthoudendheid in het geven van geschenken aan Esau. Het is ook, als gaf hij die gaven aan God. Want dat zei hij tegen zijn broer: “omdat ik uw aangezicht gezien heb zoals men het aangezicht Gods ziet”. Welk een strijd had Jakob dan ook gevoerd om deze ontmoeting met Esau in vrede te hebben. Daarin is Gods bijzondere gunst toch op te merken waar Jakob steeds op gehoopt zal hebben. Al zijn voorzorgsmaatregelen ten aanzien van Esau’s komst waren tenslotte overbodig gebleken. God had het hart van Esau ten gunste gekeerd ten aanzien van Jakob. De ontmoeting werd een zeer emotioneel weerzien. Esau biedt Jakob zelfs allerlei hulp en bescherming aan. Maar die acht Jakob niet nodig, want de HERE is met hem. Hij bouwt een tentenkamp en koopt land, en evenals zijn vader Abraham richt hij een altaar op midden tussen de heidenen. De God van Israël, die alleen God is, Hem komt het offer toe. Hem komt de lof en de eer toe. Want Hij is nabij hen, die Hem vrezen. Hij gaat met de zijnen mee, overal waar zij gaan en Hij brengt hen weer thuis in het beloofde land. Hij is hun Hoop en hun Lot.

Verder lezen: 1 Koningen18:30-39

17 februari

Genesis 341 Dina, de dochter van Lea, die zij Jakob gebaard had, ging eens uit om de dochters des lands te bezoeken. 2 Toen zag haar Sichem, de zoon van de Chiwwiet Hemor, de vorst des lands, en hij nam haar en lag bij haar en verkrachtte haar. 3 En hij was aan Dina, de dochter van Jakob, innig gehecht; hij had het meisje lief en sprak tot het hart van het meisje. 4 Daarom zeide Sichem tot zijn vader Hemor: Neem mij dit meisje tot vrouw. 5 Jakob nu had gehoord, dat hij zijn dochter Dina onteerd had. Daar zijn zonen bij zijn kudde in het veld waren, zweeg Jakob erover totdat zij thuiskwamen. 6 Hemor nu, de vader van Sichem, ging tot Jakob om met hem te spreken. 7 De zonen van Jakob kwamen thuis uit het veld, zodra zij het hoorden; de mannen waren gegriefd en zeer toornig, omdat hij een schandelijke dwaasheid in Israël begaan had door bij de dochter van Jakob te liggen, want zo iets doet men niet. 8 En Hemor sprak met hen en zeide: Mijn zoon Sichem hangt met heel zijn hart aan uw dochter; geeft haar dan aan hem tot vrouw, 9 en verzwagert u met ons; geeft ons uw dochters en neemt onze dochters voor u, 10 woont dan bij ons: het land ligt voor u open; zet u daar neder, trekt daarin rond en vestigt u daar. 11 En Sichem zeide tot haar vader en tot haar broeders: Schenkt mij toch uw genegenheid; ik zal u geven wat gij mij zegt. 12 Al maakt gij mij de bruidsprijs en de huwelijksgift nog zo hoog, ik zal geven wat gij mij zult zeggen; maar geeft mij het meisje tot vrouw. 13 Toen antwoordden de zonen van Jakob Sichem en zijn vader Hemor bedrieglijk en spraken, omdat hij hun zuster Dina onteerd had, tot hen als volgt: 14 Wij kunnen dit niet doen, onze zuster aan een man geven, die onbesneden is, want dat zou voor ons een schande zijn. 15 Slechts op deze voorwaarde kunnen wij u ter wille zijn: indien gij ons gelijk wordt, doordat bij u al wie mannelijk is, besneden wordt; 16 dan zullen wij u onze dochters geven, en uw dochters voor ons nemen, en wij zullen bij u wonen, en wij zullen tot één volk zijn. 17 Maar indien gij naar ons niet luistert en u niet laat besnijden, dan nemen wij onze dochter mee en gaan heen. 18 En hun woorden vonden bijval bij Hemor en bij Sichem, de zoon van Hemor. 19 En de jonge man draalde niet dit te doen, want hij had behagen in de dochter van Jakob en hij was de aanzienlijkste in zijn gehele familie. 20 Toen gingen Hemor en zijn zoon Sichem naar de poort hunner stad en spraken tot de mannen van hun stad: 21 Die mannen hebben vredelievende bedoelingen jegens ons; laten zij wonen in dit land en daarin rondtrekken; het land is immers ruim genoeg voor hen. Wij kunnen dan hun dochters voor ons tot vrouwen nemen en onze dochters kunnen wij hun geven. 22 Maar slechts op deze voorwaarde zullen die mannen ons ter wille zijn om bij ons te wonen, zodat wij één volk zijn: dat van ons al wie mannelijk is, besneden worde, zoals zij besneden zijn. 23 Hun kudde, hun have en al hun vee, zullen die niet ons toebehoren? Laat ons hun slechts ter wille zijn, zodat zij bij ons blijven wonen. 24 Toen vonden Hemor en zijn zoon Sichem gehoor bij allen die uitgegaan waren naar de poort van zijn stad, en besneden werd al wie mannelijk was, allen die naar de poort van zijn stad waren uitgegaan. 25 Op de derde dag nu, toen zij hevige pijn leden, namen twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broeders van Dina, ieder zijn zwaard en zij overvielen de argeloze stad en doodden al wie mannelijk was. 26 Ook Hemor en zijn zoon Sichem doodden zij met de scherpte des zwaards, en zij namen Dina mee uit het huis van Sichem en gingen weg. 27 De zonen van Jakob wierpen zich op de verslagenen en plunderden de stad, omdat zij hun zuster onteerd hadden. 28 Hun kleinvee en rundvee, hun ezels en al wat in de stad en op het veld was, namen zij mee. 29 En hun gehele bezit, al hun kleine kinderen en hun vrouwen namen zij gevangen en zij maakten die buit, evenals alles wat in de huizen was. 30 Toen zeide Jakob tot Simeon en Levi: Gij hebt mij in het ongeluk gestort door mij in een kwade reuk te brengen bij de inwoners van dit land, bij de Kanaänieten en de Perizzieten, terwijl ik slechts met weinige lieden ben; als zij tegen mij samenspannen, zullen zij mij verslaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis. 31 Maar zij zeiden: Mocht hij soms onze zuster als een hoer behandelen?

Of Dina er wel zo goed aan deed erop uit te gaan om vriendinnen te worden met heidense meisjes is geen onterechte vraag. In ieder geval beging Sichem de eerste misdaad in de hier beschreven geschiedenis. De Bijbel laat het misdadig handelen van mensen niet onbesproken. Zonder enige terughouding wordt het zondig handelen van mensen beschreven. Zowel wat betreft Sichem als van Simeon en Levi en de andere zonen van Jakob. Sichem dacht als zoon van de vorst, als voornaam man, zich van alles te kunnen veroorloven. Zo gaat dat vaker met hooggeplaatsten. Ze denken vanwege hun aanzien boven de wet te staan en te kunnen doen wat ze willen. Uiteraard waren de Sichemieten qua macht sterker dan het herdersvolk, maar daar weten de zonen van Jakob wel raad mee. Bedrieglijk handelen hoefden ze niet te leren. De ongebreidelde begeerte van Sichem, en de wens tot vermenging met Jakobs nageslacht, brengt hen ten val, door het sluw en listig handelen van Jakobs zonen. De eerwraak was verwoed en wreed. Het heilig teken van het verbond misbruikt om eigen woede te botvieren. Dat komt hen duur te staan (zie hoofdstuk 49:5-75 Simeon en Levi zijn broeders; hun gereedschappen zijn werktuigen van geweld. 6 Mijn ziel hebbe geen deel aan hun beraadslaging, mijn geest sluite zich niet aan bij hun vergadering, want in hun toorn hebben zij mannen gedood en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden. 7 Vervloekt zij hun toorn, want die is hevig, en hun grimmigheid, want die is hard. Ik zal hen verdelen onder Jakob en verstrooien onder Israël.) Hoe nu verder? Vraagt vader Jakob zich dan af.

Verder lezen: Richteren 191 Nu gebeurde het in die dagen, toen er geen koning in Israël was, dat diep in het gebergte van Efraïm een Leviet als vreemdeling vertoefde, die zich een bijvrouw uit Betlehem in Juda genomen had. 2 Maar zijn bijvrouw werd hem ontrouw en liep van hem weg naar het huis van haar vader te Betlehem in Juda, waar zij vier volle maanden bleef. 3 En haar man maakte zich reisvaardig en ging haar achterna, om op haar gemoed te werken en haar terug te brengen; zijn knecht en een span ezels had hij bij zich. Toen de jonge vrouw hem in het huis van haar vader gebracht had, en haar vader hem zag, ging hij hem verheugd tegemoet. 4 Zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, hield hem bij zich; en drie dagen bleef hij bij hem; zij aten, dronken en overnachtten daar. 5 Maar op de vierde dag, toen zij vroeg in de morgen waren opgestaan en hij zich gereed maakte om te vertrekken, zeide de vader van de jonge vrouw tot zijn schoonzoon: Verkwik u eerst met een stuk brood en daarna moogt gij vertrekken. 6 Dus bleven zij nog en aten en dronken beiden tezamen. Toen zeide de vader van de jonge vrouw tot de man: Stem erin toe om te blijven overnachten en wees vrolijk. 7 En toen de man opstond om toch weg te gaan, hield zijn schoonvader bij hem aan, zodat hij daar weer bleef overnachten. 8 Maar op de vijfde dag, toen hij vroeg in de morgen opstond om te vertrekken, zeide de vader van de jonge vrouw: Verkwik u toch eerst, en blijf nog wat, totdat de dag ten avond neigt. En zij aten samen. 9 Toen de man opstond om te vertrekken met zijn bijvrouw en zijn knecht, zeide zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, tot hem: Zie, de dag neigt ten avond; blijf toch overnachten, zie, hoe de dag voorbij is, blijf hier overnachten en wees vrolijk; dan kunt gij morgen vroeg opstaan voor uw reis en naar huis gaan. 10 Maar de man wilde niet blijven overnachten en maakte zich reisvaardig en vertrok. Zo kwam hij tot tegenover Jebus - dat is Jeruzalem - tezamen met zijn span gezadelde ezels en zijn bijvrouw. 11 Toen zij dicht bij Jebus waren en de zon laag gedaald was, zeide de knecht tot zijn heer: Laten wij nu toch afslaan naar deze stad der Jebusieten en daar overnachten. 12 Maar zijn heer antwoordde hem: Wij zullen niet afslaan naar een vreemde stad, waar geen Israëlieten wonen, maar verder trekken tot Gibea. 13 Ook zeide hij tot zijn knecht: Kom, laten wij trachten de een of andere plaats te bereiken en te Gibea of te Rama overnachten. 14 Toen zij verder trokken op hun tocht, ging de zon onder bij Gibea, dat tot Benjamin behoort. 15 Daarom sloegen zij daarheen af om te Gibea te gaan overnachten, en toen zij daar gekomen waren, bleven zij op het stadsplein. Maar er was niemand, die hen naar huis meenam om te overnachten. 16 Maar zie, daar kwam des avonds een oud man van zijn werk, van het veld. Die man was uit het gebergte van Efraïm en woonde als vreemdeling te Gibea; de bewoners van die plaats waren Benjaminieten. 17 Toen hij opkeek en de reiziger op het stadsplein zag, zeide de oude man: Waar gaat gij heen en vanwaar komt gij? 18 Hij antwoordde hem: Wij trekken uit Betlehem in Juda tot diep in het gebergte van Efraïm. Ik ben daarvandaan; ik ben naar Betlehem in Juda geweest en ben op weg naar huis, nu is er niemand, die mij meeneemt naar zijn huis, 19 ofschoon ik stro en voeder voor onze ezels heb zowel als brood en wijn voor mij zelf, voor uw dienstmaagd en de knecht, die uw dienstknecht bij zich heeft; er ontbreekt ons niets. 20 Toen zeide de oude man: Vrede zij u! Laat mij maar zorgen voor al wat gij nodig hebt; op het plein echter moet gij niet overnachten. 21 Daarop bracht hij hem naar zijn huis en gaf voeder aan de ezels; en zij wiesen hun voeten, aten en dronken. 22 Maar zie, terwijl zij zich te goed deden, omsingelden de mannen der stad, nietswaardigen, het huis, bonsden op de deur en zeiden tot de oude man, de heer des huizes: Breng de man, die in uw huis gekomen is, naar buiten, opdat wij gemeenschap met hem hebben. 23 Toen ging de man, de heer des huizes, naar hen toe, buiten en zeide tot hen: Neen, mijn broeders, doet toch geen kwaad; nu deze man in mijn huis gekomen is, moet gij deze schandelijke dwaasheid niet begaan. 24 Zie, mijn dochter, die een maagd is, en zijn bijvrouw wil ik wel naar buiten brengen; verkracht haar en doet met haar wat gij wilt, maar met deze man moet gij deze schandelijke dwaasheid niet begaan. 25 Maar de mannen wilden niet naar hem luisteren. Toen greep de man zijn bijvrouw en bracht haar bij hen buiten, waarop zij gemeenschap met haar hadden en de gehele nacht met haar bezig waren tot de morgen toe. Bij het aanbreken van de dag lieten zij haar gaan. 26 Zo kwam de vrouw, bij het naderen van de morgen, viel neer bij de ingang van het huis van de man, waar haar heer was, (en bleef daar liggen) totdat het licht was geworden. 27 Toen haar heer des morgens was opgestaan, de deuren van het huis opende en naar buiten trad om zijns weegs te gaan, zie, daar lag de vrouw, zijn bijvrouw, bij de ingang van het huis met haar handen op de drempel. 28 En hij zeide tot haar: Sta op, laten wij vertrekken. Maar er kwam geen antwoord. Toen legde de man haar op de ezel, maakte zich reisvaardig en ging naar zijn woonplaats. 29 Thuis gekomen, greep hij een mes, nam zijn bijvrouw, verdeelde haar, lid voor lid, in twaalf stukken en zond haar rond in het gehele gebied van Israël. 30 En ieder die dit zag, zeide: Zo iets is nooit gebeurd noch gezien van de dag af, dat de Israëlieten uit het land Egypte trokken, tot op deze dag. Overlegt het, beraadt u en spreekt!

18 februari

Genesis 35:1-151 En God zeide tot Jakob: Maak u reisvaardig, trek naar Betel, blijf daar, en richt er een altaar op voor de God, die u verschenen is, toen gij vluchttet voor uw broeder Esau. 2 Toen zeide Jakob tot zijn huis en tot allen die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden die in uw midden zijn, reinigt u en verwisselt uw klederen. 3 Laten wij ons dan gereed maken en naar Betel trekken, en ik zal daar een altaar oprichten voor die God, die mij geantwoord heeft ten dage mijner benauwdheid, en die met mij geweest is op de weg die ik gegaan ben. 4 Toen gaven zij Jakob al de vreemde goden die in hun bezit waren, en de ringen die in hun oren waren, en Jakob begroef ze onder de terebint die bij Sichem is. 5 Daarna braken zij op. En de schrik voor God viel op de steden rondom hen, zodat zij de zonen van Jakob niet achtervolgden. 6 Toen Jakob aangekomen was te Luz, in het land Kanaän, - dat is Betel - hij en al het volk dat bij hem was, 7 bouwde hij daar een altaar, en hij noemde die plaats El-Betel, omdat God Zich daar aan hem geopenbaard had, toen hij voor zijn broeder vluchtte. 8 Toen Debora, de voedster van Rebekka, gestorven was, werd zij begraven beneden Betel onder een eik, en men noemde die: Eik van geween. 9 En God verscheen wederom aan Jakob, bij zijn komst uit Paddan-Aram, en zegende hem; 10 en God zeide tot hem: Gij heet Jakob; gij zult niet meer Jakob heten, maar Israël zal uw naam zijn. En Hij noemde hem Israël. 11 En God zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wees vruchtbaar en word talrijk; een volk, ja een menigte van volken, zal uit u ontstaan, en koningen zullen uit uw lendenen voortkomen. 12 En dit land, dat Ik Abraham en Isaak gegeven heb, zal Ik u geven; en uw nageslacht zal Ik dit land geven. 13 En God voer op van hem ter plaatse, waar Hij met hem gesproken had. 14 En Jakob zette een opgerichte steen ter plaatse, waar Hij met hem gesproken had, een stenen zuil, en hij stortte een plengoffer erover uit en goot er olie op. 15 En Jakob noemde de plaats, waar God met hem gesproken had, Betel.

Reformatie in de tenten van Jakob. De Here sprak tot Jakob om naar Betel (=huis van God) terug te gaan. Om daar gedachtenis te stichten aan wat de Here allemaal gedaan had de afgelopen jaren. Wat een trouwe zorg had Hij Jakob bewezen, en hoe groot waren de zegeningen wel niet, waarmee Hij hem gezegend had. Met niet meer dan een staf in de hand vertrok hij en nu was hij tot een volk geworden met vrouwen en kinderen en slaven en vee; heel veel vee. Uit gevaren heeft de Here hem verlost en wie hem benadeelden kwamen er bekaaid van af. Maar om de Here te ontmoeten te Betel, mag er geen plaats zijn voor enige afgod. Rachel moet de terafim van haar vader nu achter zich laten. Weg met die nepgoden, onder de grond er mee, de plaats van het verderf. Voor de wormen.

God herhaalt en bevestigt Zijn beloften aan Jakob. Hij spreekt met hem, allicht in de gedaante van een engel. Zijn verbond blijft Hij gedenken en Zijn beloften zal Hij vervullen.

Gedenk vandaag hoe de Here u de afgelopen jaren geholpen en gered heeft. Hoeveel zegeningen Hij u heeft toebedeeld. Veel redenen om Hem te danken en te eren. Zijn goedertierenheid blijft tot in eeuwigheid.

Verder lezen: Psalm 107:1-91 Looft de Here, want Hij is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. 2 Dat de verlosten des Heren zo spreken, die Hij uit de macht van de tegenstander heeft verlost 3 en uit de landen heeft verzameld, van het oosten en van het westen, van het noorden en van de zee. 4 Er waren er, die dwaalden in de woestijn, op een eenzame weg, een stad ter woning vonden zij niet; 5 hongerig waren zij, ja dorstig, hun ziel versmachtte in hen. 6 Toen riepen zij tot de Here in hun benauwdheid, en Hij redde hen uit hun angsten; 7 Hij deed hen treden op een effen weg om te gaan naar een stad ter woning. 8 Dat zij de Here loven om zijn goedertierenheid en om zijn wonderen aan de mensenkinderen, 9 omdat Hij de dorstende ziel heeft gelaafd en de hongerende ziel met het goede vervuld.

19 februari

Genesis 35:16-2916 Daarna braken zij op uit Betel. Toen zij nog maar een eindweegs van Efrat verwijderd waren, baarde Rachel, en zij had een moeilijke bevalling. 17 En terwijl zij die moeilijke bevalling had, zeide de vroedvrouw tot haar: Vrees niet, ook ditmaal hebt gij een zoon. 18 En toen haar het leven ontvlood - want zij stierf - noemde zij hem Ben-Oni, maar zijn vader noemde hem Benjamin. 19 Zo stierf Rachel en werd begraven aan de weg naar Efrat, dat is Betlehem. 20 En Jakob zette op haar graf een opgerichte steen, dat is de opgerichte steen van Rachels graf tot op heden. 21 Daarna brak Israël op en spande zijn tent aan de andere zijde van Migdal-Eder. 22 En toen Israël in dit land woonde, ging Ruben heen en lag bij Bilha, de bijvrouw van zijn vader, en Israël hoorde het. De zonen van Jakob nu waren twaalf in getal. 23 De zonen van Lea: de eerstgeborene van Jakob, Ruben, voorts Simeon, Levi, Juda, Issakar en Zebulon. 24 De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin. 25 Verder de zonen van Bilha, de slavin van Rachel: Dan en Naftali. 26 Vervolgens de zonen van Zilpa, de slavin van Lea: Gad en Aser. Dit zijn de zonen van Jakob, die hem geboren zijn in Paddan-Aram. 27 En Jakob kwam bij zijn vader Isaak te Mamre bij Kirjat-Arba - dat is Hebron - waar Abraham en Isaak als vreemdeling vertoefd hadden. 28 En de dagen van Isaak waren honderd tachtig jaar. 29 En Isaak gaf de geest en stierf en hij werd tot zijn voorgeslacht vergaderd, oud en van het leven verzadigd, en zijn zonen Esau en Jakob begroeven hem.

Het is uiteraard niet te ontkennen dat het zwaar voor Rachel was bij de geboorte van haar tweede kind te moeten sterven. Evenwel laat zij zich niet opwekken met het blijde bericht dat ze een zoon kreeg. Ze zinkt als het ware weg in haar onheil en trekt haar kind daar bijna in mee. Jakob verhindert dat. Zijn zoon zal niet zijn leven slijten in de voortdurende herinnering aan Rachels dood, daar is die steen voor, maar hij zal leven als de zoon van mijn rechterhand. Een erenaam. We zien hier hoe Jakob door geloof berust in het lot, maar ook het kwade tot het goede keert. In zoverre dat in zijn macht ligt uiteraard. Dit hebben wij vandaag de dag, door het geloof, evengoed doen. In alles wat God toebedeelt, ook het sterven van geliefden, is in geloof uitkomst te zien. Want God is het die zijn beloften geeft en troost biedt. Zijn oordelen zijn altijd rechtvaardig en goed. Dat geeft zekerheid, dat Hij het goed zal maken. Want na dit leven volgt meer. Daarop moeten de ogen ook gericht worden, als ziende de Onzienlijke. Ook als de ogen blind zijn. Zoals die van Isaak. Die op hoge leeftijd, lang nadat hij de zegen gaf, de geest gaf. En dat in bezit van Gods belofte, die de Here aan Israël zou gestand doen. Zijn werk gaat altijd door en voort.

Verder lezen: Jeremia 31:15-1715 Zo zegt de Here: Hoor, te Rama klinkt een klacht, bitter geween: Rachel weent om haar kinderen, zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat er geen meer is. 16 Zo zegt de Here: Weerhoud uw stem van wenen, uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, luidt het woord des Heren, zij zullen terugkeren uit het land van de vijand. 17 Ja, er is hoop voor uw toekomst, luidt het woord des Heren, de kinderen zullen naar hun gebied terugkeren. en Matteüs 2:13-2113 Toen zij weggetrokken waren, zie, een engel des Heren verschijnt Jozef in de droom en zegt: Sta op, neem het kind en zijn moeder en vlucht naar Egypte, en blijf aldaar, totdat Ik het u zeg; want Herodes zal alles in het werk stellen om het kind om te brengen. 14 Hij stond op en hij nam in de nacht het kind en zijn moeder en week uit naar Egypte, 15 en daar bleef hij tot de dood van Herodes, opdat vervuld zou worden hetgeen de Here door de profeet gesproken heeft, toen hij zeide: Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen. 16 Toen Herodes zag, dat hij door de wijzen misleid was, ontstak hij in hevige toorn en zond bevel om in Betlehem en het gehele gebied daarvan al de jongens van twee jaar oud en daar beneden om te brengen, in overeenstemming met de tijd, die hij bij de wijzen had uitgevorst. 17 Toen werd vervuld het woord, gesproken door de profeet Jeremia, toen hij zeide: 18 Een stem is te Rama gehoord, geween en veel geklaag: Rachel, wenend om haar kinderen, weigert zich te laten troosten, omdat zij niet meer zijn. 19 Toen Herodes gestorven was, zie, een engel des Heren verschijnt in de droom aan Jozef in Egypte, 20 en zegt: Sta op, neem het kind en zijn moeder en reis naar het land Israël, want zij, die het kind naar het leven stonden, zijn gestorven. 21 En hij stond op en hij nam het kind en zijn moeder en kwam in het land Israël.

20 februari

Genesis 361 Dit zijn de nakomelingen van Esau, dat is Edom. 2 Esau nam zijn vrouwen uit de dochters van Kanaän, Ada, dochter van de Hethiet Elon, en Oholibama, dochter van Ana, dochter van de Chiwwiet Sibon, 3 en Basemat, dochter van Ismaël, zuster van Nebajot. 4 En Ada baarde aan Esau Elifaz, en Basemat baarde Reüel, 5 en Oholibama baarde Jeüs, Jalam en Korach. Dit waren de zonen van Esau, die hem in het land Kanaän geboren zijn. 6 Esau nu nam zijn vrouwen, zijn zonen, zijn dochters en al de lieden die tot zijn huis behoorden, zijn kudde, al zijn vee en al zijn have, die hij in het land Kanaän verworven had, en hij ging van zijn broeder Jakob weg, naar een (ander) land. 7 Want hun have was te veel dan dat zij konden samenwonen, en het land hunner vreemdelingschap kon hen niet onderhouden vanwege hun kudden. 8 Daarom ging Esau op het gebergte Seïr wonen; Esau, dat is Edom. 9 Dit zijn de nakomelingen van Esau, de vader van de Edomieten, op het gebergte Seïr. 10 Dit zijn de namen der zonen van Esau: Elifaz, de zoon van Esaus vrouw Ada; Reüel, de zoon van Esaus vrouw Basemat. 11 En de zonen van Elifaz waren Teman, Omar, Sefo, Gatam en Kenaz. 12 Timna was een bijvrouw van Elifaz, de zoon van Esau, en zij baarde aan Elifaz Amalek; dit waren de zonen van Esaus vrouw Ada. 13 En dit waren de zonen van Reüel: Nachat, Zerach, Samma en Mizza; dit waren de zonen van Esaus vrouw Basemat. 14 En dit waren de zonen van Esaus vrouw Oholibama, dochter van Ana, dochter van Sibon, zij baarde aan Esau Jeüs, Jalam en Korach. 15 Dit waren de stamhoofden der zonen van Esau: de zonen van Elifaz, de eerstgeborene van Esau, waren de stamhoofden Teman, Omar, Sefo, Kenaz, 16 Korach, Gatam, Amalek; dit waren de stamhoofden van Elifaz in het land Edom; dit waren de zonen van Ada. 17 En dit waren de zonen van Reüel, de zoon van Esau: de stamhoofden Nachat, Zerach, Samma en Mizza; dit waren de stamhoofden van Reüel in het land Edom; dit waren de zonen van Esaus vrouw Basemat. 18 En dit waren de zonen van Esaus vrouw Oholibama; de stamhoofden Jeüs, Jalam en Korach; dit waren de stamhoofden van Esaus vrouw Oholibama, dochter van Ana. 19 Dit waren de zonen van Esau en dit waren hun stamhoofden; dat is Edom. 20 Dit waren de zonen van Seïr, de Chorieten, de inwoners van het land: Lotan, Sobal, Sibon, Ana, 21 Dison, Eser en Disan; dit waren de stamhoofden der Chorieten, der zonen van Seïr in het land Edom. 22 En de zonen van Lotan waren Chori en Hemam, en de zuster van Lotan was Timna. 23 En dit waren de zonen van Sobal: Alwan, Manachat, Ebal, Sefo en Onam. 24 En dit waren de zonen van Sibon: zowel Ajja als Ana; dit is de Ana, die de hete bronnen in de woestijn gevonden heeft, toen hij de ezels van zijn vader Sibon hoedde. 25 En dit waren de kinderen van Ana: Dison; en Oholibama was de dochter van Ana. 26 En dit waren de zonen van Disan: Chemdan, Esban, Jitran en Keran. 27 Dit waren de zonen van Eser: Bilhan, Zaäwan en Akan. 28 Dit waren de zonen van Disan: Us en Aran. 29 Dit waren de stamhoofden der Chorieten: Lotan, Sobal, Sibon, Ana, 30 Dison, Eser en Disan; dit waren de stamhoofden der Chorieten, naar hun stammen in het land Seïr. 31 En dit waren de koningen, die over het land Edom regeerden, voordat er een koning over de Israëlieten regeerde. 32 In Edom dan regeerde Bela, de zoon van Beor, en zijn stad heette Dinhaba. 33 Toen Bela gestorven was, werd koning in zijn plaats Jobab, de zoon van Zerach, uit Bosra. 34 Toen Jobab gestorven was, werd koning in zijn plaats Chusam, uit het land der Temanieten. 35 Toen Chusam gestorven was, werd koning in zijn plaats Hadad, de zoon van Bedad, die Midjan versloeg in het veld van Moab, en zijn stad heette Awit. 36 Toen Hadad gestorven was, werd koning in zijn plaats Samla, uit Masreka. 37 Toen Samla gestorven was, werd koning in zijn plaats Saul, uit Rechobot aan de rivier. 38 Toen Saul gestorven was, werd koning in zijn plaats Baäl-Chanan, de zoon van Akbor. 39 Toen Baäl-Chanan, de zoon van Akbor, gestorven was, werd koning in zijn plaats Hadar, en zijn stad heette Paü, en zijn vrouw heette Mehetabel, de dochter van Matred, de dochter van Me-Zahab. 40 En dit zijn de namen der stamhoofden van Esau naar hun geslachten, naar hun plaatsen, met hun namen: Timna, Alwa, Jetet, 41 Oholibama, Ela, Pinon, 42 Kenaz, Teman, Mibsar, 43 Magdiël en Iram; dit waren de stamhoofden van Edom naar hun woonplaatsen in het land hunner bezitting; dat is Esau, de vader van de Edomieten.

Na het sterven van Isaak is zijn begrafenis in vrede verlopen. Geen blijk van spanning tussen de broers die vroeger zo tegenover elkaar stonden. Geen enkele strijd noch ook enig woord van verwijt. Er blijkt vrede tussen hen te zijn. God bewerkte die. We zien overigens dat Esau ook enorm gezegend was. Beide zonen hadden overvloed. Ze konden vanwege de menigte van hun vee niet bij elkaar blijven.

Evenals het nageslacht van Ismaël wordt ook dat van Esau beschreven. Het was Jakobs broeder. De vrouwen van Esau worden genoemd. Ze waren een doorn geweest in de ogen van Isaak en Rebekka; “Ik walg van mijn leven om die Hethitische vrouwen” (27:4646 Voorts zeide Rebekka tot Isaak: Ik walg van mijn leven om die Hethitische vrouwen; indien Jakob zich nu ook zo'n Hethitische vrouw neemt uit de dochters des lands, waarvoor leef ik dan nog?). Esau was onverschillig. De Here spreekt later door de profeten: “Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat.” (Maleachi 1:33 Toch heb Ik Jakob liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat; Ik heb zijn bergen tot een woestenij gemaakt en zijn erfdeel aan de jakhalzen der woestijn prijsgegeven., Romeinen 9:1313 gelijk geschreven staat: Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat.) Edom zal later in de geschiedenis van Israël nog een rol spelen. Veelal die van vijandschap. Het schijnt dat ook Herodes een Edomiet was. Het oordeel van de Here kwam over Edom vanwege zijn gewelddaad aan zijn broedervolk Jakob. God laat de vijanden van Israël voortbestaan, maar dan ook om door Zijn oordeel Zich aan hen te verheerlijken. Het koningschap zal zijn aan de HERE!

Verder lezen: Obadja

21 februari

Genesis 371 Jakob echter woonde in het land der vreemdelingschap van zijn vader, in het land Kanaän. 2 Dit is de geschiedenis van Jakob. Jozef, zeventien jaar oud - hij was dus nog jong - placht met zijn broeders, de zonen van Bilha en de zonen van Zilpa, de vrouwen van zijn vader, de schapen te hoeden. En Jozef bracht kwaad gerucht aangaande hen aan hun vader over. 3 En Israël had Jozef lief boven al zijn zonen, omdat hij hem een zoon des ouderdoms was; en hij maakte hem een pronkgewaad. 4 Toen zijn broeders zagen, dat hun vader hem boven al zijn broeders liefhad, haatten zij hem en konden niet vriendelijk met hem spreken. 5 En Jozef had een droom en vertelde die aan zijn broeders; daarom haatten zij hem nog meer. 6 Hij zeide namelijk tot hen: Hoort toch deze droom die ik gehad heb. 7 Zie, wij waren aan het schoven binden in het veld - daar richtte mijn schoof zich op en bleef overeind staan, en zie, uw schoven omringden haar en bogen zich voor mijn schoof neer. 8 Daarop zeiden zijn broeders tot hem: Wilt gij soms koning over ons zijn? Wilt ge soms over ons heersen? Toen haatten zij hem nog meer om zijn droom en om zijn woorden. 9 En hij had nog een andere droom, die hij aan zijn broeders verhaalde. Hij zeide: Nu heb ik weer een droom gehad, en zie, de zon, de maan en elf sterren bogen zich voor mij neer. 10 Toen hij dit aan zijn vader en zijn broeders verhaalde, onderhield zijn vader hem daarover, en zeide tot hem: Wat voor een droom is dat, die gij gehad hebt? Zullen soms ik, uw moeder en uw broeders komen om ons voor u ter aarde neer te buigen? 11 Zijn broeders dan benijdden hem, maar zijn vader hield de zaak in gedachten. 12 Eens waren zijn broeders heengegaan om de schapen van hun vader bij Sichem te weiden. 13 Toen zeide Israël tot Jozef: Uw broeders weiden immers bij Sichem? Kom, ik wil u tot hen zenden. En hij zeide tot hem: Hier ben ik. 14 Verder zeide hij tot hem: Ga toch en doe onderzoek naar de welstand van uw broeders en naar de welstand van de schapen en breng mij bescheid. En hij liet hem gaan uit het dal van Hebron en hij kwam te Sichem. 15 Toen hij nu in het veld omdoolde, trof hem een man aan, die hem vroeg: Wat zoekt gij? 16 En hij zeide: Ik zoek mijn broeders; vertel mij toch, waar zij weiden. 17 Daarop zeide die man: Zij zijn van hier opgebroken, want ik heb hen horen zeggen: Laten wij naar Dotan gaan. Toen ging Jozef zijn broeders achterna en hij trof hen aan te Dotan. 18 En zij zagen hem van verre. Maar voordat hij bij hen gekomen was, smeedden zij een aanslag tegen hem om hem te doden. 19 Zij zeiden tot elkander: Zie, daar komt die aartsdromer aan. 20 Nu dan, komt, laten wij hem doden en in een van de putten werpen, en laten wij dan zeggen: een wild dier heeft hem verslonden. Dan zullen wij zien, wat er van zijn dromen terechtkomt. 21 Toen Ruben dit hoorde, wilde hij hem uit hun hand redden, en zeide: Laten wij hem niet doodslaan. 22 Verder zeide Ruben tot hen: Vergiet geen bloed; werpt hem in deze put, die in de woestijn is, maar slaat de hand niet aan hem - met de bedoeling hem uit hun hand te redden en naar zijn vader terug te brengen. 23 Zodra Jozef bij zijn broeders gekomen was, trokken zij Jozef zijn kleed uit, het pronkgewaad, dat hij droeg. 24 En zij namen hem en wierpen hem in de put; de put nu was leeg, er stond geen water in. 25 Daarna zetten zij zich neer om te eten. Toen zij hun ogen opsloegen - daar zagen zij een karavaan van Ismaëlieten aankomen uit Gilead, wier kamelen gom, balsem en hars droegen, op weg om dat naar Egypte te brengen. 26 Toen zeide Juda tot zijn broeders: Wat voordeel is erin gelegen, wanneer wij onze broeder doden en zijn bloed verbergen? 27 Komt dan, laten wij hem aan de Ismaëlieten verkopen, doch laten wij niet de hand aan hem slaan, want hij is onze broeder, ons eigen vlees. En zijn broeders gaven daaraan gehoor. 28 Toen Midjanitische mannen, kooplieden, voorbijgingen, trokken zij Jozef omhoog, haalden hem op uit de put en verkochten Jozef voor twintig zilverstukken aan de Ismaëlieten; en dezen brachten Jozef naar Egypte. 29 Toen Ruben bij de put kwam, zie, Jozef was niet in de put. En hij scheurde zijn klederen, 30 keerde naar zijn broeders terug en zeide: De knaap is er niet, en ik, waar moet ik heen? 31 Toen namen zij Jozefs kleed, slachtten een geitebok en doopten het kleed in het bloed. 32 En zij lieten het pronkgewaad aan hun vader brengen met de boodschap: Dit hebben wij gevonden; zie toch, of dit het kleed van uw zoon is of niet. 33 En hij herkende het en zeide: Het is het kleed van mijn zoon; een wild dier heeft hem verslonden; Jozef is stellig verscheurd. 34 En Jakob scheurde zijn mantel, deed een rouwgewaad om zijn heupen en treurde lange tijd over zijn zoon. 35 Al zijn zonen en al zijn dochters deden hun best hem te troosten, maar hij weigerde zich te laten troosten, en zeide: Neen, rouw dragend zal ik tot mijn zoon in het dodenrijk neerdalen. En zijn vader beweende hem. 36 De Midjanieten nu verkochten hem naar Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, de overste der lijfwacht.

De verschrikkelijke uitwerking van het bedrog, van de leugen, zien we in Jakobs rouw over een zoon die niet dood is. En niemand van de broeders die dacht: laat ik het maar zeggen, of impliciet bekend maken hoe het zit. Uiteraard bevreesd voor ontdekking van hun complot en de schande die hen dan zou treffen. Bang mogelijk voor vergelding. De leugen houdt henzelf gevangen en heel de familie. Juda, de naam Jood is er van afgeleid, is hier de handelaar. Het levert hen allen welgeteld twee zilverstukken op. Wat een geluk zeg. En ze zijn dan van hun vervelende verwende broertje af. Maar toch, het zijn volwassen mannen. Er is geen verontschuldiging. De dromen van Jozef waren geen verzinsels. Dromen zijn openbaringsmiddelen van de Here. Juist ook bij de komst van de Messias spreekt Hij door de droom tot Jozef En de broers (de mensen) kunnen zich wel tegen de openbaring verzetten, omdat het hen niet welgevallig is, maar met en door hun verzet wijkt de Here er niet van af om zijn bekendgemaakte plan uit te voeren. Ja, juist door het verzet van de mensen, tegen Gods wil, werkt de Here zijn raad uit. Dat blijkt steeds weer. En daar moeten we vandaag in berusten, erop hopen, er zeker van zijn en er gelukkig mee zijn.

Verder lezen: Matteüs 26:15,1615 en hij zeide: Wat wilt gij mij geven? Dan zal ik Hem u overleveren. 16 En zij stelden hem dertig zilverlingen ter hand. En van toen af zocht hij een goede gelegenheid om Hem over te leveren.; 27:1-101 Toen het nu morgen geworden was, namen al de overpriesters en de oudsten des volks het besluit tegen Jezus om Hem te doden. 2 En zij boeiden Hem, leidden Hem weg en zij leverden Hem over aan Pilatus, de stadhouder. 3 Toen kreeg Judas, die Hem verraden had, berouw, daar hij zag, dat Hij veroordeeld was, en hij bracht de dertig zilverlingen aan de overpriesters en oudsten terug, 4 en hij sprak: Ik heb gezondigd, onschuldig bloed verraden! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dit aan? Gij moet zelf maar zien wat ervan komt! 5 En de zilverlingen in de tempel werpende, verwijderde hij zich; daarop ging hij heen en verhing zich. 6 De overpriesters namen de zilverlingen en zeiden: Wij mogen die niet in de offerkist doen, want het is bloedgeld. 7 En zij namen het besluit daarvoor het land van de pottenbakker te kopen als begraafplaats voor de vreemdelingen. 8 Daarom heet dat land Bloedakker, tot heden toe. 9 Toen werd vervuld hetgeen gesproken is door de profeet Jeremia, toen hij zeide: En zij namen de dertig zilverlingen, de geschatte waarde van de geschatte, die zij geschat hadden van de kinderen Israëls, 10 en gaven die voor het land van de pottenbakker, gelijk de Here mij had opgedragen.

22 februari

Genesis 381 In die tijd trok Juda van zijn broeders weg en nam zijn intrek bij een man van Adullam, genaamd Chira. 2 En Juda zag daar de dochter van een Kanaänitisch man, genaamd Sua; hij huwde haar en kwam tot haar. 3 En zij werd zwanger, baarde een zoon, en noemde hem Er. 4 Daarna werd zij opnieuw zwanger, baarde een zoon en noemde hem Onan. 5 Vervolgens baarde zij nogmaals een zoon, en noemde hem Sela. Hij was te Kezib, toen zij hem baarde. 6 En Juda nam voor Er, zijn eerstgeborene, een vrouw, genaamd Tamar. 7 En Er, de eerstgeborene van Juda, wekte het misnoegen des Heren op, en de Here doodde hem. 8 Toen zeide Juda tot Onan: Ga tot uws broeders vrouw, sluit met haar het zwagerhuwelijk en verwek voor uw broeder nakroost. 9 Maar Onan wist, dat het nakroost hem niet zou toebehoren, daarom, zo vaak hij tot de vrouw van zijn broeder kwam, verspilde hij het zaad op de grond, om aan zijn broeder geen nakroost te geven. 10 En hetgeen hij gedaan had, was kwaad in de ogen des Heren, en Hij doodde ook hem. 11 Toen zeide Juda tot zijn schoondochter Tamar: Ga als weduwe in het huis van uw vader wonen, totdat mijn zoon Sela groot is, want hij dacht: Dat ook hij niet sterve evenals zijn broeders. En Tamar ging in het huis van haar vader wonen. 12 Na verloop van vele dagen stierf de dochter van Sua, de vrouw van Juda. En toen Juda de rouwtijd ten einde gebracht had, ging hij naar de scheerders van zijn schapen, hij en zijn vriend Chira, de Adullamiet, naar Timna. 13 Toen aan Tamar bericht werd: Zie, uw schoonvader is naar Timna gegaan om zijn schapen te scheren, 14 trok zij haar weduwkleed uit, bedekte zich met een sluier, vermomde zich en ging zitten aan de ingang van Enaïm, dat aan de weg naar Timna ligt, omdat zij gezien had, dat Sela groot geworden was, en zij hem niet tot vrouw was gegeven. 15 Toen Juda haar zag, hield hij haar voor een hoer, omdat zij haar aangezicht bedekt had. 16 En hij wendde zich tot haar aan de weg en zeide: Welaan, laat mij toch tot u komen, want hij wist niet, dat zij zijn schoondochter was. Daarop zeide zij: Wat zult gij mij geven, wanneer gij tot mij komt? 17 En hij zeide: Ik zal u een geitebokje van de kudde zenden. Zij dan zeide: Als gij mij dan maar een pand geeft, totdat gij het gezonden hebt. 18 Hij zeide: Wat voor pand moet ik u geven? Zij zeide: Uw zegelring, uw snoeren en de staf, die in uw hand is. Toen gaf hij het haar, en hij kwam tot haar en zij werd zwanger van hem. 19 Daarna stond zij op, en ging heen, legde haar sluier af en trok haar weduwkleed aan. 20 Juda nu zond het geitebokje door bemiddeling van zijn vriend, de Adullamiet, om het pand uit de hand der vrouw in ontvangst te nemen, maar deze trof haar niet aan. 21 En hij vroeg de mannen van haar woonplaats: Waar is die deerne, die te Enaïm aan de weg zat? En zij zeiden: Er is hier geen deerne geweest. 22 Hij dan kwam tot Juda terug en zeide: Ik heb haar niet gevonden; en ook de mannen van die plaats zeiden: Er is hier geen deerne geweest. 23 Toen zeide Juda: Laat zij het behouden, opdat wij niet tot spot worden; zie, ik heb het bokje gezonden, maar gij hebt haar niet kunnen vinden. 24 Na verloop van ongeveer drie maanden werd Juda bericht: Uw schoondochter Tamar heeft hoererij bedreven, en zie, zij is ook zwanger door hoererij. Toen zeide Juda: Brengt haar naar buiten, opdat zij verbrand worde. 25 Terwijl zij naar buiten gebracht werd, zond zij haar schoonvader deze boodschap: Bij de man, van wie deze dingen zijn, ben ik zwanger. Ook zeide zij: Zie eens goed, van wie deze zegelring en snoeren en staf zijn. 26 Toen herkende Juda ze en hij zeide: Zij staat tegenover mij in haar recht, omdat ik haar niet aan mijn zoon Sela heb gegeven. En hij heeft geen gemeenschap meer met haar gehad. 27 Toen het nu de tijd was, dat zij baren zou, was er een tweeling in haar schoot. 28 En toen zij baarde, stak er één zijn hand uit, en de vroedvrouw nam die, bond om zijn hand een scharlaken draad en zeide: Deze is het eerst gekomen. 29 En toen hij zijn hand weer introk, daar kwam zijn broeder, en zij zeide: Hoe krachtig zijt gij doorgebroken, en zij gaf hem de naam Peres. 30 En daarna kwam zijn broeder aan wiens hand de scharlaken draad was, en men noemde hem Zerach.

De zonden van Gods verbondskinderen worden niet verborgen gehouden in de Schrift, maar zonder weerhouding beschreven. Die van Ruben, Simeon en Levi eerst. Hier die van Juda’s twee oudste zonen en van hemzelf; zijn verbreking van zijn belofte aan Tamar. Dat dreef Tamar tot het uiterste om het recht tot gelding te doen komen, daar gaat het hier om. Juda wil haar ter dood veroordelen om de misdaad die hijzelf heeft bedreven. Maar dit had Tamar blijkbaar voorzien. Juda geeft toe. Hij kan ook niet anders. En Tamar krijgt haar recht. Hierbij moeten we op Christus letten. Want Tamar wordt in Zijn geslachtsregister genoemd. De belofte komt Juda toe. Ruben, Simeon en Levi worden om hun zonden overgeslagen (zie Genesis 49:2-72 Verzamelt u en luistert, gij zonen van Jakob, luistert naar Israël, uw vader. 3 Ruben, mijn eerstgeborene zijt gij, mijn sterkte en de eersteling mijner kracht, de voornaamste in hoogheid, de voornaamste in vermogen. 4 Gij, die opbruist als water, gij zult de voornaamste niet zijn, omdat gij uws vaders bed beklommen hebt; toen hebt gij het ontwijd. Hij heeft mijn legerstede beklommen. 5 Simeon en Levi zijn broeders; hun gereedschappen zijn werktuigen van geweld. 6 Mijn ziel hebbe geen deel aan hun beraadslaging, mijn geest sluite zich niet aan bij hun vergadering, want in hun toorn hebben zij mannen gedood en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden. 7 Vervloekt zij hun toorn, want die is hevig, en hun grimmigheid, want die is hard. Ik zal hen verdelen onder Jakob en verstrooien onder Israël.). Ook hier is het niet de oudste, maar de uitverkorene. En dat ondanks Juda’s overtreden. Maar vergeet hierbij niet, wij zijn niets beter. Christus is gekomen volgens de belofte, langs de lijn der geslachten, die zelf niet van overtreding vrij zijn. Hij kwam dan ook om zondaren te roepen, om het verlorene te redden. Er is geen enkele roem in de zondige mens. Wat een genade dat Tamars naam in Matteüs 11 Geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham. 2 Abraham verwekte Isaak, Isaak verwekte Jakob, Jakob verwekte Juda en zijn broeders, 3 Juda verwekte Peres en Zerach bij Tamar, Peres verwekte Chesron, Chesron verwekte Aram, 4 Aram verwekte Amminadab, Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salmon, 5 Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte Isaï, 6 Isaï verwekte David, de koning. David verwekte Salomo bij de vrouw van Uria, 7 Salomo verwekte Rechabeam, Rechabeam verwekte Abia, Abia verwekte Asa, 8 Asa verwekte Josafat, Josafat verwekte Joram, Joram verwekte Uzzia, 9 Uzzia verwekte Jotam, Jotam verwekte Achaz, Achaz verwekte Hizkia, 10 Hizkia verwekte Manasse, Manasse verwekte Amon, Amon verwekte Josia, 11 Josia verwekte Jechonja en diens broeders ten tijde van de Babylonische ballingschap. 12 Na de Babylonische ballingschap verwekte Jechonja Sealtiël, Sealtiël verwekte Zerubbabel, 13 Zerubbabel verwekte Abihud, Abihud verwekte Eljakim, Eljakim verwekte Azor, 14 Azor verwekte Sadok, Sadok verwekte Achim, Achim verwekte Eliud, 15 Eliud verwekte Eleazar, Eleazar verwekte Mattan, Mattan verwekte Jakob, 16 Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren is, die Christus genoemd wordt. 17 Al de geslachten dan van Abraham tot David zijn veertien geslachten en van David tot de Babylonische ballingschap veertien geslachten en van de Babylonische ballingschap tot de Christus veertien geslachten. 18 De geboorte van Jezus Christus geschiedde aldus. Terwijl zijn moeder Maria ondertrouwd was met Jozef, bleek zij, voordat zij gingen samenwonen, zwanger te zijn uit de heilige Geest. 19 Daar nu Jozef, haar man, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, was hij van zins in stilte van haar te scheiden. 20 Toen die overweging bij hem opkwam, zie, een engel des Heren verscheen hem in de droom en zeide: Jozef, zoon van David, schroom niet Maria, uw vrouw, tot u te nemen, want wat in haar verwekt is, is uit de heilige Geest. 21 Zij zal een zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven. Want Hij is het, die zijn volk zal redden van hun zonden. 22 Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen de Here door de profeet gesproken heeft, toen hij zeide: 23 Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal Hem de naam Immanuël geven, hetgeen betekent: God met ons. 24 Toen Jozef uit zijn slaap ontwaakt was, deed hij, zoals de engel des Heren hem bevolen had en hij nam zijn vrouw tot zich. 25 En hij had geen gemeenschap met haar, voordat zij een zoon gebaard had. En hij gaf Hem de naam Jezus. staat. Onze kromme wegen wilde Hij gebruiken voor zijn heil.

Verder lezen: Matteüs 1:1-171 Geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham. 2 Abraham verwekte Isaak, Isaak verwekte Jakob, Jakob verwekte Juda en zijn broeders, 3 Juda verwekte Peres en Zerach bij Tamar, Peres verwekte Chesron, Chesron verwekte Aram, 4 Aram verwekte Amminadab, Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salmon, 5 Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte Isaï, 6 Isaï verwekte David, de koning. David verwekte Salomo bij de vrouw van Uria, 7 Salomo verwekte Rechabeam, Rechabeam verwekte Abia, Abia verwekte Asa, 8 Asa verwekte Josafat, Josafat verwekte Joram, Joram verwekte Uzzia, 9 Uzzia verwekte Jotam, Jotam verwekte Achaz, Achaz verwekte Hizkia, 10 Hizkia verwekte Manasse, Manasse verwekte Amon, Amon verwekte Josia, 11 Josia verwekte Jechonja en diens broeders ten tijde van de Babylonische ballingschap. 12 Na de Babylonische ballingschap verwekte Jechonja Sealtiël, Sealtiël verwekte Zerubbabel, 13 Zerubbabel verwekte Abihud, Abihud verwekte Eljakim, Eljakim verwekte Azor, 14 Azor verwekte Sadok, Sadok verwekte Achim, Achim verwekte Eliud, 15 Eliud verwekte Eleazar, Eleazar verwekte Mattan, Mattan verwekte Jakob, 16 Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren is, die Christus genoemd wordt. 17 Al de geslachten dan van Abraham tot David zijn veertien geslachten en van David tot de Babylonische ballingschap veertien geslachten en van de Babylonische ballingschap tot de Christus veertien geslachten.

23 februari

Genesis 391 Jozef nu werd naar Egypte gebracht; en Potifar, een hoveling van Farao, de overste der lijfwacht, een Egyptenaar, kocht hem van de Ismaëlieten die hem daarheen gebracht hadden. 2 En de Here was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man werd, en hij woonde in het huis van zijn heer, de Egyptenaar. 3 Toen zijn heer zag, dat de Here met hem was, en dat de Here alles wat hij ondernam onder zijn hand deed gelukken, 4 won Jozef zijn genegenheid en hij mocht hem bedienen; hij stelde hem aan over zijn huis, en alles wat hij had, gaf hij in zijn hand. 5 Van het ogenblik af, dat hij hem over zijn huis en over al wat hij bezat had aangesteld, zegende de Here het huis van de Egyptenaar om Jozefs wil: de zegen des Heren rustte op alles wat hij had, zowel in huis als op het veld. 6 En hij liet al het zijne aan Jozef over, en met hem naast zich, bemoeide hij zich enkel met het brood dat hij at. Jozef nu was schoon van gestalte en schoon van uiterlijk. 7 Hierna sloeg de vrouw van zijn heer haar ogen op Jozef, en zij zeide: Kom bij mij liggen. 8 Maar hij weigerde en zeide tot de vrouw van zijn heer: Zie, mijn heer bemoeit zich, met mij naast zich, met niets van wat er in huis is, en alles wat hij heeft, heeft hij in mijn hand gegeven; 9 niemand is in dit huis machtiger dan ik, en hij heeft mij niets onthouden dan alleen u, omdat gij zijn vrouw zijt; hoe zou ik dan dit grote kwaad doen en zondigen tegen God? 10 En ofschoon zij dag aan dag tot Jozef sprak, voldeed hij niet aan haar wens bij haar te gaan liggen en omgang met haar te hebben. 11 Op zekere dag kwam hij het huis binnen om zijn werk te verrichten, terwijl niemand van de huisgenoten daar in huis was. 12 Toen greep zij hem bij zijn kleed en zeide: Kom bij mij liggen. Maar hij liet zijn kleed in haar hand achter, vluchtte en liep naar buiten. 13 Toen zij nu zag, dat hij zijn kleed in haar hand achtergelaten had en naar buiten gevlucht was, 14 riep zij haar huisgenoten en zeide tot hen: Ziet toch, hij heeft ons een Hebreeuwse man gebracht opdat deze zijn spel met ons drijve; hij is bij mij gekomen om bij mij te liggen, maar ik heb met luider stem geroepen; 15 en toen hij hoorde, dat ik mijn stem verhief en riep, liet hij zijn kleed bij mij achter, vluchtte en liep naar buiten. 16 Daarop legde zij zijn kleed bij zich neer, totdat zijn heer thuiskwam. 17 En zij sprak tot hem in dezer voege: Die Hebreeuwse slaaf, die gij ons gebracht hebt, is bij mij gekomen om zijn spel met mij te drijven. 18 Maar toen ik mijn stem verhief en riep, heeft hij zijn kleed bij mij achtergelaten en is naar buiten gevlucht. 19 Zodra zijn heer de woorden hoorde, die zijn vrouw tot hem sprak: zo en zo heeft uw slaaf mij gedaan, ontbrandde zijn toorn. 20 En Jozefs heer greep hem en wierp hem in de gevangenis, de plaats waar de gevangenen van de koning gevangen zaten. Zo kwam hij daar in de gevangenis. 21 En de Here was met Jozef; Hij bewees hem genade en deed hem de genegenheid van de overste der gevangenis winnen. 22 Daarom vertrouwde de overste der gevangenis al de gevangenen die in de gevangenis waren, aan Jozef toe, en al wat daar te doen was, deed hij. 23 De overste der gevangenis keek niet om naar iets dat hem was toevertrouwd, omdat de Here met hem was; en wat hij verrichtte, deed de Here gelukken.

Het is duidelijk Gods voorzienigheid dat Jozef slaaf wordt van niemand minder dan het hoofd van de lijfwacht van Farao. Als de Here Jozefs hand zichtbaar zegent en dit niet onopgemerkt blijft, zien we daarin de zegen van de God van het verbond, die ook de volken toekomt (Genesis 28:1414 En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen, oosten, noorden en zuiden, en met u en met uw nageslacht zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.). Maar de overspelige en leugenachtige vrouw weet op sluwe wijze Jozef veroordeeld te krijgen. Zo gaat dat niet zelden met rechtvaardigen. Door leugen en bedrog worden ze veroordeeld en het leven hen als het ware ontnomen. Maar de Here gaat door. Ook in het lijden door onrecht, blijft Hij dezelfde, om Zijn dienstknechten bij te staan en Zijn verbondskinderen te gedenken. Zo ook zegent de Here Jozef in de gevangenis van de koning. Ongetwijfeld heerste daar een streng regime, zoals tegen staatsvijanden veelal wordt gehanteerd. Maar Gods zegen aldaar, is voor Jozef ongetwijfeld rustgevend en vertrouwen wekkend. Het zal goed komen, hoe het ook gaat. Ook voor ons vandaag moeten we dit inzien. Tegenspoed moet de ijver niet bedwingen, maar lettend op Christus, tegen Wie Gods hand eens was, volharden tot het einde. Want om Zijnentwil is God voor ons.

Verder lezen: Romeinen 8:31-3931 Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn? 32 Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken? 33 Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt; 34 wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit. 35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard? 36 Gelijk geschreven staat: Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen. 37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad. 38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, 39 noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here.

24 februari

Genesis 401 Hierna gebeurde het, dat de schenker en de bakker van de koning van Egypte zondigden tegen hun heer, de koning van Egypte. 2 En Farao werd toornig op zijn beide hovelingen, de overste der schenkers en de overste der bakkers. 3 Hij zette hen in hechtenis in het huis van de overste der lijfwacht, in de gevangenis, de plaats waar Jozef gevangen zat. 4 En de overste der lijfwacht stelde Jozef bij hen aan, om hen te bedienen. En zij waren geruime tijd in hechtenis. 5 Zij nu hadden beiden een droom, ieder zijn eigen droom, in dezelfde nacht, ieder een droom met een eigen betekenis, zowel de schenker als de bakker van de koning van Egypte, die in de gevangenis gevangen zaten. 6 Toen Jozef in de morgen bij hen kwam, zag hij hen aan, en zie, zij waren mismoedig. 7 Hij vroeg aan de hovelingen van Farao, die met hem in hechtenis waren in het huis van zijn heer: Waarom staat uw gezicht zo somber vandaag? 8 Daarop zeiden zij tot hem: Wij hebben een droom gehad en er is niemand, die hem kan uitleggen. Toen zeide Jozef tot hen: Zijn de uitleggingen niet Gods zaak? Vertelt het mij toch. 9 Daarop vertelde de overste der schenkers aan Jozef zijn droom en zeide tot hem: In mijn droom, zie, er stond een wijnstok vóór mij. 10 Aan de wijnstok waren drie ranken, en nauwelijks begon hij te botten, of zijn bloesem was er, en zijn trossen droegen rijpe druiven. 11 En Farao's beker was in mijn hand. Ik nam de druiven, perste ze uit in Farao's beker en gaf de beker in Farao's hand. 12 Toen zeide Jozef tot hem: Dit is de uitlegging ervan: de drie ranken, dat zijn drie dagen; 13 binnen drie dagen zal Farao uw hoofd verhogen en u in uw rang herstellen, en gij zult Farao de beker in de hand geven, zoals gij tevoren placht te doen, toen gij zijn schenker waart. 14 Maar blijf aan mij denken, wanneer het u goed zal gaan; toon mij toch uw dankbaarheid door van mij gewag te maken bij Farao, en breng mij uit dit huis. 15 Want gestolen ben ik uit het land der Hebreeën, en ook hier heb ik niets gedaan, waarom zij mij in dit kerkerhol hadden kunnen zetten. 16 Toen de overste der bakkers zag, dat Jozef een gunstige uitlegging gegeven had, zeide hij tot hem: Ook ik had een droom: zie, er waren op mijn hoofd drie korven met gebak. 17 In de bovenste korf was allerlei spijs voor Farao, wat een bakker bereidt. Het gevogelte at dit uit de korf, boven mijn hoofd. 18 Toen antwoordde Jozef: Dit is de uitlegging ervan: de drie korven, dat zijn drie dagen; 19 binnen drie dagen zal Farao uw hoofd verhogen, boven u, en u aan een paal hangen en het gevogelte zal het vlees van u afeten. 20 Op de derde dag nu, de geboortedag van Farao, maakte hij een maaltijd voor al zijn dienaren. En hij verhief het hoofd van de overste der schenkers en het hoofd van de overste der bakkers te midden van zijn dienaren. 21 Want hij herstelde de overste der schenkers in zijn schenkersambt, zodat hij de beker weer in Farao's hand gaf. 22 Maar de overste der bakkers hing hij op, zoals Jozef hun had uitgelegd. 23 Doch de overste der schenkers dacht niet aan Jozef, maar vergat hem.

In de gevangenis van de koning komen de opstandige lieden. Zoals hier de oversten van de schenkers en de bakkers. Deze geschiedenis, die boekdelen spreekt, wijst ons op de handelwijze van grote vorsten. Schenkers en bakkers hebben aan de hoven grote verantwoordelijkheid. En hun oversten in het bijzonder. Ruime tijd zaten ze vast vanwege hun zondigen tegen de Farao. Wat hun misdaad was, wordt niet duidelijk. In ieder geval krijgen ze een tegengesteld vonnis, nadat ze uit de streng bewaakte gevangenis worden gehaald. Hun dromen, zoals Jozef ze door Gods gave verklaarde, zouden na drie dagen waarheid worden. En hoewel Jozef zo nadrukkelijk vraagt of de overste der schenkers hem wil gedenken, vanwege zijn onrechtvaardige hechtenis, luidt het slot: “Doch de overste der schenkers dacht niet aan Jozef, maar vergat hem.” En zie hier hoe de mens is. Als het goed gaat, wordt niet gedacht aan wie het slecht heeft. Als het door Jozefs voorzegde geluk daar is, dan gaat de overste der schenkers daarin op. Het drukke feestelijke bestaan aan het hof nemen hem op en de weldaad, hem in de gevangenis bewezen, vergeet hij. Maar de Here, die gedenkt de arme, de verdrukte en de ellendige.

Verder lezen: Klaagliederen 3:52-5952 Fel hebben zij mij, als een vogel, opgejaagd, die mij vijandig zijn zonder oorzaak. 53 Zij hebben mijn leven in een put versmoord en stenen op mij geworpen. 54 Wateren stroomden over mijn hoofd; ik dacht: ik ben verloren. 55 Ik roep uw naam aan, o Here, uit het onderste van de put. 56 Gij hoort mijn stem: verberg uw oor niet voor mijn zuchten, mijn hulpgeschrei. 57 Gij zijt nabij ten dage, dat ik U aanroep, Gij zegt: Vrees niet. 58 Gij voert, o Here, mijn rechtsgeding, Gij verlost mijn leven. 59 Gij ziet, o Here, mijn verongelijking, ach, verschaf mij recht.

25 februari

Genesis 41:1-451 Na verloop van twee volle jaren droomde Farao, dat hij aan de Nijl stond. 2 En zie, uit de Nijl kwamen zeven koeien op, mooi van uiterlijk en vet van vlees, en zij weidden in het oevergras. 3 Maar zie, zeven andere koeien kwamen na deze op uit de Nijl, lelijk van uiterlijk en mager van vlees, en zij gingen naast die koeien staan aan de oever van de Nijl. 4 En de koeien die lelijk van uiterlijk en mager van vlees waren, aten de zeven koeien op, die mooi van uiterlijk en vet waren. Toen ontwaakte Farao. 5 Daarna sliep hij weer in en droomde ten tweeden male, en zie, zeven dikke en mooie aren schoten op uit één halm. 6 Maar zie, zeven dunne en door de oostenwind verzengde aren ontsproten na deze. 7 En de dunne aren verslonden de zeven dikke en volle aren. Toen ontwaakte Farao, en het was een droom. 8 De volgende morgen was zijn geest onrustig en hij ontbood al de geleerden en al de wijzen van Egypte, en Farao vertelde hun zijn dromen, maar er was niemand, die ze Farao kon uitleggen. 9 Toen sprak de overste der schenkers tot Farao: Heden moet ik mijn zonden in herinnering brengen. 10 Farao was toornig op zijn dienaren, en zette mij in hechtenis in het huis van de overste der lijfwacht, mij en de overste der bakkers. 11 In één zelfde nacht nu hadden wij een droom, ik en hij, ieder had een droom met een eigen betekenis. 12 Nu was daar bij ons een Hebreeuwse jongeman, een slaaf van de overste der lijfwacht, en wij vertelden hem onze dromen, en hij legde ze ons uit; aan ieder gaf hij uitleg naar zijn droom. 13 En zoals hij ons uitgelegd had, zo is het gebeurd; mij herstelde Farao weer in mijn ambt, hem liet hij ophangen. 14 Toen ontbood Farao Jozef, en zij haalden hem ijlings uit de kerker; men schoor hem en gaf hem andere klederen, en hij kwam bij Farao. 15 Toen zeide Farao tot Jozef: Ik heb een droom gehad, en er is niemand, die hem kan uitleggen, maar ik heb van u horen zeggen: Gij behoeft een droom maar te horen om hem te kunnen uitleggen. 16 En Jozef antwoordde Farao: Geenszins; God zal Farao's welzijn verkondigen. 17 Toen sprak Farao tot Jozef: In mijn droom stond ik aan de oever van de Nijl. 18 En zie, uit de Nijl kwamen zeven koeien op, vet van vlees en mooi van gedaante, en zij weidden in het oevergras. 19 Maar zie, zeven andere koeien kwamen na deze op, schraal, zeer lelijk van gedaante en mager van vlees; ik heb nooit zulke lelijke als deze gezien in het gehele land Egypte. 20 En de magere en lelijke koeien aten de zeven eerste, vette koeien op. 21 Toen deze in haar maag gekomen waren, was daarvan niets te merken; zij bleven er even lelijk uitzien als tevoren. Toen ontwaakte ik. 22 Verder zag ik in mijn droom, en zie, zeven aren schoten op uit één halm, vol en mooi. 23 Maar zie, zeven dorre, dunne en door de oostenwind verzengde aren ontsproten na deze. 24 En de dunne aren verslonden de zeven mooie aren. En ik heb dit de geleerden gezegd, maar er is niemand, die het mij kan verklaren. 25 Toen zeide Jozef tot Farao: Farao's dromen zijn één; God heeft Farao bekend gemaakt, wat Hij zal doen. 26 De zeven mooie koeien, dat zijn zeven jaren, en de zeven mooie aren, dat zijn zeven jaren; de dromen zijn één. 27 En de zeven magere en lelijke koeien, die na deze opkwamen, dat zijn zeven jaren, en de zeven loze, door de oostenwind verzengde aren betekenen zeven jaren van hongersnood. 28 Dit bedoelde ik, toen ik tot Farao sprak: God heeft Farao getoond, wat Hij zal doen. 29 Zie, er komen zeven jaren, waarin grote overvloed in het gehele land Egypte wezen zal. 30 Daarna zullen zeven jaren van hongersnood aanbreken; dan zal al de overvloed in het land Egypte vergeten zijn en de honger het land verteren. 31 Van de overvloed zal men daarna in het land niets meer merken vanwege die hongersnood, want die zal zeer zwaar zijn. 32 Dat de droom tot tweemaal toe aan Farao herhaald is, wil zeggen, dat de zaak bij God vaststaat, en dat God die haastig zal volbrengen. 33 Nu dan, Farao zie om naar een verstandig en wijs man, en hij stelle hem aan over het land Egypte. 34 Farao doe ook dit: hij stelle opzichters over het land aan, en heffe van het land Egypte een vijfde, in de zeven jaren van de overvloed. 35 Zij moeten al het voedsel van deze goede jaren die komen zullen, verzamelen en koren opslaan ter beschikking van Farao, als voedsel in de steden, en dit bewaren. 36 Zo zal dat voedsel het land tot voorraad dienen voor de zeven jaren van hongersnood, die in het land Egypte zullen zijn, opdat het land door de honger niet te gronde worde gericht. 37 Dit voorstel nu was goed in de ogen van Farao en in de ogen van al zijn dienaren. 38 En Farao zeide tot zijn dienaren: Zouden wij iemand kunnen vinden als deze, een man, in wie de Geest Gods is? 39 En Farao zeide tot Jozef: Aangezien God u dit alles bekend gemaakt heeft, is er niemand zo verstandig en wijs als gij. 40 Gij zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal mijn gehele volk zich voeden; alleen door de troon zal ik boven u staan. 41 Voorts zeide Farao tot Jozef: Zie, ik stel u aan over het gehele land Egypte. 42 Daarop trok Farao zijn zegelring van zijn hand en deed hem aan Jozefs hand; hij bekleedde hem met linnen klederen, en hing een gouden keten om zijn hals. 43 En hij liet hem rijden op de tweede wagen die hij had, en men riep voor hem uit: Eerbied! Aldus stelde hij hem aan over het gehele land Egypte. 44 Ook zeide Farao tot Jozef: Ik ben Farao, maar zonder u zal niemand in het gehele land Egypte zijn hand of zijn voet opheffen. 45 En Farao noemde Jozef: Safenat-Paneach, en hij gaf hem Asnat, de dochter van Potifera, de priester van On, tot vrouw. En Jozef ging uit, (als heer) over het land Egypte.

Ten laatste werkt de Here de verlossing van Jozef uit de gevangenis, alsnog via de schenker die de Farao op Jozef wijst. God gebruikt mensen om Zijn doelen te bereiken. En de gave van verklaring van dromen, die Hij Jozef gaf, is de weg waarlangs Jozef uit het kerkerhol wordt gehaald en diezelfde dag nog onderkoning van het land wordt. Dit zijn gebeurtenissen, die laten zien, dat God op ongedachte wijze het leven van Zijn kinderen van de diepste ellende tot de hoogste eer brengt. En zo moeten wij vandaag de dag ook bedenken, dat het volhardend vertrouwen op de Here voor een heerlijke uitkomst zal zorgen. Na een tijd van lijden en verdrukking volgt een tijd van ongedachte eer en heerlijkheid. Een blijdschap om God te loven en te prijzen. Hij zal blijken de hand in alles te hebben; alles te hebben geleid zoals het Hem behaagt. Tot vermeerdering van Zijn eer en lof en behoud van Christus’ kerk in het eeuwige leven. Bij deze tekst moeten we goed letten op Jozefs belijdenis dat God het is, die hier bekend maakt wat gebeuren gaat. Niet Jozef zelf, maar God de Here is het, die Jozef dromen laat verstaan (vers 1616 En Jozef antwoordde Farao: Geenszins; God zal Farao's welzijn verkondigen.), wat de Farao bevestigt (vers 3939 En Farao zeide tot Jozef: Aangezien God u dit alles bekend gemaakt heeft, is er niemand zo verstandig en wijs als gij.). Aan God behoort de wijsheid en de kracht!

Verder lezen: Daniël 21 In het tweede jaar nu der regering van Nebukadnessar had Nebukadnessar een droom, waardoor zijn geest verontrust werd en het met zijn slaap gedaan was. 2 Toen gebood de koning, dat men de geleerden, de bezweerders, de tovenaars en de Chaldeeën zou roepen, om de koning zijn droom te verklaren; en zij kwamen en stonden vóór de koning. 3 De koning zeide tot hen: Ik heb een droom gehad, en mijn geest is verontrust, zodat ik die droom wil verstaan. 4 Toen spraken de Chaldeeën tot de koning: [Aramees] O, koning, leef in eeuwigheid! Zeg uw dienaren de droom en wij zullen de uitlegging te kennen geven. 5 De koning gaf de Chaldeeën ten antwoord: Het besluit staat bij mij vast; indien gij mij de droom met zijn uitlegging niet bekendmaakt, zult gij in stukken gehouwen worden en uw huizen zullen tot een puinhoop worden gemaakt, 6 maar indien gij de droom met zijn uitlegging te kennen kunt geven, zult gij geschenken en gaven en grote eer van mij ontvangen; geeft mij dus de droom met zijn uitlegging te kennen. 7 Zij gaven opnieuw ten antwoord: De koning zegge zijn dienaren de droom, dan zullen wij de uitlegging te kennen geven. 8 De koning gaf ten antwoord: Ik begrijp heel goed, dat gij tijd zoekt te winnen, omdat gij ziet, dat het besluit bij mij vaststaat, 9 dat één vonnis u treft, indien gij mij de droom niet kunt bekendmaken; en gij hebt afgesproken mij iets leugenachtigs en slechts te zeggen, totdat de toestand zich wijzigt. Zegt mij dus de droom, opdat ik weet, dat gij mij de uitlegging ervan kunt te kennen geven. 10 De Chaldeeën gaven de koning ten antwoord: Er is geen mens op de aardbodem die het door de koning gevraagde zal kunnen te kennen geven; daarom heeft dan ook geen koning, hoe groot en machtig ook, iets dergelijks van enige geleerde of bezweerder of Chaldeeër gevraagd. 11 Wat de koning vraagt, is te zwaar, en er is niemand anders, die het de koning zal kunnen te kennen geven dan de goden, die echter niet bij de stervelingen wonen. 12 De koning werd hierover ten zeerste vergramd en toornig, en hij beval al de wijzen van Babel ter dood te brengen. 13 Toen het bevel werd uitgevaardigd, dat de wijzen gedood zouden worden, liepen ook Daniël en diens metgezellen gevaar gedood te worden. 14 Toen richtte zich Daniël op verstandige en gepaste wijze tot Arjok, de overste der koninklijke lijfwacht, die uitgetrokken was om de wijzen van Babel te doden; 15 hij nam het woord en zeide tot Arjok, de koninklijke machthebber: Waarom is dit strenge bevel door de koning uitgevaardigd? Daarop maakte Arjok Daniël de zaak bekend. 16 Toen ging Daniël tot de koning en verzocht, dat deze hem enige tijd zou gunnen om de uitlegging aan de koning te kennen te geven. 17 Daarop ging Daniël naar zijn huis en maakte zijn metgezellen Chananja, Misaël en Azarja de zaak bekend, 18 en (zeide) dat zij barmhartigheid moesten afsmeken van de God des hemels betreffende deze verborgenheid - opdat men Daniël en zijn metgezellen niet zou ter dood brengen met de overige wijzen van Babel. 19 Toen werd de verborgenheid aan Daniël in een nachtgezicht geopenbaard. Daarop loofde Daniël de God des hemels; 20 Daniël hief aan en zeide: Geprezen zij de naam Gods van eeuwigheid tot eeuwigheid, want Hem behoort de wijsheid en de kracht! 21 Hij toch verandert tijden en stonden, Hij zet koningen af en stelt koningen aan, Hij verleent wijsheid aan wijzen en kennis aan hen die inzicht hebben. 22 Hij openbaart ondoorgrondelijke en verborgen dingen, Hij weet wat in het duister is, en het licht woont bij Hem. 23 U, o God mijner vaderen, loof en roem ik, omdat Gij mij wijsheid en kracht verleend hebt, en mij thans hebt bekendgemaakt wat wij van U gesmeekt hebben, daar Gij ons immers de zaak des konings hebt bekendgemaakt. 24 Derhalve ging Daniël naar Arjok, aan wie de koning had opgedragen de wijzen van Babel ter dood te brengen; hij ging en sprak aldus tot hem: Breng de wijzen van Babel niet ter dood, leid mij tot de koning en ik zal de koning de uitlegging te kennen geven. 25 Toen bracht Arjok Daniël inderhaast tot de koning en zeide aldus tot hem: Ik heb een man gevonden onder de ballingen van Juda, die de koning de uitlegging kan bekendmaken. 26 De koning richtte het woord tot Daniël, wiens naam Beltesassar was: Zijt gij in staat mij de droom die ik gezien heb, met zijn uitlegging bekend te maken? 27 Daniël gaf de koning ten antwoord: De verborgenheid waarnaar de koning vraagt, kunnen geen wijzen, bezweerders, geleerden of waarzeggers de koning te kennen geven. 28 Maar er is een God in de hemel, die verborgenheden openbaart; Hij heeft de koning Nebukadnessar bekendgemaakt wat in de toekomende dagen geschieden zal. Uw droom en de gezichten die u op uw legerstede voor ogen kwamen, waren deze: 29 bij u, o koning, rezen, terwijl gij op uw legerstede laagt, gedachten op over wat er na dezen geschieden zou, en Hij, die verborgenheden openbaart, heeft u bekendgemaakt wat er geschieden zal. 30 Mij nu is deze verborgenheid geopenbaard, niet door een wijsheid, die ik zou bezitten boven alle levenden, maar opdat de uitlegging de koning bekend zou worden gemaakt, en dat gij de gedachten van uw hart zoudt kennen. 31 Gij, o koning, hadt een gezicht, en zie, er was een groot beeld! Dit beeld was hoog, en de glans ervan was buitengewoon; het stond vóór u, en de aanblik ervan was schrikwekkend. 32 Het hoofd van dat beeld was van gedegen goud, zijn borst en armen waren van zilver, zijn buik en lendenen van koper, 33 zijn benen van ijzer, zijn voeten deels van ijzer deels van leem. 34 Terwijl gij bleeft toezien, raakte, zonder toedoen van mensenhanden, een steen los, die het beeld trof aan de voeten van ijzer en leem en deze verbrijzelde; 35 toen werden tegelijkertijd het ijzer, het leem, het koper, het zilver en het goud verbrijzeld, en zij werden gelijk kaf op een dorsvloer in de zomer, en de wind voerde ze mee, zodat er geen spoor meer van te vinden was; maar de steen die het beeld getroffen had, werd tot een grote berg, die de gehele aarde vulde. 36 Dit is de droom, en de uitlegging daarvan zullen wij de koning zeggen: 37 Gij, o koning, koning der koningen, aan wie de God des hemels het koningschap, macht, sterkte en eer geschonken heeft, 38 ja, in wiens hand Hij de mensenkinderen, waar zij ook wonen, de dieren des velds en het gevogelte des hemels heeft gegeven, en die Hij tot heerser over die alle heeft gemaakt - gij zijt dat gouden hoofd. 39 Doch na u zal een ander koninkrijk ontstaan, geringer dan het uwe; en, weer een ander, een derde koninkrijk, van koper, dat heersen zal over de gehele aarde; 40 en een vierde koninkrijk zal hard zijn als ijzer; juist zoals ijzer alles verbrijzelt en vermorzelt; en gelijk ijzer, dat vergruizelt, zal dit die allen verbrijzelen en vergruizelen. 41 En dat gij de voeten en de tenen gezien hebt deels van pottenbakkersleem en deels van ijzer, betekent, dat dit een verdeeld koninkrijk wezen zal: wel zal het iets van de hardheid van het ijzer aan zich hebben, juist zoals gij gezien hebt ijzer gemengd met kleiachtig leem, 42 en de tenen der voeten deels van ijzer en deels van leem; ten dele zal dat koninkrijk hard zijn, en ten dele zal het broos zijn. 43 Dat gij gezien hebt ijzer vermengd met kleiachtig leem, betekent: zij zullen zich door huwelijksgemeenschap vermengen, maar met elkander geen samenhangend geheel vormen, zoals ijzer zich niet vermengt met leem. 44 Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid, 45 juist zoals gij gezien hebt, dat zonder toedoen van mensenhanden een steen van de berg losraakte en het ijzer, het koper, het leem, het zilver en het goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning bekendgemaakt wat na dezen zal geschieden; de droom is waarachtig en zijn uitlegging betrouwbaar. 46 Toen wierp koning Nebukadnessar zich op zijn aangezicht, en aanbad Daniël; ook beval hij een offer en reukwerk aan hem op te dragen. 47 De koning gaf Daniël ten antwoord: In waarheid, uw God is de God der goden en de Heer der koningen, en Hij openbaart verborgenheden: daarom hebt gij deze verborgenheid kunnen openbaren. 48 Toen verhief de koning Daniël en schonk hem vele, grote geschenken; ja, hij maakte hem tot heerser over het gehele gewest Babel en tot opperhoofd over alle wijzen van Babel. 49 Op Daniëls verzoek droeg de koning het bestuur van het gewest Babel op aan Sadrak, Mesak en Abednego, terwijl Daniël aan het hof des konings bleef.

26 februari

Genesis 41:46-5746 Jozef was dertig jaar oud, toen hij voor Farao, de koning van Egypte, stond. En Jozef ging van Farao heen en trok door het gehele land Egypte. 47 Het land nu gaf zijn opbrengst in de zeven jaren van overvloed bij handen vol, 48 en hij verzamelde al het voedsel der zeven jaren, dat in het land Egypte was, en hij sloeg het voedsel in steden op; de opbrengst van de velden die om elke stad gelegen waren, sloeg hij daarin op. 49 En Jozef hoopte koren op als zand der zee, geweldig veel, zodat men ophield te tellen, want er was geen tellen aan. 50 En voordat er een jaar van hongersnood kwam, werden Jozef twee zonen geboren, die Asnat, de dochter van Potifera, de priester van On, hem baarde. 51 Jozef gaf aan de eerstgeborene de naam Manasse, want (zeide hij): God heeft mij al mijn moeite doen vergeten, en ook het gehele huis mijns vaders. 52 En aan de tweede gaf hij de naam Efraïm, want (zeide hij): God heeft mij vruchtbaar gemaakt in het land mijner ellende. 53 Toen de zeven jaren van overvloed, die er in het land Egypte geweest was, verstreken waren, 54 begonnen de zeven jaren van de hongersnood te komen, zoals Jozef gezegd had; in alle landen was hongersnood, maar in het gehele land Egypte was brood. 55 Toen het gehele land Egypte honger leed, en het volk tot Farao om brood riep, zeide Farao tot alle Egyptenaren: Gaat tot Jozef; doet wat hij u zegt. 56 Toen de hongersnood nu over de gehele aarde heerste, opende Jozef alle schuren en verkocht koren aan de Egyptenaren; want de honger was sterk in het land Egypte. 57 En de gehele wereld kwam naar Egypte om bij Jozef koren te kopen, want de honger was sterk op de gehele aarde.

De uitlegging van Farao’s droom door Jozef vond direct instemming. Het was duidelijk dat Jozef juist had gesproken, maar eveneens had Jozef raad gegeven, wat het juiste was om te doen. En zoals hij voorzegd had, zo geschiedde het ook. Jozef werd bevestigd in Gods bijzondere leiding van zijn leven. Op de hoogste plaats werd hij gesteld. Dit zal blijken de weg te zijn, waarlangs straks ook zijn eigen dromen zouden uitkomen. Ook heeft Jozef troost gevonden in deze leiding van de Here. Bij de naamgeving van zijn beide kinderen komt dat tot uitdrukking. Manasse: ‘die doet vergeten’ en Efraïm: ‘dubbele vrucht’. Ja, de ellende en verlorenheid waaronder hij zo lang gebukt ging, heeft God hem doen vergeten. Het verdriet van vaders huis weggevoerd te zijn, uitlandig, oftewel in de ellende te zijn en in het kerkerhol, dat liet God hem vergeten, door zijn nieuwe leven als onderkoning; door de twee kinderen die God hem gaf. Zo braken voor hem, op zijn dertigste levensjaar, na toch zeker een decennium in ellende te zijn verkeerd, goede tijden aan. Tijden van verkwikking en rust. Welk een dankbaarheid vervult het hart dan ook, als de Here naar zijn kinderen omziet! Na het zure geeft Hij het zoet. Het echte zoet.

Verder lezen: Handelingen 11:19-3019 Zij dan, die verstrooid werden door de verdrukking, welke in verband met Stefanus plaats vond, trokken verder tot Fenicië, Cyprus en Antiochië toe, zonder tot iemand het woord te spreken dan alleen tot de Joden. 20 Doch er waren onder hen enige Cyprische en Cyreense mannen, die, te Antiochië gekomen, ook tot de Grieken spraken en hun de Here Jezus predikten. 21 En de hand des Heren was met hen, en een groot aantal kwam tot het geloof en bekeerde zich tot de Here. 22 En het bericht daarvan kwam de gemeente van Jeruzalem ter ore en zij vaardigden Barnabas af naar Antiochië. 23 Toen deze aankwam en de genade Gods zag, verheugde hij zich en wekte allen op om naar het voornemen van hun hart de Here trouw te blijven; 24 want hij was een goed man, vol van de heilige Geest en van geloof. En een brede schare werd de Here toegevoegd. 25 En hij vertrok naar Tarsus om Saulus te zoeken; en toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochië. 26 En het geschiedde, dat zij een vol jaar in de gemeente gastvrij ontvangen werden en een brede schare leerden en dat de discipelen het eerst te Antiochië Christenen genoemd werden. 27 En in die dagen kwamen profeten van Jeruzalem te Antiochië; 28 en één uit hen, genaamd Agabus, stond op en gaf door de Geest te kennen, dat een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, die dan ook gekomen is onder Claudius. 29 En de discipelen besloten, dat elk van hen naar draagkracht iets zenden zou tot ondersteuning van de broeders, die in Judea woonden; 30 dit deden zij ook en zij zonden het aan de oudsten door de hand van Barnabas en Saulus.

27 februari

Genesis 421 Toen Jakob vernam, dat er in Egypte koren was, zeide hij tot zijn zonen: Waarom ziet gij elkander aan! 2 Voorts zeide hij: Zie, ik heb gehoord, dat er in Egypte koren is; trekt daarheen en koopt daar koren voor ons, opdat wij in leven blijven en niet sterven. 3 Toen trokken tien broeders van Jozef heen om in Egypte koren te kopen. 4 Doch Jakob liet Benjamin, Jozefs broeder, niet met zijn broeders meegaan, want hij dacht; er mocht hem eens een ongeluk overkomen. 5 Onder degenen die kwamen om koren te kopen, waren ook de zonen van Israël, want er was hongersnood in het land Kanaän. 6 Jozef nu was de machthebber over het land; hij was het, die aan al het volk van het land koren verkocht. Toen nu de broeders van Jozef aangekomen waren, bogen zij zich voor hem neer met het aangezicht ter aarde. 7 Zodra Jozef zijn broeders zag, herkende hij hen, maar hij deed alsof hij een vreemde voor hen was; hij sprak hen bits aan, en zeide tot hen: Vanwaar komt gij? Zij zeiden: Uit het land Kanaän, om voedsel te kopen. 8 Jozef herkende zijn broeders wel, maar zij herkenden hem niet. 9 Toen herinnerde Jozef zich de dromen die hij van hen gedroomd had. En hij zeide tot hen: Gij zijt verspieders, gij zijt gekomen om te zien, waar het land open ligt. 10 Doch zij zeiden tot hem: Neen, mijn heer, maar uw knechten zijn gekomen om voedsel te kopen. 11 Wij zijn allen zonen van één man; wij zijn eerlijke lieden; uw knechten zijn geen verspieders. 12 Doch hij zeide tot hen: Neen, maar gij zijt gekomen om te zien, waar het land open ligt. 13 Daarop zeiden zij: Uw knechten waren twaalf in getal, wij zijn broeders, zonen van één man in het land Kanaän, en zie, de jongste is thans bij onze vader, en één is niet meer. 14 Toen zeide Jozef tot hen: Het is, zoals ik tot u gesproken heb: gij zijt verspieders. 15 Hieraan zult gij getoetst worden: zowaar Farao leeft, gij zult vanhier niet weggaan, tenzij uw jongste broeder hierheen komt. 16 Zendt één van u om uw broeder te halen, maar gij zult gevangen blijven; zo zullen uw woorden getoetst worden, of gij waarheid spreekt; maar indien niet, zowaar Farao leeft, dan zijt gij verspieders. 17 En hij zette hen gezamenlijk drie dagen lang in hechtenis. 18 Op de derde dag nu zeide Jozef tot hen: Doet dit, opdat gij in leven blijft; ik vrees God. 19 Indien gij eerlijke lieden zijt, laat dan één broeder van u gevangen blijven in het huis van bewaring, maar gaat gij heen, neemt koren mee voor de honger uwer gezinnen. 20 Doch dan moet gij uw jongste broeder tot mij brengen, opdat uw woorden waarheid mogen blijken en gij niet sterft. 21 Zij nu deden aldus en zeiden tot elkander: Voorwaar, nu boeten wij voor wat wij onze broeder aangedaan hebben: wij zagen zijn zielsbenauwdheid, toen hij ons om erbarming smeekte, maar wij hoorden niet; daarom is deze benauwdheid over ons gekomen. 22 Toen antwoordde Ruben hun: Heb ik u niet gezegd: bezondigt u niet aan de knaap! Maar gij hebt niet geluisterd. Nu wordt zijn bloed van ons geëist. 23 Zij wisten echter niet, dat Jozef hen verstond, want zij gebruikten een tolk. 24 Toen wendde hij zich van hen af en weende. Daarna keerde hij tot hen terug en sprak met hen; hij nam Simeon uit hun midden en liet hem in hun bijzijn binden. 25 En Jozef beval, dat men hun zakken met koren vullen en ieder het geld in zijn zak teruggeven zou, en dat men hun teerkost voor de reis zou geven. En men deed hun aldus. 26 Daarna laadden zij hun koren op hun ezels en gingen vandaar weg. 27 Toen één zijn zak opende om in het nachtverblijf zijn ezel voeder te geven, zag hij zijn geld, en zie, het lag boven in zijn zak. 28 Hij zeide tot zijn broeders: Mijn geld is teruggegeven; zie maar, het ligt in mijn zak. Toen ontzonk hun de moed, en zij wendden zich bevende tot elkander en zeiden: Wat heeft God ons nu aangedaan! 29 Toen zij bij hun vader Jakob gekomen waren, in het land Kanaän, deelden zij hem alles mee wat hun wedervaren was, en zeiden: 30 Die man, de heer van dat land, heeft ons bits aangesproken en bejegende ons als verspieders van dat land. 31 Toen zeiden wij tot hem: Wij zijn eerlijke lieden, wij zijn geen verspieders. 32 Wij waren twaalf in getal, broeders, zonen van onze vader; één is niet meer, en de jongste is thans bij onze vader, in het land Kanaän. 33 Toen zeide die man, de heer van dat land, tot ons: Hieraan zal ik weten, dat gij eerlijke lieden zijt: één broeder van u zult gij bij mij laten; neemt dan koren voor de honger uwer gezinnen en gaat heen; 34 en brengt uw jongste broeder tot mij, opdat ik weet, dat gij geen verspieders zijt, maar eerlijke lieden; dan zal ik uw broeder aan u teruggeven, en gij moogt vrij in het land rondtrekken. 35 Toen zij hun zakken ledigden - daar lag ieders geldbuidel in zijn zak; en toen zij en hun vader hun geldbuidels zagen, werden zij bevreesd. 36 En hun vader Jakob zeide tot hen: Gij berooft mij van kinderen; Jozef is niet meer, en Simeon is er niet meer, en Benjamin wilt gij meenemen; dit alles is tegen mij. 37 Toen zeide Ruben tot zijn vader: Gij moogt mijn twee zonen doden, indien ik hem niet tot u breng; geef hem onder mijn hoede en ik zal hem tot u terugbrengen. 38 Maar hij zeide: Mijn zoon gaat niet met u mee, want zijn broeder is dood en hij is alleen overgebleven; overkomt hem een ongeluk op de weg die gij gaan zult, dan zult gij mijn grijze haar met verdriet in het dodenrijk doen nederdalen.

Jozef herkende zijn broers direct toen zij om graan in Egypte bij hem kwamen. Doordat ze via een tolk met elkaar spraken, werd Jozef door zijn spreken niet herkend door zijn broers. Jozef zal eind dertig zijn geweest en ze hadden elkaar zo’n twintig jaren niet gezien. De herders en stamvaders van Israël knielen voor hun broer. Jozefs droom ging in vervulling. De één wordt boven de anderen gesteld. God is het die vernedert of verhoogt en niemand houdt dat tegen. Het gaat hier om Zijn besturing en regering. De onderwijzing is, dat de Here de bestuurder is van ons lot. Deze geschiedenis wijst op Christus. Hij is verhoogd. En allen die Hem verwierpen, zullen moeten erkennen dat de Vader Hem verhoogd heeft en Hij de Koning over Israël is, ja over alle volken. Langs ongedachte wegen en volgens Zijn besluit brengt God Zijn Uitverkorene tot de troon. Dat was ook bij David langs de weg van vervolging. Ook Jozef ging een weg van lijden en onrecht, maar werd tenslotte verhoogd. Dit vervulde de Here Jezus, uit eigen wil, met het ondergaan van de toorn van God. Nu is Hij uitermate verhoogd, en moet eenieder voor Hem knielen. Bij Hem is brood. Hij is het Brood. Het Brood des levens.

Verder lezen: Psalm 751 Voor de koorleider. Op de wijze van: Verderf niet. Een psalm van Asaf. Een lied. 2 Wij loven U, o God, wij loven, want nabij is uw naam, men vertelt uw wonderen. 3 Wanneer Ik het tijdstip gekozen heb, dan zal Ik rechtmatig richten; 4 al mogen de aarde en al haar bewoners wankelen, Ik ben het, die haar pilaren heb vastgezet. sela 5 Ik zeide tot de hoogmoedigen: Weest niet hoogmoedig; en tot de goddelozen: Heft de hoorn niet op, 6 heft uw hoorn niet op naar den hoge en spreekt niet met trotse hals. 7 Want het verhogen komt niet van oost of van west, noch uit de woestijn - 8 maar God is rechter, Hij vernedert deze en verhoogt gene. 9 Want in des Heren hand is een beker en de wijn bruist daarin, overvloedig gemengd; Hij schenkt daaruit tot de droesem toe, alle goddelozen op aarde moeten hem slorpende drinken. 10 Maar mij aangaande, ik zal dit voor altoos vermelden, ik wil de God van Jakob psalmzingen, 11 en alle hoornen der goddelozen zal ik afhouwen; de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden.

28 februari

Genesis 431 Maar de hongersnood was zwaar in het land. 2 En toen zij het uit Egypte meegebrachte koren verbruikt hadden, zeide hun vader tot hen: Gaat ons weer een weinig voedsel kopen. 3 Toen zeide Juda tot hem: Die man heeft ons uitdrukkelijk verzekerd: gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij uw broeder bij u is. 4 Wilt gij onze broeder met ons laten gaan, dan zullen wij heentrekken en voedsel voor u kopen. 5 Doch indien gij hem niet wilt laten gaan, dan zullen wij niet heentrekken, want die man heeft tot ons gezegd: gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij uw broeder bij u is. 6 Toen zeide Israël: Waarom hebt gij mij kwaad aangedaan door die man mee te delen, dat gij nog een broeder hebt? 7 Daarop zeiden zij: Die man heeft ons nauwkeurig ondervraagd over onszelf en onze maagschap: leeft uw vader nog? Hebt gij nog een broeder? En wij hebben het hem naar waarheid meegedeeld. Konden wij soms weten, dat hij zou zeggen: brengt uw broeder mee? 8 En Juda zeide tot zijn vader Israël: Laat de jongen toch met mij meegaan; dan zullen wij ons gereed maken en op reis gaan, opdat wij in het leven mogen blijven en niet sterven, zowel wij als gij en onze kinderen. 9 Ik blijf borg voor hem; van mijn hand moogt gij hem eisen; indien ik hem niet tot u breng en vóór u stel, dan moge ik te allen tijde tegenover u als een schuldige staan. 10 Hadden wij niet getalmd, dan zouden wij zeker al tweemaal terug zijn. 11 Toen zeide hun vader Israël tot hen: Indien het zo gesteld is, doet dan dit: neemt van het fijnste des lands in uw zakken en brengt die man een geschenk: een weinig balsem en een weinig honig, gom en hars, terpentijnnoten en amandelen. 12 En neemt dubbel geld mee; ook het geld, dat boven in uw zakken gelegd was, moet gij terugbrengen; misschien was het een vergissing. 13 En neemt uw broeder mee, maakt u reisvaardig en keert terug tot die man. 14 En God, de Almachtige, geve u barmhartigheid voor het aangezicht van die man, opdat hij uw andere broeder late gaan, alsook Benjamin. En wat mij aangaat, als ik van kinderen beroofd moet worden, dan worde ik beroofd. 15 Toen namen de mannen dat geschenk en zij namen dubbel geld mee, benevens Benjamin; zij maakten zich reisvaardig, trokken naar Egypte en stonden voor het aangezicht van Jozef. 16 Toen Jozef Benjamin bij hen zag, zeide hij tot zijn huisbestuurder: Breng deze mannen in huis en slacht slachtvee en bereid het, want hedenmiddag zullen deze mannen met mij eten. 17 En de man deed zoals Jozef gezegd had, en bracht hen in Jozefs huis. 18 De mannen werden bevreesd, toen zij naar Jozefs huis gebracht werden, en zeiden: Wij worden hier gebracht vanwege het geld dat de eerste maal in onze zakken is teruggekomen, om ons te overrompelen en te overvallen, en om ons tot slaven te maken en onze ezels weg te nemen. 19 En zij traden toe op de man die Jozefs huisbestuurder was, en spraken tot hem aan de ingang van het huis, 20 en zeiden: Met uw verlof, mijn heer, wij zijn reeds een vorige maal gekomen om voedsel te kopen; 21 en toen wij in het nachtverblijf kwamen, en onze zakken openden - daar lag ieders geld boven in zijn zak, ons geld naar zijn volle gewicht. Maar wij hebben het mee teruggebracht, 22 en ander geld hebben wij meegenomen om voedsel te kopen; wij weten niet, wie ons geld in onze zakken gelegd heeft. 23 Doch hij zeide: Weest gerust, vreest niet; de God van u en van uw vader heeft u heimelijk een schat in uw zakken gegeven; uw geld heb ik ontvangen. Vervolgens bracht hij Simeon bij hen terug. 24 Toen die man hen in Jozefs huis gebracht had, gaf hij water om hun voeten te wassen, en hij gaf voeder aan hun ezels. 25 Daarop legden zij het geschenk gereed tegen het ogenblik, waarop Jozef in de middag zou komen, want zij hadden gehoord, dat zij daar een maaltijd zouden gebruiken. 26 Toen Jozef het huis binnengekomen was, brachten zij het geschenk dat zij bij zich hadden, bij hem binnen en zij bogen zich voor hem ter aarde. 27 Daarop vroeg hij hen naar hun welstand en zeide: is het wèl met uw oude vader, over wie gij gesproken hebt? Leeft hij nog? 28 En zij zeiden: Het is wèl met uw knecht, onze vader; hij leeft nog. Daarop knielden zij en bogen zich neer. 29 Toen hij zijn ogen opsloeg, zag hij zijn broeder Benjamin, de zoon zijner moeder, en zeide: Is dit uw jongste broeder, over wie gij tot mij gesproken hebt? En hij zeide: God zij u genadig, mijn zoon. 30 Toen haastte Jozef zich weg, want zijn hart ging in ontroering uit naar zijn broeder, en hij zocht gelegenheid om te wenen; hij trad een kamer binnen en weende daar. 31 Daarna wies hij zijn gelaat en trad naar buiten, bedwong zichzelf en zeide: Dient het maal op. 32 Toen dienden zij het op voor hem afzonderlijk en voor hen afzonderlijk en voor de Egyptenaren die met hem aten, afzonderlijk; de Egyptenaren toch mogen geen maaltijd gebruiken met de Hebreeën, want dat is voor de Egyptenaren een gruwel. 33 En zij zaten voor zijn aangezicht, de eerstgeborene naar zijn eerstgeboorte en de jongste naar zijn jeugd, zodat de mannen elkander verbaasd aanzagen. 34 En men bracht hun van de gerechten die vóór hem stonden, en het gerecht voor Benjamin was vijfmaal zo groot als het gerecht van ieder hunner. Zo dronken zij en werden dronken met hem.

Zowel Jakob en zijn zonen zijn onwetend van de bedoelingen van de onderkoning van Egypte. De hongersnood drijft hen naar die onderkoning toe, terwijl Jozef Simeon gevangen hield als verzekering van hun terugkomst. De honger werd zo sterk, dat ook Jakob Benjamin moest laten gaan, om anders niet allemaal om te komen. Op een aangename en bedachtzame manier handelt Jozef met zijn broeders, als hij hen aan de maaltijd nodigt. Eerst vraagt hij naar hun vader en dan spreekt hij tot Benjamin. Gods uitzonderlijke barmhartigheid, die Jakob zijn zonen toe bad, komt hen toe, maar in het bijzonder ook Jozef. Jozef moest zich van Benjamin afkeren om alleen te wenen. Hij wilde zich (nog) niet bekend maken.

De tafelschikking deed de broeders uiteraard verbaasd staan. De hand van God in dit alles werd al meer openbaar. Hij is hier alles aan het leiden, ook het hart van onderkoning Safenat Paneach (Jozef). In deze geschiedenis komt de troost van Gods vaderlijke liefde tot zijn kinderen. Hij leidt langs onbekende en ongedachte wegen hun leven. Opdat u zich leert gewennen aan Zijn hoogheilige wegen en van Zijn vaderlijke barmhartigheid alles verwacht.

Verder lezen: Psalm 771 Voor de koorleider. Op Jedutun. Een psalm van Asaf. 2 Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, opdat Hij zijn oor tot mij neige. 3 Ten dage mijner benauwdheid zoek ik de Here, des nachts is mijn hand uitgestrekt en zij wordt niet moede, mijn ziel weigert zich te laten troosten. 4 Denk ik aan God, dan kreun ik; peins ik, dan versmacht mijn geest. sela 5 Gij houdt mijn ogen open, ik ben onrustig en kan niet spreken. 6 Ik overdenk de dagen van ouds, de jaren van weleer; 7 ik denk in de nacht aan mijn snarenspel, ik peins in mijn hart en mijn geest vorst na. 8 Zal de Here dan voor altoos verstoten, en niet meer goedgunstig zijn? 9 Neemt zijn goedertierenheid voor immer een einde, houdt de belofte op van geslacht tot geslacht? 10 Vergeet God genadig te zijn, of sluit Hij zijn barmhartigheid in toorn toe? sela 11 Daarom zeg ik: Dit krenkt mij, dat de rechterhand des Allerhoogsten verandert. 12 Ik zal de daden des Heren gedenken, ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds, 13 van al uw werken gewagen en uw daden overdenken. 14 O God, in heiligheid is uw weg; wie is een God, groot als God? 15 Gij zijt de God, die wonderen werkt, Gij hebt onder de volken uw macht doen kennen. 16 Gij hebt uw volk met machtige arm verlost, de zonen van Jakob en Jozef. sela 17 De wateren zagen U, o God, de wateren zagen U, zij sidderden, zelfs de diepten beefden. 18 De wolken goten water uit, het zwerk deed de donder horen, ook vlogen uw pijlen rond. 19 Het gedreun van uw donder rolde voort, de bliksemen verlichtten de wereld, de aarde sidderde en beefde. 20 Uw weg was in de zee, uw pad in grote wateren, zodat uw voetsporen niet werden gekend. 21 Gij leiddet uw volk als een kudde door de hand van Mozes en Aäron.

1 maart

Genesis 441 En hij beval zijn huisbestuurder: Vul de zakken der mannen met koren, zoveel zij kunnen vervoeren, en leg ieders geld boven in zijn zak. 2 En mijn beker, de zilveren beker, moet gij boven in de zak van de jongste leggen met het geld voor zijn koren. En hij deed naar het woord, dat Jozef gesproken had. 3 Toen de morgen aanlichtte, liet men de mannen weggaan, met hun ezels. 4 Nauwelijks waren zij de stad uitgegaan, nog niet ver weg, of Jozef zeide tot zijn huisbestuurder: Maak u op, jaag die mannen achterna, en als gij hen ingehaald hebt, zeg dan tot hen: Waarom hebt gij goed met kwaad vergolden? (Waarom hebt gij de zilveren beker gestolen?) 5 Is deze het niet, waaruit mijn heer drinkt en waarmede hij de toekomst pleegt te voorspellen? Gij hebt slecht gehandeld met dit te doen. 6 Toen hij hen ingehaald had, sprak hij deze woorden tot hen. 7 En zij zeiden tot hem: Waarom spreekt mijn heer zulke woorden? Verre zij het van uw knechten zo iets te doen. 8 Zie, het geld dat wij boven in onze zakken vonden, hebben wij uit het land Kanaän tot u teruggebracht, en hoe zouden wij dan uit het huis van uw heer zilver of goud stelen? 9 Degene van uw knechten, bij wie (de beker) gevonden wordt, moge sterven, en bovendien zullen wij mijn heer tot slaven zijn. 10 Daarop zeide hij: Welaan, het zij zoals gij gezegd hebt; degene, bij wie hij gevonden wordt, die zal mij tot slaaf zijn, maar gij zult vrij uitgaan. 11 Toen haastte ieder van hen zich zijn zak af te laden op de grond, en ieder opende zijn zak. 12 En hij stelde een onderzoek in; hij begon bij de oudste en eindigde bij de jongste; en de beker werd gevonden in Benjamins zak. 13 Toen scheurden zij hun klederen, en ieder van hen belaadde zijn ezel en zij keerden terug naar de stad. 14 Zo kwamen Juda en zijn broeders in het huis van Jozef, waar hij nog was, en zij wierpen zich voor hem ter aarde. 15 En Jozef zeide tot hen: Wat is dat voor daad, die gij bedreven hebt? Wist gij niet, dat een man als ik dat ongetwijfeld ontdekken moest? 16 Daarop zeide Juda: Wat zullen wij tot mijn heer zeggen, wat zullen wij spreken, en waarmee zullen wij ons rechtvaardigen? God heeft de schuld uwer knechten aan het licht gebracht. Zie, wij zijn slaven voor mijn heer, wij evenals degene, bij wie de beker gevonden is. 17 Maar hij zeide: Het zij verre van mij dat te doen; de man, bij wie de beker gevonden is, die zal mij tot slaaf zijn, maar gij, trekt in vrede naar uw vader. 18 Toen naderde Juda tot hem en zeide: Met uw verlof, mijn heer, uw knecht moge toch een enkel woord ten aanhoren van mijn heer spreken en uw toorn ontbrande niet tegen uw knecht, want gij zijt als Farao. 19 Mijn heer heeft zijn knechten gevraagd: Hebt gij nog een vader of een broeder? 20 En wij zeiden tot mijn heer: Wij hebben een oude vader en daar is nog een jonge zoon zijns ouderdoms; maar zijn broeder is dood; hij is de enig overgeblevene van zijn moeder, en zijn vader heeft hem zeer lief. 21 Toen zeidet gij tot uw knechten: Brengt hem tot mij, opdat ik mijn ogen op hem sla. 22 Maar wij zeiden tot mijn heer: De jongen kan zijn vader niet verlaten, want verlaat hij zijn vader, dan zal deze sterven. 23 Daarop zeidet gij tot uw knechten: Indien uw jongste broeder niet met u meekomt, zult gij mijn aangezicht niet meer zien. 24 Nadat wij naar uw knecht, mijn vader, waren teruggereisd, deelden wij hem de woorden van mijn heer mee. 25 Toen nu onze vader zeide: Gaat ons weer een weinig voedsel kopen, 26 zeiden wij: Wij kunnen niet heentrekken; als onze jongste broeder bij ons is, dan zullen wij heentrekken; want wij zullen het aangezicht van die man niet mogen zien, wanneer onze jongste broeder niet bij ons is. 27 Daarop zeide uw knecht, mijn vader, tot ons: Gij weet, dat mijn vrouw mij twee zonen heeft gebaard; 28 de éne is van mij weggegaan, en ik heb moeten zeggen: voorzeker is hij verscheurd, en ik heb hem tot nu toe niet weergezien. 29 En neemt gij ook deze van mij weg, en overkomt hem een ongeluk, dan zult gij mijn grijze haar met verdriet in het dodenrijk doen neerdalen. 30 En nu, wanneer ik bij uw knecht, mijn vader, kom, en de jongen is niet bij ons, aan wiens ziel zijn eigen ziel nauw verbonden is, 31 dan zal het gebeuren, als hij ziet, dat de jongen er niet is, dat hij sterven zal, en uw knechten zullen het grijze haar van uw knecht, onze vader, met verdriet in het dodenrijk doen neerdalen. 32 Maar uw knecht is borg geworden voor de jongen bij mijn vader met deze woorden: indien ik hem niet tot u breng, dan moge ik te allen tijde tegenover mijn vader schuldig staan. 33 Nu dan, laat toch uw knecht in de plaats van de jongen als slaaf voor mijn heer achterblijven, en de jongen trekke met zijn broeders mee. 34 Want hoe zal ik naar mijn vader heentrekken, wanneer de jongen niet bij mij is? Ik zou het verdriet niet kunnen aanzien, dat mijn vader zou treffen.

Jozef herhaalt zijn voorgaande handeling, door het geld weer in hun zakken mee terug te geven. En nu wil hij te weten komen hoe het met zijn broeders staat. Zullen zij met Benjamin, de zoon van Rachel, de lieveling van vader, net zo doen als ze met hem gedaan hadden? Zullen ze hem voor een slaaf wegdoen, uit jaloezie voor vaders liefde voor hem? Zouden ze Benjamin wreed aan zijn lot overlaten, of voor hem opkomen? En zo hun vader gerust stellen. Zouden zijn broers veranderd zijn en verbeterd? Dit nu, zou Jozef te weten komen.

En dan is het Juda die het op zich genomen ambt uitoefent. Hij plaatst zichzelf voor Benjamin en biedt zich aan in de plaats van Benjamin. En dat doet hij op treffende wijze. Uit zijn uitgebreide relaas blijkt duidelijk dat hij zich volledig inzet om Benjamin vrij te krijgen, zodat die naar vader kan terugkeren. Hij wil daarvoor zichzelf opofferen. En zie in dit optreden van Juda, zijn Nakomeling, onze Heiland en Zaligmaker Jezus Christus. Hij, die, met het Middelaarsambt bekleed, Zichzelf voor de hoogste hemelse Rechter heeft gesteld. Hij heeft Zijn ziel, zijn leven, in onze plaats gegeven. Hij pleit ons vrij voor God en reinigt ons geweten van zonden. Geloof in Hem.

Verder lezen: Hebreeën 7:11-2811 Indien nu het Levitische priesterschap het volmaakte gebracht had, immers, daaronder heeft het volk de wet ontvangen - waarom was het dan nog nodig, dat een andere priester naar de ordening van Melchisedek opstond, van wie niet gezegd werd, dat hij naar de ordening van Aäron is? 12 Want uit een verandering van priesterschap volgt noodzakelijk ook een verandering van wet. 13 Want Hij, van wie aldus wordt gesproken, heeft behoord tot een andere stam, waaruit niemand met het altaar te doen had: 14 het is immers duidelijk, dat onze Here uit Juda is gesproten, ten aanzien van welke stam Mozes met geen woord van priesters gerept heeft. 15 En nog veel duidelijker wordt het, als naar het evenbeeld van Melchisedek een andere priester opstaat, 16 die dit niet geworden is krachtens een wet met een voorschrift betreffende vleselijke (afkomst), maar krachtens een onvernietigbaar leven. 17 Want van Hem wordt getuigd: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchisedek. 18 Want een vroeger voorschrift wordt wel afgeschaft, als het zonder kracht en nut is, 19 - immers de wet heeft in geen enkel opzicht het volmaakte gebracht - maar thans wordt een betere hoop gewekt, waardoor wij nader tot God komen. 20 En in zoverre het niet zonder een plechtige eed plaats had - want genen zijn zonder eed priester geworden, 21 maar déze met een eed bij monde van Hem, die tot Hem sprak: De Here heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt priester in eeuwigheid - 22 in zoverre is Jezus ook van een beter verbond borg geworden. 23 En zíj zijn in groter getale priester geworden, omdat zij door de dood verhinderd werden het te blijven, 24 doch Híj heeft, juist doordat Hij in eeuwigheid blijft, een priesterschap, dat op geen ander kan overgaan. 25 Daarom kan Hij ook volkomen behouden, wie door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten. 26 Immers, zulk een hogepriester hadden wij ook nodig: heilig, zonder schuld of smet, gescheiden van de zondaren en boven de hemelen verheven; 27 die niet, gelijk de hogepriesters, van dag tot dag eerst offers voor zijn eigen zonden behoeft te brengen en daarna voor die van het volk, want dit laatste heeft Hij eens voor altijd gedaan, toen Hij Zichzelf ten offer bracht. 28 Want de wet stelt als hogepriester mensen, die met zwakheid behept zijn, maar het plechtige woord van de eed, die ná de wet kwam, stelt de Zoon, die in eeuwigheid volmaakt is.

2 maart

Genesis 451 Toen kon Jozef zich niet langer bedwingen voor allen die bij hem stonden, en hij riep: Laat allen van mij weggaan. En daar stond niemand bij hem, toen Jozef zich aan zijn broeders bekend maakte. 2 Daarop brak hij uit in luid geween, zodat de Egyptenaren en Farao's huis het hoorden. 3 En Jozef zeide tot zijn broeders: Ik ben Jozef; leeft mijn vader nog? Doch zijn broeders konden hem niet antwoorden, want zij deinsden van schrik voor hem terug. 4 Toen zeide Jozef tot zijn broeders: Komt toch naderbij. Daarop naderden zij. En hij zeide: Ik ben uw broeder Jozef, die gij naar Egypte verkocht hebt. 5 Maar weest nu niet verdrietig en ziet er niet zo ontsteld uit, omdat gij mij hierheen verkocht hebt, want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uit gezonden. 6 Want reeds twee jaren is er hongersnood geweest in dit land en er komen nog vijf jaren, waarin niet geploegd of geoogst zal worden. 7 Daarom heeft God mij voor u uit gezonden om u een voortbestaan te verzekeren op aarde, en om voor u een groot aantal geredden in het leven te behouden. 8 Dus zijt gij het niet, die mij hierheen gezonden hebt, maar God; Hij heeft mij gesteld tot Farao's vader en tot heer over geheel zijn huis en tot heerser in het gehele land Egypte. 9 Trekt haastig naar mijn vader en zegt tot hem: Zo zegt uw zoon Jozef: God heeft mij gesteld tot heer over geheel Egypte, kom tot mij, draal niet. 10 Gij zult in het land Gosen wonen en gij zult dicht bij mij zijn, gij en uw kinderen en uw kindskinderen, uw kleinvee en uw runderen en al wat gij hebt. 11 En ik zal daar voor u zorgen - want er zal nog vijf jaar hongersnood zijn - opdat gij niet verarmt, gij, noch uw huis, noch iemand van de uwen. 12 En zie, uw eigen ogen en die van mijn broeder Benjamin zien, dat het mijn mond is, die tot u spreekt. 13 Vertelt dan aan mijn vader al de heerlijkheid die ik in Egypte bezit, en alles wat gij gezien hebt, en brengt mijn vader haastig hierheen. 14 Toen viel hij zijn broeder Benjamin om de hals en weende, en Benjamin weende aan zijn hals. 15 En hij kuste al zijn broeders hartelijk en weende, hen omhelzende. Daarna eerst spraken zijn broeders met hem. 16 Toen het gerucht in Farao's huis vernomen werd, dat Jozefs broeders waren gekomen, was dit Farao en zijn dienaren aangenaam. 17 En Farao zeide tot Jozef: Zeg tot uw broeders: doet dit: belaadt uw dieren en trekt heen naar het land Kanaän, 18 en haalt uw vader en uw gezinnen en komt tot mij, dan zal ik u het beste van het land Egypte geven, zodat gij het vette des lands eten zult. 19 Voorts hebt gij de opdracht hun te gelasten: Neemt u uit het land Egypte wagens voor uw kinderen en voor uw vrouwen, brengt uw vader mee en komt (herwaarts). 20 Gij moet het niet jammer vinden van uw huisraad, want het beste van het gehele land Egypte zal voor u zijn. 21 Toen deden de zonen van Israël aldus; en Jozef gaf hun wagens volgens Farao's bevel; ook gaf hij hun teerkost voor de reis. 22 Aan hen allen, man voor man, gaf hij een stel kostbare klederen en aan Benjamin gaf hij drie honderd zilverstukken en vijf stel kostbare klederen. 23 Daarbij zond hij zijn vader tien ezels, beladen met het beste van Egypte, en tien ezelinnen, beladen met koren en brood en voedsel, voor zijn vader op de reis. 24 Hierop deed hij zijn broeders uitgeleide, en zij gingen heen, en hij zeide tot hen: Maakt geen twist onderweg. 25 Zij dan trokken weg uit Egypte en kwamen in het land Kanaän bij hun vader Jakob. 26 Toen zij hem vertelden: Jozef leeft nog en hij is zelfs heerser over het gehele land Egypte, bleef zijn hart er koud onder, want hij kon het niet geloven. 27 Maar toen zij hem al de woorden overbrachten, die Jozef tot hen gesproken had, en toen hij de wagens zag, die Jozef gezonden had om hem te vervoeren, leefde de geest van hun vader Jakob op. 28 En Israël zeide: Het is genoeg, mijn zoon Jozef leeft nog; ik wil gaan en hem zien, eer ik sterf.

Jozef heeft de pleitrede van Juda aangehoord en zo de liefde vernomen die daar was voor vader en Benjamin. Het is hem nu duidelijk dat zijn broers veranderd waren. Luid huilend maakt hij zich vervolgens aan zijn broers bekend, die uiteraard volstrekt verbaasd zijn. Maar Jozef verklaart dan de raad van God in wat de broers met hem hadden gedaan. De Here wilde langs deze weg Jakob en zijn huis in het leven houden. Niet zij hadden hem verkocht, maar God had hem voor hen uitgezonden om hen te redden. Wat een wijsheid van God en wat een troost voor wie in Hem geloven. Hij weet het leven, dwars door het zondig handelen van mensen, zo te leiden, dat zijn kinderen verlost worden. Zo ook heeft Christus geleden onder het misdadig handelen van zijn eigen broeders. Het kwaad en onrecht dat Hij onderging was daarbij vergezeld met de toorn van God. Maar de overvloed van zijn verdienste is het eeuwige leven voor wie in Hem geloven.

Overvloed schonk Jozef in wagens en goederen. Zoveel gaf Jozef mee, dat zijn vader Jakob overtuigd werd van deze ongedachte verlossing uit zijn verdriet. En Israël zeide: “Het is genoeg; mijn zoon Jozef leeft nog; ik wil gaan en hem zien, eer ik sterf.” Wat een troost.

Verder lezen: Psalm 105:16-2216 Toen Hij hongersnood opriep over het land en alle staf des broods verbrak, 17 zond Hij een man voor hen uit: Jozef werd als slaaf verkocht; 18 men knelde zijn voeten in boeien, hij kwam in de ijzers 19 tot de tijd, dat zijn woord uitkwam, de uitspraak des Heren hem in het gelijk stelde. 20 De koning zond heen en liet hem los, de heerser der volken maakte hem vrij; 21 hij stelde hem tot heer over zijn huis, tot heerser over al zijn bezit, 22 om zijn vorsten te binden naar zijn goeddunken, en zijn oudsten leerde hij wijsheid.

3 maart

Genesis 46:1-301 En Israël brak op met alles wat hij had en kwam te Berseba en bracht de God van zijn vader Isaak slachtoffers. 2 En God sprak tot Israël in nachtgezichten, en Hij zeide: Jakob, Jakob. En hij zeide: Hier ben ik. 3 Toen zeide Hij: Ik ben God, de God van uw vader, vrees niet naar Egypte te trekken, want Ik zal u daar tot een groot volk maken. 4 Ik zal zelf met u naar Egypte trekken en Ik zal u ook zeker weer terugvoeren en Jozef zal u de ogen toedrukken. 5 Toen ging Jakob uit Berseba op weg, en de zonen van Israël vervoerden hun vader Jakob, benevens hun kinderen en hun vrouwen, op de wagens die Farao gezonden had om hem te vervoeren. 6 Zij namen ook mee hun vee en hun have, die zij in het land Kanaän verworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn kroost met hem. 7 Zijn zonen en kleinzonen, zijn dochters en kleindochters en zijn gehele kroost bracht hij met zich naar Egypte. 8 Dit nu zijn de namen van de zonen van Israël, die in Egypte kwamen, van Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob was Ruben. 9 De zonen van Ruben waren Chanok, Pallu, Chesron en Karmi. 10 De zonen van Simeon waren Jemuël, Jamin, Ohad, Jakin, Sochar en Saul, de zoon van een Kanaänitische. 11 De zonen van Levi waren Gerson, Kehat en Merari. 12 De zonen van Juda waren Er, Onan, Sela, Peres en Zerach; doch Er en Onan waren in het land Kanaän gestorven; en de zonen van Peres waren Chesron en Chamul. 13 De zonen van Issakar waren Tola, Puwwa, Job en Simron. 14 De zonen van Zebulon waren Sered, Elon en Jachleël. 15 Dit waren de zonen van Lea, die zij aan Jakob gebaard heeft in Paddan-Aram, benevens zijn dochter Dina. Het gehele zielental van zijn zonen en dochters was drieëndertig. 16 De zonen van Gad waren Sifjon, Chaggi, Suni, Esbon, Eri, Arodi en Areli. 17 De zonen van Aser waren Jimna, Jiswa, Jiswi en Beria, benevens hun zuster Serach, en de zonen van Beria waren Cheber en Malkiël. 18 Dit waren de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had, en zij baarde dezen aan Jakob - zestien zielen. 19 De zonen van Rachel, de vrouw van Jakob, waren Jozef en Benjamin. 20 En aan Jozef werden in het land Egypte Manasse en Efraïm geboren, die Asnat, de dochter van Potifera, de priester van On, hem baarde. 21 De zonen van Benjamin waren Bela, Beker, Asbel, Gera, Naäman, Echi, Ros, Muppim, Chuppim en Ard. 22 Dit waren de zonen van Rachel, die aan Jakob geboren werden, het gehele zielental veertien. 23 De zoon van Dan was Chusim. 24 De zonen van Naftali waren Jachseël, Guni, Jeser en Sillem. 25 Dit waren de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel gegeven had, en zij baarde dezen aan Jakob, het gehele zielental zeven. 26 Alle personen die met Jakob naar Egypte kwamen, zijn afstammelingen, behalve de vrouwen der zonen van Jakob, het gehele zielental was zesenzestig. 27 En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren waren, waren twee in getal. Het gehele getal der zielen van het huis van Jakob, die naar Egypte kwamen, was zeventig. 28 Hij dan zond Juda voor zich uit naar Jozef, opdat deze hem in Gosen zou ontmoeten. En zij kwamen in het land Gosen aan. 29 En Jozef spande zijn wagen aan en trok naar Gosen, zijn vader Israël tegemoet. Toen hij hem ontmoette, viel hij hem om de hals en weende geruime tijd aan zijn hals. 30 Toen zeide Israël tot Jozef: Nu kan ik sterven, nadat ik uw aangezicht gezien heb, omdat gij nog leeft.

Jakob ging op reis naar Egypte op de wagens van Farao. Maar te Berseba, de zuidelijkste plaats van het land stopt hij. Hij offert aan de God van zijn vader Isaak. Niet zomaar trekt hij weg uit het land der belofte. Hij denkt aan de belofte van de God van het verbond, de God van zijn vader. En de HERE komt dan tot hem spreken en Jakob zijn lot bekendmaken. De goede leiding van de HERE is Jakobs deel en de vervulling van de belofte. Jakob zal in het land van de belofte teruggebracht worden en aldaar begraven worden, nadat hij Jozef had gezien. Nu kan Israël doortrekken. Want de HERE Zelf trekt met hem mee en brengt hem terug. Er is een ingaan en uitgaan en weide vinden onder Gods bijzondere leiding.

Juda vervulde het middelaarswerk weer. En Jozef, vol begeerte zijn vader te zien, haast zich op weg. Vele tranen vloeiden, toen Jakob Jozef ontmoette. Jozef viel hem om de hals en weende geruime tijd. Het is maar moeilijk in te denken, welke gevoelens daar loskwamen zonder het zelf te hebben meegemaakt. De vereniging van vader en zoon na een scheiding van vele jaren was daar. Dit nu bewerkt Gods voorzienigheid. Na jaren van verdriet om verlies, geeft God leven.

Verder lezen: Psalm 1211 Een bedevaartslied. Ik hef mijn ogen op naar de bergen: vanwaar zal mijn hulp komen? 2 Mijn hulp is van de Here, die hemel en aarde gemaakt heeft. 3 Hij zal niet toelaten, dat uw voet wankelt, uw Bewaarder zal niet sluimeren. 4 Zie, de Bewaarder van Israël sluimert noch slaapt. 5 De Here is uw Bewaarder, de Here is uw schaduw aan uw rechterhand. 6 De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts. 7 De Here zal u bewaren voor alle kwaad, Hij zal uw ziel bewaren. 8 De Here zal uw uitgang en uw ingang bewaren van nu aan tot in eeuwigheid.

4 maart

Genesis 46:31-47:1231 En Jozef zeide tot zijn broeders en tot het huis zijns vaders: Ik zal heengaan, het Farao meedelen en hem zeggen: mijn broeders en het huis mijns vaders, die in het land Kanaän waren, zijn tot mij gekomen; 32 die mannen zijn schaapherders, want zij zijn veehouders en hebben hun kleinvee, hun runderen en alles wat zij bezitten, meegebracht. 33 En wanneer Farao u roept en zegt: wat is uw bedrijf? 34 zegt dan: uw knechten zijn veehouders geweest van onze jeugd aan tot heden, zowel wij als onze vaderen - opdat gij in het land Gosen moogt wonen, want al wat schaapherder is, is voor de Egyptenaren een gruwel. 1 Toen kwam Jozef bij Farao, deelde het hem mee, en zeide: Mijn vader en mijn broeders zijn met hun kleinvee, hun runderen en al wat zij bezitten, gekomen uit het land Kanaän, en zij zijn in het land Gosen. 2 Nu had hij vijf mannen uit zijn broeders meegenomen, en hij stelde die aan Farao voor. 3 En Farao zeide tot zijn broeders: Wat is uw bedrijf? Daarop zeiden zij tot Farao: Uw knechten zijn schaapherders, wij evenals onze vaderen. 4 Ook zeiden zij tot Farao: Wij zijn gekomen om als vreemdelingen in dit land te vertoeven, want er is geen weide meer voor de kudde, die uw knechten hebben, omdat de hongersnood zwaar is in het land Kanaän; nu dan, sta uw knechten toe in het land Gosen te wonen. 5 Toen zeide Farao tot Jozef: Uw vader en uw broeders zijn tot u gekomen; 6 het land Egypte ligt voor u open. Wijs uw vader en uw broeders in het beste deel van het land woonplaatsen aan, laten zij in het land Gosen wonen; indien gij weet, dat onder hen flinke mannen zijn, stel die dan tot opzichters over mijn kudde aan. 7 Ook bracht Jozef zijn vader Jakob en stelde hem aan Farao voor. En Jakob zegende Farao. 8 Toen zeide Farao tot Jakob: Hoe groot is het getal van uw levensjaren? 9 En Jakob zeide tot Farao: Het getal der jaren mijner vreemdelingschap is honderd en dertig; weinig in getal en kwaad zijn al mijn levensjaren geweest, en zij hebben niet bereikt het getal der levensjaren van mijn vaderen in de dagen hunner vreemdelingschap. 10 Toen zegende Jakob Farao en ging van Farao heen. 11 Jozef nu wees zijn vader en zijn broeders woonplaatsen aan en gaf hun grondbezit in het land Egypte, in het beste deel van het land, in het land Rameses, zoals Farao geboden had. 12 En Jozef onderhield zijn vader, zijn broeders en het gehele huis zijns vaders met brood, naar het getal der kinderen.

Jozef gaat nu ook een middelaarsfunctie bekleden. Hij gaat pleiten bij Farao voor een goed onderkomen voor zijn (bekeerde) broeders. Ook leert hij hen de Farao op gepaste wijze te antwoorden. De Farao blijkt hen zeer goed gezind om Jozefs wil, en dat ondanks, dat al wat schaapherder is voor de Egyptenaren een gruwel is (vers 3434 zegt dan: uw knechten zijn veehouders geweest van onze jeugd aan tot heden, zowel wij als onze vaderen - opdat gij in het land Gosen moogt wonen, want al wat schaapherder is, is voor de Egyptenaren een gruwel.). Farao geeft Jozef toestemming hen woonplaatsen te geven in het beste deel van het land. Dat doet Jozef dan ook en daarbij onderhield hij heel Israël. Zo valt Gods volk het beste ten deel. De Here voorziet in het leven van Zijn kinderen, opdat zij Hem zullen erkennen als de overvloedige Bron van alle goede dingen. Langs ongedachte wegen gaat de Here en Hij leidt en weidt Zijn kudde.

Indrukwekkend is de ontmoeting van Jakob met Farao. Tot tweemaal toe zegent Jakob de Farao. Terwijl slechts de levensjaren van Jakob wordt besproken, getuigt Jakob daarbij van het geloof. Hij spreekt van de jaren van mijn vreemdelingschap. Zo zegt hij, dat hij een nieuwe aarde, een hemels vaderland verwacht (Hebreeën 11:13-1613 In (dat) geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde. 14 Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een vaderland zoeken. 15 En als zij gedachtig geweest waren aan het vaderland, dat zij verlaten hadden, zouden zij gelegenheid gehad hebben terug te keren; 16 maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels, vaderland. Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid.). En met zijn zegenen van Farao worden we herinnerd aan Genesis 12:22 Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. en 3 en 26:44 En Ik zal uw nageslacht vermenigvuldigen als de sterren des hemels, en Ik zal uw nageslacht al die landen geven, en met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden.. Uit geloof in de belofte komt zegen op aarde.

Verder lezen: Handelingen 7:8-168 En Hij gaf hem het verbond der besnijdenis; en aldus verwekte hij Isaak en besneed hem op de achtste dag; en Isaak verwekte Jakob en Jakob de twaalf aartsvaders. 9 En de aartsvaders verkochten uit naijver Jozef naar Egypte, maar God was met hem, 10 en verloste hem uit al zijn verdrukkingen en gaf hem genade en wijsheid tegenover Farao, de koning van Egypte, die hem aanstelde tot hoofd over Egypte en over zijn gehele huis. 11 En er kwam hongersnood over geheel Egypte en Kanaän en grote verdrukking, en onze vaderen vonden geen voedsel. 12 Maar toen Jakob hoorde, dat er koren was in Egypte, zond hij onze vaderen de eerste maal daarheen; 13 en bij de tweede maal maakte Jozef zich aan zijn broeders bekend en Jozefs afkomst werd aan Farao openbaar. 14 En Jozef zond heen om zijn vader Jakob te laten komen en al zijn bloedverwanten, vijfenzeventig zielen. 15 En Jakob trok af naar Egypte, en hijzelf stierf, en onze vaderen; 16 en zij werden overgebracht naar Sichem en bijgezet in het graf, dat Abraham voor een som gelds van de zonen van Hemor te Sichem gekocht had.

5 maart

Genesis 47:13-2613 Er was nu in het gehele land geen brood, want de hongersnood was zeer zwaar, en het land Egypte en het land Kanaän raakten uitgeput tengevolge van de honger. 14 En Jozef zamelde al het geld in, dat zich in het land Egypte en in het land Kanaän bevond, voor het koren dat men kwam kopen, en Jozef bracht het geld in Farao's huis. 15 Toen het geld uit het land Egypte en uit het land Kanaän op was, kwamen alle Egyptenaren tot Jozef en zeiden: Geef ons brood! Waarom toch zouden wij voor uw ogen sterven? Want er is geen geld meer. 16 En Jozef zeide: Geeft uw vee, dan zal ik u (brood) geven in ruil voor uw vee, indien er geen geld meer is. 17 Toen brachten zij hun vee tot Jozef, en Jozef gaf hun brood in ruil voor de paarden, het kleinvee, het rundvee en de ezels, en hij voorzag hen in dat jaar van brood in ruil voor al hun vee. 18 Toen dat jaar ten einde was, kwamen zij tot hem in het tweede jaar en zeiden tot hem: Wij zullen het voor mijn heer niet verhelen dat, nu het geld op is en onze veestapel aan mijn heer is gekomen, er voor mijn heer niet anders overblijft dan ons lichaam en onze grond. 19 Waarom zouden wij voor uw ogen sterven, en zou onze grond verkommeren? Koop ons en onze grond in ruil voor brood; en wij en onze grond zullen Farao dienstbaar zijn. Geef ons dan zaad, opdat wij leven en niet sterven, en opdat de grond niet woest worde. 20 Toen kocht Jozef al de grond der Egyptenaren voor Farao, want de Egyptenaren verkochten ieder zijn akker, omdat de honger hun te sterk werd. Zo kwam het land aan Farao. 21 En wat het volk aangaat, dat maakte hij dienstbaar van het ene einde van het gebied van Egypte tot het andere einde. 22 Alleen de grond der priesters kocht hij niet, want de priesters hadden vaste inkomsten van Farao, en zij leefden van hun vaste inkomsten, die Farao hun gegeven had, daarom verkochten zij hun grond niet. 23 En Jozef zeide tot het volk: Zie, ik heb heden u en uw grond voor Farao gekocht; zie, hier is zaad voor u, opdat gij de grond kunt bezaaien. 24 Maar van de opbrengst zult gij een vijfde deel aan Farao geven, en vier delen zullen voor u zijn tot zaad voor de akker en tot voedsel voor u en voor hen die in uw huizen zijn, en tot spijze voor uw kinderen. 25 Toen zeiden zij: Gij hebt ons in het leven behouden; mogen wij de genegenheid van mijn heer winnen, dan zullen wij Farao dienstbaar zijn. 26 En Jozef maakte het tot een inzetting tot op de huidige dag met betrekking tot het grondbezit in Egypte, dat Farao daarvan een vijfde deel zou hebben; alleen de grond der priesters kwam niet aan Farao.

Jozef handelt verstandig met de bevolking van Egypte. Hij houdt hen in leven door de door hem opgeslagen voorraden aan hen te verkopen. Hierdoor kreeg Farao al het vee en heel het land in bezit. De bevolking echter raakt niet aan de bedelstaf, want ze mogen in dienst van Farao werken en leven. Ze zijn dan wel knechten geworden, maar worden heel gunstig behandeld. Want maar liefst tachtig procent van de opbrengst van het land mogen ze zelf houden. Slechts twintig procent moeten ze afstaan. Ze waren dan wel bezitloos geworden, maar konden wel veel van de opbrengst van het land voor zichzelf houden. Ze hadden evenwel geen keus, of ze moesten al de hongerdood prefereren boven deze dienstbaarheid. Ze bieden hun land en zichzelf aan om in leven te blijven. Zo was er hoop voor hen. Want voor al wie tot de levenden behoort is er hoop, immers een levende hond is beter dan een dode leeuw. Jozef was dus niet hard voor het volk. Zijn belastingtarief is zelfs laag in vergelijking met vandaag.

De mens heeft er veel voor over om in leven te blijven. Maar voor het eeuwige leven, kan hijzelf niets geven. Daarvoor moet geloofd worden in de God van Jozef, geloofd in Hem die alles gaf.

Verder lezen: Prediker 9:1-121 Voorzeker, dit alles nam ik ter harte en dit alles onderzocht ik: dat de rechtvaardigen en de wijzen met hun werken in Gods hand zijn, zowel liefde als haat; de mens weet niets van wat voor hem ligt. 2 Alles is gelijk voor allen, eenzelfde lot treft de rechtvaardige en de goddeloze, de goede en de reine, alsook de onreine; hem die offert, en hem die niet offert; het gaat de goede evenals de zondaar, hem die zweert, als hem die de eed schuwt. 3 Dit is het ergste, dat onder de zon geschiedt: dat allen eenzelfde lot treft; daarom is het hart der mensenkinderen vol boosheid en is er verdwaasdheid in hun hart hun leven lang; en daarna gaat het naar de doden. 4 Want voor al wie tot de levenden behoort, is er hoop, immers een levende hond is beter dan een dode leeuw. 5 De levenden weten tenminste, dat zij sterven moeten, maar de doden weten niets; zij hebben geen loon meer te wachten, zelfs hun nagedachtenis is vergeten. 6 Zowel hun liefde als hun haat en hun naijver zijn reeds lang vergaan; en zij hebben nimmer deel aan iets, dat onder de zon geschiedt. 7 Welaan dan, eet uw brood met vreugde en drink uw wijn met een vrolijk hart, want als gij dit doet, dan heeft God dit reeds lang zo gewild. 8 Laten uw klederen te allen tijde wit zijn en olie ontbreke niet op uw hoofd. 9 Geniet het leven met de vrouw die gij liefhebt, al de dagen des ijdelen levens, die Hij u geeft onder de zon, al uw ijdele dagen, want dat is uw deel onder de levenden en bij het zwoegen, waarmee gij u aftobt onder de zon. 10 Al wat uw hand vindt om naar uw vermogen te doen, doe dat, want er is geen werk of overleg of kennis of wijsheid in het dodenrijk, waarheen gij gaat. 11 Wederom zag ik onder de zon, dat niet de snelsten de wedloop winnen, noch de sterksten de strijd, noch ook de wijzen het brood, noch ook de schranderen de rijkdom, noch ook de verstandigen de gunst, want tijd en toeval treffen hen allen. 12 Want ook de mens kent zijn tijd niet, evenmin als de vissen, die in het verraderlijke net gevangen worden, evenmin als de vogels, die in het klapnet gevangen worden. Evenals zij worden de mensenkinderen verstrikt ten tijde des kwaads, als dit hen plotseling overvalt.

6 maart

Jakob nadert het einde van zijn leven op aarde. Het verblijf in vreemdelingschap. De HERE is met hem geweest, overal waar hij gegaan is. De HERE heeft Zijn Woord aan hem gehouden en heeft zijn trouw bewezen. God heeft Jakob wel beproefd, en zijn dagen waren vaak vol verdriet en tegenspoed, vanwege zijn eigen zonden, vanwege het bedrog van Laban, vanwege de misdaad van zijn zonen, vanwege het vroegtijdig verlies van Rachel, vanwege de verdwijning van Jozef Maar door alles heen was de HERE met hem en heeft hij het geloof behouden. Eén ding ontbreekt hem nu het einde nadert. Hij woont niet in het land der belofte. Het land dat zijn nageslacht erfelijk gaat bezitten, omdat God het gezegd heeft. Daar wil hij naar toe. Waar zijn vaders begraven liggen. En dan verzoekt hij Jozef hem plechtig te zweren hem daar te begraven. Een eed vereist Jakob. Hij wil zekerheid. Ook bij zijn sterven. Hij zoekt troost dat Gods beloften aan hem vervuld worden, teneinde toe. Zo wil het geloof. De zekerheid dat de HERE het beloofde land geeft en dat Zijn toegezegde genadegave wordt ontvangen. Toen Jozef het hem zwoer, boog Israël zich en bad tot God. Veel dankbaarheid om Gods trouw. In leven en sterven blijft Hij dezelfde.

Verder lezen: Psalm 421 Voor de koorleider. Een leerdicht van de Korachieten. 2 Gelijk een hinde die naar waterbeken smacht, zo smacht mijn ziel naar U, o God. 3 Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik komen en voor Gods aangezicht verschijnen? 4 Mijn tranen zijn mij tot spijze dag en nacht, daar men de ganse dag tot mij zegt: Waar is uw God? 5 Hieraan wil ik denken en mijn ziel in mij uitstorten: hoe ik optrok in de dichte drom, voor hen uit schreed naar Gods huis, bij jubelklank en lofgezang - een feestvierende menigte. 6 Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God! 7 Mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan en de Hermonbergen, uit het klein gebergte. 8 Watervloed roept tot watervloed bij het gebruis uwer stromen; al uw baren en golven slaan over mij heen. 9 Des daags zal de Here zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal zijn lied bij mij zijn, een gebed tot de God mijns levens. 10 Ik wil tot God, mijn rots, zeggen: Waarom vergeet Gij mij? Waarom ga ik in het zwart vanwege des vijands onderdrukking? 11 Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn tegenstanders, doordat zij de ganse dag tot mij zeggen: Waar is uw God? 12 Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God!

7 maart

Genesis 48:1-221 Hierna gebeurde het, dat men tot Jozef zeide: Zie, uw vader is ziek. Daarop nam hij zijn beide zonen met zich, Manasse en Efraïm. 2 Toen men aan Jakob meegedeeld had: Zie, uw zoon Jozef komt tot u, verzamelde Israël al zijn krachten en ging op het bed zitten. 3 En Jakob zeide tot Jozef: God, de Almachtige, is mij verschenen te Luz in het land Kanaän en heeft mij gezegend 4 en tot mij gezegd: zie, Ik zal u vruchtbaar maken, u vermenigvuldigen en u maken tot een menigte van volken; Ik zal dit land aan uw nageslacht geven tot een altoosdurende bezitting. 5 En nu, uw beide zonen, die u in het land Egypte geboren zijn, voordat ik tot u naar Egypte gekomen was, zij zijn de mijne; Efraïm en Manasse zullen mij als Ruben en Simeon zijn. 6 Maar uw nakomelingen, die gij na hen verwekt hebt, zullen de uwe zijn; naar de naam hunner broeders zullen zij genoemd worden in hun erfdeel. 7 Wat mij aangaat, toen ik uit Paddan kwam, is Rachel mij door de dood ontvallen in het land Kanaän op de reis, toen wij nog maar een eindweegs van Efrat verwijderd waren, en heb ik haar daar begraven aan de weg naar Efrat, dat is Betlehem. 8 Toen Israël de zonen van Jozef zag, zeide hij: Wie zijn dit? 9 En Jozef zeide tot zijn vader: Dat zijn mijn zonen, die God mij hier gegeven heeft. Daarop zeide hij: Breng hen toch tot mij, opdat ik hen zegene. 10 Israëls ogen nu waren dof geworden van ouderdom, hij kon niet zien. En (Jozef) bracht hen dichter bij hem; en hij kuste en omhelsde hen. 11 Daarna zeide Israël tot Jozef: Ik had niet kunnen vermoeden, dat ik uw aangezicht zou zien, en zie, God heeft mij zelfs uw nageslacht doen zien. 12 Toen deed Jozef hen van zijn knieën weggaan, en boog zich neer met zijn aangezicht ter aarde. 13 En Jozef nam hen beiden, met zijn rechterhand Efraïm aan Israëls linkerhand, en met zijn linkerhand Manasse aan Israëls rechterhand, en hij bracht hen dichter bij hem. 14 Toen strekte Israël zijn rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de jongste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij legde zijn handen kruiselings, ofschoon Manasse de eerstgeborene was. 15 En hij zegende Jozef en zeide: God, voor wiens aangezicht mijn vaderen Abraham en Isaak gewandeld hebben; God, die mij als herder geleid heeft, mijn leven lang tot op deze dag; 16 de Engel, die mij verlost heeft uit alle nood, zegene deze jongelingen, zodat in hen mijn naam en die van mijn vaderen Abraham en Isaak voortleven en zij in menigte mogen toenemen in het land. 17 Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op Efraïms hoofd gelegd had, was dat verkeerd in zijn ogen, en hij greep de hand van zijn vader om die van Efraïms hoofd te verleggen naar het hoofd van Manasse. 18 En Jozef zeide tot zijn vader: Zó niet, mijn vader, want deze is de eerstgeborene, leg uw rechterhand op zíjn hoofd. 19 Maar zijn vader weigerde het en zeide: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het; ook hij zal tot een volk worden en ook hij zal groot worden; nochtans zal zijn jongere broeder groter zijn dan hij, en diens nageslacht zal een volheid van volken worden. 20 En hij zegende hen te dien dage en zeide: Met u zal Israël zegen toewensen door te zeggen: God make u als Efraïm en als Manasse. En hij plaatste Efraïm vóór Manasse. 21 En Israël zeide tot Jozef: Zie, ik ga sterven, maar God zal met u zijn en u terugbrengen naar het land uwer vaderen. 22 En ik geef u, boven uw broeders, een bergrug, die ik met mijn zwaard en mijn boog aan de Amorieten heb ontrukt.

Jakob zegent de zonen van Jozef op kenmerkende wijze. Zoals hij als jongste de zegen mee kreeg, zo doet hij ook bij Manasse en Efraïm. Manasse was de oudste, maar Jakob stelde de jongste boven hem. Daarom zijn wij gewend te zeggen: Efraïm en Manasse. De kruislingse zegenende handeling van Jakob wijst ons erop, dat het bij de Here gaat langs de weg, niet van het vlees, maar naar de verkiezing. Niet de oudste of de sterkste verkrijgt de grootste zegen, maar zoals God het bepaald heeft. Het ontvangen van Gods zegen is een kwestie van louter genade. De zegenrijke belofte die de HERE aan Abraham, Isaak en Jakob gaf, geeft Jakob allereerst door aan Jozef, door diens zonen te zegenen (vers 1515 En hij zegende Jozef en zeide: God, voor wiens aangezicht mijn vaderen Abraham en Isaak gewandeld hebben; God, die mij als herder geleid heeft, mijn leven lang tot op deze dag.: “En hij zegende Jozef”). Jakob neemt hen als zijn eigen zonen aan. Zo kreeg Jozef twee stammen in Israël. En de jongste werd de grootste. Ook herhaalt Israël de Immanuëlbelofte, als hij zegt, vers 2121 En Israël zeide tot Jozef: Zie, ik ga sterven, maar God zal met u zijn en u terugbrengen naar het land uwer vaderen.: “God zal met u zijn”. Israël heeft het zelf steeds ondervonden. Gods zegenrijke nabijheid, Zijn permanente bescherming. Al Gods woorden zijn uitgekomen. Die trouw van de HERE zal Jozef en zijn zonen steeds vergezellen. Daar kunnen zij van op aan. En dat is vandaag ook u gegeven, gedoopt in de naam van God Drieenig.

Verder lezen: Psalm 73:21-2821 Toen mijn hart verbitterd was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd, 22 toen was ik een grote dwaas en zonder verstand, ik was een redeloos dier bij U. 23 Nochtans zal ik bestendig bij U zijn, Gij hebt mijn rechterhand gevat; 24 Gij zult mij leiden door uw raad, en daarna mij in heerlijkheid opnemen. 25 Wie heb ik (nevens U) in de hemel? Nevens U begeer ik niets op aarde; 26 al zou mijn vlees en mijn hart bezwijken, mijns harten rots en mijn erfdeel is God voor eeuwig. 27 Want zie, wie verre van U zijn, gaan te gronde, Gij verdelgt al wie overspelig U verlaat, 28 maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te zijn, de Here Here heb ik tot mijn toevlucht gesteld, en ik wil al uw werken vertellen.

8 maart

Genesis 49:1-281 En Jakob ontbood zijn zonen en zeide: Komt bijeen, opdat ik u bekend make, wat u in toekomende dagen wedervaren zal. 2 Verzamelt u en luistert, gij zonen van Jakob, luistert naar Israël, uw vader. 3 Ruben, mijn eerstgeborene zijt gij, mijn sterkte en de eersteling mijner kracht, de voornaamste in hoogheid, de voornaamste in vermogen. 4 Gij, die opbruist als water, gij zult de voornaamste niet zijn, omdat gij uws vaders bed beklommen hebt; toen hebt gij het ontwijd. Hij heeft mijn legerstede beklommen. 5 Simeon en Levi zijn broeders; hun gereedschappen zijn werktuigen van geweld. 6 Mijn ziel hebbe geen deel aan hun beraadslaging, mijn geest sluite zich niet aan bij hun vergadering, want in hun toorn hebben zij mannen gedood en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden. 7 Vervloekt zij hun toorn, want die is hevig, en hun grimmigheid, want die is hard. Ik zal hen verdelen onder Jakob en verstrooien onder Israël. 8 Juda, ù zullen uw broeders loven, uw hand zal zijn op de nek uwer vijanden, voor u zullen uws vaders zonen zich neerbuigen. 9 Een leeuwewelp is Juda; na de roof zijt gij omhoog geklommen, mijn zoon; hij kromt zich, legt zich neder als een leeuw of als een leeuwin; wie durft hem opjagen? 10 De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn. 11 Hij zal zijn ezel aan de wijnstok binden en het jong zijner ezelin aan de wingerd; hij zal zijn kleed in wijn wassen en in druivebloed zijn gewaad. 12 Hij zal donkerder van ogen zijn dan wijn en witter van tanden dan melk. 13 Zebulon zal wonen aan het strand der wijde zee, ja, hij zal wonen aan het strand bij de schepen, en zijn zijde zal naar Sidon gekeerd zijn. 14 Issakar is een bonkige ezel, die tussen de stallingen ligt; 15 als hij ziet, dat de rust goed is, en dat het land liefelijk is, buigt hij zijn schouder om te torsen en leent zich tot slaafse herendienst. 16 Dan zal zijn volk richten als een der stammen Israëls. 17 Moge Dan een slang op de weg zijn, een hoornslang op het pad, die in de hielen van het paard bijt, zodat zijn berijder achterover valt. 18 Op uw heil wacht ik, o Here. 19 Gad, een bende zal hem belagen, maar hij zal hun hielen belagen. 20 Aser, zijn spijze zal vet zijn, en hij zal koninklijke lekkernijen leveren. 21 Naftali is een losgelaten hinde; hij laat schone woorden horen. 22 Een jonge vruchtboom is Jozef, een jonge vruchtboom aan een bron; zijn takken stijgen boven de muur uit; 23 de boogschutters hebben hem getergd, beschoten en vijandig bejegend, 24 maar zijn boog bleef stevig en zijn sterke handen bleven lenig, door de handen van de Machtige Jakobs, daar de Steenrots Israëls zijn herder is; 25 door de God uws vaders, die u zal helpen, en de Almachtige, die u zal zegenen met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen van de watervloed, die beneden ligt, met zegeningen van de borsten en de moederschoot. 26 De zegeningen van uw vader gaan de zegeningen van mijn voorvaderen te boven, reikende tot het kostelijkste der eeuwige heuvelen; zij zullen komen op het hoofd van Jozef, op de schedel van de uitverkorene onder zijn broeders. 27 Benjamin is een verscheurende wolf; in de morgen verslindt hij zijn prooi en tegen de avond verdeelt hij de buit. 28 Dit zijn al de stammen van Israël, twaalf in getal; en dit is wat hun vader over hen gesproken heeft, toen hij hen zegende; ieder zegende hij met een eigen zegen.

Het buigen van de schoven van Jakobs zonen voor Jozefs schoof werd vervuld. Maar daarna zal voor een ander gebogen worden. Als Jakob profetisch Gods zegen gaat geven, dan is het Juda voor wie Jakobs zonen zullen neerbuigen. Uit hem zal de Christus voortkomen. De eerste drie zonen van Jakob worden hier gepasseerd vanwege hun overtreden, ja zelfs een vorm van straf wordt hen aangezegd (vers. 7). Juda’s overtreding wordt voorbijgezien. De verklaring hiervoor? Genade alleen. De unieke zegen voor iedere zoon wordt middenin onderbroken door het gebed: “Op uw heil wacht ik, o HERE.” Zo spreekt het geloof. Geloof is wachten met zekerheid. Want wat Jakob zijn zonen aanzegt zal zeker komen (vers 11 En Jakob ontbood zijn zonen en zeide: Komt bijeen, opdat ik u bekend make, wat u in toekomende dagen wedervaren zal.). De toename en overvloed van Gods zegeningen wordt speciaal Jozef toegezegd. Waarbij hij de uitverkorene wordt genoemd (SV: de afgezonderde). Hij was immers van hen afgezonderd, als geliefde van vader, als onderkoning van Egypte en als verzorger van heel de familie. Hij is beeld en type van Juda’s grote Zoon, onze Here Jezus Christus, aan wie de volken gehoorzaam zullen zijn. En zalig bent u, nu u onder Zijn hemelse heerschappij bent gebracht en gelovig en gewillig Hem gehoorzaam zijt.

Verder lezen: Psalm 21 Waarom woelen de volken en zinnen de natiën op ijdelheid? 2 De koningen der aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de Here en zijn gezalfde: 3 Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen! 4 Die in de hemel zetelt, lacht; de Here spot met hen. 5 Dan spreekt Hij tot hen in zijn toorn, en verschrikt hen in zijn gramschap: 6 Ik heb immers mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg. 7 Ik wil gewagen van het besluit des Heren: Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt. 8 Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel, de einden der aarde tot uw bezit. 9 Gij zult hen verpletteren met een ijzeren knots, hen stukslaan als pottenbakkerswerk. 10 Nu dan, gij koningen, weest verstandig, laat u gezeggen, gij richters der aarde. 11 Dient de Here met vreze en verheugt u met beving. 12 Kust de zoon, opdat hij niet toorne en gij onderweg niet te gronde gaat, want zeer licht ontbrandt zijn toorn. Welzalig allen die bij Hem schuilen!

9 maart

Genesis 49:29-50:1429 Daarna gaf hij hun bevel en zeide tot hen: Ik word tot mijn voorgeslacht vergaderd, begraaft mij bij mijn vaderen in de spelonk in het veld van de Hethiet Efron, 30 in de spelonk in het veld van Makpela, dat tegenover Mamre in het land Kanaän ligt, welk veld Abraham gekocht heeft van de Hethiet Efron tot een eigen grafstede. 31 Daar heeft men Abraham en zijn vrouw Sara begraven; daar heeft men Isaak en zijn vrouw Rebekka begraven, en daar heb ik Lea begraven; 32 het veld met de spelonk daarin, is gekocht van de Hethieten. 33 Toen Jakob geëindigd had zijn zonen bevelen te geven, trok hij zijn voeten terug op het bed en gaf de geest, en hij werd tot zijn voorgeslacht vergaderd. 1 Toen wierp Jozef zich op zijns vaders aangezicht en hij beweende hem en kuste hem. 2 En Jozef gebood zijn dienaren, de geneesheren, zijn vader te balsemen; en de geneesheren balsemden Israël. 3 Dit duurde bij hem veertig dagen, want zo lang duurden de dagen van het balsemen, en de Egyptenaren beweenden hem zeventig dagen. 4 En toen de dagen dat men hem beweende, voorbijgegaan waren, sprak Jozef tot het huis van Farao: Indien ik uw genegenheid gewonnen heb, spreekt dan ten aanhoren van Farao: 5 mijn vader heeft mij doen zweren: zie, ik sterf; in mijn graf, dat ik mij in het land Kanaän uitgehouwen heb, daar moet gij mij begraven. Nu dan, laat mij toch heentrekken, opdat ik mijn vader begrave, en dan zal ik terugkeren. 6 Daarop zeide Farao: Trek heen en begraaf uw vader, zoals hij u heeft doen zweren. 7 Toen trok Jozef heen om zijn vader te begraven, en met hem trokken alle dienaren van Farao, de oudsten van zijn huis, en al de oudsten van het land Egypte, 8 benevens het gehele huis van Jozef, zijn broeders en het huis zijns vaders; alleen hun kleine kinderen, hun schapen en hun runderen lieten zij in het land Gosen achter. 9 Ook trokken met hem zowel wagens als ruiters, zodat de stoet geweldig groot was. 10 En toen zij gekomen waren bij de Doornen-dorsvloer aan de overzijde van de Jordaan, hielden zij daar een grote en zeer plechtige rouwklacht, en hij liet over zijn vader zeven dagen rouw bedrijven. 11 Toen de inwoners van het land, de Kanaänieten, de rouw op de Doornen-dorsvloer zagen, zeiden zij: Dit is een zware rouw der Egyptenaren; daarom gaf men daaraan de naam Abel-Misraïm, dat aan de overzijde van de Jordaan ligt. 12 En zijn zonen deden met hem zoals hij hun geboden had. 13 Zijn zonen vervoerden hem naar het land Kanaän, en zij begroeven hem in de spelonk van het veld van Makpela, welk veld, tegenover Mamre gelegen, Abraham tot een eigen grafstede had gekocht van de Hethiet Efron. 14 Na zijn vader begraven te hebben, keerde Jozef naar Egypte terug, hij en zijn broeders en allen, die waren meegegaan om zijn vader te begraven.

De begrafenis van vader Jakob kent zijns gelijke bijna niet in de Schrift. Ongekend is de eer die hem wordt aangedaan bij zijn sterven. Engelen Gods zag hij, toen hij eenzaam en alleen vertrok uit Kanaän. Hij kreeg de belofte. Terugkerend zag hij een groot leger aan engelen. En nu wordt hij door een machtig groot leger begeleid naar Kanaän, zijn laatste rustplaats bij zijn vaderen. Hoezeer had hij dat verlangd, dat hij bij hen begraven zou worden! Want hij zocht daarmee het beloofde land, ja, de belofte van de HERE. En daarmee verwachtte hij de stad met fundamenten waarvan God de Bouwmeester is, het hemels vaderland (vergelijk Hebreeën 11:1010 want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is. en 16).

Hoezeer Jozef geliefd was aan het hof van Farao blijkt wel als een enorme delegatie hooggeplaatsten meegaat naar Kanaän. Een ware staatsbegrafenis krijgt Jakob, met zeer groot rouwbedrijf. Zelfs een plaatsnaam werd er naar vernoemd. Wij moeten dat niet overdreven vinden, maar het zien als aanwijzing welk een eer God zijn uitverkoren knechten laat bewijzen.

Jakob was een strijder met God en mensen om de belofte te verkrijgen. In het geloof heeft hij volhard tot het einde. Zo is hij vader van de ware Israëlieten.

Verder lezen: 2 Korintiërs 5:1-101 Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis. 2 Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden, 3 als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden. 4 Want wij, die nog in een tent wonen, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven worde verslonden. 5 God is het, die ons juist dáártoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft. 6 Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zijn 7 - want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen - 8 maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen. 9 Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn. 10 Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.

10 maart

Jozef heeft, vanaf het moment dat hij zijn broers zag, erop ingezet zijn vader en Benjamin te zien. Zijn liefde ging vooral naar zijn vader uit en die liefde was daar ook bij Jakob voor Jozef. Dit werd rond het geven van de zegen duidelijk, omdat Jakob eerst Jozef in diens zonen zegende. De broers denken, na het sterven van hun vader, aan het kwaad dat zij Jozef hadden aangedaan. En dan doet hun denken aan straf de schrik om het lijf slaan en smeken Jozef per brief om vergeving. Jozef weende toen. Zijn broeders kenden zijn gezindheid niet. Ook bogen zijn broers voor hem neer. Opnieuw ging zijn droom in vervulling.

Maar Jozef verklaart vrede te hebben met de voorzienige leiding van de HERE. Die leiding is er ook door het kwaad dat mensen je kunnen aandoen. Jozef weet zijn plaats in Gods bestuur. Iets wat je moet aanvaarden om Hem te kunnen dienen. Zo ook weet Jozef zijn taak ten aanzien van Israël, om het volk in leven te houden. En hij troost zijn broers, dat hij voor hen zal zorgen. Hij sprak tot hun hart. Niet wraak, maar vergeving. Dat is het evangelie. Zo begint het eerste Bijbelboek. Gods genade voor zondaren, doet hen ook genade bewijzen. Onverdiende en verbeurde gunst.

Verder lezen: Matteüs 6:5-155 En wanneer gij bidt, zult gij niet zijn als de huichelaars, want zij staan gaarne in de synagogen en op de hoeken der pleinen te bidden, om zich aan de mensen te vertonen. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds. 6 Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het verborgene; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. 7 En gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden. 8 Wordt hun dan niet gelijk, want [God] uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt. 9 Bidt gij dan aldus: Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; 10 uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde. 11 Geef ons heden ons dagelijks brood; 12 en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; 13 en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. [Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.] 14 Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; 15 maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven.

11 maart

Jozef wist zijn leven in Gods hand. Hij is door de duisternis van verraad, verloochening en verkoop gegaan. God was aan zijn zijde. Zijn dromen kwamen uit, want het was Gods getuigenis, dat vast en zeker is. Hij heeft de beloften die de HERE aan Abraham, Isaak en Jakob had gezworen gelovig vastgehouden tot het einde van zijn leven toe. En ook heeft hij bij zijn sterven de belofte gelovig beleden en herhaald, door zijn broeders te verzekeren dat God naar hen zou omzien en zijn belofte inlossen. Zo heeft Jozef dan ook, evenals Jakob, zijn broeders doen zweren zijn gebeente mee te nemen en op de bestemde plaats te begraven. Namelijk te Sichem waar Jakob een stuk grond gekocht had, wat Jozef toebedeeld was (zie Jozua 24:3232 Het gebeente van Jozef, dat de Israëlieten uit Egypte meegevoerd hadden, heeft men te Sichem begraven, in het stuk land, dat Jakob voor honderd stukken geld van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, gekocht had, en dat de Jozefieten verkregen tot een erfelijke bezitting.). Dit heeft Jozef door het geloof gedaan. En in dat geloof is hij gestorven. En zoals hier het boek van de geboorten, Genesis, eindigt, zo zal het zijn voor allen die de belofte geloven. Zij zullen de zegen van de HERE zien. En na de ogen hier gesloten worden, die opslaan in het hemels vaderland. Dit is de trouw van de HERE aan Zijn verbond en woorden. In de grijze dagen zijn wij, die geloven, nog jong in dit geloof. Want God zorgt voor de vervulling. Hijzelf zal alles waar maken. Zo is er rust.

Verder lezen: Exodus 13:17-2217 Toen Farao het volk had laten gaan, leidde God hen niet op de weg naar het land der Filistijnen, hoewel deze de naaste was; want God zeide: Het volk mocht eens berouw krijgen, wanneer zij in strijd gewikkeld werden, en naar Egypte terugkeren. 18 Daarom liet God het volk zwenken, de woestijnweg op naar de Schelfzee. Ten strijde toegerust trokken de Israëlieten op uit het land Egypte. 19 En Mozes nam het gebeente van Jozef mee, omdat deze de zonen van Israël plechtig had doen zweren: God zal zeker naar u omzien, dan zult gij mijn gebeente vanhier met u meevoeren. 20 Zo braken zij van Sukkot op en legerden zich in Etam, aan de rand der woestijn. 21 De Here ging voor hen uit, des daags in een wolkkolom om hen te leiden op de weg, en des nachts in een vuurkolom om hun voor te lichten, zodat zij dag en nacht konden voortgaan. 22 Zonder ophouden bleef de wolkkolom des daags en de vuurkolom des nachts aan de spits van het volk.

12 maart

Twee wegen tekent Psalm 11 Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen, die niet staat op de weg der zondaars, noch zit in de kring der spotters; 2 maar aan des Heren wet zijn welgevallen heeft, en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht. 3 Want hij is als een boom, geplant aan waterstromen, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, welks loof niet verwelkt; - al wat hij onderneemt, gelukt. 4 Niet alzo de goddelozen: die toch zijn als kaf dat de wind verstrooit. 5 Daarom houden de goddelozen geen stand in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen, 6 want de Here kent de weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddelozen vergaat.. De eerste weg is die van de rechtvaardigen. Het is de smalle weg die wordt bewandeld door een ieder die Gods thora (Zijn leer) liefheeft en overdenkt. Het is de weg die tot het eeuwige leven leidt en goede vruchten doet dragen. Daarom is al wie deze weg bewandelt gelukkig te prijzen. Tegenover deze weg staat echter een heel andere weg: die van de goddelozen. Het is de brede weg van de hardnekkige zondaren, die als werkers der wetteloosheid samenrotten terwijl ze met God en godsdienst spotten. Zij zijn allerminst gelukkig te prijzen, want hun weg loopt dood.

Het gaat er voor ons dan ook om, dat wij de juiste weg bewandelen. We moeten niet wandelen in “de raad der goddelozen”, die van alles bedenken en beraadslagen tegen God en Zijn Woord. We moeten niet plaatsnemen in “de kring der spotters”, die uiteindelijk alleen maar zichzelf bespottelijk maken. Maar we moeten ons van harte voegen bij de vergadering van de rechtvaardigen. En nee, dat zijn wij beslist niet uit onszelf: rechtvaardigen. Maar dat zijn we wel door het geloof in Christus. Christus heeft met Zijn dood en opstanding de weg ten leven voor ons gebaand; Hij die Zelf is de Weg, de Waarheid en het Leven. Door het geloof in Hem zijn wij rechtvaardig voor God, en is onze weg de eeuwige weg.

Verder lezen: Matteüs 7:13-2313 Gaat in door de enge poort, want wijd is [de poort] en breed de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan; 14 want eng is de poort, en smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden. 15 Wacht u voor de valse profeten, die in schapevacht tot u komen, maar van binnen zijn zij roofgierige wolven. 16 Aan hun vruchten zult gij hen kennen: men leest toch geen druiven van dorens of vijgen van distels? 17 Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de slechte boom brengt slechte vruchten voort. 18 Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, of een slechte boom goede vruchten dragen. 19 Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. 20 Zo zult gij hen dan aan hun vruchten kennen. 21 Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is. 22 Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? 23 En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid.

13 maart

De eeuwen door komen vele volken en volksoversten (ook kerkleiders!) in opstand tegen de Messias, de Gezalfde des HEEREN. Maar tevergeefs! Hoeveel aardse machten ook samenspannen tegen de hemelse God en Zijn eeuwig geboren Zoon, zij maken zichzelf alleen maar belachelijk en bespottelijk. Want niemand is zo machtig als de almachtige God. En niemand ontkomt aan Zijn straffende toorn, behalve door een waar geloof in Christus. Christus is door God de Vader gezalfd tot Koning over Sion, Zijn kerk. En deze Koning is een almachtig Koning, die Zijn onderdanen beschermt tegen al Zijn en hun vijanden. Alle knie zal zich uiteindelijk voor Hem buigen, zo niet door geloof en bekering, dan wel door een verpletterend oordeel. Want ieder mens is als klei in de hand van de Pottenbakker, die goddelozen genadig omvormt tot gelovigen dan wel rechtvaardig verbrijzelt om hun ongeloof. Psalm 21 Waarom woelen de volken en zinnen de natiën op ijdelheid? 2 De koningen der aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de Here en zijn gezalfde: 3 Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen! 4 Die in de hemel zetelt, lacht; de Here spot met hen. 5 Dan spreekt Hij tot hen in zijn toorn, en verschrikt hen in zijn gramschap: 6 Ik heb immers mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg. 7 Ik wil gewagen van het besluit des Heren: Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt. 8 Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel, de einden der aarde tot uw bezit. 9 Gij zult hen verpletteren met een ijzeren knots, hen stukslaan als pottenbakkerswerk. 10 Nu dan, gij koningen, weest verstandig, laat u gezeggen, gij richters der aarde. 11 Dient de Here met vreze en verheugt u met beving. 12 Kust de zoon, opdat hij niet toorne en gij onderweg niet te gronde gaat, want zeer licht ontbrandt zijn toorn. Welzalig allen die bij Hem schuilen! komt dan ook met een dringende waarschuwing voor alle vorsten en koningen, en niet minder voor ons: “Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne”. Geloof in Christus als de Koning der koningen, dan zult u niet te gronde gaan. Buigt u nederig onder Zijn zachte juk, om voor eeuwig door Hem verhoogd te worden. Want wie hoogmoedig opstaat tegen de Heere, zal beschaamd uitkomen. Maar wie nederig bij Hem schuilt, wordt niet beschaamd maar beschermd, gespaard en bewaard.

Verder lezen: Handelingen 4:1-311 En terwijl zij tot het volk spraken, overvielen hen de priesters, de hoofdman van de tempel en de Sadduceeën, 2 zeer verontwaardigd, omdat zij het volk leerden en in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden; 3 en zij sloegen de handen aan hen en stelden hen in bewaring tot de volgende dag, want het was reeds avond. 4 Maar velen van hen, die het woord gehoord hadden, werden gelovig, en het getal der mannen werd ongeveer vijfduizend. 5 En het geschiedde tegen de volgende dag, dat hun oversten en hun oudsten en hun schriftgeleerden bijeenkwamen te Jeruzalem, 6 en Annas, de hogepriester, en Kajafas, Johannes, Alexander en allen, die tot het hogepriesterlijk geslacht behoorden; 7 en toen zij hen hadden laten voorkomen, wilden zij van hen weten: Door welke kracht of door welke naam hebt gij dit gedaan? 8 Toen zeide Petrus, vervuld met de heilige Geest, tot hen: Oversten van het volk en oudsten, 9 indien wij thans in verhoor genomen worden ter zake van een weldaad aan een zieke, waardoor hij gezond geworden is, 10 dan moet aan u allen en het ganse volk van Israël bekend zijn, dat door de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër, die gij gekruisigd hebt, maar die God heeft opgewekt uit de doden, dat door die naam deze hier gezond voor u staat. 11 Dit is de steen, door u, de bouwlieden, versmaad, die nochtans tot hoeksteen is geworden. 12 En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden. 13 Toen zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en bemerkt hadden, dat zij ongeletterde en eenvoudige mensen uit het volk waren, verwonderden zij zich, en zij herkenden hen, dat zij met Jezus geweest waren; 14 en daar zij de genezene bij hen zagen staan, konden zij er niets tegen inbrengen. 15 En na hun geboden te hebben buiten de raadzaal te gaan, overlegden zij met elkander, 16 en zij zeiden: Wat moeten wij met deze mensen beginnen? Want dat er een kennelijk wonderteken door hen verricht is, is duidelijk aan allen, die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet loochenen; 17 maar om te voorkomen, dat het nog meer onder het volk verbreid wordt, laat ons hun dreigend gebieden tot niemand meer te spreken op gezag van deze naam. 18 En toen zij hen binnengeroepen hadden, bevalen zij hun in het geheel niet meer te spreken over of te leren op gezag van de naam van Jezus. 19 Maar Petrus en Johannes antwoordden en zeiden tot hen: Beslist zelf, of het recht is voor God, meer aan u dan aan God gehoor te geven; 20 want wij kunnen niet nalaten te spreken van wat wij gezien en gehoord hebben. 21 Maar zij dreigden nog meer, doch lieten hen vrij, daar zij geen vorm konden vinden om hen te straffen - en wel om het volk; want allen verheerlijkten God om hetgeen er geschied was; 22 want de mens, aan wie dit teken der genezing verricht was, was boven de veertig jaar. 23 En toen zij vrijgelaten waren, gingen zij naar de hunnen en deelden hun mede al wat de overpriesters en oudsten tot hen gezegd hadden. 24 En toen dezen het hoorden, verhieven zij eenparig hun stem tot God en zeiden: Gij, Here, zijt het, die geschapen hebt de hemel, de aarde, de zee en al wat daarin is; 25 die door de heilige Geest bij monde van onze vader David, uw knecht, gezegd hebt: Waarom hebben de heidenen gewoed en de volken ijdele raad bedacht? 26 De koningen der aarde hebben zich opgesteld en de oversten zijn tezamen vergaderd tegen de Here en tegen zijn Gezalfde. 27 Want inderdaad zijn in deze stad vergaderd tegen uw heilige knecht Jezus, die Gij gezalfd hebt, Herodes zowel als Pontius Pilatus met de heidenen en de volken van Israël, 28 om te doen al wat uw hand en uw raad tevoren bepaald had, dat geschieden zou. 29 En nu, Here, let op hun dreigingen en geef uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken, 30 doordat Gij uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen geschieden door de naam van uw heilige knecht Jezus. 31 En terwijl zij baden, werd de plaats, waar zij vergaderd waren, bewogen; en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid.

14 maart

“Hij vindt geen hulp bij God”, beweren de vijanden van koning David, die tegen hem zijn opgestaan. Vijanden, niet maar van buitenaf, maar van binnenuit. Want niemand minder dan Davids eigen zoon Absalom is met vele volksgenoten tegen zijn vader en koning in opstand gekomen. Voor David een verdrietig gebeuren, maar geen hopeloze toestand. Want hoe hoog de nood ook oploopt, hij vreest niet voor de tienduizenden die hem omsingelen. In vast vertrouwen op de HEERE, zijn schild en zijn eer, hanteert David het machtige wapen van het gebed: “Sta op, HEERE, verlos mij, mijn God!” De HEERE zal deze smeekbede van Zijn gezalfde knecht beantwoorden vanaf Zijn heilige berg, waar Hij troont op Zijn ark tot zegen van Zijn volk. Dat David wel degelijk hulp en verlossing vindt bij God, was in het verleden al zo vaak gebleken. Zo vaak als er gevaar dreigde, kon David gerust slapen, want de HEERE was hem tot steun en had al zijn eerdere vijanden verslagen. De HEERE zal David ook nu niet in de steek laten, alleen al om Zijn beloften aan hem te vervullen. Zodat David niet tevergeefs hoopt op Gods genade. En voor ons is het niet anders. Hoevelen ons ook Gods hulp ontzeggen, mogen ook wij weten van Zijn verlossing en zegen. Zolang wij niet in opstand komen tegen God en Zijn Gezalfde, hebben ook wij niets te vrezen.

Verder lezen: 2 Samuël 15:10-2610 En Absalom zond spionnen onder alle stammen van Israël met de opdracht: Zodra gij het hoorngeschal hoort, zult gij zeggen: Absalom is koning te Hebron! 11 Met Absalom gingen tweehonderd mannen uit Jeruzalem mee, genodigden die zonder argwaan meegingen en van de zaak niets afwisten. 12 Ook ontbood Absalom, toen hij de offers zou brengen, de Giloniet Achitofel, Davids raadsman, uit zijn stad Gilo. Zo werd het een machtige samenzwering, en voortdurend kwam er meer volk bij Absalom. 13 Toen kwam iemand David berichten: De mannen van Israël hebben Absaloms partij gekozen. 14 Daarop sprak David tot al zijn dienaren die te Jeruzalem bij hem waren: Staat op, laten wij vluchten, want anders zullen wij niet aan Absalom ontkomen. Gaat haastig heen, opdat hij ons niet ijlings inhale, onheil over ons brenge en de stad sla met de scherpte des zwaards! 15 De dienaren van de koning zeiden tot hem: Zoals mijn heer de koning verkiest, zie hier zijn uw dienaren! 16 Toen ging de koning heen en zijn gehele huis volgde hem op de voet; tien bijvrouwen liet de koning achter om toezicht te houden op het paleis. 17 De koning dan ging heen en al het volk volgde hem op de voet; bij het Verre Huis bleven zij staan 18 en al zijn dienaren trokken langs hem heen, benevens alle Keretieten en alle Peletieten. Ook alle Gatieten, zeshonderd man, uit Gat afkomstig, die zich bij hem hadden aangesloten, trokken langs de koning heen. 19 Toen vroeg de koning de Gatiet Ittai: Waarom gaat ook gij met ons? Keer terug en blijf bij de koning, want gij zijt een vreemdeling en bovendien zijt gij verbannen uit uw woonplaats. 20 Gisteren zijt gij gekomen en heden zou ik u met ons mee laten rondzwerven? Want ik moet gaan, waarheen ik maar gaan kan. Keer terug en laat ook uw broeders terugkeren; moge goedertierenheid en trouw met u zijn! 21 Maar Ittai antwoordde de koning: Zo waar de Here leeft, en zo waar mijn heer de koning leeft, overal waar mijn heer de koning zal zijn, ten dode of ten leven, daar zal voorzeker uw dienaar zijn. 22 Toen sprak David tot Ittai: Ga, trek voorbij. Daarop trok de Gatiet Ittai met al zijn mannen en al de kinderen die bij hem waren, voorbij. 23 Het gehele land weende luid, toen al het volk voorbijtrok; de koning stak de beek Kidron over en al het volk trok in de richting van de woestijn. 24 En zie, daar was ook Sadok en met hem alle Levieten die de ark van het verbond Gods droegen. Zij zetten de ark Gods neer - ook Abjatar was meegekomen - totdat al het volk uit de stad tot de laatste man voorbijgetrokken was. 25 Toen zeide de koning tot Sadok: Breng de ark Gods weer naar de stad; indien ik genade vind in de ogen des Heren, dan zal Hij mij doen terugkeren en mij haar en haar plaats doen weerzien. 26 Indien Hij echter aldus spreekt: Ik heb geen welgevallen aan u, - hier ben ik, Hij doe met mij zoals goed is in zijn ogen.

15 maart

Hoewel David in benauwdheid verkeert en geminacht wordt door leugenachtige mannen, vertrouwt Hij op de God zijner gerechtigheid, die hem recht verschaft door naar zijn gebed te horen en hem de nodige ruimte te geven. David weet zich immers als Gods gunstgenoot geheiligd om over Israël te regeren als voorafschaduwing van Christus. En evenals Paulus in Efeziërs 41 Als gevangene in de Here, vermaan ik u dan te wandelen waardig der roeping, waarmede gij geroepen zijt, 2 met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, en elkander in liefde te verdragen, 3 en u te beijveren de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes: 4 één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping, 5 één Here, één geloof, één doop, 6 één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen. 7 Maar aan een ieder onzer afzonderlijk is de genade gegeven, naar de mate, waarin Christus haar schenkt. 8 Daarom heet het: opgevaren naar den hoge voerde Hij krijgsgevangenen mede, gaven gaf Hij aan de mensen. 9 Wat betekent dit: Hij is opgevaren, anders dan dat Hij ook nedergedaald is naar de lagere, aardse gewesten? 10 Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen. 11 En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, 12 om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, 13 totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus. 14 Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt, 15 maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus. 16 En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde. 17 Dit zeg ik dan en betuig ik in de Here, dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken, 18 verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart. 19 Zij hebben zich immers in hun verdoving overgegeven aan de losbandigheid om gretig winst te slaan uit allerlei onreinheid. 20 Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen. 21 Gij toch hebt van Hem gehoord en zijt in Hem onderwezen, gelijk dit de waarheid is in Jezus, 22 dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten, 23 dat gij verjongd wordt door de geest van uw denken, 24 en de nieuwe mens aandoet, die naar (de wil van) God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid. 25 Legt daarom de leugen af en spreekt waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander. 26 Geraakt gij in toorn, zondigt dan niet: de zon mag niet over een opwelling van uw toorn ondergaan; 27 en geeft de duivel geen voet. 28 Wie een dief was, stele niet meer, maar spanne zich liever in om met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan mededelen aan de behoeftige. 29 Geen liederlijk woord kome uit uw mond, maar als gij een goed (woord) hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij, die het horen, genade ontvangen. 30 En bedroeft de heilige Geest Gods niet, door wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing. 31 Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek worde uit uw midden gebannen, evenals alle kwaadaardigheid. 32 Maar weest jegens elkander vriendelijk, barmhartig, elkander vergevend, zoals God in Christus u vergeving geschonken heeft. komt David met deze waarschuwing: wie boos is op een ander, moet zich niet aan de ander bezondigen, maar rustig tot bezinning komen. Een ieder moet op de HEERE vertrouwen en dankbaar aan Hem offeren wat men Hem verschuldigd is. Dan hoeft men zich niet vertwijfeld af te vragen: “Wie zal ons het goede doen zien?”, want dan weet men van het goede dat God in Christus schenkt.

En dan weet men zich verzekerd van de zegen des HEEREN, die Zijn aangezicht doet lichten over al de Zijnen. Dan schenkt God te midden van alle benauwdheid vreugde in het hart, ééuwige vreugde, die zoveel méér is dan de tijdelijke vreugde die meekomt met een overvloed aan koren en wijn. Met die vreugde in het hart kan een mens gerust gaan slapen, wetende dat hij veilig zal ontwaken. “Want Gij alleen, O HEERE, doet mij veilig wonen.” Gij doet mij het goede zien. Omdat Gij in Christus met mij bent.

Verder lezen: Efeziërs 4:17-3217 Dit zeg ik dan en betuig ik in de Here, dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken, 18 verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart. 19 Zij hebben zich immers in hun verdoving overgegeven aan de losbandigheid om gretig winst te slaan uit allerlei onreinheid. 20 Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen. 21 Gij toch hebt van Hem gehoord en zijt in Hem onderwezen, gelijk dit de waarheid is in Jezus, 22 dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten, 23 dat gij verjongd wordt door de geest van uw denken, 24 en de nieuwe mens aandoet, die naar (de wil van) God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid. 25 Legt daarom de leugen af en spreekt waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander. 26 Geraakt gij in toorn, zondigt dan niet: de zon mag niet over een opwelling van uw toorn ondergaan; 27 en geeft de duivel geen voet. 28 Wie een dief was, stele niet meer, maar spanne zich liever in om met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan mededelen aan de behoeftige. 29 Geen liederlijk woord kome uit uw mond, maar als gij een goed (woord) hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij, die het horen, genade ontvangen. 30 En bedroeft de heilige Geest Gods niet, door wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing. 31 Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek worde uit uw midden gebannen, evenals alle kwaadaardigheid. 32 Maar weest jegens elkander vriendelijk, barmhartig, elkander vergevend, zoals God in Christus u vergeving geschonken heeft.

16 maart

Belaagd door goddelozen, roept David de hulp in van de HEERE, Hem aanroepend als zijn Koning en zijn God. Als Koning immers beschermt de HEERE allen die bij Hem schuilen, zodat zij zich kunnen verheugen. En als God is de HEERE rechtvaardig, verre van alle goddeloosheid. Geen boze zal bij Hem standhouden. Want de HEERE haat alle bedrijvers van ongerechtigheid en verdelgt hen die liegen en bedriegen of moordlustig bloedvergieten. En Romeinen 31 Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis? 2 Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats [toch] dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd. 3 Wat toch is het geval? Als sommigen ontrouw geworden zijn, zal dan hun ontrouw de trouw Gods tenietdoen? 4 Volstrekt niet! Maar het blijve: God waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden, en overwint in uw rechtsgedingen. 5 Maar indien onze onrechtvaardigheid Gods rechtvaardigheid staaft, wat zullen wij dan zeggen? Is God, die zijn toorn doet voelen - ik spreek op menselijke wijze - soms onrechtvaardig? 6 Volstrekt niet! Hoe zal God anders de wereld oordelen? 7 Maar, indien de waarachtigheid Gods door mijn leugen des te overvloediger is gebleken tot zijn heerlijkheid, waarom word ik dan nog als zondaar geoordeeld? 8 Het is toch niet, zoals men van ons lastert en sommigen ons laten zeggen: Laten wij het kwade doen, opdat het goede eruit voortkome? Het oordeel over dezen is welverdiend. 9 Wat dan? Worden anderen boven ons gesteld? In geen enkel opzicht; wij hebben immers tevoren Joden zowel als Grieken beschuldigd, dat zij allen onder de zonde zijn, 10 gelijk geschreven staat: Niemand is rechtvaardig, ook niet één, 11 er is niemand, die verstandig is, niemand, die God ernstig zoekt; 12 allen zijn afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één. 13 Hun keel is een open graf, met hun tong plegen zij bedrog, addergif is onder hun lippen; 14 hun mond is van vloek en bitterheid vol; 15 Snel zijn hun voeten om bloed te vergieten, 16 verwoesting en ellende zijn op hun wegen, 17 en de weg des vredes kennen zij niet. 18 De vreze Gods staat hun niet voor ogen. 19 Nu weten wij, dat de wet, bij al wat zij zegt, tot hén spreekt, die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt en de gehele wereld strafwaardig worde voor God, 20 daarom, dat uit werken der wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd zal worden, want wet doet zonde kennen. 21 Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, 22 en wel gerechtigheid Gods door het geloof in [Jezus] Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid. 23 Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, 24 en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. 25 Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden - 26 om zijn rechtvaardigheid te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is. 27 Waar blijft het roemen dan? Het is uitgesloten. Door welke wet? Der werken? Neen, maar door de wet van geloof. 28 Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet. 29 Of is God alleen de God der Joden? Niet ook der heidenen? Zeker, ook der heidenen. 30 Indien er namelijk één God is, die de besnedenen rechtvaardigen zal uit het geloof en de onbesnedenen door het geloof. 31 Stellen wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de wet. benadrukt dat van álle mensen geldt wat David hier toeschrijft aan zijn belagers, dat hun keel een open graf is enzovoort. Want van nature zijn wij allen verdwaasde goddelozen. Alleen het geloof doet ons door Gods grote goedertierenheid voor de HEERE neerbuigen in Zijn heiligdom, Hem biddend of Hij ons toch wil leiden door Zijn gerechtigheid; of Hij Zich toch rechtvaardig wil betonen in het straffen van onze vijanden en daardoor in het effenen van onze weg.

Want zo toch doet een rechtvaardig God en Koning: Hij doet de weerspannigen boeten, maar beschermt de rechtvaardigen. Wie in de HEERE gelooft, mag zich als rechtvaardige-dóór-het-geloof gezegend weten en beschermd met het schild van Gods welbehagen, dankzij de Zoon van Gods welbehagen, die als onze eeuwige Koning voortdurend Zijn kerk beschermt, juist ook door het straffen van onze vijanden.

Verder lezen: Romeinen 3:1-181 Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis? 2 Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats [toch] dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd. 3 Wat toch is het geval? Als sommigen ontrouw geworden zijn, zal dan hun ontrouw de trouw Gods tenietdoen? 4 Volstrekt niet! Maar het blijve: God waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden, en overwint in uw rechtsgedingen. 5 Maar indien onze onrechtvaardigheid Gods rechtvaardigheid staaft, wat zullen wij dan zeggen? Is God, die zijn toorn doet voelen - ik spreek op menselijke wijze - soms onrechtvaardig? 6 Volstrekt niet! Hoe zal God anders de wereld oordelen? 7 Maar, indien de waarachtigheid Gods door mijn leugen des te overvloediger is gebleken tot zijn heerlijkheid, waarom word ik dan nog als zondaar geoordeeld? 8 Het is toch niet, zoals men van ons lastert en sommigen ons laten zeggen: Laten wij het kwade doen, opdat het goede eruit voortkome? Het oordeel over dezen is welverdiend. 9 Wat dan? Worden anderen boven ons gesteld? In geen enkel opzicht; wij hebben immers tevoren Joden zowel als Grieken beschuldigd, dat zij allen onder de zonde zijn, 10 gelijk geschreven staat: Niemand is rechtvaardig, ook niet één, 11 er is niemand, die verstandig is, niemand, die God ernstig zoekt; 12 allen zijn afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één. 13 Hun keel is een open graf, met hun tong plegen zij bedrog, addergif is onder hun lippen; 14 hun mond is van vloek en bitterheid vol; 15 Snel zijn hun voeten om bloed te vergieten, 16 verwoesting en ellende zijn op hun wegen, 17 en de weg des vredes kennen zij niet. 18 De vreze Gods staat hun niet voor ogen.

17 maart

Door te bidden of de HEERE hem niet wil straffen in Zijn toorn, belijdt David wel straf verdiénd te hebben. David pleit zichzelf dan ook niet vrij van zonde, maar doet een beroep op Gods genade. En bidt tot God om genezing en verlossing. Want David is ernstig verzwakt en de dood nabij. En al is het voor een gelovige geen straf om heen te gaan, eenmaal gestorven kan David God niet meer loven in het midden van Zijn gemeente. Daarom wacht David niet op de dood, maar op de HEERE, pleitend op Zijn goedertierenheid. En daarom vermaant David allen die hem benauwen van hem te wijken, voordat het te laat is. Als bedrijvers van ongerechtigheid zijn zij immers niet slechts vijanden van David, maar van de HÉÉRE, die hen dan ook beschaamd doet staan. Want alleen wie op de HEERE vertrouwt, zal niét beschaamd uitkomen, maar evenals David mogen geloven dat God eens alle tranen van onze ogen zal afwissen, niet in de laatste plaats omdat Hij in Christus al Zijn en onze vijanden overwint. Met een beroep op Gods genade in Christus zenden ook wij onze smeekbeden niet tevergeefs op, want God is de grote Hóórder der gebeden, die ons om Christus’ wil niet ongenadig straft in Zijn toornegloed, maar ons hooguit kastijdt “met medelijden, gelijk een vader doet”.

Verder lezen: Hebreeën 12:1-111 Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt. 2 Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs, die, om de vreugde, welke vóór Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods. 3 Vestigt uw aandacht dan op Hem, die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel verslapt. 4 Gij hebt nog niet ten bloede toe weerstand geboden in uw worsteling tegen de zonde, 5 en gij hebt de vermaning vergeten, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht de tuchtiging des Heren niet gering, en verslap niet, als gij door Hem bestraft wordt, 6 want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here, en Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt. 7 Als tuchtiging hebt gij dit te dragen: God behandelt u als zonen. Want is er wel een zoon, die door zijn vader niet getuchtigd wordt? 8 Blijft gij echter vrij van de tuchtiging, welke allen ondergaan hebben, dan zijt gij bastaards, en geen zonen. 9 Voorts, de tuchtiging van onze vaders naar het vlees hebben wij ondergaan en wij zagen tegen hen op; zullen wij ons dan niet nog veel meer onderwerpen aan de Vader der geesten, en leven? 10 Want zíj hebben ons voor luttele dagen naar hun beste weten getuchtigd, maar Híj doet het tot ons nut, opdat wij deel verkrijgen aan zijn heiligheid. 11 Want alle tucht schijnt op het ogenblik zelf geen vreugde, maar smart te brengen, doch later brengt zij hun, die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht, die bestaat in gerechtigheid.

18 maart

Psalm 71 Een klaaglied van David, dat hij de Here gezongen heeft om de woorden van de Benjaminiet Kus. 2 Here, mijn God, bij U schuil ik, verlos mij van al mijn vervolgers en red mij, 3 opdat hij niet als een leeuw mij verscheure, wegslepe, zonder dat iemand redt. 4 Here, mijn God, indien ik dàt gedaan heb, indien er onrecht kleeft aan mijn handen, 5 indien ik hem kwaad gedaan heb, die vrede met mij had, - ja, ik heb hem gered, die mij zonder oorzaak benauwde - 6 dan moge de vijand mij vervolgen en achterhalen, en mijn leven ter aarde vertreden, en mijn ziel nederwerpen in het stof. sela 7 Sta op, Here, in uw toorn, verhef U tegen de woede van hen die mij benauwen, waak op tot mijn hulp, Gij, die het recht verordent. 8 Dan moge de vergadering der natiën U omringen; keer weder boven haar naar den hoge. 9 De Here richt de volken. Doe mij recht, Here, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn onschuld, die bij mij is. 10 Laat de boosheid der goddelozen een einde nemen, maar bevestig Gij de rechtvaardige, Gij, die hart en nieren toetst, rechtvaardige God. 11 Mijn schild is bij God, die de oprechten van hart verlost; 12 God is een rechtvaardig Rechter en een God, die te allen dage toornt. 13 Bekeert iemand zich niet, dan wet Hij zijn zwaard, spant zijn boog en legt aan, 14 Hij richt op hem zijn dodelijke wapenen, maakt zijn pijlen tot brandende schichten. 15 Zie, wie met ongerechtigheid bevrucht werd, is zwanger van onheil en baart leugen. 16 Hij delft een kuil en graaft die uit, maar valt zelf in de groeve die hij maakte. 17 Het onheil dat hij stichtte, keert weder op zijn hoofd, en zijn geweld komt neder op zijn schedel. 18 Ik zal de Here loven naar zijn gerechtigheid, en de naam des Heren, des Allerhoogsten, psalmzingen.

Dit klaaglied zong David na te zijn aangeklaagd door de Benjaminiet Kus, één van Sauls hovelingen. Vervolgd om een valse beschuldiging, schuilt David bij de HEERE en zweert hij onschuldig te zijn in deze zaak. Ook roept hij Gods toorn tegen zijn vijanden in. Laat God hén richten en hém recht doen. Laat God de goddelozen tot bedaren brengen en de rechtvaardige bevestigen. Hij is immers de rechtvaardige God, die wel toornt tegen Zijn vijanden, maar die tegelijk alle oprechten van hart verlost. Hoe dwaas is het dan ook om een naaste onheil te beramen. Want wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in. Zo iemand zal hoe dan ook getroffen worden door de dodelijke wapens van God. Daarom belooft David de naam van de Allerhoogste psalm te zingen. Hij zal de HEERE loven naar Zijn gerechtigheid. Die gerechtigheid is wel straffend voor al Zijn vijanden, maar reddend voor al Zijn kinderen. Het is de gerechtigheid die wel bij uitstek is geopenbaard in Christus, die ook Zelf onschuldig werd vervolgd, maar Zich overgaf aan Hem die rechtvaardig oordeelt. Christus werd tot zonde gemaakt, opdat wij gerechtigheid Gods zouden worden in Hem. Als wij bij Hem schuilen, hoeven wij het oordeel niet te vrezen. Dat geeft moed om, te midden van onrecht en laster, het pleit in Gods handen te leggen en te wachten op Zijn verlossing.

Verder lezen: 1 Petrus 2:19-2519 Want dit is genade, indien iemand, omdat hij met God rekening houdt, leed verdraagt, dat hij ten onrechte lijdt. 20 Want mag dát roem heten, als gij slagen moet verduren, omdat gij kwaad doet? Maar als gij goed doet en dan lijden moet verduren, dát is genade bij God. 21 Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden; 22 die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog is gevonden; 23 die, als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt; 24 die zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven; en door zijn striemen zijt gij genezen. 25 Want gij waart dwalende als schapen, maar thans hebt gij u bekeerd tot de herder en hoeder van uw zielen.

19 maart

Psalm 81 Voor de koorleider. Op de Gittit. Een psalm van David. 2 O Here, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde, Gij, die uw majesteit toont aan de hemel. 3 Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, uw tegenstanders ten spijt, om vijand en wraakgierige te doen verstommen. 4 Aanschouw ik uw hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt: 5 wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet? 6 Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heerlijkheid en luister gekroond. 7 Gij doet hem heersen over de werken uwer handen, alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd: 8 schapen en runderen altegader en ook de dieren des velds, 9 de vogelen des hemels en de vissen der zee, hetgeen de paden der zeeën doorkruist. 10 O Here, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde. bezingt de majesteit van God als de grote Schepper van hemel en aarde. Die in Zijn majesteit niet te min is om Zich lof te bereiden zelfs uit de mond van kinderen en zuigelingen. Lof die Hij doet klinken, terwijl Hij de wanklanken van de wraakgierigen doet verstommen. O zeker, de mens is maar een klein onderdeel van de schepping. De mens lijkt het niet waard dat God hem gedenkt. Toch heeft God hem geschapen als króón van de schepping; hem doen héérsen over de werken van Gods handen. Waar de mens echter zichzelf van zijn heerlijkheid en luister heeft beroofd, daar vindt deze Psalm haar vervulling in Christus, van wie pas echt geldt dat Hij met heerlijkheid en luister is gekroond, en ook dat Hem alles onder zijn voeten is gelegd. Wie ziet op Christus, kan niet anders dan God loven om Zijn majesteit: “O HEERE, onze Heere, hoe heerlijk is Uw naam op de ganse aarde.” Uw naam, die niet alleen schittert in de schepping, maar ook in de herschepping. Want in de vernedering van Christus tot onze verlossing, zien wij de weg naar de kroning met heerlijkheid en eer. Doordat Hij de dood heeft gesmaakt, brengt Hij vele zonen tot heerlijkheid. In Christus zien wij de volmaakte mens. In Hem ligt de heerschappij vast. En door Hem zal de lof uit de mond van kinderen en zuigelingen de vijand voorgoed overstemmen.

Verder lezen: Hebreeën 2:5-185 Want niet aan engelen heeft Hij de toekomende wereld, waarvan wij spreken, onderworpen. 6 Maar, iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij naar hem omziet? 7 Gij hebt hem voor een korte tijd beneden de engelen gesteld, met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, 8 alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want bij dit: alle dingen [hem] onderworpen, heeft Hij niets uitgezonderd, dat hem niet onderworpen zou zijn. Doch thans zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn; 9 maar wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor een ieder de dood zou smaken, met heerlijkheid en eer gekroond. 10 Want het voegde Hem, om wie en door wie alle dingen bestaan, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman hunner behoudenis door lijden heen zou volmaken. 11 Want Hij, die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit één; daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen, 12 en Hij zegt: Uw naam zal ik aan mijn broeders verkondigen, in het midden der gemeente zal ik U lofzingen; 13 en wederom: Ik zal op Hem vertrouwen, en wederom: Ziehier ik en de kinderen, die God mij gegeven heeft. 14 Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deel gekregen, opdat Hij door zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel, zou onttronen, 15 en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren. 16 Want over de engelen ontfermt Hij Zich niet, maar Hij ontfermt Zich over het nageslacht van Abraham. 17 Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen. 18 Want doordat Hij zelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun, die verzocht worden, te hulp komen.

20 maart

Psalm 91 Voor de koorleider. Op de wijze van: De dood van de zoon. Een psalm van David. 2 Ik zal U loven, Here, met mijn ganse hart, ik wil al uw wonderen verhalen; 3 in U wil ik mij verheugen en juichen, uw naam psalmzingen, o Allerhoogste, 4 nu mijn vijanden terugdeinzen, struikelen en vergaan voor uw aangezicht. 5 Want mijn pleitzaak en mijn geding hebt Gij berecht, als rechtvaardig rechter de rechterstoel bestegen. 6 Gij hebt de volken gedreigd, de goddelozen te gronde gericht, hun naam hebt Gij uitgewist voor altoos en immer; 7 de vijanden zijn weg - eeuwige puinhopen - , want steden hebt Gij verwoest, zelfs hun gedachtenis is vergaan. 8 Maar de Here zetelt voor eeuwig, zijn rechterstoel heeft Hij ten gerichte gezet; 9 ja, Hij oordeelt de wereld in gerechtigheid, Hij richt de natiën in rechtmatigheid. 10 Daarom is de Here een burcht voor de verdrukte, een burcht in tijden van nood. 11 Daarom vertrouwen op U wie uw naam kennen, want Gij hebt nooit verlaten wie U zoeken, o Here. 12 Psalmzingt de Here, die op Sion woont, verkondigt onder de volken zijn daden; 13 Want Hij, die de bloedschuld wreekt, gedenkt hunner, het geroep der ellendigen vergeet Hij niet. 14 Wees mij genadig, Here; zie mijn ellende, door mijn haters mij berokkend, Gij, die mij opheft uit de poorten des doods, 15 opdat ik verhale al uw roemrijke daden, in de poorten der dochter van Sion juiche over uw heil. 16 De volken zijn verzonken in de kuil die zij dolven; in het net dat zij verborgen, raakte hun voet verward. 17 De Here deed Zich kennen, Hij handhaafde het recht; in het werk van zijn handen is de goddeloze verstrikt. higgajon, sela 18 De goddelozen keren om naar het dodenrijk, al de volken die God vergeten. 19 Want niet voorgoed blijft de arme vergeten, niet voor immer gaat de hoop der ootmoedigen teloor. 20 Sta op, Here, laat de sterveling niet zegepralen, laat de volken voor uw aanschijn gericht worden. 21 Jaag hun schrik aan, Here, zodat de volken erkennen, dat zij stervelingen zijn. sela.

In deze Psalm bezingt David God als de rechtvaardige Rechter die de wereld oordeelt in gerechtigheid. God is het, die de goddelozen te gronde Richteren Die op Zijn tijd met al Zijn vijanden afrekent. Met allen die de Zijnen verdrukken. Want God is een wreker van alle kwaad.

En dat God Zijn vijanden doet vergaan, dat strekt tot verlossing van de verdrukten. Voor hen is de HEERE een burcht, een hoog vertrek in drukkend lijden, een toevlucht in benauwde tijden. Juist ook door Zijn vijanden te doen vergaan, beschermt God allen die Hem zoeken.

David weet dan ook wat hem in de verdrukking te doen staat. Hij vlucht tot God, bidt om Zijn genade, opdat hij mag ontsnappen aan de poorten van de dood, juist ook om in de poorten van de kerkstad Gods grote daden te bejubelen. Dát wil en zal David doen: zich verheugen in God, Hem loven, Zijn wonderen verhalen, Zijn naam psalmzingen, terwijl Davids vijanden struikelen en vergaan. Want wie God vergeten, zullen zélf in de vergetelheid raken. Maar zalig zijn de armen, als zij tenminste ook arm zijn van geest, door klein te denken van zichzelf en groot van God. Zij worden niet vergeten en in de steek gelaten. Want God verlaat nooit wie Hem zoeken. Hij zal niet voorgoed laten zuchten, wie gelovig tot Hem vluchten, wie alles verwachten van Zijn genade in Christus.

Verder lezen: Lucas 6:20-2620 En Hij hief zijn ogen op naar zijn discipelen en zeide: Zalig, gij armen, want uwer is het Koninkrijk Gods. 21 Zalig, gij, die nu hongert, want gij zult verzadigd worden. Zalig, gij, die nu weent, want gij zult lachen. 22 Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten en wanneer zij u uitstoten, en smaden en uw naam als slecht verwerpen ter wille van de Zoon des mensen. 23 Verblijdt u te dien dage en springt op van vreugde, want, zie, uw loon is groot in de hemel; immers, op dezelfde wijze hebben hun vaderen met de profeten gehandeld. 24 Maar wee u, gij rijken, want gij hebt uw vertroosting reeds. 25 Wee u, die nu overvloed hebt, want gij zult hongeren. Wee u, die nu lacht, want gij zult smart hebben en wenen. 26 Wee u, wanneer alle mensen wèl van u spreken; immers, op dezelfde wijze hebben hun vaderen met de valse profeten gehandeld.

21 maart

Psalm 101 Waarom, Here, staat Gij van verre, verbergt Gij U in tijden van nood? 2 Over de trots van de goddeloze is de ellendige ontstoken - laat hen verstrikt worden in de boze plannen die zij bedacht hebben. 3 De goddeloze immers roemt naar hartelust, de woekeraar spreekt zegenwensen, hij versmaadt de Here. 4 De goddeloze met zijn neus in de hoogte (denkt): Hij vraagt geen rekenschap; al zijn gedachten zijn: Er is geen God. 5 Zijn wegen zijn voorspoedig te allen tijde. Uw gerichten zijn hem te hoog, hij blaast tegen allen die hem benauwen; 6 hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen, ik, die van geslacht tot geslacht niet in rampspoed zal raken. 7 Zijn mond is vervuld van vloek en bedrog en verdrukking, onder zijn tong zijn ongerechtigheid en onheil, 8 hij ligt in hinderlaag bij de gehuchten, in het verborgene doodt hij de onschuldige. Zijn ogen bespieden de zwakke, 9 hij loert in het verborgene als een leeuw in de struiken; hij loert om de ellendige te vangen, hij vangt de ellendige, hem trekkend in zijn net. 10 Hij bukt, duikt ineen, en de zwakken vallen in zijn sterke klauwen. 11 Hij zegt in zijn hart: God vergeet het, Hij verbergt zijn aangezicht, Hij ziet het in eeuwigheid niet. 12 Sta op, Here! o God, hef uw hand op, vergeet de ellendigen niet. 13 Waarom smaadt de goddeloze God, spreekt hij in zijn hart: Gij vraagt geen rekenschap. 14 Gij ziet het, want Gij aanschouwt moeite en verdriet, om het in uw hand te leggen. Op U verlaat zich de zwakke, voor de wees zijt Gij een helper. 15 Verbreek de arm van de goddeloze en boze, straf zijn goddeloosheid, totdat Gij ze niet meer vindt. 16 De Here is Koning, eeuwig en altoos. De volken zijn vergaan uit zijn land. 17 De begeerte der ootmoedigen hebt Gij, Here, gehoord: Gij sterkt hun hart, uw oor merkt op, 18 om recht te doen de wees en de verdrukte, zodat nooit meer een aards sterveling schrik aanjaagt.

Psalm 101 Waarom, Here, staat Gij van verre, verbergt Gij U in tijden van nood? 2 Over de trots van de goddeloze is de ellendige ontstoken - laat hen verstrikt worden in de boze plannen die zij bedacht hebben. 3 De goddeloze immers roemt naar hartelust, de woekeraar spreekt zegenwensen, hij versmaadt de Here. 4 De goddeloze met zijn neus in de hoogte (denkt): Hij vraagt geen rekenschap; al zijn gedachten zijn: Er is geen God. 5 Zijn wegen zijn voorspoedig te allen tijde. Uw gerichten zijn hem te hoog, hij blaast tegen allen die hem benauwen; 6 hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen, ik, die van geslacht tot geslacht niet in rampspoed zal raken. 7 Zijn mond is vervuld van vloek en bedrog en verdrukking, onder zijn tong zijn ongerechtigheid en onheil, 8 hij ligt in hinderlaag bij de gehuchten, in het verborgene doodt hij de onschuldige. Zijn ogen bespieden de zwakke, 9 hij loert in het verborgene als een leeuw in de struiken; hij loert om de ellendige te vangen, hij vangt de ellendige, hem trekkend in zijn net. 10 Hij bukt, duikt ineen, en de zwakken vallen in zijn sterke klauwen. 11 Hij zegt in zijn hart: God vergeet het, Hij verbergt zijn aangezicht, Hij ziet het in eeuwigheid niet. 12 Sta op, Here! o God, hef uw hand op, vergeet de ellendigen niet. 13 Waarom smaadt de goddeloze God, spreekt hij in zijn hart: Gij vraagt geen rekenschap. 14 Gij ziet het, want Gij aanschouwt moeite en verdriet, om het in uw hand te leggen. Op U verlaat zich de zwakke, voor de wees zijt Gij een helper. 15 Verbreek de arm van de goddeloze en boze, straf zijn goddeloosheid, totdat Gij ze niet meer vindt. 16 De Here is Koning, eeuwig en altoos. De volken zijn vergaan uit zijn land. 17 De begeerte der ootmoedigen hebt Gij, Here, gehoord: Gij sterkt hun hart, uw oor merkt op, 18 om recht te doen de wees en de verdrukte, zodat nooit meer een aards sterveling schrik aanjaagt. vormt een eenheid met Psalm 91 Voor de koorleider. Op de wijze van: De dood van de zoon. Een psalm van David. 2 Ik zal U loven, Here, met mijn ganse hart, ik wil al uw wonderen verhalen; 3 in U wil ik mij verheugen en juichen, uw naam psalmzingen, o Allerhoogste, 4 nu mijn vijanden terugdeinzen, struikelen en vergaan voor uw aangezicht. 5 Want mijn pleitzaak en mijn geding hebt Gij berecht, als rechtvaardig rechter de rechterstoel bestegen. 6 Gij hebt de volken gedreigd, de goddelozen te gronde gericht, hun naam hebt Gij uitgewist voor altoos en immer; 7 de vijanden zijn weg - eeuwige puinhopen - , want steden hebt Gij verwoest, zelfs hun gedachtenis is vergaan. 8 Maar de Here zetelt voor eeuwig, zijn rechterstoel heeft Hij ten gerichte gezet; 9 ja, Hij oordeelt de wereld in gerechtigheid, Hij richt de natiën in rechtmatigheid. 10 Daarom is de Here een burcht voor de verdrukte, een burcht in tijden van nood. 11 Daarom vertrouwen op U wie uw naam kennen, want Gij hebt nooit verlaten wie U zoeken, o Here. 12 Psalmzingt de Here, die op Sion woont, verkondigt onder de volken zijn daden; 13 Want Hij, die de bloedschuld wreekt, gedenkt hunner, het geroep der ellendigen vergeet Hij niet. 14 Wees mij genadig, Here; zie mijn ellende, door mijn haters mij berokkend, Gij, die mij opheft uit de poorten des doods, 15 opdat ik verhale al uw roemrijke daden, in de poorten der dochter van Sion juiche over uw heil. 16 De volken zijn verzonken in de kuil die zij dolven; in het net dat zij verborgen, raakte hun voet verward. 17 De Here deed Zich kennen, Hij handhaafde het recht; in het werk van zijn handen is de goddeloze verstrikt. higgajon, sela 18 De goddelozen keren om naar het dodenrijk, al de volken die God vergeten. 19 Want niet voorgoed blijft de arme vergeten, niet voor immer gaat de hoop der ootmoedigen teloor. 20 Sta op, Here, laat de sterveling niet zegepralen, laat de volken voor uw aanschijn gericht worden. 21 Jaag hun schrik aan, Here, zodat de volken erkennen, dat zij stervelingen zijn. sela.. Zowel qua vorm - elke twee verzen beginnen in de Hebreeuws grondtekst met een nieuwe letter van het alfabet - alsook qua inhoud. De HEERE wordt aangeroepen en opgeroepen om recht te doen aan de verdrukte, door de goddeloze te doen verstrikken in diens boze plannen. Omdat het ingrijpen van de HEERE vooralsnog lijkt uit te blijven, vraagt David waarom de HEERE Zich verbergt. Nu denkt de goddeloze in zijn hoogmoed dat God hem niet ziet en dus ook niet zal straffen voor het verdrukken van de arme. De goddeloze doet alsof God niet bestaat. Onbeschaamd bezondigt hij zich aan vervloeking, bedrog en verdrukking, de ellendige vangend met zijn scherpe klauwen. Daarom vraagt David de HEERE toch op te staan en de arm van de goddeloze te verbreken, om zo eens te meer te laten zien wie Hij is: een Helper voor allen die op Hem vertrouwen. De HEERE immers is de eeuwige Koning, die de ootmoedigen hoort en sterkt. Die de verdrukten recht doet, zodat zelfs eenzame wezen uiteindelijk niets hebben te vrezen. Laten ook wij in verdrukking evenals David “met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd” (Hebreeën 4:1616 Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd.). Want op tijd, op Zíjn tijd zál God opstaan, zal Chrístus komen, om ons recht te doen.

Verder lezen: Hebreeën 4:9-169 Er blijft dus een sabbatsrust voor het volk van God. 10 Want wie tot zijn rust is ingegaan, is ook zelf tot rust gekomen van zijn werken, evenals God van de zijne. 11 Laten wij er dus ernst mede maken om tot die rust in te gaan, opdat niemand ten val kome door dit voorbeeld van ongehoorzaamheid te volgen. 12 Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; 13 en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen. 14 Daar wij nu een grote hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden. 15 Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze (als wij) is verzocht geweest, doch zonder te zondigen. 16 Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd.

22 maart

”Bij de HEERE schuil ik.” Het is een belijdenis van iemand die wéét waar bescherming te vinden is. Vervolgd door Saul en de zijnen, kon David naar de mens gesproken niet anders doen dan als een vogel vluchten naar de bergen, maar in plaats van angstvallig de benen te nemen, verheft hij zijn hart tot een plaats die oneindig veel hoger is dan de hoogste bergen: tot de hoogste hemelen. Daar immers woont en troont de HEERE in Zijn heilig paleis. En vanaf daar slaat de HEERE alles en iedereen gade. Niet als een afzijdig toeschouwer, maar als de Almachtige, die de wereld richt en regeert, onder meer door het vuur van Zijn toorn te laten regenen op de goddelozen. Want de HEERE is rechtvaardig. Hij heeft gerechtigheid lief, en haat elke liefhebber van geweld. De goddelozen zullen dan ook verschroeien, zodat alleen de oprechten Gods aangezicht zullen aanschouwen. Gods gúnstrijk aangezicht, dat Hij doet lichten over de rechtvaardige, die niet rechtvaardig is in zichzelf, maar in Christus, door een waar geloof in Hem. Laat dat geloof ook ons doen opzien naar boven, waar Christus is, gezeten in de troon van God de Almachtige, door Wiens haat de goddeloze vergaat, maar door Wiens liefde de rechtvaardige leeft. En laat het ook ónze belijdenis zijn: “Bij de HEERE schuil ik.”

Verder lezen: Habakuk 2:1-141 Ik wil gaan staan op mijn wachttoren en mij stellen op de wal, ik wil uitzien naar wat Hij tot mij spreken zal, en wat ik moet antwoorden op mijn klacht. 2 Toen antwoordde de Here mij: Schrijf het gezicht op en zet het duidelijk op tafelen, opdat men het in het voorbijlopen zal kunnen lezen. 3 Want wel wacht het gezicht nog tot de bestemde tijd, maar het spoedt zich zonder falen naar het einde; als het vertoeft, verbeid het, want komen zal het gewis; uitblijven zal het niet. 4 Zie, opgeblazen, niet recht, is zijn ziel in hem, maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven. 5 Voorzeker, de bedrieglijke trotsaard is een snoevend mens, doch zonder bestand, die zijn muil openspert als het dodenrijk en onverzadelijk is als de dood, zodat hij alle volkeren tot zich verzamelt en alle natiën tot zich bijeenbrengt. 6 Zullen die allen niet een spreuk over hem opheffen, en een spotlied, raadsels, en zeggen: Wee hem die zich verrijkt met wat niet van hem is - tot hoelang? en die gepand goed op zich laadt! 7 Zullen niet plotseling opstaan zij die u bijten, en ontwaken zij die u schrik aanjagen, zodat gij hun worden zult tot een gewisse buit? 8 Omdat gij vele volkeren geplunderd hebt, zal al wat van de natiën overgebleven is, u plunderen, vanwege het vergoten mensenbloed en vanwege het geweld het land, de stad en al haar inwoners, aangedaan. 9 Wee hem die onrechtmatig gewin bijeenbrengt voor zijn huis, om zijn nest te maken in de hoogte, ten einde zich te redden uit de greep van het onheil! 10 Gij hebt schande tegen uw huis beraamd, (toen gij het voornemen hadt) vele volkeren te verdelgen; dus hebt gij uw leven verbeurd. 11 Want de steen schreeuwt uit de muur, en de balk antwoordt hem uit het houtwerk. 12 Wee hem die de stad met bloed bouwt, en de veste op onrecht grondvest! 13 Ziet, is het niet van de Here der heerscharen, dat de volkeren zich vermoeien voor het vuur en de natiën zich afmatten voor niets? 14 Want de aarde zal vol worden van de kennis van des Heren heerlijkheid, gelijk de wateren die de bodem der zee bedekken.

23 maart

David roept Gods hulp in vanwege de groeiende goddeloosheid in het land. Er zijn maar weinig getrouwen overgebleven, die ook nog eens heel wat te verduren hebben van mensen die hun werk maken van liegen en bedriegen, die voortdurend zondigen met de tong, “een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn” (Jakobus 3:88 maar de tong kan geen mens bedwingen. Zij is een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn.). Ze spreken valse getuigenissen tegen hun naaste, in regelrechte strijd met het negende gebod van Gods wet. In plaats van het eenvoudige Woord der Waarheid na te spreken, bezondigen zij zich aan dubbelhartige leugentaal. En in plaats van zich klein te weten tegenover de HEERE hun God, bezondigen zij zich aan grootspraak en wanen zij zich heer en meester. Maar hoeveel hoogmoedige goddelozen er ook zijn en hoezeer zij de armen van geest ook doen zuchten, intussen weet David dat de HEERE Zich opmaakt om de Zijnen in veiligheid te stellen. Want dat heeft Hij Zelf beloofd. En God houdt woord. Want Zijn beloften zijn geen loze kreten, maar zúivere woorden, beproefd en gelouterd als zilver in een smeltoven. God zál Zijn woorden gestand doen, en dus de Zijnen beschermen tegen het goddeloos geslacht van snode mensenkinderen. Laat dat ook ons voor ogen staan: als een vermaning om de zonden der tong te vermijden en tegelijkertijd de toevlucht te nemen tot God, die naar Zijn belofte de Zijnen te hulp komt, hoe klein het getal der vromen ook worden kan.

Verder lezen: Jakobus 3:1-121 Laat niet zovelen uwer leraars zijn, mijn broeders; gij weet immers, dat wij er des te strenger om geoordeeld zullen worden. 2 Want wij struikelen allen in velerlei opzicht; wie in zijn spreken niet struikelt, is een volmaakt man, in staat zelfs zijn gehele lichaam in toom te houden. 3 Als wij paarden de toom in de bek leggen, zodat zij ons gehoorzamen, kunnen wij ook hun gehele lichaam besturen. 4 Zie, ook de schepen, ofschoon zij zo groot zijn en door sterke winden voortgedreven worden, worden door een zeer klein roer gestuurd, waarheen maar het believen van de stuurman wil. 5 Zo is ook de tong een klein lid en voert toch een hoge toon. Zie, hoe weinig vuur een groot bos in brand steekt. 6 Ook de tong is een vuur, zij is de wereld der ongerechtigheid; de tong neemt haar plaats in onder onze leden, als iets, dat het gehele lichaam bezoedelt en het rad der geboorte in vlam zet, terwijl zij zelf in vlam gezet wordt door de hel. 7 Want alle soorten van wilde dieren en vogels, van kruipende dieren en zeedieren worden bedwongen en zijn bedwongen door de menselijke natuur, 8 maar de tong kan geen mens bedwingen. Zij is een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn. 9 Met haar loven wij de Here en Vader en met haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis Gods geschapen zijn: 10 uit dezelfde mond komt zegening en vervloeking voort. Dit moet, mijn broeders, niet zo zijn. 11 Doet soms een bron uit dezelfde ader zoet en bitter water opwellen? 12 Kan soms, mijn broeders, een vijgeboom olijven of een wijnstok vijgen opleveren? Evenmin kan een zilte bron zoet water geven.

24 maart

“Hoe lang nog, HERE?” Dat is de bange vraag die tot viermaal toe klinkt aan het begin van deze Psalm. David voelt zich vergeten, alsof God Zijn aangezicht voorgoed verborgen houdt. Dag aan dag wordt hij gekweld door zorgen in zijn ziel en verdriet in zijn hart. De vijand lijkt de overhand te krijgen en de doodslaap dreigt. Het is de diepe aanvechting die wij ook vandaag kunnen kennen: de hemel lijkt van koper en onze gebeden lijken niet door te dringen. Maar David blijft niet steken in zijn klacht. Juist in zijn diepe nood wendt hij zich tóch tot God: “Aanschouw toch, antwoord mij, HERE, mijn God!” Hij pleit op het verbond ('mijn' God) en vraagt om levenslicht in zijn ogen. En dan gebeurt er een wonder. De omstandigheden zijn nog niet veranderd, maar het hart van de dichter wel. De Heilige Geest werkt geloofsvertrouwen: “Ik echter vertrouw op uw goedertierenheid.” De klacht slaat om in een loflied. Niet omdat de vijand al weg is, maar omdat David weer ziet op de belofte van Gods heil. “Ik wil de HERE

zingen, omdat Hij mij heeft welgedaan.” Ten diepste heeft God ons welgedaan in Christus, die de ware Godverlatenheid heeft doorleden, opdat wij nimmermeer verlaten zouden worden.

Verder lezen: Romeinen 8:18-3018 Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden. 19 Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods. 20 Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om (de wil van) Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, 21 in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. 22 Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is. 23 En niet alleen zij, maar ook wij zelf, [wij,] die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam. 24 Want in die hoop zijn wij behouden. Maar hoop, die gezien wordt, is geen hoop, want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet? 25 Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding. 26 En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. 27 En Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij namelijk naar de wil van God voor heiligen pleit. 28 Wij weten nu, dat [God] alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. 29 Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; 30 en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.

25 maart

“Er is geen God”, zegt de dwaas in zijn hart. De dwaas die maar doet en leeft zoals hij zelf wil. Die niet wil weten van God en gebod, maar zich schuldig maakt aan allerlei zonden, even gruwelijk als afschuwelijk. En wij denken hierbij al gauw aan anderen. Aan de atheïst die Gods bestaan ronduit ontkent, of aan de ongebonden wereldling die nergens rekening mee houdt. Maar deze Psalm gaat ook over onszélf. Want de woorden van vers 3 en 43 Allen zijn zij afgeweken, tezamen ontaard; er is niemand die goed doet, zelfs niet één. 4 Hebben zij dan geen kennis, al die bedrijvers van ongerechtigheid, die mijn volk opeten, als aten zij brood? De Here roepen zij niet aan. worden door de apostel Paulus in Romeinen 31 Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis? 2 Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats [toch] dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd. 3 Wat toch is het geval? Als sommigen ontrouw geworden zijn, zal dan hun ontrouw de trouw Gods tenietdoen? 4 Volstrekt niet! Maar het blijve: God waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden, en overwint in uw rechtsgedingen. 5 Maar indien onze onrechtvaardigheid Gods rechtvaardigheid staaft, wat zullen wij dan zeggen? Is God, die zijn toorn doet voelen - ik spreek op menselijke wijze - soms onrechtvaardig? 6 Volstrekt niet! Hoe zal God anders de wereld oordelen? 7 Maar, indien de waarachtigheid Gods door mijn leugen des te overvloediger is gebleken tot zijn heerlijkheid, waarom word ik dan nog als zondaar geoordeeld? 8 Het is toch niet, zoals men van ons lastert en sommigen ons laten zeggen: Laten wij het kwade doen, opdat het goede eruit voortkome? Het oordeel over dezen is welverdiend. 9 Wat dan? Worden anderen boven ons gesteld? In geen enkel opzicht; wij hebben immers tevoren Joden zowel als Grieken beschuldigd, dat zij allen onder de zonde zijn, 10 gelijk geschreven staat: Niemand is rechtvaardig, ook niet één, 11 er is niemand, die verstandig is, niemand, die God ernstig zoekt; 12 allen zijn afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één. 13 Hun keel is een open graf, met hun tong plegen zij bedrog, addergif is onder hun lippen; 14 hun mond is van vloek en bitterheid vol; 15 Snel zijn hun voeten om bloed te vergieten, 16 verwoesting en ellende zijn op hun wegen, 17 en de weg des vredes kennen zij niet. 18 De vreze Gods staat hun niet voor ogen. 19 Nu weten wij, dat de wet, bij al wat zij zegt, tot hén spreekt, die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt en de gehele wereld strafwaardig worde voor God, 20 daarom, dat uit werken der wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd zal worden, want wet doet zonde kennen. 21 Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, 22 en wel gerechtigheid Gods door het geloof in [Jezus] Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid. 23 Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, 24 en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. 25 Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden - 26 om zijn rechtvaardigheid te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is. 27 Waar blijft het roemen dan? Het is uitgesloten. Door welke wet? Der werken? Neen, maar door de wet van geloof. 28 Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet. 29 Of is God alleen de God der Joden? Niet ook der heidenen? Zeker, ook der heidenen. 30 Indien er namelijk één God is, die de besnedenen rechtvaardigen zal uit het geloof en de onbesnedenen door het geloof. 31 Stellen wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de wet. betrokken op álle mensen. Ook wij zijn van nature afgedwaald en verdorven; er is niemand die goed doet, ook niet één. Van ons is dan ook niets goeds te verwachten. Van nature zijn wij hopeloos verloren. En toch mag de Psalmist denken aan redding. “Och, dat uit Sion Israëls redding daagde!” Deze redding zou ten volle aanbreken met de komst van onze Heere Jezus Christus. Hij werd dwaas in de ogen van de wereld, om ons de ware wijsheid te schenken. Door Christus heeft de HEERE voorgoed een keer gebracht in het lot van Zijn volk. Door Hem is en blijft er een Israël, een kerk van gelovigen, die juichen mag om haar verlossing en zich verheugt in haar Heiland.

Verder lezen: Romeinen 3:9-249 Wat dan? Worden anderen boven ons gesteld? In geen enkel opzicht; wij hebben immers tevoren Joden zowel als Grieken beschuldigd, dat zij allen onder de zonde zijn, 10 gelijk geschreven staat: Niemand is rechtvaardig, ook niet één, 11 er is niemand, die verstandig is, niemand, die God ernstig zoekt; 12 allen zijn afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één. 13 Hun keel is een open graf, met hun tong plegen zij bedrog, addergif is onder hun lippen; 14 hun mond is van vloek en bitterheid vol; 15 Snel zijn hun voeten om bloed te vergieten, 16 verwoesting en ellende zijn op hun wegen, 17 en de weg des vredes kennen zij niet. 18 De vreze Gods staat hun niet voor ogen. 19 Nu weten wij, dat de wet, bij al wat zij zegt, tot hén spreekt, die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt en de gehele wereld strafwaardig worde voor God, 20 daarom, dat uit werken der wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd zal worden, want wet doet zonde kennen. 21 Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, 22 en wel gerechtigheid Gods door het geloof in [Jezus] Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid. 23 Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, 24 en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.

26 maart

Het is beslist niet vanzelfsprekend te mogen verkeren in Gods tent, te wonen op Zijn heilige berg, dat is: in de kerk. Want onze Psalm zegt duidelijk dat dit alleen is weggelegd voor hem, “die onberispelijk wandelt en doet wat recht is en waarheid spreekt in zijn hart”. En als we eerlijk in de spiegel kijken die deze Psalm ons voorhoudt, dan schrikken we. Wij zijn toch niet onberispelijk? Wij doen nog zoveel verkeerde dingen. In plaats van alleen maar waarheid te spreken in ons hart, zijn wij nog zo vaak zo dubbelhartig. En in plaats van onze naaste geen kwaad te doen, is er bij ons nog zo vaak liefdeloosheid. Eigenlijk kunnen we daarmee voor God niet bestaan. Betekent dit dat Zijn tent leeg blijft? Nee, want er is Één die de toets van deze Psalm doorstaat: Christus. Hij wandelde onberispelijk, deed alleen wat recht is, sprak louter waarheid en deed Zijn naaste niets dan goed. Door het geloof in Hem worden wij bekleed met Zijn gerechtigheid en heiligheid. Zodat we tóch mogen wonen op Gods heilige berg. En niet wankelen, maar wandelen, in ware gerechtigheid en heiligheid.

Verder lezen: 1 Petrus 1:13-2513 Omgordt dus de lendenen van uw verstand, weest nuchter, en vestigt uw hoop volkomen op de genade, die u gebracht wordt door de openbaring van Jezus Christus. 14 Voegt u, als gehoorzame kinderen, niet naar de begeerten uit de tijd uwer onwetendheid, 15 maar gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, wordt (zo) ook gijzelf heilig in al uw wandel; 16 er staat immers geschreven: Weest heilig, want Ik ben heilig. 17 En indien gij Hem als Vader aanroept, die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandelt dan in vreze de tijd uwer vreemdelingschap, 18 wetende, dat gij niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, zijt vrijgekocht van uw ijdele wandel, die (u) van de vaderen overgeleverd is, 19 maar met het kostbare bloed van Christus, als van een onberispelijk en vlekkeloos lam. 20 Hij was van tevoren gekend, vóór de grondlegging der wereld, doch is bij het einde der tijden geopenbaard ter wille van u, 21 die door Hem gelooft in God, die Hem opgewekt heeft uit de doden en Hem heerlijkheid gegeven heeft, zodat uw geloof tevens hoop is op God. 22 Nu gij uw zielen door gehoorzaamheid aan de waarheid gereinigd hebt tot ongeveinsde broederliefde, hebt dan elkander van harte en bestendig lief, 23 als wedergeborenen niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God. 24 Want: Alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid als een bloem in het gras; het gras verdort en de bloem valt af, 25 maar het woord des Heren blijft in der eeuwigheid. Dit nu is het woord, dat u als evangelie verkondigd is.

27 maart

David schuilt bij de Heere, zijn erfdeel en zijn beker. Dat wil zeggen: de HERE is zijn rijkdom en zijn levenslot. Op de HEERE heeft hij zijn vertrouwen gevestigd. En dat niet tevergeefs. Want wie op de Heere vertrouwt, zal niet wankelen, maar veilig wonen. Immers schrijft David: “Gij geeft mijn ziel niet prijs aan het dodenrijk; noch laat Gij uw gunstgenoot de groeve zien.” Het zijn profetische woorden, gesproken met het oog op Christus, zoals Petrus aangeeft in zijn Pinksterpreek. David heeft in de toekomst gezien en gesproken van de opstanding van de Christus. Onze Heiland is niet aan het dodenrijk overgelaten. Zíjn vlees heeft geen ontbinding gezien. Want Christus is wel gestorven en begraven, maar Hij is dat niet gebleven! Hij is opgewekt uit de doden en zet ons op de weg ten leven. Hij beveiligt ons voor de eeuwige dood. De macht van de dood is gebroken, omdat ons leven met Christus verborgen is in God. Hij heeft voor ons de weg gebaand naar de eeuwige vreugde. En dus: zalig wie bij de Heere schuilt!

Verder lezen: Handelingen 2:22-3622 Mannen van Israël, hoort deze woorden: Jezus, de Nazoreeër, een man u van Godswege aangewezen door krachten, wonderen en tekenen, die God door Hem in uw midden verricht heeft, zoals gij zelf weet, 23 deze, naar de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd, hebt gij door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood. 24 God evenwel heeft Hem opgewekt, want Hij verbrak de weeën van de dood, naardien het niet mogelijk was, dat Hij door hem werd vastgehouden. 25 Want David zegt van Hem: Ik zag de Here te allen tijde voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankelen zou. 26 Daarom is mijn hart verheugd en mijn tong verblijd, ja, ook mijn vlees zal nog een schuilplaats vinden in hope, 27 omdat Gij mijn ziel niet aan het dodenrijk zult overlaten, noch uw heilige ontbinding doen zien. 28 Gij hebt mij wegen ten leven doen kennen; Gij zult mij vervullen met verheuging voor uw aangezicht. 29 Mannen broeders, men mag vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David, dat hij èn gestorven èn begraven is, en zijn graf is bij ons tot op deze dag. 30 Daar hij nu een profeet was en wist, dat God hem onder ede gezworen had een uit de vrucht zijner lendenen op zijn troon te doen zitten, 31 heeft hij in de toekomst gezien en gesproken van de opstanding van de Christus, dat Hij niet aan het dodenrijk is overgelaten, noch zijn vlees ontbinding heeft gezien. 32 Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn. 33 Nu Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de belofte des heiligen Geestes van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort, wat gíj en ziet en hoort. 34 Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf: De Here heeft gezegd tot mijn Here: Zet U aan mijn rechterhand, 35 totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten. 36 Dus moet ook het ganse huis Israëls zeker weten, dat God Hem èn tot Here èn tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus, die gij gekruisigd hebt.

28 maart

Psalm 171 Een gebed van David. Hoor, Here, naar een rechtvaardige zaak, sla acht op mijn smeking; leen het oor aan mijn gebed, gesproken met onbedrieglijke lippen. 2 Laat het oordeel over mij van uw aangezicht uitgaan: uw ogen schouwen wat recht is. 3 Toetst Gij mijn hart, onderzoekt Gij des nachts, beproeft Gij mij, Gij vindt niets; wat ik ook bedenk, mijn mond overtreedt niet. 4 Wat betreft daden van mensen, naar het woord uwer lippen heb ik mij gewacht voor de paden van de geweldenaar; 5 mijn treden hielden uw spoor, mijn schreden wankelden niet. 6 Ik roep U aan, omdat Gij, o God, mij antwoordt; neig uw oor tot mij, hoor naar mijn woord. 7 Maak uw gunstbewijzen wonderbaar, Verlosser van hen die voor tegenstanders schuilen bij uw rechterhand. 8 Bewaar mij als de appel van het oog, berg mij, in de schaduw van uw vleugelen, 9 voor de goddelozen die mij overweldigen, voor mijn doodsvijanden die mij omsingelen. 10 Zij sluiten hun vette (hart) toe, met hun mond spreken zij hovaardig; 11 zij omringen ons thans, waar wij ook gaan, hun oogmerk is ons ter aarde te werpen. 12 Hij gelijkt op een leeuw die begeert te verscheuren, en op een jonge leeuw, in een schuilhoek gedoken. 13 Sta op, Here, treed hem tegemoet, doe hem bukken, red met uw zwaard mijn leven van de goddeloze, 14 met uw hand, Here, van de mannen, van de wereldse mannen, wier deel in dit leven is, en vul hun binnenste met wat Gij voor hen hebt weggelegd, zodat hun zonen er nog zat van zijn, die wat hun rest, aan hun kinderen nalaten. 15 Maar ik zal in gerechtigheid uw aangezicht aanschouwen, en bij het ontwaken mij verzadigen met uw beeld.

David bidt om gered te worden van de wereldse mannen, die hem vervolgen. Die dat ten onrechte doen. Want David staat in zijn recht. Daarom doet hij een beroep op God. “Sta op, Here!” Zijn vervolgers zijn goddelozen. Zij hebben alleen maar deel aan dít leven, niet aan het leven van de toekomende eeuw. Zij hebben zich wel aardse schatten verzameld, maar zullen met hun sterven alles moeten achterlaten. David niet. Hij heeft toekomst. Hij kent Gods beloften. Hij zal eens Gods aangezicht mogen aanschouwen. En dat in gerechtigheid, in volkomen gerechtigheid en heiligheid. Want hij zal verzadigd zijn met Gods beeld, als hij ontwaakt. Hier op aarde begint die vernieuwing al. Efeziërs 41 Als gevangene in de Here, vermaan ik u dan te wandelen waardig der roeping, waarmede gij geroepen zijt, 2 met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, en elkander in liefde te verdragen, 3 en u te beijveren de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes: 4 één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping, 5 één Here, één geloof, één doop, 6 één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen. 7 Maar aan een ieder onzer afzonderlijk is de genade gegeven, naar de mate, waarin Christus haar schenkt. 8 Daarom heet het: opgevaren naar den hoge voerde Hij krijgsgevangenen mede, gaven gaf Hij aan de mensen. 9 Wat betekent dit: Hij is opgevaren, anders dan dat Hij ook nedergedaald is naar de lagere, aardse gewesten? 10 Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen. 11 En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, 12 om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, 13 totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus. 14 Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt, 15 maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus. 16 En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde. 17 Dit zeg ik dan en betuig ik in de Here, dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken, 18 verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart. 19 Zij hebben zich immers in hun verdoving overgegeven aan de losbandigheid om gretig winst te slaan uit allerlei onreinheid. 20 Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen. 21 Gij toch hebt van Hem gehoord en zijt in Hem onderwezen, gelijk dit de waarheid is in Jezus, 22 dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten, 23 dat gij verjongd wordt door de geest van uw denken, 24 en de nieuwe mens aandoet, die naar (de wil van) God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid. 25 Legt daarom de leugen af en spreekt waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander. 26 Geraakt gij in toorn, zondigt dan niet: de zon mag niet over een opwelling van uw toorn ondergaan; 27 en geeft de duivel geen voet. 28 Wie een dief was, stele niet meer, maar spanne zich liever in om met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan mededelen aan de behoeftige. 29 Geen liederlijk woord kome uit uw mond, maar als gij een goed (woord) hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij, die het horen, genade ontvangen. 30 En bedroeft de heilige Geest Gods niet, door wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing. 31 Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek worde uit uw midden gebannen, evenals alle kwaadaardigheid. 32 Maar weest jegens elkander vriendelijk, barmhartig, elkander vergevend, zoals God in Christus u vergeving geschonken heeft. getuigt dat dit beeld bestaat in ware gerechtigheid en heiligheid. Naar dat beeld is de mens geschapen, en naar dat beeld wordt de gelovige ook hérschapen in en door Christus. Zodat we Gods beeld nu al begínnen te vertonen, en dat straks helemaal doen, in volkomen heerlijkheid. Dan zullen wij Hem zien gelijk Hij is. Hoe heerlijk zal dat zijn!

Verder lezen: 1 Johannes 3:1-101 Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd worden, en wij zijn het (ook). Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet kent. 2 Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; (maar) wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. 3 En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is. 4 Ieder, die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid, en de zonde is wetteloosheid. 5 En gij weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij de zonden zou wegnemen, en in Hem is geen zonde. 6 Een ieder, die in Hem blijft, zondigt niet; een ieder, die zondigt, heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend. 7 Kinderkens, laat niemand u misleiden. Wie de rechtvaardigheid doet, is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is; 8 wie de zonde doet is uit de duivel, want de duivel zondigt van den beginne. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou. 9 Een ieder, die uit God geboren is, doet geen zonde; want het zaad (Gods) blijft in hem en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. 10 Hieraan zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels kenbaar: een ieder, die de rechtvaardigheid niet doet, is niet uit God, evenmin als wie zijn broeder niet liefheeft.

29 maart

Psalm 181 Voor de koorleider. Van de knecht des Heren, van David, die tot de Here de woorden van dit lied sprak, ten dage dat de Here hem verlost had uit de greep van al zijn vijanden en uit de hand van Saul. 2 Hij zeide: Ik heb U hartelijk lief, Here, mijn sterkte, 3 o Here, mijn steenrots, mijn vesting en mijn bevrijder, mijn God, mijn Rots, bij wie ik schuil, mijn schild, hoorn mijns heils, mijn burcht. 4 Geloofd zij de Here, roep ik uit; want van mijn vijanden ben ik verlost. 5 Banden des doods hadden mij omvangen, en stromen van verderf hadden mij overvallen, 6 banden van het dodenrijk hadden mij omgeven, valstrikken van de dood lagen op mijn weg. 7 Toen het mij bang te moede was, riep ik de Here aan, tot mijn God riep ik om hulp. Hij hoorde mijn stem uit zijn paleis, mijn hulpgeroep tot Hem drong door in zijn oren. 8 Toen dreunde en beefde de aarde en de grondvesten der bergen sidderden en daverden, omdat Hij in toorn ontbrand was. 9 Rook steeg op uit zijn neus, verterend vuur kwam voort uit zijn mond, kolen raakten erdoor in brand. 10 Hij neigde de hemel en daalde neder, donkerheid was onder zijn voeten, 11 Hij reed op een cherub en vloog en zweefde op de vleugels van de wind. 12 Hij stelde het duister tot zijn omhulsel, tot zijn beschutting rondom Zich: duistere wateren, wolkengevaarten. 13 Van de glans vóór Hem verdwenen zijn wolken, hagel en vurige kolen. 14 De Here deed de donder in de hemel weerklinken, de Allerhoogste verhief zijn stem - [hagel en vurige kolen]. 15 Hij schoot zijn pijlen en verstrooide hen, hij slingerde bliksemen en bracht hen in verwarring. 16 Toen werden de beddingen der wateren zichtbaar en de grondvesten der wereld kwamen bloot vanwege uw dreigen, o Here, vanwege het blazen van de adem van uw neus. 17 Hij reikte van omhoog, greep mij, trok mij op uit grote wateren. 18 Hij ontrukte mij aan mijn machtige vijand, en aan mijn haters, omdat zij sterker waren dan ik. 19 Zij traden mij in de weg ten dage van mijn ongeluk, maar de Here was mij tot steun; 20 Hij leidde mij uit in de ruimte. Hij redde mij, omdat Hij welgevallen aan mij had. 21 De Here deed mij naar mijn gerechtigheid, naar de reinheid mijner handen vergold Hij mij, 22 want ik heb de wegen des Heren gehouden en ben niet goddeloos afgeweken van mijn God. 23 Want al zijn verordeningen stonden mij voor ogen en zijn inzettingen deed ik niet van mij weg, 24 maar ik was onberispelijk jegens Hem, en wachtte mij voor ongerechtigheid. 25 De Here heeft mij vergolden naar mijn gerechtigheid, naar de reinheid mijner handen vóór zijn ogen. 26 Jegens de getrouwe toont Gij U getrouw, jegens de onberispelijke toont Gij U onberispelijk, 27 jegens de reine toont Gij U rein, maar jegens de verkeerde toont Gij U een tegenstander. 28 Gij toch verlost het ellendige volk en vernedert de hovaardige ogen. 29 Gij toch doet mijn lamp schijnen, de Here, mijn God, doet mijn duisternis opklaren. 30 Met U immers loop ik op een legerbende in en met mijn God spring ik over een muur. 31 Gods weg is volmaakt; des Heren woord is zuiver. Hij is een schild voor allen die bij Hem schuilen. 32 Want wie is God behalve de Here, wie is een rots buiten onze God? 33 Die God, die mij met kracht omgordt en mijn weg effen maakt; 34 die mijn voeten maakt als die der hinden en mij op mijn hoogten doet staan; 35 die mijn handen oefent ten strijde, zodat mijn armen een koperen boog spannen. 36 Ook gaaft Gij mij het schild uws heils, en uw rechterhand ondersteunde mij, uw nederbuigende goedheid maakte mij groot. 37 Gij hebt mij ruimte gegeven voor mijn schreden, en mijn enkels wankelden niet. 38 Ik vervolgde mijn vijanden om hen te achterhalen, en liet niet af, eer ik hen had vernietigd; 39 ik verpletterde hen, zodat zij niet konden opstaan, zij vielen onder mijn voeten. 40 Gij hebt mij aangegord met kracht tot de strijd, Gij deedt onder mij bukken wie tegen mij opstonden; 41 Gij deedt mijn vijanden mij de rug toekeren, en mijn haters verdelgde ik. 42 Zij riepen om hulp, maar niemand redde, tot de Here, maar Hij antwoordde hun niet; 43 toen vermaalde ik hen als stof voor de wind. Ik goot hen uit als slijk van de straten. 44 Gij deedt mij ontkomen aan de twisten van het volk, Gij steldet mij tot hoofd der natiën; volken die ik niet kende, werden mij dienstbaar; 45 nauwelijks hadden zij van mij gehoord, of zij gehoorzaamden mij; vreemden veinsden onderdanigheid tegenover mij. 46 Vreemden verloren hun kracht en verlieten bevend hun burchten. 47 De Here leeft. Geprezen zij mijn Rots, en verhoogd zij de God mijns heils, 48 de God, die mij wraak heeft verleend, die volken onder mij gebracht heeft, 49 die mij van mijn vijanden heeft gered. Ja, Gij hebt mij verhoogd boven hen die tegen mij opstonden, Gij hebt mij gered van de geweldenaar. 50 Daarom loof ik U, o Here, onder de volken en wil ik uw naam psalmzingen. 51 Hij schenkt zijn koning grote uitreddingen, en betoont trouw aan zijn gezalfde, aan David en zijn nageslacht voor altijd.

Verlost is David uit de hand van koning Saul, die hem meedogenloos opjaagde. Eenmaal verlost, is David de Heere niet vergeten, maar neemt hij uitgebreid de tijd en woorden om Hem te loven en te prijzen en te danken. Hij noemt de HERE: “mijn sterkte, mijn steenrots, mijn burcht, mijn redder, mijn schild, de hoorn mijns heils”. Het stapelt zich op; woorden schieten tekort om Gods trouw te beschrijven. Middenin de Psalm klinkt die zo heerlijke belijdenis: “Gij toch verlost het ellendige volk en vernedert de hovaardige ogen.” Daarmee bewijst de HEERE dat niemand God is behalve Hij, en dat niemand een Rots is buiten Hem. Dat Hij het is, die Zijn volk kracht geeft om de vijand te weerstaan en muren te beslechten. God is dan ook te loven om Zijn trouw aan zijn gezalfde. Aan David en zijn nageslacht. En dus ten diepste aan Christus, de grote Davidszóón. Christus heeft de strijd tegen de banden des doods en de stromen van Belial werkelijk gestreden. God heeft Hem uit de diepte opgetrokken. Daarom zingt Hij nu lof onder de heidenen (Romeinen 15:99 en dat de heidenen God ter wille van zijn ontferming gaan verheerlijken, gelijk geschreven staat: Daarom zal ik U loven onder de heidenen en uw naam met snarenspel prijzen.). En wij zingen mee, want Hij is ook de Rots van ons behoud.

Verder lezen: 2 Samuël 22:1-321 David sprak tot de Here de woorden van dit lied ten dage, dat de Here hem verlost had uit de greep van al zijn vijanden en uit de greep van Saul. 2 Hij zeide: O, Here, mijn steenrots, mijn vesting en mijn bevrijder, 3 mijn God, de Rots, bij wie ik schuil, mijn schild, hoorn mijns heils, mijn burcht, mijn toevlucht, mijn verlosser; van geweld hebt Gij mij verlost. 4 Geloofd zij de Here, roep ik uit; want van mijn vijanden ben ik verlost. 5 Voorwaar, baren des doods hadden mij omvangen en stromen van verderf hadden mij overvallen, 6 banden van het dodenrijk hadden mij omgeven, valstrikken van de dood lagen op mijn weg. 7 Toen het mij bang te moede was, riep ik de Here aan; tot mijn God riep ik. En Hij hoorde mijn stem uit zijn paleis, mijn hulpgeroep klonk in zijn oren. 8 Toen dreunde en beefde de aarde, de grondvesten van de hemel sidderden en daverden, omdat Hij in toorn ontbrand was. 9 Rook steeg op uit zijn neus, verterend vuur kwam voort uit zijn mond, kolen raakten erdoor in brand. 10 Hij neigde de hemel en daalde neder, donkerheid was onder zijn voeten, 11 Hij reed op een cherub en vloog, Hij verscheen op de vleugels van de wind. 12 En Hij stelde het duister tot een beschutting rondom Zich: duistere wateren, wolkengevaarten. 13 Van de glans vóór Hem raakten vurige kolen in brand. 14 De Here deed de donder uit de hemel weerklinken, de Allerhoogste verhief zijn stem. 15 Hij schoot pijlen en verstrooide hen, bliksemen en bracht hen in verschrikking. 16 Toen werden de beddingen der zee zichtbaar, de grondvesten der wereld kwamen bloot door het dreigen van de Here, vanwege het blazen van de adem van zijn neus. 17 Hij reikte van omhoog, greep mij, trok mij op uit grote wateren. 18 Hij ontrukte mij aan mijn machtige vijand, aan mijn haters, omdat zij sterker waren dan ik. 19 Zij traden mij in de weg ten dage van mijn ongeluk, maar de Here was mij een steun; 20 Hij leidde mij uit in de ruimte, Hij redde mij, omdat Hij welgevallen aan mij had. 21 De Here deed mij naar mijn gerechtigheid, naar de reinheid mijner handen vergold Hij mij, 22 want ik heb de wegen des Heren gehouden en ben niet goddeloos afgeweken van mijn God. 23 Want al zijn verordeningen stonden mij voor ogen en van zijn inzettingen week ik niet af, 24 maar ik was onberispelijk voor Hem, en wachtte mij voor ongerechtigheid. 25 De Here heeft mij vergolden naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinheid vóór zijn ogen. 26 Jegens de getrouwe toont Gij U getrouw, jegens de onberispelijke toont Gij U onberispelijk, 27 jegens de reine toont Gij U rein, maar jegens de verkeerde toont Gij U een tegenstander. 28 Het ellendige volk verlost Gij, en uw ogen zijn tegen de hovaardigen; Gij vernedert hen. 29 Want Gij, o Here, zijt mijn lamp, en de Here doet mijn duisternis opklaren. 30 Met U immers loop ik op een legerbende in, met mijn God spring ik over een muur. 31 Gods weg is volmaakt; des Heren woord is zuiver. Hij is een schild voor allen die bij Hem schuilen. 32 Want wie is God behalve de Here, wie is een rots buiten onze God?

30 maart

Psalm 191 Voor de koorleider. Een psalm van David. 2 De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen; 3 de dag doet sprake toestromen aan de dag, en de nacht predikt kennis aan de nacht. 4 Het is geen sprake en het zijn geen woorden, hun stem wordt niet vernomen: 5 toch gaat hun prediking uit over de ganse aarde en hun taal tot aan het einde der wereld. - Hij heeft daarin een tent opgeslagen voor de zon, 6 die is als een bruidegom die uit zijn bruidsvertrek treedt, jubelend als een held om het pad te lopen. 7 Van het ene einde des hemels is haar opgang en haar omloop tot het andere einde; niets blijft verborgen voor haar gloed. 8 De wet des Heren is volmaakt, zij verkwikt de ziel; de getuigenis des Heren is betrouwbaar, zij schenkt wijsheid aan de onverstandige. 9 De bevelen des Heren zijn waarachtig, zij verheugen het hart; het gebod des Heren is louter, het verlicht de ogen. 10 De vreze des Heren is rein, voor immer bestendig; de verordeningen des Heren zijn waarheid, altegader rechtvaardig. 11 Kostelijker zijn zij dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig, ja, dan honigzeem uit de raat. 12 Ook laat uw knecht zich daardoor ernstig vermanen; in het houden ervan ligt rijke beloning. 13 Afdwalingen - wie bemerkt ze? Spreek van de verborgene mij vrij. 14 Behoed ook uw knecht voor overmoed, laat die over mij niet heersen; dan ben ik onberispelijk en vrij van grove overtreding. 15 Mogen de woorden van mijn mond en de overleggingen van mijn hart U welgevallig zijn, o Here, mijn rots en mijn verlosser.

Gods heerlijkheid schittert in de schepping. De geschapen wereld is als een prediking zonder woorden. Ze toont ons Gods macht en majesteit. “Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden,” schrijft Paulus, Gods “eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit Zijn werken met het verstand doorzien”. Wie kijkt naar de schepping, kan daarin het werk herkennen van de Schepper. Zodat de ongelovigen geen verontschuldiging hebben voor hun ongeloof. Wij hebben alle reden in God te geloven. En ook om Hem te loven. Niet alleen om Zijn schepping, maar evengoed om Zijn wetgeving. Want Gods wet is volmaakt, betrouwbaar en waarachtig. Al is het niet de wet, die redt. Die eer komt alleen toe aan Christus. En aan Zijn evangelie. Want dat “is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft”. We hebben dan ook niets aan de wet der werken zonder de wet des gelóófs, zonder de léér des geloofs, die ons bepaalt bij het verlossingswerk van Christus! Vrezen wij Hem, dan hoeven we niet te vrezen voor de straf op onze zonden. Want dan worden wij vrijgesproken, zelfs van onze verborgen zonden. Dan heerst de zonde in ons niet meer en leven wij van grote zonden vrij. Dan zijn wij niet áfvallig, maar wélgevallig voor onze God en Schepper, die in Christus onze Rots en Verlosser is.

Verder lezen: Romeinen 1:16-3216 Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek. 17 Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven. 18 Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, 19 daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. 20 Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben. 21 Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister geworden in hun onverstandig hart. 22 Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden, 23 en zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren. 24 Daarom heeft God hen in hun hartstochten overgegeven aan onreinheid, zodat bij hen het lichaam onteerd wordt. 25 Zij immers hadden de waarheid Gods vervangen door de leugen en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen. 26 Daarom heeft God hen overgegeven aan schandelijke lusten, want hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke. 27 Eveneens hebben de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven, en zijn in wellust voor elkander ontbrand, als mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende en daardoor het welverdiende loon voor hun afdwaling in zichzelf ontvangende. 28 En daar zij het verwerpelijk achtten God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan een verwerpelijk denken om te doen wat niet betaamt: 29 vervuld van allerlei onrechtvaardigheid, boosheid, hebzucht en slechtheid, vol nijd, moord, twist, list en kwaadaardigheid; 30 oorblazers, lasteraars, haters van God, verwatenen, overmoedigen, grootsprekers, vindingrijk in het kwaad, hun ouders ongehoorzaam; 31 onverstandig, onbestendig, zonder hart of barmhartigheid. 32 Immers, hoewel zij de rechtseis van God kenden, namelijk, dat zij, die zulke dingen bedrijven, de dood verdienen, doen zij ze niet alleen zelf, maar schenken ook nog hun bijval aan wie ze bedrijven.

31 maart

De HEERE geeft Zijn gezalfde de overwinning, zo belijdt David in deze Psalm. Het gaat hier om de gezalfde koning, die uittrekt ten strijde. En dat is David in de dagen van onze tekst. Het volk bidt vurig voor hem: dat de HEERE hem mag antwoorden in benauwdheid en hem hulp mag zenden vanuit Zijn heiligdom. Want wapens, paarden en strijdwagens bieden ten diepste geen redding; de ware overwinning is te verwachten van de HEERE alleen. En deze Psalm reikt nog verder, is vooral ook een profetisch lied dat wijst op onze grote Koning, onze Heere Jezus Christus. Ook Hij is ten strijde getrokken. Niet tegen legers van vlees en bloed, maar tegen de machten van zonde, dood en hel. Tot en met Golgotha heeft Hij gestreden en overwonnen. En door Hem zijn ook wij meer dan overwinnaars, als christenen die delen in Zijn zalving. Ook ons schenkt de HEERE de overwinning. De overwinning in onze strijd tegen de zonde en de duivel. Een overwinning waarvoor wij met David roemen, niet op wagens en op paarden, maar in de naam van de HEERE, onze God.

Verder lezen: Efeziërs 6:10-2410 Voorts, weest krachtig in de Here en in de sterkte zijner macht. 11 Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels; 12 want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. 13 Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden. 14 Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid, bekleed met het pantser der gerechtigheid, 15 de voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes; 16 neemt bij dit alles het schild des geloofs ter hand, waarmede gij al de brandende pijlen van de boze zult kunnen doven; 17 en neemt de helm des heils aan en het zwaard des Geestes, dat is het woord van God. 18 En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen; 19 ook voor mij, dat mij bij het openen van mijn mond het woord geschonken worde, om vrijmoedig het geheimenis van het evangelie bekend te maken, 20 waarvoor ik een gezant ben in ketenen. Dan zal ik daartoe vrijmoedig kunnen optreden, zoals ik behoor te spreken. 21 Opdat ook gij van mij moogt weten, hoe het mij gaat, zal Tychikus, mijn geliefde broeder en getrouwe dienaar in de Here, u alles bekendmaken. 22 Met dit doel heb ik hem tot u gezonden, dat gij onze omstandigheden zoudt weten en hij uw harten zou vertroosten. 23 Vrede zij de broeders en liefde met geloof, van God, de Vader, en van de Here Jezus Christus. 24 De genade zij met allen, die onze Here Jezus Christus onvergankelijk liefhebben.

1 april

Na het gebed óm de overwinning in Psalm 201 Voor de koorleider. Een psalm van David. 2 De Here antwoorde u ten dage der benauwdheid, de naam van Jakobs God make u onaantastbaar; 3 Hij zende u hulp uit het heiligdom en ondersteune u uit Sion. 4 Hij gedenke al uw offers, en uw brandoffer achte Hij welgevallig. sela 5 Hij geve u naar uw hart, en doe al uw plannen in vervulling gaan. 6 Wij willen juichen over uw overwinning, en in de naam van onze God de vaandels opsteken; de Here vervulle al uw begeerten. 7 Nu weet ik, dat de Here zijn gezalfde de overwinning geeft, Hij antwoordt hem uit zijn heilige hemel met de machtige heilsdaden zijner rechterhand. 8 Dezen beroemen zich op wagens en genen op paarden, maar wij roemen in de naam van de Here, onze God. 9 Zij zinken neder en vallen, maar wij richten ons op en houden stand. 10 O Here, schenk de koning de overwinning, Hij antwoorde ons ten dage dat wij roepen., volgt in Psalm 211 Voor de koorleider. Een psalm van David. 2 Here, over uw macht verheugt zich de koning, hoezeer juicht hij over uw heil. 3 Zijn hartewens hebt Gij hem geschonken, de begeerte van zijn lippen hebt Gij niet geweigerd. sela 4 Want Gij treedt hem tegemoet met rijke zegeningen. Gij zet een kroon van fijn goud op zijn hoofd. 5 Leven vroeg hij van U; Gij gaaft het hem, lengte van dagen voor altoos en immer. 6 Groot is zijn eer door uw heil, majesteit en luister hebt Gij hem toebedeeld; 7 want Gij maakt hem rijk gezegend voor immer. Gij overstelpt hem met blijdschap voor uw aangezicht. 8 Want de koning vertrouwt op de Here en door de goedertierenheid des Allerhoogsten wankelt hij niet. 9 Uw hand zal al uw vijanden vinden, uw rechterhand zal uw haters vinden. 10 Gij zult hen maken als een vurige oven ten tijde dat Gij verschijnt, o Here. In zijn toorn zal Hij hen verslinden, en het vuur zal hen verteren; 11 hun kroost zult Gij van de aarde verdelgen en hun nageslacht uit de mensenkinderen. 12 Als zij onheil over u willen brengen, boze plannen beramen, vermogen zij niets. 13 Ja, Gij zult hen de rug doen keren, met de pees van uw boog legt Gij aan op hun gelaat. 14 Verhef U, o Here, in uw kracht, wij willen uw sterkte met psalmen bezingen. een danklied vóór de overwinning. Dankzij Gods heil heeft de koning alle reden om te juichen. En dat doet hij dan ook, vol overgave. De HEERE is hem genadig tegemoetgekomen met rijke zegeningen. Hij heeft een kroon van fijn goud op zijn hoofd gezet en hem lengte van dagen geschonken. Rijk gezegend is de koning; door Gods goedertierenheid zal hij nimmermeer wankelen. Wat hier van David wordt gezongen, geldt bij uitstek van Christus, onze eeuwige Koning. God de Vader heeft de wens van Zijn hart niet geweigerd. Christus ontving het leven, om het uit te delen aan zondaren als wij. Na Zijn diepe vernedering aan het kruis is Hij door de Vader bekleed met majesteit en heerlijkheid. Hij is gekroond met de hoogste eer en regeert tot in eeuwigheid. Al Zijn vijanden, die bewust tegen Hem samenspanden, zullen Zijn vurige toorn ontmoeten. Ze worden als in een brandende oven verteerd. Maar voor een ieder die in Hem gelooft, is deze verhoogde Koning de bron van de hoogste vreugde. Laten wij dan ook Zijn sterkte met Psalmen bezingen.

Verder lezen: Openbaring 19:1-161 Hierna hoorde ik als een luide stem ener grote schare in de hemel zeggen: Halleluja! Het heil en de heerlijkheid en de macht zijn van onze God, 2 want waarachtig en rechtvaardig zijn zijn oordelen, want Hij heeft de grote hoer geoordeeld, die de aarde met haar hoererij verdierf, en Hij heeft het bloed zijner knechten van haar hand geëist. 3 En zij zeiden ten tweeden male: Halleluja! En haar rook stijgt op tot in alle eeuwigheden. 4 En de vierentwintig oudsten en de vier dieren wierpen zich neder en aanbaden God, die op de troon gezeten is, en zij zeiden: Amen, halleluja! 5 En een stem ging uit van de troon, zeggende: Looft onze God, al zijn knechten, die Hem vreest, gij kleinen en gij groten! 6 En ik hoorde als een stem van een grote schare en als een stem van vele wateren en als een stem van zware donderslagen, zeggende: Halleluja! Want de Here, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap aanvaard. 7 Laten wij blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt; 8 en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen. 9 En hij zeide tot mij: Schrijf, zalig zij, die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal des Lams. En hij zeide tot mij: Dit zijn de waarachtige woorden van God. 10 En ik wierp mij neder voor zijn voeten om hem te aanbidden, maar hij zeide tot mij: Doe dit niet! Ik ben een mededienstknecht van u en uw broederen, die het getuigenis van Jezus hebben; aanbid God! Want het getuigenis van Jezus is de geest der profetie. 11 En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard; en Hij, die daarop zat, wordt genoemd Getrouw en Waarachtig, en Hij velt vonnis en voert oorlog in gerechtigheid. 12 En zijn ogen waren een vuurvlam en op zijn hoofd waren vele kronen en Hij droeg een geschreven naam, die niemand weet dan Hijzelf. 13 En Hij was bekleed met een kleed, dat in bloed geverfd was, en zijn naam is genoemd: het Woord Gods. 14 En de heerscharen, die in de hemel zijn, volgden Hem op witte paarden, gehuld in wit en smetteloos fijn linnen. 15 En uit zijn mond komt een scherp zwaard, om daarmede de heidenen te slaan. En Hijzelf zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hijzelf treedt de persbak van de wijn der gramschap van de toorn Gods, des Almachtigen. 16 En Hij heeft op zijn kleed en op zijn dij geschreven de naam: Koning der koningen en Here der heren.

2 april

Psalm 22:1-221 Voor de koorleider. Op de wijze van: De hinde van de dageraad. Een psalm van David. 2 Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, bij de woorden van mijn jammerklacht? 3 Mijn God, ik roep des daags, en Gij antwoordt niet, en des nachts, en ik kom niet tot stilte. 4 Nochtans zijt Gij de Heilige, die troont op de lofzangen Israëls. 5 Op U hebben onze vaderen vertrouwd, zij hebben vertrouwd, en Gij deedt hen ontkomen; 6 tot U hebben zij geroepen en zij werden gered, op U hebben zij vertrouwd en zij zijn niet beschaamd. 7 Maar ik ben een worm en geen man, een smaad voor de mensen en veracht door het volk. 8 Allen die mij zien, bespotten mij, zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd: 9 Wentel het op de Here - laat die hem verlossen, hem redden, Hij heeft immers welgevallen aan hem! 10 Gij toch hebt mij uit de moederschoot getogen, Gij deedt mij vertrouwend rusten aan de borst van mijn moeder; 11 aan U werd ik overgegeven bij mijn geboorte, van de moederschoot af zijt Gij mijn God. 12 Wees dan niet verre van mij, want nabij is de nood, en er is geen helper. 13 Vele stieren hebben mij omringd, buffels van Basan hebben mij omsingeld; 14 zij sperren hun muil tegen mij open - een verscheurende, brullende leeuw. 15 Als water ben ik uitgestort en al mijn beenderen zijn ontwricht; mijn hart is geworden als was, het is gesmolten in mijn binnenste; 16 verdroogd als een scherf is mijn kracht, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; in het stof des doods legt Gij mij neer. 17 Want honden hebben mij omringd, een bende boosdoeners heeft mij omsingeld, die mijn handen en voeten doorboren. 18 Al mijn beenderen kan ik tellen; zij kijken toe, zij zien met leedvermaak naar mij. 19 Zij verdelen mijn klederen onder elkander en werpen het lot over mijn gewaad. 20 Maar Gij, Here, wees niet verre; mijn sterkte, haast U mij ter hulpe. 21 Red van het zwaard mijn ziel, mijn eenzame, van het geweld van de hond. 22 Verlos mij uit de muil van de leeuw, en van de horens der woudossen. Gij hebt mij geantwoord!

Psalm 221 Voor de koorleider. Op de wijze van: De hinde van de dageraad. Een psalm van David. 2 Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, bij de woorden van mijn jammerklacht? 3 Mijn God, ik roep des daags, en Gij antwoordt niet, en des nachts, en ik kom niet tot stilte. 4 Nochtans zijt Gij de Heilige, die troont op de lofzangen Israëls. 5 Op U hebben onze vaderen vertrouwd, zij hebben vertrouwd, en Gij deedt hen ontkomen; 6 tot U hebben zij geroepen en zij werden gered, op U hebben zij vertrouwd en zij zijn niet beschaamd. 7 Maar ik ben een worm en geen man, een smaad voor de mensen en veracht door het volk. 8 Allen die mij zien, bespotten mij, zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd: 9 Wentel het op de Here - laat die hem verlossen, hem redden, Hij heeft immers welgevallen aan hem! 10 Gij toch hebt mij uit de moederschoot getogen, Gij deedt mij vertrouwend rusten aan de borst van mijn moeder; 11 aan U werd ik overgegeven bij mijn geboorte, van de moederschoot af zijt Gij mijn God. 12 Wees dan niet verre van mij, want nabij is de nood, en er is geen helper. 13 Vele stieren hebben mij omringd, buffels van Basan hebben mij omsingeld; 14 zij sperren hun muil tegen mij open - een verscheurende, brullende leeuw. 15 Als water ben ik uitgestort en al mijn beenderen zijn ontwricht; mijn hart is geworden als was, het is gesmolten in mijn binnenste; 16 verdroogd als een scherf is mijn kracht, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; in het stof des doods legt Gij mij neer. 17 Want honden hebben mij omringd, een bende boosdoeners heeft mij omsingeld, die mijn handen en voeten doorboren. 18 Al mijn beenderen kan ik tellen; zij kijken toe, zij zien met leedvermaak naar mij. 19 Zij verdelen mijn klederen onder elkander en werpen het lot over mijn gewaad. 20 Maar Gij, Here, wees niet verre; mijn sterkte, haast U mij ter hulpe. 21 Red van het zwaard mijn ziel, mijn eenzame, van het geweld van de hond. 22 Verlos mij uit de muil van de leeuw, en van de horens der woudossen. Gij hebt mij geantwoord! 23 Ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen, in het midden der gemeente zal ik U lofzingen. 24 Gij, die de Here vreest, looft Hem, verheerlijkt Hem, gij ganse nageslacht van Jakob, en hebt ontzag voor Hem, gij ganse nageslacht van Israël. 25 Want Hij heeft niet veracht noch versmaad de ellende van de ellendige, en zijn aangezicht niet voor hem verborgen, maar Hij heeft gehoord, toen hij tot Hem riep. 26 Van U komt mijn lof in een grote gemeente, mijn geloften zal ik betalen in de tegenwoordigheid van wie Hem vrezen. 27 De ootmoedigen zullen eten en verzadigd worden, wie de Here zoeken, zullen Hem loven, uw hart leve op, voor immer. 28 Alle einden der aarde zullen het gedenken en zich tot de Here bekeren; alle geslachten der volken zullen zich nederbuigen voor uw aangezicht. 29 Want het koninkrijk is des Heren, Hij is heerser over de volken. 30 Alle welgedanen der aarde eten en aanbidden; voor Hem knielen allen die in het stof nederdalen, en wie zijn ziel niet in leven kan houden. 31 Het nakroost zal Hem dienen, er zal van de Here verteld worden aan het komende geslacht; 32 zij zullen zijn gerechtigheid verkondigen aan het volk dat geboren zal worden, omdat Hij het gedaan heeft. is de Schriftplaats die in het Nieuwe Testament het meest wordt aangehaald. David spreekt hier profetisch over het diepe lijden van Christus. Aan het kruis riep de Heiland het uit: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” Van deze psalmwoorden bediende Christus Zich op het dieptepunt van Zijn lijden. Waarom? Om ons te brengen tot het hoogtepunt van onze verlossing. Ons avondmaalsformulier geeft daarop het heerlijke antwoord: “opdat wij tot God zouden genomen, en nimmermeer van Hem verlaten worden”. Door Zijn helse lijden komen wij tot hemelse heerlijkheid. Christus werd overeenkomstig deze Psalm versmaad en veracht; Hij was als een worm en geen man. Hij kwam terecht in de muil van de brullende leeuw, de duivel, maar uitsluitend om die vijand de kop te vermorzelen. Dankzij het plaatsvervangend lijden van Christus is God nu onze sterkte. Hij hoort en antwoordt ons, Hij redt en verlost ons. Wij mogen geloven dat wij in onze donkerste uren nimmer door God verlaten zijn. Christus heeft die uiterste verlatenheid immers voor ons gedragen! Daarom loven we Hem in Zijn gemeente en eren we Zijn Naam.

Verder lezen: Matteüs 27:33-5433 En zij kwamen aan een plaats, genaamd Golgota, dat is de zogenaamde Schedelplaats, 34 en zij gaven Hem wijn, vermengd met gal, te drinken. En toen Hij die proefde, wilde Hij niet drinken. 35 Nadat zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij zijn klederen door het lot te werpen, 36 en daar nedergezeten bewaakten zij Hem. 37 En boven zijn hoofd brachten zij op schrift de beschuldiging tegen Hem aan: Dit is Jezus, de Koning der Joden. 38 Toen werden met Hem twee rovers gekruisigd, één aan zijn rechterzijde en één aan zijn linkerzijde. 39 En de voorbijgangers spraken lastertaal tegen Hem, schudden hun hoofd 40 en zeiden: Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red Uzelf, indien Gij Gods Zoon zijt, en kom af van het kruis! 41 Evenzo spotten de overpriesters samen met de schriftgeleerden en oudsten en zij zeiden: 42 Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden. Hij is Israëls Koning; laat Hij nu van het kruis afkomen en wij zullen aan Hem geloven. 43 Hij heeft zijn vertrouwen op God gesteld; laat die Hem nu verlossen, indien Hij een welgevallen in Hem heeft; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon. 44 Op dezelfde wijze beschimpten Hem ook de rovers, die met Hem gekruisigd waren. 45 En van het zesde uur af kwam er duisternis over het gehele land tot het negende uur. 46 Omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stem, zeggende: Eli, Eli, lama sabachtani? Dat is: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? 47 En sommige van de omstanders, dit horende, zeiden: Hij roept Elia. 48 En terstond liep een van hen toe en nam een spons, drenkte die met zure wijn, stak ze op een riet en gaf Hem te drinken. 49 Maar de anderen zeiden: Stil, laat ons zien, of Elia komt om Hem te redden. 50 Jezus riep wederom met luider stem en gaf de geest. 51 En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot beneden in tweeën, en de aarde beefde, en de rotsen scheurden, 52 en de graven gingen open en vele lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt. 53 En zij gingen uit de graven na zijn opstanding en kwamen in de heilige stad, waar zij aan velen verschenen. 54 De hoofdman en zij, die met hem Jezus bewaakten, zagen de aardbeving en wat er plaats had en zij werden zeer bevreesd en zeiden: Waarlijk dit was een Zoon Gods.

3 april

Na de diepe verlatenheid in het eerste deel van deze Psalm, slaat de toon om. De overgang in vers 2222 Verlos mij uit de muil van de leeuw, en van de horens der woudossen. Gij hebt mij geantwoord! – “Gij hebt mij geantwoord!” – markeert het kantelpunt van het kruis naar de opstanding. Het lijden is volbracht, nu is er de victorie. Christus heeft de dood overwonnen. God heeft Hem uitermate verhoogd. Waarvoor we Hem te loven hebben in het midden van Zijn gemeente. Het verlossingswerk van Christus draagt eeuwig vrucht. En blijft niet beperkt tot Israël. De grenzen vallen weg: tot aan de einden der aarde zal men het gedenken en zich tot de HEERE bekeren. Zelfs de geslachten van later tijd, die nog geboren moeten worden, zullen horen van Zijn gerechtigheid. Want de Heere hééft het gedaan! De kerk van alle tijden en plaatsen mag het weten, en leven uit de overwinning van haar Koning. De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden aan de tafel van het verbond. En eenmaal zal de hele schepping zich buigen voor de heerschappij van Christus. Laten wij dat nu al doen, door Hem te loven en te dienen, en Zijn naam te verheerlijken in de tegenwoordigheid van wie Hem vrezen.

Verder lezen: Filippenzen 2:1-111 Indien er dan enig beroep (op u gedaan mag worden) in Christus, indien er enige bemoediging is der liefde, indien er enige gemeenschap is des geestes, indien er enige ontferming en barmhartigheid is, 2 maakt (dan) mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn, één in liefdebetoon, één van ziel, één in streven, 3 zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, 4 maar ieder (lette) ook op dat van anderen. 5 Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, 6 die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, 7 maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. 8 En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. 9 Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, 10 opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, 11 en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader!

4 april

“De HEERE is mijn herder”, zo mogen wij met David belijden. Zoals een herder onmisbaar is voor zijn kudde, zo is Christus onmisbaar voor ons. Als de Goede Herder zorgt Hij voor ons, Zijn schapen. Hij schenkt ons rust in grazige weiden en leidt ons naar zacht stromende wateren. Hij gaat voor ons uit en wijst ons de weg in het spoor van de gerechtigheid. Ook wanneer onze weg door een donker dal gaat, hoeven wij geen kwaad te vrezen. Want onze goede Herder is bij ons. Zijn stok en Zijn staf vertroosten ons. Zijn Woord en Zijn Geest, waarmee Hij de roofdieren en vijanden verdrijft, en ons liefdevol tot Zich trekt wanneer wij dreigen af te dwalen. In Christus zijn wij één kudde, veilig onder de hoede van deze Herder die Zijn leven voor ons heeft ingezet, opdat wij het eeuwige leven zouden ontvangen. En alsof dat niet genoeg is, bereidt Hij voor ons een feestmaal. Hij zalft ons hoofd met vreugdeolie en vult onze beker. Zijn goedertierenheid volgt ons dag aan dag, en Zijn heil is ons deel als Zijn kinderen aan huis.

Verder lezen: Johannes 10:1-151 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover; 2 maar wie door de deur binnenkomt, is de herder der schapen. 3 Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem en hij roept zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten. 4 Wanneer hij zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen; 5 maar een vreemde zullen zij voorzeker niet volgen, doch zij zullen van hem weglopen, omdat zij de stem der vreemden niet kennen. 6 In dit beeld sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak. 7 Jezus zeide dan nogmaals: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen. 8 Allen, die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. 9 Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. 10 De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed. 11 Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen; 12 maar wie huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht - en de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen - 13 want hij is een huurling en de schapen gaan hem niet ter harte. 14 Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij, 15 gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet mijn leven in voor de schapen.

5 april

De aarde is van de HEERE. De aarde met haar volheid, met alles wat in haar is en ook met allen die op haar wonen. De HEERE immers is de soevereine Schepper van dit alles. En op die aarde heeft de HEERE ook Zijn heilige berg, de plek waar Hij in het midden van Zijn gemeente wil wonen. De kerk mag de plaats zijn waar wij met Hem verkeren. Maar wie mag daar staan? Alleen wie rein van handen en zuiver van hart is. Buiten Christus om kunnen wij die toets onmogelijk doorstaan, maar in Hem worden wij rechtvaardig verklaard om vrijmoedig voor God te kunnen verschijnen. Paulus herhaalt dat alles van de HEERE is in zijn brief aan de Korintiërs. Zelfs vlees dat op de markt verkocht werd en aan afgoden was gewijd, is ten diepste van de HEERE en blijft dat. Daarom kan het met een vrij geweten gegeten worden, mits het geen aanstoot geeft. Alles behoort Christus toe! Laat dan voor Hem de poorten openen, die van de kerk, en ook die van ons hart, waarin deze Koning der ere binnentrekt.

Verder lezen: 1 Korintiërs 10:23-3323 Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op. 24 Niemand zoeke het zijne, maar wat des anderen is. 25 Al wat in de vleeshal te koop is, moogt gij eten, zonder navraag te doen uit gewetensbezwaar, 26 want de aarde en haar volheid is des Heren. 27 Indien een der ongelovigen u uitnodigt en gij wenst te gaan, eet dan alles, wat u wordt voorgezet, zonder dat gij navraag doet uit gewetensbezwaar. 28 Doch indien iemand tot u zegt: Dat is gewijd vlees, eet het dan niet, om hem, die u dat te kennen gaf, èn om het geweten. 29 Ik bedoel nu niet uw eigen geweten, maar dat van die ander. Want waartoe zou mijn vrijheid beoordeeld worden door eens anders geweten? 30 Indien ik onder dankzegging van iets gebruik maak, hoe kan men kwaad van mij spreken over iets, waarvoor ik dankzeg? 31 Of gij dus eet of drinkt, of wat ook doet, doet het alles ter ere Gods. 32 Geeft noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de gemeente Gods aanstoot; 33 zoals ook ik allen in alles ter wille ben, niet om mijn eigen belang te zoeken, maar dat van zeer velen, opdat zij behouden worden.

6 april

Psalm 251 Van David. Tot U, Here, hef ik mijn ziel op; 2 mijn God, op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden, laten mijn vijanden niet over mij juichen. 3 Ja, allen die U verwachten, worden niet beschaamd, beschaamd worden wie trouweloos handelen zonder oorzaak. 4 Here, maak mij uw wegen bekend, leer mij uw paden, 5 leid mij in uw waarheid en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils, U verwacht ik de ganse dag. 6 Gedenk uw barmhartigheid, Here, en uw gunstbewijzen, want die zijn van eeuwigheid; 7 gedenk niet de zonden van mijn jeugd, noch mijn overtredingen, gedenk mijner naar uw goedertierenheid, om uwer goedheid wil, Here. 8 Goed en waarachtig is de Here; daarom onderwijst Hij de zondaars aangaande de weg. 9 Ootmoedigen doet Hij wandelen in het recht, en Hij leert ootmoedigen zijn weg. 10 Alle paden des Heren zijn goedertierenheid en trouw voor wie zijn verbond en zijn getuigenissen bewaren. 11 Om uws naams wil, Here, vergeef mij mijn ongerechtigheid, want die is groot. 12 Wie is de man die de Here vreest? Hij onderwijst hem aangaande de weg die hij moet kiezen. 13 Hij zelf zal in voorspoed vertoeven, en zijn nageslacht zal het land beërven. 14 Des Heren vertrouwelijke omgang is met wie Hem vrezen, en zijn verbond maakt Hij hun bekend. 15 Mijn ogen zijn bestendig op de Here, want Hij voert mijn voeten uit het net. 16 Wend U tot mij en wees mij genadig, want eenzaam ben ik en ellendig. 17 De benauwdheden mijns harten hebben zich uitgebreid, voer mij uit mijn angsten. 18 Zie op mijn ellende en mijn moeite, en vergeef al mijn zonden. 19 Zie, hoe talrijk zijn mijn vijanden, en met welk een boosaardige haat haten zij mij. 20 Bewaar toch mijn ziel en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want bij U schuil ik. 21 Vroomheid en oprechtheid mogen mij behoeden, want U verwacht ik. 22 O God, verlos Israël uit al zijn benauwdheden.

Vertrouwen op de God van het verbond, en van Hem alles verwachten: vergeving, verlossing, ja Hemzélf. Daar gaat het om in deze Psalm, waarin David bidt om verlossing uit de hand van zijn vijanden, en om vergeving van al zijn zonden. En dat niet tevergeefs, want wie de Heere verwacht en bij Hem schuilt, zal niet beschaamd uitkomen. Wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet bedrogen worden in zijn verwachtingen. Omdat God in Christus Zijn beloften waarmaakt. Beschaamd worden slechts de vijanden, die trouweloos handelen en de gelovige haten. Tegenover hun hoogmoed staat de ootmoed van de vromen, die God doet wandelen op de weg van het recht, waarop zij vergeving ontvangen voor al hun ónrecht. Het is de weg van goedertierenheid en trouw, die de Heere ons bewijst en ook doét bewijzen. Het is de weg van de waarheid, waarin Hij ons leidt door

Zijn Geest. Het is de weg van de tucht, waarop Hij ons tot Zich trekt door vermaningen. En dat alles om Zijns Naams wil, om Zichzelf te bewijzen als onze barmhartige Verbondsgod, die ons redt van al onze angsten en ellende. Laten wij Hem niet verwerpen, maar verwachten. In oprecht geloofsvertrouwen. Opdat wij niet beschaamd uitkomen.

Verder lezen: Jeremia 15:5-165 Want wie zal medelijden met u hebben, Jeruzalem, wie zal u beklagen? Wie zal van de weg afslaan om naar uw welstand te vragen? 6 Gij hebt Mij verworpen, luidt het woord des Heren, gij zijt achterwaarts gegaan; dus strek Ik mijn hand tegen u uit en verdelg u: Ik ben het berouwen moe. 7 Ja, Ik wan hen met een wan in de poorten des lands; kinderloos, teniet maak Ik mijn volk. Van hun wegen zijn zij niet teruggekeerd. 8 Talrijker worden Mij zijn weduwen dan het zand der zeeën; Ik breng hun, over moeder en jongeling, een verwoester op de middag, Ik doe onverhoeds op hen vallen angst en verschrikkingen. 9 Zij, die er zeven baarde, bezwijmt, zij valt in onmacht; haar zon is ondergegaan, terwijl het nog dag was, zij is beschaamd en in haar verwachtingen bedrogen. Ja, wat van hen nog rest, zal Ik aan het zwaard overgeven, voor het oog van hun vijanden, luidt het woord des Heren. 10 Wee mij, mijn moeder, dat gij mij gebaard hebt, een man van twist en gekrakeel voor het gehele land! Ik heb niet te leen gegeven en men heeft mij niet te leen gegeven, toch vervloeken mij allen. 11 De Here zeide: Indien Ik u niet bevrijd ten goede! Indien Ik ten tijde van rampspoed en benauwdheid de vijand niet tot u doe smeken! 12 Zal ijzer breken? ijzer uit het noorden, en koper? 13 Uw vermogen en uw schatten zal Ik ten buit geven, zonder prijs, en dat om al uw zonden, ja, in uw gehele gebied, 14 en Ik zal u uw vijanden doen dienen in een land dat gij niet kent, want een vuur is ontstoken in mijn toorn, dat over u zal branden. 15 Gij weet het, Here, gedenk mijner, sla acht op mij en neem voor mij wraak op mijn vervolgers! Neem, door uw lankmoedigheid, mij niet weg; weet, dat ik om Uwentwil smaad draag. 16 Zo vaak uw woorden gevonden werden, at ik ze op, uw woord was mij tot vreugde en blijdschap mijns harten; want uw naam is over mij uitgeroepen, Here, God der heerscharen.

7 april

Van “vergeef mij mijn ongerechtigheid” in de vorige Psalm naar “ik was mijn handen in onschuld” in deze Psalm. Dat lijkt misschien tegenstrijdig. Maar dat is het allerminst. Want David spreekt hier niet van onschuld in het algemeen, maar van zijn onschuld in het oprecht bewandelen van de rechte weg. Want ondanks zijn eigen zonden heeft David door een waar geloof op de HEERE vertrouwd. En dat is hij ook blijven doen. De HEERE heeft hem met volharding doen wandelen op Zijn wegen. In het licht. In de waarheid. En dus in onschuld. Door Gods genade heeft David daarin mogen wandelen zonder te wankelen. Heeft hij niet gezeten bij kromme goddelozen, maar gestaan op effen baan. Door naar Gods huis op te gaan. Waar de HEERE met Zijn heerlijkheid woont en troont op Zijn altaar. Waar Hij geprezen wil worden om Zijn wonderen van schepping en herschepping. Niet slechts met een stille overdenking in het verborgene, maar met een luid loflied in het openbaar. Uit dank daarvoor, dat Hij ons genadig verlost. En dat Hij ons recht doet, door ons te rechtvaardigen en ons recht te doen wandelen door een waar geloof in Christus.

Verder lezen: 1 Johannes 1:5-2:115 En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen: God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis. 6 Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben en in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen de waarheid niet; 7 maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkander; en het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. 8 Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet. 9 Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. 10 Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en zijn woord is in ons niet. 1 Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige; 2 en Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld. 3 En hieraan onderkennen wij, dat wij Hem kennen: indien wij zijn geboden bewaren. 4 Wie zegt: Ik ken Hem, en zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in die is de waarheid niet; 5 maar wie zijn woord bewaart, in die is waarlijk de liefde Gods volmaakt. Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem zijn. 6 Wie zegt, dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf zó te wandelen, als Hij gewandeld heeft. 7 Geliefden, ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat gij van den beginne gehad hebt. Dit oude gebod is het woord, dat gij gehoord hebt. 8 Toch schrijf ik u een nieuw gebod, want - wat waarheid is in Hem en in u - de duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt reeds. 9 Wie zegt in het licht te zijn en zijn broeder haat, die is in de duisternis tot nu toe. 10 Wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht en in hem is niets aanstotelijks; 11 maar wie zijn broeder haat, is in de duisternis en wandelt in de duisternis, en hij weet niet waar hij heengaat, want de duisternis heeft zijn ogen verblind.

8 april

Psalm 271 Van David. De Here is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen? De Here is mijns levens veste, voor wie zou ik vervaard zijn? 2 Toen boosdoeners op mij afkwamen om mijn vlees te eten - mijn tegenstanders en mijn vijanden - zijn zij zelf gestruikeld en gevallen. 3 Al legert zich een leger tegen mij, mijn hart vreest niet; al verheft zich een krijg tegen mij, nochtans blijf ik vertrouwen. 4 Eén ding heb ik van de Here gevraagd, dit zoek ik: te verblijven in het huis des Heren al de dagen van mijn leven, om de liefelijkheid des Heren te aanschouwen, en om te onderzoeken in zijn tempel. 5 Want Hij bergt mij in zijn hut ten dage des kwaads, Hij verbergt mij in het verborgene van zijn tent, Hij plaatst mij hoog op een rots. 6 En nu heft mijn hoofd zich op boven mijn vijanden rondom mij; daarom wil ik in zijn tent offeren offers met geschal, ik wil zingen, ja psalmzingen de Here. 7 Hoor, Here, hoe ik luide roep, wees mij genadig en antwoord mij. 8 Van Uwentwege zegt mijn hart: Zoekt mijn aangezicht. Ik zoek uw aangezicht, Here. 9 Verberg uw aangezicht niet voor mij, wijs uw knecht niet af in toorn, Gij waart mijn hulp; verwerp mij niet en verlaat mij niet, o God mijns heils. 10 Al hebben mijn vader en moeder mij verlaten, toch neemt de Here mij aan. 11 Onderwijs mij, Here, uw weg en leid mij op een effen pad om mijner belagers wil; 12 geef mij niet prijs aan de lust van mijn tegenstanders, want valse getuigen staan tegen mij op, en hij die geweld blaast. 13 O, als ik niet had geloofd des Heren goedheid te zullen zien in het land der levenden! 14 Wacht op de Here, wees sterk, uw hart zij onversaagd; ja wacht op de Here.

In de duisternis van allerlei tegenspoed mogen wij de HEERE belijden als ons Licht. En tegelijk als ons Heil, die ons verlost van alle ónheil. Bij Hem zijn we veilig. Als we dat geloven, wie zouden we dan nog vrezen? Toen boosdoeners op David afkwamen, vielen zij zelf in de kuil die ze voor hem groeven. Want wie op de Heere vertrouwt, hoeft voor niemand bang te zijn, zelfs niet voor een groot vijandelijk leger. Bij de Heere vinden we immers bescherming. En wel in Zijn huis, waar wij Zijn dienst waarnemen en Zijn Woord onderzoeken. Waar de Heere ons bergt en verhoogt. En waar Hij ons verzekert van Christus’ overwinning op Zijn en onze vijanden. Dat geeft stof tot lof. En dat maakt goedsmoeds. Al staan valse getuigen tegen ons op, God is ons in Christus tot hulp en heil. Hij verlaat ons niet, maar leert ons Zijn weg en toont ons Zijn goedheid. In alle tegenspoed mogen wij geduldig op Hem wachten. Als wij Zijn gunstrijk aangezicht zoeken, wijst Hij ons niet af in toorn, maar betoont Hij zich de God van ons heil. Dan hebben wij inderdaad niets te vrezen. Want als God vóór ons is, wie zal tégen ons zijn? Geen tegenspoed kan ons scheiden van Zijn liefde in Christus.

Verder lezen: Romeinen 8:31-3931 Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn? 32 Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken? 33 Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt; 34 wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit. 35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard? 36 Gelijk geschreven staat: Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen. 37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad. 38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, 39 noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here.

9 april

De HEERE is onze Rots, de Rotssteen van ons heil. Op wie wij kunnen bouwen en vertrouwen. En die wij niet tevergeefs aanroepen. Want nadat David in vers 22 Hoor naar mijn luide smekingen, als ik tot U roep om hulp, en mijn handen ophef naar uw binnenste heiligdom. gebeden heeft: “Hoor naar mijn luide smekingen”, kan hij in vers 66 Geprezen zij de Here, want Hij heeft gehoord mijn luide smekingen. al de HEERE prijzen: “want Hij hééft gehoord mijn luide smekingen.” God is de grote Hoorder van het gebed. Die helpt al wie op Hem vertrouwt. Hij is onze kracht, onze burcht en onze vesting. Dat is Hij voor Zijn gezalfde, zegt vers 88 De Here is hun kracht, een veste des heils is Hij voor zijn gezalfde.. Voor Zijn gezalfde koning David, die de Christus mocht voorafbeelden, maar evengoed voor ons, die delen in de zalving van Christus. Gezalfd zijn wij om Zijn naam te belijden. Opdat wij niet weggerukt worden met de goddelozen, die niet letten op Gods grote daden en werken. Hen zal Hij afbreken en niet opbouwen, maar ons zal Hij verlossen en zegenen, eeuwig weiden en dragen. Laten wij daarom met David van harte juichen, de Heere loven met ons lied. Laten wij onze handen en vooral ook onze harten opheffen in de richting van Gods heiligdom, waar Hij woont en troont bij Zijn volk. Want God is in Christus een sterke vesting van heil, niet slechts voor David, maar voor heel de kerk, ja voor alle gelovigen.

Verder lezen: 1 Samuël 2:1-101 Toen bad Hanna en zeide: Mijn hart juicht in de Here, mijn hoorn is verhoogd in de Here. Wijd opent zich mijn mond tegen mijn vijanden, want ik verheug mij in uw hulp. 2 Er is niemand heilig gelijk de Here, want niemand is er buiten U, en er is geen rots gelijk onze God. 3 Spreekt toch niet steeds zo hoogmoedig, geen verwaten taal kome uit uw mond. De Here immers is een alwetend God en door Hem worden de daden getoetst. 4 De boog der helden is verbroken, maar de wankelenden zijn met kracht omgord. 5 Wie verzadigd waren, verhuren zich om brood, maar wie hongerig waren, mogen rusten. Zelfs een onvruchtbare baart er zeven, maar wie rijk was aan kinderen, verwelkt. 6 De Here doodt en doet herleven, Hij doet naar het dodenrijk neerdalen en daaruit opkomen. 7 De Here maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij. 8 Hij heft de geringe op uit het stof, Hij heft de arme omhoog uit het slijk, om hem te doen zitten bij edelen, en een erezetel te doen verwerven. Want de grondvesten der aarde zijn des Heren; Hij heeft daarop het aardrijk gesteld. 9 De voeten zijner gunstgenoten behoedt Hij, maar de goddelozen komen om in duisternis, want niet door kracht is een man sterk. 10 Wie met de Here twisten, worden gebroken; over hen dondert Hij in de hemel. De Here richt de einden der aarde; Hij geeft sterkte aan zijn koning en verhoogt de hoorn van zijn gezalfde.

10 april

De stem van de HEERE klinkt niet alleen in de prediking, maar ook in de schepping. Want David spreekt hier tot zevenmaal toe over het onweer als Gods stem, die krachtig dondert in de door Hem geschapen wereld. Ook in de natuur komt God met Zijn wonderen. Reeds in donder en bliksem toont Hij Zijn kracht en heerlijkheid, de koninklijke majesteit van Zijn naam. Ontzagwekkend is Zijn donderstem. Die doet stervelingen hun nietigheid beseffen tegenover de hoogverheven God. En die doet ons samen voor Hem buigen, Hem aanbidden in de heerlijkheid van Zijn heiligdom, getooid in heilige feestdos. Om samen Gods hemelse heerlijkheid te vieren. Want God laat Zijn stem overal horen, maar in het bijzonder wel in Zijn huis, in Zijn paleis of tempel, waar ieder zegt: Ere! Ere zij God, in de hoge. Daar in de kerk wordt Gods macht en majesteit niet slechts gehoord, maar ook beleden en bezongen. Daar spreekt Hij niet slechts met betoon van kracht, maar met beloften van heil. En daar wordt de Koning der ere de eer gegeven die Hem toekomt, als de Heere der heerlijkheid, die eeuwig troont als de hemelse Koning. Die reeds troonde boven de zondvloed tot oordeel van de goddelozen, en die tot op de dag van vandaag troont tot heil van Zijn volk. Die ons kracht en vrede geeft, de kracht en de vrede van Christus.

Verder lezen: Job 371 Ja, deswege beeft mijn hart en springt op van zijn plaats. 2 Hoort, hoort het daveren van zijn stem, de donder, die uit zijn mond komt. 3 Hij laat die los onder de ganse hemel en zijn bliksemlicht tot de einden der aarde. 4 Zijn stem brult achter Hem aan, Hij dondert met de stem zijner majesteit en houdt ze niet terug, wanneer zijn stem zich laat horen. 5 Wonderbaar dondert God met zijn stem; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet; 6 want tot de sneeuw zegt Hij: Val op aarde! en tot de stortregen en de regenstromen: Wordt machtig! 7 De hand van alle mensen verzegelt Hij, opdat alle mensen die Hij gemaakt heeft, het inzien. 8 Het gedierte gaat in zijn schuilplaats en legt zich neer in zijn holen. 9 De storm komt uit de voorraadkamer, en de koude uit de schuren. 10 Door zijn goddelijke adem maakt Hij het ijs, de watervlakte wordt als gegoten metaal. 11 Ook bezwaart Hij de wolken met water, Hij spreidt zijn lichtende wolken uit, 12 en het schiet naar alle kanten in het rond naar zijn bestel, om al wat Hij gebiedt te volbrengen op het rond der aarde; 13 hetzij tot een roede voor zijn aarde, hetzij tot goedertierenheid, Hij doet het zijn doel vinden. 14 Leen toch het oor aan deze dingen, o Job, sta stil en let op Gods wonderen. 15 Begrijpt gij, hoe God hun opdracht geeft, en hoe Hij het licht zijner wolken doet schijnen? 16 Begrijpt gij iets van het zweven der wolken, de wonderwerken van de Volmaakte in kennis, 17 gij, wiens klederen heet worden, als de aarde stil is vanwege de zuiderhitte? 18 Kunt gij zoals Hij de wolken maken tot een uitspansel, vast als een gegoten spiegel? 19 Maak ons bekend, wat wij tot Hem zullen zeggen; niets toch kunnen wij aanvoeren vanwege de duisternis. 20 Zou het Hem verteld worden, wanneer ik ging spreken? Heeft iemand ooit gezegd, dat hij verdelgd wil worden? 21 Nu eens ziet men geen licht, verduisterd als het is door de wolken, dan weer jaagt de wind voorbij en maakt het helder. 22 Uit het noorden verschijnt goudglans; God is bedekt met geduchte majesteit. 23 De Almachtige, die wij niet begrijpen, is groot van kracht en recht; Hij, die groot is in gerechtigheid, buigt haar niet. 24 Daarom vrezen de mensen Hem, maar geen der eigenwijzen ziet Hij aan.

11 april

David dankt de Heere voor de uitredding uit de nood waarin hij verkeerde. En hij doet dat met een Psalm die helemaal in het teken staat van de lofprijzing: “Ik zal U verhogen, HEERE”, zo begint de Psalm, om te eindigen met: “voor altoos zal ik U loven”. Daartussenin belijdt David dat de Heere hem het leven heeft gegeven, nadat hij in doodsgevaar verkeerde. De Heere heeft hem genezen, van een dodelijke ziekte dan wel van andere moeiten. En daarom roept David Gods gunstgenoten op de HEERE psalm te zingen en te loven. Want Zijn toorn en straffen duren maar even, maar Zijn welbehagen een leven lang, ja zelfs een eeuwig leven. De HEERE bedroeft Zijn kinderen immers niet van harte, zegt Klaagliederen 31 Ik ben de man die ellende heeft gezien door de roede zijner verbolgenheid. 2 Mij heeft Hij gevoerd en doen gaan in duisternis en donkerte. 3 Waarlijk, tegen mij keert Hij telkens weder zijn hand, de ganse dag. 4 Hij heeft mijn vlees en mijn huid doen wegteren, mijn beenderen gebroken. 5 Hij heeft aan alle zijden tegen mij opgehoopt vergif en moeite. 6 Hij heeft mij in duistere plaatsen doen wonen als de doden van voorlang. 7 Hij heeft mij iedere uitgang versperd, mij in zware koperen ketenen geklonken. 8 Zelfs als ik schreeuw en om hulp roep, versmaadt Hij mijn gebed. 9 Hij heeft mijn weg versperd met steenblokken, mijn paden onbegaanbaar gemaakt. 10 Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen schuilhoeken. 11 Hij laat mij geen uitweg, en verscheurt mij, Hij heeft mij geslagen met verbijstering, 12 Hij heeft zijn boog gespannen en mij gesteld tot doelwit voor zijn pijl. 13 Hij heeft in mijn nieren doen doordringen de pijlen uit zijn koker. 14 Ik ben een belaching geworden voor heel mijn volk, hun spotlied heel de dag. 15 Hij heeft mij met bittere kruiden verzadigd en mij met alsem gedrenkt. 16 Hij liet mij de tanden op kiezel stukbijten, Hij drukte mij neer in het stof. 17 Gij hebt mijn ziel het heil doen derven, ik ben vergeten wat geluk is. 18 Ik dacht: vergaan is mijn kracht, vervlogen mijn hoop op de Here. 19 Gedenk aan mijn ellende en omzwerving, aan de alsem en het vergif. 20 Zo vaak mijn ziel dit gedenkt, buigt zij zich neder in mij. 21 Dit zal ik mij te binnen brengen, daarom zal ik hopen: 22 Het zijn de gunstbewijzen des Heren, dat wij niet omgekomen zijn, want zijn barmhartigheden houden niet op, 23 elke morgen zijn zij nieuw, groot is uw trouw! 24 Mijn ziel zegt: Mijn deel is de Here, daarom zal ik op Hem hopen. 25 Goed is de Here voor wie Hem verwachten, voor de ziel die Hem zoekt; 26 goed is het, in stilheid te wachten op het heil des Heren; 27 goed is het voor de man, dat hij een juk in zijn jeugd draagt. 28 Hij zitte eenzaam en zwijge stil, als Hij het hem heeft opgelegd. 29 Hij drukke zijn mond in het stof, misschien is er hoop. 30 Hij biede de wang aan wie hem slaat, hij worde verzadigd van smaad. 31 Want niet voor eeuwig verstoot de Here. 32 Want als Hij bedroefd heeft, ontfermt Hij Zich naar de grootheid van zijn gunstbewijzen. 33 Immers niet van harte verdrukt en bedroeft Hij de mensenkinderen. 34 Dat men onder zijn voeten vertrapt alle gevangenen der aarde, 35 dat men het recht van een man buigt voor het aangezicht van de Allerhoogste, 36 dat men een mens in zijn rechtszaak verongelijkt, zou de Here dat niet zien? 37 Wie is het, die spreekt en het is er, wanneer de Here het niet gebiedt? 38 Komt niet uit de mond des Allerhoogsten het kwade en het goede? 39 Wat klaagt dan een mens in het leven! Ieder (klage) over zijn zonde. 40 Laten wij onze wegen doorzoeken en doorvorsen en ons bekeren tot de Here. 41 Laten wij met de handen ons hart opheffen tot God in de hemel: 42 Wij hebben overtreden en zijn weerspannig geweest - Gij hebt niet vergeven. 43 Gij hebt U in toorn gehuld, Gij hebt ons vervolgd, ons meedogenloos gedood. 44 Gij hebt U gehuld in een wolk, ondoordringbaar voor het gebed. 45 Gij hebt ons gemaakt tot verachtelijk uitvaagsel te midden van de volkeren. 46 Tegen ons hebben hun mond opengesperd al onze vijanden. 47 Schrik en strik zijn over ons gekomen, verderf en breuk. 48 Waterbeken vloeien uit mijn oog om de ondergang van de dochter mijns volks. 49 Mijn oog baadt in tranen, zonder ophouden, zonder verpozen, 50 totdat de Here nederziet en neerschouwt uit de hemel. 51 Mijn oog doet mij pijn om al de dochteren mijner stad. 52 Fel hebben zij mij, als een vogel, opgejaagd, die mij vijandig zijn zonder oorzaak. 53 Zij hebben mijn leven in een put versmoord en stenen op mij geworpen. 54 Wateren stroomden over mijn hoofd; ik dacht: ik ben verloren. 55 Ik roep uw naam aan, o Here, uit het onderste van de put. 56 Gij hoort mijn stem: verberg uw oor niet voor mijn zuchten, mijn hulpgeschrei. 57 Gij zijt nabij ten dage, dat ik U aanroep, Gij zegt: Vrees niet. 58 Gij voert, o Here, mijn rechtsgeding, Gij verlost mijn leven. 59 Gij ziet, o Here, mijn verongelijking, ach, verschaf mij recht. 60 Gij ziet al hun wraakzucht, al hun overleggingen tegen mij. 61 Gij hoort, o Here, hun smaad, al hun overleggingen tegen mij, 62 de taal van wie tegen mij opstaan, en hun gemompel tegen mij, de ganse dag. 63 Aanschouw hun zitten en hun opstaan: Ik ben hun spotlied. 64 Gij zult hun vergelden, o Here, naar het werk hunner handen. 65 Gij zult hun geest verblinden - uw vloek over hen! 66 Gij zult hen in toorn vervolgen en verdelgen van onder des Heren hemel.. “Als Hij bedroefd heeft, ontfermt Hij Zich naar de grootheid van zijn gunstbewijzen.” Daarom smeekte David niet tevergeefs om Gods genade. Hij bad om in leven te mogen blijven, niet voor zichzelf, maar voor de Heere; om Zijn trouw te vermelden. Want wie tot stof is teruggekeerd, kan God niet loven; althans niet in het midden van Zijn kerk op aarde. En daar toch moet het ons om te doen zijn: om zolang het ons gegeven wordt, met hart en mond de Heere te loven. Hem samen psalm te zingen, zonder ooit te verstommen.

Verder lezen: Klaagliederen 3:19-3319 Gedenk aan mijn ellende en omzwerving, aan de alsem en het vergif. 20 Zo vaak mijn ziel dit gedenkt, buigt zij zich neder in mij. 21 Dit zal ik mij te binnen brengen, daarom zal ik hopen: 22 Het zijn de gunstbewijzen des Heren, dat wij niet omgekomen zijn, want zijn barmhartigheden houden niet op, 23 elke morgen zijn zij nieuw, groot is uw trouw! 24 Mijn ziel zegt: Mijn deel is de Here, daarom zal ik op Hem hopen. 25 Goed is de Here voor wie Hem verwachten, voor de ziel die Hem zoekt; 26 goed is het, in stilheid te wachten op het heil des Heren; 27 goed is het voor de man, dat hij een juk in zijn jeugd draagt. 28 Hij zitte eenzaam en zwijge stil, als Hij het hem heeft opgelegd. 29 Hij drukke zijn mond in het stof, misschien is er hoop. 30 Hij biede de wang aan wie hem slaat, hij worde verzadigd van smaad. 31 Want niet voor eeuwig verstoot de Here. 32 Want als Hij bedroefd heeft, ontfermt Hij Zich naar de grootheid van zijn gunstbewijzen. 33 Immers niet van harte verdrukt en bedroeft Hij de mensenkinderen.

12 april

Psalm 311 Voor de koorleider. Een psalm van David. 2 Bij U, Here, schuil ik, laat mij nimmer beschaamd worden. Doe mij ontkomen door uw gerechtigheid, 3 neig uw oor tot mij, red mij haastig. Wees mij tot een beschuttende rots, tot een sterke vesting om mij te redden; 4 want Gij zijt mijn steenrots en mijn vesting, en om uws naams wil zult Gij mij voeren en leiden. 5 Gij zult mij trekken uit het net dat men voor mij had verborgen, want Gij zijt mijn veste. 6 In uw hand beveel ik mijn geest; Gij verlost mij, Here, getrouwe God. 7 Ik haat hen die ijdele nietigheden vereren; ik immers vertrouw op de Here. 8 Ik wil juichen en mij verheugen over uw goedertierenheid, daar Gij acht hebt geslagen op mijn ellende, hebt geweten van de benauwdheden mijner ziel. 9 Gij toch hebt mij aan de vijand niet prijsgegeven, Gij hebt mijn voeten in de ruimte doen staan. 10 Wees mij genadig, o Here, want ik ben benauwd; van verdriet verkwijnt mijn oog, mijn ziel en mijn lichaam. 11 Want mijn leven vergaat in kommer en mijn jaren in zuchten, mijn kracht struikelt door mijn ongerechtigheid, en mijn gebeente verkwijnt. 12 Voor allen die mij benauwen, ben ik tot een smaad geworden, voor mijn buren allermeest, en voor mijn bekenden tot een schrik; wie mij op straat zien, vluchten voor mij weg. 13 Vergeten ben ik, uit het hart, als een dode; ik ben geworden als gebroken vaatwerk. 14 Want ik hoor het gemompel van velen - schrik van rondom - ; terwijl zij met elkander tegen mij beraadslagen, smeden zij plannen om mij het leven te benemen. 15 Maar ik vertrouw op U, Here, ik zeg: Gij zijt mijn God. 16 Mijn tijden zijn in uw hand, red mij uit de hand van mijn vijanden en vervolgers. 17 Doe uw aanschijn lichten over uw knecht, verlos mij door uw goedertierenheid. 18 Here, laat mij niet beschaamd worden, want U roep ik aan; laten de goddelozen beschaamd worden, tot zwijgen gebracht in het dodenrijk. 19 Laten de leugenlippen verstommen, die tegen de rechtvaardige verwaten spreken, met trots en hoon. 20 Hoe groot is het goed dat Gij hebt weggelegd voor wie U vrezen, dat Gij bereid hebt voor wie bij U schuilen ten aanschouwen van de mensenkinderen. 21 Gij verbergt hen in het verborgene van uw aanschijn voor de samenscholing der mensen; Gij bergt hen in een hut voor het getwist der tongen. 22 Geprezen zij de Here, want Hij heeft mij wonderbare goedertierenheid betoond in de gloed der benauwdheid. 23 Terwijl ik in mijn angst dacht: ik ben verbannen uit uw oog - hebt Gij voorwaar mijn luide smekingen gehoord, toen ik tot U riep om hulp. 24 Hebt de Here lief, al zijn gunstgenoten; de Here bewaart de getrouwen, maar ruimschoots vergeldt Hij de trotsen. 25 Weest sterk en uw hart zij onversaagd, gij allen, die op de Here hoopt.

“In Uw hand beveel ik mijn geest”, zo klinkt het in Psalm 311 Voor de koorleider. Een psalm van David. 2 Bij U, Here, schuil ik, laat mij nimmer beschaamd worden. Doe mij ontkomen door uw gerechtigheid, 3 neig uw oor tot mij, red mij haastig. Wees mij tot een beschuttende rots, tot een sterke vesting om mij te redden; 4 want Gij zijt mijn steenrots en mijn vesting, en om uws naams wil zult Gij mij voeren en leiden. 5 Gij zult mij trekken uit het net dat men voor mij had verborgen, want Gij zijt mijn veste. 6 In uw hand beveel ik mijn geest; Gij verlost mij, Here, getrouwe God. 7 Ik haat hen die ijdele nietigheden vereren; ik immers vertrouw op de Here. 8 Ik wil juichen en mij verheugen over uw goedertierenheid, daar Gij acht hebt geslagen op mijn ellende, hebt geweten van de benauwdheden mijner ziel. 9 Gij toch hebt mij aan de vijand niet prijsgegeven, Gij hebt mijn voeten in de ruimte doen staan. 10 Wees mij genadig, o Here, want ik ben benauwd; van verdriet verkwijnt mijn oog, mijn ziel en mijn lichaam. 11 Want mijn leven vergaat in kommer en mijn jaren in zuchten, mijn kracht struikelt door mijn ongerechtigheid, en mijn gebeente verkwijnt. 12 Voor allen die mij benauwen, ben ik tot een smaad geworden, voor mijn buren allermeest, en voor mijn bekenden tot een schrik; wie mij op straat zien, vluchten voor mij weg. 13 Vergeten ben ik, uit het hart, als een dode; ik ben geworden als gebroken vaatwerk. 14 Want ik hoor het gemompel van velen - schrik van rondom - ; terwijl zij met elkander tegen mij beraadslagen, smeden zij plannen om mij het leven te benemen. 15 Maar ik vertrouw op U, Here, ik zeg: Gij zijt mijn God. 16 Mijn tijden zijn in uw hand, red mij uit de hand van mijn vijanden en vervolgers. 17 Doe uw aanschijn lichten over uw knecht, verlos mij door uw goedertierenheid. 18 Here, laat mij niet beschaamd worden, want U roep ik aan; laten de goddelozen beschaamd worden, tot zwijgen gebracht in het dodenrijk. 19 Laten de leugenlippen verstommen, die tegen de rechtvaardige verwaten spreken, met trots en hoon. 20 Hoe groot is het goed dat Gij hebt weggelegd voor wie U vrezen, dat Gij bereid hebt voor wie bij U schuilen ten aanschouwen van de mensenkinderen. 21 Gij verbergt hen in het verborgene van uw aanschijn voor de samenscholing der mensen; Gij bergt hen in een hut voor het getwist der tongen. 22 Geprezen zij de Here, want Hij heeft mij wonderbare goedertierenheid betoond in de gloed der benauwdheid. 23 Terwijl ik in mijn angst dacht: ik ben verbannen uit uw oog - hebt Gij voorwaar mijn luide smekingen gehoord, toen ik tot U riep om hulp. 24 Hebt de Here lief, al zijn gunstgenoten; de Here bewaart de getrouwen, maar ruimschoots vergeldt Hij de trotsen. 25 Weest sterk en uw hart zij onversaagd, gij allen, die op de Here hoopt.. David bevindt zich in grote benauwdheid. Zijn leven wordt verteerd door verdriet, zijn bekenden ontvluchten hem, en zijn vijanden smeden plannen om hem te doden. Toch geeft hij zich niet over aan wanhoop. Hij vlucht tot de HEERE, zijn Rots en zijn Vesting. Wat de omstandigheden ook zijn, David weet zijn leven veilig. Zijn tijden zijn in Gods Hand. Eeuwen later klinken deze zelfde woorden op de heuvel van Golgotha. De grote Davidszoon, Jezus Christus, hangt in de grootst denkbare nood. Veracht door mensen, omringd door spotters en verlaten door God. Maar vlak voordat Hij sterft, geeft Hij Zich vol vertrouwen over: “Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest.” Omdat Christus dit riep in de diepste duisternis, mogen wij weten dat we nooit uit Gods hand zullen vallen. Zelfs als het leven ons zwaar valt, als ziekte of rouw ons treft, of als de satan ons belaagt, hebben wij een

veilige schuilplaats. God bewaart de Zijnen. Hebt de HEERE lief, al Zijn gunstgenoten! Wie vast op Hem vertrouwt, mag moed scheppen. Ons leven is in Zijn hand, nu en tot in eeuwigheid.

Verder lezen: Lucas 23:33-4633 En toen zij aan de plaats gekomen waren, die Schedel genoemd wordt, kruisigden zij Hem daar en ook de misdadigers, de ene aan zijn rechterzijde en de andere aan zijn linkerzijde. 34 En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. En zij wierpen het lot om zijn klederen te verdelen. 35 En het volk stond erbij en zag toe. Ook de oversten hoonden en zeiden: Anderen heeft Hij gered, laat Hij nu Zichzelf redden, indien Hij de Christus Gods is, de uitverkorene! 36 Ook de soldaten kwamen naderbij om Hem te bespotten en brachten Hem zure wijn, 37 en zeiden: Indien Gij de Koning der Joden zijt, red dan Uzelf! 38 Er was ook een opschrift boven Hem: Dit is de Koning der Joden. 39 Eén der gehangen misdadigers lasterde Hem: Zijt Gij niet de Christus? Red Uzelf en ons! 40 Maar de andere antwoordde en zeide, hem bestraffende: Vreest zelfs gij God niet, nu gij hetzelfde vonnis ontvangen hebt? 41 En wij terecht, want wij ontvangen vergelding, naar wat wij gedaan hebben, maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. 42 En hij zeide: Jezus, gedenk mijner, wanneer Gij in uw Koninkrijk komt. 43 En Hij zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn. 44 En het was reeds ongeveer het zesde uur en er kwam duisternis over het gehele land tot het negende uur, 45 want de zon werd verduisterd. En het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor. 46 En Jezus riep met luider stem: Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest. En toen Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest.

13 april

"Welzalig hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is". David wist wat het betekent om zonden te verzwijgen. Toen hij zijn schuld voor God verborgen hield, drukte Gods hand zwaar op hem. Zijn geweten klaagde hem aan. Maar zodra David zijn zonden oprecht beleed, vergaf de HEERE de schuld. Deze Psalm leert ons dat ware gelukzaligheid niet te zoeken is in een leven zonder zonde – want wie van ons is zonder zonde? – maar in een leven waarin de zonden eerlijk beleden en door God bedekt worden. De apostel Paulus grijpt in Romeinen 41 Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze voorvader naar het vlees, verkregen heeft? 2 Want indien Abraham uit werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God. 3 Want wat zegt het schriftwoord? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. 4 Nu wordt hem die werkt, het loon niet toegerekend uit genade, maar krachtens verplichting. 5 Hem echter, die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid, 6 gelijk ook David de mens zalig spreekt, aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken: 7 Zalig zij, wier ongerechtigheden vergeven en wier zonden bedekt zijn. 8 Zalig de man, wiens zonde de Here geenszins zal toerekenen. 9 Geldt deze zaligspreking dan de besnedene of ook de onbesnedene? Wij zeggen immers: Het geloof werd Abraham tot gerechtigheid gerekend. 10 Hoe werd het hem dan toegerekend? Was hij toen besneden of onbesneden? Niet besneden, maar onbesneden. 11 En het teken der besnijdenis ontving hij als het zegel der gerechtigheid van dat geloof, dat hij in zijn onbesneden staat bezat. Zo kon hij een vader zijn van alle onbesneden gelovigen, opdat hun [de] gerechtigheid zou worden toegerekend, 12 en een vader van de besnedenen, voor hen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook treden in het voetspoor van het geloof, dat onze vader Abraham in zijn onbesneden staat bezat. 13 Want niet door de wet had Abraham of zijn nageslacht de belofte, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door gerechtigheid des geloofs. 14 Want indien zij, die het van de wet verwachten, erfgenamen zijn, dan is het geloof zonder inhoud en de belofte zonder gevolg. 15 De wet immers bewerkt toorn; waar echter geen wet is, is ook geen overtreding. 16 Daarom is het (alles) uit geloof, opdat het zou zijn naar genade, en dus de belofte zou gelden voor al het nageslacht, niet alleen voor wie uit de wet, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is, 17 gelijk geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld - voor het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept. 18 En hij heeft tegen hoop op hoop geloofd, dat hij een vader van vele volken zou worden, volgens hetgeen gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn. 19 En zonder te verflauwen in het geloof heeft hij opgemerkt, dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara's moederschoot was gestorven; 20 maar aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode eer, 21 in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen. 22 Daarom [ook] werd het hem gerekend tot gerechtigheid. 23 Echter niet om zijnentwil alleen werd geschreven: het werd hem toegerekend, 24 maar ook om onzentwil, wie het zal worden toegerekend, ons, die ons geloof vestigen op Hem, die Jezus, onze Here, uit de doden opgewekt heeft, 25 die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging. op deze Psalm terug. Wij worden voor God niet gerechtvaardigd door onze goede werken, maar doordat God ons de gerechtigheid van Christus toerekent. Christus heeft onze schuld aan het kruis gedragen, zodat wij vrijgesproken worden. Laten wij onze ongerechtigheden daarom niet verbergen, maar ze belijden. Dan ontvangen we vergeving op grond van het zoenoffer van Christus, volbracht aan het kruis. Dan hebben we alle reden ons met de Psalmist te verheugen in de HEERE.

Verder lezen: Romeinen 4:1-121 Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze voorvader naar het vlees, verkregen heeft? 2 Want indien Abraham uit werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God. 3 Want wat zegt het schriftwoord? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. 4 Nu wordt hem die werkt, het loon niet toegerekend uit genade, maar krachtens verplichting. 5 Hem echter, die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid, 6 gelijk ook David de mens zalig spreekt, aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken: 7 Zalig zij, wier ongerechtigheden vergeven en wier zonden bedekt zijn. 8 Zalig de man, wiens zonde de Here geenszins zal toerekenen. 9 Geldt deze zaligspreking dan de besnedene of ook de onbesnedene? Wij zeggen immers: Het geloof werd Abraham tot gerechtigheid gerekend. 10 Hoe werd het hem dan toegerekend? Was hij toen besneden of onbesneden? Niet besneden, maar onbesneden. 11 En het teken der besnijdenis ontving hij als het zegel der gerechtigheid van dat geloof, dat hij in zijn onbesneden staat bezat. Zo kon hij een vader zijn van alle onbesneden gelovigen, opdat hun [de] gerechtigheid zou worden toegerekend, 12 en een vader van de besnedenen, voor hen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook treden in het voetspoor van het geloof, dat onze vader Abraham in zijn onbesneden staat bezat.

14 april

Psalm 331 Jubelt, gij rechtvaardigen, in de Here, een lofzang betaamt de oprechten. 2 Looft de Here met de citer, psalmzingt Hem met de tiensnarige harp. 3 Zingt Hem een nieuw lied, speelt schoon op de snaren onder geschal. 4 Want des Heren woord is waarachtig, al zijn werk geschiedt in trouw; 5 Hij heeft gerechtigheid en recht lief, de aarde is vol van de goedertierenheid des Heren. 6 Door het woord des Heren zijn de hemelen gemaakt, door de adem van zijn mond al hun heer. 7 Hij verzamelt het water der zee als een dam, Hij legt watervloeden in schatkamers op. 8 De ganse aarde vreze voor de Here, al de bewoners der wereld moeten voor Hem ontzag hebben. 9 Want Hij sprak en het was er, Hij gebood en het stond er. 10 De Here verbreekt de raad der volken, Hij verijdelt de gedachten der natiën; 11 de raad des Heren houdt eeuwig stand, de gedachten zijns harten van geslacht tot geslacht. 12 Welzalig het volk, welks God de Here is, de natie, die Hij Zich ten erfdeel koos. 13 De Here schouwt uit de hemel, Hij slaat alle mensenkinderen gade; 14 uit zijn woonplaats ziet Hij naar alle bewoners der aarde, 15 Hij, die hun aller harten vormt, die al hun werken doorgrondt. 16 Geen koning wordt behouden door een machtig leger, geen held wordt gered door geweldige kracht; 17 het paard faalt ter overwinning, en doet niet ontkomen door zijn geweldige sterkte. 18 Zie, des Heren oog is op hen die Hem vrezen, die op zijn goedertierenheid hopen, 19 om hun ziel van de dood te redden, en hen in het leven te houden in hongersnood. 20 Onze ziel verwacht de Here, Hij is onze hulp en ons schild. 21 Ja, in Hem verheugt zich ons hart, ja, op zijn heilige naam vertrouwen wij. 22 Uw goedertierenheid, Here, zij over ons, gelijk wij op U hopen.

Deze Psalm is een machtig loflied, dat meteen inzet met de oproep om God te loven. Waarom? Omdat Gods Woord waarachtig is en Zijn werken getuigen van Zijn goedertierenheid en trouw. De HEERE is de God van de schepping. Hij sprak, en het was er; Hij gebood, en het stond er. Maar Gods macht beperkt zich niet tot het verleden. Hij bestuurt tot op de dag van vandaag de hele wereldgeschiedenis. Koningen en andere machthebbers bedenken wel allerlei plannen, maar de HEERE verbreekt de raad der volken. Alleen Zijn raad houdt eeuwig stand. Hoe troostrijk is dat voor de kerk! Te midden van een onrustige wereld is de blik van de HEERE gericht op degenen die Hem vrezen, op degenen die hopen op Zijn goedertierenheid. Het Nieuwe Testament wijst op Degene door Wie God alles geschapen heeft: het vleesgeworden Woord, Jezus Christus. In Hem schittert Gods goedertierenheid over ons. Geen aards leger of wapengeweld kan onze ziel van de dood redden. Alleen Christus kan dat. Hij is onze hulp en ons schild. Laten we Hem dus niet verachten maar verwachten, op Hem hopend en vertrouwend.

Verder lezen: Johannes 1:1-141 In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. 2 Dit was in den beginne bij God. 3 Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. 4 In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; 5 en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen. 6 Er trad een mens op, van God gezonden, wiens naam was Johannes; 7 deze kwam als getuige om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden. 8 Hij was het licht niet, maar was om te getuigen van het licht. 9 Het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld. 10 Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend. 11 Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. 12 Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; 13 die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn. 14 Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid.

15 april

Psalm 341 Van David, toen hij zich bij Abimelek als een waanzinnige gedroeg, zodat deze hem wegjoeg, en hij heenging. 2 Ik wil de Here te allen tijde prijzen, bestendig zij zijn lof in mijn mond. 3 In de Here beroeme zich mijn ziel; laten de ootmoedigen het horen en zich verheugen. 4 Maakt met mij de Here groot, en laat ons tezamen zijn naam verheffen. 5 Ik zocht de Here en Hij antwoordde mij, Hij redde mij uit al mijn verschrikkingen. 6 Zij schouwen naar Hem en stralen van vreugde, en hun aangezicht zal niet schaamrood worden. 7 Deze ellendige hier riep en de Here hoorde, Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden. 8 De Engel des Heren legert Zich rondom wie Hem vrezen, en redt hen. 9 Smaakt en ziet, dat de Here goed is; welzalig de man die bij Hem schuilt. 10 Vreest de Here, gij, zijn heiligen, want wie Hem vrezen, hebben geen gebrek. 11 Jonge leeuwen lijden ontbering en honger, maar wie de Here zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed. 12 Komt, kinderen, luistert naar mij, ik zal u de vreze des Heren leren. 13 Wie is de man die het leven begeert, vele dagen wenst om het goede te genieten? 14 Bewaar uw tong voor het kwade en uw lippen voor het spreken van bedrog; 15 wijk van het kwade en doe het goede, zoek de vrede en jaag die na. 16 De ogen des Heren zijn op de rechtvaardigen, en zijn oren tot hun hulpgeroep; 17 het aangezicht des Heren is tegen hen die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien. 18 Roepen zij, dan hoort de Here, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden. 19 De Here is nabij de gebrokenen van hart en Hij verlost de verslagenen van geest. 20 Talrijk zijn de rampen van de rechtvaardige, maar uit die alle redt hem de Here; 21 Hij behoedt al zijn beenderen, niet één daarvan wordt gebroken. 22 Het onheil doodt de goddeloze, en wie de rechtvaardige haten, zullen ervoor boeten. 23 De Here verlost de ziel van zijn knechten, allen die bij Hem schuilen, zullen niet boeten.

David dichtte Psalm 341 Van David, toen hij zich bij Abimelek als een waanzinnige gedroeg, zodat deze hem wegjoeg, en hij heenging. 2 Ik wil de Here te allen tijde prijzen, bestendig zij zijn lof in mijn mond. 3 In de Here beroeme zich mijn ziel; laten de ootmoedigen het horen en zich verheugen. 4 Maakt met mij de Here groot, en laat ons tezamen zijn naam verheffen. 5 Ik zocht de Here en Hij antwoordde mij, Hij redde mij uit al mijn verschrikkingen. 6 Zij schouwen naar Hem en stralen van vreugde, en hun aangezicht zal niet schaamrood worden. 7 Deze ellendige hier riep en de Here hoorde, Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden. 8 De Engel des Heren legert Zich rondom wie Hem vrezen, en redt hen. 9 Smaakt en ziet, dat de Here goed is; welzalig de man die bij Hem schuilt. 10 Vreest de Here, gij, zijn heiligen, want wie Hem vrezen, hebben geen gebrek. 11 Jonge leeuwen lijden ontbering en honger, maar wie de Here zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed. 12 Komt, kinderen, luistert naar mij, ik zal u de vreze des Heren leren. 13 Wie is de man die het leven begeert, vele dagen wenst om het goede te genieten? 14 Bewaar uw tong voor het kwade en uw lippen voor het spreken van bedrog; 15 wijk van het kwade en doe het goede, zoek de vrede en jaag die na. 16 De ogen des Heren zijn op de rechtvaardigen, en zijn oren tot hun hulpgeroep; 17 het aangezicht des Heren is tegen hen die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien. 18 Roepen zij, dan hoort de Here, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden. 19 De Here is nabij de gebrokenen van hart en Hij verlost de verslagenen van geest. 20 Talrijk zijn de rampen van de rechtvaardige, maar uit die alle redt hem de Here; 21 Hij behoedt al zijn beenderen, niet één daarvan wordt gebroken. 22 Het onheil doodt de goddeloze, en wie de rechtvaardige haten, zullen ervoor boeten. 23 De Here verlost de ziel van zijn knechten, allen die bij Hem schuilen, zullen niet boeten. nadat hij was ontsnapt aan de hand van koning Abimelech. Gered uit de nood, roept hij allen op om samen met hem de HEERE groot te maken. David getuigt: "Ik zocht de HEERE en Hij antwoordde mij". David weet aan wie hij zijn bevrijding te danken heeft. En hij weet dat het gelovige gebed nooit tevergeefs is. Dat wie de HEERE vrezen, in wezen geen gebrek zullen lijden. De benauwdheden van de gelovige zijn weliswaar vele, maar de HEERE redt hem uit die alle. God bewaart de Zijnen. Zelfs hun beenderen worden beschermd; geen daarvan wordt gebroken. Deze specifieke belofte vond haar diepste vervulling in de Heere Jezus Christus. Toen Hij stierf aan het kruis, braken de Romeinse soldaten Zijn benen niet, precies zoals de Schrift had voorzegd. En door de kruisdood van Christus mogen wij weten van verlossing. Daarom is deze Psalm een enorme troost. God is altijd nabij de gebrokenen van hart. Als we ons aan Hem toevertrouwen, mogen we proeven van Zijn genade. Mogen we smaken en zien dat God oneindig goed is in Zijn Zoon. Wie bij Christus schuilt, zal nimmer beschaamd worden. Want Hij verlost de ziel van Zijn knechten.

Verder lezen: 1 Petrus 3:8-228 Ten slotte, weest allen eensgezind, medelijdend, hebt de broeders lief, weest barmhartig en ootmoedig, 9 en vergeldt geen kwaad met kwaad of laster met laster, maar zegent integendeel, wijl gij hiertoe geroepen zijt, dat gij zegen zoudt beërven. 10 Want: wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, weerhoude zijn tong van het kwade, en zijn lippen van bedrog te spreken; 11 hij wijke af van het kwade en doe het goede, hij zoeke de vrede en jage die na, 12 want de ogen des Heren zijn op de rechtvaardigen, en zijn oren tot hun smeking, maar het aangezicht des Heren is tegen hen, die het kwade doen. 13 En wie zal u kwaad doen, als gij u beijvert voor het goede? 14 Al moest gij lijden om de gerechtigheid, toch zijt gij zalig. Doch vreest niet voor hun dreiging, en laat u niet verschrikken. 15 Maar heiligt de Christus in uw harten als Here, altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop, die in u is, doch met zachtmoedigheid en vreze, 16 en met een goed geweten, opdat bij al het kwaad, dat men van u spreekt, zij, die uw goede wandel in Christus smaden, beschaamd gemaakt worden. 17 Want het is beter te lijden, indien de wil van God dit eist, goed doende dan kwaad doende. 18 Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou brengen: Hij, die gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de geest, 19 in welke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis, 20 die eertijds ongehoorzaam geweest waren, toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten, in de dagen van Noach, terwijl de ark in gereedheid werd gebracht, waarin weinigen, dat is acht zielen, door het water heen gered werden. 21 Als tegenbeeld daarvan redt u thans de doop, die niet is een afleggen van lichamelijke onreinheid, maar een bede van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus, 22 die aan de rechterhand Gods is, naar de hemel gegaan, terwijl engelen en machten en krachten Hem onderworpen zijn.

16 april

Psalm 351 Van David. Twist, Here, tegen wie met mij twisten, bestrijd wie mij bestrijden. 2 Grijp schild en rondas, sta op, mij ter hulpe, 3 zwaai speer en strijdbijl tegen mijn vervolgers, zeg tot mijn ziel: Ik ben uw verlossing. 4 Laten beschaamd en te schande worden wie mij naar het leven staan, laten terugdeinzen en schaamrood worden wie onheil tegen mij beramen. 5 Laten zij worden als kaf voor de wind, wanneer de Engel des Heren hen neerstoot; 6 hun weg zij duister en glibberig, wanneer de Engel des Heren hen achtervolgt; 7 want zonder oorzaak verborgen zij voor mij hun net, zonder oorzaak dolven zij een kuil voor mijn leven. 8 Moge het verderf over hem komen, zonder dat hij het merkt; het net, dat hij verborgen had, vange hemzelf, hij valle in het verderf. 9 Maar mijn ziel juicht in de Here, jubelt in zijn verlossing; 10 al mijn beenderen zeggen: Here, wie is als Gij, die de ellendige redt van wie sterker is dan hij, en de ellendige en de arme van wie hem berooft? 11 Misdadige getuigen staan op, zij vragen mij naar wat ik niet weet, 12 zij vergelden mij kwaad voor goed; ik word van kinderen beroofd. 13 Maar mij aangaande - toen zij ziek waren, was een rouwgewaad mijn kleed, ik verootmoedigde mij met vasten, en mijn gebed keerde in mijn boezem weder; 14 als gold het mijn vriend of mijn broeder, zo liep ik rond; in het zwart gaande als in rouw over een moeder, zo boog ik mij neder. 15 Doch toen ik strompelde verheugden zij zich en liepen te hoop; vechtlustigen, mij onbekend, liepen tegen mij te hoop; zij lasterden zonder ophouden. 16 Een kring van goddeloze spotters knarsten de tanden tegen mij. 17 Hoelang, Here, zult Gij toezien? Verlos toch mijn ziel van hun verwoestingen, mijn eenzame, van de jonge leeuwen. 18 Dan zal ik U loven in een grote gemeente, onder een geweldige schare U prijzen. 19 Dat mijn valse vijanden zich niet over mij verheugen, noch met de ogen knippen wie mij zonder oorzaak haten. 20 Waarlijk, van vrede spreken zij niet, en tegen de stillen in den lande beramen zij bedrieglijke dingen, 21 zij sperren hun mond open tegen mij, zij zeggen: Ha, ha! ons oog heeft het gezien. 22 Gij hebt het gezien, Here, zwijg niet; o Here, wees niet verre van mij. 23 Waak op en ontwaak voor mijn recht, voor mijn rechtsgeding, o mijn God en mijn Here. 24 Doe mij recht naar uw gerechtigheid, o Here, mijn God, dat zij zich niet over mij verheugen; 25 dat zij in hun hart niet zeggen: Ha! onze wens! dat zij niet zeggen: Wij hebben hem verslonden! 26 Laten tezamen beschaamd en schaamrood worden, wie zich verheugen over mijn rampspoed, laten met schande en smaad bekleed worden, wie tegen mij pralen. 27 Laten jubelen en zich verheugen, wie mijn rechtvaardiging begeren; dat zij bestendig zeggen: De Here is groot, die welgevallen heeft aan het heil van zijn knecht. 28 En mijn tong zal van uw gerechtigheid gewagen, van uw lof de ganse dag.

"Twist, HEERE, tegen wie met mij twisten, bestrijd wie mij bestrijden." David roept in deze Psalm om recht. Hij wordt onschuldig vervolgd. Mensen aan wie hij vriendschap had bewezen, keren zich nu als vijanden tegen hem. Ze vergelden hem kwaad voor goed. In het vervolgen van David, vervolgen zij ten diepste ook Davids grote Zoon. Daarom vraagt David of God Zijn wapenrusting wil aantrekken en voor hem wil strijden. Daarmee laat David het oordeel aan de volmaakt rechtvaardige Rechter. David neemt niet zelf wraak, maar legt zijn zaak in Gods handen. En dat is dus ten diepste de zaak van Christus. Die vers 1919 Dat mijn valse vijanden zich niet over mij verheugen, noch met de ogen knippen wie mij zonder oorzaak haten. betrok op Zichzelf: "Zij hebben Mij zonder reden gehaat" (Johannes 15:2525 Maar het woord moet vervuld worden, dat in hun wet geschreven is: Zij hebben Mij zonder reden gehaat.) Ondanks dat Christus het evangelie predikte en zieken genas, ontmoette Hij haat, spot en ten slotte het kruis. Toch sloeg Hij niet eigenmachtig terug. Hij liet Zijn zaak over aan Zijn hemelse Vader. En aan het kruis heeft Hij de allergrootste vijand, de satan, voorgoed overwonnen. Wie door een waar geloof met Hem verbonden is, weet dat de HEERE onze onoverwinnelijke Pleitbezorger is.

Verder lezen: Johannes 15:18-2718 Indien de wereld u haat, weet dan, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. 19 Indien gij van de wereld waart, zou de wereld het hare liefhebben, doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld uitgekozen heb, daarom haat u de wereld. 20 Gedenkt het woord, dat Ik tot u gesproken heb: Een slaaf staat niet boven zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren. 21 Maar dit alles zullen zij u aandoen om mijn naam, want zij kennen Hem niet, die Mij gezonden heeft. 22 Indien Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, zij zouden geen zonde hebben, maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. 23 Wie Mij haat, haat ook mijn Vader. 24 Indien Ik niet de werken onder hen gedaan had, die niemand anders gedaan heeft, zouden zij geen zonde hebben; maar nu hebben zij, hoewel zij ze gezien hebben, toch Mij en mijn Vader gehaat. 25 Maar het woord moet vervuld worden, dat in hun wet geschreven is: Zij hebben Mij zonder reden gehaat. 26 Wanneer de Trooster komt, die Ik u zenden zal van de Vader, de Geest der Waarheid, die van de Vader uitgaat, zal deze van Mij getuigen; 27 en gij moet ook getuigen, want gij zijt van het begin aan met Mij.

17 april

Deze Psalm tekent het scherpe contrast tussen diepgevallen zondaren en de hoogverheven God. Allereerst wordt de goddeloosheid van de zondige mens ontleed. De zondaar vleit zichzelf, kent geen vreze Gods, spreekt leugens en bedenkt onrecht. Het is een duidelijke spiegel die ons de verdorvenheid van het

zondige hart laat zien. Maar dan, in het hart van de Psalm, richt David het oog omhoog. "HEERE, hemelhoog is Uw goedertierenheid." Tegenover de donkere zonde van de mens staat de stralende trouw van God. Gods gerechtigheid staat vast als de bergen, Zijn oordelen zijn diep als de zee. Mens en dier verlost Hij met macht. Bij Hem valt dan ook te schuilen. Bij God is de bron des levens; in Zijn licht zien wij het licht. En dan denken we vooral ook aan Christus: Hij is het Licht der wereld. Wie van Zijn water drinkt, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid. Hij laaft ons in Zijn kerk met het vette van Gods huis!

Verder lezen: Johannes 4:1-141 Toen nu de Here vernam, dat de Farizeeën gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes, 2 - ofschoon Jezus niet zelf doopte, maar zijn discipelen - 3 verliet Hij Judea en vertrok weder naar Galilea. 4 En Hij moest door Samaria gaan. 5 Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, dicht bij het veld, dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had; daar was de bron van Jakob. 6 Jezus nu was vermoeid van de tocht en bleef zo bij de bron zitten; het was ongeveer het zesde uur. 7 Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zeide tot haar: Geef Mij te drinken. 8 Want zijn discipelen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen. 9 De Samaritaanse vrouw dan zeide tot Hem: Hoe kunt Gij, als Jood, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen? [Want Joden gaan niet om met Samaritanen.] 10 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij wist van de gave Gods en wie het is, die tot u zegt: Geef Mij te drinken, gij zoudt het Hem gevraagd hebben en Hij zou u levend water hebben gegeven. 11 Zij zeide tot Hem: Here, Gij hebt geen emmer en de put is diep; hoe komt Gij dan aan het levende water? 12 Zijt Gij soms meer dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven en zelf eruit gedronken heeft met zijn zonen en zijn kudden? 13 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal weder dorst krijgen; 14 maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven.

18 april

Psalm 371 Van David. Wees niet afgunstig op de bedrijvers van ongerechtigheid, benijd niet wie onrecht plegen; 2 want zij verdorren snel als het gras, en verwelken als het groene kruid. 3 Vertrouw op de Here en doe het goede, woon in het land en betracht getrouwheid; 4 verlustig u in de Here; dan zal Hij u geven de wensen van uw hart. 5 Wentel uw weg op de Here en vertrouw op Hem, en Hij zal het maken; 6 Hij zal uw gerechtigheid doen opgaan als het licht, en uw recht als de middag. 7 Wees stil voor de Here en verbeid Hem; wees niet afgunstig op wie zijn weg voorspoedig maakt, op de man die boze plannen smeedt. 8 Sta af van toorn en laat de grimmigheid varen, wees niet afgunstig - dat sticht louter kwaad. 9 Want boosdoeners worden uitgeroeid, maar wie de Here verwachten, zij zullen het land beërven. 10 Immers nog een wijle, en de goddeloze is niet meer; als gij let op zijn plaats, dan is hij niet meer; 11 maar de ootmoedigen beërven het land en verlustigen zich in grote vrede. 12 De goddeloze smeedt boze plannen tegen de rechtvaardige en knarst de tanden tegen hem; 13 de Here belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt. 14 De goddelozen ontbloten het zwaard en spannen hun boog, om ellendigen en armen neer te vellen, om de oprechten van wandel te slachten; 15 hun zwaard zal in hun eigen hart dringen, en hun bogen zullen verbroken worden. 16 Beter is het weinige van de rechtvaardige dan de rijkdom van vele goddelozen; 17 want de armen der goddelozen worden verbroken, maar de Here schraagt de rechtvaardigen. 18 De Here kent de dagen der vromen, en hun erfdeel zal voor altoos bestaan; 19 in boze tijd zullen zij niet beschaamd worden, in dagen van hongersnood zullen zij verzadigd worden. 20 Voorwaar, de goddelozen gaan te gronde, de vijanden des Heren zijn als de pracht der landouwen: zij vergaan, in rook vergaan zij. 21 De goddeloze vraagt te leen en geeft niet terug, maar de rechtvaardige ontfermt zich en schenkt. 22 Voorwaar, de door Hem gezegenden beërven het land, maar de door Hem gevloekten worden uitgeroeid. 23 Door de Here worden de schreden van de man bevestigd, aan wiens weg Hij welgevallen heeft; 24 wanneer hij valt, stort hij niet neder, want de Here schraagt zijn hand. 25 Jong ben ik geweest, ook ben ik oud geworden, maar - een rechtvaardige heb ik niet verlaten gezien, noch zijn nageslacht zoekende brood; 26 te allen tijde ontfermt hij zich en leent uit, en zijn nageslacht is tot een zegen. 27 Wijk van het kwade en doe het goede, dan zult gij voor altoos wonen; 28 want de Here bemint het recht, en Hij verlaat zijn gunstgenoten niet. Voor altoos blijven zij bewaard, maar het nageslacht der goddelozen wordt uitgeroeid. 29 De rechtvaardigen beërven het land en wonen daarin voor immer. 30 De mond van de rechtvaardige gewaagt van wijsheid, zijn tong spreekt het recht; 31 de wet van zijn God is in zijn hart, zijn schreden wankelen niet. 32 De goddeloze loert op de rechtvaardige en zoekt hem te doden; 33 de Here geeft hem in zijn hand niet over, Hij laat niet toe, dat hij veroordeeld wordt, als hij voor het gericht komt. 34 Wacht op de Here en bewaar zijn weg, dan zal Hij u verhogen om het land te beërven, de uitroeiing van goddelozen zult gij met vreugde zien. 35 Ik zag een goddeloze, een geweldenaar, die zich uitbreidde als een weelderige woekerplant; 36 toen iemand voorbijging, zie, hij was niet meer, ik zocht hem, maar hij was niet te vinden. 37 Sla de vrome gade en zie op de oprechte, want de man des vredes heeft nakroost; 38 maar de overtreders worden tezamen verdelgd, het nakroost van de goddelozen wordt uitgeroeid. 39 Doch het heil der rechtvaardigen is van de Here, hun schutse ten tijde der benauwdheid; 40 de Here helpt hen en doet hen ontkomen, Hij doet hen ontkomen aan de goddelozen en verlost hen, want zij schuilen bij Hem.

"Wees niet afgunstig op de bedrijvers van ongerechtigheid". Het is een herkenbare beproeving die in deze Psalm onze aandacht vraagt. Soms lijkt het alsof de goddelozen in alles voorspoedig zijn, terwijl de rechtvaardigen slechts verdrukking ervaren. David roept ons vermanend op om ons daar niet door te laten ontmoedigen. Want de voorspoed van de wereld is slechts tijdelijk; goddelozen zullen verdorren als gras. Wat ons daarentegen wel te doen staat, is vertrouwen op de HEERE. In plaats van ons blind te staren op het onrecht om ons heen, moeten wij hopen op God. Want Hij regeert. En Hij belooft dat de zachtmoedigen de aarde zullen beërven. Diezelfde rijke belofte horen wij opnieuw uit de mond van de Heere Jezus in Zijn bergrede. Christus Zelf is de volmaakte Zachtmoedige, die niet met het zwaard Zijn koninkrijk stichtte, maar door Zijn bittere lijden en sterven aan het kruis. In Hem hebben wij een eeuwige, onvergankelijke erfenis. Wie bij Hem schuilt, vindt verlossing. Wacht daarom op de HEERE, en bewaar Zijn weg!

Verder lezen: Matteüs 5:1-121 Toen Hij nu de scharen zag, ging Hij de berg op en nadat Hij Zich had nedergezet, kwamen zijn discipelen tot Hem. 2 En Hij opende zijn mond en leerde hen, zeggende: 3 Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen. 4 Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden. 5 Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven. 6 Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. 7 Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden. 8 Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien. 9 Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden. 10 Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen. 11 Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil. 12 Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten vóór u vervolgd.

19 april

Psalm 381 Een psalm van David. Bij het gedenkoffer. 2 Here, straf mij niet in uw toorn, en kastijd mij niet in uw grimmigheid; 3 want uw pijlen zijn op mij nedergekomen, uw hand is op mij neergedaald. 4 Niets is meer gezond aan mijn vlees vanwege uw gramschap, niets is heel aan mijn gebeente vanwege mijn zonde; 5 want mijn ongerechtigheden zijn over mijn hoofd gegaan, als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden. 6 Mijn wonden stinken, zij etteren vanwege mijn verdwaasdheid; 7 ik ben gebogen, zeer diep gebukt, ik ga de ganse dag in het zwart. 8 Want mijn lendenen zijn vol ontsteking, niets is meer gezond aan mijn vlees; 9 ik ben uitgeput, volslagen verbrijzeld, ik brul het uit vanwege het bonzen van mijn hart. 10 Here, al mijn verlangen ligt voor U open, mijn zuchten is voor U niet verborgen; 11 mijn hart slaat hevig, mijn kracht begeeft mij, zelfs het licht van mijn ogen moet ik missen. 12 Mijn vrienden en bekenden staan afzijdig van mijn plaag, zelfs mijn verwanten staan van verre. 13 Wie mij naar het leven staan, spannen mij strikken, wie mijn onheil begeren, spreken van verderf, en zinnen de ganse dag op bedrog. 14 Maar ik ben als een dove, ik hoor niet, als een stomme, die zijn mond niet open doet; 15 ja, ik ben als een man die niet hoort, en in wiens mond geen verweer is. 16 Want op U, Here, hoop ik; Gij immers zult antwoorden, Here, mijn God. 17 Want ik dacht: Als zij zich maar niet over mij verheugen, niet tegen mij snoeven bij het wankelen van mijn voet. 18 Ja, ik dreig te struikelen, en mijn smart staat mij bestendig voor ogen; 19 want ik belijd mijn ongerechtigheid, ik ben bekommerd vanwege mijn zonde. 20 Mijn vijanden echter leven, zij zijn machtig, talrijk zijn zij, die mij trouweloos haten, 21 zij, die mij kwaad voor goed vergelden en mij wederstaan, omdat ik het goede najaag. 22 Here, verlaat mij niet, mijn God, wees niet verre van mij! 23 Haast U, mij ter hulpe, Here, mijn heil.

We lezen hier het gebed van een man die zwaar beproefd wordt. David lijdt: hij is ernstig ziek, zijn wonden etteren, hij is uitgeput en zijn vrienden houden zich op afstand. Maar het zwaarst weegt hem zijn geestelijke nood. David beseft dat zijn ellende alles te maken heeft met zijn zonde. “Niets is heel aan mijn gebeente vanwege uw gramschap, niets is heel aan mijn gebeente vanwege mijn zonde”.

David belijdt dan ook schuld. Dat is een pijnlijke, maar heilzame weg. Want wie zijn zonden over het hoofd ziet, kan rekenen op het onheil dat David door zijn vijanden wordt toegewenst. David echter gaat met zijn zonden naar de HEERE. "Want op U, HEERE, hoop ik". En hoe zwaar David het er ook mee heeft, er zou Eén komen Die een nog veel zwaardere last zou dragen. Onze Heere Jezus Christus werd bespot, door Zijn discipelen verlaten en met onze zonden beladen. Jesaja profeteerde al: "Onze ziekten heeft Hij op Zich genomen en onze smarten gedragen." Door Zijn striemen is er voor ons geestelijke genezing. Door Zijn lijden in onze plaats zoeken wij nooit tevergeefs ons heil bij de HEERE. Want Hij ís ons heil, zo mogen we het David nazeggen.

Verder lezen: Jesaja 53:1-121 Wie gelooft, wat wij gehoord hebben, en aan wie is de arm des Heren geopenbaard? 2 Want als een loot schoot hij op voor zijn aangezicht, en als een wortel uit dorre aarde; hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd. 3 Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht. 4 Nochtans, onze ziekten heeft hij op zich genomen, en onze smarten gedragen; wij echter hielden hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte. 5 Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden. 6 Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de Here heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen. 7 Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open. 8 Hij is uit verdrukking en gericht weggenomen, en wie onder zijn tijdgenoten bedacht, dat hij is afgesneden uit het land der levenden? Om de overtreding van mijn volk is de plaag op hem geweest. 9 En men stelde zijn graf bij de goddelozen; bij de rijke was hij in zijn dood, omdat hij geen onrecht gedaan heeft en geen bedrog in zijn mond is geweest. 10 Maar het behaagde de Here hem te verbrijzelen. Hij maakte hem ziek. Wanneer hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zien en een lang leven hebben en het voornemen des Heren zal door zijn hand voortgang hebben. 11 Om zijn moeitevol lijden zal hij het zien tot verzadiging toe; door zijn kennis zal mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, en hun ongerechtigheden zal hij dragen. 12 Daarom zal Ik hem een deel geven onder velen en met machtigen zal hij de buit verdelen, omdat hij zijn leven heeft uitgegoten in de dood, en onder de overtreders werd geteld, terwijl hij toch veler zonden gedragen en voor de overtreders gebeden heeft.

20 april

Psalm 391 Voor de koorleider. Voor Jedutun. Een psalm van David. 2 Ik had gedacht: ik wil mijn wegen bewaren, opdat ik niet zondige met mijn tong; ik wil mijn mond met een muilband bedwingen, zolang de goddeloze voor mij staat. 3 Ik was verstomd, sprakeloos, ik zweeg, verstoken van het goede; maar mijn smart werd heviger, 4 mijn hart gloeide in mijn binnenste, bij mijn verzuchting laaide vuur op; ik sprak met mijn tong - 5 Laat mij, Here, mijn einde kennen, en welke de maat van mijn dagen is; laat mij weten, hoe vergankelijk ik ben. 6 Zie, Gij hebt mijn dagen als enige handbreedten gesteld, mijn levensduur is als niets voor U; ja, ieder mens staat daar, enkel een ademtocht. sela 7 Ja, de mens gaat daarheen als een schaduw, ja, als een ademtocht suizen zij weg, zij garen bijeen en weten niet, wie het tot zich nemen zal. 8 En nu, wat verwacht ik, Here? Mijn hoop, die is op U. 9 Red mij van al mijn overtredingen, stel mij niet tot een smaad voor de dwaas. 10 Ik ben verstomd, ik doe mijn mond niet open, want Gij zelf hebt het gedaan. 11 Neem uw plaag van mij weg, ik bezwijk onder de bestrijding van uw hand. 12 Kastijdt Gij iemand met straffen om zijn ongerechtigheid, dan doet Gij zijn schoonheid teloorgaan als door een mot; immers is ieder mens een ademtocht. sela 13 Hoor mijn gebed, Here, en neem mijn hulpgeroep ter ore, zwijg niet bij mijn geween, want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner gelijk al mijn vaderen. 14 Wend uw blik van mij af, opdat ik mij wederom verblijde, eer dat ik heenga en niet meer ben.

David lijdt onder de goddeloosheid van zijn tegenstanders. Hij wil niet zondigen met zijn tong door kwaad te spreken, al heeft hij goede redenen om te getuigen van zijn onschuld tegenover hen. Helemaal zwijgen kan hij echter niet, en daarom spreekt hij tot de HEERE. David belijdt zijn vergankelijkheid, de korte duur van het leven hier op aarde, zeker in de ogen van de eeuwige God: “mijn levensduur is als niets voor U”. Daarom hoopt David ook niet op zichzelf, maar op de HEERE, en bidt hij God om verlossing van al zijn zonden en ellende. Tegelijkertijd wil hij geen grote mond opzetten tegen God, want David weet zich door Zijn hand gekastijd. Maar omdat die hand om Christus’ wil een Vaderhand is, mag David toch hopen op uitkomst. En kan hij vrijmoedig bidden of de HEERE zijn gebed wil horen en de straf wil doen ophouden. Opdat David zich weer kan verblijden in het leven op aarde met en voor de HEERE. En van nature moeten wij het David nazeggen: “ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner”, maar door Christus hebben wij toegang tot de Vader, en zijn wij “geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods”.

Verder lezen: Efeziërs 2:11-2211 Bedenkt daarom dat gij, die vroeger heidenen waart naar het vlees, en onbesneden genoemd werdt door de zogenaamde besnijdenis, die werk van mensenhanden aan het vlees is, 12 dat gij te dien tijde zonder Christus waart, uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld. 13 Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen door het bloed van Christus. 14 Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, 15 doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, 16 en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft. 17 En bij zijn komst heeft Hij vrede verkondigd aan u, die veraf waart, en vrede aan hen, die dichtbij waren; 18 want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader. 19 Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, 20 gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is. 21 In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here, 22 in wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.

21 april

Psalm 401 Voor de koorleider. Van David. Een psalm. 2 Vurig verwachtte ik de Here; toen neigde Hij Zich tot mij en hoorde mijn hulpgeroep, 3 Hij trok mij op uit de kuil van het verderf, uit het slijk van de modderpoel; Hij stelde mijn voeten op een rots, mijn schreden maakte Hij vast, 4 Hij gaf mij een nieuw lied in de mond, een lofzang aan onze God. Mogen velen het zien en vrezen, en op de Here vertrouwen. 5 Welzalig de man, die de Here tot zijn vertrouwen heeft gesteld, die zich niet wendt tot de hovaardigen, noch tot hen die naar leugen afdwalen. 6 Talrijk hebt Gij gemaakt, o Here, mijn God, uw wonderen en uw gedachten jegens ons; niets is bij U te vergelijken. Wilde ik ze vermelden en uitspreken, te talrijk zijn zij om te noemen. 7 In slachtoffer en spijsoffer hebt Gij geen behagen, - Gij hebt mij geopende oren gegeven - , brandoffer en zondoffer hebt Gij niet gevraagd. 8 Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de boekrol is over mij geschreven; 9 ik heb lust om uw wil te doen, mijn God, uw wet is in mijn binnenste. 10 Ik verkondig de blijde mare van uw gerechtigheid in een grote gemeente; zie, mijn lippen weerhoud ik niet, Here, Gij weet het. 11 Uw gerechtigheid verberg ik niet in mijn hart, van uw trouw en uw heil spreek ik, uw goedertierenheid en uw waarheid verheel ik niet voor een grote gemeente. 12 Gij, Here, onthoud mij uw erbarming niet; uw goedertierenheid en uw waarheid mogen mij bestendig bewaren. 13 Want rampen omgeven mij, zonder getal; mijn ongerechtigheden hebben mij achterhaald, ik kan ze niet overzien; zij zijn talrijker dan de haren van mijn hoofd, en mijn hart is mij ontzonken. 14 Het behage U, Here, mij te redden; Here, haast U mij ter hulpe. 15 Laten tezamen beschaamd en schaamrood worden, wie mij het leven zoeken te benemen; terugdeinzen en te schande worden, wie mijn onheil begeren. 16 Laten verstommen van schaamte, wie over mij roepen: Ha, ha! 17 Laten in U jubelen en zich verheugen allen die U zoeken; laten wie uw heil liefhebben, bestendig zeggen: De Here is groot! 18 Al ben ik ellendig en arm, de Here gedenkt mijner. Gij zijt mijn hulp en mijn bevrijder; o, mijn God, vertoef niet.

Geduldig wachten op de HEERE is vaak het moeilijkste wat er is. Toch getuigt David in Psalm 401 Voor de koorleider. Van David. Een psalm. 2 Vurig verwachtte ik de Here; toen neigde Hij Zich tot mij en hoorde mijn hulpgeroep, 3 Hij trok mij op uit de kuil van het verderf, uit het slijk van de modderpoel; Hij stelde mijn voeten op een rots, mijn schreden maakte Hij vast, 4 Hij gaf mij een nieuw lied in de mond, een lofzang aan onze God. Mogen velen het zien en vrezen, en op de Here vertrouwen. 5 Welzalig de man, die de Here tot zijn vertrouwen heeft gesteld, die zich niet wendt tot de hovaardigen, noch tot hen die naar leugen afdwalen. 6 Talrijk hebt Gij gemaakt, o Here, mijn God, uw wonderen en uw gedachten jegens ons; niets is bij U te vergelijken. Wilde ik ze vermelden en uitspreken, te talrijk zijn zij om te noemen. 7 In slachtoffer en spijsoffer hebt Gij geen behagen, - Gij hebt mij geopende oren gegeven - , brandoffer en zondoffer hebt Gij niet gevraagd. 8 Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de boekrol is over mij geschreven; 9 ik heb lust om uw wil te doen, mijn God, uw wet is in mijn binnenste. 10 Ik verkondig de blijde mare van uw gerechtigheid in een grote gemeente; zie, mijn lippen weerhoud ik niet, Here, Gij weet het. 11 Uw gerechtigheid verberg ik niet in mijn hart, van uw trouw en uw heil spreek ik, uw goedertierenheid en uw waarheid verheel ik niet voor een grote gemeente. 12 Gij, Here, onthoud mij uw erbarming niet; uw goedertierenheid en uw waarheid mogen mij bestendig bewaren. 13 Want rampen omgeven mij, zonder getal; mijn ongerechtigheden hebben mij achterhaald, ik kan ze niet overzien; zij zijn talrijker dan de haren van mijn hoofd, en mijn hart is mij ontzonken. 14 Het behage U, Here, mij te redden; Here, haast U mij ter hulpe. 15 Laten tezamen beschaamd en schaamrood worden, wie mij het leven zoeken te benemen; terugdeinzen en te schande worden, wie mijn onheil begeren. 16 Laten verstommen van schaamte, wie over mij roepen: Ha, ha! 17 Laten in U jubelen en zich verheugen allen die U zoeken; laten wie uw heil liefhebben, bestendig zeggen: De Here is groot! 18 Al ben ik ellendig en arm, de Here gedenkt mijner. Gij zijt mijn hulp en mijn bevrijder; o, mijn God, vertoef niet. dat dit wachten nooit tevergeefs is. God neigde Zich tot hem, trok hem uit de kuil van het verderf, en stelde zijn voeten op een stevige rots. En het heil dat God schenkt vraagt om een loflied, door God Zelf in de mond gelegd. Maar het gaat nog dieper. In deze Psalm spreekt de Heilige Geest profetisch over de komst van de Christus. De oudtestamentische dierenoffers konden de zonden nooit daadwerkelijk wegnemen. Daarom zegt de eeuwige Zoon: "Zie, Ik kom; in de boekrol is over Mij geschreven. Ik heb lust om Uw wil te doen, mijn God". Christus werd mens om het enige volmaakte offer van Zijn lichaam te brengen. Hij volbracht de wil van de Vader tot het uiterste. Omdat Híj gehoorzaam Gods oordeel is ingegaan, worden onze voeten op de Rots gezet. Laat de volkomen zelfovergave van Christus om onze zaligheid ons steeds weer verwonderen. Opdat wij van harte meejuichen: "De HEERE is groot!"

Verder lezen: Hebreeën 10:1-181 Want daar de wet slechts een schaduw heeft der toekomstige goederen, niet de gestalte dier dingen zelf, is zij nimmer in staat ieder jaar met dezelfde offeranden, die onafgebroken gebracht worden, degenen, die toetreden, te volmaken. 2 Immers, zou anders het offeren daarvan niet opgehouden zijn, doordat degenen, die de dienst verrichten, na eenmaal gereinigd te zijn, generlei besef van zonden meer hadden? 3 Doch door die offeranden werden ieder jaar de zonden in gedachtenis gebracht; 4 want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren of bokken zonden zou wegnemen. 5 Daarom zegt Hij bij zijn komst in de wereld: Slachtoffer en offergave hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid; 6 in brandoffers en zondoffers hebt Gij geen welbehagen gehad. 7 Toen zeide Ik: zie, hier ben Ik - in de boekrol staat van Mij geschreven - om uw wil, o God, te doen. 8 In de aanhef zegt Hij: Slachtoffers en offergaven, brandoffers en zondoffers, hebt Gij niet gewild, noch daarin een welbehagen gehad, hoewel zij naar de wet gebracht worden. 9 (Doch) daarna heeft Hij gezegd: Zie, hier ben Ik om uw wil te doen. Hij heft het eerste op, om het tweede te laten gelden. 10 Krachtens die wil zijn wij eens voor altijd geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus. 11 Voorts staat elke priester dagelijks in zijn dienst om telkens dezelfde offers te brengen, die nimmer de zonden kunnen wegnemen; 12 deze echter is, na één offer voor de zonden te hebben gebracht, voor altijd gezeten aan de rechterhand van God, 13 voorts afwachtende, totdat zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor zijn voeten. 14 Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden. 15 En ook de heilige Geest geeft ons daarvan getuigenis, 16 want nadat Hij gezegd had: Dit is het verbond, waarmede Ik Mij aan hen verbinden zal na die dagen, zegt de Here: Ik zal mijn wetten in hun harten leggen, en die ook in hun verstand schrijven, 17 en hun zonden en ongerechtigheden zal Ik niet meer gedenken. 18 Waar dan voor deze dingen vergeving bestaat, is er geen zondoffer meer (nodig).

22 april

Deze laatste Psalm van het eerste Psalmboek begint met een zegenbede voor wie oog heeft voor de ellendige. David is zelf zo'n ellendige geworden. Hij is ziek of anderszins in nood. Zijn vijanden wensen hem dood. Maar de ergste pijn komt van een vriend: “Zelfs mijn vriend, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft zijn hiel tegen mij opgeheven.” Midden in deze ellende roept David om Gods genade: “Maar Gij, HEERE, wees mij genadig en richt mij op”. David pleit op Gods barmhartigheid, ondanks zijn eigen schuld, want hij belijdt het ronduit: “tegen U heb ik gezondigd”. En God houdt hem staande.

Deze Psalm wijst vooruit naar de grote Davidszoon. Christus Zelf zou wijzen op de vervulling van dit Schriftwoord met het oog op Judas, de discipel die Zijn brood at, maar Hem zou verraden. Christus kende als geen ander de bittere pijn van verraad door een vriend. Hij werd de allerellendigste, om ellendige zondaren als wij te verlossen. Omdat Christus voor ons verraden werd, worden wij uit al onze ellende verlost. Laten wij dan ook van harte instemmen met het slotakkoord van dit eerste Psalmboek: “Geloofd zij de Here, de God van Israël, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid. Amen, ja amen.”

Verder lezen: Johannes 13:18-3018 Ik spreek niet van u allen; Ik weet, wie Ik heb uitgekozen; maar het schriftwoord moet vervuld worden: Hij, die mijn brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven. 19 Thans reeds zeg Ik het u, eer het geschiedt, opdat gij, wanneer het geschiedt, gelooft, dat Ik het ben. 20 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie ontvangt, die Ik zend, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft. 21 Na deze woorden werd Jezus ontroerd in de geest en Hij getuigde en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: één van u zal Mij verraden. 22 De discipelen zagen elkander aan, in het onzekere, van wie Hij sprak. 23 Eén van de discipelen, dien Jezus liefhad, lag aan de boezem van Jezus; 24 hem dan gaf Simon Petrus een wenk en zeide tot hem: Zeg, wie het is, van wie Hij spreekt. 25 Deze, aanstonds zich aan de borst van Jezus werpende, zeide tot Hem: Here, wie is het? 26 Jezus dan antwoordde: Die is het, voor wie Ik het stuk brood indoop en wie Ik het geef. Hij doopte dan [het] stuk brood in en nam het en gaf het aan Judas, de zoon van Simon Iskariot. 27 En na dit stuk brood, toen voer de satan in hem. Jezus dan zeide tot hem: Wat gij doen wilt, doe het met spoed. 28 Maar niemand van de aanliggenden begreep, waartoe Hij hem dit zeide; 29 want sommigen meenden, dat Jezus, omdat Judas de kas hield, tot hem zeide: Koop wat wij nodig hebben voor het feest, of dat hij iets aan de armen moest geven. 30 Hij nam dan het stuk brood en vertrok terstond. En het was nacht.

23 april

“Troost, troost mijn volk”, beveelt de HEERE Zijn profeet. En dat na meerdere oordeelsaankondigingen in de vorige hoofdstukken. Gods volk zou om de eigen zonden in ballingschap worden weggevoerd. Hier echter schittert het licht van Gods genade. De HEERE spreekt tot het hart van Jeruzalem: haar lijdenstijd is volbracht, de ongerechtigheid is geboet. De straf is gedragen. Deze troostrijke boodschap ziet in eerste instantie op de terugkeer uit Babel, maar reikt nog veel verder. Het is een machtige profetie over de komst van onze Heere Jezus Christus, die straf droeg die wij met onze ongerechtigheid verdiend hadden. Met Zijn lijden en sterven heeft Hij betaald voor onze zonden. Het bevel om in de woestijn de weg des Heren te bereiden, is vervuld in het optreden van Johannes de Doper. Als een heraut kwam hij de weg voor de Koning banen. Jesaja wijst daarbij op onze nietigheid. Alle vlees is gras, wij mensen zijn zo vergankelijk als een veldbloem. Maar tegenover onze nietigheid staat de onwankelbare Rots: “het Woord van onze God houdt eeuwig stand”. Dat eeuwige Woord is vleesgeworden. In Christus openbaart God Zijn oneindige kracht. En tegelijk Zijn liefdevolle zorg. Want “Hij zal als een herder zijn kudde weiden”. Hij vergadert ons en draagt ons in Zijn schoot. Een machtige troost voor in zichzelf zwakke zondaren als wij!”

Verder lezen: Matteüs 3:1-121 In die dagen trad Johannes de Doper op en hij predikte in de woestijn van Judea, 2 en zeide: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. 3 Hij toch is het, van wie door de profeet Jesaja gesproken werd, toen hij zeide: De stem van een, die roept in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, maakt recht zijn paden. 4 Hij nu, Johannes, droeg een kleed van kameelhaar en een lederen gordel om zijn lendenen; en zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilde honing. 5 Toen liep Jeruzalem en heel Judea en de gehele Jordaanstreek tot hem uit, 6 en zij lieten zich in de rivier, de Jordaan, door hem dopen, onder belijdenis van hun zonden. 7 Toen hij nu zag, dat vele van de Farizeeën en Sadduceeën tot de doop kwamen, zeide hij tot hen: Adderengebroed, wie heeft u een wenk gegeven om de komende toorn te ontgaan? 8 Brengt dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt; 9 en beeldt u niet in, dat gij bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot vader, want ik zeg u, dat God bij machte is uit deze stenen Abraham kinderen te verwekken. 10 Reeds ligt de bijl aan de wortel der bomen: iedere boom dan, die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. 11 Ik doop u met water tot bekering, maar Hij, die na mij komt, is sterker dan ik; ik ben niet waardig Hem zijn schoenen na te dragen; die zal u dopen met de heilige Geest en met vuur. 12 De wan is in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer geheel zuiveren en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur.

24 april

Jesaja 40:12-3112 Wie mat de wateren met zijn holle hand, bepaalde de omvang der hemelen met een span, vatte met een maat het stof der aarde, woog de bergen met een waag en de heuvelen met een weegschaal? 13 Wie bestuurde de Geest des Heren en onderrichtte Hem als zijn raadsman? 14 Wie raadpleegde Hij, dat deze Hem inzicht zou geven, het rechte pad zou leren, kennis bijbrengen en de weg des verstands doen kennen? 15 Zie, volken zijn geacht als een druppel aan een emmer en als een stofje aan een weegschaal; zie, eilanden zijn als fijn stof, dat uitgestrooid wordt; 16 de Libanon is niet toereikend als brandhout, en zijn wild gedierte niet ten brandoffer. 17 Alle volken zijn als niets voor Hem, zij worden door Hem beschouwd als nietig en ijdel. 18 Met wie dan wilt gij God vergelijken en welke vergelijking op Hem toepassen? 19 Een vakman giet het beeld en een goudsmid overdekt het met goud en smeedt er zilveren ketenen voor. 20 Wie te arm is voor een wijgeschenk, kiest een stuk hout dat niet verrot; hij zoekt zich een kundige vakman om een beeld op te richten, dat niet wankelt. 21 Weet gij het niet? Hebt gij het niet gehoord? Is het u van de aanvang niet verkondigd? Hebt gij geen begrip van de grondvesten der aarde? 22 Hij troont boven het rond der aarde, en haar bewoners zijn als sprinkhanen; Hij breidt de hemel uit als een doek en spant hem uit als een tent waarin men woont. 23 Hij geeft de machthebbers over ter vernietiging, Hij maakt de regeerders der aarde tot ijdelheid; 24 nauwelijks zijn zij geplant, nauwelijks gezaaid, nauwelijks wortelt hun stek in de aarde, of Hij blaast reeds op hen, zodat zij verdorren, en een storm neemt ze op als stoppels. 25 Met wie dan wilt gij Mij vergelijken, dat Ik hem zou gelijk zijn? zegt de Heilige. 26 Heft uw ogen naar omhoog en ziet: wie heeft dit alles geschapen? Hij, die het heer daarvan in groten getale uitleidt en elk daarvan bij name roept door de grootheid zijner sterkte en omdat Hij geweldig van kracht is; er blijft niet één achter. 27 Waarom zegt gij, o Jakob, en spreekt, o Israël: mijn weg is voor de Here verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij? 28 Weet gij het niet, hebt gij het niet gehoord? Een eeuwig God is de Here, Schepper van de einden der aarde. Hij wordt noch moede noch mat, zijn verstand is niet te doorgronden. 29 Hij geeft de moede kracht en de machteloze vermeerdert Hij sterkte. 30 Jongelingen worden moede en mat, zelfs jonge mannen struikelen, 31 maar wie de Here verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat.

Jesaja bepaalt ons bij Gods majesteit. Bij Zijn macht en verhevenheid. Niemand is met de HEERE te vergelijken. Voor Hem zijn alle volken slechts als een druppel water. Elk aards machtsvertoon, en zeker ook het dwaze werk van afgodenmakers, valt in het niet bij de HEERE. Geen mens of mensenwerk kan zich meten met de soevereine God, die hemel en aarde heeft geschapen en nog altijd onderhoudt en regeert. Bovendien is Zijn wijsheid ondoorgrondelijk. Jesaja vraagt: “Wie bestuurde de Geest des Heren en onderrichtte Hem als zijn raadsman?” De apostel Paulus haalt deze woorden later tot twee keer toe aan om te roemen in Gods raad tot onze verlossing. Niemand van ons kan de Heere iets leren of aanreiken. Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen! Hoe dwaas is het dan om in benauwdheid te klagen: “Mijn weg is voor de Heere verborgen.” Alsof God de Zijnen zou vergeten! Hij ontfermt Zich juist over ons in onze nood. “Hij geeft de moede kracht en de machteloze vermeerdert Hij sterkte.” In Christus daalde God genadig af in onze machteloosheid. Onze eigen kracht schiet tekort, zelfs jonge mannen struikelen. Maar wie zijn heil zoekt bij Christus, ontvangt altijd kracht naar kruis.

Verder lezen: Romeinen 11:25-3625 Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, 26 en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden. 27 En dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem. 28 Zij zijn naar het evangelie vijanden om uwentwil, naar de verkiezing zijn zij geliefden om der vaderen wil. 29 Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk. 30 Want evenals gij eertijds aan God ongehoorzaam waart, maar nu ontferming hebt gevonden door hun ongehoorzaamheid, 31 zo zijn ook dezen nu ongehoorzaam geworden, opdat door de u betoonde ontferming ook zij thans ontferming zouden vinden. 32 Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen. 33 O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen! 34 Want: wie heeft de zin des Heren gekend? Of wie is Hem tot raadsman geweest? 35 Of wie heeft Hem eerst iets gegeven, waarvoor hij vergoeding ontvangen moet? 36 Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen.

25 april

God daagt de wereld voor het gericht. De HEERE vraagt de volken wie “de overwinnaar uit het oosten” heeft verwekt. Die overwinnaar is de latere Perzische koning Kores. Hij zal in Gods almachtige hand het instrument zijn om Babel te verslaan en Gods volk te bevrijden. Geen sterveling bewerkt dit, maar de HEERE, die soeverein regeert als Degene die de Eerste en de Laatste is. Hoe reageert de wereld op Gods wereldwijde oordelen? Met dwaze, zelfbedachte godsdienst. In plaats van zich te buigen voor de Rechter, zoekt men in blinde angst houvast bij zelfgemaakte afgoden. Men smeedt beelden en slaat die vast met spijkers, in de waan dat ze dan niet wankelen. Hier tekent Jesaja de dwaasheid van ons van nature door en door zondige hart. Als Gods gericht dreigt, proberen ook wij onszelf van nature overeind te houden door te leunen op eigen werken. Maar een zelfgemaakte god kan ons niet redden. Zoals God Kores verwekte voor een tijdelijke, aardse verlossing, zo zond Hij in de volheid van de tijd Zijn eniggeboren Zoon tot een eeuwige verlossing. De ware Overwinnaar, onze Heere Jezus Christus, liet Zich met spijkers aan het kruis nagelen om ons te verlossen. Wie door genade rust op Zijn volbrachte zoenoffer, dié zal niet wankelen in eeuwigheid.

Verder lezen: Jeremia 10:1-161 Hoort het woord, dat de Here tot u spreekt, huis van Israël! 2 Zó zegt de Here: Gewent u niet aan de weg der volken en schrikt niet voor de tekenen aan de hemel, omdat de volken daarvoor schrikken. 3 Want de handelwijze der volken, die is nietigheid: want als een stuk hout heeft men het uit het woud gehakt, - arbeid van werkmanshanden met de bijl - 4 met zilver en goud siert men het op, met spijkers en hamers maakt men het vast, zodat het niet waggelt. 5 Als een vogelverschrikker in een komkommerveld zijn zij, zij spreken niet, zij moeten beslist gedragen worden, want zij kunnen geen stap doen. Vreest voor hen niet, want zij doen geen kwaad, maar ook goeddoen is er bij hen niet. 6 Niemand is U gelijk, Here! groot zijt Gij en groot is uw naam in kracht! 7 Wie zou U niet vrezen, o Koning der volkeren? Want U komt het toe, want onder al de wijzen der volken en onder al hun koningen is niemand U gelijk! 8 Ja, met hen allen worden zij dom en dwaas, nietswaardige vermaning, hout is het. 9 Geplet zilver wordt uit Tarsis gebracht en goud uit Ufaz, het is het werk van de vakman en van de handen van de goudsmid, blauwpurper en roodpurper is hun gewaad; het werk van deskundigen zijn zij geheel en al. 10 Doch de Here is de waarachtige God, Hij is de levende God en een eeuwig Koning; voor zijn toorn beeft de aarde en de volken kunnen zijn gramschap niet verdragen. - 11 Zo zult gij tot hen zeggen: De goden, die de hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde en van onder de hemel. - 12 Hij maakt de aarde door zijn kracht, Hij bereidt de wereld toe door zijn wijsheid en breidt de hemel uit door zijn verstand. 13 Als Hij zijn stem doet horen, is er een geruis van water aan de hemel en doet Hij dampen opstijgen van het einde der aarde; bliksemen maakt Hij bij de regen, en wind doet hij voortkomen uit zijn voorraadkamers. 14 Verstomd staat ieder mens, zonder kennis; beschaamd staat iedere goudsmid om het beeld, want leugen is zijn gietsel en er is geen geest in hen; 15 nietigheid zijn zij, een bespottelijk maaksel; als aan hen bezoeking gedaan wordt, gaan zij teniet. 16 Maar Jakobs deel is niet als deze; Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de stam zijner erfenis: Here der heerscharen is zijn naam!—

26 april

Jesaja 41:8-208 Maar gij, Israël, mijn knecht, Jakob, die Ik verkoren heb, nakroost van mijn vriend Abraham, 9 gij, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde en geroepen uit haar uithoeken, tot wie Ik zeide: Gij zijt mijn knecht, Ik heb u verkoren en u niet versmaad - 10 vrees niet, want Ik ben met u; zie niet angstig rond, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met mijn heilrijke rechterhand. 11 Zie, allen die tegen u in woede ontstoken zijn, staan beschaamd en worden te schande; de mannen die u bestrijden, worden als niets en komen om; 12 gij zult hen zoeken, maar niet vinden, de mannen die u bestoken; zij worden als niets, ja vernietigd, de mannen die tegen u oorlog voeren. 13 Want Ik, de Here, uw God, grijp uw rechterhand vast; die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u. 14 Vrees niet, gij wormpje Jakob, gij volkje Israël! Ik ben het, die u help, luidt het woord des Heren, en uw Verlosser is de Heilige Israëls. 15 Zie, Ik stel u tot een scherpe, nieuwe dorsslede met dubbele sneden; gij zult bergen dorsen en verbrijzelen, en heuvelen zult gij tot kaf maken. 16 Gij zult ze wannen, en de wind zal ze opnemen en de storm zal ze verstrooien; maar gij zult juichen in de Here, u beroemen in de Heilige Israëls. 17 De ellendigen en de armen zoeken naar water, maar het is er niet, hun tong verdroogt van dorst; Ik, de Here, zal hen verhoren; Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten. 18 Ik zal op kale heuvels rivieren doen ontspringen en bronnen te midden der valleien; Ik zal de woestijn tot een waterplas maken en het dorre land tot waterbronnen. 19 Ik zal in de woestijn ceder, acacia, mirt en olijfwilg zetten; Ik zal in de wildernis cypres naast plataan en denneboom planten, 20 opdat men zie en tevens erkenne, bedenke en tevens begrijpe, dat de hand des Heren dit gedaan en de Heilige Israëls het geschapen heeft.

Anders dan de volken uit de vorige verzen, krijgt Gods volk de boodschap dat het niet hoeft te vrezen, omdat God met hen is. Israël wordt hier liefdevol aangesproken als Gods verkoren knecht en nakroost van Gods vriend Abraham. God herinnert Zijn volk aan hun genadige verkiezing door Hem. Wie door de HEERE geroepen is, wordt niet versmaad. “Ik ben met u; zie niet angstig rond, want Ik ben uw God.” Toch heeft Gods volk in zichzelf niets om op te roemen. De HEERE noemt Israël “wormpje Jakob”. Een worm is zwak, weerloos en wordt maar zo vertrapt. En dat tekent precies wat wij van nature zijn: volkomen machteloos, ellendig en dorstig. Maar juist voor zúlke mensen is er redding. God neemt ons bij de hand. Hij stelt dat zwakke wormpje tot een scherpe dorsslede om bergen van tegenstand te verbrijzelen. En dat in en door onze Heere Jezus Christus. Híj is Gods volmaakte Knecht, die voor ons aan het kruis als een worm en geen man werd (Psalm 22:77 Maar ik ben een worm en geen man, een smaad voor de mensen en veracht door het volk.). Door het volbrachte zoenoffer van deze Immanuël is God eeuwig met ons. Hij laat ons niet van geestelijke dorst omkomen, maar schenkt stromen van levend water in de dorre woestijn van ons leven. Waar Christus door Zijn Geest werkt, verandert de wildernis in een vruchtbaar land. Opdat wij dankbaar belijden: de hand des HEREN heeft dit gedaan!

Verder lezen: Johannes 4:1-151 Toen nu de Here vernam, dat de Farizeeën gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes, 2 - ofschoon Jezus niet zelf doopte, maar zijn discipelen - 3 verliet Hij Judea en vertrok weder naar Galilea. 4 En Hij moest door Samaria gaan. 5 Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, dicht bij het veld, dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had; daar was de bron van Jakob. 6 Jezus nu was vermoeid van de tocht en bleef zo bij de bron zitten; het was ongeveer het zesde uur. 7 Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zeide tot haar: Geef Mij te drinken. 8 Want zijn discipelen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen. 9 De Samaritaanse vrouw dan zeide tot Hem: Hoe kunt Gij, als Jood, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen? [Want Joden gaan niet om met Samaritanen.] 10 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij wist van de gave Gods en wie het is, die tot u zegt: Geef Mij te drinken, gij zoudt het Hem gevraagd hebben en Hij zou u levend water hebben gegeven. 11 Zij zeide tot Hem: Here, Gij hebt geen emmer en de put is diep; hoe komt Gij dan aan het levende water? 12 Zijt Gij soms meer dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven en zelf eruit gedronken heeft met zijn zonen en zijn kudden? 13 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal weder dorst krijgen; 14 maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven. 15 De vrouw zeide tot Hem: Here, geef mij dit water, opdat ik geen dorst heb en niet hierheen behoef te gaan om te putten.—

27 april

We zien hier opnieuw een rechtszaak van de hemelse Rechter, nu niet tegen de volken, maar tegen hun afgoden. Als de grote Koning van Jakob daagt de HEERE die afgoden uit bekend te maken wat de toekomst brengen zal. Laten zij op z’n minst íéts doen, goed of kwaad. Maar zelfs dat kunnen ze niet. Want afgoden kunnen helemaal niets. Wie op ze vertrouwt, is dan ook een gruwel voor God. En nu moeten we niet denken dat dit ver van ons afstaat. Want ook als wij geen afgodsbeelden gieten, ligt de zonde van de afgoderij altijd op de loer. Ook wij stellen maar zo iets of iemand naast of boven God. We vertrouwen maar zo op ons eigen denken of doen. En maken daarvan dan onze afgoden. Maar afgoden kunnen ons niet verlossen of het leven geven. Alleen de HEERE kan dat. Hij deed Kores uit het noorden opstaan om Babel te verslaan. Alleen God wist dat van tevoren en kon het dan ook voorzeggen, tot troost van Zijn volk. Aan Jeruzalem beloofde Hij een vreugdebode te geven. En nog steeds zendt Hij in Zijn goedertierenheid verkondigers van de zeer blijde boodschap van verlossing door Christus. Wie wegblijft bij levenloze afgodsbeelden en schuilt bij deze levende Zaligmaker, houdt zich niet bezig met wind en ijdelheid maar vindt eeuwige zaligheid.

Verder lezen: 1 Koningen 18:20-3920 Daarop zond Achab heen onder alle Israëlieten en riep de profeten naar de berg Karmel bijeen. 21 Toen naderde Elia tot het gehele volk en zeide: Hoelang zult gij aan beide zijden mank gaan? Indien de Here God is, volgt Hem na; maar indien het de Baäl is, volgt hem na. Doch het volk antwoordde hem niets. 22 Voorts zeide Elia tot het volk: Ik ben als profeet des Heren alléén overgebleven, en de profeten van de Baäl zijn vierhonderd vijftig man. 23 Laat men ons nu twee stieren geven; laten zij voor zich de ene stier uitkiezen, die aan stukken houwen en op het hout leggen, maar geen vuur daarbij aanbrengen; dan zal ik de andere stier bereiden, op het hout leggen, en ook geen vuur daarbij aanbrengen. 24 Roept gij dan de naam van uw god aan, en ik zal de naam des Heren aanroepen. De God die met vuur zal antwoorden, die zal God zijn. En het gehele volk antwoordde: Dat is goed. 25 Daarna zeide Elia tot de profeten van de Baäl: Kiest voor u de ene stier uit en bereidt hem eerst, want gij zijt met zovelen. Roept dan de naam van uw god aan, maar brengt geen vuur daarbij. 26 Toen namen zij de stier die hij hun gaf, bereidden hem, riepen van de morgen tot de middag de naam van de Baäl aan en zeiden: Baäl, antwoord ons! Maar er kwam geen geluid en niemand gaf antwoord. Daarbij hinkten zij om het altaar dat zij gemaakt hadden. 27 Toen het middag was geworden, begon Elia hen te bespotten en zeide: Roept luider, want hij is immers een god. Hij is zeker in gepeins, of hij heeft zich afgezonderd, of hij is op reis; misschien slaapt hij en moet wakker worden. 28 Toen riepen zij luider en maakten zich naar hun gewoonte insnijdingen met zwaarden en speren, totdat zij dropen van bloed. 29 En zodra de middag voorbij was, tot tegen het brengen van het avondoffer, geraakten zij in geestvervoering, maar er kwam geen geluid, en niemand gaf antwoord, of sloeg er acht op. 30 Toen zeide Elia tot het gehele volk: Nadert tot mij. En het gehele volk naderde tot hem. Daarop herstelde hij het altaar des Heren, dat omvergehaald was. 31 Elia nam twaalf stenen naar het getal van de stammen der zonen van Jakob, tot wie het woord des Heren gekomen was: Israël zal uw naam zijn. 32 Hij bouwde met de stenen een altaar in de naam des Heren, en maakte rondom het altaar een groeve ter wijdte van twee maten zaad. 33 Hij schikte het hout, hieuw de stier aan stukken en legde die op het hout. 34 Toen zeide hij: Vult vier kruiken met water en giet ze uit over het brandoffer en over het hout. Daarna zeide hij: Doet het ten tweeden male. En zij deden het ten tweeden male. Daarna zeide hij: Doet het ten derden male. En zij deden het ten derden male, 35 zodat het water rondom het altaar liep; zelfs de groeve vulde hij met water. 36 Op de tijd nu, dat men het avondoffer brengt, trad de profeet Elia naar voren en zeide: Here, God van Abraham, Isaak en Israël, heden moge bekend worden, dat Gij God zijt in Israël, en dat ik uw knecht ben, en op uw bevel al deze dingen doe. 37 Antwoord mij, Here, antwoord mij, opdat dit volk wete, dat Gij, Here, God zijt, en dat Gij hun hart weer terugneigt. 38 Toen schoot het vuur des Heren neer en verteerde het brandoffer, het hout, de stenen en de aarde, en lekte het water in de groeve op. 39 Toen het gehele volk dat zag, wierpen zij zich op hun aangezicht en zeiden: De Here, die is God! De Here, die is God!—

28 april

Na de afgoden uit het vorige hoofdstuk, richt de HEERE nu onze blik op Zijn knecht. Deze knecht is niemand minder dan onze Heere Jezus Christus, in wie God Zijn welbehagen heeft en op wie Hij Zijn Geest heeft gelegd. Deze knecht zal komen, niet met veel kabaal, maar in alle rust en met zachtmoedigheid. Hij zal recht en gerechtigheid aan het licht brengen. Heerlijk is daarbij de belofte, dat Hij het geknakte riet niet zal verbreken en de kwijnende vlaspit niet zal uitdoven. Dat houdt in dat Christus geduld heeft met de zwakheid van zondige mensen. Zwakke zondaren zijn als een geknakt riet, gebroken en machteloos. Maar Christus laat ons nooit helemaal breken. Waar wij al gauw dreigen uit te doven, daar is Christus gesteld “tot een licht der natiën”, tot heil ook van heidenen die mogen delen in de verlossing door Christus. Hij kwam naar deze aarde om onze van nature blinde ogen te openen en ons uit de donkere kerker van de zonde te bevrijden. Aan het kruis liet Híj Zich breken, opdat wij geheeld zouden worden. Wie dan ook met een gebroken geest en een verbrijzeld hart tot Hem vlucht, wordt door deze Heiland niet verstoten maar verlost.

Verder lezen: Matteüs 12:9-219 En Hij vertrok van die plaats en ging in hun synagoge. 10 En zie, daar was een mens met een verschrompelde hand. En zij legden Hem de vraag voor, of het geoorloofd is op de sabbat te genezen, om Hem te kunnen aanklagen. 11 Maar Hij zeide tot hen: Wie zou er onder u zijn, die één schaap heeft en die, als dit op een sabbat in een put valt, het niet grijpen zal en eruit trekken? 12 Hoeveel gaat niet een mens een schaap te boven? Derhalve is het geoorloofd op de sabbat wèl te doen. 13 Toen zeide Hij tot die mens: Strek uw hand uit. En hij strekte haar uit en zij werd weder gezond gelijk de andere. 14 En de Farizeeën gingen heen en spanden tegen Hem samen ten einde Hem om te brengen. 15 Maar Jezus doorzag het en ging vandaar weg. En velen volgden Hem en Hij genas hen allen, 16 en Hij verbood hun ten strengste Hem bekend te maken, 17 opdat vervuld zou worden het woord, gesproken door de profeet Jesaja, toen hij zeide: 18 Zie, mijn knecht, die Ik verkoren heb, mijn geliefde, in wie mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal mijn Geest op Hem leggen en Hij zal de heidenen het oordeel verkondigen. 19 Hij zal niet twisten of schreeuwen, en niemand zal op de pleinen zijn stem horen. 20 Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de walmende vlaspit zal Hij niet uitdoven, voordat Hij het oordeel tot overwinning heeft gebracht. 21 En op zijn naam zullen de heidenen hopen.

—

29 april

De HEERE eist hier alle eer voor Zichzelf op. Hij deelt Zijn lof niet met gesneden beelden. Wie op afgoden vertrouwt, zal beschaamd uitkomen. Maar wat afgoden niet kunnen, dat doet de HEERE wel: redding brengen. Hij trekt uit als een held. Als een Krijgsman trekt Hij ten strijde tegen de machten van de duisternis. Die strijd is beslissend gestreden op Golgotha. Daar heeft Christus de zonde, de duivel en de dood overwonnen. En de vrucht van Zijn kruisdood is heerlijk. De HEERE belooft: “Ik zal de blinden leiden op een weg die zij niet kenden”. Dat is precies wat wij nodig hebben. Van nature zijn wij blind voor de dingen van God. Wij tasten in het duister en kunnen onszelf niet redden. Maar Christus, het ware Licht der wereld, maakt de duisternis voor ons tot licht. Hij pakt ons bij de hand en leidt ons op de weg ten leven. En wie zich door Hem laat leiden, zingt de HEERE van harte een nieuw lied, een nooit verouderend loflied om Zijn altijd nieuwe gunstbewijzen.

Verder lezen: Klaagliederen 3:22-3222 Het zijn de gunstbewijzen des Heren, dat wij niet omgekomen zijn, want zijn barmhartigheden houden niet op, 23 elke morgen zijn zij nieuw, groot is uw trouw! 24 Mijn ziel zegt: Mijn deel is de Here, daarom zal ik op Hem hopen. 25 Goed is de Here voor wie Hem verwachten, voor de ziel die Hem zoekt; 26 goed is het, in stilheid te wachten op het heil des Heren; 27 goed is het voor de man, dat hij een juk in zijn jeugd draagt. 28 Hij zitte eenzaam en zwijge stil, als Hij het hem heeft opgelegd. 29 Hij drukke zijn mond in het stof, misschien is er hoop. 30 Hij biede de wang aan wie hem slaat, hij worde verzadigd van smaad. 31 Want niet voor eeuwig verstoot de Here. 32 Want als Hij bedroefd heeft, ontfermt Hij Zich naar de grootheid van zijn gunstbewijzen.

—

30 april

Jesaja 42:18-43:818 Gij doven, hoort, en gij blinden, slaat uw ogen op om te zien. 19 Wie is er blind dan mijn knecht en doof als de bode die Ik zend? Wie is er blind als de volmaakte en blind als de knecht des Heren? 20 Gij hebt wel veel gezien, maar gij hieldt het niet in gedachtenis; gij hebt de oren wel open gehad, maar gij hebt niet gehoord. 21 De Here had er behagen in ter wille van zijn gerechtigheid een grote, heerlijke onderwijzing te geven. 22 Maar dit is een volk, beroofd en uitgeplunderd; men heeft hen allen in kerkerholen geboeid, in gevangenissen zijn zij weggeborgen; zij werden ten roof en er was geen redder; tot plundering en er was niemand die zeide: Geef terug. 23 Wie onder u neemt dit ter ore, schenkt er aandacht aan en luistert in het vervolg? 24 Wie heeft Jakob tot plundering overgegeven en Israël aan berovers? Is het niet de Here, tegen wie wij gezondigd hebben, op wiens wegen zij niet hebben willen gaan, en naar wiens wet zij niet geluisterd hebben? 25 Daarom stortte Hij de grimmigheid van zijn toorn over hen uit en het geweld van de oorlog. Dat zette hen rondom in vlam, maar zij sloegen er geen acht op; ja, het stak hen in brand, maar zij namen het niet ter harte. 1 Maar nu, zo zegt de Here, uw Schepper, o Jakob, en uw Formeerder, o Israël: Vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn. 2 Wanneer gij door het water trekt, ben Ik met u; gaat gij door rivieren, zij zullen u niet wegspoelen; als gij door het vuur gaat, zult gij niet verteren en zal de vlam u niet verbranden. 3 Want Ik, de Here, ben uw God, de Heilige Israëls, uw Verlosser; Ik geef Egypte, Ethiopië en Seba als losgeld in uw plaats. 4 Omdat gij kostbaar zijt in mijn ogen en hooggeschat en Ik u liefheb, geef Ik mensen voor u in de plaats en natiën in ruil voor uw leven. 5 Vrees niet, want Ik ben met u; Ik doe uw nakroost van het oosten komen en vergader u van het westen. 6 Ik zeg tot het noorden: Geef, en tot het zuiden: Houd niet terug, breng mijn zonen van verre en mijn dochters van het einde der aarde, 7 ieder die naar mijn naam genoemd is, en die Ik geschapen heb tot mijn eer, die Ik geformeerd heb, die Ik ook gemaakt heb. 8 Doet het volk uitgaan, dat blind is, al heeft het ook ogen, en dat doof is, al heeft het ook oren.

Jesaja houdt Gods volk een spiegel voor. Want blinden, dat waren zij! Israël kende Gods grote daden wel, maar luisterde niet naar Hem. En van nature geldt dat ook voor ons, nemen wij Gods Woord niet ter harte en overtreden we Zijn wet. Zo hebben we Gods rechtvaardige toorn over onszelf afgeroepen. Door de eigen zonden zat Gods volk gevangen. En het kon zichzelf niet bevrijden. “Maar nu”, zo klinkt dan het evangelie. Waar Gods volk faalde als Zijn knecht, daar greep Hijzelf in. Daar zond Hij Zijn ware knecht: Christus, die niet doof was of blind, maar volkomen gehoorzaam. Hij kwam om ons te verlossen, niet vanwege iets goeds in ons, maar alleen uit genade. God zegt: “Vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn.” Als onze Verlosser heeft de HEERE de allerhoogste prijs voor ons overgehad. Aan het kruis droeg Christus het verterende vuur van Gods toorn tegen onze zonden. In Christus is God daarom eeuwig met ons. Door Christus zijn wij kostbaar in Gods ogen. En om Christus heeft God Zijn volk verlost uit de gevangenschap te Babel, en wat meer is: uit het slavenhuis van de zonde. Laten wij daar niet blind voor zijn!

Verder lezen: 1 Petrus 1:13-2113 Omgordt dus de lendenen van uw verstand, weest nuchter, en vestigt uw hoop volkomen op de genade, die u gebracht wordt door de openbaring van Jezus Christus. 14 Voegt u, als gehoorzame kinderen, niet naar de begeerten uit de tijd uwer onwetendheid, 15 maar gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, wordt (zo) ook gijzelf heilig in al uw wandel; 16 er staat immers geschreven: Weest heilig, want Ik ben heilig. 17 En indien gij Hem als Vader aanroept, die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandelt dan in vreze de tijd uwer vreemdelingschap, 18 wetende, dat gij niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, zijt vrijgekocht van uw ijdele wandel, die (u) van de vaderen overgeleverd is, 19 maar met het kostbare bloed van Christus, als van een onberispelijk en vlekkeloos lam. 20 Hij was van tevoren gekend, vóór de grondlegging der wereld, doch is bij het einde der tijden geopenbaard ter wille van u, 21 die door Hem gelooft in God, die Hem opgewekt heeft uit de doden en Hem heerlijkheid gegeven heeft, zodat uw geloof tevens hoop is op God.

—-

1 mei

Jesaja 43:9-219 Alle volken zijn samen vergaderd en de natiën hebben zich verzameld. Wie onder hen kondigt dit aan en doet ons het verleden horen? Laten zij hun getuigen voorbrengen, opdat zij in het gelijk gesteld mogen worden en men het hore en zegge: Het is waarheid. 10 Gij zijt, luidt het woord des Heren, mijn getuigen, en mijn knecht, die Ik verkoren heb, opdat gij het weet en in Mij gelooft en inziet, dat Ik dezelfde ben; vóór Mij is er geen God geformeerd en na Mij zal er geen zijn. 11 Ik, Ik ben de Here, en buiten Mij is er geen Verlosser. 12 Ik heb verkondigd, verlost en doen horen, en ben geen vreemde onder u; gij toch zijt mijn getuigen, luidt het woord des Heren, en Ik ben God. 13 Ook voortaan ben Ik dezelfde en niemand redt uit mijn hand. Ik werk, en wie zal het keren? 14 Zo zegt de Here, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Om uwentwil zend Ik iemand naar Babel en doe al de Chaldeeën als vluchtelingen afdalen naar de schepen waarover zij jubelden, 15 Ik de Here, uw Heilige, de Schepper van Israël, uw Koning. 16 Zo zegt de Here, die door de zee een weg baant en een pad door machtige wateren; 17 die wagen en paard doet uittrekken, krijgsmacht en helden; tezamen liggen zij neder, zij staan niet weer op, zij zijn uitgeblust, als een vlaspit uitgedoofd: 18 Denkt niet aan hetgeen vroeger gebeurde en let niet op wat oudtijds is geschied; 19 zie, Ik maak iets nieuws, nu zal het uitspruiten; zult gij er geen acht op slaan? Ja, Ik zal een weg in de woestijn maken, rivieren in de wildernis. 20 Het gedierte des velds zal Mij eren, jakhalzen en struisen, want Ik geef water in de woestijn, rivieren in de wildernis om mijn uitverkoren volk te drenken. 21 Het volk dat Ik Mij geformeerd heb, zal mijn lof verkondigen.

Opnieuw staan we in de rechtszaal. De heidenvolken moeten nu toch echt eens gaan bewijzen dat hun afgoden iets voorstellen, wat zij natuurlijk niet kunnen. De HEERE eist daarom alle eer op. “Ik, Ik ben de Heere, en buiten Mij is er geen Verlosser.” De HEERE alleen is almachtig en Hij zet Zijn almacht in tot verlossing van Zijn volk. Wij mogen en kunnen ons heil dan ook nergens zoeken dan bij Hem alleen. En tegen Hem is geen vijand opgewassen. God herinnert Israël aan de uittocht uit Egypte, toen Hij voor Zijn volk een weg baande en de farao uitschakelde. Toch moeten zij daar niet bij blijven hangen. Want de HEERE maakt iets nieuws. Hij zal voor Zijn volk opnieuw een weg banen door de woestijn. Dat wijst op de naderende verlossing uit Babel, maar bovendien op onze verlossing door Christus. Van nature is ons hart immers een wildernis, een dorre plaats zonder geestelijk leven. Maar waar voor ons geen uitweg was, baande Christus door Zijn kruisdood een weg naar de Vader. Hij drenkt ons dorre hart met het levende water van Zijn Geest. Opdat het volk dat Hij heeft geformeerd en gereformeerd Zijn lof zal verkondigen. Daar is het de HEERE om te doen, ook vandaag.

Verder lezen: 1 Petrus 2:1-101 Legt dan af alle kwaadwilligheid, alle bedrog, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerij, 2 en verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat gij daardoor moogt opwassen tot zaligheid, 3 indien gij geproefd hebt, dat de Here goedertieren is. 4 En komt tot Hem, de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar, 5 en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus. 6 Daarom staat er in een schriftwoord: Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren en kostbare hoeksteen, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. 7 U dan, die gelooft, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovigen geldt: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is geworden tot een hoeksteen en een steen des aanstoots en een rots der ergernis, 8 voor hen, die zich daaraan, in hun ongehoorzaamheid aan het woord, stoten, waartoe zij ook bestemd zijn. 9 Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: 10 u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen.

—

2 mei

Jesaja 43:22-44:522 Doch Mij hebt gij niet aangeroepen, o Jakob, of u om Mij moeite gegeven, o Israël. 23 Gij hebt Mij de schapen uwer brandoffers niet gebracht en met uw slachtoffers hebt gij Mij niet geëerd; Ik heb u niet lastig gevallen om spijsoffers en Ik heb u geen moeite aangedaan om wierook. 24 Gij hebt Mij voor zilver geen kalmoes gekocht en met het vet uwer slachtoffers hebt gij Mij niet gelaafd. Neen, gij zijt Mij lastig gevallen met uw zonden, hebt Mij moeite aangedaan met uw ongerechtigheden. 25 Ik, Ik ben het, die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil en Ik gedenk uw zonden niet. 26 Maak Mij indachtig, laat ons tezamen richten, spreek op, opdat gij in het gelijk gesteld moogt worden. 27 Uw eerste vader heeft al gezondigd en uw woordvoerders hebben tegen Mij overtreden; 28 daarom ontwijdde Ik oversten van het heiligdom en gaf Ik Jakob prijs aan de ban, Israël aan beschimpingen. 1 Maar nu, hoor, o Jakob, mijn knecht, en Israël, die Ik verkoren heb. 2 Zo zegt de Here, uw Maker en van de moederschoot aan uw Formeerder, die u helpt: Vrees niet, mijn knecht Jakob, en Jesurun, die Ik verkoren heb. 3 Want Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge; Ik zal mijn Geest uitgieten op uw nakroost en mijn zegen op uw nakomelingen. 4 Zij zullen uitspruiten tussen het gras, als populieren langs de beken. 5 De een zal zeggen: Ik ben des Heren, een ander zal zich noemen met de naam Jakob, en een derde zal op zijn hand schrijven: van de Here, en de naam Israël aannemen.

De HEERE had Zich geopenbaard als de almachtige Verlosser. Maar wat deed Zijn volk? Het heeft Hem niet aangeroepen. Israël weigerde de HEERE te dienen. De Israëlieten brachten Hem geen zuivere offers, maar vielen Hem lastig met hun zonden. Ook wij vermoeien de HEERE maar zo, met onze zonden en ongerechtigheden. Gods volk heeft het zelf dan ook allerminst verdiend, dat het toch te horen krijgt: “Ik, Ik ben het, die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil”. God vergeeft niet omdat wij het verdienen, maar omwille van Zichzelf. En op grond van het volmaakte offer van Christus. Waar wij God lastigvielen met onze zonden, daar droeg Christus de last van onze zonden aan het kruis. Daarom begint hoofdstuk 44 weer met dat heerlijke evangelie: “Maar nu”. In Christus ziet God ons aan als “Jesurun”, de oprechte. En waar ons hart van nature een dorre vlakte is, daar giet God genadig Zijn Geest uit. Dat levende water doet doodse zondaren geestelijk opbloeien. Het doet ons met blijdschap onze enige troost geloven en belijden: “Ik ben des Heren!”

Verder lezen: Titus 3:1-71 Herinner hen eraan, dat zij zich aan overheid en gezag onderwerpen, gehoorzaam, tot alle goed werk bereid zijn, 2 geen lastertaal uiten, niet twisten, vriendelijk zijn en alle zachtmoedigheid bewijzen aan alle mensen. 3 Want vroeger waren ook wij verdwaasd, ongehoorzaam, dwalende, verslaafd aan velerlei begeerten en zingenot, levende in boosheid en nijd, hatelijk en elkander hatende. 4 Maar toen de goedertierenheid en mensenliefde van onze Heiland (en) God verscheen, 5 heeft Hij, niet om werken der gerechtigheid, die wij zouden gedaan hebben, doch naar zijn ontferming ons gered door het bad der wedergeboorte en der vernieuwing door de heilige Geest, 6 die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onze Heiland, 7 opdat wij, gerechtvaardigd door zijn genade, erfgenamen zouden worden overeenkomstig de hope des eeuwigen levens.

—

3 mei

Jesaja 44:6-206 Zo zegt de Here, de Koning en Verlosser van Israël, de Here der heerscharen: Ik ben de eerste en Ik ben de laatste en buiten Mij is er geen God. 7 En wie is als Ik - hij roepe het uit en verkondige het en legge het Mij voor - daar Ik toch het overoude volk in het aanzijn riep; en hetgeen er in de toekomst gebeuren zal, mogen zij verkondigen. 8 Weest niet verschrikt en vreest niet. Heb Ik het u niet van oudsher doen horen en verkondigd? Gij zijt mijn getuigen: is er een God buiten Mij? Er is geen andere Rots, Ik ken er geen. 9 Zij, die beelden vormen, zijn allen ijdelheid: hun dierbare maaksels brengen geen baat, zijzelf zijn er getuigen van, dat zij niets zien en niets weten, zodat zij beschaamd staan. 10 Wie vormt een god en giet een beeld, waarvan hij geen baat heeft? 11 Zie, al de aanhangers daarvan zullen beschaamd staan; de werklieden zijn slechts mensen: laten zij bijeenkomen en zich opstellen, zij zullen verschrikt worden en beschaamd staan tevens. 12 De smid heeft een bijl en werkt in de kolengloed en vormt het (beeld) met hamers en bewerkt het met zijn krachtige arm; zelfs duldt hij de honger, totdat hij geen kracht meer heeft; en drinkt geen water, totdat hij amechtig wordt. 13 De timmerman spant het meetsnoer en tekent de omtrek af met de stift, bewerkt het (beeld) met de schaaf, tekent met de passer de omtrek af en maakt het naar de beeltenis van een man, naar een pronkstuk van een mens, om in een huis te wonen. 14 Hij velde ceders voor zich en nam een steeneik of een eik en kweekte die voor zich op onder de bomen des wouds, plantte een pijnboom, en de regen deed die groeien. 15 En dat dient de mens tot brandhout; hij neemt daarvan en warmt zich, ook steekt hij het aan en bakt brood; ook maakt hij er een god van en buigt zich neder; hij maakt er een gesneden beeld van en knielt daarvoor neer. 16 De helft daarvan verbrandt hij in het vuur; bij die helft eet hij vlees, braadt een gebraad en wordt verzadigd; ook warmt hij zich en zegt: Ha, ik word warm, ik merk vuur. 17 En het overblijfsel verwerkt hij tot een god, tot zijn gesneden beeld, knielt daarvoor neer, buigt zich, aanbidt het en zegt: Red mij, want gij zijt mijn god! 18 Zij hebben geen kennis en geen inzicht, want hun ogen zijn dichtgestreken, zodat zij niet zien; hun harten, zodat zij niet begrijpen. 19 Niemand neemt dit ter harte, niemand heeft kennis of inzicht, zodat hij zegt: De helft daarvan verbrandde ik in het vuur, ook bakte ik op zijn kolen brood, ik braadde vlees en ik at; zou ik dan van zijn overschot een gruwel maken, zou ik neerknielen voor een blok hout? 20 Wie zich met as bezighoudt, die heeft zijn bedrogen hart verleid; hij redt zijn leven niet en vraagt zich niet af: Is er geen bedrog in mijn rechterhand?

De HEERE is de Koning en Verlosser van Israël. Hij is de Eerste en de Laatste. Er is geen Rots buiten Hem. Tegenover deze waarheid schetst Jesaja de dwaasheid van de afgodendienst. Een man kapt een boom, gebruikt de helft van het hout om zich te warmen en brood te bakken, en van het overschot snijdt hij een godenbeeld. Daar buigt hij dan voor neer en roept: “Red mij, want gij zijt mijn god!” Hoe belachelijk is zoiets eigenlijk! Zou een blok hout, waar je zojuist je maaltijd op hebt gekookt, je kunnen redden? Dwaas zijn we dan ook als we ons heil zoeken bij stomme beelden. Dan houden we onszelf alleen maar voor de gek. We moeten ons geen beelden vormen, ook niet in ons denken, maar beelden zijn, naar Gods beeld geschapen én herschapen mensen, die hun heil verwachten van Christus alleen. Híj boog Zich niet neer voor een stuk hout, maar liet Zich hangen aan het hout, om ons te verlossen, ook van onze neiging tot afgoderij. Op Hem moeten wij vertrouwen. Want als wij Zijn evangelie niet schamen, zullen wijzelf niet beschaamd worden. Dan mogen wij het op heerlijke wijze ondervinden: de HEERE is de Koning en Verlosser van Israël.

Verder lezen: Romeinen 1:16-2516 Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek. 17 Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven. 18 Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, 19 daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. 20 Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben. 21 Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister geworden in hun onverstandig hart. 22 Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden, 23 en zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren. 24 Daarom heeft God hen in hun hartstochten overgegeven aan onreinheid, zodat bij hen het lichaam onteerd wordt. 25 Zij immers hadden de waarheid Gods vervangen door de leugen en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen.

—

4 mei

De HEERE wil dat Zijn volk als Zijn knecht beseft dat Hij de enige God is, en dat afgoden niets voorstellen. Israël mag zijn God niet vergeten. En zal door Hem niet vergeten worden. Want de HEERE staat op met gunstige gedachten: “Ik vaag uw overtredingen weg als een nevel en uw zonden als een wolk.” De zonden van Gods volk pakken zich samen als een donkere onweerswolk, die op uitbarsten staat. Wij mensen kunnen zo’n wolk niet verdrijven. Maar de HEERE blaast hem weg. Hij delgt onze zonden uit. En daarmee verplicht Hij ons tot een leven in waarachtige bekering. “Keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost.” De HEERE verlost ons, niet omdat maar wel ópdat wij voor Hem leven. En als onze Schepper en Herschepper geeft Hij hemel en aarde stof tot vreugde om alles wat Hij heeft gedaan. De HEERE is het die de heidense koning Kores als Zijn ‘herder’ de kerkstad Jeruzalem zou laten herbouwen. En dat met het oog op Christus als onze ware Herder. Wie zich door Gods genade tot Hem bekeert, is voor eeuwig verlost. En wie zou daarom niet juichen? De HEERE heeft het gedaan! Hij “heeft Jakob verlost en Hij verheerlijkt Zichzelf in Israël”.

Verder lezen: Micha 7:14-2014 Weid uw volk met uw staf, de schapen van uw erfdeel, die eenzaam wonen in een woud, te midden van een vruchtbare landouw. Laat hen weiden in Basan en in Gilead, als in de dagen van ouds. 15 Evenals in de dagen, toen gij uittoogt uit het land Egypte, zal Ik hem wonderen doen zien. 16 De volken zullen het zien en beschaamd worden, beroofd van al hun kracht; zij zullen de hand op de mond leggen, hun oren zullen doof worden. 17 Zij zullen stof lekken als een slang, als kruipende dieren der aarde; zij zullen bevend uit hun burchten komen, sidderend zullen zij komen tot de Here, onze God, en zij zullen voor U vrezen. 18 Wie is een God als Gij, die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel van zijn erfdeel voorbijgaat, die zijn toorn niet voor eeuwig behoudt, maar een welbehagen heeft in goedertierenheid! 19 Hij zal Zich wederom over ons ontfermen, Hij zal onze ongerechtigheden vertreden. Ja, Gij zult al onze zonden werpen in de diepten der zee. 20 Gij zult trouw bewijzen aan Jakob, goedertierenheid aan Abraham, gelijk Gij van oude dagen af aan onze vaderen hebt gezworen.

—

5 mei

Wonderlijk: de HEERE noemt de heidense koning Kores Zijn “gezalfde”. God grijpt de rechterhand van deze wereldse vorst om koperen deuren te openen en ijzeren grendels te verbrijzelen. En dat terwijl Kores God helemaal niet kende! Tot twee keer toe zegt de HEERE: “hoewel gij Mij niet kendet”. God gebruikt deze machthebber als instrument, ten gunste van Zijn uitverkoren volk. Hier schittert Gods absolute soevereiniteit. Wij wanen onszelf al gauw aan het roer van ons leven, maar er gebeurt werkelijk niets buiten God om. “Ik ben de Here, en er is geen ander.” Hij formeert het licht en schept de duisternis, Hij bewerkt het heil en schept het onheil. God leidt de loop van de geschiedenis onfeilbaar naar Zijn doel. Als werktuig in Gods hand bracht Kores een aardse verlossing, liet hij de grendels van de stadspoorten in Babel openbreken om Israël te doen terugkeren in het Beloofde Land. Maar ons zondige hart zat opgesloten achter veel zwaardere grendels. Wij konden onszelf onmogelijk bevrijden uit de gevangenis van de zonde. Daarom zond God de ware Gezalfde: onze Heere Jezus Christus. Híj verbrak voor ons de grendels van de dood. Door Hem laat God de hemel druppelen van gerechtigheid. In Hem ontluikt voor ons eeuwig heil.

Verder lezen: Psalm 107:1-161 Looft de Here, want Hij is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. 2 Dat de verlosten des Heren zo spreken, die Hij uit de macht van de tegenstander heeft verlost 3 en uit de landen heeft verzameld, van het oosten en van het westen, van het noorden en van de zee. 4 Er waren er, die dwaalden in de woestijn, op een eenzame weg, een stad ter woning vonden zij niet; 5 hongerig waren zij, ja dorstig, hun ziel versmachtte in hen. 6 Toen riepen zij tot de Here in hun benauwdheid, en Hij redde hen uit hun angsten; 7 Hij deed hen treden op een effen weg om te gaan naar een stad ter woning. 8 Dat zij de Here loven om zijn goedertierenheid en om zijn wonderen aan de mensenkinderen, 9 omdat Hij de dorstende ziel heeft gelaafd en de hongerende ziel met het goede vervuld. 10 Er waren er, die in donkerheid en diepe duisternis zaten, gebonden in ellende en ijzer. 11 Omdat zij de woorden Gods hadden weerstreefd en de raad des Allerhoogsten versmaad, 12 had Hij hun hart door moeite vernederd; zij struikelden, en er was geen helper. 13 Toen riepen zij tot de Here in hun benauwdheid, en Hij verloste hen uit hun angsten; 14 Hij voerde hen uit donkerheid en diepe duisternis en verscheurde hun banden. 15 Dat zij de Here loven om zijn goedertierenheid en om zijn wonderen aan de mensenkinderen, 16 omdat Hij koperen deuren heeft verbroken en ijzeren grendels verbrijzeld.—

6 mei

Jesaja 45:9-259 Wee hem die met zijn Formeerder twist, een scherf onder aarden scherven. Zal ook het leem tot zijn vormer zeggen: Wat maakt gij? of uw werk: Hij heeft geen handen? 10 Wee hem die tot zijn vader zegt: Wat verwekt gij? En tot de vrouw: Waarom hebt gij barensweeën? 11 Zo zegt de Here, de Heilige Israëls, en zijn Formeerder: Vraagt Mij naar de toekomstige dingen, vertrouwt Mij mijn zonen en het werk mijner handen toe. 12 Ik ben het, die de aarde gemaakt en de mens daarop geschapen heb; mijn handen hebben de hemelen uitgespannen en aan al hun heer heb Ik mijn bevelen gegeven. 13 Ik ben het, die hem verwekt heb in gerechtigheid, en al zijn wegen zal Ik effen maken; hij is het, die mijn stad herbouwen zal en mijn ballingen vrijlaten, zonder koopprijs en zonder geschenk, zegt de Here der heerscharen. 14 Zo zegt de Here: Het vermogen van Egypte en de koopwaar van Ethiopië - de Sabeeërs, die mannen van statige gestalte, zullen tot u overkomen en u toebehoren; zij zullen u volgen, in ketenen overkomen en zich voor u nederwerpen; zij zullen u smeken: Alleen bij u is God, en er is geen ander, generlei God. 15 Voorwaar, Gij zijt een God, die Zich verborgen houdt, de God van Israël, een Verlosser. 16 Zij staan beschaamd en zijn ook te schande geworden, allen tezamen zijn zij smadelijk afgedropen, de makers van afgodsbeelden. 17 Israël wordt door de Here verlost met een eeuwige verlossing; gij zult noch beschaamd staan noch te schande worden in alle eeuwigheid. 18 Want zo zegt de Here, die de hemelen geschapen heeft - Hij is God - die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft, Hij heeft haar gegrondvest; niet tot een baaierd heeft Hij haar geschapen, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd: Ik ben de Here en er is geen ander. 19 Ik heb niet in het verborgene gesproken noch ergens in het land der duisternis; Ik heb tot het nakroost van Jakob niet gezegd: Zoekt Mij tevergeefs. Ik, de Here, spreek wat recht is, verkondig wat rechtmatig is. 20 Vergadert u en komt, nadert tezamen, gij die uit de volken ontkomen zijt. Zij hebben geen begrip, die hun houten beeld dragen en bidden tot een god die niet verlossen kan. 21 Verkondigt en voert gronden aan. Ja, laten zij tezamen beraadslagen. Wie heeft dit vanouds doen horen, het van overlang verkondigd? Ben Ik het niet, de Here? En er is geen God behalve Ik, een rechtvaardige, verlossende God is er buiten Mij niet. 22 Wendt u tot Mij en laat u verlossen, alle einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer. 23 Want Ik heb gezworen bij Mij zelf, waarheid is uit mijn mond uitgegaan, een woord dat niet zal worden herroepen: dat voor Mij elke knie zich zal buigen, dat bij Mij elke tong zal zweren. 24 Alleen bij de Here, zal men van Mij zeggen, is gerechtigheid en sterkte, tot Hem zal men komen; maar beschaamd zullen staan allen die tegen Hem in woede ontstoken zijn; 25 in de Here wordt het gehele nakroost van Israël gerechtvaardigd en zal het zich beroemen.

“Wee hem die met zijn Formeerder twist.” Met deze woorden ontmaskert Jesaja onze aangeboren hoogmoed. Van nature willen wij namelijk helemaal geen leem zijn in Gods hand. Wij willen zélf de pottenbakker zijn. Wij twisten maar zo met onze Schepper en trekken Zijn wegen en leiding al gauw in twijfel. Hoe dwaas is echter een aarden scherf, om in opstand te komen tegen de Pottenbakker! Naar Zijn heilig recht zou de HEERE ons om onze opstandigheid moeten verbrijzelen. Toch klinkt in dit gedeelte een heerlijk evangelie. God verbreekt de Zijnen niet, maar openbaart Zich als hun Verlosser. Hij belooft Zijn volk geen tijdelijke, maar een eeuwige verlossing. En de nodiging daartoe blijft niet beperkt tot Israël, maar klinkt wereldwijd: “Wendt u tot Mij en laat u verlossen, alle einden der aarde.” Aan die roeping mogen en moeten ook wij gehoor geven. We moeten ons afwenden van onze zonde en ons toewenden naar Christus. In Zijn volbrachte werk alleen is onze ware gerechtigheid en sterkte. De HEERE heeft Zelf gezworen dat eens elke knie zich voor Hem zal buigen. Wie dat door Gods genade nu al doet in ware ootmoed, wordt niet beschaamd maar door Christus gerechtvaardigd. Beroem u dus in Hem!

Verder lezen: Romeinen 9:14-2414 Wat zullen wij dan zeggen: Zou er onrechtvaardigheid zijn bij God? Volstrekt niet! 15 Want Hij zegt tot Mozes: Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen, en jegens wie Ik barmhartig ben, zal Ik barmhartig zijn. 16 Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt. 17 Want het schriftwoord zegt tot Farao: Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn kracht zou tonen en mijn naam verbreid zou worden over de gehele aarde. 18 Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil. 19 Gij zult nu tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie wederstaat zijn wil? 20 Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt? 21 Of heeft de pottebakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik? 22 En als God nu, zijn toorn willende tonen en zijn kracht bekend maken, de voorwerpen des toorns, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft - 23 juist om de rijkdom zijner heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid? 24 En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.—-

7 mei

Jesaja 461 Bel is ineengezonken, Nebo is terneergebogen, hun beelden zijn toegevallen aan het gedierte en aan het vee; zij, die door u omgedragen werden, zijn opgeladen, een last voor vermoeide dieren. 2 Tezamen zijn zij terneergebogen, ineengezonken, zij hebben de last niet kunnen redden en zelf hebben zij in gevangenschap moeten gaan. 3 Hoort naar Mij, huis van Jakob en geheel het overblijfsel van het huis Israël, die door Mij gedragen zijt van moeders lijf aan, opgenomen van de moederschoot af. 4 Tot de ouderdom ben Ik dezelfde en tot de grijsheid toe zal Ik u torsen; Ik heb het gedaan en Ik zal dragen, Ik zal torsen en redden. 5 Met wie wilt gij Mij vergelijken en gelijkstellen, aan wie Mij gelijk achten, dat wij elkander zouden gelijk zijn? 6 Zij schudden goud uit hun buidel en wegen zilver in een weegschaal; zij huren een goudsmid, opdat hij er een god van make. Zij knielen, ook buigen zij zich neder. 7 Zij heffen hem op de schouder, zij torsen hem en zetten hem neer op zijn plaats; daar staat hij, hij wijkt niet van zijn plaats. Al schreeuwt iemand tot hem, hij antwoordt niet, uit de benauwdheid redt hij hem niet. 8 Denkt hieraan en vermant u; gij overtreders, neemt het ter harte. 9 Denkt aan hetgeen vroeger, vanouds, gebeurde; Ik immers ben God, en er is geen ander, God, en niemand is Mij gelijk; 10 Ik, die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is; die zeg: Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al mijn welbehagen doen; 11 die uit het oosten een roofvogel roep, uit een ver land de man van mijn raadsbesluit; Ik heb gesproken, Ik doe het ook komen; Ik heb het ontworpen, Ik breng het ook tot uitvoering. 12 Hoort naar Mij, gij trotsen van hart, die ver van gerechtigheid zijt. 13 Ik breng mijn gerechtigheid nabij, zij is niet ver, en mijn heil zal niet vertoeven; Ik geef in Sion heil, aan Israël mijn luister.

De afgoden van Babel, Bel en Nebo, storten in. Ze kunnen niet redden. In plaats van dat zij hun aanbidders dragen, moeten ze zelf gedragen worden, zelfs als een loodzware last door uitgeputte dieren worden weggesleept. Hoe schril is het contrast met de HEERE! Hij spreekt tot Zijn volk heel andere taal: “die door Mij gedragen zijt van moeders lijf aan”. Afgoden moeten gedragen worden, maar de levende God draagt Zijn volk. En hoe rijk is het dat Hij belooft dat ook te zullen blijven doen: “tot de grijsheid toe zal Ik u torsen”. De HEERE garandeert Zelf: Ik heb het gedaan en Ik zal het blíjven doen; Ik zal u dragen, ja Ik zal torsen en redden. Gebleken is dat wel op het heerlijkst in het verlossingswerk van onze Heere Jezus Christus. Wij waren “trotsen van hart” en “ver van gerechtigheid”. Wij hadden eigenlijk moeten bezwijken onder de ondraaglijke last van Gods toorn tegen onze zonden. Maar God openbaarde Zijn gerechtigheid in Zijn Zoon. Aan het kruishout torste Christus de zware vloek van onze zonden, om ons voor eeuwig te verlossen. Wie dan ook alle ballast loslaat en schuilt bij deze Zaligmaker, wordt door de HEERE gedragen tot in alle eeuwigheid.

Verder lezen: Psalm 68:20-3620 Geprezen zij de Here. Dag aan dag draagt Hij ons; die God is ons heil. sela 21 Die God is ons een God van uitreddingen, bij de Here Here zijn uitkomsten tegen de dood. 22 Waarlijk, God verplettert het hoofd van zijn vijanden, de harige schedel van wie volhardt in zijn schuldige daden. 23 De Here heeft gezegd: Uit Basan breng Ik weder, Ik breng weder uit de diepten der zee, 24 opdat gij uw voet baadt in bloed, de tong uwer honden haar deel krijge van de vijanden. 25 Men ziet uw feeststoet, o God, de feeststoet van mijn God, mijn Koning, in het heiligdom. 26 Voorop gaan zangers, daarachter snarenspelers, in het midden jonkvrouwen, die de tamboerijn slaan. 27 In koren prijzen zij God, de Here, die immers de springader Israëls is. 28 Daar is Benjamin, de jongste, hun heerser, de vorsten van Juda in drommen, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Naftali. 29 Uw God gebood uw macht; toon uw macht, o God, Gij, die voor ons gewrocht hebt. 30 Vanwege uw tempel, ter wille van Jeruzalem bieden koningen u geschenken. 31 Bedreig het gedierte in het riet, de stierenbende met de kalveren der volken, Gij, die u werpt op hen die belust zijn op zilver, verstrooi de volken die behagen scheppen in strijd. 32 Aanzienlijken naderen uit Egypte, Ethiopië strekt haastig de handen uit tot God. 33 Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode, psalmzingt de Here; sela 34 Hem, die door de aloude hemel der hemelen rijdt. Hoor, Hij laat zijn machtige stem weerklinken! 35 Geeft Gode sterkte; zijn majesteit is over Israël, zijn sterkte in de wolken. 36 Geducht zijt Gij, o God, uit uw heiligdom; Hij, Israëls God, verleent sterkte en volheid van kracht aan zijn volk. Geprezen zij God!

—

8 mei

Jesaja 471 Daal af, en zet u neer in het stof, jonkvrouw, dochter van Babel. Zet u neer ter aarde, zonder zetel, dochter der Chaldeeën, want men zal u niet langer verwekelijkt en verwend noemen. 2 Neem de handmolen en maal meel, licht uw sluier op, neem de slip op, ontbloot de dij, doorwaad rivieren. 3 Uw schaamte worde ontbloot, uw schande ook gezien. Ik zal wraak nemen en niemand sparen. 4 De naam van onze Verlosser is de Here der heerscharen, de Heilige Israëls. 5 Zet u zwijgend neer en ga in de duisternis, gij dochter der Chaldeeën, want men zal u niet langer gebiedster der koninkrijken noemen. 6 Ik ben tegen mijn volk toornig geweest, Ik heb mijn erfdeel ontwijd en het in uw macht gegeven; gij hebt het geen barmhartigheid bewezen; op de grijsaard hebt gij ook uw juk zwaar doen drukken. 7 En gij zeidet: Ik blijf eeuwig gebiedster, terwijl gij deze dingen niet ter harte naamt noch aan de afloop daarvan dacht. 8 Nu dan, hoor dit, wellustige, die zo onbezorgd woont; die bij uzelf zegt: Ik ben het en niemand anders; ik zal niet als weduwe neerzitten en geen beroving van kinderen kennen. 9 Maar deze beide zullen u overkomen, plotseling, op één dag: beroving van kinderen en weduwschap; in volle omvang zullen zij u overkomen, ondanks uw vele toverijen en zeer krachtige bezweringen. 10 Gij vertrouwdet op uw boosheid; gij zeidet: Niemand ziet mij. Uw wijsheid en uw kennis zijn het, die u verleid hebben, zodat gij bij uzelf zeidet: Ik ben het en niemand anders. 11 Maar u overkomt een onheil, dat gij niet weet te bezweren; u overvalt een verderf, dat gij niet vermoogt te verzoenen; u overkomt plotseling een verwoesting, waarvan gij geen vermoeden hadt. 12 Houdt maar aan met uw bezweringen en met de talrijke toverijen waarmede gij u van jongs af hebt afgetobd; misschien kunt gij iets bereiken, misschien jaagt gij schrik aan. 13 Gij hebt u afgesloofd met uw vele plannen; laten nu opstaan en u redden, zij die de hemel indelen, die de sterren waarnemen, die maand voor maand doen weten wat u overkomen zal. 14 Zie, zij zijn als stoppelen, die het vuur verbrandt, zij kunnen hun leven niet redden uit de macht der vlammen; het is geen kolengloed om zich te warmen, geen vuur om daarbij te zitten. 15 Dat hebt gij nu aan hen om wie gij u hebt afgetobd, met wie gij van jongs af handel hebt gedreven; ieder van hen dwaalt zijn eigen kant uit, zonder dat iemand u redt.

Babel zal Gods volk wel wegvoeren in ballingschap, maar toch zelf eens ten onder gaan. Gods oordeel over deze wereldstad staat vast. En waarom? Vanwege haar hoogmoed. Babel is slechts een instrument in Gods hand, maar waant zichzelf heer en meester: “Ik ben het en niemand anders.” Ze vertrouwt op haar eigen wijsheid en denkt wel weg te komen met haar boosheid. “Niemand ziet het”. Maar daarmee vergeet Babel te rekenen met de alwetende en alziende God van Israël. En dus kan Babel rekenen op Zijn oordeel. Onheil zal deze goddeloze stad treffen, zonder dat zij dat zal kunnen tegenhouden. Nu zit de hoogmoed van Babel ook ons in het bloed. Ook wij willen van nature het liefst zelf op de troon van ons leven zitten. We vertrouwen maar al te gauw op ons eigen verstand of onze eigen plannen, en we zondigen vaak alsof God het toch niet ziet. Maar Jesaja waarschuwt scherp: zondige plannen vergaan als stoppels in het verterende vuur van Gods oordeel. Laten wij dan ook onze toevlucht nemen tot Christus, en belijden: “De naam van onze Verlosser is de Here der heerscharen”. God straft de hoogmoed, maar Hij redt in Christus. Hij redt ons van de straf op onze zonden. Daartoe doorstond Christus het vuur van Gods toorn in onze plaats.

Verder lezen: Openbaring 181 Hierna zag ik een andere engel, die grote macht had, nederdalen uit de hemel, en de aarde werd door zijn lichtglans verlicht. 2 En hij riep met sterke stem, zeggende: Gevallen, gevallen is de grote (stad) Babylon en zij is geworden een woonplaats van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten en een schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte, 3 omdat van de wijn van de hartstocht harer hoererij al de volken gedronken hebben en de koningen der aarde met haar gehoereerd hebben en de kooplieden der aarde rijk geworden zijn uit de macht harer weelderigheid. 4 En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen. 5 Want haar zonden hebben zich opgehoopt tot aan de hemel en God heeft aan haar ongerechtigheid gedacht. 6 Vergeldt haar, gelijk ook zij vergolden heeft, en geeft haar dubbel naar haar werken; mengt haar het dubbele in de beker, die zij gemengd heeft; 7 geeft haar zoveel pijniging en rouw, als zij heerlijkheid en weelde genoten heeft. Want zij zegt in haar hart: Ik troon als koningin, ik ben geen weduwe en geen rouw zal ik zien. 8 Daarom zullen haar plagen op één dag komen: dood en rouw en hongersnood, en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Here God, die haar geoordeeld heeft. 9 En de koningen der aarde, die met haar gehoereerd hebben en weelderig geweest zijn, zullen over haar wenen en weeklagen, wanneer zij de rook van haar verbranding zien, 10 van verre staande uit vrees voor haar pijniging, zeggende: Wee, wee, gij grote stad, Babylon, gij sterke stad, want in één uur is uw oordeel gekomen. 11 En de kooplieden der aarde wenen en bedrijven rouw over haar, omdat niemand meer hun lading koopt, 12 lading van goud, zilver, edelgesteente en paarlen, van fijn linnen, purper, zijde en scharlaken; allerlei welriekend hout, allerlei snijwerk van ivoor en allerlei voorwerpen van het kostbaarste hout, van koper, ijzer en marmer, 13 kaneel, specerij, reukwerk, mirre, wierook, wijn, olie, bloem en tarwe, lastdieren, schapen; (lading) van paarden en wagens en van lichamen; en zielen van mensen. 14 En het ooft, waarnaar uw ziel begerig was, is van u weggegaan en al wat kostelijk en schitterend was, is voor u verloren en het zal nooit meer gevonden worden. 15 De kooplieden in deze dingen, die aan haar rijk geworden waren, zullen van verre staan uit vrees voor haar pijniging, wenend en rouw bedrijvend, 16 en zeggende: Wee, wee, die grote stad, die gehuld was in fijn linnen, purper en scharlaken, en rijk versierd was met goud en edelgesteente en paarlen, want in één uur is al die zo grote rijkdom verwoest! 17 En iedere stuurman en iedere kustvaarder en de zeelieden en allen, die de zee bevaren, bleven van verre staan, 18 en riepen, toen zij de rook van haar verbranding zagen, zeggende: Welke stad was aan deze grote stad gelijk! 19 En zij wierpen stof op hun hoofden en riepen, wenend en rouw bedrijvend, zeggende: Wee, wee die grote stad, waarin allen, die schepen op zee hadden, door haar kostbaarheden rijk geworden zijn, want zij is in één uur verwoest! 20 Wees vrolijk over haar, gij hemel en gij heiligen, en gij apostelen en profeten, want God heeft uw rechtszaak tegen haar berecht. 21 En een sterke engel nam een steen op als een grote molensteen en wierp hem in de zee, zeggende: Zó zal Babylon met geweld geworpen worden, de grote stad, en zij zal nooit meer gevonden worden. 22 En geen stem van citerspelers en zangers, van fluitspelers of bazuinblazers zal meer in u gehoord worden, en niemand, die enige kunst beoefent, zal meer in u gevonden worden, en geen geluid van de molen zal meer in u gehoord worden. 23 En geen lamplicht zal meer in u schijnen, en geen stem van bruidegom en bruid zal meer in u gehoord worden, want uw kooplieden waren de machthebbers der aarde, want door uw toverij werden alle volken verleid; 24 en in haar werd gevonden het bloed van profeten en heiligen en van allen, die geslacht zijn op de aarde.—

9 mei

Jesaja 48:1-111 Hoort dit, gij huis van Jakob, die u noemt met de naam Israël en die uit de wateren van Juda voortgekomen zijt; die zweert bij de naam des Heren en die de God van Israël belijdt - maar niet in waarheid en niet in gerechtigheid - 2 ja, zij noemen zich naar de heilige stad en steunen op de God van Israël; Here der heerscharen is zijn naam. 3 De vroegere dingen heb Ik vanouds verkondigd, zij zijn uit mijn mond uitgegaan en Ik heb ze doen horen; plotseling heb Ik ze volbracht en ze zijn gekomen. 4 Omdat Ik wist, dat gij hard zijt en uw nek een ijzeren stang is en uw voorhoofd van koper, 5 daarom heb Ik het u vanouds verkondigd; voordat het kwam, deed Ik het u horen, opdat gij niet zoudt zeggen: Mijn afgod heeft het gedaan en mijn gesneden of gegoten beeld heeft het beschikt. 6 Gij hebt het gehoord; aanschouw het alles; zoudt gij het zelf dan niet erkennen? Van nu aan doe Ik u nieuwe dingen horen, verborgenheden, die gij niet wist. 7 Nu zijn zij geschapen en niet oudtijds, en tot op heden hebt gij er niet van gehoord, opdat gij niet zoudt zeggen: Zie, ik heb het geweten. 8 Gij hebt noch gehoord noch geweten noch heeft zich vanouds uw oor geopend, want Ik wist, dat gij zeer trouweloos zijt en een overtreder heet van de moederschoot aan. 9 Om mijns naams wil vertraag Ik mijn toorn, ter wille van mijn lof bedwing Ik Mij, u ten goede, om u niet uit te roeien. 10 Zie, Ik heb u gelouterd, doch niet als zilver; Ik heb u beproefd in de smeltoven der ellende. 11 Om Mijnentwil, om Mijnentwil doe Ik het, hoe groot ook de ontwijding is; mijn eer geef Ik aan geen ander.

De HEERE spreekt Zijn volk hier aan met alle ernst. De Israëlieten zeggen de HEERE wel te kennen, ze belijden Zijn naam wel en zweren daar wel bij, maar “niet in waarheid en niet in gerechtigheid.” Er is sprake van een lege, uiterlijke godsdienst. Het is allemaal schijn. Maar God prikt daar doorheen. Hij kent de onbuigzame aard van Zijn volk. Hij noemt hun nek een ijzeren stang en hun voorhoofd van koper. Vanaf de moederschoot zijn zij al overtreders. Dat raakt ook ons. Hoe gemakkelijk schuilen wij achter een zuivere belijdenis of een trouwe kerkgang, terwijl ons hart zich niet werkelijk voor God buigt. Van nature zijn ook wij halsstarrig. Wij hebben werkelijk niets om God aan te bieden. Als Hij met ons zou handelen naar onze trouweloosheid, was het voor eeuwig gedaan. Maar waarom roeit God zo’n onbuigzaam volk niet uit? Het antwoord is het wonder van het evangelie: “Om Mijnentwil.” God redt ons ter wille van Zijn eigen eer. Om Zijn heilige Naam hoog te houden, zorgt Hijzelf voor verlossing. Door het geloof mogen wij weten: de beproevingen in dit leven zijn geen straf meer om ons te vernietigen, maar een smeltoven om ons te louteren. Opdat wij dankbaar leren leven voor Hem, die Zijn eer niet aan een ander geeft.

Verder lezen: Ezechiël 36:16-3216 Het woord des Heren kwam tot mij: 17 Mensenkind, toen het huis Israëls nog in zijn land woonde, heeft het dat verontreinigd door zijn handel en wandel. Als de maandelijkse onreinheid, zo was hun wandel in mijn ogen. 18 Daarom stortte Ik mijn grimmigheid over hen uit vanwege het bloed dat zij in het land vergoten hadden, en omdat zij het verontreinigd hadden door hun afgoden. 19 Ik verstrooide hen onder de volken, zodat zij over de landen verspreid raakten; naar hun handel en wandel richtte Ik hen. 20 En bij alle volken waar zij kwamen, ontheiligden zij mijn heilige naam, doordat men van hen zeide: Dezen zijn het volk des Heren, maar toch moesten zij weg uit zijn land. 21 Dit deed Mij leed om mijn heilige naam, die het huis Israëls ontheiligd had onder de volken in wier gebied zij gekomen waren. 22 Daarom, zeg tot het huis Israëls: Zo zegt de Here Here: niet om uwentwil doe Ik het, o huis Israëls, maar om mijn heilige naam, die gij ontheiligd hebt onder de volken in wier gebied gij gekomen zijt. 23 Ik zal mijn grote naam die onder de volken ontheiligd is, die gij te midden van hen ontheiligd hebt, heiligen; en de volken zullen weten, dat Ik de Here ben, luidt het woord van de Here Here, wanneer Ik Mij voor hun ogen aan u de Heilige zal betonen. 24 Ik zal u weghalen uit de volken en u bijeenvergaderen uit alle landen, en Ik zal u brengen naar uw eigen land; 25 Ik zal rein water over u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw afgoden zal Ik u reinigen; 26 een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven. 27 Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wandelt en naarstig mijn verordeningen onderhoudt. 28 Gij zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb; gij zult Mij tot een volk zijn en Ik zal u tot een God zijn. 29 Ik zal u van al uw onreinheden verlossen, Ik zal het koren roepen en het vermeerderen, en geen hongersnood over u brengen. 30 Ja, Ik zal de vrucht van het geboomte en de opbrengst van het veld vermeerderen, opdat gij niet meer de smaad van hongersnood te dragen krijgt onder de volken. 31 Dan zult gij terugdenken aan uw boze wandel en aan uw handelwijze, die niet goed was, en gij zult van uzelf walgen om uw ongerechtigheden en uw gruwelen. 32 Niet om uwentwil doe Ik het, luidt het woord van de Here Here; weet dat wel! Schaamt u en wordt schaamrood over uw wandel, huis Israëls.—

10 mei

Jesaja 48:12-2212 Hoor naar Mij, Jakob, Israël, mijn geroepene. Ik ben dezelfde, Ik ben de eerste, ook ben Ik de laatste; 13 ook heeft mijn hand de aarde gegrondvest en mijn rechterhand heeft de hemelen uitgebreid. Roep Ik hen, zij staan daar tezamen. 14 Vergadert u allen en hoort. Wie onder hen heeft dit verkondigd? Hij, dien de Here liefheeft, zal zijn welgevallen voltrekken aan Babel en zijn macht aan de Chaldeeën. 15 Ik, Ik heb gesproken, ja, Ik heb hem geroepen; Ik heb hem doen komen en hij zal voorspoed hebben op zijn weg. 16 Nadert tot Mij, hoort dit: Van de aanvang af heb Ik niet in het verborgene gesproken; ten tijde dat het geschiedt, ben Ik daar. En nu heeft de Here Here mij met zijn Geest gezonden: 17 Zo zegt de Here, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Ik ben de Here, uw God, die u leert, opdat het u welga; die u de weg doet betreden, die gij moet gaan. 18 Och, dat gij naar mijn geboden luisterdet; dan zou uw vrede zijn als een rivier en uw gerechtigheid als de golven der zee; 19 dan zou uw nageslacht zijn als het zand en uw nakomelingschap als de korrels daarvan; hun naam zou niet uitgeroeid noch verdelgd worden voor mijn aangezicht. 20 Trekt uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën. Verkondigt het met jubelgeklank, doet dit horen, verbreidt het tot aan het einde der aarde; zegt: De Here heeft zijn knecht Jakob verlost. 21 Zij leden geen dorst, toen Hij hen door de woestijnen leidde; Hij deed voor hen water uit de rots stromen; Hij toch spleet de rots, zodat het water vloeide. 22 De goddelozen, zegt de Here, hebben geen vrede.

De HEERE stelt Zich hier voor in al Zijn majesteit. Hij is de Eerste en de Laatste, de Schepper van hemel en aarde. Hij leidt de geschiedenis en Hij is het die Zijn volk de weg wil leren. Maar dan volgt een aangrijpende aanklacht: “Och, dat gij naar mijn geboden luisterdet”. Daar zit het euvel van Gods volk. Had het naar de HEERE geluisterd, dan had het vrede gekend. Dan was haar gerechtigheid overvloedig geweest. Nu zit Israël echter in Babel, beroofd van die vrede, vanwege haar ongerechtigheid. Toch klinkt dan ineens die machtige oproep: “Trekt uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën.” De HEERE laat Zijn volk niet wegkwijnen in ballingschap. Hij is de Verlosser die Zelf de weg vrijmaakt. En zoals Hij vroeger het volk na de uittocht uit Egypte door de woestijn leidde en water uit de harde rots liet stromen, zo zal Hij ook nu Zijn wegtrekkende volk verzorgen op hun terugreis. Verkondig het met jubelgeklank: de HEERE redt Zijn knecht! Tegelijk blijft gelden: de goddelozen hebben geen vrede. Wie de zonde niet ontvlucht, vindt nergens blijvende rust. Maar wie op Gods roepstem uittrekt, mag drinken uit de ware Rots. De apostel Paulus leert ons dat die Rots Christus is. In Hem ontvangen wij stromen van levend water. Door Hem is er voor ons eeuwige vrede en gerechtigheid.

Verder lezen: 1 Korintiërs 10:1-131 Want ik stel er prijs op, broeders, dat gij weet, dat onze vaderen allen onder de wolk waren, allen door de zee heengingen, 2 allen zich in Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee, 3 allen hetzelfde geestelijke voedsel aten, 4 en allen dezelfde geestelijke drank dronken, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen medeging, en die rots was de Christus. 5 En toch heeft God in het merendeel van hen geen welgevallen gehad, want zij werden neergeveld in de woestijn. 6 Deze gebeurtenissen zijn ons ten voorbeeld geschied, opdat wij geen lust tot het kwade zouden hebben, zoals zij die hadden. 7 Wordt ook geen afgodendienaars zoals sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zette zich neder om te eten en te drinken, en zij stonden op om te dansen. 8 En laten wij geen hoererij plegen, zoals sommigen van hen deden, en er vielen op één dag drieëntwintigduizend. 9 En laten wij de Here niet verzoeken, zoals sommigen van hen deden, en zij kwamen om door de slangen. 10 En mort niet, zoals sommigen van hen deden, en zij kwamen om door de verderfengel. 11 Dit is hun overkomen tot een voorbeeld (voor ons) en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is. 12 Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle. 13 Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt.—

11 mei

De Knecht des HEEREN spreekt de verre volken en kustlanden toe. God heeft Hem geroepen en Zijn mond gemaakt als een scherp zwaard, dat harten treft. De HEERE noemt deze Knecht “Israël”, maar dat is hier niet Gods zondige volk, maar Christus, die het volk vertegenwoordigt en de gehoorzaamheid opbrengt die zij hadden moeten opbrengen. Waar Gods volk steeds weer faalde en ongehoorzaam was, daar is deze volmaakte Knecht de Israël in Wie God Zich daadwerkelijk zal verheerlijken. Toch lijkt het werk van deze Knecht in eerste instantie op een mislukking uit te lopen. Hij is diep veracht en wordt door het volk verafschuwd. Hij lijkt Zich tevergeefs te hebben afgemat en Zijn kracht vruchteloos te hebben verbruikt. Maar Hij vertrouwt Zich volkomen toe aan de Vader, die Zijn Knecht stelt tot een licht voor de volken, opdat Zijn heil reikt tot aan het einde der aarde. Tijdens Zijn leven op aarde werd Christus veracht en bespot. En aan het kruis leek Hij verloren. Maar juist daar verwierf Hij eeuwig heil, voor Jood en Griek, ja voor een ieder die zich in geloof voor deze Knecht neerbuigt.

Verder lezen: Lucas 2:25-3525 En zie, er was een man te Jeruzalem, wiens naam was Simeon, en deze man was rechtvaardig en vroom, en hij verwachtte de vertroosting van Israël, en de heilige Geest was op hem. 26 En hem was door de heilige Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, eer hij de Christus des Heren gezien had. 27 En hij kwam door de Geest in de tempel. En toen de ouders het kind Jezus binnenbrachten om met Hem te doen overeenkomstig de gewoonte der wet, 28 nam ook hij het in zijn armen en hij loofde God en zeide: 29 Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord, 30 want mijn ogen hebben uw heil gezien, 31 dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: 32 licht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël. 33 En zijn vader en zijn moeder stonden verwonderd over hetgeen van Hem gezegd werd. 34 En Simeon zegende hen en zeide tot Maria, zijn moeder: Zie, deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in Israël en tot een teken, dat weersproken wordt 35 - en door uw eigen ziel zal een zwaard gaan - , opdat de overleggingen uit vele harten openbaar worden.

—

12 mei

Jesaja 49:8-218 Zo zegt de Here: Ten tijde des welbehagens heb Ik u verhoord, en ten dage des heils heb Ik u geholpen; Ik zal u behoeden en u stellen tot een verbond voor het volk om het land weder te herstellen, om verwoeste eigendommen weer tot een erfdeel te maken, 9 om tot de gevangenen te zeggen: Gaat uit! tot hen die in de duisternis zijn: Komt te voorschijn! Aan de wegen zullen zij weiden, op alle kale heuvels zal hun weide zijn; 10 zij zullen hongeren noch dorsten, woestijngloed noch zonnesteek zal hen treffen, want hun Ontfermer zal hen leiden en hen voeren aan waterbronnen. 11 En Ik zal al mijn bergen tot een weg maken en mijn heerbanen zullen opgehoogd worden. 12 Zie, dezen komen uit de verte, genen uit het noorden en het westen, weer anderen uit het land Sinim. 13 Jubelt, gij hemelen, en juich, gij aarde, breekt uit in gejubel, gij bergen, want de Here heeft zijn volk getroost en Zich over zijn ellendigen ontfermd. 14 Maar Sion zegt: De Here heeft mij verlaten en de Here heeft mij vergeten. 15 Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermen zou over het kind van haar schoot? Al zouden zij die vergeten, toch vergeet Ik u niet. 16 Zie, Ik heb u in mijn handpalmen gegrift, uw muren zijn bestendig vóór Mij. 17 Uw zonen snellen toe, uw vernielers en uw verwoesters trekken van u weg. 18 Hef uw ogen op naar rondom en zie hen allen; zij vergaderen, zij komen tot u. Zo waar Ik leef, luidt het woord des Heren, gij zult hen allen aandoen als een sieraad, en hen ombinden, zoals een bruid. 19 Want uw puinhopen en uw verwoeste plaatsen en uw vernield land - voorwaar, nu zult gij te eng zijn voor de bewoners, en uw verdervers zullen verre zijn. 20 Ook zullen de kinderen, van welke gij beroofd waart, te uwen aanhoren zeggen: De plaats is mij te eng, maak mij ruimte, dat ik wonen kan. 21 En gij zult bij uzelf zeggen: Wie heeft mij dezen gebaard, daar ik toch van kinderen beroofd en onvruchtbaar was, verbannen en verdreven; wie bracht dezen dan groot? Zie, ik was alleen overgebleven, waar waren dan dezen?

De HEERE belooft Zijn volk heil: er komt een tijd van Zijn welbehagen. Hijzelf zal Zijn volk barmhartig leiden naar waterbronnen om hun dorst te lessen met levend water. Maar wat is de reactie van Sion? “De Here heeft mij verlaten en de Here heeft mij vergeten.” Wat een bittere klacht na zulke rijke beloften. En toch, hoe herkenbaar! Als wij in tegenspoed verkeren, twijfelen we al snel aan Gods trouw. We laten ons zo makkelijk leiden door onze omstandigheden, in plaats van door Zijn Woord. Ons vertrouwen op de HEERE wankelt maar zo. Toch komt niet met een afwijzing, maar met een ontroerend beeld. Kan een moeder haar eigen zuigeling vergeten? Dat is toch ondenkbaar! En zelfs al zou dat gebeuren, God vergeet Zijn volk nooit. “Zie, Ik heb u in mijn handpalmen gegrift.” Zó onuitwisbaar en dichtbij draagt Hij de Zijnen met Zich mee, zelfs in ballingschap. En de tijd van Gods welbehagen is met de komst van Christus ten volle aangebroken. Hij deelt levend water uit om onze geestelijke dorst te lessen. Het komt er voor ons nu op aan om die genade niet in de wind te slaan, want “nú is de tijd des welbehagens”. Wie door een waar geloof Christus verwacht, zal niet beschaamd worden.

Verder lezen: 2 Korintiërs 6:1-101 Maar als medewerkers (Gods) vermanen wij u ook de genade Gods niet tevergeefs te ontvangen, 2 want Hij zegt: ten tijde des welbehagens heb Ik u verhoord en ten dage des heils ben Ik u te hulp gekomen; zie, nú is het de tijd des welbehagens zie, nú is het de dag des heils. 3 Wij geven in geen enkel opzicht enige aanstoot, opdat onze bediening niet gesmaad worde, 4 maar wij doen onszelf in alles kennen als dienaren Gods: in veel dulden, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, 5 in slagen, in gevangenschappen, in oproeren, in moeiten, in nachten zonder slaap, in dagen zonder eten, 6 in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in rechtschapenheid, in de heilige Geest, in ongeveinsde liefde, 7 in de prediking van de waarheid, in de kracht Gods; met de wapenen der gerechtigheid in de rechterhand en in de linkerhand; 8 onder eer en smaad, in kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders en toch betrouwbaar; 9 als niet bekend en toch wèl bekend; als stervend en zie, wij leven; als getuchtigd, maar niet ten dode; 10 als bedroefd, maar altijd blijde; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend en toch alles bezittend.

—

13 mei

Jesaja 49:22-50:322 Zo zegt de Here Here: Zie, Ik zal mijn hand opheffen tot de volken en mijn banier omhoog heffen voor de natiën; in hun armen zullen zij uw zonen brengen, en uw dochters zullen op de schouder gedragen worden. 23 En koningen zullen uw voedstervader zijn en hun vorstinnen uw zoogsters; met het aangezicht ter aarde zullen zij zich voor u neerbuigen, en het stof uwer voeten zullen zij lekken. Dan zult gij weten, dat Ik de Here ben, en dat zij die Mij verwachten, niet beschaamd worden. 24 Kan aan een sterke de buit ontnomen worden, of zullen de gevangenen van hem die in zijn recht is, ontkomen? 25 Maar zo zegt de Here: Toch worden de gevangenen aan een sterke ontnomen, en ontkomt de buit van een geweldige. Ik zelf zal strijden tegen uw bestrijders en Ik zelf zal uw zonen redden. 26 En Ik zal uw verdrukkers hun eigen vlees doen eten, en van hun eigen bloed zullen zij dronken worden als van jonge wijn; en al het levende zal weten, dat Ik, de Here, uw Redder ben, en uw Verlosser, de Machtige Jakobs. 1 Zo zegt de Here: Waar toch is de scheidbrief uwer moeder, waarmede Ik haar verstoten heb? Of wie van mijn schuldeisers is het, aan wie Ik u verkocht heb? Zie, om uw ongerechtigheden zijt gij verkocht en om uw overtredingen is uw moeder verstoten. 2 Waarom was er niemand, toen Ik kwam, en antwoordde niemand, toen Ik riep? Is mijn hand dan werkelijk te kort om te verlossen, of is er in Mij geen kracht om te redden? Zie, door mijn dreigen leg Ik de zee droog en maak Ik rivieren tot een woestijn; hun vis wordt stinkend, omdat er geen water is, en sterft van dorst. 3 Ik kleed de hemelen in het zwart en geef hun een rouwgewaad tot bedekking.

Kan een sterke de buit ontnomen worden, of zullen gevangenen ontkomen? Op die bange vraag van Gods weggevoerde volk antwoordt de HEERE bevestigend. “Ik zelf zal strijden en uw zonen redden.” Toch voelt dat voor Israël tijdens de ballingschap vaak niet zo. Het is alsof God hen de rug heeft toegekeerd. Daarom vraagt de HEERE: Waar is dan de scheidbrief waarmee Ik u heb weggestuurd? Aan welke schuldeiser heb Ik u verkocht? Op dergelijke vragen moet Gods volk het antwoord schuldig blijven. Want God heeft Zijn verbond niet verbroken, noch Zijn volk willen verstoten. Maar “om uw ongerechtigheden zijt gij verkocht.” Het is de eigen schuld van Gods volk dat het van Hem vervreemd is geraakt. En dat geldt ook voor ons: van nature zijn wij slaven van de zonde. De duivel hield ons als een ‘sterke’ in zijn dodelijke greep. Maar Gods hand is niet te kort om te verlossen! Wat Hij bewijst in Christus, die als de Sterkere de duivel versloeg en Hem zijn buit ontnam. Christus betaalde met Zijn eigen bloed voor onze ongerechtigheden om ons voor eeuwig vrij te kopen.

Verder lezen: Romeinen 7:14-2514 Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde. 15 Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik. 16 Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet goed is. 17 Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. 18 Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet. 19 Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dát doe ik. 20 Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ík het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. 21 Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig; 22 want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods, 23 maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is. 24 Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? 25 Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!

—

14 mei

Opnieuw horen we de stem van de Knecht des HEEREN. En zien we een behoorlijk contrast met onszelf. Waar wij van nature onze oren sluiten voor Gods Woord en weerspannig zijn, daar is deze Knecht de volmaakte Leerling. Elke morgen laat Hij Zich het oor wekken om volkomen gehoorzaam te zijn aan de Vader. Die gehoorzaamheid kostte Hem echter niet weinig. “Mijn rug heb ik gegeven aan wie sloegen, en mijn wangen aan wie mij de baard uittrokken.” Hier voorzegt Jesaja het bittere lijden van onze Heiland. Hij werd gegeseld, bespot en in het gezicht gespuugd. Toch deinsde Hij niet terug. Hij maakte Zich op om de lijdensweg naar het kruis ten einde toe te gaan. Omdat Hij wist dat de Vader Hem zou helpen en rechtvaardigen. Deze profetie eindigt met een ernstige boodschap. Als we in donkere tegenspoed verkeren, moeten we niet ons eigen vuurtje willen stoken. Uit onszelf doen wij dat maar al te graag: vertrouwen op ons eigen denken en doen. Maar wie zulke ‘brandpijlen’ aansteekt, doet dat tevergeefs; hij zal door datzelfde vuur verteren. Wij moeten dan ook leren ons eigen vuur te doven en uitsluitend te steunen op de Heere. Wie vertrouwt op Christus, zal misschien wel onrecht lijden maar niet te schande worden. Want op Hem vertrouwen, dat doet niemand tevergeefs!

Verder lezen: 1 Petrus 2:19-2519 Want dit is genade, indien iemand, omdat hij met God rekening houdt, leed verdraagt, dat hij ten onrechte lijdt. 20 Want mag dát roem heten, als gij slagen moet verduren, omdat gij kwaad doet? Maar als gij goed doet en dan lijden moet verduren, dát is genade bij God. 21 Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden; 22 die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog is gevonden; 23 die, als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt; 24 die zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven; en door zijn striemen zijt gij genezen. 25 Want gij waart dwalende als schapen, maar thans hebt gij u bekeerd tot de herder en hoeder van uw zielen.—

15 mei

Jesaja 51:1-161 Hoort naar Mij, gij die de gerechtigheid najaagt, gij die de Here zoekt. Aanschouwt de rots waaruit gij gehouwen zijt, en de holte van de put waaruit gij gegraven zijt; 2 aanschouwt Abraham, uw vader, en Sara, die u baarde; want Ik riep hem als eenling en Ik zegende hem en vermenigvuldigde hem. 3 Want de Here troost Sion, Hij troost al haar puinhopen; Hij maakt haar woestijn als Eden en haar wildernis als de hof des Heren; blijdschap en vreugde zullen er gevonden worden, loflied en geklank van gezang. 4 Luistert naar Mij, mijn volk, en mijn natie, neig uw oor tot Mij. Want een wet zal van Mij uitgaan en mijn recht zal Ik stellen tot een licht der volken. 5 Mijn zege is nabij, mijn heil treedt te voorschijn, en mijn armen zullen de volken richten; op Mij zullen de kustlanden wachten en op mijn arm zullen zij hopen. 6 Heft uw ogen op naar de hemel en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel verdwijnt als rook, de aarde vergaat als een kleed en haar bewoners sterven als muggen, maar mijn heil duurt eeuwig en mijn gerechtigheid wordt niet verbroken. 7 Hoort naar Mij, gij die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart mijn wet is. Vreest niet voor de smaad van stervelingen, wordt niet verschrikt vanwege hun beschimpingen. 8 Want als een kleed verteert hen de mot en als wol verteert hen de worm; maar mijn gerechtigheid duurt eeuwig en mijn heil van geslacht tot geslacht. 9 Waak op, waak op, bekleed u met sterkte, gij arm des Heren! Waak op als in de dagen van ouds, van de geslachten uit de voortijd! Zijt gij het niet, die Rahab neergehouwen, de zeedraak doorboord hebt? 10 Zijt gij het niet, die de zee hebt drooggelegd, de wateren van de grote diepte; die de diepte der zee hebt gemaakt tot een weg, een doortocht voor verlosten? 11 De vrijgekochten des Heren zullen wederkeren en met gejubel in Sion komen; eeuwige vreugde zal op hun hoofd wezen, blijdschap en vreugde zullen zij verwerven, kommer en gezucht zullen wegvluchten. 12 Ik, Ik ben het, die u troost. Wie zijt gij, dat gij bevreesd zijt voor een sterfelijk mens, voor een mensenkind, dat als gras wordt weggeworpen; 13 dat gij vergeet de Here, uw Maker, die de hemel uitspande en de aarde grondvestte; dat gij bestendig, de gehele dag, verschrikt zijt vanwege de grimmigheid van de verdrukker, wanneer hij uit is op verderven? Waar is nu de grimmigheid van de verdrukker? 14 IJlings wordt de kromgeslotene ontboeid, hij zal niet sterven, niet in de groeve dalen en hem zal geen brood ontbreken. 15 Want Ik ben de Here, uw God, die de zee opzweep, zodat haar golven bruisen, wiens naam is Here der heerscharen. 16 Ik heb mijn woorden in uw mond gelegd en met de schaduw mijner hand heb Ik u bedekt, Ik, die de hemel uitspan en de aarde grondvest en tot Sion zeg: Gij zijt mijn volk.

God roept Zijn volk op om terug denken aan hun oorsprong, aan hun voorouders Abraham en Sara. Toen God hen riep, was er naar de mens gesproken geen enkel perspectief op nieuw leven. Toch bracht Hij uit hun ‘dode’ schoot een groot volk voort. Precies dát wonder zal de HEERE herhalen als het gaat om de puinhopen van Sion. Waarom is Israël dan toch zo bang, te midden van de Babylonische ballingschap? “Wie zijt gij, dat gij bevreesd zijt voor een sterfelijk mens?” Hier raakt de HEERE onze zwakste plek. Wij zijn vaak banger voor de mening of macht van mensen, dan voor de almachtige Schepper. We staren ons blind op tijdelijke dreiging en vergeten God. Zo raken we verstrikt in angst. Maar de profeet vertrouwt op de HEERE, en bidt of Zijn arm wil ontwaken om in te grijpen. En die smeekbede is heerlijk verhoord. Gods machtige arm ís ontwaakt, bij de verlossing uit Babel, maar ten volle wel in onze verlossing door Christus. Waar wij door onze zonden in een hopeloze doodsgreep vastzaten, baande Híj dwars door het oordeel een weg naar de eeuwige vrijheid. Door Zijn lijden en sterven zorgde Christus voor ons leven en hoeven wij voor niemand te beven. In Christus is God ons nabij en blijft Hij ons troosten met die zo heerlijke woorden: “Gij zijt mijn volk”.

Verder lezen: Romeinen 4:16-2516 Daarom is het (alles) uit geloof, opdat het zou zijn naar genade, en dus de belofte zou gelden voor al het nageslacht, niet alleen voor wie uit de wet, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is, 17 gelijk geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld - voor het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept. 18 En hij heeft tegen hoop op hoop geloofd, dat hij een vader van vele volken zou worden, volgens hetgeen gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn. 19 En zonder te verflauwen in het geloof heeft hij opgemerkt, dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara's moederschoot was gestorven; 20 maar aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode eer, 21 in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen. 22 Daarom [ook] werd het hem gerekend tot gerechtigheid. 23 Echter niet om zijnentwil alleen werd geschreven: het werd hem toegerekend, 24 maar ook om onzentwil, wie het zal worden toegerekend, ons, die ons geloof vestigen op Hem, die Jezus, onze Here, uit de doden opgewekt heeft, 25 die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging.—

16 mei

Jesaja 51:17-52:1217 Ontwaak, ontwaak, sta op, Jeruzalem; gij, die uit de hand des Heren de beker zijner grimmigheid hebt gedronken, de kelk der bedwelming hebt leeggedronken. 18 Van al de zonen die zij gebaard heeft, was er niemand die haar geleidde; en van al de zonen die zij grootgebracht heeft, was er niemand die haar bij de hand greep. 19 Deze beide dingen zijn u overkomen - wie zal u beklagen? - verwoesting en verderf, honger en zwaard - hoe zal Ik u troosten? 20 Uw zonen lagen machteloos neer aan de hoeken van alle straten, als een antiloop in de vangkuil; vol als zij waren van de grimmigheid des Heren, van de dreiging uws Gods. 21 Daarom, hoor toch dit, ellendige, en beschonkene, maar niet van wijn. 22 Zo zegt uw Here, de Here en uw God, die de rechtszaak van zijn volk verdedigt: Zie, Ik neem uit uw hand de beker der bedwelming; de kelk mijner grimmigheid zult gij niet langer drinken. 23 En Ik geef die in de hand van hen die u verdrukken, die tot u zeiden: Werp u neer, opdat wij over u heengaan; en gij maaktet uw rug als de aarde en als een straat voor wie daarover gingen. 1 Waak op, waak op, bekleed u met sterkte, Sion; bekleed u met uw pronkgewaden, Jeruzalem, heilige stad. Want geen onbesnedene of onreine zal meer in u komen. 2 Schud het stof van u af, welaan, zet u neder, Jeruzalem; maak de banden van uw hals los, gevangene, dochter Sions. 3 Want zo zegt de Here: Om niet zijt gij verkocht, zonder geld zult gij worden gelost. 4 Want zo zegt de Here Here: Eertijds trok mijn volk naar Egypte om daar als vreemdeling te vertoeven, en Assur heeft het zonder reden onderdrukt. 5 Thans echter, wat vind Ik hier? luidt het woord des Heren. Want om niet is mijn volk weggevoerd, zijn overheersers maken getier, luidt het woord des Heren, en voortdurend, de gehele dag, wordt mijn naam gelasterd. 6 Daarom zal mijn volk te dien dage mijn naam kennen, dat Ik het ben, die spreek: Zie, hier ben Ik. 7 Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aankondigt, die goede boodschap brengt, die heil verkondigt, die tot Sion spreekt: Uw God is Koning. 8 Hoor, uw wachters verheffen de stem, zij jubelen tezamen, want met eigen ogen zien zij, hoe de Here naar Sion wederkeert. 9 Breekt uit in gejuich, jubelt eenparig, puinhopen van Jeruzalem, want de Here heeft zijn volk getroost, Hij heeft Jeruzalem verlost. 10 De Here heeft zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volken en alle einden der aarde zullen zien het heil van onze God. 11 Vertrekt, vertrekt, gaat uit vandaar; raakt het onreine niet aan, gaat weg uit haar midden, reinigt u, gij die de vaten des Heren draagt. 12 Want niet overhaast zult gij uittrekken en niet in vlucht heengaan: de Here immers gaat voor u heen en uw achterhoede is de God van Israël.

Tijdens de ballingschap ligt Jeruzalem er woest en verlaten bij. Niemand van haar zonen kan haar bij de hand nemen. Maar de HEERE grijpt in. Hij neemt de beker van Zijn toorn weer uit haar hand en roept Sion op het stof af te schudden en zich te bekleden met pronkgewaden. Israël was “om niet” verkocht, maar wordt nu “zonder geld” gelost. Vreugdeboden snellen over de bergen met goed nieuws: de HEERE keert terug naar Sion! Hij leidt Zijn volk veilig uit Babel. Hij gaat voor hen uit en is hun achterhoede. Ook wij hebben onszelf door ongehoorzaamheid ‘om niet’ aan de zonde overgeleverd en Gods volle toorn verdiend. Wij kunnen onszelf onmogelijk redden. Hoe kan God zondaren als wij dan zonder geld verlossen? Alleen doordat de beker van Zijn toorn is overgegaan op Christus. Aan het kruis dronk Hij die voor ons tot de laatste druppel leeg. Dáárom mag het heerlijk evangelie klinken, inclusief de heilige roeping: “Vertrekt, raakt het onreine niet aan.” Gods volk moet voortdurend breken met de wereld en de zonde. Schud het stof van u af en bekleed u met het pronkgewaad van Christus. Dan bent u veilig. Want dan trekt de HEERE met u mee.

Verder lezen: 2 Korintiërs 6:14-7:114 Vormt geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeen met wetteloosheid, of welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis? 15 Welke overeenstemming is er tussen Christus en Belial, of welk deel heeft een gelovige samen met een ongelovige? 16 Welke gemeenschappelijke grondslag heeft de tempel Gods met afgoden? Wij toch zijn de tempel van de levende God, gelijk God gesproken heeft: Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. 17 Daarom gaat weg uit hun midden, en scheidt u af, spreekt de Here, en houdt niet vast aan het onreine. 18 en Ik zal u aannemen, en Ik zal u tot Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Here, de Almachtige. 1 Daar wij nu deze beloften bezitten, geliefden, laten wij ons reinigen van alle bezoedeling des vlezes en des geestes, en zo onze heiligheid volmaken in de vreze Gods.

—

17 mei

Jesaja 52:13-53:1213 Zie, mijn knecht zal voorspoedig zijn, hij zal verhoogd, ja, ten hoogste verheven zijn. 14 Zoals velen zich over u ontzet hebben - zozeer misvormd, niet meer menselijk was zijn verschijning, en niet meer als die der mensenkinderen zijn gestalte - 15 zó zal hij vele volken doen opspringen, om hem zullen koningen verstommen, want wat hun niet verteld was, zien zij, en wat zij niet gehoord hadden, vernemen zij. 1 Wie gelooft, wat wij gehoord hebben, en aan wie is de arm des Heren geopenbaard? 2 Want als een loot schoot hij op voor zijn aangezicht, en als een wortel uit dorre aarde; hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd. 3 Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht. 4 Nochtans, onze ziekten heeft hij op zich genomen, en onze smarten gedragen; wij echter hielden hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte. 5 Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden. 6 Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de Here heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen. 7 Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open. 8 Hij is uit verdrukking en gericht weggenomen, en wie onder zijn tijdgenoten bedacht, dat hij is afgesneden uit het land der levenden? Om de overtreding van mijn volk is de plaag op hem geweest. 9 En men stelde zijn graf bij de goddelozen; bij de rijke was hij in zijn dood, omdat hij geen onrecht gedaan heeft en geen bedrog in zijn mond is geweest. 10 Maar het behaagde de Here hem te verbrijzelen. Hij maakte hem ziek. Wanneer hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zien en een lang leven hebben en het voornemen des Heren zal door zijn hand voortgang hebben. 11 Om zijn moeitevol lijden zal hij het zien tot verzadiging toe; door zijn kennis zal mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, en hun ongerechtigheden zal hij dragen. 12 Daarom zal Ik hem een deel geven onder velen en met machtigen zal hij de buit verdelen, omdat hij zijn leven heeft uitgegoten in de dood, en onder de overtreders werd geteld, terwijl hij toch veler zonden gedragen en voor de overtreders gebeden heeft.

In dit bekende gedeelte lezen we over de lijdende Knecht des HEEREN. Voor Wie mensen hun gezicht met afschuw verbergen. Hij is veracht en verlaten. Zijn tijdgenoten dachten zelfs dat Hij door God vervloekt en gestraft werd vanwege Zijn eigen zonden: “een door God geslagene”. Maar Hij is zonder zonden! Zijn lijden is puur plaatsvervangend. Hij werd verbrijzeld en doorboord vanwege de overtredingen van het volk. Als een onschuldig Lam liet Hij Zich ter slachting leiden. Als het ware Paaslam, dat voor ons geslacht werd. Het is een even heerlijke als ernstige profetie. Want de lijdende knecht, dat is hier niet Gods volk, zoals de hedendaagse joden menen. Nee, het gaat hier over Christus en wat Hij gedaan heeft voor ons. De HEERE deed ónze schuld op Hem neerkomen. Christus is aan het kruis verbrijzeld, in ónze plaats. Hij gaf Zijn leven als een schuldoffer. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem. Door Zijn striemen is er voor ons een eeuwige genezing. Christus is de Rechtvaardige, die ons rechtvaardigmaakt door onze ongerechtigheden te dragen. Laten wij Hem dan niet verachten maar van Hem alleen de zaligheid verwachten.

Verder lezen: Handelingen 8:26-3526 En een engel des Heren sprak tot Filippus en zeide: Sta op en ga tegen de middag de weg op, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza. Deze is eenzaam. 27 En hij stond op en ging. En zie, een Ethiopiër, een kamerling, een rijksgrote van Kandake, de koningin der Ethiopiërs, haar opperschatbewaarder, was naar Jeruzalem gegaan om te aanbidden; 28 en hij was op de terugweg en las, in zijn wagen gezeten, de profeet Jesaja. 29 En de Geest zeide tot Filippus: Treed toe en voeg u bij deze wagen. 30 En Filippus liep snel erheen en hoorde hem de profeet Jesaja lezen en zeide: Verstaat gij wat gij leest? 31 En hij zeide: Hoe zou ik dit kunnen, als niet iemand mij de weg wijst? En hij verzocht Filippus in te stappen en naast hem te komen zitten. 32 En het gedeelte van de Schrift, dat hij las, was dit: Gelijk een schaap werd Hij ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is tegenover de scheerder, zo doet Hij zijn mond niet open. 33 In de vernedering werd zijn oordeel weggenomen: wie zal zijn afkomst verhalen? Want zijn leven wordt van de aarde weggenomen. 34 En de kamerling antwoordde, en zeide tot Filippus: Ik vraag u, van wie zegt de profeet dit? Van zichzelf of van iemand anders? 35 En Filippus opende zijn mond, en uitgaande van dat schriftwoord, predikte hij hem Jezus.

—

18 mei

Jesaja 541 Jubel, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt; breek uit in gejubel en juich, gij die geen weeën gekend hebt, want de kinderen der eenzame zijn talrijker dan de kinderen der gehuwde, zegt de Here. 2 Maak de plaats voor uw tent wijd, en men spanne de kleden uwer woningen uit, wees er niet karig mee, maak uw touwen lang en sla uw pinnen vast. 3 Want naar rechts en links zult gij uitbreiden en uw nageslacht zal de volken in bezit nemen en de verwoeste steden bevolken. 4 Vrees niet, want gij zult niet beschaamd staan; word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; ja, gij zult de schande van uw jeugd vergeten en aan de smaad van uw weduwschap niet meer denken. 5 Want uw man is uw Maker, Here der heerscharen is zijn naam; en uw losser is de Heilige Israëls, God der ganse aarde zal Hij genoemd worden. 6 Want als een verlaten en diep bedroefde vrouw heeft u de Here geroepen, als een vrouw uit de jeugdtijd, nadat zij versmaad werd - zegt uw God. 7 Een kort ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot Mij nemen; 8 in een uitstorting van toorn heb Ik mijn aangezicht een ogenblik voor u verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid ontferm Ik Mij over u, zegt uw Losser, de Here. 9 Dit is Mij als in de dagen van Noach: zoals Ik gezworen heb, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden komen, zo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer toornig op u zal zijn noch u zal dreigen. 10 Want bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en mijn vredesverbond zal niet wankelen, zegt uw Ontfermer, de Here. 11 Gij, ellendige, door storm voortgedrevene, ongetrooste, zie, Ik leg uw stenen in blinkend erts, Ik grondvest u op lazuurstenen, 12 Ik maak uw tinnen van robijnen, uw poorten van karbonkelstenen en uw gehele omwalling van edelsteen. 13 Al uw zonen zullen leerlingen des Heren zijn, en het heil uwer zonen zal groot zijn; 14 door gerechtigheid zult gij bevestigd worden. Weet u verre van onderdrukking, want gij hebt niet te vrezen, en van verschrikking, want zij zal tot u niet naderen. 15 Valt men heftig aan, dan gaat dat van Mij niet uit; wie u aanvalt, zal over u vallen. 16 Zie, Ik ben het, die de smid geschapen heb, welke het kolenvuur aanblaast en naar zijn kunst het wapen vervaardigt, maar Ik ben het ook, die de verderver geschapen heb om te vernielen. 17 Elk wapen dat tegen u gesmeed wordt, zal niets uitrichten, en elke tong die zich voor het gericht tegen u keert, zult gij in het ongelijk stellen. Dit is het deel van de knechten des Heren en hun recht van Mijnentwege, luidt het woord des Heren.

Meteen na het gedeelte over de lijdende Knecht des HEEREN, klinkt er een machtig jubellied over Sion, de kerk. Jeruzalem ligt er in de ballingschap bij als een onvruchtbare vrouw, een eenzame weduwe. Het lijkt alsof haar tijd definitief voorbij is. Maar de HEERE roept haar op om uit te breken in gejuich. Want haar kinderen zullen ontelbaar zijn! Geestelijke kinderen zal zij baren, door de prediking van het Woord. God Zelf is immers de Man en Losser van Zijn volk. De ballingschap was slechts een kort ogenblik van Zijn toorn, maar straks ontfermt de HEERE Zich over Sion met eeuwige goedertierenheid. Bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar Gods goedertierenheid en Zijn vredesverbond zullen standhouden in eeuwigheid. Deze troostrijke belofte wordt vervuld op grond van het volbrachte werk van de lijdende Knecht des HEEREN. Omdat Christus Gods toorn voor ons heeft weggedragen, delen wij in Gods eeuwige vredesverbond. Van nature zijn wij geestelijk onvruchtbaar, ellendig en door de zonde voortgedreven. Maar wie de toevlucht neemt tot Christus, ontvangt Zijn gerechtigheid. De vijand zal de kerk nog wel aanvallen, maar geen enkel wapen zal haar wezenlijk kunnen schaden. Niets kan ons scheiden van Gods liefde. Want in Christus ligt onze verlossing voor eeuwig vast!

Verder lezen: Romeinen 8:31-3931 Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn? 32 Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken? 33 Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt; 34 wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit. 35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard? 36 Gelijk geschreven staat: Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen. 37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad. 38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, 39 noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here.—

19 mei

Jesaja 551 O, alle dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet; ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk. 2 Waarom weegt gij geld af voor wat geen brood is en uw vermogen voor wat niet verzadigen kan? Hoort aandachtig naar Mij, opdat gij het goede eet en uw ziel zich in overvloed verlustige. 3 Neigt uw oor en komt tot Mij; hoort, opdat uw ziel leve; Ik zal met u een eeuwig verbond sluiten: de betrouwbare genadebewijzen van David. 4 Zie, Ik heb hem tot een getuige voor de natiën gesteld, tot een vorst en gebieder der natiën. 5 Zie, een volk dat gij niet kendet, zult gij roepen, en een volk dat u niet kende, zal tot u snellen ter wille van de Here, uw God, en van de Heilige Israëls, omdat Hij u verheerlijkt heeft. 6 Zoekt de Here, terwijl Hij Zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. 7 De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de Here, dan zal Hij Zich over hem ontfermen - en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig. 8 Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des Heren. 9 Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten. 10 Want zoals de regen en de sneeuw van de hemel neerdaalt en daarheen niet weerkeert, maar doorvochtigt eerst de aarde en maakt haar vruchtbaar en doet haar uitspruiten en geeft zaad aan de zaaier en brood aan de eter, 11 alzo zal mijn woord, dat uit mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend. 12 Want in vreugde zult gij uittrekken en in vrede geleid worden; de bergen en de heuvelen zullen voor u uitbreken in gejuich en alle bomen des velds zullen in de handen klappen. 13 Voor een doornstruik zal een cypres opschieten, voor een distel zal een mirt opschieten, en het zal de Here zijn tot een naam, tot een eeuwig teken, dat niet uitgeroeid zal worden.

Als een marktkoopman laat de HEERE Zijn stem horen aan Zijn volk in ballingschap: “O, alle dorstigen, komt tot de wateren!” Israël sloofde zich af voor zaken die niet echt konden verzadigen. Waarom geld en moeite besteden aan afgoderij en valse leer, in plaats van aan het gezonde voedsel van Gods Woord? God biedt de ware zaligheid aan, gratis en voor niets. Kom, koop zónder geld! Hij roept dringend op goddeloze wegen te verlaten en Hem te zoeken nu Hij Zich laat vinden. Zijn gedachten van genade reiken immers oneindig veel hoger dan onze zondige gedachten. Deze nodiging klinkt vandaag ook tot ons. Wij zijn van nature wel dorstig, maar zoeken al gauw verzadiging in verkeerde dingen. We verspillen ons leven maar zo aan aardse zaken die de ziel niet kunnen voeden, of proberen met eigen vroomheid vrede bij God te ‘kopen’. Maar God roept: kom en koop zónder prijs! Dat kan alleen omdat Christus de losprijs betaalde. “Mij dorst”, riep Hij aan het kruis, waaraan Hij leed om onze dorst te lessen, om ons het water des levens te schenken. Ga dan ook geen eigenwillige wegen, maar zoek de HEERE nu Hij nabij is. Kom tot Christus en ontvang de zaligheid, gratis en voor niets!

Verder lezen: Johannes 7:37-4437 En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! 38 Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. 39 Dit zeide Hij van de Geest, welke zij, die tot geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was. 40 Sommigen dan uit de schare, die naar deze woorden geluisterd hadden, spraken: Deze is waarlijk de profeet. 41 Anderen zeiden: Deze is de Christus; weer anderen zeiden: De Christus komt toch niet uit Galilea? 42 Zegt de Schrift niet, dat de Christus komt uit het geslacht van David en van het dorp Betlehem, waar David was? 43 Er ontstond dan verdeeldheid bij de schare om Hem; 44 en sommigen van hen wilden Hem grijpen, maar niemand sloeg de handen aan Hem.

—

20 mei

Jesaja roept Gods volk op om recht te doen, want Zijn heil is nabij. Wie vasthoudt aan Gods verbond en de sabbat eert, wordt gezegend. En dat is alleen mogelijk dankzij Christus, in wie Gods heil is verschenen. Vervolgens klinkt er een wonderlijke belofte. Onder de wet van Mozes stonden ontmanden en vreemdelingen buiten de tempeldienst. Een ontmande voelde zich een dorre boom zonder nageslacht, en de vreemdeling vreesde voor altijd buitengesloten te zijn. Maar de HEERE gooit de deuren wijd open! Wie Hem dient, krijgt een onuitwisbare naam in Zijn huis. Vreemdelingen naderen de heilige berg en hun offers worden aanvaard. Gods huis wordt een bedehuis voor álle volken. Hij verzamelt de verdrevenen van Zijn volk en voegt er nog velen aan toe. Deze profetie wijst heerlijk vooruit. Van nature zijn ook wij als dorre bomen en vreemdelingen: onvruchtbaar en vervreemd van Gods verbond. Maar door Christus is de scheidsmuur afgebroken. Wie zich door Gods genade aan Hem verbindt, is niet langer een buitengeslotene. God vergadert Zijn kerk uit alle volken, ongeacht afkomst. Laten wij daarom gehoorzaam leven als Zijn verbondsvolk, Zijn dag eren. Niet als vreemdelingen, maar als kinderen van de Vader in Zijn huis.

Verder lezen: Efeziërs 2:11-2211 Bedenkt daarom dat gij, die vroeger heidenen waart naar het vlees, en onbesneden genoemd werdt door de zogenaamde besnijdenis, die werk van mensenhanden aan het vlees is, 12 dat gij te dien tijde zonder Christus waart, uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld. 13 Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen door het bloed van Christus. 14 Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, 15 doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, 16 en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft. 17 En bij zijn komst heeft Hij vrede verkondigd aan u, die veraf waart, en vrede aan hen, die dichtbij waren; 18 want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader. 19 Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, 20 gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is. 21 In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here, 22 in wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.—

21 mei

Jesaja 56:9-57:139 Alle gedierte des velds, komt om te eten, alle gedierte in het woud! 10 De wachters zijn blind, zij allen hebben geen kennis, zij zijn allen stomme honden, die niet kunnen blaffen; dromend liggen zij neer, zij hebben de sluimering lief. 11 En deze honden zijn vraatzuchtig, zij kennen geen verzadiging; zij zijn herders, die niet weten acht te geven, zij wenden zich allen naar hun eigen weg, ieder naar zijn gewin, niemand uitgezonderd. 12 Komt, (zeggen zij:) ik zal wijn halen en laten wij bedwelmende drank zwelgen, en de dag van morgen zal zijn als die van vandaag, nog veel geweldiger. 1 De rechtvaardige komt om en er is niemand, die het zich aantrekt, en de vromen worden weggerukt, terwijl niemand er acht op slaat, want vanwege de boosheid wordt de rechtvaardige weggerukt; hij gaat in vrede; 2 zij die de rechte weg bewandeld hebben, rusten op hun legersteden. 3 Maar, gij, nadert herwaarts, kinderen van een tovenares, nakroost van echtbreker en overspeelster. 4 Over wie maakt gij u vrolijk, tegen wie spert gij de mond open, steekt gij de tong uit? Zijt gij geen kinderen der zonde, leugengebroed? 5 Gij, die in wellust ontbrandt bij de terebinten, onder elke groene boom; die de kinderen slacht in de dalen, in de rotsspleten; 6 bij de gladde stenen in het dal is uw deel; ja, die zijn uw lot; ook daarvoor hebt gij plengoffer uitgegoten, spijsoffer gebracht. Zou Ik daarmede vrede hebben? 7 Op een hoge en verheven berg hebt gij uw legerstede opgeslagen; ook daarheen zijt gij opgeklommen om slachtoffers te brengen. 8 En achter deur en post hebt gij uw herinneringstekens gesteld, want buiten Mij om hebt gij uw legerstede opgeslagen en zijt opgeklommen, hebt gij uw legerstede ruim gemaakt; gij hebt u loon bedongen van hen wier bijslaap gij hebt liefgehad, wier schaamte gij hebt gezien. 9 Gij kwaamt met olie tot de Moloch, gij bereiddet overvloed van zalven; gij zondt uw boden uit tot in de verte, ja, gij vernederdet u tot in het dodenrijk. 10 Door uw verre tocht werdt gij moede, toch hebt gij niet gezegd: Ik geef het op. Nieuwe kracht hebt gij gevonden; daarom werdt gij niet uitgeput. 11 En voor wie waart gij beducht en bevreesd, dat gij trouweloos werdt en aan Mij niet gedacht hebt, zonder u daarvan iets aan te trekken? Zweeg Ik niet en dat van overlang, zodat gij Mij niet vreesdet? 12 Ik zal bekendmaken, wat uw gerechtigheid en uw werken zijn: zij zullen u niets baten; 13 wanneer gij schreeuwt, mag uw godenvergadering u redden. Maar de wind neemt hen allen op, een tocht vaagt hen weg. Doch wie bij Mij schuilt, zal het land beërven en mijn heilige berg bezitten.

Na de heerlijke beloften uit het vorige gedeelte, klinkt nu een ernstige oordeelsprofetie. De geestelijke leiders van Israël schieten ernstig tekort. Jesaja noemt hen blinde wachters en stomme honden die de kudde niet waarschuwen, maar enkel uit zijn op hun eigen gewin en genot. In deze geestelijke duisternis sterven de rechtvaardigen, zonder dat iemand het opmerkt. Toch is hun dood geen straf: God neemt hen in Zijn genade weg voor het komende onheil en geeft hun vrede. Daartegenover staat het volk dat afgoden dient. Met harde woorden klaagt de HEERE hun geestelijk overspel aan. Ze zoeken hun heil buiten God om en maken zich zelfs schuldig aan kinderoffers. Ze vrezen dode goden, maar de levende God van het verbond zijn ze vergeten. God maakt echter duidelijk dat hun afgoden hen niet zullen redden in het oordeel; een zuchtje wind blaast ze zo weg. En hoe snel bouwen ook wij op ‘afgoden’, we vertrouwen maar zo op ons geld of goed. Maar daarmee zullen we het niet redden. Er is slechts één uitweg, zo geeft de HEERE aan: “Wie bij Mij schuilt, zal mijn heilige berg bezitten.” Onze enige, ware schuilplaats is Christus. Hij immers is de Rechtvaardige, die in onze plaats de straf droeg. Wie bij Hem schuilt, is voor eeuwig veilig, en wordt verlost van de komende toorn.

Verder lezen: Ezechiël 34:1-101 Het woord des Heren kwam tot mij: 2 Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer en zeg tot hen, tot die herders: zo zegt de Here Here: wee de herders van Israël, die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden? 3 Het vet eet gij, met de wol kleedt gij u, het gemeste slacht gij, maar de schapen weidt gij niet; 4 zwakke versterkt gij niet, zieke geneest gij niet, gewonde verbindt gij niet, afgedwaalde haalt gij niet terug, verlorene zoekt gij niet, maar gij heerst over hen met hardheid en geweldenarij. 5 Zij raken verstrooid, omdat er geen herder is, en worden tot voedsel voor al het gedierte des velds; zo raken zij verstrooid. 6 Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel; over de gehele aarde zijn mijn schapen verstrooid zonder dat er iemand is die naar hen vraagt of ze zoekt. 7 Daarom, gij herders, hoort het woord des Heren. 8 Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here Here, omdat mijn schapen tot een prooi geworden zijn, omdat mijn schapen tot voedsel geworden zijn voor al het gedierte des velds doordat er geen herder is - want mijn herders vragen niet naar mijn schapen; de herders weiden zichzelf, maar mijn schapen weiden zij niet - 9 daarom, gij herders, hoort het woord des Heren. 10 Zo zegt de Here Here: Zie, Ik zàl die herders! Ik eis mijn schapen van hen terug, en Ik zal een eind maken aan dat schapenweiden van hen. De herders zullen niet langer zichzelf weiden, Ik zal mijn schapen uit hun mond redden, zodat die hun niet meer tot voedsel dienen.—

22 mei

God is volmaakt heilig en hoogverheven. Hij woont en troont in de hemel. Toch wil Hij ook op aarde wonen, en wel bij mensen die gebroken en nederig van hart zijn. Maar hoe krijgen we zo’n hart? Niet vanzelf of uit onszelf. Dat bleek wel bij Israël: ondanks Gods liefdevolle vermaningen liep het volk koppig verder op een zondige weg. Als God Zijn volk aan zichzelf zou hebben overgelaten, zou het voorgoed zijn omgekomen. Maar hier schittert het wonder van Zijn genade. Ondanks de weerspannigheid van Zijn volk, zoekt en werkt God Zelf hun bekering! Hij oordeelt niet definitief, want Hij zegt vol troost: “Zijn wegen heb Ik gezien, doch Ik zal hem genezen.” Waar Gods volk vastloopt vanwege de eigen zonden, maakt God Zelf de weg voor hen vrij. Hij is het die ons van nature hoogmoedige hart verandert en ware nederigheid in ons uitwerkt. En Hij schenkt ons de eeuwige vrede, in en door Christus. Toch klinkt er ook een ernstige waarschuwing. Er zijn en blijven immers mensen die zich niet laten bekeren. Wie volhardt in zijn zonde, lijkt op een woeste zee die voortdurend modder opwerpt. “De goddelozen”, zegt God, “hebben geen vrede.” Laat die waarschuwing ons des te meer uitdrijven naar onze Heiland. Wie met een verbrijzeld hart bij Christus schuilt, ontvangt de eeuwige vrede en rust.

Verder lezen: Hosea 14:2-102 Bekeer u, Israël, tot de Here, uw God, want door uw ongerechtigheid zijt gij gestruikeld. 3 Komt met woorden van schuldbelijdenis, bekeert u tot de Here, zegt tot Hem: Vergeef de ongerechtigheid geheel en al, en wees genadig; wij bieden als offerstieren de belijdenis onzer lippen. 4 Assur zal ons niet verlossen, op paarden zullen wij niet rijden. En wij zullen niet meer zeggen tot het werk onzer handen: Onze God! Want van U verkrijgt de wees barmhartigheid. 5 Ik zal hun afkerigheid genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want mijn toorn keert zich van hen af. 6 Ik zal zijn als de dauw voor Israël, hij zal bloeien als een lelie, en zijn wortelen uitstrekken als de Libanon. 7 Zijn loten zullen uitlopen; zijn pracht zal zijn als die van een olijfboom en zijn geur als die van de Libanon. 8 Zij die in zijn schaduw wonen, zullen weer koren verbouwen. Ja, zij zullen bloeien als een wijnstok, beroemd als de wijn van de Libanon. 9 Efraïm, wat heb Ik nog met de afgoden te doen? - Ik verhoor hem en zie hem aan. - Ik ben als een altijdgroene cypres, aan Mij is uw vrucht te danken. 10 Wie wijs is, geve op deze dingen acht; wie verstandig is, erkenne ze. Want de wegen des Heren zijn recht: rechtvaardigen wandelen daarop, maar overtreders struikelen er.—

23 mei

Jesaja 581 Roep luidkeels, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin en maak mijn volk zijn overtreding bekend en het huis van Jakob zijn zonden. 2 Wel zoeken zij Mij dag aan dag en hebben zij een welgevallen aan de kennis mijner wegen, als een volk dat gerechtigheid doet en het recht van zijn God niet veronachtzaamt. Zij vragen Mij rechtvaardige verordeningen, zij hebben er een welgevallen aan tot God te naderen. 3 Waarom vasten wij, als Gij er toch niet op let: verootmoedigen wij ons, als Gij er toch geen acht op slaat? Zie, op uw vastendag doet gij zaken en drijft gij al uw arbeiders aan. 4 Zie, tot twist en tot strijd vast gij en om te slaan met snode vuist; gij vast heden niet om uw stem in den hoge te doen horen. 5 Zou dit het vasten zijn, dat Ik verkies, een dag, waarop de mens zichzelf verootmoedigt: dat hij zijn hoofd laat hangen als een bieze en zich rouwgewaad en as tot een leger spreidt? Noemt gij dat een vasten, dat een dag die de Here welgevallig is? 6 Is dit niet het vasten dat Ik verkies: de boeien der goddeloosheid los te maken, de banden van het juk te ontbinden, verdrukten vrij te laten en elk juk te verbreken? 7 Is het niet, dat gij voor de hongerige uw brood breekt en arme zwervelingen in uw huis brengt, ja, als gij een naakte ziet, dat gij hem bekleedt en u niet onttrekt aan uw eigen vlees en bloed? 8 Dan zal uw licht doorbreken als de dageraad en uw wond zich spoedig sluiten; uw heil zal voor u uit gaan, de heerlijkheid des Heren zal uw achterhoede zijn. 9 Als gij dan roept, zal de Here antwoorden; als gij om hulp roept, zal Hij zeggen: Hier ben Ik. Wanneer gij uit uw midden het juk wegdoet, het wijzen met de vinger en het spreken van boosheid nalaat, 10 wanneer gij de hongerige schenkt wat gij zelf begeert en de verdrukten verzadigt, dan zal in de duisternis uw licht opgaan en uw donkerheid zal zijn als de middag. 11 En de Here zal u voortdurend leiden, u in dorre streken verzadigen en uw gebeente krachtig maken; dan zult gij zijn als een besproeide hof en als een bron, waarvan het water niet teleurstelt. 12 En de uwen zullen de overoude puinhopen herbouwen, de grondvesten van vorige geslachten zult gij herstellen, en men zal u noemen: Hersteller van bressen, Herbouwer van straten. 13 Indien gij niet over de sabbat heenloopt door uw zaken te doen op mijn heilige dag, maar de sabbat een verlustiging noemt, de heilige dag des Heren van gewicht, en die eert door noch uw gewone bezigheden te doen, noch uw zaken te behartigen, of ijdele taal uit te slaan, 14 dan zult gij u verlustigen in de Here en Ik zal u doen rijden over de hoogten der aarde en u doen genieten het erfdeel van uw vader Jakob, want de mond des Heren heeft het gesproken.

Jesaja moet de schijnvroomheid van Gods volk blootleggen. Aan de buitenkant lijken de Israëlieten heel vroom. Ze vasten, bezoeken de tempel en bidden tot God. Maar ze doen dat niet van harte. Ook denken ze met hun godsdienst wat bij God te verdienen. Ze verbazen zich erover dat ze niets van Hem merken. “Waarom vasten wij, als U er toch niet op let?” Ze denken dat de HEERE wel een behagen in hen moet hebben om alles wat zij doen, maar hun huichelarij is Hem een gruwel. Terwijl ze in rouwgewaad hun hoofd laten hangen, buiten ze hun arbeiders uit en leven ze enkel voor eigen gewin. Ze doen slechts aan uiterlijke godsdienst, puur voor de vorm, zonder innerlijke liefde. Maar wat de HEERE wil, is hartelijke liefde tot Hem en de naaste. Het ware vasten bestaat dan ook in zaken als oog hebben voor verdrukten en hongerigen, en zich verlustigen in de sabbat. Dat doen wij niet uit onszelf, maar het is Christus die daar door Zijn Geest voor zorgt. Wanneer Zijn Geest ons hart vernieuwt, verdwijnt bij ons alle schijnvroomheid. Dan gaan we in liefde God dienen en Zijn rustdag vieren zoals Hij het van ons vraagt en zoals het Hem behaagt. Dan verlustigen we ons in de HEERE en gaat Zijn heil voor ons uit.

Verder lezen: Matteüs 6:5-185 En wanneer gij bidt, zult gij niet zijn als de huichelaars, want zij staan gaarne in de synagogen en op de hoeken der pleinen te bidden, om zich aan de mensen te vertonen. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds. 6 Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het verborgene; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. 7 En gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden. 8 Wordt hun dan niet gelijk, want [God] uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt. 9 Bidt gij dan aldus: Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; 10 uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde. 11 Geef ons heden ons dagelijks brood; 12 en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; 13 en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. [Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.] 14 Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; 15 maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven. 16 En wanneer gij vast, toont dan niet, zoals de huichelaars, een somber gelaat; want zij maken hun aangezicht ontoonbaar, om zich aan de mensen te vertonen, wanneer zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds. 17 Maar gij, zalf uw hoofd, als gij vast, en was uw gelaat, 18 om u niet bij uw vasten aan de mensen te vertonen, maar aan uw Vader, die in het verborgene is; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.

—

24 mei

Jesaja 591 Zie, de hand des Heren is niet te kort om te verlossen, en zijn oor niet te onmachtig om te horen; 2 maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort. 3 Want uw handen zijn met bloed bezoedeld en uw vingers met ongerechtigheid; uw lippen spreken leugen, uw tong prevelt onrecht. 4 Er is niemand die een gegronde aanklacht indient, en niemand die naar waarheid richt; zij vertrouwen op ijdelheid, spreken valsheid, gaan zwanger van moeite en baren onheil. 5 Zij broeden eieren van giftige slangen uit en weven spinnewebben. Wie van hun eieren eet, zal sterven; als er een ingedrukt wordt, berst er een adder uit. 6 Hun webben deugen niet tot kleding, en met hun maaksels kunnen zij zich niet bedekken; hun maaksels zijn maaksels van boosheid, en gewelddaden zijn in hun handen. 7 Hun voeten snellen naar het kwade en haasten zich om onschuldig bloed te vergieten; hun gedachten zijn onheilsgedachten, verwoesting en verderf zijn op hun wegen. 8 De weg des vredes kennen zij niet, en er is geen recht in hun sporen; zij gaan langs kronkelpaden; niemand die ze betreedt, kent vrede. 9 Daarom blijft het recht ver van ons en de gerechtigheid bereikt ons niet. Wij wachten op licht en zie, er is duisternis; op stralende helderheid en wandelen in dichte donkerte. 10 Wij tasten als blinden langs de wand, als wie geen ogen hebben, tasten wij; wij struikelen op de middag als in de schemering, wij zijn in de kracht van ons leven aan doden gelijk. 11 Wij grommen allen als beren en kirren droevig als duiven; wij wachten op recht, maar het is er niet; op verlossing, maar zij blijft verre van ons. 12 Want onze overtredingen zijn talrijk voor U en onze zonden getuigen tegen ons; van onze overtredingen zijn wij ons bewust en onze ongerechtigheden kennen wij: 13 overtreden, verloochenen van de Here, afvallen van onze God, spreken van onderdrukking en afwijking, zwanger gaan van leugentaal en die uit het binnenste voortbrengen. 14 Het recht wordt teruggedrongen en de gerechtigheid blijft verre staan, want de waarheid struikelt op het plein en oprechtheid vindt geen ingang. 15 Zo ontbreekt de waarheid en wie wijkt van het kwade, wordt het slachtoffer van uitbuiting. Maar de Here zag het en het was kwaad in zijn ogen, dat er geen recht was. 16 Hij zag, dat er niemand was, en Hij ontzette Zich, omdat niemand tussenbeide trad. Toen bracht zijn arm Hem hulp en zijn gerechtigheid ondersteunde Hem; 17 Hij bekleedde Zich met gerechtigheid als met een pantser en de helm des heils was op zijn hoofd; Hij bekleedde Zich met wraak als met een gewaad en Hij hulde Zich in ijver als in een mantel. 18 Naar de daden zal Hij vergelden: grimmigheid aan zijn tegenstanders, vergelding aan zijn vijanden; aan de kustlanden zal Hij vergelding doen. 19 En men zal vanwaar de zon ondergaat de naam des Heren vrezen en vanwaar zij opgaat zijn heerlijkheid, want Hij komt als een onstuimige rivier, door de adem des Heren voortgezweept. 20 Maar als Verlosser komt Hij voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren, luidt het woord des Heren. 21 En wat Mij aangaat, dit is mijn verbond met hen, zegt de Here. Mijn Geest, die op u is, en mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, zullen niet wijken uit uw mond noch uit de mond van uw kroost, noch uit de mond van het kroost van uw kroost, zegt de Here, van nu aan tot in eeuwigheid.

God is bij machte Zijn volk te verlossen en te verhoren, maar hun zonden brengen een dodelijke scheiding teweeg tussen hen en Hem. Jesaja bepaalt het volk bij hun verdorvenheid. Hun werken zijn giftig als slangen. Het recht is ver te zoeken en ze tasten als blinden in de duisternis. Deze ontdekking brengt hen ten slotte tot een eerlijke schuldbelijdenis: “Onze overtredingen zijn talrijk voor U en onze zonden getuigen tegen ons.” Maar wie kan het volk redden? God ziet dat er niemand is die als middelaar tussenbeide kan treden. Omdat de mens zichzelf onmogelijk kan bevrijden, grijpt de HEERE Zelf in. Zijn eigen arm brengt redding! Hij bekleedt Zich met het pantser van gerechtigheid en zet de helm des heils op. En dat wel bij uitstek in Christus. Híj is onze Verlosser en Middelaar. Hij kwam voor Sion, voor eenieder die zich met oprecht berouw van zijn overtredingen tot Hem bekeert. En door Hem vervult God die zo heerlijke belofte: Zijn Geest en Woord zullen tot in eeuwigheid niet van ons wijken. En de wapenrusting Gods, die de Heere in dit hoofdstuk Zelf aantrekt, schenkt Christus nu ook aan óns, opdat wij krachtig zijn “in de Here en in de sterkte zijner macht”.

Verder lezen: Efeziërs 6:10-2010 Voorts, weest krachtig in de Here en in de sterkte zijner macht. 11 Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels; 12 want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. 13 Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden. 14 Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid, bekleed met het pantser der gerechtigheid, 15 de voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes; 16 neemt bij dit alles het schild des geloofs ter hand, waarmede gij al de brandende pijlen van de boze zult kunnen doven; 17 en neemt de helm des heils aan en het zwaard des Geestes, dat is het woord van God. 18 En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen; 19 ook voor mij, dat mij bij het openen van mijn mond het woord geschonken worde, om vrijmoedig het geheimenis van het evangelie bekend te maken, 20 waarvoor ik een gezant ben in ketenen. Dan zal ik daartoe vrijmoedig kunnen optreden, zoals ik behoor te spreken.

—

25 mei

Jesaja 601 Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heren gaat over u op. 2 Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de Here opgaan en zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. 3 Volken zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang. 4 Hef uw ogen op en zie rondom: zij allen verzamelen zich, komen tot u; uw zonen komen van verre en uw dochters worden op de heup aangedragen. 5 Dan zult gij het zien en stralen van vreugde; uw hart zal zich ontroerd verruimen, want tot u zal de rijkdom der zee zich wenden, het vermogen der volken zal tot u komen. 6 Een menigte kamelen zal u overdekken, jonge kamelen van Midjan en Efa; uit Seba zullen zij allen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen en de roemrijke daden des Heren blijde verkondigen. 7 Al de schapen van Kedar zullen zich voor u verzamelen, de rammen van Nebajot zullen zich u ten dienste stellen; zij zullen als een welgevallig offer op mijn altaar komen en aan mijn luisterrijk huis zal Ik luister verlenen. 8 Wie zijn dezen, die als een wolk komen aangevlogen en als duiven naar hun til? 9 Want op Mij zullen de kustlanden wachten; en de schepen van Tarsis zullen de eerste zijn om uw zonen van verre aan te brengen; hun zilver en goud voeren zij mede, ter ere van de naam des Heren, uws Gods, voor de Heilige Israëls, omdat Hij u luister verleend heeft. 10 Vreemdelingen zullen uw muren herbouwen en hun koningen zullen u dienen, want in mijn toorn heb Ik u geslagen, maar in mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd. 11 En uw poorten zullen bestendig openstaan, dag noch nacht zullen zij gesloten worden, opdat men tot u inbrenge het vermogen der volken, terwijl hun koningen worden meegevoerd. 12 Want het volk en het koninkrijk, die u niet willen dienen, zullen te gronde gaan, en die volken zullen zeker verwoest worden. 13 De heerlijkheid van de Libanon zal tot u komen, cypres, plataan en denneboom tezamen, om de plaats van mijn heiligdom op te luisteren; en de plaats mijner voeten zal Ik heerlijk maken. 14 De zonen uwer verdrukkers zullen deemoedig tot u komen, aan uw voeten zullen al uw versmaders zich neerwerpen en zij zullen u noemen: De stad des Heren, het Sion van de Heilige Israëls. 15 Terwijl gij eertijds verlaten waart en gehaat, zodat niemand door u heentrok, zal Ik u stellen tot een eeuwige praal, tot een vreugde voor geslacht op geslacht. 16 En gij zult de melk der volken zuigen, ja koninklijke borsten zuigen, en gij zult weten, dat Ik, de Here, uw Redder ben en uw Verlosser, de Machtige Jakobs. 17 Voor koper zal Ik goud brengen, voor ijzer zilver, voor hout koper, voor stenen ijzer; Ik zal vrede tot uw overheid maken en gerechtigheid tot uw heerseres. 18 Van geen geweld zal in uw land meer gehoord worden, van verwoesting noch verderf in uw gebied; en gij zult uw muren Heil noemen en uw poorten Lof. 19 De zon zal u niet meer tot licht zijn bij dag, noch de maan tot een schijnsel voor u lichten; maar de Here zal u tot een eeuwig licht zijn en uw God tot uw luister. 20 Uw zon zal niet meer ondergaan en uw maan niet meer afnemen, want de Here zal u tot een eeuwig licht zijn en de dagen van uw rouw zullen ten einde wezen. 21 Uw volk zal geheel uit rechtvaardigen bestaan, voor altoos zullen zij het land bezitten: een scheut die Ik geplant heb, een werk mijner handen, tot mijn verheerlijking. 22 De kleinste zal tot een geslacht worden en de geringste tot een machtig volk; Ik, de Here, zal het te zijner tijd met haast volvoeren.

Na de diepe geestelijke duisternis uit het vorige hoofdstuk, breekt nu de dageraad aan. “Sta op, word verlicht, want uw licht komt!” Terwijl een dichte donkerheid de volken bedekt, gaat over Sion de heerlijkheid van de HEERE op. Het is een heerlijke profetie van herstel. Koningen en natiën worden onweerstaanbaar naar dit goddelijke licht getrokken. Van heinde en verre stromen ze toe met goud en wierook, om de Naam van God luid te prijzen. Sion, eertijds verlaten en veracht, wordt weer het stralende middelpunt. Haar poorten staan onafgebroken wijd open, haar muren heten ‘Heil’ en haar poorten ‘Lof’. Dit werd vervuld bij de komst van Christus. Hij is het ware Licht der wereld. Niet voor niets trokken de heidense wijzen uit het Oosten met goud en wierook naar Bethlehem om Hem te aanbidden! Door Zijn Geest roept God nu zondaren uit álle volken tot Zijn heerlijk licht. Tot Hem, die straalt als de Zon der gerechtigheid. En deze belofte reikt nog verder; ze wijst vol hoop vooruit naar het nieuwe Jeruzalem. Daar is straks geen aardse zon of maan meer nodig, want de HEERE Zelf zal ons tot een eeuwig licht zijn. Dan zijn de dagen van rouw en zonde voorgoed voorbij. Laten wij daarnaar uitzien, maar ook nu al in Zijn licht wandelen, als kinderen van het licht.

Verder lezen: Efeziërs 5:6-146 Laat niemand u misleiden met drogredenen, want door zulke dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid. 7 Doet dan niet met hen mede. 8 Want gij waart vroeger duisternis, maar thans zijt gij licht in de Here; wandelt als kinderen des lichts, 9 - want de vrucht des lichts bestaat in louter goedheid en gerechtigheid en waarheid - , 10 en toetst wat de Here welbehagelijk is. 11 En neemt geen deel aan de onvruchtbare werken der duisternis, maar ontmaskert ze veeleer, 12 want het is zelfs schandelijk om te noemen, wat heimelijk door hen wordt verricht; 13 maar als dat alles door het licht ontmaskerd wordt, komt het aan de dag; want al wat aan de dag komt is licht. 14 Daarom heet het: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.—

26 mei

Jesaja 611 De Geest des Heren Heren is op mij, omdat de Here mij gezalfd heeft; Hij heeft mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen, om te verbinden gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der gevangenis; 2 om uit te roepen een jaar van het welbehagen des Heren en een dag der wrake van onze God; om alle treurenden te troosten, 3 om over de treurenden van Sion te beschikken, dat men hun geve hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest. En men zal hen noemen: Terebinten der gerechtigheid, een planting des Heren, tot zijn verheerlijking. 4 Zij zullen de overoude puinhopen herbouwen, het verwoeste uit vroeger tijd doen herrijzen en de steden vernieuwen, die in puin liggen, die verwoest hebben gelegen van geslacht op geslacht. 5 Vreemden zullen gereed staan om voor u de kudden te weiden, vreemdelingen zullen uw akkerlieden en uw wijngaardeniers zijn; 6 maar gij zult priesters des Heren heten, dienaars van onze God genoemd worden; gij zult het vermogen der volken genieten en u op hun heerlijkheid beroemen. 7 In plaats van uw schande gewordt u dubbele vergoeding en in plaats van smaad zullen zij jubelen over hun deel; zo zullen zij dan in hun land dubbele vergoeding verkrijgen, blijvende vreugde zal hun geworden. 8 Want Ik, de Here, heb het recht lief. Ik haat onrechtmatige roof, Ik zal hun stipt hun loon geven en een eeuwig verbond met hen sluiten. 9 En hun nageslacht zal onder de volken vermaard zijn en hun nakomelingschap te midden der natiën; allen die hen zien, zullen erkennen, dat zij het nageslacht zijn, dat de Here gezegend heeft. 10 Ik verblijd mij zeer in de Here, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, met de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omhuld, gelijk een bruidegom, die zich als een priester het hoofdsieraad ombindt, en gelijk een bruid, die zich met haar versierselen tooit. 11 Want zoals de aarde haar gewas voortbrengt en een hof zijn zaaisel doet uitspruiten, zo zal de Here Here gerechtigheid en lof doen uitspruiten voor het oog van alle volken.

“De Geest des Heren HEREN is op mij…” Het is de beloofde Messias Zelf die hier spreekt. Hij is door God gezalfd en gezonden om als onze hoogste Profeet en Leraar een blijde boodschap te brengen. Maar aan wie? Niet aan de sterken en zelfverzekerden, maar aan ootmoedigen, gebrokenen van hart en geestelijke gevangenen. De Messias roept een ‘jaar van het welbehagen’ uit, wat teruggrijpt op het oudtestamentische jubeljaar waarin alle schulden werden kwijtgescholden en slaven hun vrijheid terugkregen. In de synagoge van Nazareth las de Heere Jezus precies deze profetie voor en sprak Hij het machtige woord: “Heden is dit Schriftwoord voor uw oren vervuld.” Christus is de ware Heilbode. Hij daalde af in de puinhoop van onze zonden om ons daarvan te bevrijden. As maakt door Hem plaats voor een prachtig hoofdsieraad, en een kwijnende geest voor een lofgewaad. Wanneer wij met een door schuldbesef gebroken hart tot Christus vluchten, spreekt Hij ons niet alleen vrij van schuld, maar trekt Hij ons ook iets nieuws aan. Hij bekleedt ons met de klederen des heils en omhult ons met de mantel van Zijn gerechtigheid. Als Zijn rijk versierde bruidsgemeente hebben wij alle reden ons in de Heere te verblijden.

Verder lezen: Leviticus 25:8-178 Voorts zult gij u zeven jaarsabbatten tellen, zevenmaal zeven jaren; zodat de dagen van de zeven jaarsabbatten negenenveertig jaren zijn. 9 Dan zult gij bazuingeschal doen rondgaan in de zevende maand op de tiende van de maand; op de Verzoendag zult gij de bazuin doen rondgaan door uw ganse land. 10 Gij zult het vijftigste jaar heiligen en vrijheid in het land afkondigen voor al zijn bewoners, een jubeljaar zal het voor u zijn, dan zal ieder van u tot zijn bezitting en tot zijn geslacht terugkeren. 11 Een jubeljaar zal dit vijftigste jaar voor u zijn, dan zult gij niet zaaien, en wat dan vanzelf opkomt zult gij niet oogsten en dan zult gij de ongesnoeide wijnstok niet aflezen. 12 Want het zal u een jubeljaar zijn, heilig zal het u zijn; van de akker zult gij eten wat hij opbrengt. 13 In dit jubeljaar zal ieder van u zijn bezitting terugkrijgen. 14 Wanneer gij iets aan uw volksgenoot verkoopt of iets van hem koopt, dan zal de een de ander niet benadelen. 15 Rekening houdend met de jaren na een jubeljaar, zult gij het van uw volksgenoot kopen; rekening houdend met de oogstjaren zal hij het u verkopen. 16 Bij een groter aantal jaren zult gij de koopsom naar verhouding hoger stellen; bij een geringer aantal jaren zult gij de koopsom naar verhouding lager stellen: want het getal der oogsten verkoopt hij u. 17 Gij zult elkander niet benadelen, maar voor uw God vrezen, want Ik ben de Here, uw God.—

27 mei

Jesaja 621 Om Sions wil zal ik niet zwijgen en om Jeruzalems wil zal ik niet rusten, totdat zijn heil opgaat als een lichtglans en zijn verlossing als een brandende fakkel. 2 Volken zullen uw heil zien, alle koningen uw heerlijkheid en men zal u noemen met een nieuwe naam, die de mond des Heren zal bepalen; 3 gij zult een sierlijke kroon in de hand des Heren zijn, een koninklijke tulband in de hand van uw God. 4 Men zal u niet meer noemen: Verlatene, en men zal uw land niet meer noemen: Woestenij; maar gij zult genoemd worden: Mijn Welgevallen, en uw land: Gehuwde. Want de Here heeft een welgevallen aan u, en uw land wordt ten huwelijk genomen. 5 Want zoals een jongeling een maagd huwt, zullen uw zonen u huwen, en zoals de bruidegom zich over de bruid verblijdt, zal uw God Zich over u verblijden. 6 Op uw muren, o Jeruzalem, heb Ik wachters aangesteld, die de ganse dag en de ganse nacht nimmer zullen zwijgen. Gij, die de Here indachtig maakt, gunt u geen rust. 7 En laat Hem geen rust, totdat Hij Jeruzalem grondvest en het stelt tot een lof op aarde. 8 De Here heeft gezworen bij zijn rechterhand en bij zijn sterke arm: Nooit zal Ik uw koren meer aan uw vijanden tot spijze geven en nooit zullen vreemdelingen meer de most drinken, waarvoor gij gezwoegd hebt; 9 maar zij die het oogsten, zullen het eten en de Here loven, en zij die hem inzamelen, zullen hem drinken in de voorhoven van mijn heiligdom. 10 Trekt, trekt door de poorten, bereidt de weg voor het volk, baant, baant de weg, zuivert hem van stenen, heft een banier omhoog boven de volken. 11 Want de Here doet het horen tot het einde der aarde: Zegt tot de dochter Sions: zie, uw heil komt; zie, zijn loon is bij Hem en zijn vergelding gaat voor Hem uit. En men zal hen noemen: 12 Het heilige Volk, De Verlosten des Heren; en gij zult genoemd worden: Begeerde, Niet verlaten Stad.

Na de verwoesting van Jeruzalem en de Babylonische ballingschap ligt Gods volk er troosteloos bij. De stad ligt in puin. Het land Israël wordt de ‘Verlatene’ genoemd en ‘Woestenij’. Gods volk lijkt door de HEERE voorgoed te zijn afgeschreven. Maar dan klinkt er een machtig woord van hoop: “Om Sions wil zal ik niet zwijgen.” De HEERE laat Zijn kerk niet los! Hij is daarvan een Koning die zonder onderdanen niet zijn kan. Hij gunt Zichzelf geen rust totdat de redding van Jeruzalem stralend doorbreekt. Uit soevereine genade keert Hij het lot van Zijn volk om en geeft Hij hun een nieuwe naam: ‘Mijn Welgevallen’ en ‘Gehuwde’. Het is een ontroerend beeld: zoals een bruidegom zich verblijdt over zijn bruid, zo verheugt God Zich over Zijn volk. Christus is onze hemelse Bruidegom. Aan het kruis onderging Hij de uiterste Godverlatenheid, opdat wij als Zijn bruidsgemeente nimmermeer verlaten zouden worden. Om die boodschap te verkondigen heeft de HEERE wachters aangesteld op de muren van Jeruzalem. Herders en leraars, die Gods volk het evangelie prediken en die tegelijk God aan Zijn beloften herinneren en daarop pleiten. Laten we de vervulling van Zijn beloften blijven afsmeken, totdat de Bruidegom terugkomt en Hij Zijn ‘Begeerde’ stad voor eeuwig volmaakt.

Verder lezen: Openbaring 21:1-111 En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer. 2 En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is. 3 En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn, 4 en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan. 5 En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig. 6 En Hij sprak tot mij: Zij zijn geschied. Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde. Ik zal de dorstige geven uit de bron van het water des levens om niet. 7 Wie overwint, zal deze dingen beërven, en Ik zal hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn. 8 Maar de lafhartigen, de ongelovigen, de verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars en alle leugenaars - hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood. 9 En er kwam een van de zeven engelen met de zeven schalen, die vol waren van de laatste zeven plagen, en hij sprak met mij, zeggende: Kom hier, ik zal u tonen de bruid, de vrouw des Lams. 10 En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God; 11 en zij had de heerlijkheid Gods, en haar glans geleek op een zeer kostbaar gesteente, als de kristalheldere diamant.—

28 mei

Een indrukwekkende gestalte nadert vanuit Edom, de aartsvijand van Israël. Zijn klederen zijn rood gekleurd, als van iemand die de wijnpers heeft getreden. Wie is deze Strijder? Het is de HEERE Zelf, die terugkeert van een beslissende veldslag. Edom staat hier symbool voor alle vijandige machten die Gods volk bedreigen en verdrukken. In deze profetie zien we hoe de HEERE Zich ontzet, omdat er bij de mensen niemand is die Zijn volk kan verlossen. Daarom brengt Zijn eigen sterke arm de overwinning. God voltrekt Zijn wraakgericht over de vijanden. Al is dat geen doel op zich; Gods wraak staat in dienst van het heil voor Zijn volk. “Het jaar van Mijn verlossing was gekomen”, klinkt het. De ondergang van de vijand betekent de verlossing van Zijn kerk. Dat geldt ook voor de nederlaag van de duivel. In zijn strijd tegen de duivel stond Christus helemaal alleen. Geen mens kon Hem helpen toen Hij die strijd aanbond. Maar Christus heeft overwonnen. Tot ons heil. En straks komt deze grote Overwinnaar terug op aarde, om alle goddeloosheid voorgoed te straffen. Voor Zijn tegenstanders is dat een verschrikkelijke dag van toorn, maar voor Zijn bruidsgemeente de heerlijke dag van haar volle verlossing. Want de HEERE, die in gerechtigheid spreekt en Zijn vijanden rechtvaardig veroordeelt, Hij is machtig om Zijn kerk te verlossen!

Verder lezen: Openbaring 19:11-1611 En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard; en Hij, die daarop zat, wordt genoemd Getrouw en Waarachtig, en Hij velt vonnis en voert oorlog in gerechtigheid. 12 En zijn ogen waren een vuurvlam en op zijn hoofd waren vele kronen en Hij droeg een geschreven naam, die niemand weet dan Hijzelf. 13 En Hij was bekleed met een kleed, dat in bloed geverfd was, en zijn naam is genoemd: het Woord Gods. 14 En de heerscharen, die in de hemel zijn, volgden Hem op witte paarden, gehuld in wit en smetteloos fijn linnen. 15 En uit zijn mond komt een scherp zwaard, om daarmede de heidenen te slaan. En Hijzelf zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hijzelf treedt de persbak van de wijn der gramschap van de toorn Gods, des Almachtigen. 16 En Hij heeft op zijn kleed en op zijn dij geschreven de naam: Koning der koningen en Here der heren.

29 mei

Jesaja 63:7-197 Ik zal de gunstbewijzen des Heren vermelden, de roemrijke daden des Heren, naar alles wat de Here ons heeft gedaan en naar de grote goedheid jegens het huis Israëls, welke Hij het betoond heeft naar zijn barmhartigheid en naar zijn vele gunstbewijzen. 8 Hij zeide: Zij zijn toch mijn volk, kinderen, die niet trouweloos worden, en Hij werd hun tot een Verlosser. 9 In al hun benauwdheid was ook Hij benauwd, en de Engel zijns aangezichts heeft hen gered. In zijn liefde en in zijn mededogen heeft Hij zelf hen verlost en Hij hief hen op en droeg hen al de dagen van ouds. 10 Maar zij waren wederspannig en bedroefden zijn heilige Geest; daarom veranderde Hij voor hen in een vijand. 11 Hij zelf streed tegen hen. Maar Hij dacht aan de dagen van ouds, aan Mozes, aan zijn volk. Waar is Hij, die de herders zijner kudde voerde uit de wateren? Waar is Hij, die zijn heilige Geest in hun binnenste gaf? 12 Die zijn luisterrijke arm aan de rechterhand van Mozes deed gaan, die vóór hen de wateren kliefde om Zich een eeuwige naam te maken; 13 die hen deed gaan door de waterdiepten? Evenmin als een paard in de woestijn struikelden zij; 14 als aan het vee, dat afdaalt in de vallei, gaf de Geest des Heren hun rust. Zo hebt Gij uw volk geleid om U een luisterrijke naam te maken. 15 Schouw uit de hemel en zie uit uw heilige en luisterrijke woning. Waar zijn uw ijver en uw machtige daden? Uw innerlijke bewogenheid en uw ontferming hebben zich jegens mij niet laten gelden. 16 Gij immers zijt onze Vader; want Abraham weet van ons niet en Israël kent ons niet; Gij, Here, zijt onze Vader, onze Verlosser van oudsher is uw naam. 17 Waarom liet Gij ons afdwalen, Here, van uw wegen, verharddet Gij ons hart, zodat wij U niet vreesden? Keer weder ter wille van uw knechten, de stammen van uw erfdeel. 18 Voor een korte tijd is uw heilig volk in het bezit daarvan geweest; onze tegenstanders hebben uw heiligdom vertrapt; 19 wij zijn geworden als degenen over wie Gij van ouds niet hebt geheerst, over wie uw naam niet is uitgeroepen.

De profeet blikt terug op Gods trouw in het verleden. In al de benauwdheid van Zijn volk was de HEERE Zelf ook benauwd. Met medelijden en vol liefde verloste en droeg Hij hen. Maar Gods volk ging daar niet dankbaar mee om. Ze waren weerspannig en bedroefden Zijn Heilige Geest. Daarom kon God hun zonden niet ongestraft laten. Hij keerde Zich tegen hen en streed tegen hen als een vijand. Maar dan klinkt een ontroerend gebed. De kerk belijdt eerlijk haar schuld en de afdwaling van haar hart. Ze kan zich nergens op beroepen, niet eens op haar vrome afstamming van Abraham. Maar daarom werpt ze zich volkomen op Gods genade: “Gij, HEERE, zijt onze Vader; onze Verlosser van oudsher is Uw naam.” En ook wij mogen God onze Vader noemen, omdat wij om Christus’ wil tot Zijn kinderen zijn aangenomen. Omdat Hij voor al onze zonden heeft betaald. En als onze Verlosser zendt Christus Zijn Geest uit in ons hart. Zijn Heilige Geest, die niet wil dat wij Hem bedroeven met onze zonden, maar dat wij door Zijn krachtige werking bidden: “Abba, Vader!”

Verder lezen: Romeinen 8:9-179 Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe. 10 Indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid. 11 En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont. 12 Derhalve, broeders, zijn wij schuldenaars, maar niet van het vlees, om naar het vlees te leven. 13 Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven. 14 Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods. 15 Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. 16 Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn. 17 Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking.

—

30 mei

Jesaja 641 Och, dat Gij de hemel scheurdet, dat Gij nederdaaldet, dat voor uw aangezicht de bergen wankelden, 2 zoals vuur rijshout in vlam zet, zoals vuur water doet overkoken - om uw tegenstanders uw naam te doen kennen, zodat de volken voor uw aangezicht sidderen, 3 daar Gij geduchte daden verricht, die wij niet verwachtten; dat Gij nederdaaldet, zodat de bergen voor uw aangezicht wankelden! 4 Ja, van oudsher heeft men het niet gehoord noch vernomen, geen oog heeft gezien een God buiten U, die optreedt ten behoeve van wie op Hem wacht. 5 Gij komt hem tegemoet, die met vreugde gerechtigheid doet, hun die op uw wegen aan U denken. Zie, Gij zijt toornig geweest, omdat wij zondigden; in die toestand verkeerden wij lange tijd, en zouden wij dan verlost worden? 6 Wij zijn allen geworden als een onreine, al onze gerechtigheden als een bezoedeld kleed; wij vielen allen af als het loof en onze ongerechtigheden voerden ons weg als de wind. 7 Er was niemand die uw naam aanriep, die zich beijverde om aan U vast te houden. Want Gij hebt uw aangezicht voor ons verborgen en ons aan de macht onzer ongerechtigheden prijsgegeven. 8 Maar nu, Here, Gij zijt onze Vader; wij zijn het leem, Gij zijt onze Formeerder en wij allen zijn het werk van uw hand. 9 O Here, wees niet bovenmate toornig en gedenk niet altoos de ongerechtigheid. Zie, aanschouw toch: wij allen zijn uw volk. 10 Uw heilige steden zijn een woestijn geworden, Sion is een woestijn geworden, Jeruzalem een wildernis. 11 Ons heilig en luisterrijk huis, waar onze vaderen U loofden, werd een prooi der vlammen en al wat ons dierbaar was, een puinhoop. 12 Zult Gij U hierbij inhouden, o Here? Zult Gij zwijgen en ons bovenmate verdrukken?

“Och, dat Gij de hemel scheurdet, dat Gij nederdaaldet!”, zo smeekt Jesaja namens Gods volk. Gods volk kan zichzelf niet redden. Het lijdt onder Gods toorn vanwege de eigen zonden. De profeet vergoeilijkt niets, maar belijdt schuld: “Wij zijn allen geworden als een onreine, al onze gerechtigheden zijn als een bezoedeld kleed.” Het is een wrange constatering. Die ook op ons van toepassing is. Zelfs onze beste, meest vrome daden zijn bevlekt met zonden. Omdat Gods volk geen enkel recht heeft op redding, klampt het zich in dit gebed vast aan Gods onverdiende gunst en genade. “Wij zijn het leem, Gij zijt onze Formeerder.” Wij hebben onszelf bedorven, maar wilt U ons in Uw genade opnieuw kneden! En de HEERE heeft geluisterd naar deze noodkreet. Hij heeft de hemel gescheurd. In Christus is Hij Zelf neergedaald in de wereld. Omdat onze eigen gerechtigheid slechts een bezoedeld kleed is, bekleedt Christus ons met Zijn volkomen gerechtigheid. Wie zijn eigen onreinheid belijdt en vlucht naar deze Heiland, ligt veilig in de handen van de HEERE, onze Formeerder, die ons heeft gevormd en door Zijn Geest ook hérvormt tot een nieuwe schepping, tot mensen die aan Hem denken en voor Hem leven.

Verder lezen: Zacharia 31 Vervolgens deed Hij mij de hogepriester Jozua zien, staande vóór de Engel des Heren, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen. 2 De Here echter zeide tot de satan: De Here bestraffe u, satan, ja de Here, die Jeruzalem verkiest, bestraffe u; is deze niet een brandhout uit het vuur gerukt? 3 Jozua nu was met vuile klederen bekleed, terwijl hij voor de Engel stond. 4 Toen nam deze het woord en zeide tot hen die vóór Hem stonden: Doet hem de vuile klederen uit. Hij zeide tot hem: Zie, Ik neem uw ongerechtigheid van u weg, Ik trek u feestklederen aan. 5 Ik nu zeide: Laat ze een reine tulband op zijn hoofd zetten. Toen zetten zij een reine tulband op zijn hoofd en trokken hem een staatsiegewaad aan, terwijl de Engel des Heren erbij stond. 6 Hierop vermaande de Engel des Heren Jozua: 7 Zo zegt de Here der heerscharen: Indien gij in mijn wegen wandelt en de door Mij opgedragen taak waarneemt, dan zult gij zowel mijn huis richten als mijn voorhoven bewaken, en Ik zal u doen verkeren onder hen die hier staan. 8 Hoor toch, gij hogepriester Jozua, gij en uw gezellen die vóór u zitten - zij zijn immers mannen die ten wonderteken dienen - voorwaar, zie, Ik zal mijn knecht, de Spruit, doen komen; 9 voorwaar zie, van de steen die Ik vóór Jozua neerleg - op die ene steen zijn zeven ogen - zal Ik zelf het graveersel graveren, luidt het woord van de Here der heerscharen, en Ik zal op één dag de ongerechtigheid van dit land wegdoen. 10 Te dien dage, luidt het woord van de Here der heerscharen, zult gij elkander nodigen onder de wijnstok en onder de vijgeboom.

—

31 mei

Jesaja 651 Te raadplegen was Ik voor hen die naar Mij niet vroegen, te vinden voor hen die Mij niet zochten; Ik zeide tot een volk dat mijn naam niet aanriep: Hier ben Ik, hier ben Ik. 2 De ganse dag breidde Ik mijn armen uit naar een opstandig volk, dat volgens eigen overleggingen wandelde op een weg, die niet goed is; 3 een volk, dat Mij bestendig openlijk krenkt door te offeren in de hoven en offers te ontsteken op de tichelstenen; 4 die in de graven zitten en op verborgen plaatsen overnachten; die vlees van zwijnen eten en in wier vaatwerk verfoeilijk voedsel is; 5 die zeggen: Blijf daar, nader mij niet, want ik ben voor u ongenaakbaar. Dezen zijn een rook in mijn neus, een vuur dat de ganse dag brandt. 6 Zie, het staat vóór Mij geschreven, Ik zal niet zwijgen, voordat Ik het vergolden heb; ja, Ik zal hun de vergelding in de schoot werpen 7 voor uw ongerechtigheden en de ongerechtigheden uwer vaderen tezamen, zegt de Here; omdat zij offers hebben ontstoken op de bergen, en op de heuvels Mij hebben gehoond, daarom zal Ik hun allereerst het loon in hun schoot toemeten. 8 Zo zegt de Here: Zoals men, wanneer er nog sap in een druiventros gevonden wordt, zegt: Verderf hem niet, want er ligt een zegen in - zo zal Ik doen ter wille van mijn knechten, dat Ik niet alles verderve. 9 En Ik zal uit Jakob nakomelingschap doen voortkomen en uit Juda een erfgenaam voor mijn bergen; mijn uitverkorenen zullen ze bezitten en mijn knechten zullen daar wonen. 10 Saron zal tot een weide voor schapen worden en het dal Achor tot een ligplaats voor runderen, voor mijn volk dat Mij zoekt. 11 Maar gij die de Here verlaat, die mijn heilige berg vergeet, die voor Gad een tafel aanricht en voor Meni mengdrank schenkt: 12 Ik zal u voor het zwaard bestemmen en gij zult allen moeten neerknielen om geslacht te worden, omdat gij niet geantwoord hebt, toen Ik riep, en niet gehoord hebt, toen Ik sprak, maar gedaan hebt wat kwaad is in mijn ogen en verkozen hebt wat Mij mishaagt. 13 Daarom, zo zegt de Here Here: Zie, mijn knechten zullen eten, maar gij zult hongeren; zie, mijn knechten zullen drinken, maar gij zult dorsten; zie, mijn knechten zullen zich verheugen, maar gij zult beschaamd staan; 14 zie, mijn knechten zullen jubelen van hartevreugd, maar gij zult schreeuwen van harteleed en van gebrokenheid des geestes zult gij jammeren. 15 En gij zult uw naam tot een vloekwoord achterlaten voor mijn uitverkorenen, en de Here Here zal u doden; maar zijn knechten zal Hij met een andere naam noemen, zodat wie zich in den lande zegent, 16 zich zal zegenen in de God der waarheid, en wie in den lande zweert, zal zweren bij de God der waarheid; want de vroegere benauwdheden zijn vergeten, ja, zijn verborgen voor mijn ogen. 17 Want zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; aan wat vroeger was, zal niet gedacht worden, het zal niemand in de zin komen. 18 Maar gij zult u verblijden en juichen voor eeuwig over hetgeen Ik schep, want zie, Ik schep Jeruzalem tot jubel en zijn volk tot blijdschap. 19 En Ik zal juichen over Jeruzalem en Mij verblijden over mijn volk. En daarin zal niet meer gehoord worden het geluid van geween of van geschreeuw. 20 Daar zal niet langer een zuigeling zijn, die slechts weinige dagen leeft, noch een grijsaard, die zijn dagen niet voleindigt, want de jongeling zal als honderdjarige sterven, zelfs de zondaar zal eerst als honderdjarige door de vloek getroffen worden. 21 Zij zullen huizen bouwen en die bewonen, wijngaarden planten en de vrucht daarvan eten; 22 zij zullen niet bouwen, opdat een ander er wone; zij zullen niet planten, opdat een ander het ete, want als de levensduur der bomen zal de leeftijd van mijn volk zijn en van het werk hunner handen zullen mijn uitverkorenen genieten. 23 Zij zullen niet tevergeefs zwoegen en geen kinderen voortbrengen tot een vroegtijdige dood, want zij zullen een door de Here gezegend geslacht zijn, en hun nakomelingen met hen. 24 En het zal geschieden, dat Ik antwoorden zal, voordat zij roepen; terwijl zij nog spreken, zal Ik verhoren. 25 De wolf en het lam zullen tezamen weiden en de leeuw zal stro eten als het rund, en de slang zal stof tot spijze hebben; zij zullen geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heilige berg, zegt de Here.

De HEERE beantwoordt hier het smeekgebed van Zijn volk. Israël klaagde dat God zich niet liet vinden, maar dat was aan henzelf te wijten. Immers liet de HEERE Zich vinden door wie Hem niet zochten. Voortdurend strekte Hij Zijn handen uit naar Zijn volk, maar dat ging zelf een andere weg en liep daarbij zelfs achter andere goden aan. Dit moest Gods toorn wel laten ontbranden. En wie volhardt in ongehoorzaamheid en afgoderij, wacht een rechtvaardig oordeel. Maar de HEERE zal Zijn volk nooit helemaal verstoten. Zoals men een druiventros met goed sap niet vernietigt, zo spaart God vol ontferming het overblijfsel naar de verkiezing van Zijn genade. En voor eenieder die in Christus gelooft, schildert God een heerlijke toekomst. Bij de komst van Christus laat de HEERE Zich zelfs vinden door vele heidenen, die God niet zochten. En bij Zijn wederkomst schept God een nieuwe hemel en een nieuwe aarde! De vloek van de zonde en de dood wordt dan helemaal weggenomen. Er zal geen geween meer gehoord worden. Er is dan sprake van een machtige harmonie: de wolf en het lam zullen samen weiden. De gemeenschap met God zal volmaakt zijn: “Voordat zij roepen, zal Ik antwoorden.” Door het volbrachte verlossingswerk van Christus is deze heerlijke toekomst voor ons veiliggesteld. Laten we ons daarover dankbaar verblijden!

Verder lezen: Romeinen 10:11-2111 Immers het schriftwoord zegt: Al wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. 12 Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek. Immers, één en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen, die Hem aanroepen; 13 want: al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden. 14 Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in wie zij niet geloofd hebben? Hoe geloven in Hem, van wie zij niet gehoord hebben? Hoe horen zonder prediker? 15 En hoe zal men prediken zonder gezonden te zijn? Gelijk geschreven staat: Hoe liefelijk zijn de voeten van hen, die een goede boodschap brengen. 16 Maar niet allen hebben aan het evangelie gehoor gegeven. Want Jesaja zegt: Here, wie heeft geloofd wat hij van ons hoorde? 17 Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus. 18 Maar ik vraag: hebben zij het dan niet gehoord? Zeer zeker: Over de ganse aarde is hun geluid uitgegaan en tot de einden der wereld hun woorden. 19 Maar ik vraag: heeft Israël het dan niet verstaan? Vooreerst zegt Mozes: Ik zal u naijverig maken op wat geen volk is, toornig op een onverstandig volk. 20 En Jesaja waagt het te zeggen: Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten, Ik ben openbaar geworden aan wie naar Mij niet vroegen. 21 Maar van Israël zegt hij: De ganse dag heb Ik mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk.

1 juni

“De hemel is mijn troon en de aarde de voetbank mijner voeten.” Met deze woorden maakt de HEERE duidelijk dat Hij oneindig groot is en hoogverheven. En dat om af te rekenen met de hoogmoed van Zijn volk. Vele joden dachten dat zij God in een aards gebouw konden opsluiten, en meenden dat een uiterlijke godsdienst vol offers genoeg was, zelfs als ze ondertussen goddeloos leefden. Maar God gruwt van zulke huichelarij. Wie een dier offert zonder oprecht geloof en zonder schuldbesef, begaat in Gods ogen net zo’n grote gruwel als het plegen van een moord of het prijzen van een afgod! Daarmee veroordeelt God alle schijnvrome godsdienst. In huichelaars heeft God geen welbehagen. Maar op wie rust Gods genadige oog dan wél? “Op de ellendige, de verslagene van geest en wie voor mijn woord beeft.” Dat is de mens die, geleid door de Geest, zijn geestelijke armoede en zijn gebrek aan eigen gerechtigheid leert erkennen. Met een hart dat verbrijzeld is vanwege de kennis van de zonde, en dat met kinderlijke eerbied buigt voor Gods Woord. Uiterlijke vroomheid redt ons niet; wij moeten alle eigenwillige godsdienst verliezen om Christus te winnen. Wanneer Zijn Geest ons overtuigt van onze zonden en ons met een ootmoedig hart doet vluchten tot Christus, mogen wij voor eeuwig verkeren in de plaats van Gods rust.

Verder lezen: Psalm 51:11-2111 Verberg uw aangezicht voor mijn zonden, delg al mijn ongerechtigheden uit. 12 Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest; 13 verwerp mij niet van uw aangezicht, en neem uw heilige Geest niet van mij; 14 hergeef mij de blijdschap over uw heil, en laat een gewillige geest mij schragen. 15 Dan zal ik overtreders uw wegen leren, opdat zondaars zich tot U bekeren. 16 Red mij van bloedschuld, o God, God mijns heils, laat mijn tong over uw gerechtigheid jubelen; 17 Here, open mijn lippen, opdat mijn mond uw lof verkondige. 18 Want Gij hebt geen behagen in slachtoffers, dat ik die brengen zou; aan brandoffers hebt Gij geen welgevallen. 19 De offeranden Gods zijn een verbroken geest; een verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o God. 20 Doe wèl aan Sion naar uw welbehagen, bouw de muren van Jeruzalem. 21 Dan zult Gij behagen hebben in offers naar de eis, brandoffers in hun geheel gebracht; dan zal men stieren op uw altaar offeren.—

2 juni

Jesaja 66:5-245 Hoort het woord des Heren, gij die voor zijn woord beeft: Uw broeders die u haten, die u verstoten om mijns naams wil, zeggen: Dat de Here zijn heerlijkheid tone, opdat wij uw vreugde aanschouwen. Maar zij zelf zullen beschaamd staan. 6 Er klinkt gedruis uit de stad! Het klinkt uit de tempel! De stem van de Here, die vergelding brengt over zijn vijanden! 7 Voordat zij smarten kreeg, heeft zij gebaard; voordat de weeën haar overvielen, heeft zij een zoon ter wereld gebracht. 8 Wie heeft zo iets gehoord, wie heeft iets dergelijks gezien? Wordt een land op één dag voortgebracht of een volk op eenmaal geboren? Maar Sion heeft nauwelijks barensweeën gekregen, of zij baarde haar kinderen. 9 Zou Ik ontsluiten en niet doen baren? zegt de Here. Of ben Ik een, die doet baren en toesluit? zegt uw God. 10 Verheugt u met Jeruzalem en juicht over haar, gij allen die haar liefhebt. Verblijdt u over haar met blijdschap, gij allen die over haar treurt, opdat gij zuigt en u laaft aan haar vertroostende borst, 11 opdat gij met volle teugen u laaft aan haar rijke moederborst. 12 Want zo zegt de Here: Zie, Ik doe haar de vrede toestromen als een rivier en de heerlijkheid der volken als een overvolle beek; dan zult gij zuigen, gij zult op de heup gedragen en op de knieën gekoesterd worden. 13 Zoals iemands moeder hem troost, zo zal Ik u troosten, ja, in Jeruzalem zult gij getroost worden. 14 Als gij het ziet, zal uw hart zich verblijden, en uw gebeente zal gedijen als het jonge groen; de hand des Heren zal zich aan zijn knechten doen kennen en Hij zal toornen op zijn vijanden. 15 Want zie, de Here zal komen als vuur en zijn wagens zullen zijn als een storm, om zijn toorn te openbaren in gloed en zijn dreiging in vuurvlammen. 16 Te vuur en te zwaard zal de Here gericht oefenen over al wat leeft, en de door de Here verslagenen zullen talrijk zijn. 17 Zij, die zich heiligen en reinigen, om achter de ene man in het midden naar de hoven te gaan, die zwijnevlees eten, gruwelijke beesten en muizen, zullen tezamen verdwijnen, luidt het woord des Heren. 18 Want Ik (ken) hun werken en hun gedachten; (de tijd) komt om alle volken en talen te vergaderen; zij zullen komen en mijn heerlijkheid zien. 19 Ik zal onder hen een teken doen en Ik zal uit hen de ontkomenen zenden naar de volken - naar Tarsis, Pul en Lud, die de boog spannen, naar Tubal en Jawan, de verre kustlanden, die de tijding aangaande Mij niet hebben gehoord noch mijn heerlijkheid hebben gezien - opdat zij mijn heerlijkheid onder de volken verkondigen. 20 En zij zullen al uw broeders brengen uit alle volken als een offer voor de Here; op paarden en op wagens, op draagstoelen; op muildieren en op snelle kamelen, naar mijn heilige berg, naar Jeruzalem, zegt de Here, zoals de Israëlieten het offer in rein vaatwerk naar het huis des Heren brengen. 21 En ook uit hen zal Ik er nemen tot priesters, tot Levieten, zegt de Here. 22 Want zoals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor mijn aangezicht zullen blijven bestaan, luidt het woord des Heren, zo zal uw nageslacht en uw naam blijven bestaan. 23 En het zal geschieden van nieuwe maan tot nieuwe maan en van sabbat tot sabbat, dat al wat leeft zal komen om zich voor mijn aangezicht neer te buigen, zegt de Here. 24 Zij zullen uitgaan en de lijken aanschouwen der mannen, die van Mij afvallig geworden zijn; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitdoven, en zij zullen voor al wat leeft een afgrijzen wezen.

Het boek Jesaja eindigt troostrijk voor allen die voor Gods Woord beven, die er ontzag voor hebben en ernaar luisteren. Zij worden om hun geloof wel gehaat en bespot door anderen, zelfs door volksgenoten, die de ware leer niet kunnen uitstaan, maar dat is slechts tijdelijk. Want uiteindelijk zullen alle vijanden van de HEERE en de Zijnen beschaamd worden. De HEERE Zelf zal hen beschamen door hen hun verdiende loon te geven. Sion daarentegen wordt rijk gezegend. Waar zij voorheen nog werd aangesproken als een onvruchtbare, die niet gebaard heeft, wordt nu gezegd dat zij gebaard heeft nog voordat ze last kreeg van weeën. Het is een profetie over de snelle groei van de kerk na de komst van Christus. Moeder zal zij zijn van vele gelovigen, zelfs uit de heidenen. Maar Gods vijanden zijn dus gewaarschuwd. De HEERE zal komen als vuur om gericht over hen te oefenen. Hun worm zal niet sterven en hun vuur zal niet uitdoven; het vuur van Gods toorn zal hen eeuwig blijven verteren. Laten wij dus geloven in Christus, die voor ons in het vuur ging van Gods toorn, om ons de troost van Gods genade te kunnen schenken. Allen die door de werking van Zijn Geest gelovig voor Gods Woord beven, ontvangen in Christus het eeuwige leven.

Verder lezen: 2 Tessalonicenzen 1:3-103 Wij behoren God te allen tijde om u te danken, broeders, zoals gepast is, omdat uw geloof zeer toeneemt en uw aller liefde jegens elkander sterker wordt, 4 zodat wij zelf over u roemen bij de gemeenten Gods, vanwege uw volharding en uw geloof onder al uw vervolgingen en de verdrukkingen, die gij doorstaat: 5 een bewijs van het rechtvaardige oordeel Gods, dat gij het Koninkrijk Gods waardig geacht zijt, voor hetwelk gij ook lijdt, 6 indien het inderdaad recht is bij God, aan uw verdrukkers verdrukking te vergelden, 7 en aan u, die verdrukt wordt, verkwikking tezamen met ons, bij de openbaring van de Here Jezus van de hemel met de engelen zijner kracht, 8 in vlammend vuur, als Hij straf oefent over hen, die God niet kennen en het evangelie van onze Here Jezus niet gehoorzamen. 9 Dezen zullen boeten met een eeuwig verderf, ver van het aangezicht des Heren en van de heerlijkheid zijner sterkte, 10 wanneer Hij komt, om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn; want ons getuigenis heeft geloof gevonden bij u.

3 juni

De komst van onze Zaligmaker heeft de Here uitvoerig voorbereid door Johannes de Doper te zenden. Ja, het was zelfs al in de profeten aangezegd, dat die eerst zou komen als wegbereider. Als een heraut heeft hij met luide en duidelijke stem de komst van Hem aangekondigd. Niemand kon er omheen dat de Messias er aan kwam. Iedereen werd actief om Hem te zien komen. Ook werd wel gedacht dat Johannes zelf de Messias was, een duidelijke aanwijzing dat hij op goddelijk bevel optrad. Ook was hij de grootste onder de profeten, omdat hij de Christus mocht aanwijzen.

Maar om Christus te zien en te ontvangen is bekering nodig. De zonden moeten worden weggedaan. Daar moet verootmoediging zijn en nederigheid tegenover de Here. Alleen dan is daar vergeving van zonden. Als Johannes het al niet waardig is het minste slavenwerk aan de Here Jezus te bewijzen, waar zullen wij dan zijn? Maar Gode zij dank, Christus doopt met de Heilige Geest. Hij zegt ook Zelf dat Hij gekomen is om te dienen. Hij geeft al het nodige voor ons geloof. De gave van de Heilige Geest, tot kennis, liefde, geduld, zachtmoedigheid, nederigheid, geloof, trouw, dankbaarheid, blijdschap en vreugde in de Here.

Verder lezen: Jesaja 401 Troost, troost mijn volk, zegt uw God. 2 Spreekt tot het hart van Jeruzalem, roept het toe, dat zijn lijdenstijd volbracht is, dat zijn ongerechtigheid geboet is, dat het uit de hand des Heren dubbel ontvangen heeft voor al zijn zonden. 3 Hoor, iemand roept: Bereidt in de woestijn de weg des Heren, effent in de wildernis een baan voor onze God. 4 Elk dal worde verhoogd en elke berg en heuvel geslecht, en het oneffene worde tot een vlakte en de rotsbodem tot een vallei. 5 En de heerlijkheid des Heren zal zich openbaren, en al het levende tezamen zal dit zien, want de mond des Heren heeft het gesproken. 6 Hoor, iemand zegt: Roep. En de vraag klinkt: Wat zal ik roepen? - Alle vlees is gras, en al zijn schoonheid als een bloem des velds. 7 Het gras verdort, de bloem valt af, als de adem des Heren daarover waait. Voorwaar, het volk is gras. 8 Het gras verdort, de bloem valt af, maar het woord van onze God houdt eeuwig stand. 9 Klim op een hoge berg, vreugdebode Sion; verhef uw stem met kracht, vreugdebode Jeruzalem; verhef ze, vrees niet; zeg tot de steden van Juda: Zie, hier is uw God! 10 Zie, de Here Here zal komen met kracht en zijn arm zal heerschappij oefenen; zie, zijn loon is bij Hem en zijn vergelding gaat voor Hem uit. 11 Hij zal als een herder zijn kudde weiden, in zijn arm de lammeren vergaderen en ze in zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtkens leiden. 12 Wie mat de wateren met zijn holle hand, bepaalde de omvang der hemelen met een span, vatte met een maat het stof der aarde, woog de bergen met een waag en de heuvelen met een weegschaal? 13 Wie bestuurde de Geest des Heren en onderrichtte Hem als zijn raadsman? 14 Wie raadpleegde Hij, dat deze Hem inzicht zou geven, het rechte pad zou leren, kennis bijbrengen en de weg des verstands doen kennen? 15 Zie, volken zijn geacht als een druppel aan een emmer en als een stofje aan een weegschaal; zie, eilanden zijn als fijn stof, dat uitgestrooid wordt; 16 de Libanon is niet toereikend als brandhout, en zijn wild gedierte niet ten brandoffer. 17 Alle volken zijn als niets voor Hem, zij worden door Hem beschouwd als nietig en ijdel. 18 Met wie dan wilt gij God vergelijken en welke vergelijking op Hem toepassen? 19 Een vakman giet het beeld en een goudsmid overdekt het met goud en smeedt er zilveren ketenen voor. 20 Wie te arm is voor een wijgeschenk, kiest een stuk hout dat niet verrot; hij zoekt zich een kundige vakman om een beeld op te richten, dat niet wankelt. 21 Weet gij het niet? Hebt gij het niet gehoord? Is het u van de aanvang niet verkondigd? Hebt gij geen begrip van de grondvesten der aarde? 22 Hij troont boven het rond der aarde, en haar bewoners zijn als sprinkhanen; Hij breidt de hemel uit als een doek en spant hem uit als een tent waarin men woont. 23 Hij geeft de machthebbers over ter vernietiging, Hij maakt de regeerders der aarde tot ijdelheid; 24 nauwelijks zijn zij geplant, nauwelijks gezaaid, nauwelijks wortelt hun stek in de aarde, of Hij blaast reeds op hen, zodat zij verdorren, en een storm neemt ze op als stoppels. 25 Met wie dan wilt gij Mij vergelijken, dat Ik hem zou gelijk zijn? zegt de Heilige. 26 Heft uw ogen naar omhoog en ziet: wie heeft dit alles geschapen? Hij, die het heer daarvan in groten getale uitleidt en elk daarvan bij name roept door de grootheid zijner sterkte en omdat Hij geweldig van kracht is; er blijft niet één achter. 27 Waarom zegt gij, o Jakob, en spreekt, o Israël: mijn weg is voor de Here verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij? 28 Weet gij het niet, hebt gij het niet gehoord? Een eeuwig God is de Here, Schepper van de einden der aarde. Hij wordt noch moede noch mat, zijn verstand is niet te doorgronden. 29 Hij geeft de moede kracht en de machteloze vermeerdert Hij sterkte. 30 Jongelingen worden moede en mat, zelfs jonge mannen struikelen, 31 maar wie de Here verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat.

4 juni

Dat de Heilige Geest de geliefde Zoon van God uitdrijft naar de woestijn om veertig dagen verzocht te worden door de satan, is een wel heel duidelijke aanwijzing, dat onze Zaligmaker onze plaats is gaan innemen. Het is iets heel groots, dat de Here Jezus, na zijn doop, direct zo’n zware beproeving moet doorstaan. Maar wat voor Man is Hij, dat Hij die beproeving kan doorstaan! Hij is de Zoon van God. De geliefde Zoon. De Man naar Gods hart, ja, de Man, de Zoon van Gods hart, die aan de boezem van de Vader is. Die de Vader voorbestemd heeft, om het werk van onze verlossing te volbrengen. Om in onze natuur, de weg te gaan, om ons de weg tot God te bereiden. Om gehoorzaam te zijn aan het bevel van de Vader en zo het eeuwige leven voor ons te verwerven. Zo kwam Hij tot ons. Werd ons in alles gelijk, behalve de zonde, en liet Zich dopen, evenals Zijn volksgenoten, in de Jordaan. Vanaf het begin van Zijn publieke optreden, is Hij bereid en wordt Hij geleid, om de Raad van God de Allerhoogste te vervullen. Dit is onze Zaligmaker, Jezus van Nazareth, de Zoon van God. In Hem en door Zijn werk van lijden, heeft God ons een volmaakte verlossing en de zaligheid van het eeuwige leven bereid. Dank zij aan God!

Verder lezen: Genesis 3:1-151 De slang nu was het listigste van alle dieren des velds, die de Here God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: God heeft zeker wel gezegd: Gij zult niet eten van enige boom in de hof? 2 Toen zeide de vrouw tot de slang: Van de vrucht van het geboomte in de hof mogen wij eten, 3 maar van de vrucht van de boom, die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: Gij zult daarvan niet eten noch die aanraken; anders zult gij sterven. 4 De slang echter zeide tot de vrouw: Gij zult geenszins sterven, 5 maar God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad. 6 En de vrouw zag, dat de boom goed was om van te eten, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden, en zij nam van zijn vrucht en at, en zij gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at. 7 Toen werden hun beider ogen geopend, en zij bemerkten, dat zij naakt waren; zij hechtten vijgebladeren aaneen en maakten zich schorten. 8 Toen zij het geluid van de Here God hoorden, die in de hof wandelde in de avondkoelte, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor de Here God tussen het geboomte in de hof. 9 En de Here God riep de mens tot Zich en zeide tot hem: Waar zijt gij? 10 En hij zeide: Toen ik uw geluid in de hof hoorde, werd ik bevreesd, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij. 11 En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van de boom gegeten, waarvan Ik u verboden had te eten? 12 Toen zeide de mens: De vrouw, die Gij aan mijn zijde gesteld hebt, die heeft mij van de boom gegeven en toen heb ik gegeten. 13 Daarop zeide de Here God tot de vrouw: Wat hebt gij daar gedaan? En de vrouw zeide: De slang heeft mij verleid en toen heb ik gegeten. 14 Daarop zeide de Here God tot de slang: Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte des velds; op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft. 15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.

5 juni

De roepstem van het Evangelie klinkt zeer indringend. Het Woord van God overwint mensenharten en legt beslag op mensenlevens. Johannes de Doper werd erom gevangen, en de discipelen die de Here Jezus roept, laten hun familiebedrijf zonder pardon achter zich. Hun toekomst als vissersbazen nemen ze geheel voor lief. Hoe dat kon? Alles verlaten om Jezus’ wil? Doordat de Here Jezus met goddelijke gezag roept. Zijn kracht is onstuitbaar. Zodat allerlei redeneringen waarom ze Hem niet direct zouden gehoorzamen, als sneeuw voor de zon verdwijnen. Die overwegingen, al zouden ze er zijn geweest, worden niet in de Bijbel genoemd. Want niet de biografieën van discipelen, vormen de inhoud van de Bijbel, maar de vervulling van de Raad Gods. God, die door Zijn Zoon het Koninkrijk der Hemelen nabij brengt. En zo is de opdracht voor u en mij vandaag niet om biografieën van Jezus en zijn apostelen te lezen, maar zich te bekeren en het Evangelie te geloven! En om uit het geloof in Christus en het heil dat Hij brengt, te leven. En dus ook zich te bekeren van een levenswandel die niet overeenstemt met de wet van Gods Koninkrijk, namelijk Gods wil. En uit het onderwijs van onze Here Jezus kennen wij die wil.

Verder lezen: Matteüs 19:27-3027 Daarop antwoordde Petrus en zeide tot Hem: Zie, wij hebben alles prijsgegeven en zijn U gevolgd; wat zal dan ons deel zijn? 28 Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, gij, die Mij gevolgd zijt, zult in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen op de troon zijner heerlijkheid zal zitten, ook op twaalf tronen zitten om de twaalf stammen van Israël te richten. 29 En een ieder, die huizen of broeders of zusters of vader of moeder of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om mijn naam, zal vele malen meer terugontvangen en het eeuwige leven erven. 30 Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten.

6 juni

Dat de Here Jezus optrad met gezag, en zodanig onderwijs gaf dat de menigte zeer onder de indruk was, is de duidelijke aanwijzing dat Hij met de Geest gezalfd is, en aanleiding voor de boze er direct bij te zijn om het heerlijk licht van Christus te verduisteren. Maar tegelijk, is het ook Christus Zelf, die de demon bestrijdt. Hij legt hem met goddelijk gezag het zwijgen op. Want het spreken van onreine geesten, het spreken van de leugen, werkt veel kwaad. De onreine geest wil Jezus in een kwaad daglicht stellen, alsof Hij gekomen zou zijn om te verderven. Het is onvoorstelbaar, dat in de Middeleeuwen de voorstelling van Christus als wrekende rechter, voor wie je doodsbang moet zijn, de geesten der mensen heeft bevangen. Zijn verlossingswerk, zoals hier blijkt, moet ons juist vervullen met de begeerte bij Hem te zijn. Om Zijn zaligmakende leer te horen en van Hemzelf de zaligheid te ontvangen in de vergeving van onze zonden. Uiteindelijk is de roep die van Hem en zijn werk uitgaat zo sterk dat het werk Gods voortgaat. Want Hij is Gods eigen Zoon, die zijn volk verlost van al haar zonden en van de boze geesten. Want de duivel, de overste der boze geesten, heeft Hij verslagen.

Verder lezen: Openbaring 12:1-121 En er werd een groot teken in de hemel gezien: een vrouw, met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd; 2 en zij was zwanger en schreeuwde in haar weeën en in haar pijn om te baren. 3 En er werd een ander teken in de hemel gezien, en zie, een grote rossige draak met zeven koppen en tien horens, en op zijn koppen zeven kronen. 4 En zijn staart sleepte een derde van de sterren des hemels mede en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, om, zodra zij haar kind gebaard had, dit te verslinden. 5 En zij baarde een zoon, een mannelijk wezen, dat alle heidenen zal hoeden met een ijzeren staf; en haar kind werd plotseling weggevoerd naar God en zijn troon. 6 En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft, door God bereid, opdat zij daar twaalfhonderd zestig dagen onderhouden zou worden. 7 En er kwam oorlog in de hemel; Michaël en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak; ook de draak en zijn engelen voerden oorlog, 8 maar hij kon geen standhouden, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. 9 En de grote draak werd (op de aarde) geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem. 10 En ik hoorde een luide stem in de hemel zeggen: Nu is verschenen het heil en de kracht en het koningschap van onze God en de macht van zijn Gezalfde; want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God, is nedergeworpen. 11 En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad, tot in de dood. 12 Daarom, verheugt u, gij hemelen en wie daarin wonen. Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u nedergedaald in grote grimmigheid, wetende, dat hij weinig tijd heeft.

7 juni

Het werk van de Here Jezus in het genezen van vele zieken, zoals hier is verteld, laat duidelijk zijn overmacht zien over de zonde en de macht van de boze. Bezetenen van boze geesten worden door Hem bevrijd. Hoe kwaadaardig die geesten of demonen waren, blijkt wel in het feit dat Hij hen het zwijgen oplegt. Door hun vals getuigen van Hem, konden zij de menigte in twijfel en beroering brengen. We weten hoe vals de duivel de mensen kan laten denken over onze Zaligmaker.

We zien hier ook hoe ijverig onze Here is geweest. Hij nam amper nachtrust, om te kunnen bidden met als doel verder te gaan met preken en genezen. Alles zette Hij in om aan allen op elke plaats het Evangelie te verkondigen. Zijn ijver is onbegrensd om zijn volk te verlossen van haar ongerechtigheden en ziekten, door velen van allerlei ziekten te genezen. Zo ging Hij al predikend en genezend rond in Galilea. Daartoe was Hij uitgezonden. Het gaat om de vervulling van Gods Raad door Hem. Onze ziekten heeft Hij op Zich genomen en de zonden van velen gedragen (Jesaja 53:44 Nochtans, onze ziekten heeft hij op zich genomen, en onze smarten gedragen; wij echter hielden hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte. en 12). Hij is gezonden door de Vader. In Hem blijkt de barmhartigheid en verbondstrouw van de HERE, voor een arm en ellendig volk.

Verder lezen: Matteüs 12:22-3722 Toen bracht men een bezetene tot Hem, die blind en stom was. En Hij genas hem, zodat de stomme sprak en zag. 23 En al de scharen waren buiten zichzelf en zeiden: Dit is toch niet de Zoon van David? 24 Maar de Farizeeën hoorden het en zeiden: Deze drijft de boze geesten slechts uit door Beëlzebul, de overste der geesten. 25 Maar Hij kende hun gedachten en zeide tot hen: Ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat ten onder, en geen stad of huis, tegen zichzelf verdeeld, zal standhouden. 26 En indien de satan de satan uitdrijft, is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn koninkrijk kunnen standhouden? 27 En indien Ik door Beëlzebul de boze geesten uitdrijf, door wie doen uw zonen het dan? Daarom zullen zij rechters over u zijn. 28 Maar indien Ik door de Geest Gods de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen. 29 Of hoe kan iemand het huis van de sterke binnengaan en zijn huisraad roven, als hij niet eerst die sterke heeft gebonden? Dan zal hij zijn huis plunderen. 30 Wie met Mij niet is, die is tegen Mij, en wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit. 31 Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden, maar de lastering van de Geest zal niet vergeven worden. 32 Spreekt iemand een woord tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar spreekt iemand tegen de heilige Geest, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende. 33 Acht de boom goed, maar dan ook zijn vrucht, òf acht de boom slecht, maar dan ook zijn vrucht, want aan zijn vrucht kent men de boom. 34 Adderengebroed, hoe kunt gij, die slecht zijt, iets goeds zeggen? Want uit de overvloed des harten spreekt de mond. 35 Een goed mens brengt uit zijn goede schat goede dingen voort, en een slecht mens uit zijn boze schat boze dingen. 36 Maar Ik zeg u: Van elk ijdel woord, dat de mensen zullen spreken, zullen zij rekenschap geven op de dag des oordeels, 37 want naar uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en naar uw woorden zult gij veroordeeld worden.

8 juni

De melaatse smekeling toont ons het beeld van de mens die helemaal hopeloos is. De mens, die alle moed heeft verloren, maar nog één ding weet. Het ene nodige. Namelijk dat God kan redden; dat de Here Jezus kan en wil genezen. Dat geloof nu is het, wat wij elke dag en iedere minuut nodig hebben.

Juist als wij de diepe ellende vanwege onze zonden inzien, vallen wij de Here Jezus te voet. En barmhartigheid is bij Hem, zoals bij de Vader. Wanneer wij dan in onze gebeden tot de Vader gaan, dan weten we dat Hij niet alleen barmhartig is, maar dat ook bewijst.

Welk een enorme impact de genezing voor de melaatse had, blijkt in zijn verkondiging er van, ondanks het strenge verbod van de Here Jezus. Dit hinderde de Here vervolgens in zijn dienst. De oploop werd te massaal en daarom moest Hij Zich terugtrekken. Wat zegt dit? Allereerst dat wij Hem moeten gehoorzamen op zijn Woord, dan gaat Zijn werk allerbest voort. En het moet niet gaan om de wonderen, in ons eigen voordeel. Ook zegt deze tekst dat de komst van het Koninkrijk onstuitbaar is. Maar voor het ingaan in dat Rijk is oprechte bekering en geloof in Hem nodig.

Verder lezen: Johannes 14:1-141 Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. 2 In het huis mijns Vaders zijn vele woningen - anders zou Ik het u gezegd hebben - want Ik ga heen om u plaats te bereiden; 3 en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben. 4 En waar Ik heenga, daarheen weet gij de weg. 5 Tomas zeide tot Hem: Here, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg? 6 Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. 7 Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien. 8 Filippus zeide tot Hem: Here, toon ons de Vader en het is ons genoeg. 9 Jezus zeide tot hem: Ben Ik zolang bij u, Filippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader? 10 Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet; maar de Vader, die in Mij blijft, doet zijn werken. 11 Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is: of anders, gelooft om de werken zelf. 12 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader; 13 en wat gij ook vraagt in mijn naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt worde. 14 Indien gij Mij iets vraagt in mijn naam, Ik zal het doen.

9 juni

In deze perikoop wordt veel openbaar van de bedoeling van Jezus’ komst. Hij heeft als de Zoon des mensen macht om zonden te vergeven. Hijzelf is gekomen om die zonden immers te dragen en onze ziekten op Zich te nemen. Beide, ziekte en zonde, neemt Hij hier weg. Neemt Hij de oorzaak van onze ziekten weg, namelijk onze zonden, dan is het geheel goed. Welk een onuitsprekelijke en onbevattelijke grote weldaad is dit!

Te prijzen is ook het geloof dat de Here Jezus opwekte. De mannen vertrouwden volledig in zijn wil en vermogen om de verlamde weer te doen lopen. Ze nemen dan ook rigoureuze maatregelen om bij Jezus te komen. Het was vervolgens ronduit schokkend, in de goede zin van het woord, dat Hij deze genezing bewerkte als antwoord op hun geloof. Een duidelijk blijk van Zijn scheppende macht. Van Zijn goddelijk vermogen de harten der mensen te kennen, geeft Hij hier eveneens duidelijk blijk. De schriftgeleerden moesten door dit spreken van de Here toch direct overtuigd zijn van Hem als de Messias. Want wie kent de harten en wat wij van binnen denken, dan God alleen!? Welk een Zaligmaker is de Here Jezus! Wat een vermogen en wijsheid en doortastendheid en liefde.

Verder lezen: Spreuken 15:11-16:311 Dodenrijk en verderf liggen open voor de Here, hoeveel te meer de harten der mensenkinderen! 12 De spotter houdt er niet van, dat men hem terechtwijst; tot de wijzen zal hij niet gaan. 13 Een blij hart maakt het aangezicht vrolijk, maar door harteleed wordt de geest verslagen. 14 Het hart van de verstandige zoekt kennis, maar de mond der zotten houdt zich met dwaasheid bezig. 15 Al de dagen van de ellendige zijn boos, maar voor de blijmoedige is het altijd feest. 16 Beter is een weinig in de vreze des Heren, dan een grote schat en onrust daarbij. 17 Beter een schotel groente, waar liefde heerst, dan een gemeste os en haat daarbij. 18 Een opvliegend mens verwekt twist, maar een lankmoedige doet de strijd bedaren. 19 De weg van de luiaard is als een doornhaag, maar het pad der oprechten is welgebaand. 20 Een wijs zoon verheugt de vader, maar een dwaas van een mens veracht zijn moeder. 21 Dwaasheid is vreugde voor de verstandeloze, maar een man van verstand houdt de rechte weg. 22 Plannen mislukken bij gebrek aan overleg, maar door de veelheid van raadgevers komt iets tot stand. 23 Iemand heeft vreugde, als hij een gepast antwoord geeft, en hoe goed is een woord op zijn tijd! 24 Het pad des levens gaat voor de verstandige opwaarts, opdat hij ontwijke het dodenrijk beneden. 25 Het huis der hoogmoedigen breekt de Here af, maar Hij maakt de grenspaal der weduwe vast. 26 De plannen van de boze zijn de Here een gruwel, maar liefelijke woorden zijn rein. 27 Wie hunkert naar onrechtmatige winst, vernielt zijn eigen huis; maar wie geschenken haat, zal leven. 28 Het hart van de rechtvaardige overweegt, wat hij zal antwoorden, maar de mond der goddelozen stort boosheden uit. 29 Ver is de Here van de goddelozen, maar het gebed der rechtvaardigen hoort Hij. 30 Vriendelijk stralende ogen verheugen het hart; een goede tijding verkwikt het gebeente. 31 Het oor, dat luistert naar de terechtwijzing die ten leven is, zal vertoeven te midden der wijzen. 32 Wie de tucht in de wind slaat, veracht zijn leven; maar wie naar terechtwijzing luistert, verkrijgt verstand. 33 De vreze des Heren voedt op tot wijsheid, en ootmoed gaat vooraf aan de eer. 1 De mens heeft overleggingen des harten, maar het antwoord der tong is van de Here. 2 Al iemands wegen zijn rein in zijn ogen, maar de Here toetst de geesten. 3 Beveel de Here uw werken, dan zullen uw voornemens gelukken.

10 juni

Ook bij de roeping van Levi, ons beter bekend als Mattheüs, de schrijver van het evangelie, is de roepstem van onze Verlosser alles bepalend. Maar wat uiteraard opvalt, is dat Levi een tollenaar was. En dat was toch ongedacht. Tollenaars, ze worden vaak samen met de hoeren genoemd, en hun reputatie was slecht. Ze waren in dienst van de Romeinen en dus gehaat. Het aura van landverraad hing rondom hen. Met zulken ga je niet om. Hoe kon dan Jezus de tollenaar Levi tot discipel roepen? De vissersjongens, waren die al wel niet zo heel geschikt, hoeveel te minder zo’n belastingambtenaar van de vijand.

Deze vraag zouden we in onze tijd evengoed stellen. Omdat wij uitgaan van het uiterlijk voorkomen van mensen. Maar zie, Jezus is een Zaligmaker van zondaars. Voor zieken is een geneesheer nodig. En we moeten goed begrijpen dat wij geen haar beter zijn. We zijn evengoed ziek. Ziek tot op het bot. Dus hebben wij de Here Jezus als onze Geneesheer nodig. En moeten wij Hem nodigen. En ons door Hem laten nodigen, aan Zijn tafel. Wanneer wij dit door genade zien, is er veel reden voor een groot feest. Zalig zij die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam!

Verder lezen: Psalm 321 Van David. Een leerdicht. Welzalig hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is; 2 welzalig de mens, wie de Here de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is. 3 Want zolang ik zweeg, kwijnde mijn gebeente weg onder mijn gejammer de ganse dag; 4 want dag en nacht drukte uw hand zwaar op mij, mijn merg verdroogde als in zomerse hitte. sela 5 Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid verheelde ik niet; ik zeide: Ik zal de Here mijn overtredingen belijden, en Gij vergaaft de schuld mijner zonden. sela 6 Daarom bidde iedere vrome tot U ten tijde dat Gij U laat vinden; zelfs bij een stortvloed van geweldige wateren zullen die hem niet bereiken. 7 Gij zijt mij een verberging, Gij bewaart mij voor benauwdheid, Gij omringt mij met jubelzangen van bevrijding. sela 8 Ik leer en onderwijs u aangaande de weg die gij gaan moet; Ik raad u; mijn oog is op u. 9 Weest niet als een paard, als een muildier zonder verstand, welks trots men bedwingt met toom en bit, opdat het u niet te na kome. 10 Talrijk zijn de smarten van de goddeloze, maar wie op de Here vertrouwt, die omringt Hij met goedertierenheid. 11 Verheugt u in de Here en juicht, gij rechtvaardigen; jubelt allen, gij oprechten van hart.

11 juni

Dat Christus de Zaligmaker werkelijk de zaligheid brengt, was zeker reden om zich te bekeren, maar in zak en as vasten was er niet bij. Veel verheuging was er, waar Hij kwam. Want heil en zegen kwam Hij brengen in grote en overvloedige mate. Wie zou dan gaan vasten? Grote dankbaarheid en blijdschap was er bij de discipelen en allen die Hem hoorden. Want het Evangelie is blijde boodschap, om zich over te verheugen en te verblijden. Namelijk dat God vrede brengt en in barmhartigheid omziet naar zijn volk.

Christus is de Bruidegom. Hij bereidt het grote bruiloftsfeest voor. Straks zal Hij alles in gereedheid hebben gebracht en terugkomen en zijn bruidsgemeente tot Zich nemen in heerlijkheid. De Vader beslist wanneer de Zoon alles voldoende in orde heeft gemaakt en de bruid mag ophalen. Waar de Bruidegom is, daar is vrolijkheid en feest tot eer van God, die bruidegom en bruid voor elkaar geschapen heeft. Wanneer u dit beseft, krijgt u reden tot feest en niet tot treurig vasten. Dit legt de Here uit met de nieuwe wijn die men in nieuwe zakken doet. Wanneer wij onze aandacht op Hem vestigen geeft dit de ware vreugde. Want Hij komt om ons tot Zich te nemen.

Verder lezen: Jeremia 33:1-181 Toen kwam het woord des Heren ten tweeden male tot Jeremia, terwijl hij nog in de gevangenhof opgesloten was: 2 Zo zegt de Here, die dat doet, de Here, die dat formeert, om het in vervulling te doen gaan, wiens naam Here is: 3 Roep tot Mij en Ik zal u antwoorden en u grote, ondoorgrondelijke dingen verkondigen, waarvan gij niet weet. 4 Want, zo zegt de Here, de God van Israël, aangaande de huizen dezer stad en de huizen van de koningen van Juda, die afgebroken zijn voor de wallen en voor het zwaard; 5 men komt om de Chaldeeën te bestrijden, om ze te vullen met de lijken der mensen die Ik in mijn toorn en mijn gramschap verslagen heb, en om al wier boosheid Ik mijn aangezicht voor deze stad verborgen heb: 6 Zie, Ik zal haar genezing schenken en herstel, Ik zal hen genezen en hun een schat van bestendige vrede ontsluiten; 7 ja, Ik zal een keer brengen in het lot van Juda en Israël en hen opbouwen als weleer; 8 Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid, waardoor zij tegenover Mij gezondigd hebben, en Ik zal hun vergeven al hun ongerechtigheden, waardoor zij tegenover Mij gezondigd hebben en van Mij afvallig geworden zijn. 9 Dan zal zij Mij tot een blijde naam worden, tot lof en eer bij alle volkeren der aarde, die van al het goede dat Ik aan hen doe, horen zullen; ja, zij zullen zich verbazen en verwonderen over al het goede en al het heil, dat Ik aan haar doe. 10 Zo zegt de Here: In deze plaats, waarvan gij zegt: Zij is verwoest, mens noch dier is er, in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem die woest liggen, zonder mensen, zonder inwoners en zonder dieren, zal weer gehoord worden de stem der vreugde 11 en de stem der vrolijkheid, de stem van de bruidegom en de stem der bruid, de stem van hen die zeggen: Looft de Here der heerscharen, want de Here is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid! terwijl zij lofoffers in het huis des Heren brengen; want Ik zal in het lot van het land een keer brengen, zodat het wordt als tevoren, zegt de Here. 12 Zo zegt de Here der heerscharen: In dit gebied, dat verwoest ligt, zodat er mens noch dier is, en in al zijn steden zal weer een weide zijn voor de herders die de schapen doen legeren; 13 in de steden van het Gebergte, van de Laagte en van het Zuiderland, in het land van Benjamin, in de omstreken van Jeruzalem en in de steden van Juda zullen de schapen weer onder de hand van de teller doorgaan, zegt de Here. 14 Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik het goede woord in vervulling zal doen gaan, dat Ik over het huis van Israël en het huis van Juda gesproken heb. 15 In die dagen en te dien tijde zal Ik aan David een Spruit der gerechtigheid doen ontspruiten, die naar recht en gerechtigheid in het land zal handelen. 16 In die dagen zal Juda verlost worden en Jeruzalem veilig wonen, en zó zal men het noemen: De Here onze gerechtigheid. 17 Want zo zegt de Here: Nimmer zal het David ontbreken aan een man, die op de troon van het huis Israëls gezeten is; 18 en de levitische priesters zal het nimmer ontbreken voor mijn aangezicht aan een man die brandoffers offert, spijsoffers ontsteekt en slachtoffers brengt al de dagen.

12 juni

De regels die de Farizeeën aan de wet hadden toegevoegd waren voor hen de manier om God te dienen. De manier, om de gerechtigheid voor God te verdienen. Wie dat allemaal na kwam, die moest van de Here toch wel terugbetaald worden. Deze manier van denken zit de mens in het bloed. En wie zich aan dat verderfelijk denken over geeft, gaat zichzelf verheffen boven anderen. En gaat zichzelf rechtvaardigen door de overtredingen die anderen begaan. Overtredingen van eigen bedachte regels. De vrees en eerbied voor God en zijn Woord worden vervangen door het naleven van aangeleerde leefregels door mensen bedacht. Slechts lippendienst blijft over.

Maar de Here, Hij heeft zijn wet voor de mens gegeven zodat die wet dienstbaar is aan het geluk van de mens in het leven in Gods gemeenschap. En de Zoon des mensen, ons Hoofd en onze Koning, die verklaart ons de wet zuiver en recht, zodat we weer het goede en heilzame ontvangen van wat God in Zijn goede geboden voor ons heeft bepaald! Zodat, wanneer wij hongeren, te eten krijgen, ook op de sabbat. Om niet te zeggen, juist op de sabbat. De Here is goed, en zijn koren smaakt goed en zijn Woord geeft leven.

Verder lezen: Psalm 119:17-3217 Doe wel aan uw knecht, dan zal ik leven en uw woord onderhouden. 18 Ontdek mijn ogen, opdat ik aanschouwe de wonderen uit uw wet. 19 Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg uw geboden niet voor mij. 20 Mijn ziel wordt verteerd van verlangen naar uw verordeningen te allen tijde. 21 Gij bedreigt de vervloekte overmoedigen, die van uw geboden afdwalen. 22 Wentel smaad en verachting van mij af, want ik bewaar uw getuigenissen. 23 Al zetten vorsten zich neder, al beraadslagen zij tegen mij, uw knecht overdenkt uw inzettingen. 24 Ja, uw getuigenissen zijn mijn verlustiging, zij zijn mijn raadslieden. 25 Mijn ziel kleeft aan het stof, maak mij levend naar uw woord. 26 Mijn wegen heb ik verhaald en Gij hebt mij geantwoord, leer mij uw inzettingen. 27 Doe mij de weg uwer bevelen verstaan, opdat ik uw wonderen overdenke. 28 Mijn ziel schreit van kommer, richt mij op naar uw woord. 29 Doe de weg der leugen van mij wijken en schenk mij genadig uw wet. 30 Ik verkies de weg der waarheid, Ik stel uw verordeningen voor mij. 31 Ik klem mij vast aan uw getuigenissen, o Here, maak mij niet beschaamd. 32 Ik zal de weg uwer geboden lopen, want Gij verruimt mij het hart.

13 juni

Al spoedig wordt actie ondernomen om de Here Jezus te doden. Hij moet uit de weg geruimd worden. Het begin van deze perikoop, en vooral het einde, wijzen daar op. Zo gaat het met de vijandschap tegen het licht en de waarheid. De mens die eigen gerechtigheid wil verdienen, haat de genade van God en van Christus. En om die vijandschap tegen God en Zijn Gezalfde vorm te geven, wordt er overleg gepleegd en vergaderd, om de Dienaar van die genade te doden.

Bij de Here Jezus is rechtvaardige en heilige toorn om de hardnekkigheid en ongefundeerde vijandschap tegen het Evangelie en de genezing. De wet wordt misbruikt om Hem te vangen. Terwijl Hij als Heer over de sabbat er juist voor zorgt, dat iemand weer zes dagen kan arbeiden en al zijn werk doen. Maar dat is voor zijn vijanden blijkbaar niet van waarde. Ze offeren het liefst de gezondheid van een ander op aan hun eigen gelijk. Ze menen dat ware godsdienst niets anders is dan wet op wet, regel op regel. En dat het hart daarbij verhard is, dat heeft geen aandacht. Dit nu maakt de Here bedroefd. Want een oprecht en open hart, met liefde tot God en de naaste, is wat Hem behaagd. Hij is gekomen om goed te doen.

Verder lezen: Psalm 301 Een psalm. Een lied voor de tempelwijding. Van David. 2 Ik zal U verhogen, Here, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden geen vreugde over mij gegeven. 3 Here, mijn God, tot U riep ik om hulp, en Gij hebt mij genezen. 4 Here, Gij deedt mij opkomen uit het dodenrijk, Gij hebt mij leven gegeven, zodat ik niet in de groeve nederdaalde. 5 Psalmzingt de Here, gij zijn gunstgenoten, en looft zijn heilige naam; 6 want een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn welbehagen; des avonds vernacht het geween, tegen de morgen is er gejuich. 7 In mijn onbezorgdheid had ik gedacht: ik zal nimmer wankelen - 8 Here, door uw welbehagen hadt Gij mijn berg bevestigd - Gij verborgt uw aangezicht, ik stond verschrikt. 9 Tot U, Here, riep ik, en tot de Here smeekte ik om genade: 10 Wat voor gewin ligt er in mijn bloed, in mijn nederdalen in de groeve? Kan het stof U loven, kan dat uw trouw vermelden? 11 Hoor, Here, en wees mij genadig, Here, wees mij een helper. 12 Mijn rouwklacht hebt Gij veranderd in een reidans, mijn rouwkleed hebt Gij losgemaakt, met vreugde mij omgord, 13 opdat mijn ziel U zou psalmzingen, en nimmer verstommen. Here, mijn God, voor altoos zal ik U loven.

14 juni

We zagen bij Jezus’ eerste optreden in de synagoge te Kafarnaüm al direct de aanwezigheid van een onreine geest om Zijn machtig verlossingswerk te bevuilen. Het rijk van de duisternis is er snel bij om al het goede te verderven. De duisternis kan het licht niet verdragen. En de valse satan doet er alles aan om Gods goedheid in een kwaad daglicht te stellen. Dat de boze geesten duidelijk door hebben wie de Here Jezus is - de Zoon van God - is overigens een beschaming voor de mensen die Hem verwerpen. De boze geesten maken Hem bekend als de Zoon van God. Maar Hij verhindert hen dat te doen. Want Hij is gekomen in vernedering en om het lijden te ondergaan. Het getuigenis van de onreine geesten is daarbij ook altijd onzuiver en met kwade bedoelingen vermengd. En hun angst en siddering voor God willen ze maar al te graag op de mensen overbrengen, zodat die uit angst niet tot Christus zouden gaan voor verlossing.

Maar de weldadigheid en liefde van onze Zaligmaker is zo groot en overmachtig, dat iedereen, uit het hele land, van de uiterste grenzen, er van hoort, en tot Hem komt. Welk een getuigenis gaat van Hem uit! Wat een vervulling van de profetie!

Verder lezen: Jesaja 351 De woestijn en het dorre land zullen zich verblijden, de steppe zal juichen en bloeien als een narcis; 2 zij zal welig bloeien en juichen, ja, juichen en jubelen. De heerlijkheid van de Libanon is haar gegeven, de luister van de Karmel en van Saron; zij zullen aanschouwen de heerlijkheid des Heren, de luister van onze God. 3 Sterkt de slappe handen en verstevigt de knikkende knieën. 4 Zegt tot de versaagden van hart: Weest sterk, vreest niet; zie, uw God zal komen met wraak, met de vergelding Gods; Hij zal komen en Hij zal u verlossen. 5 Dan zullen de ogen der blinden geopend en de oren der doven ontsloten worden; 6 dan zal de lamme springen als een hert en de tong van de stomme zal jubelen; want in de woestijn zullen wateren ontspringen en beken in de steppe, 7 en het gloeiende zand zal tot een plas worden en het dorstige land tot waterbronnen; waar de jakhalzen verblijven en legeren, zal gras met riet en biezen zijn. 8 Daar zal een gebaande weg zijn, die de heilige weg genaamd wordt; geen onreine zal die betreden; maar hij zal alleen voor hen zijn; reizigers noch dwazen zullen erop dolen. 9 Daar zal geen leeuw zijn en geen verscheurend dier zal daarop komen; zij worden daar niet gevonden. Maar de verlosten wandelen daarop; 10 de vrijgekochten des Heren zullen wederkeren en met gejubel in Sion komen; eeuwige vreugde zal op hun hoofd zijn, blijdschap en vreugde zullen zij verkrijgen, maar kommer en zuchten zullen wegvlieden.

15 juni

De roeping en aanstelling van de twaalf apostelen heeft rijke betekenis. Het getal twaalf stemt overeen met de twaalf stammen van Israël. En deze twee, de twaalf stammen en de twaalf apostelen, ontmoeten elkaar in het volk van God en later in de stad van God, het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt; wat Johannes vanaf een hoge berg heeft gezien. Deze stad heeft op haar poorten de namen van de twaalf stammen Israëls en op de fundamenten de namen van de twaalf apostelen staan. Omdat hun leer, de christelijke leer, de basis is van de kerk. De Here Jezus heeft hen die leer opgedragen te verkondigen. Die leer is niet vrijblijvend. Zonder geloof in die leer is daar de dreiging van de donderstem en van vuur uit de hemel. En wie trouweloos de Christus verloochent en verlaat, staat een schrikkelijk oordeel te wachten.

Maar wie eenvoudigweg de leer der apostelen aanneemt als de leer der zaligheid, mag zich in Israël ingelijfd weten en door de poorten ingaan in de stad. Daarvoor is het nodig eigen vlees te kruisigen, eigen denken gevangen te geven aan de leer van het Evangelie, het levende Woord van God. Het Woord dat het pad ten leven is om de stad van God binnen te gaan.

Verder lezen: Openbaring 21:9-279 En er kwam een van de zeven engelen met de zeven schalen, die vol waren van de laatste zeven plagen, en hij sprak met mij, zeggende: Kom hier, ik zal u tonen de bruid, de vrouw des Lams. 10 En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God; 11 en zij had de heerlijkheid Gods, en haar glans geleek op een zeer kostbaar gesteente, als de kristalheldere diamant. 12 En zij had een grote en hoge muur en zij had twaalf poorten en op de poorten twaalf engelen, en namen op (de poorten) geschreven, welke zijn die van de twaalf stammen der kinderen Israëls. 13 Naar het oosten waren drie poorten en naar het noorden drie poorten en naar het zuiden drie poorten en naar het westen drie poorten. 14 En de muur der stad had twaalf fundamenten en daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen des Lams. 15 En hij, die met mij sprak, had een gouden meetstok om de stad op te meten, en haar poorten en haar muur. 16 En de stad lag in het vierkant en haar lengte was even groot als haar breedte; en hij mat de stad op met de stok: twaalfduizend stadiën; haar lengte en haar breedte en haar hoogte waren gelijk. 17 En hij mat haar muur op: honderd vierenveertig el, mensenmaat, die engelenmaat is. 18 En de bouwstof van haar muur was diamant; en de stad was zuiver goud, gelijk zuiver glas. 19 En de fundamenten van de muur der stad waren met allerlei edelgesteente versierd. Het eerste fundament was diamant, het tweede lazuursteen, het derde robijn, het vierde smaragd, 20 het vijfde sardonyx, het zesde sardius, het zevende topaas, het achtste beril, het negende chrysoliet, het tiende chrysopraas, het elfde saffier, het twaalfde amethist. 21 En de twaalf poorten waren twaalf paarlen: iedere poort afzonderlijk was uit één parel, en de straat der stad was zuiver goud, gelijk doorschijnend glas. 22 En een tempel zag ik in haar niet, want de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam. 23 En de stad heeft de zon en de maan niet van node, dat die haar beschijnen, want de heerlijkheid Gods verlicht haar en haar lamp is het Lam. 24 En de volken zullen bij haar licht wandelen en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid in haar; 25 en haar poorten zullen nooit gesloten worden des daags, want daar zal geen nacht zijn; 26 en de heerlijkheid en de eer der volken zullen in haar gebracht worden. 27 En in haar zal niets onreins binnenkomen, en niemand, die gruwel en leugen doet, maar alleen zij, die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam.

16 juni

De Here Jezus heeft de satan overwonnen. Dat blijkt in het uitdrijven van boze geesten. Die zijn allen aan Hem onderworpen, moeten in Hem hun meerdere erkennen en ze sidderen voor Hem. Christus is hier op aarde gekomen en heeft hun sterke eigenaar, de satan, gebonden. Zodoende bedwingt en beveelt Hij de boze geesten. Zij moeten Hem gehoorzamen, ook al willen ze het niet. Zo verlost Hij zijn volk van die demonen.

De valse beschuldiging, dat Hij op last van de overste van de boze geesten, de duivel zelf, boze geesten uitdrijft, is niets anders dan een verzinsel om Hem zwart te maken. Ja, deze leugen is het wapen van de mensenmoorder. En wie dan de Heilige Geest lastert, begaat een eeuwige zonde, die niet vergeven wordt. Wie het werk van de Heilige Geest uit haat bestrijdt en het lastert - zoals dat werk er overduidelijk is als de Here demonen uitdrijft en mensen verlost - wie dat doet, sluit zichzelf van verlossing uit en strijdt daartegen tot eigen rechtvaardige veroordeling.

De logische onderwijzing van onze Heiland hier, maakt duidelijk dat Hij de Messias is. Bij Hem moeten we zijn. Hij verlost uit het diensthuis der zonde, waarvoor Hij de heer van dat huis heeft gebonden.

Verder lezen: Hebreeën 6:1-121 Laten wij daarom het eerste onderwijs aangaande Christus laten rusten en ons richten op het volkomene, zonder opnieuw het fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God, 2 van een leer van dopen en van oplegging der handen, van opstanding der doden en van een eeuwig oordeel; 3 en dat zullen wij doen, indien God het vergunt. 4 Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht zijn geweest, van de hemelse gave genoten hebben en deel gekregen hebben aan de heilige Geest, 5 en het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben, 6 en daarna afgevallen zijn, weder opnieuw tot bekering te brengen, daar zij wat hen betreft de Zoon van God opnieuw kruisigen en tot een bespotting maken. 7 Want de grond, die de regen, welke er telkens op valt, indrinkt en gewas voortbrengt, geschikt voor hen, ter wille van wie hij ook bewerkt wordt, ontvangt zegen van God; 8 doch als hij doornen en distelen draagt, is hij ondeugdelijk en niet ver van de vervloeking, die uitloopt op verbranding. 9 Maar wat u betreft, geliefden, ook al spreken wij zo, wij zijn overtuigd van iets beters, waaraan uw heil hangt. 10 Want God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk zou vergeten en de liefde, die gij voor zijn naam getoond hebt door de diensten, welke gij de heiligen bewezen hebt en nog bewijst. 11 Maar het is onze begeerte, dat ieder uwer dezelfde ijver blijve betonen tot de verwezenlijking der hoop tot het einde toe, 12 opdat gij niet traag wordt, maar navolgers moogt zijn van hen, die door geloof en geduld de beloften beërven.

17 juni

Evenals Mattheüs en Lucas, verhaalt Marcus deze gebeurtenis en onderwijzing. De moeder, broers en zussen van de Here Jezus willen Hem spreken. Maar ze staan buiten en sturen iemand om Hem te roepen. Jezus is binnen en velen zitten rondom Hem om naar Hem te horen. Zijn familie wil wat tegen Hem zeggen, maar Hij heeft echt wat te zeggen. Hij verkondigt het Evangelie. Zij zijn op zoek naar hun familie. Hij zoekt de Familie. En het volk lijkt de wens van de familie wel te waarderen, maar de Here Jezus verklaart wie Zijn Familie is. Namelijk, wie de wil van God doen. En dat zijn zij die rondom Hem zitten en naar Hem horen. Zij die zich willen laten leren door de Here. Zij die erop gericht zijn, het Woord van God als het Woord des levens te ontvangen. Wie dat doen, doen de wil van de Vader. Zij zoeken daarmee Gods Koninkrijk en aanvaarden de wil van de Vader. Wie naar de Here Jezus Christus gelovig horen, zijn van Hem. Dat zijn zijn familieleden, aan wie Hij de liefde van de Vader bewijst, voor wie Hij zijn leven inzet. Aan wie Hij het Woord Gods verkondigt, en aan wie Hij door Zijn Woord het leven geeft. Wie dat verstaat, ziet Hem, en ziet in Hem de Vader en heeft het leven in Zijn gezin.

Verder lezen: Psalm 271 Van David. De Here is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen? De Here is mijns levens veste, voor wie zou ik vervaard zijn? 2 Toen boosdoeners op mij afkwamen om mijn vlees te eten - mijn tegenstanders en mijn vijanden - zijn zij zelf gestruikeld en gevallen. 3 Al legert zich een leger tegen mij, mijn hart vreest niet; al verheft zich een krijg tegen mij, nochtans blijf ik vertrouwen. 4 Eén ding heb ik van de Here gevraagd, dit zoek ik: te verblijven in het huis des Heren al de dagen van mijn leven, om de liefelijkheid des Heren te aanschouwen, en om te onderzoeken in zijn tempel. 5 Want Hij bergt mij in zijn hut ten dage des kwaads, Hij verbergt mij in het verborgene van zijn tent, Hij plaatst mij hoog op een rots. 6 En nu heft mijn hoofd zich op boven mijn vijanden rondom mij; daarom wil ik in zijn tent offeren offers met geschal, ik wil zingen, ja psalmzingen de Here. 7 Hoor, Here, hoe ik luide roep, wees mij genadig en antwoord mij. 8 Van Uwentwege zegt mijn hart: Zoekt mijn aangezicht. Ik zoek uw aangezicht, Here. 9 Verberg uw aangezicht niet voor mij, wijs uw knecht niet af in toorn, Gij waart mijn hulp; verwerp mij niet en verlaat mij niet, o God mijns heils. 10 Al hebben mijn vader en moeder mij verlaten, toch neemt de Here mij aan. 11 Onderwijs mij, Here, uw weg en leid mij op een effen pad om mijner belagers wil; 12 geef mij niet prijs aan de lust van mijn tegenstanders, want valse getuigen staan tegen mij op, en hij die geweld blaast. 13 O, als ik niet had geloofd des Heren goedheid te zullen zien in het land der levenden! 14 Wacht op de Here, wees sterk, uw hart zij onversaagd; ja wacht op de Here.

18 juni

Marcus 4:1-201 En wederom begon Hij te leren bij de zee. En een zeer grote schare verzamelde zich bij Hem, zodat Hij in een schip ging en daarin nederzat op de zee, en de gehele schare was bij de zee op het land. 2 En Hij leerde hun vele dingen in gelijkenissen, en Hij zeide tot hen in zijn onderwijs: 3 Hoort. Zie, een zaaier ging uit om te zaaien. 4 En het geschiedde bij het zaaien, dat een deel langs de weg viel, en de vogels kwamen en aten het op. 5 Een ander deel viel op steenachtige bodem, waar het niet veel aarde had, en terstond schoot het op, omdat het geen diepe aarde had. 6 Maar toen de zon opging, verschroeide het, en omdat het geen wortel had, verdorde het. 7 En een ander deel viel in de dorens en de dorens kwamen op en verstikten het en het gaf geen vrucht. 8 En het overige viel in goede aarde en opkomende en uitstoelende gaf het vrucht, en het droeg tot dertig-, zestig- en honderdvoud toe. 9 En Hij zeide: Wie oren heeft om te horen, die hore. 10 En toen Hij (met hen) alleen was, vroegen zij die in zijn omgeving waren met de twaalven, Hem naar de gelijkenissen. 11 En Hij zeide tot hen: U is gegeven het geheimenis van het Koninkrijk Gods, maar tot hen, die buiten staan, komt alles in gelijkenissen, 12 dat zij ziende zien en niet bemerken, en horende horen en niet verstaan, opdat zij zich niet bekeren en hun vergeven worde. 13 En Hij zeide tot hen: Weet gij niet, wat deze gelijkenis betekent, en hoe zult gij dan al de gelijkenissen verstaan? 14 De zaaier zaait het woord. 15 Dit zijn degenen, die langs de weg zijn: waar het woord gezaaid wordt, en zodra zij het horen, komt terstond de satan en neemt het woord, dat in hen gezaaid is, weg. 16 En evenzo zijn, die op steenachtige plaatsen gezaaid worden, degenen, die, zodra zij het woord horen, het terstond met blijdschap aannemen. 17 Doch zij hebben geen wortel in zich, maar zijn mensen van het ogenblik; wanneer later verdrukking of vervolging komt om der wille van het woord, komen zij terstond ten val. 18 En een ander deel zijn degenen, die in de dorens gezaaid worden: dit zijn zij, die het woord horen, 19 maar de zorgen van de wereld en het bedrog van de rijkdom en de begeerten naar al het andere komen erbij en verstikken het woord en het wordt onvruchtbaar. 20 En dit zijn degenen, die in goede aarde gezaaid zijn: zij, die het woord horen en in zich opnemen en vrucht dragen, dertig- en zestig- en honderdvoud.

Deze gelijkenis van onze Here Jezus komt tot ons met het bevel: “Wie oren heeft om te horen, die hore.” We mogen dus nooit de houding van de valse lijdelijkheid aannemen. Zo van: “dat ik toch maar die goede grond mag worden.” Deze schijnvrome houding wordt hier tegen gesproken door de Heiland.

Het Woord wordt dankzij Gods voorzienig bestuur verkondigt, waar Hij wil en wanneer Hij wil. Wie gezegend is om Zijn Woord te mogen horen, heeft ook de verantwoordelijkheid het aan te nemen. Om het te geloven als het Woord der waarheid. Om het te geloven en te belijden en er uit te leven. Om zich te bekeren en zich door dit Woord te laten leiden en regeren. De Bijbel is geen vrijblijvend leesboek voor geïnteresseerden. Het is het levendmakende Woord van God. Omdat de Here woorden van leven heeft, daarom is het van levensbelang, om alles wat de aanname van Zijn Woord in de weg staat, weg te doen. Zoals de verleidingen van de wereld, zorgen om geld en eer en aanzien. Alle aandacht moet u vestigen op Zijn Woord en dus op Hemzelf, de enige Zaligmaker en Verlosser, Jezus Christus. Dan komt er ook het vrucht dragen in veelvoud. En dus volle blijdschap en lofprijzing.

Verder lezen: Jesaja 61 In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Here zitten op een hoge en verheven troon en zijn zomen vulden de tempel. 2 Serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn aangezicht, met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij. 3 En de een riep de ander toe: Heilig, heilig, heilig is de Here der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol. 4 En de dorpelposten beefden van het luide roepen en het huis werd vervuld met rook. 5 Toen zeide ik: Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lippen, en woon te midden van een volk, dat onrein van lippen is, - en mijn ogen hebben de Koning, de Here der heerscharen, gezien. 6 Maar één der serafs vloog naar mij toe met een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar genomen had; 7 hij raakte mijn mond daarmede aan en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt; nu is uw ongerechtigheid geweken en uw zonde verzoend. 8 Daarop hoorde ik de stem des Heren, die zeide: Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons gaan? En ik zeide: Hier ben ik, zend mij. 9 Toen zeide Hij: Ga, zeg tot dit volk: Hoort aldoor - maar verstaat niet, en ziet aldoor - maar merkt niet op. 10 Maak het hart van dit volk vet, maak zijn oren doof en doe zijn ogen dichtkleven, opdat het met zijn ogen niet zie en met zijn oren niet hore en opdat zijn hart niet versta, zodat het zich niet bekere en genezen worde. 11 Toen vroeg ik: Hoelang, Here? Hij antwoordde: Totdat de steden verwoest zijn, zodat er geen inwoner meer is, en de huizen, zodat er geen mens meer in is, en het bouwland verwoest is tot een wildernis, 12 en de Here de mensen ver verwijderd heeft en het verlaten gebied in het land groot is. 13 Is daarin nog een tiende deel, dan zal dit weer verwoest worden. Evenals van een terebint en een eik na het vellen een tronk overblijft, zo zal zijn tronk een heilig zaad zijn.

19 juni

Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad. Deze bekende woorden uit Psalm 1191 Welzalig zij, die onberispelijk van wandel zijn, die in de wet des Heren gaan. 2 Welzalig zij, die zijn getuigenissen bewaren, die Hem van ganser harte zoeken; 3 die ook geen onrecht plegen, (maar) wandelen in zijn wegen. 4 Gij hebt uw bevelen geboden, opdat men die ijverig onderhoude. 5 Och, dat mijn wegen vast waren om uw inzettingen te onderhouden. 6 Dan zou ik niet beschaamd staan, als ik op al uw geboden zie. 7 Ik zal U loven in oprechtheid des harten, wanneer ik uw rechtvaardige verordeningen leer. 8 Uw inzettingen zal ik onderhouden; verlaat mij niet geheel en al. 9 Waarmede zal de jongeling zijn pad rein bewaren? Als hij dat houdt naar uw woord. 10 Ik zoek U met mijn ganse hart, laat mij niet van uw geboden afdwalen. 11 Ik berg uw woord in mijn hart, opdat ik tegen U niet zondige. 12 Geprezen zijt Gij, Here; leer mij uw inzettingen. 13 Met mijn lippen verkondig ik alle verordeningen van uw mond. 14 In de weg uwer getuigenissen verblijd ik mij als over allerlei rijkdom. 15 Uw bevelen zal ik overdenken en op uw paden zal ik letten. 16 In uw inzettingen zal ik mij verlustigen, uw woord zal ik niet vergeten. 17 Doe wel aan uw knecht, dan zal ik leven en uw woord onderhouden. 18 Ontdek mijn ogen, opdat ik aanschouwe de wonderen uit uw wet. 19 Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg uw geboden niet voor mij. 20 Mijn ziel wordt verteerd van verlangen naar uw verordeningen te allen tijde. 21 Gij bedreigt de vervloekte overmoedigen, die van uw geboden afdwalen. 22 Wentel smaad en verachting van mij af, want ik bewaar uw getuigenissen. 23 Al zetten vorsten zich neder, al beraadslagen zij tegen mij, uw knecht overdenkt uw inzettingen. 24 Ja, uw getuigenissen zijn mijn verlustiging, zij zijn mijn raadslieden. 25 Mijn ziel kleeft aan het stof, maak mij levend naar uw woord. 26 Mijn wegen heb ik verhaald en Gij hebt mij geantwoord, leer mij uw inzettingen. 27 Doe mij de weg uwer bevelen verstaan, opdat ik uw wonderen overdenke. 28 Mijn ziel schreit van kommer, richt mij op naar uw woord. 29 Doe de weg der leugen van mij wijken en schenk mij genadig uw wet. 30 Ik verkies de weg der waarheid, Ik stel uw verordeningen voor mij. 31 Ik klem mij vast aan uw getuigenissen, o Here, maak mij niet beschaamd. 32 Ik zal de weg uwer geboden lopen, want Gij verruimt mij het hart. 33 Onderwijs mij, Here, de weg uwer inzettingen, dan zal ik die bewaren ten einde toe. 34 Geef mij verstand, dan zal ik uw wet bewaren, en haar van ganser harte onderhouden. 35 Doe mij het pad uwer geboden betreden, want daarin heb ik lust. 36 Neig mijn hart tot uw getuigenissen en niet tot winstbejag. 37 Wend mijn ogen af, zodat zij geen ijdele dingen zien, maak mij levend door uw wegen. 38 Bevestig uw belofte aan uw knecht, die uw vreze toegedaan is. 39 Wend mijn smaadheid af, die ik vrees, want uw verordeningen zijn goed. 40 Zie, naar uw bevelen verlang ik, maak mij levend door uw gerechtigheid. 41 Dat uw goedertierenheid over mij kome, o Here, uw heil naar uw belofte; 42 opdat ik mijn smader iets hebbe te antwoorden, want ik vertrouw op uw woord. 43 Neem het woord der waarheid niet geheel van mijn mond, want uw verordeningen verbeid ik, 44 opdat ik uw wet bestendig onderhoude, voor altoos en immer. 45 Dan zal ik wandelen op ruime baan, want ik zoek uw bevelen. 46 Ook zal ik voor koningen over uw getuigenissen spreken zonder mij te schamen. 47 Ik toch verlustig mij in uw geboden, die ik liefheb; 48 daarom hef ik mijn handen op naar uw geboden die ik liefheb, en overdenk ik uw inzettingen. 49 Gedenk het woord tot uw knecht, omdat Gij mij hoop hebt gegeven; 50 dit is mijn troost in mijn ellende, dat uw belofte mij levend maakt. 51 Hoezeer overmoedigen mij bespotten, van uw wet wijk ik niet. 52 Als ik denk aan uw verordeningen van ouds, o Here, dan ben ik getroost. 53 Verontwaardiging greep mij aan vanwege de goddelozen, die uw wet verlaten. 54 Uw inzettingen zijn mij tot snarenspel in het huis van mijn vreemdelingschap. 55 Des nachts gedenk ik uw naam, o Here, en onderhoud ik uw wet. 56 Dit is mij ten deel geworden, omdat ik uw bevelen bewaar. 57 De Here is mijn deel, ik heb beloofd uw woorden te onderhouden. 58 Van ganser harte zoek ik uw gunst, wees mij genadig naar uw belofte. 59 Ik overdenk mijn wegen, ik wend mijn voeten naar uw getuigenissen. 60 Ik haast mij en aarzel niet om uw geboden te onderhouden. 61 Hoewel strikken der goddelozen mij omgeven, ik vergeet uw wet niet. 62 Te middernacht sta ik op om U te loven wegens uw rechtvaardige verordeningen. 63 Ik ben een metgezel van allen die U vrezen, en van hen die uw bevelen onderhouden. 64 De aarde is vervuld van uw goedertierenheid, o Here, leer mij uw inzettingen. 65 Gij hebt goedgedaan aan uw knecht, o Here, naar uw woord. 66 Leer mij goed onderscheiden en kennen, want ik stel vertrouwen in uw geboden. 67 Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik uw woord. 68 Gij zijt goed en goeddoende, leer mij uw inzettingen. 69 Overmoedigen wrijven mij leugens aan, ik houd uw bevelen van ganser harte. 70 Ongevoelig als vet is hun hart, maar ik verlustig mij in uw wet. 71 Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik uw inzettingen zou leren. 72 De wet van uw mond is mij beter dan duizenden stukken goud en zilver. 73 Uw handen hebben mij gemaakt en toebereid, geef mij verstand, opdat ik uw geboden lere. 74 Zij, die U vrezen, zien mij en verheugen zich, want ik hoop op uw woord. 75 Ik weet, o Here, dat uw oordelen gerechtigheid zijn, en dat Gij in trouw mij hebt verdrukt. 76 Laat uw goedertierenheid mij tot vertroosting zijn naar uw belofte aan uw knecht. 77 Uw barmhartigheid kome over mij, opdat ik leve, want uw wet is mijn verlustiging. 78 Laten de overmoedigen beschaamd worden, omdat zij mij onverdiend verdrukten; ik overdenk uw bevelen. 79 Laten zich tot mij wenden wie U vrezen, en wie uw getuigenissen kennen. 80 Mijn hart zij onverdeeld in uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde. 81 Mijn ziel smacht naar uw heil, op uw woord hoop ik; 82 mijn ogen smachten naar uw belofte: wanneer zult Gij mij vertroosten? 83 Hoewel ik ben geworden als een lederen zak in de rook, heb ik uw inzettingen niet vergeten. 84 Hoevele zullen de dagen van uw knecht zijn? Wanneer zult Gij aan mijn vervolgers gericht oefenen? 85 Overmoedigen hebben mij kuilen gegraven, zij, die niet leven naar uw wet. 86 Al uw geboden zijn trouw; onverdiend vervolgen zij mij, kom mij ter hulpe! 87 Bijna hebben zij mij op aarde verdelgd, maar ik heb uw bevelen niet verlaten. 88 Maak mij levend naar uw goedertierenheid, opdat ik de getuigenis van uw mond onderhoude. 89 Voor eeuwig, o Here, houdt uw woord stand in de hemelen. 90 Van geslacht tot geslacht is uw trouw, Gij hebt de aarde gegrond, zodat zij staat; 91 naar uw verordeningen staan zij heden ten dage, want zij alle zijn uw knechten. 92 Ware uw wet niet mijn verlustiging geweest, dan was ik vergaan in mijn ellende. 93 Nimmer zal ik uw bevelen vergeten, want door deze hebt Gij mij levend gemaakt. 94 Ik ben de uwe, verlos mij, want ik zoek uw bevelen. 95 Goddelozen loeren erop mij te verderven; ik geef acht op uw getuigenissen. 96 Aan alles, hoe volkomen ook, heb ik een einde gezien, maar uw gebod is onbegrensd. 97 Hoe lief heb ik uw wet! Zij is mijn overdenking de ganse dag. 98 Uw gebod maakt mij wijzer dan mijn vijanden, want het is altoos bij mij. 99 Ik ben verstandiger dan al mijn leermeesters, want uw getuigenissen zijn mij tot overdenking. 100 Ik heb meer inzicht dan de ouden, want ik bewaar uw bevelen. 101 Ik weerhoud mijn voeten van alle boze paden, opdat ik uw woord onderhoude. 102 Ik wijk niet af van uw verordeningen, want Gij onderwijst mij. 103 Hoe aangenaam zijn uw redenen voor mijn verhemelte, meer dan honig voor mijn mond. 104 Uit uw bevelen heb ik inzicht ontvangen; daarom haat ik elk leugenpad. 105 Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad. 106 Ik heb gezworen, en ik zal het gestand doen, dat ik uw rechtvaardige verordeningen zal onderhouden. 107 Ik ben al te zeer verdrukt, o Here, maak mij levend naar uw woord. 108 Heb welbehagen, Here, in de vrijwillige offers van mijn mond, en leer mij uw verordeningen. 109 Mijn leven is bestendig in gevaar, maar uw wet vergeet ik niet. 110 Goddelozen leggen mij een strik, maar van uw bevelen dwaal ik niet af. 111 Uw getuigenissen heb ik voor altoos ten erve ontvangen, want zij zijn de blijdschap mijns harten. 112 Ik neig mijn hart om uw inzettingen te doen, voor altoos, ten einde toe. 113 Ik haat weifelaars, maar uw wet heb ik lief. 114 Gij zijt mijn schuilplaats en mijn schild, ik hoop op uw woord. 115 Wijkt van mij, gij boosdoeners, opdat ik de geboden van mijn God beware. 116 Schraag mij naar uw belofte, opdat ik leve, laat mij met mijn hoop niet beschaamd uitkomen. 117 Ondersteun mij, opdat ik verlost worde, dan zal ik mij in uw inzettingen bestendig verlustigen. 118 Gij verwerpt allen die van uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is ijdel. 119 Alle goddelozen der aarde doet gij weg als schuim, daarom heb ik uw getuigenissen lief. 120 Mijn vlees beeft van schrik voor U, ik vrees voor uw oordelen. 121 Ik heb recht en gerechtigheid gedaan, geef mij niet over aan mijn verdrukkers. 122 Wees borg voor uw knecht ten goede, laten overmoedigen mij niet verdrukken. 123 Mijn ogen smachten naar uw heil, en naar het woord uwer gerechtigheid. 124 Doe met uw knecht naar uw goedertierenheid, en leer mij uw inzettingen. 125 Ik ben uw knecht, geef mij verstand, opdat ik uw getuigenissen kenne. 126 Het is tijd voor de Here om te handelen, zij hebben uw wet verbroken. 127 Daarom heb ik uw geboden lief, meer dan goud, ja dan fijn goud; 128 daarom houd ik al uw bevelen in alles voor recht, ik haat elk leugenpad. 129 Wonderbaar zijn uw getuigenissen, daarom bewaart ze mijn ziel. 130 Het openen van uw woorden verspreidt licht, het geeft de onverstandigen inzicht. 131 Ik doe mijn mond wijd open en hijg, want ik verlang naar uw geboden. 132 Wend U tot mij en wees mij genadig, zoals recht is voor wie uw naam liefhebben. 133 Bevestig mijn schreden naar uw toezegging, laat generlei onrecht over mij heersen. 134 Verlos mij van de verdrukking der mensen, dan zal ik uw bevelen onderhouden. 135 Doe uw aanschijn lichten over uw knecht, en leer mij uw inzettingen. 136 Mijn ogen vloeien als waterbeken, omdat men uw wet niet onderhoudt. 137 Gij zijt rechtvaardig, Here; uw verordeningen zijn waarachtig. 138 In gerechtigheid hebt Gij uw getuigenissen geboden en in grote trouw. 139 Mijn ijver verteert mij, omdat mijn tegenstanders uw woorden vergeten. 140 Uw woord is geheel gelouterd, uw knecht heeft het lief. 141 Ik ben klein en veracht, uw bevelen vergeet ik niet. 142 Uw gerechtigheid is gerechtigheid voor eeuwig, en uw wet is waarheid. 143 Treffen mij nood en verdrukking, dan zijn uw geboden mijn verlustiging. 144 Uw getuigenissen zijn gerechtigheid voor eeuwig; geef mij verstand, opdat ik leve. 145 Ik roep van ganser harte; antwoord mij, Here; uw inzettingen zal ik bewaren. 146 Ik roep U aan; verlos mij, dan zal ik uw getuigenissen onderhouden. 147 Vóór de morgenschemering roep ik om hulp, op uw woord hoop ik. 148 Vóór de nachtwaken beginnen, keren mijn ogen zich naar uw toezegging. 149 Hoor mijn stem, naar uw goedertierenheid; Here, maak mij levend naar uw recht. 150 Wie schanddaden najagen, zijn nabij, verre houden zij zich van uw wet; 151 nabij zijt Gij, o Here, en al uw geboden zijn waarheid. 152 Van oudsher weet ik uit uw getuigenissen, dat Gij ze voor eeuwig hebt vastgesteld. 153 Zie mijn ellende en red mij, want uw wet vergeet ik niet. 154 Voer mijn rechtsgeding en verlos mij, maak mij levend naar uw belofte. 155 Het heil is verre van de goddelozen, want zij zoeken uw inzettingen niet. 156 Uw barmhartigheid is groot, o Here, maak mij levend naar uw verordeningen. 157 Talrijk zijn mijn vervolgers en mijn tegenstanders, doch van uw getuigenissen wijk ik niet af. 158 Zie ik afvalligen, dan voel ik afschuw, daar zij uw woord niet onderhouden. 159 Zie, hoe ik uw bevelen liefheb; Here, maak mij levend naar uw goedertierenheid. 160 Heel uw woord is de waarheid, al uw rechtvaardige verordeningen zijn voor eeuwig. 161 Vorsten vervolgen mij zonder oorzaak, maar mijn hart vreest voor uw woorden. 162 Ik verblijd mij over uw woord als iemand die rijke buit vindt. 163 Ik haat en verafschuw leugen, maar uw wet heb ik lief. 164 Zevenmaal daags loof ik U om uw rechtvaardige verordeningen. 165 Zij, die uw wet liefhebben, hebben grote vrede, er is voor hen geen struikelblok. 166 Op uw heil hoop ik, o Here, en uw geboden doe ik. 167 Mijn ziel onderhoudt uw getuigenissen, ik heb ze hartelijk lief. 168 Uw bevelen en uw getuigenissen onderhoud ik, want al mijn wegen zijn vóór U. 169 Mijn geroep nadere voor uw aanschijn, o Here; geef mij verstand naar uw woord. 170 Mijn smeking kome voor uw aanschijn, red mij naar uw belofte. 171 Mijn lippen zullen overvloeien van lof, want Gij zult mij uw inzettingen leren. 172 Mijn tong zal uw woord bezingen, want al uw geboden zijn gerechtigheid. 173 Uw hand zij mij ter hulpe, want uw bevelen heb ik verkozen. 174 Naar uw heil verlang ik, o Here, uw wet is mijn verlustiging. 175 Mijn ziel leve, en love U, mogen uw verordeningen mij helpen. 176 Ik heb gedwaald als een verloren schaap, zoek uw knecht, want uw geboden vergeet ik niet. worden weerkaatst in de twee onderwijzingen van de Here Jezus hier. Dit Woord hebben we als het voorname Licht te laten branden, zodat de duisternis in ons en rondom ons opklaart en we leven en bewegen kunnen. Het leven is in Christus, uit God. In het Woord was het leven, en het leven was het licht der mensen. We hebben in Hem, en in het geloof in Zijn leer, de Christelijke leer, het leven. Als u Christus’ Woord hoort en in hartelijk geloof aanneemt, zult u ook te meer met Zijn zegeningen in uw hart gezegend worden. En dan komt u te wandelen in het levenslicht. De Here, Hij voegt zegeningen toe, aan wie Zijn Woord geloven. Niet alleen in de toekomende eeuw, maar vandaag al. Hoe meer u aandacht geeft aan Zijn leer en investeert in het (gelovig) begrijpen van het Evangelie, hoe meer opbrengst er is. Hoe verder uw kennis en inzicht toenemen in de dingen die God geeft door Christus.

Maar wie denkt alles wel te weten, verliest ook het kleine beetje inzicht dat hij dacht te hebben.

Hoor gelovig naar Zijn Woord, met een ruime maat, en laat Zijn licht schijnen. Uw hart leve op voor immer.

Verder lezen: Psalm 119:105-112105 Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad. 106 Ik heb gezworen, en ik zal het gestand doen, dat ik uw rechtvaardige verordeningen zal onderhouden. 107 Ik ben al te zeer verdrukt, o Here, maak mij levend naar uw woord. 108 Heb welbehagen, Here, in de vrijwillige offers van mijn mond, en leer mij uw verordeningen. 109 Mijn leven is bestendig in gevaar, maar uw wet vergeet ik niet. 110 Goddelozen leggen mij een strik, maar van uw bevelen dwaal ik niet af. 111 Uw getuigenissen heb ik voor altoos ten erve ontvangen, want zij zijn de blijdschap mijns harten. 112 Ik neig mijn hart om uw inzettingen te doen, voor altoos, ten einde toe.

20 juni

Jaarlijks verwonder je je over de groei van de planten en vruchten. God geeft die groei. Het wijst op Zijn altijd en overal tegenwoordige kracht. Op wonderlijke wijze groeien de vruchten. De aar van de korenplant stijgt omhoog in de stengel en komt tot volle bloei met veelvoudige vrucht. De boer in deze gelijkenis hoeft daar niets aan te doen. Hij hoeft slechts te zaaien en te wachten.

Het Woord dat verkondigd wordt, is slechts een klein zaadje. Het lijkt zo weinig en veel mensen geven er niets om. De prediking boeit hen niet omdat het niet beantwoordt aan hun eigen begeerten. De mens wil bijzondere ervaringen, tekenen en openbaringen. Toch is het Woord het levendmakende Zaad dat gezaaid wordt en zonder men het merkt, blijkt het na lange tijd heel veel op te brengen. Het Koninkrijk van God breidt Zich geleidelijk uit. Het is Gods Koninkrijk. Hijzelf zorgt op onnavolgbare wijze dat het komt en het Zich uitbreidt tot leven van velen. Om dit te verstaan, zodat je leeft, is het nodig heel goed te letten op wat Christus verkondigt. Zijn leer in te drinken als water en Zijn Woord als brood te eten, om te groeien in geloof en te kennen de verborgenheden van het Koninkrijk.

Verder lezen: Jesaja 551 O, alle dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet; ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk. 2 Waarom weegt gij geld af voor wat geen brood is en uw vermogen voor wat niet verzadigen kan? Hoort aandachtig naar Mij, opdat gij het goede eet en uw ziel zich in overvloed verlustige. 3 Neigt uw oor en komt tot Mij; hoort, opdat uw ziel leve; Ik zal met u een eeuwig verbond sluiten: de betrouwbare genadebewijzen van David. 4 Zie, Ik heb hem tot een getuige voor de natiën gesteld, tot een vorst en gebieder der natiën. 5 Zie, een volk dat gij niet kendet, zult gij roepen, en een volk dat u niet kende, zal tot u snellen ter wille van de Here, uw God, en van de Heilige Israëls, omdat Hij u verheerlijkt heeft. 6 Zoekt de Here, terwijl Hij Zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. 7 De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de Here, dan zal Hij Zich over hem ontfermen - en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig. 8 Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des Heren. 9 Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten. 10 Want zoals de regen en de sneeuw van de hemel neerdaalt en daarheen niet weerkeert, maar doorvochtigt eerst de aarde en maakt haar vruchtbaar en doet haar uitspruiten en geeft zaad aan de zaaier en brood aan de eter, 11 alzo zal mijn woord, dat uit mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend. 12 Want in vreugde zult gij uittrekken en in vrede geleid worden; de bergen en de heuvelen zullen voor u uitbreken in gejuich en alle bomen des velds zullen in de handen klappen. 13 Voor een doornstruik zal een cypres opschieten, voor een distel zal een mirt opschieten, en het zal de Here zijn tot een naam, tot een eeuwig teken, dat niet uitgeroeid zal worden.

21 juni

Wat je bij deze tekst nog wel eens vergeet, is dat er meer dan één schip was. Er waren nog andere schepen bij Hem. Ook die, met hun bemanning, heeft Hij gered. Vestig uw aandacht op Zijn Woord: “Waarom zijt gij zó bevreesd? Hoe hebt gij geen geloof?” De toepassing van dit woord van uw Zaligmaker, voor uw leven vandaag, staat direct helder voor ogen. De Almachtige Zoon van God is de Kapitein van Zijn Kerkschip. Dat kerkschip biedt behouden vaart, dankzij Zijn Almachtige kracht waarmee Hij de Zijnen beschermt en bewaart. En dat de eeuwen door en ook vandaag. Zolang Hij de belijdenis van onze mond is en ons hart in Hem gelooft, is er geen grond voor angst. Ook niet voor de hevigste stormen die in fysieke of geestelijke zin op ons losbarsten.

De duivel gaat rond als een briesende leeuw, zoekend wie hij kan verslinden. De wereld wil u verleiden tot zonde evenals uw eigen vlees. De dood wil angsten aanjagen. Allerlei tegenspoed als depressie, ziekte, slapeloosheid, strubbelingen op het werk, moeiten met kinderen, ze kunnen ons niet scheiden van Christus zolang wij met Hem aan boord zijn van Zijn kerkschip. In alle turbulentie geeft Zijn bescherming ware rust.

Verder lezen: Psalm 911 Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, vernacht in de schaduw des Almachtigen. 2 Ik zeg tot de Here: Mijn toevlucht en mijn vesting, mijn God, op wie ik vertrouw. 3 Want Hij is het, die u redt van de strik des vogelvangers, van de verderfelijke pest. 4 Met zijn vlerken beschermt Hij u, en onder zijn vleugelen vindt gij een toevlucht; zijn trouw is schild en pantser. 5 Gij hebt niet te vrezen voor de verschrikking van de nacht, voor de pijl, die des daags vliegt; 6 voor de pest, die in het duister rondwaart, voor het verderf, dat op de middag vernielt. 7 Al vallen er duizend aan uw zijde, en tienduizend aan uw rechterhand, tot u zal het niet genaken; 8 slechts zult gij het met uw ogen aanschouwen, en de vergelding aan de goddelozen zien. 9 Want Gij, o Here, zijt mijn toevlucht. De Allerhoogste hebt gij tot uw schutse gesteld; 10 geen onheil zal u treffen, en geen plaag zal uw tent naderen; 11 want Hij zal aangaande u zijn engelen gebieden, dat zij u behoeden op al uw wegen; 12 op de handen zullen zij u dragen, opdat gij uw voet niet aan een steen stoot. 13 Op leeuw en adder zult gij treden, jonge leeuw en slang zult gij vertrappen. 14 Omdat hij Mij zeer bemint, zal Ik hem bevrijden; Ik zal hem beschutten, omdat hij mijn naam kent. 15 Roept hij Mij aan, Ik zal hem antwoorden; Ik zal in de benauwdheid bij hem zijn, Ik zal hem uitredden en tot ere brengen. 16 Met lengte van dagen zal Ik hem verzadigen, en Ik zal hem mijn heil doen zien.

22 juni

Marcus 5:1-201 En zij kwamen aan de overkant der zee in het land der Gerasenen. 2 En toen Hij uit het schip ging, kwam Hem [terstond] uit de grafsteden een mens tegemoet met een onreine geest, 3 die verblijf hield in de graven, en niemand had hem meer kunnen binden zelfs niet met een keten, 4 want hij was dikwijls met voetboeien en ketenen gebonden geweest en de ketenen waren door hem stukgetrokken en de voetboeien vernield, en niemand was bij machte hem te bedwingen. 5 En voortdurend, nacht en dag, was hij in de graven en in de bergen, schreeuwende en zichzelf met stenen slaande. 6 En toen hij Jezus uit de verte zag, liep hij toe, viel voor Hem neder, 7 en zeide, roepende met luider stem: Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt. 8 Want Hij zeide tot hem: Onreine geest, ga uit van deze mens. 9 En Hij vroeg hem: Hoe is uw naam? 10 En hij zeide tot Hem: Mijn naam is legioen, want wij zijn talrijk. En hij smeekte Hem dringend hen niet buiten het land te zenden. 11 Nu werd daar bij de berg een grote kudde zwijnen gehoed. 12 En zij smeekten Hem, zeggende: Zend ons in de zwijnen, dat wij daarin varen. 13 En Hij stond het hun toe. En de onreine geesten gingen uit en voeren in de zwijnen; en de kudde, ongeveer tweeduizend, stormde langs de helling de zee in en zij verdronken in de zee. 14 En die ze hoedden, namen de vlucht en berichtten het in de stad en op het land. En de mensen gingen zien, wat er gebeurd was. 15 En zij kwamen bij Jezus en zagen de bezetene zitten, gekleed en goed bij zijn verstand, hem, die het legioen gehad had; en zij werden bevreesd. 16 En die het hadden gezien, verhaalden hun, hoe het met de bezetene gegaan was en ook van de zwijnen. 17 En zij begonnen er bij Hem op aan te dringen, dat Hij uit hun gebied weg zou gaan. 18 En toen Hij in het schip ging, smeekte de bezetene Hem, dat hij bij Hem mocht blijven. 19 Doch Hij stond het hem niet toe, maar Hij zeide tot hem: Ga naar uw huis tot de uwen en bericht hun al wat de Here in zijn ontferming u gedaan heeft. 20 En hij ging weg en begon in de Dekapolis te verkondigen al wat Jezus hem gedaan had, en allen verwonderden zich.

Jezus werpt een legioen aan boze geesten uit. Maar de bewoners van het gebied, die daarvoor zeer dankbaar zouden moeten zijn, willen Hem niet bij zich hebben. Ze dringen er bij Hem op aan te vertrekken. Het is een uitzonderlijke maar ook leerrijke geschiedenis. De verschrikkelijke toestand van de bezeten man toont de hel op aarde. Maar als zijn verlossing daar is, wordt men juist bevreesd voor de Verlosser. Daaruit blijkt de enorme blindheid en zwakte van de mens.

Maar alhoewel Christus weer vertrekt, blijft zijn getuigenis. De man, hij wil wel met de Here Jezus mee, maar dan zou het getuigenis van de komst van de Verlosser verstommen. De man zelf is het getuigenis en moet bekendmaken welk een uitzonderlijke daad van ontferming God hem heeft bewezen. Een verandering en vernieuwing van zijn leven, wat eerst ongedacht was. Zijn redding was niets anders dan verlossing uit de macht van de boze geesten. Zijn lot was dood en verderf. Er was geen uitweg. Niemand kon hem redden. Door een leger aan boze geesten werd hij gekweld en vernield. Nu hij daar van verlost is, kan hij niet van deze ontferming van de Here zwijgen! Er is iemand gekomen, die sterker is dan de boze; Jezus is zijn Naam.

Verder lezen: Klaagliederen 3:16-3316 Hij liet mij de tanden op kiezel stukbijten, Hij drukte mij neer in het stof. 17 Gij hebt mijn ziel het heil doen derven, ik ben vergeten wat geluk is. 18 Ik dacht: vergaan is mijn kracht, vervlogen mijn hoop op de Here. 19 Gedenk aan mijn ellende en omzwerving, aan de alsem en het vergif. 20 Zo vaak mijn ziel dit gedenkt, buigt zij zich neder in mij. 21 Dit zal ik mij te binnen brengen, daarom zal ik hopen: 22 Het zijn de gunstbewijzen des Heren, dat wij niet omgekomen zijn, want zijn barmhartigheden houden niet op, 23 elke morgen zijn zij nieuw, groot is uw trouw! 24 Mijn ziel zegt: Mijn deel is de Here, daarom zal ik op Hem hopen. 25 Goed is de Here voor wie Hem verwachten, voor de ziel die Hem zoekt; 26 goed is het, in stilheid te wachten op het heil des Heren; 27 goed is het voor de man, dat hij een juk in zijn jeugd draagt. 28 Hij zitte eenzaam en zwijge stil, als Hij het hem heeft opgelegd. 29 Hij drukke zijn mond in het stof, misschien is er hoop. 30 Hij biede de wang aan wie hem slaat, hij worde verzadigd van smaad. 31 Want niet voor eeuwig verstoot de Here. 32 Want als Hij bedroefd heeft, ontfermt Hij Zich naar de grootheid van zijn gunstbewijzen. 33 Immers niet van harte verdrukt en bedroeft Hij de mensenkinderen.

23 juni

Marcus 5:21-4321 En toen Jezus met het schip weder overgestoken was naar de overkant, verzamelde zich een grote schare bij Hem; en Hij was bij de zee. 22 En er kwam een van de oversten der synagoge, genaamd Jaïrus, en toen deze Hem zag, wierp hij zich neder aan zijn voeten, 23 en hij smeekte Hem dringend, zeggende: Mijn dochtertje ligt op haar uiterste; kom toch en leg haar de handen op, dan zal zij behouden worden en in leven blijven. 24 En Hij ging met hem mede en een grote schare volgde Hem en zij drongen tegen Hem op. 25 En een vrouw, die twaalf jaar aan bloedvloeiingen geleden had, 26 en veel doorstaan had van vele dokters en al het hare daaraan ten koste had gelegd en geen baat had gevonden, maar veeleer achteruit was gegaan, 27 had gehoord, wat er van Jezus verteld werd, en zij kwam tussen de schare en raakte van achter zijn kleed aan. 28 Want zij zeide: Indien ik slechts zijn klederen kan aanraken, zal ik behouden zijn. 29 En terstond droogde de bron van haar bloed op en zij bemerkte aan haar lichaam, dat zij van haar kwaal genezen was. 30 En Jezus bemerkte terstond bij Zichzelf de kracht, die van Hem uitgegaan was, en Hij keerde Zich om in de schare, en zeide: Wie heeft mijn klederen aangeraakt? 31 En zijn discipelen zeiden tot Hem: Gij ziet, dat de schare tegen U opdringt en Gij zegt: Wie heeft Mij aangeraakt? 32 En Hij keek rond om te zien, wie dat gedaan had. 33 De vrouw nu, bevreesd en bevende, wetende wat met haar geschied was, kwam en wierp zich voor Hem neder en zeide Hem de volle waarheid. 34 En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede en wees genezen van uw kwaal. 35 Terwijl Hij nog sprak, kwam men uit het huis van de overste der synagoge hem zeggen: Uw dochter is gestorven; waarom valt gij de Meester nog lastig? 36 Doch Jezus luisterde niet naar wat gezegd werd, maar Hij zeide tot de overste der synagoge: Wees niet bevreesd, geloof alleen. 37 En Hij stond niemand toe met Hem mede te gaan, behalve Petrus en Jakobus en Johannes, de broeder van Jakobus. 38 En zij kwamen in het huis van de overste der synagoge en Hij zag het misbaar en mensen, die luid weenden en weeklaagden. 39 En binnengekomen, zeide Hij tot hen: Waarom maakt gij misbaar en weent gij? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt. 40 En zij lachten Hem uit. Doch Hij dreef hen allen het huis uit en nam de vader van het kind en de moeder en die bij Hem waren mede en Hij ging het vertrek binnen, waar het kind lag. 41 En Hij vatte de hand van het kind en zeide tot haar: Talita koem, hetgeen betekent: Meisje, ik zeg u, sta op! 42 En het meisje stond onmiddellijk op en het kon lopen; want het was twaalf jaar. En zij ontzetten zich terstond bovenmate. 43 En Hij gebood hun nadrukkelijk, dat niemand dit te weten zou komen en zeide, dat men haar te eten zou geven.

Twee vrouwen. De ene nog een meisje, dat op sterven ligt en sterven gaat. De andere uitzichtloos ziek en leeft dagelijks in afzondering en ziet haar leven wegkwijnen. Maar, de Here Jezus is er. En zij gelooft in Hem. Slechts even zijn mantel aanraken en ze zou genezen zijn. Wat een geloof! En ze werd genezen. Voor Jaïrus bleef ook alleen geloof over. Bevreesd mocht hij niet zijn. De Here Jezus ziet de dingen anders dan wij ze zien. Hij staat boven de dood. Hij heeft macht over het leven en kan dat leven geven. En in zijn barmhartigheid, die de barmhartigheid van de Vader is, geeft Hij dat leven. Hij doet wakker worden uit de slaap, die wij voor dood achten. Majestueus en liefdevol. Ook zorgt Hij voor onze lichamen en zegt dat het meisje moet eten. Door ontzetting dachten ze daar niet aan.

Jaïrus en zijn vrouw behoeven niet te wenen en te weeklagen over hun eniggeborene. De Eniggeboren Zoon van God stelt zijn leven in haar, en in hun, en in onze plaats. En de zegen daarvan onthoudt Hij niet, aan wie op Hem hopen. Hij ontfermt Zich over wie zwaar gebukt gaan onder de gevolgen der zonde. Hij draagt die zonde weg en geeft het leven weer. Nu in beginsel, straks in volkomenheid. Zijn bevel is: geloof alleen.

Verder lezen: 1 Samuël 1:9-209 Eens, nadat men te Silo gegeten en gedronken had, stond Hanna op - de priester Eli zat op een stoel bij de deurpost van de tempel des Heren - 10 en bitter bedroefd bad zij tot de Here en weende zeer. 11 Toen deed zij een gelofte en zeide: Here der heerscharen, indien Gij werkelijk naar de ellende uwer dienstmaagd omziet en mij gedenkt en uw dienstmaagd niet vergeet, maar aan uw dienstmaagd een mannelijke nakomeling geeft, dan zal ik die voor zijn gehele leven de Here geven en geen scheermes zal op zijn hoofd komen. 12 Toen zij lang bleef bidden voor het aangezicht des Heren, lette Eli op haar mond; 13 en omdat Hanna bij zichzelf sprak en slechts haar lippen zich bewogen, maar haar stem niet te horen was, dacht Eli, dat zij dronken was. 14 En Eli zeide tot haar: Hoelang zult gij u als een beschonkene gedragen? Zorg, dat gij uw roes kwijtraakt. 15 Doch Hanna antwoordde: Neen, mijn heer, ik ben een diepbedroefde vrouw; wijn noch bedwelmende drank heb ik gedronken, maar ik heb mijn hart uitgestort voor het aangezicht des Heren. 16 Houd uw dienstmaagd niet voor een nietswaardige; want door grote zorg en smart gekweld heb ik zo lang gesproken. 17 En Eli antwoordde: Ga heen in vrede, en de God van Israël zal u geven, wat gij van Hem gebeden hebt. 18 Daarop zeide zij: Uw dienstmaagd moge uw gunst verwerven. Toen ging de vrouw haars weegs, zij at weer en haar gelaat toonde geen droefheid meer. 19 De volgende morgen stonden zij vroeg op en bogen zich neer voor het aangezicht des Heren; daarop keerden zij terug naar hun huis te Rama. Toen Elkana gemeenschap had met zijn vrouw Hanna, dacht de Here aan haar, 20 en omstreeks een jaar later baarde Hanna, zwanger geworden, een zoon. Zij noemde hem Samuël, want (zeide zij) ik heb hem van de Here gebeden.

24 juni

In plaats van dankzegging en geloof om wat de Here Jezus leerde, ontmoet Hij wantrouwen en ongeloof. Dat Hij zoveel kennis heeft en de zaligmakende leer verkondigt, dat kunnen zijn stad / dorpsgenoten maar niet vatten. Zij kennen Hem toch en zijn familie? Maar omdat zijzelf het buitengewone van Gods gave aan een (in hun ogen) gewone buurjongen niet kunnen plaatsen, gaan ze wantrouwen. Dat euvel komt vaker voor, zo blijkt uit het gezegde van de Here Jezus. Hij verbaast Zich daarbij over hun ongeloof.

Wat hierbij zeer opmerkelijk is, is dat er staat dat Hij daar geen enkele kracht kon doen. Gods zegen werd dus beperkt door het ongeloof. Gaven werden in zeer beperkte mate geschonken. Alles werd beknot en ingeperkt. Zijn eer en heerlijkheid werd verduisterd, terwijl Hij Gods Koninkrijk nabij bracht. Zo werd God oneer aangedaan en Zijn krachtwerking in Christus, tot verlossing, tegen gestaan. Dit was dus maar niet een schuldeloos handelen van Jezus’ stadsgenoten. Maar hun ongeloof stelt hen schuldig en is oorzaak van krenking van Gods genadewerking onder Zijn volk, door de Here Jezus. Wie Hem niet gelooft ziet het Koninkrijk niet, maar duisternis en ondergang.

Verder lezen: Lucas 10:5-165 Welk huis gij ook binnentreedt, zegt eerst: Vrede zij dezen huize. 6 En indien daar een zoon des vredes is, dan zal uw vrede op hem rusten, maar zo niet, dan zal hij tot u terugkeren. 7 Blijft in dàt huis, eet en drinkt wat men u geeft, want de arbeider is zijn loon waard. Gaat niet van het ene huis naar het andere. 8 En als gij in een stad komt, waar men u ontvangt, eet wat u wordt voorgezet, 9 en geneest de zieken, die er zijn, en zegt tot hen: Het Koninkrijk Gods is nabij u gekomen. 10 Maar als gij in een stad komt, waar men u niet ontvangt, gaat naar buiten op haar straten en zegt: 11 Ook het stof van uw stad, dat aan onze voeten kleeft, wissen wij af tegen u; doch weet dit, dat het Koninkrijk Gods nabijgekomen is. 12 Ik zeg u, dat het voor Sodom in die dag draaglijker zal zijn dan voor die stad. 13 Wee u, Chorazin, wee u, Betsaïda, want indien in Tyrus en Sidon die krachten waren geschied, welke in u geschied zijn, reeds lang zouden zij, in zak en as gezeten, zich bekeerd hebben. 14 Doch het zal voor Tyrus en Sidon draaglijker zijn in het oordeel dan voor u. 15 En gij, Kafarnaüm, zult gij tot de hemel verheven worden? Tot het dodenrijk zult gij nederdalen. 16 Wie naar u hoort, hoort naar Mij; en wie u verwerpt, verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, verwerpt Hem, die Mij gezonden heeft.

25 juni

Marcus 6:6b-13

Geen brood, geen reiszak, geen geld. Alles wat zekerheid zou bieden voor levensonderhoud ontzegt de Here Jezus zijn apostelen. Want de Vader voorziet in al het nodige. Christus zendt hen uit om Zijn werk te doen. De heerlijke opdracht van de verkondiging van het Heilig Evangelie. De zaligheid der zielen mogen zij aanzeggen. Het Koninkrijk is nabij gekomen. Door geloof en bekering is daar ingang in dat rijk. En ter bevestiging van deze heerlijke boodschap dreven zij boze geesten uit, zalfden zieken met olie en genazen hen. Tekenen die de leer bevestigden, zodat eenieder ook kon zien, dat wat zij leerden, de waarheid is. En zo ook is niemand te verontschuldigen, als hij deze leer verwerpt en zich niet bekeert.

Het Evangelie is niet een vrijblijvende boodschap. Het komt met goddelijk gezag. Een neutrale positie is niet in te nemen. Het is dood of leven. Christus of zonder Christus. Verlossing of verlies. En dan is het opmerkelijk hoevelen voor verlies kiezen. De dood begeren boven het leven, de duisternis boven het licht, omdat ze aan deze wereld vastzitten en aan eigen begeerten, bezit en ego. Het is louter genade als je in geloof en bekering het Woord aanneemt.

Verder lezen: Psalm 119:33-4033 Onderwijs mij, Here, de weg uwer inzettingen, dan zal ik die bewaren ten einde toe. 34 Geef mij verstand, dan zal ik uw wet bewaren, en haar van ganser harte onderhouden. 35 Doe mij het pad uwer geboden betreden, want daarin heb ik lust. 36 Neig mijn hart tot uw getuigenissen en niet tot winstbejag. 37 Wend mijn ogen af, zodat zij geen ijdele dingen zien, maak mij levend door uw wegen. 38 Bevestig uw belofte aan uw knecht, die uw vreze toegedaan is. 39 Wend mijn smaadheid af, die ik vrees, want uw verordeningen zijn goed. 40 Zie, naar uw bevelen verlang ik, maak mij levend door uw gerechtigheid.

26 juni

Marcus 6:14-2914 En koning Herodes hoorde van Hem, want zijn naam was bekend geworden; en men zeide: Johannes de Doper is opgewekt uit de doden en daarom werken die krachten in Hem. 15 Anderen zeiden: Het is Elia, weer anderen: Een profeet als een van de profeten. 16 Toen dan Herodes van Hem hoorde, zeide hij: Johannes, die ik onthoofd heb, die is opgewekt. 17 Want hij, Herodes, had Johannes laten grijpen en geboeid gevangen gezet, ter wille van Herodias, de vrouw van zijn broeder Filippus, omdat hij haar tot vrouw genomen had. 18 Want Johannes had tot Herodes gezegd: Gij moogt de vrouw van uw broeder niet hebben. 19 Herodias had het op hem voorzien en wilde hem doden, doch zij kon dit niet, 20 want Herodes had ontzag voor Johannes, daar hij wist, dat hij een rechtvaardig en heilig man was; en hij beschermde hem en als hij hem gehoord had, was hij in grote verlegenheid, maar hij hoorde hem gaarne. 21 En toen er een gelegen dag gekomen was en Herodes op zijn geboortefeest een maaltijd aanrichtte voor zijn hoogwaardigheidsbekleders, zijn legeroversten en de voornaamsten van Galilea, 22 en de dochter van Herodias binnenkwam en danste, behaagde zij Herodes en hun, die mede aanlagen. En de koning zeide tot het meisje: Vraag van mij, wat gij maar wilt en ik zal het u geven. 23 En hij zwoer haar: Wat gij mij ook maar vragen zult, zal ik u geven, tot de helft van mijn koninkrijk. 24 En zij ging heen en zeide tot haar moeder: Wat zal ik vragen? En deze zeide: Het hoofd van Johannes de Doper. 25 En terstond ging zij haastig naar binnen tot de koning en vroeg, zeggende: Ik wil, dat gij mij onmiddellijk op een schotel geeft het hoofd van Johannes de Doper. 26 En ofschoon de koning zeer bedroefd werd, wilde hij het haar om zijn eden en om hen, die aanlagen, niet weigeren. 27 En terstond zond de koning een scherprechter met de opdracht het hoofd te brengen. En deze ging heen en onthoofdde hem in de gevangenis, 28 en hij bracht het hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje en het meisje gaf het aan haar moeder. 29 En toen zijn discipelen het hoorden, kwamen zij en namen zijn lijk weg en legden het in een graf.

De moord op Johannes de Doper was ingegeven door haat tegen zijn handhaving van de wet. Hij deinsde er niet voor terug de koning te bestraffen om echtbreuk. Een treffend voorbeeld van de onverschrokken trouw die Gods dienaren hebben te bewijzen. Hij werd de eerste martelaar van het Nieuwe Testament omwille van de eis van bekering.

De begeerte van koning Herodes naar vrouwelijk schoon maakt hem blind en doet hem onbehoorlijk zweren. Vervolgens stelt hij zijn eigen eer boven de wet van God. Alhoewel hij beter weet, doodt hij Johannes de Doper. Hij handelt tegen zijn protesterend geweten. Zo denkt hij zijn eer te behouden tegenover de hoogwaardigheidsbekleders rondom hem, maar staat hij voor eeuwig bekend als de slappeling die moreel verwerpelijk handelde. We zien hier het gevaar van groepsdruk. En daarbij het handhaven van eigen eer tegenover anderen. Mensen doen wat anderen willen, terwijl ze zelf weten dat het niet goed is. Bedenk eens, of u zelf ook niet door verkeerde begeerten of groepsdruk gedwongen wordt tot zondigen. Bekering is de aangewezen weg. Oneer bij mensen weegt nooit op tegen de eer van God.

Verder lezen: 2 Samuël 12:1-141 En de Here zond Natan tot David. Deze kwam bij hem en zeide tot hem: Er waren in een stad twee mannen; de een was rijk en de ander arm. 2 De rijke had zeer veel schapen en runderen; 3 de arme had niets, behalve één klein ooilam dat hij had gekocht en opgekweekt. Het groeide bij hem op, samen met zijn kinderen; het at van zijn bete, dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot, het was hem als een dochter. 4 Eens kreeg de rijke man bezoek; en hij kon er niet toe komen, een van zijn schapen of runderen te nemen en te bereiden voor de reiziger die bij hem was gekomen; dus nam hij het ooilam van de arme man en bereidde dat voor de man die bij hem gekomen was. 5 Toen ontbrandde de toorn van David zeer tegen die man en hij zeide tot Natan: Zo waar de Here leeft: de man die dit gedaan heeft, is een kind des doods. 6 En het ooilam moet hij viervoudig vergoeden omdat hij dit gedaan heeft en geen medelijden had. 7 Daarop sprak Natan tot David: Gij zijt die man! Zo zegt de Here, de God van Israël: Ik heb u gezalfd tot koning over Israël en u gered uit de macht van Saul. 8 Ik heb u gegeven het huis van uw heer, en de vrouwen van uw heer in uw schoot. Ik heb u gegeven het huis van Israël en Juda - en indien dat te weinig geweest was, dan had Ik u nog wel meer gegeven. 9 Waarom hebt gij het woord des Heren veracht, en gedaan wat kwaad is in zijn ogen? De Hethiet Uria hebt gij door het zwaard verslagen; zijn vrouw hebt gij u tot vrouw genomen, hemzelf hebt gij door het zwaard der Ammonieten gedood. 10 Nu dan, het zwaard zal van uw huis nimmermeer wijken, omdat gij Mij hebt veracht, en de vrouw van de Hethiet Uria genomen hebt, opdat zij u tot vrouw zou zijn. 11 Zo zegt de Here: Zie, Ik zal over u een kwaad doen komen, uit uw eigen huis; Ik zal uw vrouwen voor uw ogen weghalen en aan uw naaste geven; die zal bij uw vrouwen liggen op klaarlichte dag. 12 Want gij hebt het wel in het verborgen gedaan, maar Ik zal dit doen in tegenwoordigheid van geheel Israël en in het volle licht. 13 Toen sprak David tot Natan: Ik heb tegen de Here gezondigd. En Natan zeide tot David: De Here heeft uw zonde vergeven: gij zult niet sterven, 14 ofschoon gij door deze daad de vijanden des Heren zeer hebt doen lasteren, - de zoon echter, die u geboren is, zal sterven.

27 juni

Marcus 6:30-4430 En de apostelen kwamen weder samen bij Jezus en berichtten Hem al wat zij gedaan en geleerd hadden. 31 En Hij zeide tot hen: Komt hier en gaat (met Mij) alleen naar een eenzame plaats en rust een weinig. Want er waren velen, die kwamen en gingen, en zij hadden zelfs geen tijd om te eten. 32 En zij vertrokken in het schip naar een eenzame plaats, alleen. 33 En zij zagen hen wegvaren en velen letten erop, en zij liepen te voet uit al de steden daarheen en waren er vóór hen. 34 En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare en werd met ontferming over hen bewogen, omdat zij waren als schapen, die geen herder hebben, en Hij begon hun vele dingen te leren. 35 En toen het reeds laat geworden was, kwamen zijn discipelen tot Hem en zeiden: De plaats (hier) is eenzaam en het is reeds laat. 36 Zend hen weg, dan kunnen zij naar de gehuchten en dorpen in de omtrek gaan om voedsel voor zich te kopen. 37 Maar Hij antwoordde hun en zeide: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden tot Hem: Zullen wij dan voor tweehonderd schellingen brood gaan kopen en hun te eten geven? 38 Hij zeide tot hen: Hoeveel broden hebt gij? Gaat eens zien! En toen zij het nagegaan hadden, zeiden zij: Vijf, en twee vissen. 39 En Hij droeg hun op, dat allen groepsgewijze moesten gaan zitten op het groene gras. 40 En zij gingen zitten in groepen van honderd en van vijftig. 41 En Hij nam de vijf broden en de twee vissen, zag op naar de hemel, sprak de zegen uit en brak de broden en gaf ze aan de discipelen, dat die ze hun zouden voorzetten, en de twee vissen verdeelde Hij onder allen. 42 En zij aten allen en werden verzadigd. 43 En zij raapten de brokken op, twaalf manden vol, en ook van de vissen. 44 En die de broden gegeten hadden, waren vijfduizend man.

De Here Jezus werd met ontferming bewogen over de schare. Ze waren als schapen zonder herder. Er waren er zeer veel die voortdurend Hem en de discipelen zochten om geleerd en genezen te worden. Hij betoont hun Herder te zijn en geeft hen te eten. Zijn vermenigvuldigen van de broden en vissen leert ons de onbegrensdheid van Gods vermogen om voor ons te zorgen. De Here Jezus laat zien dat Gods ontferming voor arme zondaren, die Hem zoeken, ook Hem beweegt hen te redden. God laat zijn barmhartigheid blijken in de verbondszegen die Hij schenkt. Hij is daarbij niet afhankelijk van het schepsel of de mens. Ver boven onze verwachting schenkt Hij gaven, zodat we opmerken dat we van doen hebben met de Here, de almachtige God. Die God, die zijn almacht gebruikt tot zaligheid van wie Hem geloven. Zijn zegen is zeer overvloedig. Bij de Here is geen enkel gebrek. Er is altijd overvloedig veel meer. Laat de goede God maar zorgen. Zijn zorg en liefde is voor wie Hem vrezen en de verlossing van hun zonden in Christus. Zijn Woord is onbegrensd, zijn leer voedt de ziel tot het eeuwige leven. Er is volop voedzaam, levendmakend onderwijs. Dankzij Christus, de Zoon van de Vader.

Verder lezen: Exodus 16:1-181 Toen zij van Elim opgebroken waren, kwam de gehele vergadering der Israëlieten in de woestijn Sin, die tussen Elim en de Sinai ligt, op de vijftiende dag van de tweede maand sedert hun uittocht uit het land Egypte. 2 En in die woestijn morde de gehele vergadering der Israëlieten tegen Mozes en Aäron; 3 en de Israëlieten zeiden tot hen: Och, dat wij door de hand des Heren in het land Egypte gestorven waren, toen wij bij de vleespotten zaten en volop brood aten; want gij hebt ons in deze woestijn geleid om deze gehele gemeente van honger te doen omkomen. 4 Toen zeide de Here tot Mozes: Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel laten regenen; dan zal het volk uitgaan en verzamelen zoveel als voor elke dag nodig is, opdat Ik het op de proef stelle, of het al dan niet wandelt naar mijn wet. 5 En als zij op de zesde dag bereiden wat zij hebben binnengebracht, dan zal dit dubbel zoveel zijn als wat zij op de andere dagen verzamelen. 6 Daarop zeiden Mozes en Aäron tot alle Israëlieten: Vanavond zult gij weten, dat de Here u uit het land Egypte heeft geleid. 7 En morgenochtend zult gij de heerlijkheid des Heren zien, omdat Hij uw gemor tegen de Here gehoord heeft. Want wat zijn wij, dat gij tegen ons mort? 8 En Mozes zeide: Als de Here u in de avond vlees te eten geeft en in de morgen volop brood, omdat de Here het gemor waarmede gij tegen Hem gemord hebt, gehoord heeft - wat zijn wij? Niet tegen ons was uw gemor, maar tegen de Here. 9 En Mozes zeide tot Aäron: Zeg tot de gehele vergadering der Israëlieten: nadert voor het aangezicht des Heren: want Hij heeft uw gemor gehoord. 10 Terwijl nu Aäron sprak tot de gehele vergadering der Israëlieten, richtten zij hun blik naar de woestijn - en zie, de heerlijkheid des Heren verscheen in een wolk. 11 Toen sprak de Here tot Mozes en zeide: 12 Ik heb het gemor der Israëlieten gehoord; zeg tot hen: in de avondschemering zult gij vlees eten en in de morgen zult gij met brood verzadigd worden; en gij zult weten, dat Ik, de Here, uw God ben. 13 En des avonds kwamen kwakkels opzetten en overdekten de legerplaats; en des morgens was er een dauwlaag rondom de legerplaats. 14 Toen de dauwlaag opgetrokken was, zie, daar lag over de woestijn iets fijns, iets schilferachtigs, fijn als rijm op de aarde. 15 Toen de Israëlieten het zagen, zeiden zij tot elkander: Wat is dit? Want zij wisten niet, wat het was. Maar Mozes zeide tot hen: Dit is het brood dat de Here u tot spijze gegeven heeft. 16 Dit is wat de Here geboden heeft: verzamelt ervan naar ieders behoefte; ieder van u kan voor zijn tentgenoten een gomer per hoofd nemen, naar gelang van het zielental. 17 De Israëlieten nu deden zo en verzamelden het, de een meer en de ander minder. 18 Toen zij het in een gomer maten, had hij die meer verzameld had, niet te veel en hij die minder verzameld had, kwam niet te kort. Ieder had naar zijn behoefte verzameld.

28 juni

De Here Jezus heeft ruimte gemaakt voor het gebed. De schare weggezonden en zijn discipelen voor Hem uit laten varen. Maar zowel wat de schare als zijn discipelen betreft, is er nog veel werk te verrichten. En aan u en mij ook. De harten van de discipelen waren verhard. Ze waren niet tot inzicht gekomen. Het wonder van de broodvermeerdering had niet het besef gebracht dat Hij het is. Dat Hij de Zoon van God is, de beloofde Messias. Daarom is ingrijpen van de Here Jezus nodig. Zodanig ingrijpen, dat zij wel bewogen worden en besef krijgen van Wie het is, die bij hen is, en van Wie zij discipelen zijn. Niet maar een gewone rabbi of profeet. Nee, veel meer is hier. Hier is Hij, die macht heeft over heel de schepping, die wind en zee en zwaartekracht in Zijn hand heeft en beheerst. Hier is de Zoon van de God, die Zelf Here is en God, de Almachtige. Die ook de barmhartige God is, om hen uit hun zwoegen te redden en van hun onverstand te verlossen.

Onder Zijn hoede en bescherming is het goed varen. Met deze Kapitein op het schip is er behouden vaart. Verlossing en uitkomst op de juiste tijd (aan het einde van de nacht komt de zon). Gelukzalig bent u, als u dat gelooft en met Zijn trouw omringd bent.

Verder lezen: Psalm 1301 Een bedevaartslied. Uit de diepten roep ik tot U, o Here. 2 Here, hoor naar mijn stem; laten uw oren opmerkende zijn op mijn luide smekingen. 3 Als Gij, Here, de ongerechtigheden in gedachtenis houdt, Here, wie zal bestaan? 4 Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. 5 Ik verwacht de Here, mijn ziel verwacht en ik hoop op zijn woord; 6 mijn ziel wacht op de Here, meer dan wachters op de morgen, wachters op de morgen. 7 Israël hope op de Here, want bij de Here is goedertierenheid, bij Hem is veel verlossing; 8 Hij zelf zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.

29 juni

Het meer van Galilea of de zee van Tiberias is ook wel het meer van Gennesareth genoemd. Na de nachtelijke terugkeer over dit meer kwam Jezus bij dit plaatsje Gennesareth ten zuiden van Kapernaüm. En zoals op het meer Zijn almacht bleek, zo ook in dit plaatsje, waar Hij al bekend was. Spoedig gaat het bericht rond, misschien niet zo snel als door social media, maar het duurde niet lang of velen kwamen tot Hem. Want de roep over Hem was al uitgegaan. Een korte mededeling dat Hij in de buurt was, doet velen met spoed komen. Met name wel de ongeneeslijk zieken, voor wie hoop op een reguliere genezing voorbij is. In tegenstelling tot Nazareth, is hier geloof. Geloof dat Hij geneest. Want ze smeekten om slechts de kwast van zijn mantel aan te raken. Reeds dat achtte men voldoende om gezond te worden. Ziedaar het geloof. De bloedvloeiende vrouw van zes dagen terug handelde daar ook naar. Als ik maar slechts zijn mantel aan raak. Zie hierin ook, hoe weinig van Gods gunst ons zeer veel geeft. Hoe groot is dan wel niet het goed dat Hij heeft weggelegd, in Christus, in de hemelen, voor wie Hem vrezen. Bedenk voor vandaag opnieuw die overvloed die daar is bij de Here, die Hij geeft aan wie gelooft.

Verder lezen: 1 Petrus 1:3-123 Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons naar zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop, 4 tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen weggelegd is voor u, 5 die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, welke gereed ligt om geopenbaard te worden in de laatste tijd. 6 Verheugt u daarin, ook al wordt gij thans, indien het moet zijn, voor korte tijd door allerlei verzoekingen bedroefd, 7 opdat de echtheid van uw geloof, kostbaarder dan vergankelijk goud, dat door vuur beproefd wordt, tot lof en heerlijkheid en eer blijke te zijn bij de openbaring van Jezus Christus. 8 Hem hebt gij lief, zonder Hem gezien te hebben; in Hem gelooft gij, zonder Hem thans te zien, en gij verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde, 9 daar gij het einddoel des geloofs bereikt, dat is de zaligheid der zielen. 10 Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, 11 terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna. 12 Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan.

30 juni

Marcus 7:1-231 En de Farizeeën verzamelden zich bij Hem met sommige van de schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren. 2 En toen zij zagen, dat sommige van zijn discipelen met onreine, dat is ongewassen, handen hun brood aten - 3 want de Farizeeën en al de Joden eten niet zonder eerst een handwassing verricht te hebben, daarmede vasthoudende aan de overlevering der ouden, 4 en van de markt komende eten zij niet dan na zich gereinigd te hebben; en vele andere dingen zijn er, waaraan zij zich volgens overlevering houden, bijvoorbeeld het onderdompelen van bekers en kannen en koperwerk, - 5 toen vroegen de Farizeeën en de schriftgeleerden Hem: Waarom wandelen uw discipelen niet naar de overlevering der ouden, maar eten zij met onreine handen hun brood? 6 Maar Hij zeide tot hen: Terecht heeft Jesaja van u, huichelaars, geprofeteerd, zoals er geschreven staat: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij. 7 Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn. 8 Gij verwaarloost het gebod Gods en houdt u aan de overlevering der mensen. 9 En Hij zeide tot hen: Het gebod Gods stelt gij wel fraai buiten werking om úw overlevering in stand te houden. 10 Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en: Wie vader of moeder vervloekt, zal de dood sterven. 11 Maar gij zegt: Indien een mens tot zijn vader of moeder zegt: Het is korban, dat is, offergave, al wat gij van mij hadt kunnen trekken, 12 dan laat gij hem niet toe ook nog maar iets voor zijn vader of moeder te doen. 13 En zo maakt gij het woord Gods krachteloos door uw overlevering, die gij overgeleverd hebt. En dergelijke dingen doet gij vele. 14 En toen Hij de schare wederom tot Zich geroepen had, zeide Hij tot hen: Hoort allen naar Mij en verstaat wèl: 15 Niets, dat van buiten de mens in hem komt, kan hem onrein maken, maar hetgeen uit de mens naar buiten komt, dat is het, wat hem onrein maakt. 16 [Indien iemand oren heeft om te horen, die hore.] 17 En toen Hij van de schare thuis kwam, vroegen zijn discipelen Hem naar de gelijkenis. 18 En Hij zeide tot hen: Zijt ook gij zo onbevattelijk? Begrijpt gij niet, dat al wat van buiten in de mens komt, hem niet onrein kan maken, 19 omdat het niet in zijn hart komt, maar in de buik, en er te zijner plaatse uitgaat? En zo verklaarde Hij alle spijzen rein. 20 En Hij zeide: Hetgeen uit de mens naar buiten komt, dat maakt de mens onrein. 21 Want van binnenuit, uit het hart der mensen, komen de kwade overleggingen, hoererij, 22 diefstal, moord, echtbreuk, hebzucht, boosheid, list, onmatigheid, een boos oog, godslastering, overmoed, onverstand. 23 Al die slechte dingen komen van binnen uit naar buiten en maken de mens onrein.

Het verderf dat steeds weer bij de mensen van de kerk kan insluipen is het navolgen van de regels der mensen. De uitwendige godsdienst. Het dienen van de Here met mond en lippen, zonder hart. Er ontstaat een soort van ‘sleurgodsdienst’, waarbij slechts gelet wordt op het uitvoeren van regeltjes. En dan vooral, of anderen zich wel aan die regeltjes houden. Liefde tot God en barmhartigheid tegenover de naaste is hier niet bij. Dit is verwaarlozing van Gods gebod (enkelvoud, vers 88 Gij verwaarloost het gebod Gods en houdt u aan de overlevering der mensen.). Gods wet of woord is namelijk één en ongedeeld.

Het gaat de Here om ons hart, niet om ons eten. De Here Jezus heeft alle spijzen rein verklaard. Dit is uiteraard geen vrijbrief om vraatzuchtig te zijn. En gezond eten is niet verkeerd. Maar daar moet het in ons leven niet om gaan. En ook dat is vandaag de dag een gevaar. Die veel te grote aandacht voor wat onze mond wel of niet in gaat. Daarentegen is het beter goed te bedenken wat onze mond uit moet gaan. De lof op Gods heilige naam. De dankzegging. De belijdenis van de Here Jezus als onze Zaligmaker. De trouwe dienst aan de Here en de liefde tot de naaste. Uit een rein hart, gereinigd door het zoenoffer van onze Heiland en Zaligmaker en vernieuwd door de Heilige Geest.

Verder lezen: Romeinen 14:13-2313 Laten wij dan niet langer elkander oordelen, maar komt liever tot dit oordeel: uw broeder geen aanstoot of ergernis te geven. 14 Ik weet en ben overtuigd in de Here Jezus, dat niets uit zichzelf onrein is; alleen voor hem, die iets onrein acht, is het onrein. 15 Want indien uw broeder door iets, dat gij eet, gegriefd wordt, wandelt gij niet meer naar de eis der liefde. Breng niet door uw eten hem ten verderve, voor wie Christus gestorven is. 16 Laat van het goede, dat gij hebt, geen kwaad gezegd kunnen worden. 17 Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in eten en drinken, maar in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door de heilige Geest. 18 Want wie door deze Geest een dienstknecht is van Christus, is welgevallig bij God, en in achting bij de mensen. 19 Zo laten wij dan najagen hetgeen de vrede en de onderlinge opbouwing bevordert. 20 Breek niet ter wille van spijs het werk Gods af; alles is wel rein, maar het is verkeerd voor een mens, als hij door zijn eten tot aanstoot is. 21 Het is goed geen vlees te eten of wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broeder zich stoot. 22 Houd gij het geloof, dat gij hebt bij uzelf voor het aangezicht Gods. Zalig is hij, die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht. 23 Maar wie twijfelt, wanneer hij eet, is veroordeeld, omdat hij het niet uit geloof doet. En al wat niet uit geloof is, is zonde.

1 juli

Het hebben van een bezeten kind deed menig ouder in die dagen tot wanhoop drijven. En vandaag de dag zijn er ook ouders die, laten we zeggen, minder goed hanteerbare kinderen hebben en overal om raad gaan voor een oplossing. Zeer waarschijnlijk is dat wel wat anders dan waar de Bijbel over spreekt. Nochtans, in de nood en zonder uitzicht, gaat menigeen naar Jezus toe. Maar het is wel de vraag hoe je naar Hem gaat. De Griekse vrouw deed dat in geloof. En zij deed dat in onderwerping aan wat de Here leerde, namelijk, dat het heil uit de Joden is en Hij gezonden is om Zijn volk te verlossen. Zij onderwerpt zich aan deze leer en weet heel treffend daar belijdenis van te doen. Zo is dat vandaag ook. Wie de weg waarlangs de Here de zaligheid schenkt, aanvaardt, en zich daaraan onderwerpt in geloof, die krijgt ook deel aan de zaligheid. Dus wie in wijsheid te kort schiet die moet daarom bidden (Jakobus 1:55 Indien echter iemand van u in wijsheid te kort schiet, dan bidde hij God daarom, die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt; en zij zal hem gegeven worden.). En om te geloven moet je horen naar het gepredikte woord (Romeinen 10:14,1714 Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in wie zij niet geloofd hebben? Hoe geloven in Hem, van wie zij niet gehoord hebben? Hoe horen zonder prediker? (...) 17 Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus.).

De Griekse vrouw had groot geloof. Want als van het brood van de Verlosser der Joden ook maar een kruimeltje haar deel zou worden, dan zou dat genoeg zijn, voor de genezing van haar dochter. En zo was het.

Verder lezen: 1 Petrus 5:1-71 De oudsten onder u vermaan ik dan als medeoudste en getuige van het lijden van Christus, die ook een deelgenoot ben van de heerlijkheid, welke zal geopenbaard worden: 2 hoedt de kudde Gods, die bij u is, niet gedwongen, maar uit vrije beweging, naar de wil van God, niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid, 3 niet als heerschappij voerend over hetgeen u ten deel gevallen is, maar als voorbeelden der kudde. 4 En wanneer de opperherder verschijnt, zult gij de onverwelkelijke krans der heerlijkheid verwerven. 5 Evenzo gij, jongeren, onderwerpt u aan de oudsten. Omgordt u allen jegens elkander met nederigheid, want God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. 6 Vernedert u dan onder de machtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te zijner tijd. 7 Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.

2 juli

Ook hier lezen we van de smeking van het volk aan het adres van de Here Jezus om iemand die ernstig ziek is te genezen. De Zaligmaker wijst hun smeking niet af. Hij heeft duidelijk medelijden met door ziekten geplaagden. Je ziet hier, dat je bij de HERE terecht kan in alle nood. Christus geneest de doofstomme op onnavolgbare wijze. Vingers in de oren, dan hoor je toch juist niet? En met speeksel in de mond kun je niet goed spreken. Waarom spuwde de Here Jezus? Dat is toch geen geneesmiddel? Eens streek Hij zand met speeksel op iemands blinde ogen, zodat die kon zien. We zien hierin Zijn almacht, die Hij ontleent aan Zijn Godheid en hemelse zending. Hij ziet op naar de hemel. Hij werkt met de Vader, de Schepper. Hij is de Herschepper. Zoals God zag dat alles goed was, na de schepping, zo beamen de mensen dat de Zoon van God alles goed heeft gemaakt. Maar onze Zaligmaker moet het ambt vervullen van Middelaar, en mag daarom volgens de profetie niet Zijn stem verheffen (Jesaja 421 Zie, mijn knecht, die Ik ondersteun; mijn uitverkorene, in wie Ik een welbehagen heb. Ik heb mijn Geest op hem gelegd: hij zal de volken het recht openbaren. 2 Hij zal niet schreeuwen noch zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen. 3 Het geknakte riet zal hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal hij niet uitdoven; naar waarheid zal hij het recht openbaren. 4 Hij zal niet kwijnen en niet geknakt worden, tot hij op aarde het recht zal hebben gebracht; en op zijn wetsonderricht zullen de kustlanden wachten. 5 Zo zegt God, de Here, die de hemel schiep en hem uitspande; die de aarde uitbreidde met alles wat daaruit ontsproot; die aan de mensen die daarop wonen, de adem gaf en de geest aan hen die daarop wandelen: 6 Ik, de Here, heb u geroepen in gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een verbond voor het volk, tot een licht der natiën: 7 om blinde ogen te openen, om gevangenen uit de kerker te leiden, uit de gevangenis wie in duisternis gezeten zijn. 8 Ik ben de Here, dat is mijn naam, en mijn eer zal Ik aan geen ander geven noch mijn lof aan de gesneden beelden. 9 Het vroegere, zie, het is gekomen, en nieuwe dingen kondig Ik u aan; voordat zij uitspruiten, doe Ik ze u horen. 10 Zingt de Here een nieuw lied, zijn lof van het einde der aarde, gij die de zee bevaart en haar volheid; gij kustlanden en hun bewoners. 11 Laten de woestijn en haar steden de stem verheffen, de dorpen waar Kedar woont; laten de rotsbewoners jubelen, laten zij van de top der bergen juichen. 12 Laten zij de Here eer geven en zijn lof in de kustlanden vermelden. 13 De Here trekt uit als een held; als een krijgsman doet Hij de strijdlust ontbranden; Hij heft de strijdkreet aan, ja schreeuwt die uit; Hij betoont Zich een held tegen zijn vijanden. 14 Ik heb van oudsher gezwegen, Ik heb gezwegen en Mij ingehouden; nu zal Ik schreeuwen als een barende vrouw; 15 Ik zal snuiven en hijgen tegelijk. Ik zal bergen en heuvels verschroeien en al hun gewas zal Ik doen verdorren; Ik zal rivieren tot land maken en plassen zal Ik doen opdrogen. 16 En Ik zal de blinden leiden op een weg die zij niet kenden; op paden die zij niet kenden, zal Ik hen doen treden; Ik zal de duisternis voor hen uit tot licht maken en de oneffen plaatsen tot een vlakte. Dit zijn de dingen die Ik doen zal en die Ik niet zal nalaten. 17 Zij zullen terugdeinzen en diep beschaamd worden, die op gesneden beelden vertrouwen; die tot gegoten beelden zeggen: Gij zijt onze goden. 18 Gij doven, hoort, en gij blinden, slaat uw ogen op om te zien. 19 Wie is er blind dan mijn knecht en doof als de bode die Ik zend? Wie is er blind als de volmaakte en blind als de knecht des Heren? 20 Gij hebt wel veel gezien, maar gij hieldt het niet in gedachtenis; gij hebt de oren wel open gehad, maar gij hebt niet gehoord. 21 De Here had er behagen in ter wille van zijn gerechtigheid een grote, heerlijke onderwijzing te geven. 22 Maar dit is een volk, beroofd en uitgeplunderd; men heeft hen allen in kerkerholen geboeid, in gevangenissen zijn zij weggeborgen; zij werden ten roof en er was geen redder; tot plundering en er was niemand die zeide: Geef terug. 23 Wie onder u neemt dit ter ore, schenkt er aandacht aan en luistert in het vervolg? 24 Wie heeft Jakob tot plundering overgegeven en Israël aan berovers? Is het niet de Here, tegen wie wij gezondigd hebben, op wiens wegen zij niet hebben willen gaan, en naar wiens wet zij niet geluisterd hebben? 25 Daarom stortte Hij de grimmigheid van zijn toorn over hen uit en het geweld van de oorlog. Dat zette hen rondom in vlam, maar zij sloegen er geen acht op; ja, het stak hen in brand, maar zij namen het niet ter harte.). Het is niet de bedoeling dat men overal over Hem gaat rondbazuinen. Begrijpelijk dat men dat deed, gelet op Zijn genezingswonderen. Maar het was om Zijn vernedering niet de bedoeling dat zij dat deden.

Verder lezen: Jesaja 42:1-71 Zie, mijn knecht, die Ik ondersteun; mijn uitverkorene, in wie Ik een welbehagen heb. Ik heb mijn Geest op hem gelegd: hij zal de volken het recht openbaren. 2 Hij zal niet schreeuwen noch zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen. 3 Het geknakte riet zal hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal hij niet uitdoven; naar waarheid zal hij het recht openbaren. 4 Hij zal niet kwijnen en niet geknakt worden, tot hij op aarde het recht zal hebben gebracht; en op zijn wetsonderricht zullen de kustlanden wachten. 5 Zo zegt God, de Here, die de hemel schiep en hem uitspande; die de aarde uitbreidde met alles wat daaruit ontsproot; die aan de mensen die daarop wonen, de adem gaf en de geest aan hen die daarop wandelen: 6 Ik, de Here, heb u geroepen in gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een verbond voor het volk, tot een licht der natiën: 7 om blinde ogen te openen, om gevangenen uit de kerker te leiden, uit de gevangenis wie in duisternis gezeten zijn.

3 juli

Waarvoor is de Zoon van God op aarde gekomen? Waarom heeft Hij zijn hemelse majesteit afgelegd en is ons gelijk geworden? Ons lot ging Hem ter harte. Onze ellende heeft Hij aangezien. Hij wilde niet dat wij onder Gods rechtvaardige toorn en straf zouden bezwijken. Hij wilde niet dat wij in zonde zouden blijven leven en onder de gevolgen er van tenslotte ten onder gaan.

Christus bewijst hier de barmhartigheid van de Vader. Hij heeft medelijden met de schare. En zijn almacht en scheppend vermogen gebruikt Hij om zijn liefdevolle zorg aan een arm volk te bewijzen. Dezelfde goddelijke kracht zou Hij ook aanwenden op Golgotha om als het Brood des levens ons voor eeuwig van voeding te voorzien.

Ook bij deze wonderbare spijziging is er weer de overvloed. Er waren niet weinigen bij de Here Jezus vergaderd. Ze kregen allemaal meer dan voldoende. Er bleven zeven manden vol over. Een zevenvoudige goddelijke volheid. De goedertierenheid en weldadigheid van de Here zijn overvloedig. Niet alleen zijn volk, maar alle volken zullen in Hem gezegend worden. Bij Hem is nooit tekort. Daar kun je altijd van op aan. Daarom: kom tot Hem en blijf bij Hem.

Verder lezen: Psalm 231 Een psalm van David. De Here is mijn herder, mij ontbreekt niets; 2 Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij aan rustige wateren; 3 Hij verkwikt mijn ziel. Hij leidt mij in de rechte sporen om zijns naams wil. 4 Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij; uw stok en uw staf, die vertroosten mij. 5 Gij richt voor mij een dis aan voor de ogen van wie mij benauwen; Gij zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over. 6 Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven; ik zal in het huis des Heren verblijven tot in lengte van dagen.

4 juli

De Here Jezus is heilig. En zijn werken zijn volmaakt en goed. Alleen doordat zijn heiligheid en gerechtigheid ons met God kunnen verzoenen, verzet de mens, die in zichzelf roemt, zich daartegen. De Farizeeën twistten met Hem en verzochten Hem om een teken uit de hemel te doen. Dat zou hen dan overtuigen, terwijl ze niet in Hem geloofden. Wie echter in ongeloof iets vraagt, krijgt het niet. En trouwens, Jezus’ werken getuigden overvloedig van Gods genadig omzien naar zijn volk.

De hemel blijft voor Farizeeën gesloten. Zij zoeken door eigen gerechtigheid de gunst van God te verdienen. Hun leer van verdienstelijke werken is voor de godsdienstige mens heel aantrekkelijk; kun je het toch zelf verdienen. Heb je je zaligheid in eigen hand. God moet je toch wel vergelden als je het zo goed hebt gedaan? Deze leer wil als een zuurdesem de leer van soevereine genade bederven, zodat niet God alle eer wordt gebracht. Ernstig waarschuwt onze Zaligmaker daarvoor. Maar de discipelen maakten zich zorgen om het dagelijks brood. Hoe vaak maken wij ons niet druk om de dagelijkse dingen. Laten we heel opmerkzaam zijn, dat we niet Gods genadeleer laten aantasten.

Verder lezen: Psalm 251 Van David. Tot U, Here, hef ik mijn ziel op; 2 mijn God, op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden, laten mijn vijanden niet over mij juichen. 3 Ja, allen die U verwachten, worden niet beschaamd, beschaamd worden wie trouweloos handelen zonder oorzaak. 4 Here, maak mij uw wegen bekend, leer mij uw paden, 5 leid mij in uw waarheid en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils, U verwacht ik de ganse dag. 6 Gedenk uw barmhartigheid, Here, en uw gunstbewijzen, want die zijn van eeuwigheid; 7 gedenk niet de zonden van mijn jeugd, noch mijn overtredingen, gedenk mijner naar uw goedertierenheid, om uwer goedheid wil, Here. 8 Goed en waarachtig is de Here; daarom onderwijst Hij de zondaars aangaande de weg. 9 Ootmoedigen doet Hij wandelen in het recht, en Hij leert ootmoedigen zijn weg. 10 Alle paden des Heren zijn goedertierenheid en trouw voor wie zijn verbond en zijn getuigenissen bewaren. 11 Om uws naams wil, Here, vergeef mij mijn ongerechtigheid, want die is groot. 12 Wie is de man die de Here vreest? Hij onderwijst hem aangaande de weg die hij moet kiezen. 13 Hij zelf zal in voorspoed vertoeven, en zijn nageslacht zal het land beërven. 14 Des Heren vertrouwelijke omgang is met wie Hem vrezen, en zijn verbond maakt Hij hun bekend. 15 Mijn ogen zijn bestendig op de Here, want Hij voert mijn voeten uit het net. 16 Wend U tot mij en wees mij genadig, want eenzaam ben ik en ellendig. 17 De benauwdheden mijns harten hebben zich uitgebreid, voer mij uit mijn angsten. 18 Zie op mijn ellende en mijn moeite, en vergeef al mijn zonden. 19 Zie, hoe talrijk zijn mijn vijanden, en met welk een boosaardige haat haten zij mij. 20 Bewaar toch mijn ziel en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want bij U schuil ik. 21 Vroomheid en oprechtheid mogen mij behoeden, want U verwacht ik. 22 O God, verlos Israël uit al zijn benauwdheden.

5 juli

Ook deze handelwijze van onze Zaligmaker is onnavolgbaar. Dat Hij de blinde buiten het dorp leidt, heeft waarschijnlijk als reden het willen vermijden van ruchtbaarheid. De Here Jezus wil niet dat het volk massaal zich achter Hem verenigd om Hem met geweld koning te maken. Nu volgt een heel bijzondere handeling. De Here spuugt zo waar in de ogen van de blinde. Het speeksel van een mens heeft toch niet bepaald genezend vermogen. Het speeksel van de slang is giftig, die spuugt je blind. Maar Jezus geneest met zijn speeksel en het opleggen van zijn handen. Dit is een wijze van handelen die in ieder geval zijn almacht aanwijst, zijn herscheppende kracht. Bijzonder is hier ook het eerste woord dat de blinde sprak. Hij zag niet direct scherp. Er was een tweede handoplegging nodig. Wat betekent dat? Het doet te indringender verstaan dat wij almeer door Hem genezen en verlicht moeten worden. We gaan beter zien, als Zijn Woord ons verlicht en de ogen van onze ziel gezond maakt.

Het dorp Batsaida moet de genezene niet ingaan. Geen ruchtbaarheid en volksoploop. Jezus spreekt er overigens ook over, dat Hij zijn tekenen tevergeefs in deze plaats had verricht.

Verder lezen: Matteüs 11:16-2416 Doch waarmede zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan kinderen, die op de markten zitten en de anderen toeroepen: 17 Wij hebben voor u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben klaagliederen gezongen en gij hebt geen misbaar gemaakt. 18 Want Johannes is gekomen, niet etende en niet drinkende, en zij zeggen: Hij heeft een boze geest. 19 De Zoon des mensen is gekomen, wèl etende en drinkende, en zij zeggen: Zie, een vraatzuchtig mens en een wijndrinker, een vriend van tollenaars en zondaars. En de wijsheid is gerechtvaardigd op grond van haar werken. 20 Toen begon Hij de steden, waarin de meeste krachten door Hem verricht waren, te verwijten, dat zij zich niet bekeerd hadden: 21 Wee u, Chorazin, wee u, Betsaïda! Want indien in Tyrus en Sidon die krachten waren geschied, welke in u geschied zijn, reeds lang zouden zij zich in zak en as bekeerd hebben. 22 Doch Ik zeg u, het zal voor Tyrus en Sidon draaglijker zijn in de dag des oordeels dan voor u. 23 En gij, Kafarnaüm, zult gij tot de hemel verheven worden? Tot het dodenrijk zult gij nederdalen; want indien in Sodom de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, het zou gebleven zijn tot de dag van heden. 24 Maar Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom draaglijker zijn in de dag des oordeels dan voor u.

6 juli

Marcus 8:27-9:127 En Jezus vertrok met zijn discipelen naar de dorpen van Caesarea Filippi. En onderweg vroeg Hij zijn discipelen en sprak tot hen: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben? 28 Zij antwoordden en zeiden: Johannes de Doper; en anderen: Elia; weer anderen: Een van de profeten. 29 En Hij vroeg hun: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? Petrus antwoordde en zeide: Gij zijt de Christus. 30 En Hij verbood hun nadrukkelijk met iemand hierover te spreken. 31 En Hij begon hen te leren, dat de Zoon des mensen veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten en de overpriesters en de schriftgeleerden, en gedood worden en na drie dagen opstaan. 32 Hij sprak dit woord vrijuit. En Petrus nam Hem terzijde en begon Hem te bestraffen. 33 Doch Hij keerde Zich om en, ziende naar zijn discipelen, bestrafte Hij Petrus en zeide: Ga weg, achter Mij, satan; gij zijt niet bedacht op de dingen Gods, maar op die der mensen. 34 En Hij riep de schare, met zijn discipelen, tot Zich en zeide tot hen: Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij. 35 Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verliezen zal om Mijnentwil en om des evangelies wil, die zal het behouden. 36 Want wat baat het een mens de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden? 37 Want wat zou een mens kunnen geven in ruil voor zijn leven? 38 Want wie zich voor Mij en voor mijn woorden schaamt in dit overspelig en zondig geslacht, de Zoon des mensen zal Zich ook voor hem schamen, wanneer Hij komt in de heerlijkheid zijns Vaders, met de heilige engelen. 1 En Hij zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u: Er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij zien, dat het Koninkrijk Gods gekomen is met kracht.

Hoewel Petrus de waarheid sprak en namens de apostelen belijdenis deed, dat Jezus de Christus is, ging hij daarna toch de mist in. Hij wilde Jezus wel beschermen voor het lijden. Maar alleen langs dit lijden zou Hij blijken de Christus te zijn; zou Hij ons verlossen van onze zonden. Petrus betoonde zich tegenstander van dit verlossingswerk. Hij onderwierp zich niet aan wat Jezus leerde. Hij had zo zijn eigen ideeën. We zien hier het vlees van de mens aan het werk, dat niet bedenkt wat Gods wil en doel is. En zich ook niet aan Gods onderwijzing onderwerpt. Dit is een ernstig gebrek waar alle mensen aan lijden. Ook wil de mens graag zijn eigen leven redden en in de hand houden. Maar dit is zonder meer onmogelijk. Wie behouden wil worden, moet om de belijdenis van Jezus als de Christus, zijn kruis op zich nemen. Wie Jezus belijdt als Here, verliest zijn leven om Jezus’ wil. Die moet lijden aanvaarden en zijn leven overgeven in Gods hand. Daarvoor is grondige bekering en herschepping nodig. God de Heilige Geest bewerkt die herschepping. Dit is het dagelijks gebed van wie op de Here vertrouwen, om alles voor Hem achter te laten. Vooral het denken volgens menselijke maatstaf.

Verder lezen: Psalm 1311 Een bedevaartslied. Van David. Here, mijn hart is niet hovaardig, mijn ogen zijn niet trots; ik wandel niet in grootse dingen, noch in dingen die te wonderbaar voor mij zijn. 2 Immers heb ik mijn ziel tot rust en stilte gebracht als een gespeend kind bij zijn moeder; als een gespeend kind is mijn ziel in mij. 3 Israël hope op de Here van nu aan en voor immer.

7 juli

Het is indrukwekkend om te lezen dat Petrus, na zijn strenge terechtwijzing, toch begenadigd wordt. Hij mag samen met Jakobus en Johannes getuige worden van de verheerlijking van de Meester op de berg. En wat zij zagen tart elk voorstellingsvermogen. De hemel kwam als het ware op aarde en het gewicht ervan was groot. Ze waren dan ook zeer bevreesd. Zeker zal ook hun verstand verlicht geweest zijn, omdat ze wisten dat het Mozes en Elia waren, die daar aanwezig waren. Bovenal klinkt de stem van de Almachtige Vader: “Deze is mijn Zoon, de Geliefde, hoort naar Hem.” Dit is ook weer een duidelijke aanwijzing dat we uit Jezus’ mond de leer der zaligheid ontvangen en van Hem alles hebben te verwachten. Door Hem is daar de weg omhoog, naar de hemel, tot de Vader. Zich verzetten tegen Zijn leer is dan ook spelen met vuur en vragen om verpletterd te worden, zoals Psalm 21 Waarom woelen de volken en zinnen de natiën op ijdelheid? 2 De koningen der aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de Here en zijn gezalfde: 3 Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen! 4 Die in de hemel zetelt, lacht; de Here spot met hen. 5 Dan spreekt Hij tot hen in zijn toorn, en verschrikt hen in zijn gramschap: 6 Ik heb immers mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg. 7 Ik wil gewagen van het besluit des Heren: Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt. 8 Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel, de einden der aarde tot uw bezit. 9 Gij zult hen verpletteren met een ijzeren knots, hen stukslaan als pottenbakkerswerk. 10 Nu dan, gij koningen, weest verstandig, laat u gezeggen, gij richters der aarde. 11 Dient de Here met vreze en verheugt u met beving. 12 Kust de zoon, opdat hij niet toorne en gij onderweg niet te gronde gaat, want zeer licht ontbrandt zijn toorn. Welzalig allen die bij Hem schuilen! daarvan spreekt. Daarentegen vereist het optreden van Johannes de Doper (Elia) bereidwilligheid om met bekering van zonden van Christus de vergeving te ontvangen, door het geloof in Hem. Zalig wie Hem tot Leidsman en Zaligmaker heeft. Hij heeft voor uw verlossing Zichzelf tot het diepst laten vernederen.

Verder lezen: Maleachi 41 Want zie, de dag komt, brandend als een oven! Dan zullen alle overmoedigen en allen die goddeloosheid bedrijven, zijn als stoppels, en de dag die komt, zal hen in brand steken - zegt de Here der heerscharen - welke hun wortel noch tak zal overlaten. 2 Maar voor u, die mijn naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder haar vleugelen; gij zult uitgaan en springen als kalveren uit de stal. 3 Gij zult de goddelozen vertreden, want tot stof zullen zij zijn onder uw voetzolen op de dag die Ik bereiden zal, zegt de Here der heerscharen. 4 Gedenkt de wet van Mozes, mijn knecht, die Ik hem op Horeb geboden heb voor gans Israël, inzettingen en verordeningen. 5 Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt. 6 Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban.

8 juli

Marcus 9:14-2914 En toen zij bij de discipelen kwamen, zagen zij een grote schare om hen heen, en schriftgeleerden met hen aan het redetwisten. 15 En terstond, toen de gehele schare Hem zag, waren zij zeer verbaasd, en zij liepen op Hem toe en begroetten Hem. 16 En Hij vroeg hun: Waarom zijt gij met hen aan het redetwisten? 17 En één uit de schare antwoordde Hem: Meester, ik heb mijn zoon tot U gebracht, die een stomme geest heeft. 18 En waar hij hem aangrijpt, werpt hij hem op de grond; en hij heeft het schuim op de mond, en hij knerst met zijn tanden en verstijft. En ik heb uw discipelen gezegd, dat zij hem zouden uitdrijven, en zij hebben het niet gekund. 19 En Hij antwoordde hun en zeide: O, ongelovig geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn? Hoelang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem tot Mij. 20 En zij brachten hem tot Hem. En toen de geest Hem zag, deed hij hem terstond stuiptrekken en, op de grond gevallen, wentelde hij zich, al schuimende. 21 En Hij vroeg zijn vader: Hoelang is het al, dat dit hem overkomt? 22 Hij zeide: Van zijn kindsheid af; en dikwijls heeft hij hem ook in het vuur en in het water gedreven om hem een ongeluk te doen krijgen. Maar als Gij iets kunt doen, help ons en heb medelijden met ons! 23 Jezus zeide tot hem: Als Gij kunt! Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft. 24 Terstond riep de vader van de knaap uit en zeide: Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp! 25 En toen Jezus zag, dat de schare samenstroomde, bestrafte Hij de onreine geest en zeide tot hem: Gij, stomme en dove geest, Ik beveel u: ga van hem uit en kom niet meer in hem. 26 En hij ging uit onder geschreeuw en hevige struiptrekkingen. En hij werd als een dode, zodat men algemeen zeide, dat hij gestorven was. 27 Doch Jezus vatte zijn hand, richtte hem op, en hij stond op. 28 En toen Hij een huis was binnengegaan, vroegen zijn discipelen Hem, terwijl zij met Hem alleen waren: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven? 29 En Hij zeide tot hen: Dit geslacht kan door niets uitvaren, tenzij door gebed.

De Here Jezus verwijt zijn geslacht ongeloof en zegt: “Hoe lang zal Ik u nog verdragen?” Zijn terugkeer, en deze woorden, doen sterk denken aan Mozes’ terugkeer van de berg. De verbazing van de schare over de Here Jezus zal verband houden met de glans van heerlijkheid die nog op Hem was.

De discipelen hadden eerder van Hem macht gekregen over de onreine geesten (6:7,137 En Hij riep de twaalven tot Zich en begon hen uit te zenden, twee aan twee, en gaf hun macht over de onreine geesten. (...) 13 En zij dreven vele boze geesten uit en zalfden vele zieken met olie en genazen hen.). Blijkbaar was het hier hun ongeloof dat zij niet in staat waren te helpen. Kleingeloof was daar ook bij de vader van de bezeten zoon. Hij smeekt om medelijden, maar ook om hulp teneinde van zijn ongeloof afgeholpen te worden. Een heel belangrijk gebed. Zonder geloof is er geen leven en geen genezing van zonden. En voor wie gelooft zijn alle dingen mogelijk. Dat leert de Here Jezus, opdat we niet klein denken van Gods wil om ons te redden uit onze nood. Maar dit geslacht kan door niets uitvaren, tenzij door gebed. Dat is hier de realiteit. Maar het is een gebrek en een onvermogen en houdt zeker verband met ongeloof. Het is verwijtbaar en gevolg van de zonde. Het geeft zeker te denken, dat we zeer veel tekort schieten. Zijn hulp van boven hebben we deze dag weer nodig. En Hij wil die bieden.

Verder lezen: Exodus 34:29-3529 Toen Mozes van de berg Sinai afdaalde, - de twee tafelen der getuigenis nu waren in de hand van Mozes, toen hij van de berg afdaalde - wist hij niet, dat de huid van zijn gelaat straalde, doordat hij met Hem gesproken had. 30 Toen Aäron en al de Israëlieten Mozes zagen, zie, de huid van zijn gelaat straalde, en zij durfden hem niet naderen. 31 Toen riep Mozes hen tot zich, en Aäron en al de vorsten in de vergadering keerden tot hem terug en Mozes sprak hen toe. 32 Daarna naderden al de Israëlieten en hij gebood hun al wat de Here tot hem gesproken had op de berg Sinai. 33 Toen Mozes geëindigd had met hen te spreken, deed hij een doek voor zijn gelaat. 34 Maar wanneer Mozes kwam voor het aangezicht des Heren, om met Hem te spreken, deed hij de doek af, totdat hij naar buiten ging; daarna ging hij naar buiten en zeide tot de Israëlieten wat geboden was. 35 Wanneer de Israëlieten aan het gelaat van Mozes zagen, dat de huid van zijn gelaat straalde, deed Mozes de doek weer voor zijn gelaat, totdat hij naar binnen ging, om met Hem te spreken.

9 juli

Het contrast is groot. De Here Jezus verklaart wat er met Hem gaat gebeuren. Ditmaal geen discipel die het denkt beter te weten en Hem tegenspreekt. Geen pogingen ook om Hem van deze weg af te halen. Naast Zijn lijden en gedood worden, spreekt Hij ook van Zijn opstanding. Hij wist wat Hem stond te gebeuren en wat Hij moest doen om ons te verlossen. En Hij heeft het gedaan. Hij heeft Zijn leven niet lief gehad maar het voor ons overgegeven.

Daarentegen waren de discipelen slechts bezig met de vraag wie van hen de meeste was. Hier is het vlees weer dominant. Alhoewel zij Jezus nu niet tegenspreken, gaan ze wel tegen zijn leer in. Het gaat hen om hun eigen ego. En zo zijn wij van onszelf allemaal. Geneigd zichzelf voorop te stellen en zichzelf aan te prijzen. De oerzonde van de hoogmoed, die komt voor de val. Hiertegen leert onze Zaligmaker dat we groot zijn als we de minste zijn en dienstbaar zijn, als we de laatste plaats innemen. En daarmee bereid zijn, de kleine kinderen in zijn Naam te ontvangen, als kinderen Gods. En zo de Vader te ontvangen. Want, voor wie als de kinderen zijn, is het Koninkrijk. Afhankelijk, klein, maar groot en eenvoudig en zuiver in geloof.

Verder lezen: 2 Korintiërs 10:12-1812 Want wij durven ons niet tellen onder of stellen naast sommigen van hen, die zichzelf aanprijzen. Maar zij meten zich af naar en vergelijken zich met zichzelf, zonder het zelf te begrijpen. 13 Wij daarentegen zullen in ons roemen de perken niet te buiten gaan, maar binnen de perken van de regel, die God ons als beperking gesteld heeft, ook u bereiken. 14 Immers, daar wij niet in de mening verkeren, dat wij u niet kunnen bereiken, overschatten wij onszelf niet, want wij zijn met het evangelie van Christus reeds aan u toe, 15 zonder de perken te buiten te gaan door te roemen op anderer arbeid. Maar wij hebben goede hoop, dat wij, als uw geloof blijft toenemen, onder u, ons houdende aan onze regel, een grote naam zullen krijgen, 16 zodat wij nog verder dan bij u het evangelie zullen mogen brengen, zonder ons te beroemen op hetgeen naar de regel, die aan anderen is gesteld, tot stand was gebracht. 17 Maar wie roemt, roeme in de Here; 18 want niet wie zichzelf aanbeveelt, doch wie van de Here een aanbeveling ontvangt, heeft de proef doorstaan.

10 juli

Marcus 9:38-5038 Johannes zeide tot Hem: Meester, wij hebben iemand, die ons niet volgt, in uw naam boze geesten zien uitdrijven, en wij wilden het hem beletten, omdat hij ons niet volgde. 39 Doch Jezus zeide: Belet het hem niet; want er is niemand, die een kracht doen zal in mijn naam en kort daarna smadelijk van Mij zal kunnen spreken. 40 Want wie niet tégen ons is, is vóór ons. 41 Want wie u een beker water te drinken geeft, in de naam van Christus, omdat gij (discipelen) van Hem zijt, voorwaar, Ik zeg u, dat hem zijn loon voorzeker niet zal ontgaan. 42 En wie één van deze kleinen, die geloven, tot zonde verleidt, het zou beter voor hem zijn, dat een molensteen om zijn hals was gedaan en hij in de zee was geworpen. 43 En indien uw hand u tot zonde verleidt, houw haar af. Het is beter, dat gij verminkt ten leven ingaat, dan dat gij met uw twee handen ter helle vaart, in het onuitblusbare vuur, 44 [waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.] 45 En indien uw voet u tot zonde zou verleiden, houw hem af. Het is beter, dat gij kreupel ten leven ingaat, dan dat gij met uw twee voeten in de hel geworpen wordt, 46 [waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust]. 47 En indien uw oog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit. Het is beter, dat gij met één oog het Koninkrijk Gods binnengaat, dan dat gij met twee ogen in de hel geworpen wordt, 48 waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust. 49 Want een ieder zal met vuur gezouten worden. 50 Het zout is goed; indien het zout echter zoutloos wordt, waarmede zult gij het smaak geven? Hebt zout in uzelf en houdt vrede onder elkander.

De loutering die een ieder moet ondergaan, als door vuur beproefd, stelt persoonlijk verantwoordelijk. Er zijn tal van verleidingen tot zonde, linksom of rechtsom. Maar wat opvalt in wat de Here Jezus hier leert, is dat de verleiding tot zonde van mijn eigen hand komt. En de bekoring komt van mijn eigen oog. En verleiding tot zonde kan komen van eigen voet. We moeten de oorzaak van de zonde dus bij onszelf en in onszelf zien. De mens is snel geneigd de oorzaak van zijn overtreden ergens anders te zoeken. Buiten zichzelf. In de ander, of, in ‘de omstandigheden’. We weten hoe dat ging in het paradijs. De zondige begeerte om de eerste en de grootste te willen zijn. Het komt uit ons eigen hart voort. Het houdt ook verband met jaloezie. De duivel is jaloers op God en wil God van Zijn troon stoten. Jaloezie kan ook nog wel eens parten hebben gespeeld bij de wil anderen te beletten in Jezus’ naam op te treden. Maar wie waarlijk in Christus’ naam optreden, kunnen Hem niet verloochenen. Licht en duisternis mengen niet met elkaar, zoals de Farizeeën zeiden (Matteüs 12:2424 Maar de Farizeeën hoorden het en zeiden: Deze drijft de boze geesten slechts uit door Beëlzebul, de overste der geesten.). Wees bereid gelouterd te worden, om zout te zijn, zuiver in geloof en gericht op de vrede van God.

Verder lezen: Jakobus 3:13-1813 Wie is wijs en verstandig onder u? Hij tone uit zijn goede wandel zijn werken met wijze zachtmoedigheid. 14 Indien gij echter bittere naijver en zelfzucht in uw hart hebt, beroemt u dan niet en liegt niet tegen de waarheid. 15 Dat is niet de wijsheid, die van boven komt, maar zij is aards, ongeestelijk, duivels; 16 want waar naijver en zelfzucht heerst, daar is wanorde en allerlei kwade praktijk. 17 Maar de wijsheid van boven is vooreerst rein, vervolgens vreedzaam, vriendelijk, gezeggelijk, vol van ontferming en goede vruchten, onpartijdig en ongeveinsd. 18 Maar gerechtigheid is een vrucht, die in vrede wordt gezaaid voor hen, die vrede stichten.

11 juli

Omdat echtscheiding in de wereld bijna een gewone zaak is geworden, neemt de dreiging toe dat in de kerk het huwelijk ook gerelativeerd gaat worden. Maar het huwelijk is een heilige en goede zaak. Ze is een ordening van de Schepper. En in Zijn wet heeft Hij het echtbreken verboden. Men denkt er beter van af te zijn, als een slecht huwelijk wordt ontbonden. Maar men beseft dan niet, dat dan tegen Gods goede scheppingsorde wordt ingegaan. De man zal vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en die twee zullen tot één vlees zijn. Daar zit een grote verborgenheid in, leert Paulus. En wel met het oog op Christus en zijn gemeente. De liefde van de man voor zijn vrouw moet een opofferende liefde zijn en hij moet zich hoeden een maagd aan te zien (vergelijk Job 31:1-101 Ik had met mijn ogen een verbond gesloten, hoe zou ik dan een maagd hebben aangezien? 2 Want wat is het deel, door God van omhoog beschikt, het erfdeel, door de Almachtige uit den hoge bepaald? 3 Is het niet ondergang voor de verkeerde en ongeluk voor de bedrijvers van ongerechtigheid? 4 Slaat Hij niet mijn wegen gade en telt Hij niet al mijn schreden? 5 Indien ik ooit met leugens heb omgegaan, of mijn voet zich heeft gerept tot bedrog, 6 Hij wege mij op een zuivere weegschaal, dan zal God mijn onschuld erkennen. 7 Indien mijn tred van de weg is afgeweken, mijn hart mijn ogen heeft gevolgd, en een smet aan mijn handen kleeft, 8 dan moge ik zaaien en een ander het eten, en wat voor mij is ontsproten, moge worden ontworteld! 9 Indien mijn hart zich heeft laten lokken tot een vrouw, en ik geloerd heb aan de deur van mijn naaste, 10 dan moge mijn vrouw voor een ander malen, en mogen anderen zich over haar neerbuigen.). Bij echtbreuk wordt Gods rijke zegen versmaad en eigen wil en begeerte op nummer 1 gezet. En de schade is niet te overzien. Voor de echtbrekers, hun kinderen en de maatschappij. Verbonden worden gebroken. Mensen worden onbetrouwbaar.

Maar Gods zegen is over wie Hem vrezen en zijn zevende gebod hoog achten en ijveren voor een goed huwelijk tot eer van God (Psalm 1281 Een bedevaartslied. Welzalig ieder die de Here vreest, die in zijn wegen wandelt, 2 want gij zult eten de opbrengst van uw handen; welzalig gij, het zal u welgaan. 3 Uw vrouw zal zijn als een vruchtbare wijnstok binnen in uw huis; uw zonen als olijfscheuten rondom uw dis. 4 Zie, zo zal de man gezegend worden, die de Here vreest. 5 De Here zegene u uit Sion, opdat gij het goede van Jeruzalem moogt zien al uw levensdagen, 6 en opdat gij uw kindskinderen moogt zien. Vrede zij over Israël.).

Verder lezen: Matteüs 5:27-3227 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult niet echtbreken. 28 Maar Ik zeg u: Een ieder, die een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd. 29 Indien dan uw rechteroog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit en werp het van u, want het is beter voor u, dat één uwer leden verloren ga en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde. 30 En indien uw rechterhand u tot zonde zou verleiden, houw haar af en werp haar van u; want het is beter voor u, dat één uwer leden verloren ga en niet uw gehele lichaam ter helle vare. 31 Er is ook gezegd: Al wie zijn vrouw wegzendt, moet haar een scheidbrief geven. 32 Maar Ik zeg u: Een ieder, die zijn vrouw wegzendt om een andere reden dan ontucht, maakt, dat er echtbreuk met haar gepleegd wordt; en al wie een weggezondene trouwt, pleegt echtbreuk.

12 juli

Het is ongetwijfeld een moeilijke passage voor menig volwassen gelovige. Want de Here Jezus toont aan dat de kinderen veelal een groter geloof hebben dan de volwassenen. En dat er dus geen enkele roem in het vlees kan zijn. De volwassenen hebben niets voor op de kinderen. Maar als kinderen van het verbond, die de ontferming van de Hemelse Vader genieten, hebben zij dezelfde beloften toegezegd. En de Here Jezus laat dat duidelijk zien in wat Hij met hen deed. Hij omarmde ze en zegende ze. Wat een troostrijk beeld. En wat een blijdschap bij deze kinderen. Hun eenvoudig ongeveinsd geloof waarom ze naar de Here Jezus kwamen, krijgt rijke vergelding. Hoewel ze eerst nog tegen werden gehouden door de grote mannen om Jezus heen. Die dachten Jezus te moeten beschermen voor al die drukke kinderen, die toch veel te klein waren. En hun kleren waren misschien ook wel vies van het spelen. Maar die grote mannen, discipelen, later apostelen, krijgen een enorme donderpreek te horen. Hij nam het hen maar niet kwalijk, maar zéér kwalijk. Als een kind hebt u het koninkrijk te ontvangen en anders is er geen ingaan in dat rijk. Dus weg met de barricades van de ‘groten’. Geloof groot als een kind.

Verder lezen: Psalm 81 Voor de koorleider. Op de Gittit. Een psalm van David. 2 O Here, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde, Gij, die uw majesteit toont aan de hemel. 3 Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, uw tegenstanders ten spijt, om vijand en wraakgierige te doen verstommen. 4 Aanschouw ik uw hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt: 5 wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet? 6 Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heerlijkheid en luister gekroond. 7 Gij doet hem heersen over de werken uwer handen, alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd: 8 schapen en runderen altegader en ook de dieren des velds, 9 de vogelen des hemels en de vissen der zee, hetgeen de paden der zeeën doorkruist. 10 O Here, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde.

13 juli

De rijke jongeling die zoveel vermogen had, dat het hem aan niets ontbrak, miste toch het enige wat nodig is om echt gelukzalig te zijn: het eeuwige leven. En die gave van het eeuwige leven geeft de Here Jezus. Daarom was hij aan het goede adres, bij de juiste Persoon, bij de Enige die hem de weg ging wijzen. Dat wist de rijke jongeling. Maar dan blijkt hij er nog niet klaar voor te zijn het eeuwige leven te ontvangen. Want daarvoor moet je alles waar je hart aan vast zit weg doen. Wat je het liefst is. Dat kan familie zijn, dat kunnen vrienden zijn, dat kan je maatschappelijke positie en je eer zijn. Dat kan, en niet zelden komt het voor, je bezit zijn. En dat noemt de Here hier een groot obstakel. Je bezit achter laten om gered te worden, is welhaast onmogelijk. En wanneer de Here daarover onderwijst zinkt de discipelen de moed in de schoenen. Wie kan dan behouden worden? Bij mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God. Dit leert ons weer te geloven als de kinderen. Het eeuwige hemelse leven is van een andere orde. Het is meer dan waard om er alles voor op te geven. Alleen, weet wel, het kan slechts ontvangen worden. Het is pure genadegave.

Verder lezen: Psalm 621 Voor de koorleider. Naar de wijze van Jedutun. Een psalm van David. 2 Waarlijk, mijn ziel keert zich stil tot God, van Hem is mijn heil; 3 waarlijk, Hij is mijn rots en mijn heil, mijn burcht, ik zal niet te zeer wankelen. 4 Hoelang zult gij op een man aanstormen? Gij allen zult omvergestoten worden als een hellende wand, een neerstortende muur. 5 Waarlijk, zij beraadslagen om hem van zijn hoogte af te stoten, zij scheppen behagen in leugen; zij zegenen met hun mond, maar in hun binnenste vloeken zij. sela 6 Waarlijk, mijn ziel, keer u stil tot God, want van Hem is mijn verwachting; 7 waarlijk, Hij is mijn rots en mijn heil, mijn burcht, ik zal niet wankelen. 8 Op God rust mijn heil en mijn eer, mijn sterke rots, mijn schuilplaats is in God. 9 Vertrouwt op Hem te allen tijde, o volk, stort uw hart uit voor zijn aangezicht; God is ons een schuilplaats. sela 10 Waarlijk, een ademtocht zijn de geringen, een leugen de aanzienlijken; in de weegschaal gaan zij omhoog, tezamen lichter dan een ademtocht. 11 Vertrouwt niet op verdrukking, stelt geen ijdele hoop op roof; als het vermogen aanwast, zet er het hart niet op. 12 God heeft eenmaal gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: de sterkte is Godes. 13 Ook de goedertierenheid, o Here, is uwe, want Gij zult ieder vergelden naar zijn werk.

14 juli

Alles verlaten om Jezus’ wil, om Gods koninkrijk in te kunnen gaan. De ballast van waar ons hart aan vastkleeft moet geheel afgeworpen worden. Zijn we te zwaar bepakt met verslaving aan geld en goed en wat niet al, dan komen we de berg Sion niet op. Maar bij mensen is het niet mogelijk alles te verlaten. Dat Petrus en de andere discipelen wel hun schepen en goederen hadden achtergelaten om Jezus te volgen, dat was alleen te danken aan de roepstem van de Heiland. Wanneer God ons roept en bekeert door Zijn Woord en Geest, dan maakt Hij ons bereid alles te verlaten om Hem en het Evangelie. Om Hem in vrijheid te dienen, los van eigen bezit, wil en begeerten. En dat levert alles op. Het leven in het Koninkrijk van God. Hoe gelukkig dat is, is niet voor te stellen. Maar ook voegt onze Zaligmaker er aan toe, dat wij ook in dit leven, in deze tijd, al terug ontvangen: broeders en zusters en moeders en kinderen en huizen en akkers. Daar komen vervolgingen bij. Maar toch, een honderdvoudige vergelding wordt ontvangen. Dus aanvaardt het lijden, heb alles over voor Christus en Zijn Evangelie, en er wacht een erfenis vol liefde en leven. U zult een wijd uitgestrekt land zien. Ja, de Koning in zijn schoonheid blijvend aanschouwen.

Verder lezen: Jesaja 331 Wee, verwoester, die zelf niet verwoest zijt; verrader, die zelf niet verraden zijt; als gij voleindigd hebt te verwoesten, zult gij verwoest worden; als gij gereed zijt met verraden, zal men u verraden. 2 Here, wees ons genadig. Op U hopen wij; wees onze arm elke morgen, ja ons heil in tijd van benauwdheid. 3 Voor daverend rumoer vluchten natiën weg; als Gij U verheft, stuiven volken uiteen. 4 Dan wordt de door u behaalde buit weggeraapt, alsof een kaalvreter aan het werk is; zoals sprinkhanen aanvallen, valt men erop aan. 5 De Here is verheven, want Hij woont in den hoge. Hij heeft Sion met recht en gerechtigheid vervuld. 6 En uw tijden zullen bestendig zijn, een rijkdom van heil, wijsheid en kennis; de vreze des Heren is zijn schat. 7 Zie, de herauten schreeuwen het uit op de straat, de vredeboden wenen bitter; 8 de heerbanen zijn verlaten, de reizigers zijn verdwenen. Hij heeft het verbond verbroken, steden veracht, mensen niet geteld. 9 Het land treurt, verkwijnt; de Libanon staat beschaamd, verwelkt; Saron is een steppe gelijk geworden; Basan en Karmel schudden hun loof af. 10 Nu zal Ik opstaan, zegt de Here; nu zal Ik Mij verheffen, nu Mij oprichten. 11 Gij gaat zwanger van stro, gij zult stoppelen baren; uw adem is een vuur dat u verteren zal. 12 Volken zullen tot kalk verbrand worden, als afgesneden dorens zijn, die met vuur verbrand worden. 13 Hoort wat Ik doe, gij die verre zijt; gij die nabij zijt, erkent mijn macht. 14 De zondaars in Sion vrezen, beving grijpt de godvergetenen aan. Wie onzer kan verkeren bij een verterend vuur; wie onzer kan verkeren bij een eeuwige gloed? 15 Hij, die in gerechtigheid wandelt en oprecht spreekt; die gewin, door afpersing verkregen, versmaadt; die zijn handen weerhoudt om een geschenk aan te nemen, zijn oor toestopt om niet naar een moordplan te horen en zijn ogen toesluit om het slechte niet aan te zien. 16 Die zal op hoogten wonen; rotsvestingen zullen zijn burcht wezen; zijn brood is gewis, zijn water verzekerd. 17 Uw ogen zullen de Koning in zijn schoonheid aanschouwen; zij zullen een wijd uitgestrekt land zien; 18 uw hart zal de verschrikking overpeinzen: Waar is nu de schrijver, waar de weger, waar de teller der torens? 19 Het onbeschaamde volk zult gij niet meer zien, het volk met een duistere, onverstaanbare spraak, met een barbaarse, onbegrijpelijke taal. 20 Aanschouw Sion, de stad onzer feestelijke bijeenkomsten. Uw ogen zullen Jeruzalem zien als een veilige woonstede, als een tent die niet verplaatst wordt, waarvan de pinnen nimmermeer uitgerukt worden en geen van de koorden ooit losgerukt wordt. 21 Daar echter is de Here heerlijk voor ons: een plaats van rivieren en van brede stromen; geen roeiboot zal daarop varen en geen sierlijk jacht ze doorklieven. 22 Want de Here, onze Rechter, de Here, onze Wetgever, de Here, onze Koning, Hij zal ons verlossen. 23 Uw touwen hangen slap; zij houden de mast niet in zijn voetstuk, zij spannen het zeil niet. Dan wordt de overvloedig geroofde buit verdeeld, zelfs lammen vergaderen de roof. 24 En geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek; het volk dat daar woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben.

15 juli

Bij de eerste aankondiging van Christus’ lijden was er weerstand tegen, opkomend uit het vlees van de mens. Bij de tweede aankondiging, onbegrip, en hielden de discipelen zich bezig met eigen positie en eer, volgens de wil van de mens. Bij deze derde aankondiging volgt opnieuw de begeerte naar een ereplaats. En na Zijn opstanding is er geen begrip dat de Zoon des mensen eerst moest lijden. Oftewel, van onszelf begrijpen we niets van de weg der verlossing die God gaat.

Wel was er ontzetting en angst. Een onbestemd gevoel kwam over de volgelingen van de Here Jezus. En de feiten die de Here Jezus als de Profeet voorzegt, die geven hier uitkomst uit de nood en de angsten. Doordat Hij kraakhelder voorstelt wat er staat te gebeuren, komt er overzicht en vooruitzicht op de goede afloop. Door Zijn kennis zal Hij velen rechtvaardig maken en hun ongerechtigheden zal Hij dragen. Door zijn hand zal het voornemen des Heren voortgang hebben! Maar daarvoor komt angst over Hem. Hij gaat de nacht en het uur van de duisternis in. Hij gaat lijden. Hij laat zich verdrukken, vernederen, doden. Allemaal voor u en mij. Daardoor is er bevrijding van zonden en angst en een leven in Zijn gemeenschap.

Verder lezen: Jesaja 531 Wie gelooft, wat wij gehoord hebben, en aan wie is de arm des Heren geopenbaard? 2 Want als een loot schoot hij op voor zijn aangezicht, en als een wortel uit dorre aarde; hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd. 3 Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht. 4 Nochtans, onze ziekten heeft hij op zich genomen, en onze smarten gedragen; wij echter hielden hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte. 5 Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden. 6 Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de Here heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen. 7 Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open. 8 Hij is uit verdrukking en gericht weggenomen, en wie onder zijn tijdgenoten bedacht, dat hij is afgesneden uit het land der levenden? Om de overtreding van mijn volk is de plaag op hem geweest. 9 En men stelde zijn graf bij de goddelozen; bij de rijke was hij in zijn dood, omdat hij geen onrecht gedaan heeft en geen bedrog in zijn mond is geweest. 10 Maar het behaagde de Here hem te verbrijzelen. Hij maakte hem ziek. Wanneer hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zien en een lang leven hebben en het voornemen des Heren zal door zijn hand voortgang hebben. 11 Om zijn moeitevol lijden zal hij het zien tot verzadiging toe; door zijn kennis zal mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, en hun ongerechtigheden zal hij dragen. 12 Daarom zal Ik hem een deel geven onder velen en met machtigen zal hij de buit verdelen, omdat hij zijn leven heeft uitgegoten in de dood, en onder de overtreders werd geteld, terwijl hij toch veler zonden gedragen en voor de overtreders gebeden heeft.

16 juli

Het is eigenlijk schokkend, dat, nadat de Here Jezus zijn zeer bitter lijden aankondigde, voor de derde maal de discipelen bezig zijn de eerste plaats naast Hem te verkrijgen. Het antwoord van de Here aan zowel Johannes en Jakobus en later aan al de discipelen, geeft wel aan dat niemand zich druk hoeft te maken over enige positie in zijn rijk. Die zijn namelijk voorbestemd. En God deelt eenieder het zijne toe. Maar de begeerte de meeste te willen zijn is verkeerd. Niet heersen, maar dienen. Dat is het bevel. En daar gaat het vaak mis. Niet in de laatste plaats in de kerk. Daar zijn altijd weer leden van de gemeente die vergeten wat de Here Jezus hier zegt. Als dit voor de apostelen gold, dan evengoed voor ons. Dienstbaar zijn. De laatste plaats willen innemen. De ander voor laten gaan. Hopen en bidden voor andermans zaligheid en voorspoed. Geven in plaats van nemen. Helpen in plaats van heersen en bevelen geven. Steeds probeert de boze ons te verleiden om te heersen in plaats van te dienen. Maar we hebben een Zaligmaker in onze Here Jezus Christus, die door lijden heen tot heerlijkheid is gekomen. Laat u leiden door Zijn raad en keer het hart naar God, om uit de banden van zelfzucht verlost te worden.

Verder lezen: 1 Korintiërs 10:23-11:123 Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op. 24 Niemand zoeke het zijne, maar wat des anderen is. 25 Al wat in de vleeshal te koop is, moogt gij eten, zonder navraag te doen uit gewetensbezwaar, 26 want de aarde en haar volheid is des Heren. 27 Indien een der ongelovigen u uitnodigt en gij wenst te gaan, eet dan alles, wat u wordt voorgezet, zonder dat gij navraag doet uit gewetensbezwaar. 28 Doch indien iemand tot u zegt: Dat is gewijd vlees, eet het dan niet, om hem, die u dat te kennen gaf, èn om het geweten. 29 Ik bedoel nu niet uw eigen geweten, maar dat van die ander. Want waartoe zou mijn vrijheid beoordeeld worden door eens anders geweten? 30 Indien ik onder dankzegging van iets gebruik maak, hoe kan men kwaad van mij spreken over iets, waarvoor ik dankzeg? 31 Of gij dus eet of drinkt, of wat ook doet, doet het alles ter ere Gods. 32 Geeft noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de gemeente Gods aanstoot; 33 zoals ook ik allen in alles ter wille ben, niet om mijn eigen belang te zoeken, maar dat van zeer velen, opdat zij behouden worden. 1 Wordt mijn navolgers, gelijk ook ik Christus navolg.

17 juli

We zien hier de onbarmhartigheid van de schare, van de menigte. Ze willen niet dat hun Heer en Koning in zijn triomftocht verhinderd wordt door zo’n bedelaar aan de weg. Je denkt toch niet dat de Here Jezus zich laat ophouden door jou? Dit gebrek aan medelijden is tekenend voor de trotse mens die zich bezig houdt met hoogdravende idealen. Zijn oog schouwt grootse dingen, zodat hij ver over een blinde man heen kijkt. Maar zo niet de Zaligmaker, Jezus van Nazareth, de Zoon van David. Hij is nederig van hart en vol goddelijk erbarmen over armen die zeer gebukt gaan onder de gevolgen van de zonde. Hij trekt hun lot zich aan. En dus roept Hij Bartimeüs, die Hem beleed als de Messiaanse Koning. Dat is de Vredekoning, die verzoening van zonden en dus genezing van het leven, ook van zijn blindheid, kan en wil bewerken. Dit geloofde Bartimeüs. Dus liet hij zich niet monddood maken door wie hem bestraften, maar riep om ontferming. En zo werd hij behouden door de Here. Dit is dus onze hoop als we vast zitten in ellende. We mogen bidden om Gods ontferming in Christus. En steeds hopen op Zijn barmhartigheid. Roepen in geloof dat Hij antwoordt. Want ook Zijn roepstem gaat uit!

Verder lezen: Psalm 1461 Halleluja. Loof de Here, mijn ziel. 2 Ik zal de Here loven, mijn leven lang, mijn God psalmzingen, zolang ik nog ben. 3 Vertrouwt niet op edelen, op een mensenkind, bij wie geen heil is; 4 gaat zijn adem uit, dan keert hij weder tot zijn aarde, te dien dage vergaan zijn plannen. 5 Welzalig hij, die de God van Jakob tot zijn hulpe heeft, wiens verwachting is op de Here, zijn God, 6 die hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en al wat daarin is, die trouwe houdt tot in eeuwigheid; 7 die de verdrukten recht verschaft, die de hongerigen brood geeft. De Here maakt de gevangenen los, 8 de Here maakt de blinden ziende, de Here richt de gebogenen op, de Here heeft de rechtvaardigen lief; 9 de Here behoedt de vreemdelingen, wees en weduwe houdt Hij staande, maar de weg der goddelozen maakt Hij krom. 10 De Here is Koning voor eeuwig. Uw God, o Sion, is van geslacht tot geslacht. Halleluja.

18 juli

De Here Jezus treedt in deze perikoop profetisch en koninklijk op. Als Koning eist Hij zijn rijdier op. En zijn volk is gewillig. Ze laten Hem het ezelsveulen nemen en berijden. Maar, Hij stuurt het veulen ook weer terug. Hij ontneemt niemand iets. Hij komt geven. En Hij komt vervullen, het profetisch Woord. Met zijn profetisch optreden bedoelen we niet alleen dat gebeurt wat Hij zegt, maar eveneens dat Hij de Schriften komt vervullen. Zacharia 9:99 Jubel luide, gij dochter van Sion; juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw koning komt tot u, hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een ezelinnejong.: “Zie, uw Koning komt tot u, hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een ezelinnejong.” Maar ook, wat daar voor staat: “Jubel luide, gij dochter van Sion; juich, gij dochter van Jeruzalem!” Ook dat ging toen in vervulling op wat nu wel Palmzondag wordt genoemd. Een week voor Pasen. Publiekelijk laat de Here Jezus zien, dat Hij de Messiaanse Koning is uit het huis van David. Er is waarlijk grote vreugde te bedrijven, omdat Hij is gekomen. En die vreugde was groot in de hemelen bij zijn Hemelvaart. En die wordt nog ruimer en groter bij Zijn tweede komst, voor wie in Hem geloven en Zijn naam, ondanks alle verwerping en versmading, trouw belijden in het Jeruzalem hier beneden.

Verder lezen: Zacharia 9:9-179 Jubel luide, gij dochter van Sion; juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw koning komt tot u, hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een ezelinnejong. 10 Dan zal Ik de wagens uit Efraïm en de paarden uit Jeruzalem tenietdoen, ook de strijdboog wordt tenietgedaan; en hij zal de volken vrede verkondigen, en zijn heerschappij zal zich uitstrekken van zee tot zee, en van de Rivier tot de einden der aarde. 11 Ook laat Ik ter wille van uw eigen verbondsbloed de gevangenen onder u vrij uit de put, waarin geen water is. 12 Keert terug naar de burcht, gij gevangenen, die hoop moogt koesteren; nog heden verkondig Ik: dubbel zal Ik u vergelding doen. 13 Want Ik span Mij Juda, op de boog leg Ik Efraïm, en wek uw kinderen, o Sion, op tegen uw kinderen, o Griekenland, en maak u als het zwaard van een held. 14 Dan zal de Here hun verschijnen, en zijn pijl zal als de bliksem uitschieten, en de Here Here zal de bazuin blazen en optrekken in zuiderstormen. 15 De Here der heerscharen zal hen beschutten, zodat zij verslinden, ja de slingerstenen vertreden; zij zullen drinken, tieren als van wijn, en vol worden als een sprengbekken, als de hoeken van het altaar. 16 Zo zal de Here, hun God, hen te dien dage verlossen als de kudde die zijn volk immers is, ja zij zijn kroonjuwelen, die zullen blinken in zijn land. 17 Waarlijk, hoe groot is zijn geluk, ja, hoe groot zijn schoonheid! Het koren doet jongelingen, en de most jonkvrouwen gedijen.

19 juli

Marcus 11:11-2611 En Hij kwam te Jeruzalem in de tempel. En nadat Hij rondom alles overzien had, vertrok Hij, toen het reeds laat op de dag was, naar Betanië, met de twaalven. 12 En de volgende dag, toen zij van Betanië kwamen, werd Hij hongerig. 13 En toen Hij van verre een vijgeboom zag, die bladeren had, ging Hij daarheen om te zien of Hij er ook iets aan vinden zou. En erbij gekomen, vond Hij er niets aan dan bladeren; want het was de tijd niet voor vijgen. 14 En Hij antwoordde en zeide tot hem: Nooit ete meer iemand vrucht van u in eeuwigheid! En zijn discipelen hoorden het. 15 En zij kwamen te Jeruzalem. En Hij ging de tempel binnen en begon hen, die in de tempel verkochten en kochten, uit te drijven en de tafels der wisselaars en de stoelen van hen, die de duiven verkochten, keerde Hij om, 16 en Hij liet niet toe, dat iemand enig voorwerp door de tempel droeg; 17 en Hij leerde en sprak tot hen: Staat er niet geschreven, dat mijn huis een bedehuis zal heten voor alle volken? 18 Maar gij hebt het tot een rovershol gemaakt. En de overpriesters en de schriftgeleerden hoorden het en zochten, hoe zij Hem zouden kunnen ombrengen, want zij waren bevreesd voor Hem, omdat de gehele schare versteld stond over zijn leer. 19 En toen het laat werd, gingen zij de stad uit, naar buiten. 20 En toen zij des morgens vroeg langs de vijgeboom kwamen, zagen zij, dat hij van de wortel af verdord was. 21 En Petrus herinnerde het zich en zeide tot Hem: Rabbi, zie de vijgeboom, die Gij vervloekt hebt, is verdord. 22 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Hebt geloof in God. 23 Voorwaar, Ik zeg u, wie tot deze berg zou zeggen, hef u op en werp u in de zee, en in zijn hart niet zou twijfelen, maar geloven, dat hetgeen hij zegt geschiedt, het zal hem geschieden. 24 Daarom zeg Ik u, al wat gij bidt en begeert, gelooft, dat gij het hebt ontvangen, en het zal geschieden. 25 En wanneer gij staat te bidden, vergeeft wat gij tegen iemand mocht hebben, opdat ook uw Vader in de hemelen uw overtredingen vergeve. 26 [Indien gij echter niet vergeeft, zal ook uw Vader, die in de hemelen is, uw overtredingen niet vergeven.

Een vijgenboom vol in blad is mooi om te zien. Hij nodigt uit om in zijn schaduw te zitten en mogelijk heeft hij ook wat heerlijke vrucht. Maar als het de tijd niet is, dan kom je bedrogen uit. Van een afstand leek het wat, maar het was ijdel. Zo was het met de tempel. Het was vol activiteit. Vol ijdele handel, zogenaamd ten behoeve van de offerdienst en mooidoenerij met kostbare stenen en wijgeschenken aan de muren van de gebouwen. Maar het volk bracht geen vrucht voort.

De Here Jezus kwam niet om met geweld de Romeinen weg te jagen, maar om de tempel te reinigen en te heiligen. Zijn volk te zuiveren van hun zonden en te bekeren tot de waarachtige dienst van Zijn Vader. Hij kwam tot Zijn tempel vol ijver voor oprechte, zuivere Godsverering. Daarom keerde Hij met geweld de tafels om. En leerde waarvoor de tempel er was, als bedehuis voor alle volken. Dat is heel wat anders dan een marktplaats voor religieuze handelaartjes. Zoals het Jeremia verging, vergaat het de Here Jezus. Haat en moordaanslag. Maar door geloof kwam Hij de profetie vervullen. Hij bracht het grote Zoenoffer. Geloof hierin. Bid en verwacht veel. En vergeef, zoals u vergeven bent. Dankzij de Here Jezus, de Reformator.

Verder lezen: Jeremia 7:1-151 Het woord, dat van de Here tot Jeremia kwam: 2 Ga staan in de poort van het huis des Heren, predik daar dit woord en zeg: Hoort het woord des Heren, o gans Juda, gij die door deze poorten binnenkomt om u neder te buigen voor de Here; 3 zo zegt de Here der heerscharen, de God van Israël: Betert uw handel en wandel, dan wil Ik u op deze plaats laten wonen. 4 Stelt uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: Des Heren tempel, des Heren tempel, des Heren tempel is dit! 5 Neen, als gij werkelijk uw handel en wandel betert, als gij werkelijk onder elkander recht doet, 6 vreemdeling, wees en weduwe niet verdrukt, geen onschuldig bloed vergiet op deze plaats en andere goden niet achternaloopt, u tot onheil, 7 dan wil Ik u op deze plaats, in het land dat Ik aan uw vaderen gegeven heb, laten wonen van eeuw tot eeuw. 8 Zie, gij stelt uw vertrouwen op bedrieglijke woorden, zonder bate. 9 Wat? Stelen, doodslaan, echtbreken, vals zweren, voor de Baäl offers ontsteken en andere goden achternalopen, die gij niet gekend hebt - 10 en komt gij dan staan voor mijn aangezicht in dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, en zegt: Wij zijn geborgen! ten einde al deze gruwelen te bedrijven? 11 Is dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, in uw ogen een rovershol? En Ik - zie, Ik heb het wel degelijk opgemerkt, luidt het woord des Heren. 12 Want, gaat naar mijn plaats die in Silo was, waar Ik in het eerst mijn naam deed wonen, en ziet wat Ik daarmede gedaan heb om de boosheid van mijn volk Israël. 13 Nu dan, omdat gij al deze dingen gedaan hebt, luidt het woord des Heren, terwijl Ik tot u gesproken heb vroeg en laat, zonder dat gij gehoor gegeven hebt, en Ik u geroepen heb, zonder dat gij hebt geantwoord, 14 daarom zal Ik met het huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, waarop gij uw vertrouwen stelt, en met de plaats die Ik aan u en uw vaderen gegeven heb, doen gelijk Ik met Silo gedaan heb, 15 en Ik zal u van voor mijn aangezicht wegwerpen, gelijk Ik al uw broederen, het gehele zaad van Efraïm, weggeworpen heb.

20 juli

Zij die Jezus willen doden zoeken een reden om dat volgens de wet te doen. Zou Jezus wijzen op zijn goddelijke zending, dan zouden ze wel weer een teken vragen, en als Hij die niet geeft, Hem van leugenachtigheid beschuldigen. Zegt de Here, zo denken ze, dat Hij uit zichzelf optreedt, dan kunnen ze Hem als ordeverstoorder of revolutionair pakken. Hoe ze ook denken, ze hebben zo hun plannetjes uitgedacht Hem te vangen. Maar uiteindelijk worden ze zelf gevangen in hun sluwheid. De Here doorziet hun gedachten en zet hen schaakmat Ze druipen af, want hun eigen onbekeerlijkheid wordt openbaar door die ene wedervraag van de Here Jezus. Daar hebben ze geen antwoord op. In hun optreden tegenover Johannes, is hun onbekeerlijkheid van hun eigen zonden openbaar geworden. Ze menen immers aan de wet wel te hebben voldaan, door hun nauwgezette wandel. Oproep tot bekering is aan hen niet besteed.

Het gaat hier om aanvaarding van de goddelijke zending van Christus. Wie Hem aanvaardt als zijn Verlosser, en Zijn leer gelooft en belijdt, is zalig. Daarvoor is oprechte erkenning en belijdenis nodig van eigen zonden. En Hij neemt die weg.

Verder lezen: Job 5:8-168 Integendeel, ik zou naar God vragen, en aan God zou ik mijn zaak voorleggen. 9 Hij doet grote, ondoorgrondelijke dingen, wonderen zonder tal. 10 Hij geeft de regen op de aarde, en giet water uit over de velden. 11 Hij verheft geringen tot hoge staat, en treurenden verkrijgen krachtige hulp. 12 Hij verbreekt de raadslagen der listigen, en hun handen richten niets deugdelijks uit. 13 Hij vangt de wijzen in hun sluwheid, en het voornemen der listigen wordt verijdeld. 14 Overdag stuiten zij op duisternis en op de middag tasten zij rond als bij nacht. 15 Maar Hij redt van het zwaard van hun mond, de arme uit de hand van de sterke. 16 Zo is er dan voor de geringe hoop, en sluit de boosheid haar mond.

21 juli

Hoe scherp de waarheid is, die Jezus met de gelijkenis voorstelt, blijkt vooral aan het slot van de perikoop. De zonen van de profetenmoordenaars, stemmen geheel in met het handelen van hun vaderen. Zij hebben Gods knechten, de profeten, gedood, ze zullen ook de Zoon doden. Het is haast verbijsterend, dat, terwijl ze door hebben dat de Here met het oog op hen deze gelijkenis sprak, toch daar mee instemmen. Ze blijven erop gericht Hem uit de weg te ruimen. Daarmee sluit deze gelijkenis aan bij wat de Here eerder had uitgesproken, na zijn eerste tempelreiniging: “Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.” (Johannes 2:1919 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.). Dat hadden ze toen niet verstaan. Maar deze gelijkenis wel. Al duidelijker wordt het bedenken van het vlees als vijandschap tegen God openbaar. En de vijanden van onze Zaligmaker, verharden in hun kwaad. Ze bekeren zich niet, ondanks dat ze hun zonden voor ogen krijgen geschilderd in deze gelijkenis. Verhard in het kwaad gaan ze in blinde woede voort om de Zoon des mensen te doden. En tegelijk wordt al meer de liefde van de Zoon van God openbaar. Om de wil van de Vader te doen, ondergaat Hij vrijwillig deze vijandschap tot de dood aan toe.

Verder lezen: Psalm 118:19-2919 Ontsluit mij de poorten der gerechtigheid, ik zal daardoor binnengaan, ik zal de Here loven. 20 Dit is de poort des Heren, de rechtvaardigen gaan daardoor binnen. 21 Ik loof U, omdat Gij mij geantwoord hebt en mij tot heil geweest zijt. 22 De steen die de bouwlieden versmaad hebben, is tot een hoeksteen geworden; 23 van de Here is dit geschied, het is wonderlijk in onze ogen. 24 Dit is de dag die de Here gemaakt heeft; laten wij juichen en ons daarover verheugen. 25 Och Here, geef toch heil, och Here, geef toch voorspoed! 26 Gezegend hij, die komt in de naam des Heren; wij zegenen u uit het huis des Heren. 27 De Here is God, Hij heeft het voor ons doen lichten. Bindt de feestoffers met touwen vast bij de hoornen van het altaar. 28 Gij zijt mijn God, U zal ik loven, o mijn God, U zal ik verhogen. 29 Looft de Here, want Hij is goed, ja, zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

22 juli

De sluwheid van de Farizeeën en Herodianen blijkt direct al in wat ze tegen de Here Jezus zeggen. Ze eren Hem als Meester, die de mensen niet naar de ogen ziet en de weg Gods in waarheid leert. Zo denken ze de Here Jezus het idee te geven dat ze Hem goed gezind zijn. Zal Hij dan zeggen dat ze geen belasting hoeven te betalen, dan kunnen ze Hem de Romeinen uitleveren. Zegt Hij dat je wel belasting moet betalen, dan kunnen ze Hem als volksverrader ten toon stellen. Hoe dan ook, hun sluwe poging mislukt. De Here bewijst opnieuw de harten te kennen en hun pogingen te doorzien. En zijn aanwijzing van de munt van de keizer doet hen verwonderd staan. Zijn wijsheid overstijgt alle sluwheid. Ook is zijn onderwijzing voor vandaag nuttig. We hoeven geen tijd te verdoen met de vraag of we belasting moeten betalen. Daarentegen zullen we ervoor waken het geld te dienen en daar ons geluk in te vinden. De zaligheid is gelegen in Gods zegeningen in Christus. En God dienen, Hem de eer geven, dat is onze taak en opdracht. En het eren van God strekt over heel ons leven uit. Elke dag en in elke aangelegenheid. Dat is goed en nuttig te bedenken op deze nieuwe dag.

In het vereren van God is blijdschap en vreugde.

Verder lezen: Romeinen 13:1-71 Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden, die boven hem staan. Want er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld. 2 Wie zich dus tegen de overheid verzet, wederstaat de instelling Gods, en wie dit doen, zullen een oordeel over zich brengen. 3 Want, als iemand goed handelt, behoeft hij niet bevreesd te zijn voor de overheidspersonen, maar wel, als hij verkeerd handelt. Wilt gij zonder vrees voor de overheid zijn? Doe het goede, en gij zult lof van haar ontvangen. 4 Zij staat immers in dienst van God, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, wees dan bevreesd; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; zij staat immers in de dienst van God, als toornende wreekster voor hem, die kwaad bedrijft. 5 Daarom is het nodig zich te onderwerpen, niet slechts om de toorn, maar ook om des gewetens wil. 6 Daarom brengt gij toch ook belastingen op; want zij zijn dienaren Gods, die juist op dit punt voortdurend letten. 7 Betaalt aan allen het verschuldigde, belasting aan wie belasting, tol aan wie tol, ontzag aan wie ontzag, eerbetoon aan wie eer toekomt.

23 juli

Hier wordt duidelijk dat dwaling gepaard gaat met gebrek aan kennis van de Bijbel. Ook in onze dagen komt de gedachte wel voor als zou in het Oude Testament de opstanding niet worden geleerd. Onze Zaligmaker weerlegt op meesterlijke wijze deze dwaling, zoals die onder de Sadduceeën heerste. Ze dachten wel met een slim verhaaltje te komen, om hun visie te bevestigen. Wat je niet ziet is er ook niet. Dood is dood, dus geen opstanding. Hoe dwaas dit denken is blijkt uit Gods openbaring. In Zijn Woord wordt getuigd van Zijn verlossingswerk van zonde en dood, en van belofte van wederopstanding en eeuwig leven. De Here geeft hier te weten hoe het leven in de opstanding als engelen zal zijn. Dan is er niet meer het adagium trouwen en kinderen krijgen, want de dood neemt niemand meer weg. Er is geen sterven, maar leven, in Gods gemeenschap voor eeuwig. Want het leven uit God, geeft Hij ons, door Zijn Naam aan ons te verbinden. Hij is de God der levenden. En zo leven zij voor Hem, ook al zijn ze lichamelijk gestorven. Dit is vandaag onze hoop en bron van levenskracht. Er wacht een hemels en eeuwig leven, om God te loven en te prijzen. Dankzij de Zoon die daarvoor Zijn leven gaf.

Verder lezen: Psalm 161 Een kleinood van David. Bewaar mij, o God, want bij U schuil ik. 2 Ik heb tot de Here gezegd: Gij zijt mijn Here, ik heb geen goed buiten U. 3 Wat betreft de heiligen die in den lande zijn: zij zijn de heerlijken in wie al mijn welbehagen is. 4 Vele zijn de smarten van hen die dingen naar de gunst van een andere (god); ik zal hun plengoffers van bloed niet plengen, zelfs hun namen op mijn lippen niet nemen. 5 O Here, mijn erfdeel en mijn beker, Gij zelf bestendigt wat het lot mij toewees. 6 De meetsnoeren vielen mij in liefelijke dreven, ja, mijn erfdeel bekoort mij. 7 Ik prijs de Here, die mij raad heeft gegeven, zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren. 8 Ik stel mij de Here bestendig voor ogen; omdat Hij aan mijn rechterhand staat, wankel ik niet. 9 Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel, zelfs mijn vlees zal in veiligheid wonen; 10 want Gij geeft mijn ziel niet prijs aan het dodenrijk, noch laat Gij uw gunstgenoot de groeve zien. 11 Gij maakt mij het pad des levens bekend; overvloed van vreugde is bij uw aangezicht, liefelijkheid is in uw rechterhand, voor eeuwig.

24 juli

De weerlegging van de Sadduceeën door de Here Jezus vond instemming bij een Schriftgeleerde. Deze geleerde stelt de Meester een gebruikelijke vraag die onder Joodse rabbi’s werd gesteld. De Schriftgeleerde stelt zich duidelijk wat vriendelijker op en het lijkt dat er enige aansluiting is. In ieder geval als het gaat om de samenvatting van de wet in het grote gebod. Deze ontleent de Here uit de Schrift, en de Schriftgeleerde stemt er mee in. Dan spreekt de Here Jezus de uitnodigende woorden: “Gij zijt niet ver van het Koninkrijk Gods.” Jezus heeft zijn naaste lief als Zichzelf en laat duidelijk blijken dat daar zaligheid is voor deze Schriftgeleerde die Zijn leer erkende en er mee instemde. We zien de laatste stap om het Koninkrijk in te gaan als de volkomen aanvaarding van de Here Jezus als de Messias, de Zoon van David en de Zoon van God (zie het opvolgende). Hier komt het voor u en mij vandaag op aan; op geloven in de Here Jezus als de Zoon van God onze volkomen Zaligmaker. In de volkomen aanvaarding van Hem als Heiland is het leven en door het geloof in Hem een ingaan in Gods Koninkrijk. Om dit geloof moet u bidden, uit dit geloof leven, daarin groeien. Hij is de Weg naar het Godsrijk.

Verder lezen: Deuteronomium 6:1-91 Dit nu is het gebod, dit zijn de inzettingen en verordeningen, die de Here, uw God, bevolen heeft u te leren om die na te komen in het land, waarheen gij zult trekken om het in bezit te nemen, 2 opdat gij de Here, uw God, vreest door al zijn inzettingen en geboden te onderhouden, die ik u opleg, gij en uw zoon en uw kleinzoon, al de dagen van uw leven, en opdat gij lang leven moogt. 3 Hoor dan, Israël, en onderhoud ze naarstig, opdat het u wèl ga, en opdat gij zeer talrijk wordt, zoals de Here, de God uwer vaderen, u heeft toegezegd, in een land, vloeiende van melk en honig. 4 Hoor, Israël: de Here is onze God; de Here is één! 5 Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht. 6 Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn, 7 gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat. 8 Gij zult het ook tot een teken op uw hand binden en het zal u een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn, 9 en gij zult ze schrijven op de deurposten van uw huis en aan uw poorten.

25 juli

Marcus 12-351 En Hij begon tot hen in gelijkenissen te spreken. Een mens plantte een wijngaard en zette er een heg omheen en groef een wijnpersbak en bouwde een toren en hij verhuurde die aan pachters, en ging buitenslands. 2 En hij zond op zijn tijd een slaaf naar de pachters om van hen (zijn deel) der vruchten van de wijngaard in ontvangst te nemen. 3 En zij grepen hem, sloegen hem en zonden hem met lege handen weg. 4 En weder zond hij tot hen een andere slaaf en die sloegen zij op het hoofd en behandelden zij smadelijk. 5 En hij zond een andere en die doodden zij, en nog vele anderen, die zij òf sloegen òf doodden. 6 Toen had hij nog één over, zijn geliefde zoon. En ten laatste zond hij deze tot hen, zeggende: Mijn zoon zullen zij ontzien. 7 Maar die pachters zeiden tot elkander: Dit is de erfgenaam; komt, laten wij hem doden en de erfenis zal aan ons komen. 8 En zij grepen en doodden hem en wierpen hem buiten de wijngaard. 9 Wat zal de heer van de wijngaard doen? Hij zal komen en de pachters ombrengen en de wijngaard aan anderen geven. 10 Hebt gij ook dit schriftwoord niet gelezen: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden; 11 van de Here is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen. 12 En zij trachtten Hem te grijpen, maar zij vreesden de schare; want zij begrepen, dat Hij met het oog op hen die gelijkenis gesproken had. En zij lieten Hem verder ongemoeid en gingen weg. 13 En zij zonden tot Hem enige van de Farizeeën en van de Herodianen om Hem in een strikvraag te vangen. 14 En zij kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt en dat Gij U aan niemand stoort; want Gij ziet de mensen niet naar de ogen, maar Gij leert de weg Gods in waarheid. Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet? Zullen wij betalen of niet betalen? 15 Maar Hij, wetende, dat zij huichelden, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een schelling, en laat Ik die zien. 16 En zij brachten er een. En Hij zeide tot hen: Wiens beeldenaar en opschrift is dit? Zij zeiden tot Hem: Van de keizer. 17 Jezus zeide tot hen: Geeft dan de keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is. En zij verwonderden zich zeer over Hem. 18 En er kwamen Sadduceeën tot Hem, die beweren, dat er geen opstanding is, en zij ondervroegen Hem en zeiden: 19 Meester, Mozes heeft ons voorgeschreven, indien iemands broeder sterft en een vrouw nalaat, doch geen kind achterlaat, dat dan zijn broeder de vrouw moet nemen en voor zijn broeder nakomelingschap verwekken. 20 Nu waren er zeven broeders. En de eerste nam een vrouw en liet bij zijn sterven geen nakomelingschap achter. 21 En de tweede nam haar en stierf zonder nakomelingschap na te laten. En de derde evenzo. 22 En geen van die zeven liet nakomelingschap achter. Het laatst van allen stierf ook de vrouw. 23 In de opstanding, wanneer zij opstaan, van wie van hen zal zij dan de vrouw zijn? Want alle zeven hebben haar tot vrouw gehad. 24 Jezus sprak tot hen: Dwaalt gij niet daarom, dat gij de Schriften niet kent noch de kracht Gods? 25 Want wanneer zij uit de doden opstaan, huwen zij niet, en worden zij niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemelen. 26 Wat nu de doden betreft, dat zij opgewekt worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, bij de braamstruik, hoe God tot hem sprak, zeggende: Ik ben de God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jakob? 27 Hij is niet een God van doden, maar van levenden. Gij dwaalt wel zeer. 28 En een der schriftgeleerden, tot Hem komende, hoorde, dat zij met elkander redetwistten, en overtuigd, dat Hij hun goed geantwoord had, vroeg hij Hem: Welk gebod is het eerste van alle? 29 Jezus antwoordde: 30 Het eerste is: Hoor, Israël, de Here, onze God, de Here is één, en gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht. 31 Het tweede is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Een ander gebod, groter dan deze, bestaat niet. 32 En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Inderdaad, Meester, naar waarheid hebt Gij gezegd, dat Hij één is en dat er geen ander is dan Hij. 33 En Hem lief te hebben uit geheel het hart en uit geheel het verstand en uit geheel de kracht, en de naaste lief te hebben als zichzelf, is meer dan alle brandoffers en slachtoffers. 34 En Jezus, ziende, dat hij verstandig geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer iets vragen. 35 En Jezus antwoordde bij zijn onderwijs in de tempel en zeide: Hoe zeggen de schriftgeleerden, dat de Christus een zoon van David is? 36 David zelf heeft door de heilige Geest gezegd: De Here heeft gezegd tot mijn Here: Zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden onder uw voeten gelegd heb. 37a David zelf noemt Hem Here, en hoe kan Hij dan zijn zoon zijn? En het merendeel van de schare hoorde Hem gaarne. 38 En Hij zeide in zijn onderwijs: Wacht u voor de schriftgeleerden, die gesteld zijn op het wandelen in lange gewaden en op begroetingen op de markten, 39 en op erezetels in de synagogen en eerste plaatsen bij de maaltijden, 40 die de huizen der weduwen opeten en voor de schijn lange gebeden uitspreken: dezen zullen een zwaarder oordeel ontvangen. 41 En Hij ging tegenover de offerkist zitten en zag met aandacht, hoe de schare kopergeld wierp in de offerkist. En vele rijken wierpen er veel in. 42 En er kwam een arme weduwe, die er twee koperstukjes in wierp, dat is een duit. 43 En Hij riep zijn discipelen en zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, deze arme weduwe heeft het meeste in de offerkist geworpen van allen, die er iets in geworpen hebben. 44 Want allen hebben erin geworpen van hun overvloed, maar zij heeft van haar armoede erin geworpen, al wat zij had, haar ganse levensonderhoud. 1 En toen Hij uit de tempel ging, zeide een van zijn discipelen tot Hem: Meester, zie, welke stenen en welke gebouwen! 2 En Jezus zeide tot hem: Ziet gij deze grote gebouwen? Er zal geen steen op de andere gelaten worden, die niet zal worden weggebroken. 3 En toen Hij op de helling van de Olijfberg gezeten was, tegenover de tempel, vroegen Petrus en Jakobus en Johannes en Andreas Hem afzonderlijk: 4 Zeg ons, wanneer zal dat geschieden en wat is het teken, wanneer al deze dingen in vervulling zullen gaan? 5 Jezus begon tot hen te zeggen: Ziet toe, dat niemand u verleide. 6 Velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben het, en zij zullen velen verleiden. 7 Doch wanneer gij hoort van oorlogen en geruchten van oorlogen, weest dan niet verontrust. Dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet. 8 Want volk zal opstaan tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk. Er zullen nu hier, dan daar, aardbevingen zijn en er zullen hongersnoden wezen. Dat is het begin der weeën. 9 Doch gij, ziet toe op uzelf. Zij zullen u overleveren aan gerechtshoven, en in synagogen zult gij gegeseld worden en voor stadhouders en koningen zult gij gesteld worden om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen. 10 En aan alle volken moet eerst het evangelie gepredikt worden. 11 En wanneer zij u wegvoeren om u over te leveren, weest dan niet van tevoren bezorgd wat gij zeggen moet, maar zegt wat u in die ure gegeven wordt; want gij zijt het niet, die spreekt, maar de heilige Geest. 12 En een broeder zal zijn broeder overleveren ten dode en een vader zijn kind; en kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood brengen. 13 En gij zult door allen gehaat worden om mijns naams wil. Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. 14 Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting ziet staan, waar hij niet behoort - die het leest, geve er acht op - laten dan die in Judea zijn, vluchten naar de bergen. 15 Wie op het dak is, ga niet naar beneden en ga niet naar binnen om iets uit zijn huis mede te nemen, 16 en wie in het veld is, kere niet terug om zijn kleed mede te nemen. 17 Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen! 18 Bidt, dat het niet in de winter valle. 19 Want die dagen zullen zulk een verdrukking brengen als er niet geweest is van het begin der schepping, die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook nooit meer wezen zal. 20 En indien de Here die dagen niet had ingekort, zou geen vlees behouden worden, doch ter wille van de uitverkorenen, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij die dagen ingekort. 21 Indien dan iemand tot u zegt: Zie, hier is de Christus, zie, Hij is daar, gelooft het niet. 22 Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen tekenen en wonderen doen om, ware het mogelijk, de uitverkorenen te verleiden. 23 Doch gij, ziet toe: Ik heb het u alles voorzegd. 24 Maar in die dagen, na de verdrukking, zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven. 25 En de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen. 26 En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op de wolken, met grote macht en heerlijkheid. 27 En dan zal Hij zijn engelen uitzenden en zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het uiterste der aarde tot het uiterste des hemels. 28 Leert dan van de vijgeboom deze les: Wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan, dat de zomer nabij is. 29 Zo moet gij ook, wanneer gij dit ziet geschieden, weten, dat het nabij is, voor de deur. 30 Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt. 31 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan. 32 Maar van die dag of van die ure weet niemand, ook de engelen in de hemel niet, ook de Zoon niet, alleen de Vader. 33 Ziet toe, blijft waakzaam. Want gij weet niet, wanneer het de tijd is. 34 Gelijk een mens, die buitenslands ging, zijn huis overliet en aan zijn slaven volmacht gaf, aan ieder zijn werk, en de deurwachter opdroeg te waken. 35 Waakt dan, want gij weet niet, wanneer de heer des huizes komen zal, laat in de avond of te middernacht, bij het hanegekraai of des morgens vroeg, 36 opdat hij niet, als hij plotseling komt, u slapende vinde. 37 Wat Ik u zeg, zeg Ik allen: Waakt! 1 Nu was het na twee dagen Pascha en het feest der ongezuurde broden. En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem door list in handen zouden krijgen en doden. 2 Want zij zeiden: Niet op het feest, opdat er geen opschudding kome onder het volk. 3 En toen Hij te Betanië was in het huis van Simon de melaatse, kwam, terwijl Hij aan tafel aanlag, een vrouw met een albasten kruik vol echte, kostbare nardusmirre; en zij brak de albasten kruik en goot (de mirre) over zijn hoofd. 4 En sommigen spraken verontwaardigd tot elkander: Waartoe dient die verkwisting der mirre? 5 Want deze mirre had voor meer dan driehonderd schellingen verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden. En zij waren zeer verstoord tegen haar. 6 Maar Jezus zeide: Laat haar begaan; waarom valt gij haar lastig? Zij heeft een goede daad aan Mij verricht. 7 De armen hebt gij immers altijd bij u en gij kunt hun weldoen, wanneer gij maar wilt; maar Mij hebt gij niet altijd. 8 Zij heeft gedaan, wat zij kon; van tevoren heeft zij mijn lichaam gezalfd voor de begrafenis. 9 Voorwaar, Ik zeg u, overal waar het evangelie verkondigd zal worden, over de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft. 10 En Judas Iskariot, die een van de twaalven was, ging heen naar de overpriesters om Hem aan hen over te leveren. 11 Toen zij dat hoorden, verblijdden zij zich en beloofden hem geld te geven. En hij zocht, hoe hij Hem bij een goede gelegenheid kon overleveren. 12 En op de eerste dag van het feest der ongezuurde broden, waarop men gewoon was het Pascha te slachten, zeiden zijn discipelen tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij heengaan en toebereidselen maken, opdat Gij het Pascha kunt eten? 13 En Hij zond twee van zijn discipelen uit en zeide tot hen: Gaat naar de stad en er zal u een man tegenkomen, die een kruik water draagt; volgt hem, 14 en zegt tot de heer van het huis, waar hij binnengaat: De meester zegt: Waar is voor Mij het vertrek, waar Ik met mijn discipelen het Pascha kan eten? 15 En hij zal u een grote bovenzaal wijzen, van al het nodige voorzien. Maakt het daar voor ons gereed. 16 En de discipelen gingen heen en kwamen in de stad en vonden het, zoals Hij hun gezegd had en zij maakten het Pascha gereed. 17 En toen het avond geworden was, kwam Hij met de twaalven. 18 En terwijl zij aanlagen en aten, zeide Jezus: Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u Mij verraden zal; een die met Mij eet. 19 Zij begonnen bedroefd te worden en één voor één tot Hem te zeggen: Ik toch niet? 20 En Hij zeide tot hen: Eén van de twaalven, die met Mij in de [ene] schotel indoopt. 21 Want de Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat, doch wee die mens, door wie de Zoon des mensen verraden wordt. Het ware voor die mens goed, als hij niet geboren was. 22 En terwijl zij aten, nam Hij een brood, sprak de zegen uit, brak het, gaf het hun en zeide: Neemt, dit is mijn lichaam. 23 En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit, en gaf hun die en zij dronken allen daaruit. 24 En Hij zeide tot hen: Dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt. 25 Voorwaar, Ik zeg u, Ik zal voorzeker niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar nieuw zal drinken, in het Koninkrijk Gods. 26 En na de lofzang gezongen te hebben, vertrokken zij naar de Olijfberg. 27 En Jezus zeide tot hen: Gij zult allen aanstoot aan Mij nemen, want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden. 28 Maar nadat Ik zal opgewekt zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea. 29 En Petrus zeide tot Hem: Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik zeker niet! 30 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, heden, in deze nacht, voordat de haan tweemaal kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. 31 Hij zeide steeds heftiger: Al moest ik met U sterven, ik zal U voorzeker niet verloochenen. Evenzo spraken zij ook allen. 32 En zij gingen naar een plaats, genaamd Getsemane, en Hij zeide tot zijn discipelen: Zet u hier neder, terwijl Ik bid. 33 En Hij nam Petrus en Jakobus en Johannes mede. En Hij begon zeer ontsteld en beangst te worden, 34 en Hij zeide tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt. 35 En Hij ging een weinig verder, en Hij wierp Zich ter aarde en bad, dat, indien het mogelijk ware, die ure aan Hem zou voorbijgaan, 36 en Hij zeide: Abba, Vader, alles is U mogelijk, neem deze beker van Mij weg. Doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt. 37 En Hij kwam en vond hen slapende, en Hij zeide tot Petrus: Simon, slaapt gij? Waart gij niet bij machte één uur te waken? 38 Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. 39 En wederom ging Hij heen en bad, dezelfde woorden sprekende. 40 En toen Hij terugkwam, vond Hij hen slapende, want hun ogen waren zeer bezwaard; en zij wisten niet, wat zij Hem zouden antwoorden. 41 En Hij kwam ten derden male en zeide tot hen: Slaapt nu maar en rust. Het is genoeg. De ure is gekomen, zie, de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren. 42 Staat op, laten wij gaan. Zie, die Mij overlevert, is nabij. 43 En terstond, terwijl Hij nog sprak, daar kwam Judas aan, één van de twaalven, en met hem een schare met zwaarden en stokken, gezonden vanwege de overpriesters en de schriftgeleerden en de oudsten. 44 En die Hem overleverde, had hun een afgesproken teken gegeven, zeggende: Die ik zal kussen, die is het; grijpt Hem en leidt Hem welverzekerd weg. 45 En hij kwam en trad terstond op Hem toe en zeide: Rabbi, en kuste Hem. 46 En zij sloegen de handen aan Hem en grepen Hem. 47 Een van de omstanders trok zijn zwaard en hij trof de slaaf van de hogepriester en sloeg hem het oor af. 48 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Als tegen een rover zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken, om Mij gevangen te nemen? 49 Dagelijks was Ik bij u, lerende in de tempel, maar gij hebt Mij niet gegrepen; doch de Schriften moeten in vervulling gaan. 50 En zij lieten Hem alleen en vluchtten allen. 51 En een jonge man, die een laken om het naakte lichaam geslagen had, liep mede, Hem achterna, en zij grepen hem. 52 Maar hij liet het laken in hun handen en nam naakt de vlucht. 53 En zij leidden Jezus weg naar de hogepriester, en al de overpriesters en oudsten en schriftgeleerden kwamen bijeen. 54 En Petrus volgde Hem van verre tot binnen de hof van de hogepriester en hij zat daar tussen de dienaars, zich warmende bij het vuur. 55 De overpriesters nu en de gehele Raad trachtten een getuigenverklaring tegen Jezus te vinden om Hem ter dood te kunnen brengen; maar zij vonden er geen. 56 Want velen legden een vals getuigenis tegen Hem af, maar hun getuigenissen stemden niet overeen. 57 En er stonden enigen op, die een vals getuigenis tegen Hem aflegden, 58 zeggende: Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en binnen drie dagen een andere, niet met handen gemaakt, bouwen. 59 Maar ook zó stemde hun getuigenis niet overeen. 60 En de hogepriester stond op en hij trad naar voren en ondervroeg Jezus en zeide: Geeft Gij niets ten antwoord? Wat getuigen dezen tegen U? 61 Maar Hij bleef zwijgen en gaf niets ten antwoord. Wederom ondervroeg de hogepriester Hem en zeide tot Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende? 62 En Jezus zeide: Ik ben het, en gij zult de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende met de wolken des hemels. 63 De hogepriester scheurde zijn klederen en zeide: Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? 64 Gij hebt de godslastering gehoord: wat is uw oordeel? En zij allen veroordeelden Hem als des doods schuldig. 65 En sommigen begonnen Hem te bespuwen en zijn gelaat te bedekken en Hem met vuisten te slaan en tot Hem te zeggen: Profeteer nu! En de dienaars sloegen Hem in het gelaat. 66 En terwijl Petrus beneden in de hof was, kwam daar een der slavinnen van de hogepriester. 67 En toen zij Petrus zag, terwijl hij zich warmde, keek zij hem aan en zeide tot hem: Ook gij waart bij die Nazarener, bij Jezus! 68 Maar hij loochende het en zeide: Ik weet niet en begrijp niet, wat gij zegt. En hij ging naar buiten, naar het voorportaal. 69 En toen de slavin hem in het oog kreeg, begon zij opnieuw tot de omstanders te zeggen: Die man behoort tot hen. 70 Maar hij loochende het wederom. En even later zeiden de omstanders weer tot Petrus: Inderdaad, gij behoort tot hen; want gij zijt ook een Galileeër. 71 Maar hij begon zich te vervloeken en te zweren: Ik ken die mens niet, over wie gij spreekt. 72 En terstond kraaide de haan voor de tweede maal. En Petrus herinnerde zich het woord, dat Jezus tot hem gesproken had: Eer de haan tweemaal gekraaid heeft, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij begon te wenen. 1 En terstond, des morgens vroeg, stelden de overpriesters met de oudsten en schriftgeleerden, de gehele Raad, een besluit vast, en zij boeiden Jezus en zij leidden Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus. 2 En Pilatus ondervroeg Hem: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij antwoordde hem en zeide: Gij zegt het. 3 En de overpriesters brachten vele beschuldigingen tegen Hem in. 4 En Pilatus vroeg Hem wederom [en zeide]: Geeft Gij niets ten antwoord? Zie, hoevele beschuldigingen zij tegen U inbrengen. 5 Doch Jezus gaf hem niets meer ten antwoord, zodat Pilatus zich verwonderde. 6 En bij elk feest liet hij hun een gevangene los, voor wie zij dit vroegen. 7 Nu was er iemand, genaamd Barabbas, gevangengezet met de oproermakers, die in het oproer een moord begaan hadden. 8 En de schare kwam naar voren en begon te eisen, dat hij hun deed, zoals hij gewoon was. 9 Pilatus antwoordde en zeide tot hen: Wilt gij, dat ik u de Koning der Joden loslaat? 10 Want hij bemerkte, dat de overpriesters Hem uit nijd overgeleverd hadden. 11 Doch de overpriesters zetten de schare op, dat hij hun liever Barabbas zou loslaten. 12 Pilatus antwoordde en zeide wederom tot hen: Wat moet ik dan doen met Hem, die gij de Koning der Joden noemt? 13 En zij schreeuwden wederom: Kruisig Hem! 14 Pilatus zeide tot hen: Wat heeft Hij dan voor kwaad gedaan? Zij schreeuwden des te meer: Kruisig Hem! 15 Pilatus oordeelde het geraden de schare haar zin te geven en hij liet hun daarom Barabbas los en gaf Jezus, na Hem gegeseld te hebben, over om gekruisigd te worden. 16 De soldaten nu leidden Hem weg tot binnen het hof, dat is het gerechtsgebouw, en riepen de gehele afdeling bijeen. 17 En zij trokken Hem een purperen kleed aan en zetten Hem een kroon op, die zij van doornen gevlochten hadden. 18 En zij begonnen Hem te begroeten: Wees gegroet, Gij Koning der Joden! 19 En zij sloegen Hem met een riet op het hoofd en bespuwden Hem en zij vielen op de knieën en bewezen Hem hulde. 20 En toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem het purperen kleed uit en deden Hem zijn klederen aan. En zij leidden Hem weg om Hem te kruisigen. 21 En zij presten een voorbijganger om zijn kruis te dragen, een zekere Simon van Cyrene, die van het land kwam, de vader van Alexander en Rufus. 22 En zij brachten Hem op de plaats Golgota, hetgeen betekent Schedelplaats. 23 En zij gaven Hem wijn, met mirre gemengd, doch Hij nam die niet. 24 En zij kruisigden Hem en verdeelden zijn klederen door het lot te werpen, wat ieder ervan krijgen zou. 25 Het was het derde uur, toen zij Hem kruisigden. 26 En het opschrift, dat de beschuldiging tegen Hem vermeldde, luidde: De Koning der Joden. 27 En met Hem kruisigden zij twee rovers, één aan zijn rechterzijde en één aan zijn linkerzijde. 28 [En het schriftwoord is vervuld geworden, dat zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend.] 29 En de voorbijgangers spraken lastertaal tegen Hem, schudden hun hoofd en zeiden: Ha, Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, 30 red Uzelf, kom af van het kruis! 31 Evenzo spotten de overpriesters onder elkander samen met de schriftgeleerden, en zij zeiden: Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden. 32 Laat de Christus, de Koning van Israël, nu afkomen van het kruis, dat wij het zien en geloven. Ook die met Hem gekruisigd waren beschimpten Hem. 33 En toen het zesde uur aangebroken was kwam er duisternis over het gehele land tot het negende uur. 34 En op het negende uur riep Jezus met luider stem: Eloï, Eloï, lama sabachtani, hetgeen betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? 35 En sommige van de omstanders, dit horende, zeiden: Zie, Hij roept Elia. 36 En iemand liep toe, drenkte een spons met zure wijn, stak ze op een riet en gaf Hem te drinken, zeggende: Stil, laat ons zien, of Elia komt om Hem eraf te nemen. 37 En Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest. 38 En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën van boven tot beneden. 39 Toen de hoofdman, die tegenover Hem stond, zag, dat Hij zó de geest gegeven had, zeide hij: Waarlijk, deze mens was een Zoon Gods. 40 Er waren ook vrouwen, die uit de verte toeschouwden, onder wie ook Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus, de jongere, en van Joses, en Salome, 41 die, toen Hij in Galilea was, Hem volgden en Hem dienden, en vele andere vrouwen, die met Hem opgegaan waren naar Jeruzalem. 42 En toen het reeds avond geworden was, kwam, omdat het Voorbereiding, dat is de voorsabbat, was, 43 Jozef van Arimatea, een aanzienlijk lid van de Raad, die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte; en hij waagde het naar Pilatus te gaan en het lichaam van Jezus te vragen. 44 En het bevreemdde Pilatus, dat Hij reeds gestorven zou zijn, en hij ontbood de hoofdman en vroeg hem, of Hij reeds lang gestorven was. 45 En toen hij het van de hoofdman vernomen had, schonk hij het lichaam aan Jozef. 46 En deze kocht linnen en hij nam Hem af van het kruis, wikkelde Hem in het linnen en legde Hem in een graf, dat in een rots uitgehouwen was, en hij wentelde een steen voor de ingang van het graf. 47 Maria van Magdala en Maria, de moeder van Joses, zagen, waar Hij was nedergelegd. 1 En toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria, (de moeder) van Jakobus, en Salome specerijen om Hem te gaan zalven. 2 En zeer vroeg op de eerste dag der week gingen zij naar het graf, toen de zon opging. 3 En zij zeiden tot elkander: Wie zal ons de steen afwentelen van de ingang van het graf? 4 En toen zij opzagen, aanschouwden zij, dat de steen afgewenteld was; want hij was zeer groot. 5 En toen zij in het graf gegaan waren, zagen zij een jongeling zitten aan de rechterzijde, bekleed met een wit gewaad, en ontsteltenis beving haar. 6 Hij zeide tot haar: Weest niet ontsteld. Jezus zoekt gij, de Nazarener, de gekruisigde. Hij is opgewekt, Hij is hier niet; zie de plaats, waar zij Hem gelegd hadden. 7 Maar gaat heen, zegt zijn discipelen en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult gij Hem zien, gelijk Hij u gezegd heeft. 8 En zij gingen naar buiten en vluchtten van het graf, want siddering en ontzetting hadden haar bevangen. En zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd. 9 [Toen Hij des morgens vroeg op de eerste dag der week opgestaan was, verscheen Hij eerst aan Maria van Magdala, van wie Hij zeven boze geesten uitgedreven had. 10 Zij ging heen en berichtte het hun, welke bij Hem geweest waren, die treurden en weenden. 11 En toen zij hoorden, dat Hij leefde en door haar gezien was, geloofden zij het niet. 12 Daarna verscheen Hij in een andere gedaante aan twee van hen op de weg, terwijl zij zich naar het land begaven. 13 En ook die gingen heen om het aan de anderen te berichten. En ook die geloofden zij niet. 14 Daarna verscheen Hij aan de elven zelf, terwijl zij aanlagen, en Hij verweet hun hun ongeloof en hardheid van hart, omdat zij hen niet geloofden, die Hem aanschouwd hadden, nadat Hij opgewekt was. 15 En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping. 16 Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden. 17 Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, 18 slangen zullen zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden. 19 De Here [Jezus] dan werd, nadat Hij tot hen gesproken had, opgenomen in de hemel en heeft Zich gezet aan de rechterhand Gods. 20 Doch zij gingen heen en predikten overal, terwijl de Here medewerkte en het woord bevestigde door de tekenen, die erop volgden.-37a

De Here weet met deze vraag de Farizeeën in grote verlegenheid te brengen. Beantwoording van de vraag leidt al spoedig tot erkenning dat niemand minder dan de Here, Zoon van David, in zijn vlees zou komen en dus mens zou worden. Dat is het heerlijk feit van Kerst en de verklaring van het optreden van de Here Jezus in de tempel. Hij is de Zoon van God, de Here, die als Messias beloofd was en gekomen is. Hij heeft alle kennis en wijsheid. Hij bezit alle vermogen en bevoegdheid om te spreken en op te treden, zoals Hij in de tempel, het huis van Zijn Vader, deed. Alleen door Hem is er kennis van de verlossing. Verlossing die bestaat in de vergeving van de zonden. Die verlossing kan Hij als de Messias alleen brengen. En die brengt Hij met de gave van Zijn leven. Daarover onderwijst Hij de zijnen, en eenieder die oren heeft, moet naar Hem horen om niet verloren te gaan, maar door te geloven in Hem eeuwig leven te hebben. De plaats aan de rechterhand van de Macht, in de Hemel, is Hem bereid. Davids Zoon is Davids Here. Hij is onze Here en onze God. Onze Zaligmaker in ons vlees verschenen, aan ons gelijk geworden. Opdat Hij in onze plaats zou lijden en Gods genade voor eeuwig tot ons te doen komen.

Verder lezen: Psalm 1101 Van David. Een psalm. Aldus luidt het woord des Heren tot mijn Here: Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor uw voeten. 2 De Here strekt van Sion uw machtige scepter uit: heers te midden van uw vijanden. 3 Uw volk is een en al gewilligheid ten dage van uw heerban; in heilige feestdos rijst uit de schoot van de dageraad de dauw uwer jonge mannen voor u op. 4 De Here heeft gezworen en het berouwt Hem niet: Gij zijt priester voor eeuwig, naar de wijze van Melchisedek. 5 De Here is aan uw rechterhand. Hij verplettert koningen ten dage van zijn toorn; 6 Hij houdt gericht onder de heidenen, hoopt lijken op, verplettert hoofden op het wijde veld. 7 Hij drinkt onderweg uit de beek; daarom heft hij het hoofd op.

26 juli

Marcus 12:37b-40

Naast het onderwijzen in de leer van de zaligheid, om ons voor eeuwig te behouden door het geloof in Hem, waarschuwt onze Zaligmaker ons ook. Van onszelf zijn we zo geneigd ons te laten verblinden door wat voor ogen is. Het aanzien van valse leraars, hun vrome optreden en hun kennis kunnen je zo verleiden hen te geloven. Onder het Joodse volk waren de schriftgeleerden in aanzien. Ze imponeerden met hun letterlijke kennis van de Bijbel en hun lange gebeden. Ze zagen er ook zo voornaam uit met hun statige gewaden. Maar de Here Jezus ziet hun ware aard en wijst op wat zij werkelijk doen in strijd met de wet. Daar is onoprechtheid bij hen en schijn. En die schijn bedriegt. En vandaag de dag is dat niet anders. Geweldige massabijeenkomsten met grote ‘sprekers’ waarbij ‘getuigd’ wordt dat ‘God’ er is, enzovoorts. Maar je moet waakzaam zijn. Het uiterlijk voorkomen kan bedriegen en we zijn sinds de zondeval geneigd de duivel, de valse leer, te geloven, die in een vroom jasje wordt voorgedragen. Het oordeel over hen die zo optreden is zwaarder. Zij misleiden zichzelf en anderen, en dat met misbruik van het gezag van Gods Woord.

Dus, wees waakzaam en laat je niet misleiden.

Verder lezen: I1 Timoteüs 3:1-131 Dit is een betrouwbaar woord: indien iemand staat naar het opzienersambt, dan begeert hij een voortreffelijke taak. 2 Een opziener dan moet zijn onbesproken, de man van één vrouw, nuchter, bezadigd, beschaafd, gastvrij, bekwaam om te onderwijzen, 3 niet aan de wijn verslaafd, niet opvliegend, maar vriendelijk, niet strijdlustig of geldzuchtig, 4 een goed bestierder van zijn eigen huis, die met alle waardigheid zijn kinderen onder tucht houdt; 5 indien echter iemand zijn eigen huis niet weet te bestieren, hoe zal hij voor de gemeente Gods zorgen? 6 Hij mag niet een pas bekeerde zijn, opdat hij niet door opgeblazenheid in het oordeel des duivels valle. 7 Hij moet ook gunstig bekend zijn bij de buitenstaanden, opdat hij niet in opspraak kome en in een strik des duivels valle. 8 Evenzo moeten de diakenen waardig zijn, niet met twee tongen sprekende, niet verzot op veel wijn, niet op winstbejag uit, 9 maar het geheimenis des geloofs bewarend in een rein geweten. 10 Laten ook dezen eerst op de proef gesteld worden, om daarna, als zij onberispelijk blijken, hun dienst te vervullen. 11 Evenzo moeten (hun) vrouwen zijn: waardig, geen kwaadspreeksters, nuchter, betrouwbaar in alles. 12 Diakenen moeten mannen van één vrouw zijn, hun kinderen en hun eigen huis goed bestieren. 13 Want zij, die hun dienst goed hebben vervuld, verwerven zich een ereplaats en veel vrijmoedigheid om te spreken door het geloof in Christus Jezus.

27 juli

Nadat de Here van de slechtheid van de schriftgeleerden sprak in hun omgang met weduwen, komt nu een weduwe in beeld. En dan leert onze Zaligmaker de les die niemand vergeten mag. Waar iemands schat is, daar is zijn hart. En het is wel duidelijk waar de schat van de weduwe was. Met dat zij in de tempel kwam en haar laatste geld in de offerkist wierp, offerde zij haar hart aan God. In de hemel is haar schat. Daar gaat haar begeerte naar uit. Naar haar God en Here. Voor Zijn eer en dus voor Zijn tempel heeft zij alles over. Heel haar levensonderhoud.

Zulk een toewijding en liefde prijst onze Zaligmaker. Een dergelijke overgave van het hart is God aangenaam. De grote hoeveelheden die uit overvloed worden gegeven, behoeven uiteraard niet met een gesloten hart gepaard te gaan, maar als een arme weduwe, wat aan haar uiterlijke verschijning duidelijk was te zien, zoveel geeft, dat haar leven er van af hangt, dan zien we hoe volledig de liefde tot God behoord te zijn. Jezus nu, gaf Zijn leven als de Offeraar. Zijn rijkdom die Hij weg gaf voor ons, is onvoorstelbaar. De uiterste vernedering. Hij kwam van al zo hoge, van al zo veer. De volkomen overgave en Offergave. O diepte van rijkdom!

Verder lezen: Filippenzen 2:5-115 Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, 6 die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, 7 maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. 8 En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. 9 Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, 10 opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, 11 en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader!

28 juli

Marcus 13:1-371 En toen Hij uit de tempel ging, zeide een van zijn discipelen tot Hem: Meester, zie, welke stenen en welke gebouwen! 2 En Jezus zeide tot hem: Ziet gij deze grote gebouwen? Er zal geen steen op de andere gelaten worden, die niet zal worden weggebroken. 3 En toen Hij op de helling van de Olijfberg gezeten was, tegenover de tempel, vroegen Petrus en Jakobus en Johannes en Andreas Hem afzonderlijk: 4 Zeg ons, wanneer zal dat geschieden en wat is het teken, wanneer al deze dingen in vervulling zullen gaan? 5 Jezus begon tot hen te zeggen: Ziet toe, dat niemand u verleide. 6 Velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben het, en zij zullen velen verleiden. 7 Doch wanneer gij hoort van oorlogen en geruchten van oorlogen, weest dan niet verontrust. Dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet. 8 Want volk zal opstaan tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk. Er zullen nu hier, dan daar, aardbevingen zijn en er zullen hongersnoden wezen. Dat is het begin der weeën. 9 Doch gij, ziet toe op uzelf. Zij zullen u overleveren aan gerechtshoven, en in synagogen zult gij gegeseld worden en voor stadhouders en koningen zult gij gesteld worden om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen. 10 En aan alle volken moet eerst het evangelie gepredikt worden. 11 En wanneer zij u wegvoeren om u over te leveren, weest dan niet van tevoren bezorgd wat gij zeggen moet, maar zegt wat u in die ure gegeven wordt; want gij zijt het niet, die spreekt, maar de heilige Geest. 12 En een broeder zal zijn broeder overleveren ten dode en een vader zijn kind; en kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood brengen. 13 En gij zult door allen gehaat worden om mijns naams wil. Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. 14 Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting ziet staan, waar hij niet behoort - die het leest, geve er acht op - laten dan die in Judea zijn, vluchten naar de bergen. 15 Wie op het dak is, ga niet naar beneden en ga niet naar binnen om iets uit zijn huis mede te nemen, 16 en wie in het veld is, kere niet terug om zijn kleed mede te nemen. 17 Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen! 18 Bidt, dat het niet in de winter valle. 19 Want die dagen zullen zulk een verdrukking brengen als er niet geweest is van het begin der schepping, die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook nooit meer wezen zal. 20 En indien de Here die dagen niet had ingekort, zou geen vlees behouden worden, doch ter wille van de uitverkorenen, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij die dagen ingekort. 21 Indien dan iemand tot u zegt: Zie, hier is de Christus, zie, Hij is daar, gelooft het niet. 22 Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen tekenen en wonderen doen om, ware het mogelijk, de uitverkorenen te verleiden. 23 Doch gij, ziet toe: Ik heb het u alles voorzegd. 24 Maar in die dagen, na de verdrukking, zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven. 25 En de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen. 26 En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op de wolken, met grote macht en heerlijkheid. 27 En dan zal Hij zijn engelen uitzenden en zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het uiterste der aarde tot het uiterste des hemels. 28 Leert dan van de vijgeboom deze les: Wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan, dat de zomer nabij is. 29 Zo moet gij ook, wanneer gij dit ziet geschieden, weten, dat het nabij is, voor de deur. 30 Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt. 31 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan. 32 Maar van die dag of van die ure weet niemand, ook de engelen in de hemel niet, ook de Zoon niet, alleen de Vader. 33 Ziet toe, blijft waakzaam. Want gij weet niet, wanneer het de tijd is. 34 Gelijk een mens, die buitenslands ging, zijn huis overliet en aan zijn slaven volmacht gaf, aan ieder zijn werk, en de deurwachter opdroeg te waken. 35 Waakt dan, want gij weet niet, wanneer de heer des huizes komen zal, laat in de avond of te middernacht, bij het hanegekraai of des morgens vroeg, 36 opdat hij niet, als hij plotseling komt, u slapende vinde. 37 Wat Ik u zeg, zeg Ik allen: Waakt!

Deze profetische rede van onze Heiland zit vol kracht en troost. Kracht, omdat God het is, die kracht zal geven in alle verdrukking en vervolging. En dat ondervonden niet alleen de apostelen, maar alle knechten van de Here, heel de apostolische kerk. De kerkgeschiedenis is er vol mee, dat ondanks vervolging het getuigenis bleef klinken en de waarheid overwon. En daarbij is er de troost dat wij die geloven nooit Gods bijstand zullen ontberen. De Heilige Geest leidt in alle waarheid en doet getuigen van het Evangelie van Christus. Maar ook klinkt de waarschuwing hier toe te zien op jezelf. Om niet overweldigd door druk en verleiding van het geloof af te vallen. Volharding is nodig. En dit Woord geeft inzicht in hoe de wereld tegen de kerk woeden kan, zodat je niet verbaasd bent wanneer vervolging komt. Vaak wordt de vraag gesteld: Wanneer? Je wil graag overzicht. Maar het antwoord is helder in vers 3232 Maar van die dag of van die ure weet niemand, ook de engelen in de hemel niet, ook de Zoon niet, alleen de Vader.; het is aan de Vader. Dat is troostrijk. Want God bestuurt de dingen altijd precies goed. Voor nu is het nodig dagelijks bij de les te blijven en wakker te zijn. Want de Meester heeft genoeg stof en u en ik genoeg te leren. Het uiterlijk van deze wereld gaat voorbij (de aardse tempel) het eeuwige blijft.

Verder lezen: Handelingen 4:1-121 En terwijl zij tot het volk spraken, overvielen hen de priesters, de hoofdman van de tempel en de Sadduceeën, 2 zeer verontwaardigd, omdat zij het volk leerden en in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden; 3 en zij sloegen de handen aan hen en stelden hen in bewaring tot de volgende dag, want het was reeds avond. 4 Maar velen van hen, die het woord gehoord hadden, werden gelovig, en het getal der mannen werd ongeveer vijfduizend. 5 En het geschiedde tegen de volgende dag, dat hun oversten en hun oudsten en hun schriftgeleerden bijeenkwamen te Jeruzalem, 6 en Annas, de hogepriester, en Kajafas, Johannes, Alexander en allen, die tot het hogepriesterlijk geslacht behoorden; 7 en toen zij hen hadden laten voorkomen, wilden zij van hen weten: Door welke kracht of door welke naam hebt gij dit gedaan? 8 Toen zeide Petrus, vervuld met de heilige Geest, tot hen: Oversten van het volk en oudsten, 9 indien wij thans in verhoor genomen worden ter zake van een weldaad aan een zieke, waardoor hij gezond geworden is, 10 dan moet aan u allen en het ganse volk van Israël bekend zijn, dat door de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër, die gij gekruisigd hebt, maar die God heeft opgewekt uit de doden, dat door die naam deze hier gezond voor u staat. 11 Dit is de steen, door u, de bouwlieden, versmaad, die nochtans tot hoeksteen is geworden. 12 En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden.

29 juli

Marcus 14:1-111 Nu was het na twee dagen Pascha en het feest der ongezuurde broden. En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem door list in handen zouden krijgen en doden. 2 Want zij zeiden: Niet op het feest, opdat er geen opschudding kome onder het volk. 3 En toen Hij te Betanië was in het huis van Simon de melaatse, kwam, terwijl Hij aan tafel aanlag, een vrouw met een albasten kruik vol echte, kostbare nardusmirre; en zij brak de albasten kruik en goot (de mirre) over zijn hoofd. 4 En sommigen spraken verontwaardigd tot elkander: Waartoe dient die verkwisting der mirre? 5 Want deze mirre had voor meer dan driehonderd schellingen verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden. En zij waren zeer verstoord tegen haar. 6 Maar Jezus zeide: Laat haar begaan; waarom valt gij haar lastig? Zij heeft een goede daad aan Mij verricht. 7 De armen hebt gij immers altijd bij u en gij kunt hun weldoen, wanneer gij maar wilt; maar Mij hebt gij niet altijd. 8 Zij heeft gedaan, wat zij kon; van tevoren heeft zij mijn lichaam gezalfd voor de begrafenis. 9 Voorwaar, Ik zeg u, overal waar het evangelie verkondigd zal worden, over de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft. 10 En Judas Iskariot, die een van de twaalven was, ging heen naar de overpriesters om Hem aan hen over te leveren. 11 Toen zij dat hoorden, verblijdden zij zich en beloofden hem geld te geven. En hij zocht, hoe hij Hem bij een goede gelegenheid kon overleveren.

De voorbereiding op Jezus’ sterven is in dit gedeelte van twee zijden bezien. De weg om via list en verraad Hem te vangen en te doden en de liefdevolle zalving van Hem met volle overgave. Of de vrouw (Maria, Johannes 12:33 Maria dan nam een pond echte, kostbare nardusmirre, en zij zalfde de voeten van Jezus en droogde zijn voeten af met haar haren; en de geur der mirre verspreidde zich door het gehele huis.) zelf wist dat Hij dichtbij zijn lijden en sterven was, staat hier niet. Maar omdat zij goed naar de Here luisterde kon ze het zeker geweten hebben (vergelijk Matteüs 28:66 Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, gelijk Hij gezegd heeft; komt, ziet de plaats, waar Hij gelegen heeft., Lucas 10:3939 En deze had een zuster, genaamd Maria, die, aan de voeten des Heren gezeten, naar zijn woord luisterde.). In ieder geval is Judas, als dief van de pot, er zeker van dat zijn droom niet uitkomt, als hij hoort dat de Here niet altijd bij hen blijft en sterven zal. Judas wil rijk worden. Het ging hem in het volgen van Jezus niet om Gods Koninkrijk zoals Christus dat leerde, maar om rijkdom en aanzien. En die gaat hij zo niet meer bereiken, zo denkt hij. Hij gaat over tot de meest afschuwelijke misdaad ooit, het verraden van de Zoon des mensen. Het lijden wordt voor onze Zaligmaker hierdoor verzwaard. Hij wordt door zijn eigen broeder en discipel verraden om geld.

Bij de andere discipelen was er mogelijk wel oprechte zorg voor de armen. Maar zij leren toch van de Here dat Maria terecht haar laatste kans heeft gegrepen Hem haar liefde te bewijzen. Zoveel als Hij gaat geven, kan slechts met de hoogste liefde beantwoord worden.

Verder lezen: Hooglied 5:2-72 Ik sliep, maar mijn hart was wakker. Hoor, mijn geliefde klopt aan. "Doe mij open, mijn zuster, mijn liefste, mijn duive, mijn volmaakte, want mijn hoofd is vol dauw, mijn lokken zijn vol druppels van de nacht." 3 "Ik heb mijn kleed reeds afgelegd, hoe zou ik het weer aandoen? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zou ik ze weer verontreinigen?" 4 Mijn geliefde stak zijn hand door de opening en mijn hart werd onstuimig over hem. 5 Ik stond op om mijn geliefde open te doen, mijn handen dropen van mirre, mijn vingers van vloeiende mirre op de greep van de grendel. 6 Ik deed mijn geliefde open, maar mijn geliefde was weg, verdwenen! Mijn ziel bezwijmde, toen hij sprak, ik zocht hem, maar vond hem niet, ik riep hem, maar hij antwoordde mij niet. 7 De wachters, die in de stad hun ronde deden, troffen mij aan, zij sloegen mij, verwondden mij, zij rukten mij het overkleed af, de wachters der muren.

30 juli

De man vinden met een waterkruik was voor de discipelen waarschijnlijk hierom goed te doen, omdat in de regel de vrouwen waterkruiken droegen. Niettemin was het een wonder dat langs deze weg de Here het huis wijst. En blijkbaar was de huismeester bekend met de Meester. Ook dat wist de Here vooruit. De discipelen en wij, krijgen hier zicht op de bijzondere goddelijke leiding ten behoeve van die maaltijd. Die maaltijd had uitzonderlijke waarde. Uiteraard vanwege het Pascha, maar bovenal vanwege het Paaslam, dat voor onze zonden geslacht zou gaan worden. En zie, hoe wrang het verraad is, in het licht van Gods genade die in Christus ons toeschijnt. Het zal toch voor een bedrukte stemming hebben gezorgd, dat de Here Jezus het hen zo vooraf vertelde. Maar het leert ons vandaag weer, dat, terwijl de Here Jezus wist wie Hem verraden zou en dat Hij verraden zou worden, Hij daar toch niets tegen heeft gedaan. Je zou zoiets toch voorkomen en tegen gaan? Maar de Here Jezus moest de Psalmen vervullen en Zich bezig houden met de wil van de Vader. Hij wilde niet terug op de weg van de verlossing. Hij wilde niet omkeren, maar doorgaan, om Gods wil te doen. Hij wilde door lijden heen u en mij redden.

Verder lezen: Psalm 411 Voor de koorleider. Een psalm van David. 2 Welzalig hij die acht slaat op de geringe; ten dage des onheils zal de Here hem uitkomst geven; 3 de Here zal hem behoeden en hem in het leven behouden; hij zal geprezen worden op aarde; aan de lust van zijn vijanden geeft Gij hem niet prijs. 4 De Here steunt hem op het ziekbed, in zijn ziekte verandert Gij geheel zijn legerstede. 5 Ik zeide: Here, wees mij genadig, genees mij, want tegen U heb ik gezondigd. 6 Mijn vijanden spreken boosaardig over mij: Wanneer sterft hij, en zal zijn naam vergaan? 7 Komt iemand mij bezoeken, hij spreekt valsheid, zijn hart verzamelt boosheid, hij gaat het op straat vertellen. 8 Allen die mij haten, fluisteren tezamen over mij, zij denken het ergste van mij: 9 Een dodelijke kwaal is op hem uitgestort, nu hij neerligt, staat hij niet meer op. 10 Zelfs mijn vriend, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft zijn hiel tegen mij opgeheven. 11 Maar Gij, Here, wees mij genadig en richt mij op, dan wil ik het hun vergelden. 12 Hieraan weet ik, dat Gij welgevallen aan mij hebt, wanneer mijn vijand niet over mij juicht. 13 Mij echter, om mijn onschuld steunt Gij mij, Gij stelt mij voor uw aangezicht, voor altoos. 14 Geloofd zij de Here, de God van Israël, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid. Amen, ja amen.

31 juli

In het Nieuwe Verbond te zijn opgenomen, houdt in aan het Lichaam van Christus deel te hebben; aan Zijn lijden en sterven. Zijn lichaam heeft Hij voor u gebroken. Hij wijst Zichzelf aan, als het Zoenoffer. Door er van te spreken dat Zijn bloed voor velen vergoten wordt, wijst Hij u en mij vandaag aan. Nadrukkelijk noemt de Here het mijn verbond. Hij, de Here Jezus Christus, is de Zoon van God. Hij is, evenals de Vader en de Heilige Geest, Here en God. En zo heeft Hij ook alle volmacht dit Nieuwe Verbond te sluiten. De Vader zelf immers is het, die Hem daartoe gezonden heeft. De Here Jezus is de Zoon van God en de Engel van het Verbond. Ook de Middelaar van het Verbond. Alle aandacht hebben we te vestigen op Hem om verlost te worden. Hij is het Paaslam. Hij is Zoenoffer en Offeraar. Hij is de Gever van de verbondsgoederen. Hij geeft zijn lichaam en zijn bloed. Hij zorgt ook voor bewaring in Zijn lichaam, door u steeds weer, middels het Avondmaal in de kerk, aan Zich te verbinden en met Hem te verenigen. En dat, tot en met de volkomen komst van Gods Koninkrijk. De genade en heerlijkheid hiervan is zo groot. Hij had er alles voor over. Dit inspireert om Hem wederkerig lief te hebben.

Verder lezen: Jeremia 31:31-3431 Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. 32 Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des Heren. 33 Maar dít is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des Heren: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. 34 Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de Here: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des Heren, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken.

1 augustus

Evenals het verraad heeft de Here Jezus ook de verloochening voorzegd. En dat zal Hem toch zeker geraakt hebben. Veel vragen kunnen opkomen. Petrus kon het toch weten? Hij wist toch dat zijn Meester als Profeet wist wat Hij zei? Hij zou niet bij machte blijken in eigen kracht de beproeving te doorstaan. In het (geestelijk) geweld dat over de Zoon des mensen kwam, kan een sterveling zichzelf niet staande houden. De nacht en het uur van de duisternis, daarin houden wij mensenkinderen geen stand. Daarin kan alleen Hij blijven. Dat kan Hij alleen doorstaan. Ook de grievende kennis van het verraad en de verloochening draagt Hij. Alle duivelen en boosaardige vijanden komen op Hem af in een stortvloed van onmenselijke aanvallen. Daarbij blijft geen discipel staande, immers, de profetie getuigt er van. Daarentegen zeggen ze allen en Petrus steeds heftiger: “Al moest ik met U sterven, ik zal U voorzeker niet verloochenen.” We denken maar al te snel dat we het wel kunnen. Maar de Heilige Geest leert ons van onszelf af te zien, om te geloven in Hem die ons kracht geeft. Om de lofzang te zingen van de grote verlossingsdaden van de Here. Verlossing, door het slaan van de Herder. Uw Goede Herder.

Verder lezen: Zacharia 13:7-97 Zwaard, waak op tegen mijn herder, tegen de man die mijn metgezel is, luidt het woord van de Here der heerscharen; sla die herder, zodat de schapen verstrooid worden; en Ik zal mijn hand keren tegen de kleinen. 8 In het gehele land, luidt het woord des Heren, zullen twee derden uitgeroeid worden en de geest geven, maar een derde zal daarin overblijven. 9 Dat derde deel zal Ik in het vuur brengen, en Ik zal hen smelten, zoals men zilver smelt, ja hen louteren, zoals men goud loutert. Zij zullen mijn naam aanroepen en Ik zal hen verhoren. Ik zeg: Dat is mijn volk; en zij zullen zeggen: De Here is mijn God.

2 augustus

Het leven voor eeuwig, in vreugde en blijdschap. De vergeving van al uw zonden. De goedertierenheid van God voor altijd te mogen smaken. Nooit meer van God verlaten te zijn. Deze grote zegeningen zijn verkregen door het zeer diepe lijden van uw Heiland. De diepte van Zijn lijden is voor ons niet te pijlen. Straf en toorn zouden terecht op ons komen. Maar die dragen en ondergaan, zonder eeuwig ten onder te gaan, is niet mogelijk voor zwakke stervelingen. Wij kunnen niet voor onze zonden betalen. Hij wel. En Hij deed het, door de Vader gehoorzaam te zijn. In Gethsemane begon Hij ontsteld en beangst te worden. Het gewicht van de toorn is ondraaglijk. Als Jezus het op Zich laat leggen, van boven, dan vallen de discipelen in slaap. Dit kunnen zij niet aan. Met Hem waken is al niet mogelijk, terwijl Hij verderop alleen is. Smart, droefheid, angst zonder grens. Ik kan hier niet bij. De Herder wordt geslagen. Goddelijke slagen. Hier zijn goddelijke krachten nodig om niet ten onder te gaan. En Christus heeft die krachten. Anders zouden de discipelen niet kunnen slapen. Anders zou heel die tuin, ja, heel de wereld ten onder gaan. Maar omdat Hij er is, is er nu een aarde en een leven met God als onze Vader.

Verder lezen: 2 Korintiërs 5:11-2111 Daar wij dan weten, hoezeer de Here te vrezen is, trachten wij de mensen te overtuigen; voor God echter is ons bedoelen openbaar en, naar ik hoop, is het ook in uw geweten openbaar. 12 Wij prijzen ons niet opnieuw bij u aan, maar wij geven u gelegenheid tot roem over ons, opdat gij niet verlegen staat tegenover hen, die roem zoeken door uiterlijkheden, maar niet door het hart. 13 Want hetzij wij in geestvervoering kwamen, het was in dienst van God, hetzij wij nuchter van zin zijn, het is ter wille van u. 14 Want de liefde van Christus dringt ons, 15 daar wij tot het inzicht gekomen zijn, dat één voor allen gestorven is. Dus zijn zij allen gestorven. En voor allen is Hij gestorven, opdat zij, die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem, die voor hen gestorven is en opgewekt. 16 Zo kennen wij dan van nu aan niemand naar het vlees. Indien wij al Christus naar het vlees gekend hebben, thans niet meer. 17 Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen. 18 En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft en ons de bediening der verzoening gegeven heeft, 19 welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord der verzoening heeft toevertrouwd. 20 Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God door onze mond u vermaande; in naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen. 21 Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem.

3 augustus

Het verraad van Judas heeft door sluw overleg zijn uitwerking gehad. De bozen zijn met raad te werk gegaan. Met sluwe list en geweld wilden ze de Here Jezus grijpen. Hoe vilein Judas’ optreden was, is met geen pen te beschrijven. Maar ook dat breekt de Heiland niet, en maakt Hem niet moedeloos. De Here Jezus houdt ook hier stand in al het wapengeweld en duivels bedrog. Hij doorziet in volstrekte zin hun boos oogmerk en weet als altijd wat in de mens is en geeft daar verhelderende woorden aan. Ze behandelen Hem als een grove misdadiger, die bedekt opereert, terwijl Hij dagelijks openlijk in de tempel leerde. Maar onze Zaligmaker weet dat de Schriften er van spraken, dat dit zo moest gebeuren. En dat zijn discipelen moesten vluchten. Al is er nog een opmerkelijke jongeman, waarvan sommigen denken dat het Marcus zelf is, die Jezus nog wil volgen. Maar doordat sommigen van de soldaten dat niet toestaan, vlucht deze ook, zelfs naakt in de nacht weg. Het is de ure van de duisternis. Onrechtvaardigen grijpen de Rechtvaardige. Al zijn discipelen vluchten in angst.

En nu u en ik vandaag. Vluchten wij ook weg voor de waarheid? Wees dapper en moedig in Zijn kracht.

Verder lezen: Psalm 118:1-141 Looft de Here, want Hij is goed, ja, zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. 2 Laat Israël nu zeggen: Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. 3 Laat het huis van Aäron nu zeggen: Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. 4 Laat wie de Here vrezen, nu zeggen: Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. 5 Uit de benauwdheid heb ik tot de Here geroepen, de Here heeft mij geantwoord en mij in de ruimte gesteld. 6 De Here is met mij, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen? 7 De Here is met mij, onder mijn helpers, daarom zal ik op mijn haters neerzien. 8 Het is beter bij de Here te schuilen dan op mensen te vertrouwen; 9 het is beter bij de Here te schuilen dan op edelen te vertrouwen. 10 Alle volken omringden mij - in de naam des Heren heb ik ze neergehouwen; 11 zij omringden mij, ja, zij omsingelden mij - in de naam des Heren heb ik ze neergehouwen; 12 zij omringden mij als bijen, zij werden als een doornenvuur uitgeblust - in de naam des Heren heb ik ze neergehouwen. 13 Gij hadt mij wel duchtig gestoten, tot vallens toe, maar de Here heeft mij geholpen. 14 De Here is mijn sterkte en mijn psalm, Hij is mij tot heil geweest.

4 augustus

Marcus 14:53-6553 En zij leidden Jezus weg naar de hogepriester, en al de overpriesters en oudsten en schriftgeleerden kwamen bijeen. 54 En Petrus volgde Hem van verre tot binnen de hof van de hogepriester en hij zat daar tussen de dienaars, zich warmende bij het vuur. 55 De overpriesters nu en de gehele Raad trachtten een getuigenverklaring tegen Jezus te vinden om Hem ter dood te kunnen brengen; maar zij vonden er geen. 56 Want velen legden een vals getuigenis tegen Hem af, maar hun getuigenissen stemden niet overeen. 57 En er stonden enigen op, die een vals getuigenis tegen Hem aflegden, 58 zeggende: Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en binnen drie dagen een andere, niet met handen gemaakt, bouwen. 59 Maar ook zó stemde hun getuigenis niet overeen. 60 En de hogepriester stond op en hij trad naar voren en ondervroeg Jezus en zeide: Geeft Gij niets ten antwoord? Wat getuigen dezen tegen U? 61 Maar Hij bleef zwijgen en gaf niets ten antwoord. Wederom ondervroeg de hogepriester Hem en zeide tot Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende? 62 En Jezus zeide: Ik ben het, en gij zult de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende met de wolken des hemels. 63 De hogepriester scheurde zijn klederen en zeide: Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? 64 Gij hebt de godslastering gehoord: wat is uw oordeel? En zij allen veroordeelden Hem als des doods schuldig. 65 En sommigen begonnen Hem te bespuwen en zijn gelaat te bedekken en Hem met vuisten te slaan en tot Hem te zeggen: Profeteer nu! En de dienaars sloegen Hem in het gelaat.

De poging Jezus veroordeeld te krijgen komt nogal slordig over. Ongetwijfeld zullen de valse getuigen evenals Judas wel een geldsom zijn beloofd. Maar het lijkt erop dat alles snel moest gebeuren. En dan worden nogal snel foutjes gemaakt. De uitspraak van de Here over het afbreken van deze tempel heeft men niet meer helder in het geheugen. Jezus zweeg, als een Lam ter slachting geleid. Zich verdedigen en vrijpleiten was heel gemakkelijk. Uiteraard trof Hem geen blaam. Zuiver rechtvaardig en heilig was Hij. En Hij laat het aankomen op het punt, waar het allemaal om moet gaan. Of Hij de Gezondene van God is; de Zoon van de Gezegende. De Messias, dat is, de Christus der Schriften. De Man van wie Mozes profeteerde. De Zoon van David. Het Zaad van Abraham. En de heerlijkheid en waarheid hiervan stelt de Here Jezus voor ogen. Hij zal komen met de wolken des hemels. Hij gaat zetelen aan Gods rechterhand, als Koning over hemel en aarde. Dit is nu uw en mijn Verlosser, die als Zoon van de Allerhoogste Zich zo liet vernederen, zoals hier staat. Langs die weg kwam Hij uw en mijn zonden op Zich nemen. De smaad, de vuistslagen, de hoon, de spot. Zo liet Hij Zich vernederen voor ons.

Verder lezen: Johannes 2:13-2513 En het Pascha der Joden was nabij en Jezus ging op naar Jeruzalem. 14 En Hij vond in de tempel de verkopers van runderen en schapen en duiven, en de wisselaars, die daar zaten. 15 En Hij maakte een zweep van touw en dreef allen uit de tempel, de schapen en de runderen; en het geld van de wisselaars wierp Hij op de grond en hun tafels keerde Hij om. 16 En tot de duivenverkopers zeide Hij: Neemt dit alles hier vandaan, maakt het huis mijns Vaders niet tot een verkoophuis. 17 En zijn discipelen herinnerden zich, dat er geschreven is: De ijver voor uw huis zal Mij verteren. 18 De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Welk teken toont Gij ons, dat Gij dit moogt doen? 19 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen. 20 De Joden dan zeiden: Zesenveertig jaren is over deze tempel gebouwd en Gij zult hem binnen drie dagen doen herrijzen? 21 Maar Hij sprak van de tempel zijns lichaams. 22 Toen Hij dan opgewekt was uit de doden, herinnerden zijn discipelen zich, dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en het woord, dat Jezus gesproken had. 23 En terwijl Hij te Jeruzalem was, op het Paasfeest, geloofden velen in zijn naam, doordat zij zijn tekenen zagen, die Hij deed; 24 maar Jezus zelf vertrouwde Zichzelf hun niet toe, omdat Hij hen allen kende 25 en omdat het voor Hem niet nodig was, dat iemand van de mens getuigde; want Hij wist zelf, wat in de mens was.

5 augustus

Petrus komt in het nauw. Hij werd bang om ook gevangen en gestraft te worden. Hij bedacht daarbij blijkbaar niet, dat het geen zonde was Jezus’ discipel te zijn. Door de mensen werd hem vrees aangejaagd. En hij zette alles op alles om maar niet tot de veroordeelden gerekend te worden. Hij zocht zichzelf uit te redden. En kwam zelfs met een vervloeking en zweerde. Hij die eens sprak: “Gij zijt de Christus”, zweert nu: “Ik ken de mens niet, over wie gij spreekt”. Hoe dit mogelijk is? Niet bij God, maar wel bij mensen. Leugenachtig en zwak als die zijn. Die meer vrees en eerbied hebben voor mensen dan voor God. En in zichzelf is daar de overmoed bij Petrus. We zien hier echter de man die meende de eerste te zijn, door slechts een slavin verslagen worden. En boven dit alles kraait de haan en komt Christus’ voorzegging uit. En als Petrus het hoort, dringt het tot hem door. Hij wordt gebroken en weent. Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valt. Ons grote gevaar is, dat wij het denken op eigen kracht te kunnen. We overschatten onszelf vaak, terwijl we het zelf niet eens door hebben. We moeten daarom zondags de haan horen kraaien en opstaan om te horen naar Christus’ ontdekkend en genezend Woord.

Verder lezen: 1 Korintiërs 10:1-131 Want ik stel er prijs op, broeders, dat gij weet, dat onze vaderen allen onder de wolk waren, allen door de zee heengingen, 2 allen zich in Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee, 3 allen hetzelfde geestelijke voedsel aten, 4 en allen dezelfde geestelijke drank dronken, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen medeging, en die rots was de Christus. 5 En toch heeft God in het merendeel van hen geen welgevallen gehad, want zij werden neergeveld in de woestijn. 6 Deze gebeurtenissen zijn ons ten voorbeeld geschied, opdat wij geen lust tot het kwade zouden hebben, zoals zij die hadden. 7 Wordt ook geen afgodendienaars zoals sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zette zich neder om te eten en te drinken, en zij stonden op om te dansen. 8 En laten wij geen hoererij plegen, zoals sommigen van hen deden, en er vielen op één dag drieëntwintigduizend. 9 En laten wij de Here niet verzoeken, zoals sommigen van hen deden, en zij kwamen om door de slangen. 10 En mort niet, zoals sommigen van hen deden, en zij kwamen om door de verderfengel. 11 Dit is hun overkomen tot een voorbeeld (voor ons) en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is. 12 Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle. 13 Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt.

6 augustus

Ook hier spreekt het handelen van het Sanhedrin boekdelen. Geboeid en geslagen leveren ze de Here Jezus als misdadiger uit. Ze gaan allerlei beschuldigingen tegen Hem in brengen, zoals: Koning der Joden. Zo is Hij dus de vijand van Pilatus. Uiteraard is Pilatus niet onder de indruk van een man die als een verslagen gevangene voor hem wordt gebracht. Een enkel belijdeniswoord geeft de Here. Meer krijgt Pilatus niet te weten. De Here Jezus gaat Zich niet vrijpleiten. Dat zou heel gemakkelijk kunnen. En dat verbaast Pilatus uiteraard. Hoe zou iemand zijn eigen leven niet willen redden terwijl Hij ongefundeerd beschuldigd wordt? Iemand laat zich toch niet op valse beschuldiging ter dood veroordelen zonder enige tegenspraak? Toch zweeg Jezus. En zijn zwijgen moet ons spreken worden. Want door zijn zwijgen komt het tot zijn veroordeling. En door zijn veroordeling komt het tot zijn verder lijden en sterven. Als een lam dat stom is voor zijn scheerders deed Hij zijn mond niet open. En zo was uw Zaligmaker bezig uw zaligheid te verkrijgen, door te zwijgen. Gods Raad tot onze verlossing moest vervuld worden. Dat beheerste uw Heiland. Hij zweeg, wat diende tot uw zaligheid.

Verder lezen: 1 Timotheüs 6:2b-21

7 augustus

Onschuldig ter dood veroordeeld. Dat wordt hier wel duidelijk. Het onrecht kan niet groter. De man die een ander doodde komt vrij, maar de Man die doden levend maakte, moet gekruisigd worden. De oproerling en rebel, die geweld niet schuwt, krijgt vrijheid, maar de heilige en rechtvaardige moet de vreselijkste doodsstraf ondergaan. De rechter, die eerst de onschuldige probeert vrij te krijgen, laat zich overmeesteren door volkswoede. Hij redt liever zijn eigen hachje. Als het erop aankomt is een mensenleven van een niet-Romein in de oog van deze heiden niet zoveel waard (Lucas 13:11 Terzelfder tijd kwamen enigen tot Hem met het bericht over de Galileeërs, wier bloed Pilatus met hun offers vermengd had.). En Jezus? Hij zwijgt. Hij onderneemt niets tegen het vonnis dat zeer onrechtvaardig over Hem wordt uitgesproken. Hij laat Zich zo veroordelen, want Pilatus is de door God aangestelde hoogste rechter. En tegen God verweert de Here Jezus Zich niet. Nee, de wil van de Vader, het oordeel van God, over ons, Barabbassen, barbaren, zondaren en vijanden van God, wil Hij op Zich nemen. Plaatsvervanging noemen wij dat. Louter genade is dat. Krachtig werkzame liefde van de Zoon van God, om de geselslagen, die wij verdiend hadden op Zich te laten komen. Daarom alleen kunnen wij nu bidden: Vader, vergeef ons, om Zijnentwil.

Verder lezen: Romeinen 5:1-111 Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, 2 door wie wij ook de toegang hebben verkregen [in het geloof] tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods. 3 En niet alleen (hierin), maar wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt, 4 en de volharding beproefdheid, en de beproefdheid hoop; 5 en de hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de heilige Geest, die ons gegeven is, 6 zo zeker als Christus, toen wij nog zwak waren, te zijner tijd voor goddelozen is gestorven. 7 Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven - maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede te sterven - 8 God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is. 9 Veel meer zullen wij derhalve, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn. 10 Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood zijns Zoons, zullen wij veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden worden, doordat Hij leeft; 11 en dát niet alleen, maar wij roemen zelfs in God door onze Here Jezus [Christus], door wie wij nu de verzoening ontvangen hebben.

8 augustus

De verachting van het Joodse volk door de Romeinen wordt hier wel overduidelijk ten toon gesteld. En de Joden hebben dat ook aan zichzelf te danken (Ezechiël 36:2121 Dit deed Mij leed om mijn heilige naam, die het huis Israëls ontheiligd had onder de volken in wier gebied zij gekomen waren.). Toch is hier meer. Hier is verachting voor de mens. Hier is verachting van de onschuldige mens en diepe vernedering van de Rechtvaardige, door onrechtvaardige heidenen. De bespotting is duivels en toont het gezicht van de duivel, om de mens geheel te verderven, en daarmee Gods beeltenis en gelijkenis te vernietigen. De duivel wil langs die weg God Zelf aantasten. Onze Zaligmaker gaat langs deze weg echter de duivel en de overheden en machten al hun wapens ontnemen. Dat zal Hij aan het kruis volbrengen, door het handschrift van onze zonden daaraan te hechten. Onze zonden, die zijn het, waarom Hij deze slagen kreeg en zo bespot werd. Hij werd lichamelijk ook verzwakt. Iemand anders werd met geweld gedwongen Zijn kruis te dragen. Want het ging de soldaten niet snel genoeg. De duivel heeft altijd haast, want zijn tijd is kort. Maar de Man van smarten lijdt. De lange weg naar Golgotha. Slagen, bespotting, hoon, misverstand. Maar het zal Hem heel veel opleveren. Alexander en Rufus, en vele heidenen meer. Ook u, die gelooft.

Verder lezen: Romeinen 16:1-161 Ik beveel Febe, onze zuster, [tevens] dienares der gemeente te Kenchreeën, bij u aan, 2 dat gij haar ontvangt in de Here op een wijze, de heiligen waardig, en haar bijstaat, indien zij u in het een of ander mocht nodig hebben. Want zij zelf heeft velen, ook mij persoonlijk, bijstand verleend. 3 Groet Prisca en Aquila, mijn medearbeiders in Christus Jezus, 4 mensen, die voor mijn leven hun hals gewaagd hebben. Niet ik alleen ben hun dankbaar, maar ook al de heidengemeenten. 5 Groet insgelijks de gemeente bij hen aan huis. Groet mijn geliefde Epenetus, de eersteling voor Christus uit Asia. 6 Groet Maria, iemand, die zich veel moeite voor u heeft gegeven. 7 Groet Andronikus en Junias, mijn stamgenoten en medegevangenen, mannen onder de apostelen in aanzien, die reeds vóór mij in Christus geweest zijn. 8 Groet Ampliatus, mijn geliefde in de Here. 9 Groet Urbanus, onze medewerker in Christus, en mijn geliefde Stachys. 10 Groet Apelles, die in Christus beproefd gebleken is. Groet hen, die behoren tot de kring van Aristobulus. 11 Groet mijn stamgenoot Herodion. Groet hen, die behoren tot de kring van Narcissus, die in de Here zijn. 12 Groet Tryfena en Tryfosa, vrouwen, die zich moeite gegeven hebben in de Here. Groet de geliefde Persis, die zich veel moeite gegeven heeft in de Here. 13 Groet Rufus, de uitverkorene in de Here, met zijn moeder, die ook voor mij een moeder is. 14 Groet Asynkritus, Flegon, Hermes, Patrobas, Hermas, en de broeders bij hen. 15 Groet Filologus, en Julia, Nereus met zijn zuster, en Olympas, benevens al de heiligen, die bij hen zijn. 16 Groet elkander met de heilige kus. U groeten al de gemeenten van Christus.

9 augustus

Reeds de naam van de plaats van executie wijst op dood en verderf. Er is geen sprankje licht of verlichting meer voor de Here Jezus. De wijn met mirre zou de pijn moeten temperen. Enige vorm van medemenselijkheid?

Maar de Here weigert. Hij is niet bezig zijn last te verlichten. Hij is Zichzelf in volle bewustzijn aan het opofferen aan God. Daarin is Hij bezig de Schriften te vervullen. Alles wordt van Hem afgenomen. De plaats van de grootste misdadiger neemt Hij in, en zo ontvangt Hij ook de bespotting en de blikken van verachting. De roep om zichzelf te redden en van het kruis af te komen is intensivering van het lijden van onze Heiland. Zou Hij, de Redder der wereld, dan Zijn werk staken ten koste van Zijn kerk? Zou Hij, net als de zondaren, kiezen voor Zichzelf en dus Zijn ambt van Middelaar neerleggen en Gods toorn dan over de verloren zondaren doen komen? Ook de duivel hoopt ten zeerste dat de spot en hoon daartoe leidt. Maar ook in deze hoogste aanvallen van duivelse spot en hoon aan het kruis, blijft onze Here trouw aan Zijn roeping.

En nu? Zijn lijden in volle bewustzijn brengt de reiniging van uw bewustzijn. Zijn bespotting wordt uw zegen. Zijn volharding in lijden, uw volkomen redding.

Verder lezen: Psalm 691 Voor de koorleider. Op de wijze van: De leliën. Van David. 2 Verlos mij, o God, want het water is gekomen tot aan de lippen; 3 ik ben verzonken in bodemloos slijk, waar ik niet kan staan; ik ben gekomen in diepe wateren, een vloed overstroomt mij. 4 Ik ben moede door mijn roepen, mijn keel is hees, mijn ogen zijn bezweken van het uitzien naar mijn God. 5 Talrijker dan de haren van mijn hoofd zijn zij die mij zonder oorzaak haten; machtig zijn zij die mij willen verdelgen, mijn valse vijanden; wat ik niet geroofd heb, moet ik toch teruggeven. 6 O God, Gij kent mijn verdwaasdheid, mijn schuldige daden zijn voor U niet verborgen. 7 Laten om mij niet beschaamd worden wie U verwachten, Here Here der heerscharen; laten om mij niet schaamrood worden wie U zoeken, o God van Israël. 8 Want om Uwentwil draag ik smaad, bedekt schaamte mijn gelaat. 9 Ik ben een vreemde geworden voor mijn broeders, een onbekende voor de zonen van mijn moeder; 10 want de ijver voor uw huis heeft mij verteerd, en de smaadwoorden van wie U smaden, kwamen op mij neder. 11 Ik weende onder het vasten van mijn ziel, maar het werd mij tot diepe smaad; 12 ik maakte een rouwgewaad tot mijn kleed, maar ik werd hun tot een spreekwoord. 13 Wie in de poort zitten, praten over mij, - en een spotlied van drinkers. 14 Maar mijn gebed is tot U, Here, ten tijde des welbehagens; o God, antwoord mij naar uw grote goedertierenheid met uw trouwe hulp. 15 Red mij uit het slijk, opdat ik niet verzinke, laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepe wateren. 16 Laat de watervloed mij niet overstromen, noch de diepte mij verslinden, noch de put zijn mond boven mij toesluiten. 17 Antwoord mij, o Here, want rijk is uw goedertierenheid, wend U tot mij naar uw grote barmhartigheid, 18 verberg uw aangezicht niet voor uw knecht, want het is mij bang te moede; antwoord mij haastelijk. 19 Nader tot mijn ziel, bevrijd haar, verlos mij om mijner vijanden wil. 20 Gij, Gij kent mijn smaad, mijn schaamte en mijn schande; allen die mij benauwen, staan vóór U. 21 De smaad heeft mij het hart gebroken, en ik ben verzwakt. Ik wachtte op een teken van medelijden, maar tevergeefs, op troosters, maar ik vond hen niet. 22 Ja, zij gaven mij gif tot spijze, en lieten mij in mijn dorst azijn drinken. 23 Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en hun genoten tot een val. 24 Laten hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien, doe hun lendenen bestendig wankelen; 25 stort over hen uw gramschap uit, en de gloed van uw toorn achterhale hen. 26 Hun kamp worde tot woestenij, in hun tenten zij geen bewoner. 27 Want wie Gij hebt geslagen, vervolgen zij, zij doen verhalen over de smart der door U gewonden. 28 Voeg schuld bij hun schuld, zodat zij niet komen tot uw rechtvaardiging. 29 Laten zij uit het boek des levens worden uitgedelgd, met de rechtvaardigen niet worden opgeschreven. 30 Maar ik ben ellendig en in smart, uw heil, o God, bescherme mij. 31 Ik zal de naam van God prijzen met een lied, Hem verheerlijken met een lofzang; 32 dat zal de Here meer behagen dan een rund, dan een stier met horens en hoeven. 33 De ootmoedigen zullen het zien, zij zullen zich verheugen; gij, die God zoekt, uw hart leve op. 34 Want de Here hoort naar de armen, en zijn gevangenen veracht Hij niet. 35 Dat hemel en aarde Hem loven, de zeeën en al wat daarin wemelt. 36 Want God zal Sion verlossen en de steden van Juda bouwen, opdat zij daar wonen en het bezitten; 37 het kroost van zijn knechten zal het beërven, en wie zijn naam liefhebben, zullen daarin wonen.

10 augustus

Evenals de drie uur durende duisternis zijn ook de laatste woorden van onze Heiland weergave van de onpeilbare diepte en grootte van Zijn lijden. Het is voor ons niet te bevatten. We weten niet hoe het is van God verlaten te zijn. Al helemaal niet hoe dat is, terwijl Hij Zijn toorn ten volle uitgiet. Maar de Zoon van God heeft dat alles in het vlees geleden. En dat in onze plaats. De betekenis er van blijkt in het doormidden scheuren van het zeer zware tempelgordijn voor het heilige der heiligen. Nu is de (hoge)priesterdienst van Aäron beëindigd. We hebben een Hogepriester die Zelf de toegang tot God heeft gebaand. Hij heeft Zelf in eigen Persoon, alles voor ons volbracht. En dat door Zijn goddelijke liefde en kracht. Die kracht erkent ook de Romeinse hoofdman, naar zijn begripsvermogen, zeggen we er bij. Maar laten we daar maar voorzichtig en vooral ootmoedig van denken. Wij staan toch voor een diep geheimenis, van de openbaring van Gods Zoon in ons vlees. Van een lijden van Jezus aan het kruis, Zoon van Maria, Zoon van God. We verstaan dat Hij het voor ons heeft volbracht. Maar het gewicht van Zijn offer, het gewicht van Gods toorn, de hoeveelheid van onze schuld. Hier is geen meten aan.

Verder lezen: Hebreeën 9:11-1511 Maar Christus, opgetreden als hogepriester der goederen, die gekomen zijn, is door de grotere en meer volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van deze schepping, 12 en dat niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met zijn eigen bloed, eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf. 13 Want als (reeds) het bloed van bokken en stieren en de besprenging met de as der vaars hen, die verontreinigd zijn, heiligt, zodat zij naar het vlees gereinigd worden, 14 hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft, ons bewustzijn reinigen van dode werken, om de levende God te dienen? 15 En daarom is Hij de middelaar van een nieuw verbond, opdat, nu Hij de dood had ondergaan om te bevrijden van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden.; 10:19-2519 Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, 20 langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, zijn vlees, 21 en wij een grote priester over het huis Gods hebben, 22 laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, met een hart, dat door besprenging gezuiverd is van besef van kwaad, en met een lichaam, dat gewassen is met zuiver water. 23 Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want Hij, die beloofd heeft, is getrouw. 24 En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. 25 Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen.

11 augustus

Blijkbaar was het een waagstuk van Jozef van Arimatea om aan Pilatus het lichaam van Jezus te vragen. Maar bij de rijke moest Jezus zijn in zijn dood en een voorname begrafenis ontvangen (Jesaja 53:99 En men stelde zijn graf bij de goddelozen; bij de rijke was hij in zijn dood, omdat hij geen onrecht gedaan heeft en geen bedrog in zijn mond is geweest.). Hij had Zich er volledig op gericht de Schriften in vervulling te doen gaan en de Vader te gehoorzamen, en hier begint zijn vergelding. Het is wel een soort spoedbegrafenis geweest, zo in de avond voor sabbat, maar niettemin werd niets gespaard. En vooral, hier is liefde voor de Here Jezus, nu Hij alles volbracht heeft. De vrouwen zijn gereed Hem alle eer te bewijzen hoewel ze het als een laatste eer beschouwen. En Jozef, een aanzienlijk lid van de Raad, al is hij één van de weinigen, stemde niet met het besluit tot Zijn veroordeling in. Hij zocht rechtsherstel. Hij wilde de Here eer bewijzen waarvoor hij bereid was een groot risico te nemen. Niet alleen ten aanzien van Pilatus, maar ook ten aanzien van de andere leden der Joodse Raad. Maar Jozef verwachtte het Koninkrijk Gods en geloofde dat de Here Jezus het verkondigde. En zelf draagt hij nu, waarschijnlijk onwetend, bij aan de vervulling van de profetie. Pilatus is verbaasd over Jezus’ spoedig sterven. Vraagtekens voor hem, uitroeptekens voor ons.

Verder lezen: Johannes 19:28-4228 Hierna zeide Jezus, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden: Mij dorst! 29 Er stond een kruik vol zure wijn; zij staken dan een spons, gedrenkt met zure wijn, op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond. 30 Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zeide Hij: Het is volbracht! En Hij boog het hoofd en gaf de geest. 31 De Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op sabbat aan het kruis mochten blijven - want de dag van die sabbat was groot - vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden. 32 De soldaten dan kwamen en braken de benen van de eerste en van de andere, die met Hem gekruisigd waren; 33 maar toen zij bij Jezus gekomen waren en zagen, dat Hij reeds gestorven was, braken zij zijn benen niet, 34 maar een van de soldaten stak met een speer in zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit. 35 En die het gezien heeft, heeft ervan getuigd en zijn getuigenis is waarachtig en hij weet, dat hij de waarheid spreekt, opdat ook gij gelooft. 36 Want dit is geschied, opdat het schriftwoord zou vervuld worden: Geen been van Hem zal verbrijzeld worden. 37 En weder zegt een ander schriftwoord: Zij zullen zien op Hem, die zij doorstoken hebben. 38 En daarna vroeg Jozef van Arimatea, een discipel van Jezus, maar in het verborgen uit vrees voor de Joden, aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen; en Pilatus stond het toe. Hij kwam dan en nam zijn lichaam weg. 39 En ook kwam Nikodemus, die de eerste maal des nachts tot Hem gekomen was, en hij bracht een mengsel mede van mirre en aloë, ongeveer honderd pond. 40 Zij namen dan het lichaam van Jezus en wikkelden het in linnen windsels met de specerijen, zoals het bij de Joden gebruikelijk is te begraven. 41 En er was ter plaatse, waar Hij gekruisigd was, een hof en in die hof een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was bijgezet; 42 daar dan legden zij Jezus neder wegens de Voorbereiding der Joden, omdat het graf dichtbij was.

12 augustus

Dat de vrouwen als eerste op de eerste dag van de nieuwe week de Here zoeken te dienen is lovenswaardig te noemen. Ze waren uiteraard diep in shock geweest door zijn kruisdood. En bevangen door het feit dat Hij gestorven en begraven was, denken ze niet meer aan Zijn woorden. Niemand denkt daar aan. De feiten van de dag domineren in de mensenzielen en niet het Woord van de Here Jezus. De manier hoe wijzelf tegen de werkelijkheid aankijken, verhindert ons te letten op Gods beloftewoord. Dat komt zo veel voor. Ons denken laten we maar zo beheersen door wat we zien, terwijl Gods Woord ons de enige juiste weg wijst. Die weg is niet naar het graf, maar naar het leven. Wanneer de vrouwen dan bevangen door hun heel begrijpelijk denken over Jezus’ graf, met de waarheid van Zijn opstanding worden geconfronteerd, worden ze bevangen door siddering. Ze werden ontzet, waren buiten zichzelf en wisten niet hoe ze het hebben moesten. Doodsbang ook voor die hemelboden, zoals dat zo vaak gebeurt bij mensen zoals wij. Leer hier van om niet bang te zijn voor Jezus’ wederkomst en zijn engelen, door nu Zijn Woord helemaal te geloven, zonder reserve. En dus waakzaam te zijn.

Verder lezen: Richteren 131 De Israëlieten deden opnieuw wat kwaad is in de ogen des Heren; toen gaf de Here hen over in de macht der Filistijnen, veertig jaar. 2 Nu was er een man uit Sora, uit het geslacht der Danieten, Manoach genaamd, wiens vrouw onvruchtbaar was en niet baarde. 3 En de Engel des Heren verscheen aan de vrouw en zeide tot haar: Zie, gij zijt onvruchtbaar en baart niet, maar gij zult zwanger worden en een zoon baren. 4 Dus neem u in acht en drink geen wijn of bedwelmende drank en eet niets onreins. 5 Want zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren; geen scheermes zal ooit op zijn hoofd komen, want van de moederschoot af zal de jongen een nazireeër Gods zijn; hij zal een begin maken met de verlossing van Israël uit de macht der Filistijnen. 6 De vrouw nu kwam en zeide tot haar man: Een man Gods kwam bij mij, die er uitzag als een engel Gods, zeer vreselijk. Ik heb hem niet gevraagd, vanwaar hij was, en hij heeft mij zijn naam niet bekendgemaakt. 7 Maar hij zeide tot mij: Zie, gij zult zwanger zijn en een zoon baren; dus drink geen wijn of bedwelmende drank en eet niets onreins, want van de moederschoot af tot de dag van zijn dood zal de jongen een nazireeër Gods zijn. 8 Toen bad Manoach tot de Here en zeide: Och, Here, moge de man Gods, die Gij gezonden hebt, nog eens tot ons komen en ons leren, wat wij met de jongen moeten doen, die geboren zal worden. 9 En God verhoorde de bede van Manoach, zodat de Engel Gods wederom tot de vrouw kwam, toen zij in het veld vertoefde en haar man Manoach niet bij haar was. 10 Daarop liep de vrouw haastig heen om het haar man mee te delen, en zeide tot hem: Zie, de man die onlangs tot mij kwam, is mij verschenen. 11 En Manoach stond op, volgde zijn vrouw, en bij die man gekomen, zeide hij tot hem: Zijt gij de man, die tot deze vrouw gesproken heeft? En hij zeide: Ja. 12 Toen zeide Manoach: Wanneer uitkomt, wat gij gezegd hebt, hoe moeten dan de leefwijze en het werk van de jongen zijn? De Engel des Heren zeide tot Manoach: 13 De vrouw neme zich in acht voor alles, wat ik haar genoemd heb. 14 Zij mag niets eten, dat van de wijnstok afkomstig is; wijn of bedwelmende drank mag zij niet drinken en niets onreins eten. Zij moet alles in acht nemen, wat ik haar geboden heb. 15 En Manoach zeide tot de Engel des Heren: Wij zouden u gaarne hier houden en een geitebokje voor u bereiden. 16 Maar de Engel des Heren zeide tot Manoach: Al zoudt gij mij ook hier houden, van uw spijze zal ik niet eten. Maar indien gij het bereiden wilt, offer het als een brandoffer aan de Here. Manoach immers wist niet, dat het de Engel des Heren was. 17 Daarop zeide Manoach tot de Engel des Heren: Hoe is uw naam, want, wanneer uitkomt, wat gij gezegd hebt, dan willen wij u eren. 18 Maar de Engel des Heren zeide tot hem: Waarom vraagt gij toch naar mijn naam? Immers, die is wonderbaar. 19 Daarop nam Manoach een geitebokje en een spijsoffer en offerde dit op een rots aan de Here. Toen deed Hij een wonder, terwijl Manoach en zijn vrouw toezagen. 20 Terwijl de vlam van het altaar omhoog steeg naar de hemel, voer de Engel des Heren op in de vlam van het altaar. Toen Manoach en zijn vrouw dit zagen, wierpen zij zich op hun aangezicht ter aarde. 21 De Engel des Heren verscheen niet meer aan Manoach en zijn vrouw. Toen begreep Manoach, dat het de Engel des Heren geweest was. 22 En Manoach zeide tot zijn vrouw: Wij zullen zeker sterven, want wij hebben God gezien. 23 Maar zijn vrouw zeide tot hem: Indien de Here ons had willen doden, dan zou Hij geen brandoffer en spijsoffer uit onze hand hebben aangenomen en Hij zou ons dit alles niet hebben laten zien en ons nu zulke dingen niet hebben laten horen. 24 De vrouw baarde een zoon en noemde hem Simson. De jongen groeide op, en de Here zegende hem. 25 En de Geest des Heren begon hem aan te drijven in Machane-Dan tussen Sora en Estaol.

13 augustus

Marcus 16:9-209 [Toen Hij des morgens vroeg op de eerste dag der week opgestaan was, verscheen Hij eerst aan Maria van Magdala, van wie Hij zeven boze geesten uitgedreven had. 10 Zij ging heen en berichtte het hun, welke bij Hem geweest waren, die treurden en weenden. 11 En toen zij hoorden, dat Hij leefde en door haar gezien was, geloofden zij het niet. 12 Daarna verscheen Hij in een andere gedaante aan twee van hen op de weg, terwijl zij zich naar het land begaven. 13 En ook die gingen heen om het aan de anderen te berichten. En ook die geloofden zij niet. 14 Daarna verscheen Hij aan de elven zelf, terwijl zij aanlagen, en Hij verweet hun hun ongeloof en hardheid van hart, omdat zij hen niet geloofden, die Hem aanschouwd hadden, nadat Hij opgewekt was. 15 En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping. 16 Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden. 17 Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, 18 slangen zullen zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden. 19 De Here [Jezus] dan werd, nadat Hij tot hen gesproken had, opgenomen in de hemel en heeft Zich gezet aan de rechterhand Gods. 20 Doch zij gingen heen en predikten overal, terwijl de Here medewerkte en het woord bevestigde door de tekenen, die erop volgden.

De Here Jezus zond na zijn opstanding eerst Maria van Magdala en de Emmaüsgangers om zijn opstanding bekend te maken aan zijn leerlingen. Maar dat stuitte op ongeloof. Zelfs zijn eigen discipelen geloofden zijn opstanding niet, hoewel Hij het vooraf had gezegd. Maar hun harten waren hard. Dit laat zien, hoe bot en koud wij van nature zijn. We zijn helemaal niet zelf in staat de hemelse leer aan te nemen en te geloven. De Here moet dat bewerken. Daarvoor laat Hij het Woord verkondigen en doet Hij blijken, door tekenen en wonderen, dat Zijn Woord waarheid is. Niemand kan eromheen, want Hij Zelf werkt vanuit de hemel mee aan de prediking. Als Priesterkoning in de troon blijft Hij zijn unieke ambt uitoefenen. Zo zorgt Christus er Zelf voor, dat het Raadsplan van God wordt uitgevoerd. Hijzelf zendt zijn dienaren die het Evangelie verkondigen. Wie hun leer geloven en zich laten dopen worden behouden. En wie niet geloven worden veroordeeld. Eeuwig leven is daar alleen, waar in Christus geloofd wordt. Hij is het Leven. Hij heeft in onze plaats alles gedaan wat nodig was om ons met God te verzoenen. De zekerheid hiervan wordt in het Woord voorgesteld. En de Heilige Geest bevestigt het.

Verder lezen: 1 Korintiërs 15:1-111 Ik maak u bekend, broeders, het evangelie, dat ik u verkondigd heb, dat gij ook ontvangen hebt, waarin gij ook staat, 2 waardoor gij ook behouden wordt, indien gij het zó vasthoudt, als ik het u verkondigd heb, tenzij gij tevergeefs tot geloof zoudt gekomen zijn. 3 Want vóór alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften, 4 en Hij is begraven en ten derden dage opgewekt, naar de Schriften, 5 en Hij is verschenen aan Kefas, daarna aan de twaalven. 6 Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen. 7 Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan al de apostelen; 8 maar het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen, als aan een ontijdig geborene. 9 Want ik ben de geringste der apostelen, niet waard een apostel te heten, omdat ik de gemeente Gods vervolgd heb. 10 Maar door de genade Gods ben ik, wat ik ben, en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest, want ik heb meer gearbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is. 11 Daarom dan, ik of zij, zó prediken wij, en zó zijt gij tot het geloof gekomen.

14 augustus

Handelingen 1:1-111 Mijn eerste boek heb ik gemaakt, Teofilus, over al wat Jezus begonnen is te doen en te leren, 2 tot de dag dat Hij werd opgenomen, nadat Hij aan de apostelen, die Hij had uitgekozen, door de heilige Geest zijn bevelen had gegeven; 3 aan wie Hij Zich ook na zijn lijden met vele kentekenen levend heeft vertoond, veertig dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft. 4 En terwijl Hij met hen aanzat, gebood Hij hun Jeruzalem niet te verlaten, maar te blijven wachten op de belofte van de Vader, die gij (zeide Hij) van Mij gehoord hebt. 5 Want Johannes doopte met water, maar gij zult met de heilige Geest gedoopt worden, niet vele dagen na deze. 6 Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël? 7 Hij zeide tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, 8 maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde. 9 En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen. 10 En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij henenvoer, zie, twee mannen in witte klederen stonden bij hen, 11 die ook zeiden: Galileese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen.

De evangelist Lucas begint zijn tweede boek met een terugblik op het eerste. Daarin beschreef hij al wat de Heere Jezus “begonnen is te doen en te leren”. Nu, in Handelingen, horen we hoe de verhoogde Christus vanuit de hemel daarmee dóórgaat. Zijn heilswerk stopt niet bij Zijn hemelvaart. Zijn werkterrein wordt juist uitgebreid tot aan het uiterste der aarde! Vlak voor Zijn hemelvaart vroegen de apostelen nog: “Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?” Hoe menselijk en herkenbaar. Ook wij verlangen in onze nood al gauw naar wereldse oplossingen. Maar Christus wijst de Zijnen terecht. Het is niet aan ons om Gods verborgen tijden te weten. Bovendien wil Hij onze ogen richten op het hemelse goed: “maar gij zult kracht ontvangen,” zo belooft Hij Zijn discipelen, “wanneer de heilige Geest over u komt”. Door de Geest ontvangen zwakke mensen de kracht om in de wereld vrijmoedig te getuigen van Christus. En nadat Hij is opgenomen, klinkt de troostvolle belofte van de engelen: “Deze Jezus (…) zal op dezelfde wijze wederkomen”. Tot die grote dag hebben ook wij niet lijdelijk naar boven te staren, maar op aarde te getuigen van onze hemelse Koning.

Verder lezen: Lucas 24:36-5336 En terwijl zij hierover spraken, stond Hij zelf in hun midden; 37 en zij werden ontzet en verschrikt en meenden een geest te aanschouwen. 38 Doch Hij zeide tot hen: Waarom zijt gij ontsteld en waarom komen er overwegingen op in uw hart? 39 Ziet mijn handen en mijn voeten, dat Ik het zelf ben; betast Mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet, dat Ik heb. 40 [En bij dit woord toonde Hij hun zijn handen en voeten.] 41 En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden en zich verwonderden, zeide Hij tot hen: Hebt gij hier iets te eten? 42 Zij reikten Hem een stuk van een gebakken vis toe. 43 En Hij nam het en at het voor hun ogen. 44 Hij zeide tot hen: Dit zijn mijn woorden, die Ik tot u sprak, toen Ik nog bij u was, dat alles wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en de profeten en de psalmen moet vervuld worden. 45 Toen opende Hij hun verstand, zodat zij de Schriften begrepen. 46 En Hij zeide tot hen: Aldus staat er geschreven, dat de Christus moest lijden en ten derden dage opstaan uit de doden, 47 en dat in zijn naam moest gepredikt worden bekering tot vergeving der zonden aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem. 48 Gij zijt getuigen van deze dingen. 49 En zie, Ik doe de belofte mijns Vaders op u komen. Maar gij moet in de stad blijven, totdat gij bekleed wordt met kracht uit den hoge. 50 En Hij leidde hen naar buiten tot bij Betanië en Hij hief de handen omhoog en zegende hen. 51 En het geschiedde, terwijl Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde. 52 En zij keerden terug naar Jeruzalem met grote blijdschap, 53 en zij waren voortdurend in de tempel, lovende God.

15 augustus

Handelingen 1:12-2612 Toen keerden zij terug naar Jeruzalem van de berg, genaamd de Olijfberg, die dicht bij Jeruzalem is, een sabbatsreis daarvandaan. 13 En toen zij in de stad gekomen waren, gingen zij naar de bovenzaal, waar zij verblijf hielden: Petrus en Johannes en Jakobus en Andreas, Filippus en Tomas, Bartolomeüs en Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon de Zeloot en Judas, de zoon van Jakobus. 14 Deze allen bleven eendrachtig volharden in het gebed, met enige vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broeders. 15 En in die dagen stond Petrus op onder de broeders - en er was een groep van ongeveer honderd twintig personen bijeen - en hij sprak: 16 Mannen broeders, het schriftwoord moest in vervulling gaan, dat de heilige Geest voorheen bij monde van David gesproken heeft aangaande Judas die de gids is geweest van hen, die Jezus gevangen namen; 17 want hij werd tot ons getal gerekend en had aandeel aan deze bediening gekregen. 18 Deze nu heeft een stuk grond verkregen voor het loon zijner ongerechtigheid en voorovergestort, is hij midden opengereten en al zijn ingewanden zijn naar buiten gekomen; 19 en het is bekend geworden aan allen, die te Jeruzalem wonen, zodat dat stuk land in hun eigen taal Akeldama, dat wil zeggen, bloedgrond, heet. 20 Want er staat geschreven in het boek der Psalmen: Zijn plaats worde woest en er zij niemand, die erop woont, en: Een ander neme het opzicht, dat hij had. 21 Er moet dan van de mannen, die zich bij ons hebben aangesloten in al de tijd, dat de Here Jezus bij ons in- en uitgegaan is, 22 te beginnen met de doop van Johannes tot de dag, dat Hij van ons werd opgenomen, één van hen met ons getuige worden van zijn opstanding. 23 En zij stelden er twee voor: Jozef, genaamd Barsabbas, die de bijnaam Justus had, en Mattias. 24 En zij baden en zeiden: Wijs Gij, Here, die aller harten kent, die ene aan, die Gij van deze twee hebt uitgekozen, 25 om de plaats van deze dienst en dit apostelschap in te nemen, waarvan Judas vervallen is om naar zijn eigen plaats te gaan. 26 En zij lieten hen loten en het lot viel op Mattias en hij werd gekozen verklaard bij de elf apostelen.

Na de hemelvaart van Christus keren Zijn discipelen gehoorzaam terug naar Jeruzalem. Ze doen precies wat de Heere Jezus hun geboden had: wachten. Maar dit wachten is beslist geen passief stilzitten. In de bovenzaal blijven zij “eendrachtig volharden in het gebed”, samen met de vrouwen, Maria en de broers van Jezus. Biddend zien zij uit naar de komst van de beloofde Trooster. Tijdens dit wachten staat Petrus stil bij de lege plaats die Judas door zijn verraad heeft achtergelaten. Geleid door de Geest ziet Petrus dit niet als een noodlottige catastrofe, maar als vervulling van de Schriften. Zelfs de huiveringwekkende val van Judas viel niet buiten Gods raad. “Zijn plaats worde woest”, zegt de Psalm. Maar die opengevallen plaats mag niet leeg blijven. Het ambt moet overgaan op een ander: “Een ander neme het opzicht, dat hij had”. De nieuwe apostel moet getuige zijn van Christus’ opstanding. In afhankelijk opzien tot de Here, “die aller harten kent”, werpen zij het lot. En zo vult Christus Zelf de lege plaats aan met Mattias. Judas viel weg “om naar zijn eigen plaats te gaan”, maar geen duivelse tegenstand kan het werk van de Heiland tegenhouden. Op weg naar het volgende heilsfeit zorgt de Koning der kerk Zelf voor alles wat nodig is.

Verder lezen: Efeziërs 4:1-161 Als gevangene in de Here, vermaan ik u dan te wandelen waardig der roeping, waarmede gij geroepen zijt, 2 met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, en elkander in liefde te verdragen, 3 en u te beijveren de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes: 4 één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping, 5 één Here, één geloof, één doop, 6 één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen. 7 Maar aan een ieder onzer afzonderlijk is de genade gegeven, naar de mate, waarin Christus haar schenkt. 8 Daarom heet het: opgevaren naar den hoge voerde Hij krijgsgevangenen mede, gaven gaf Hij aan de mensen. 9 Wat betekent dit: Hij is opgevaren, anders dan dat Hij ook nedergedaald is naar de lagere, aardse gewesten? 10 Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen. 11 En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, 12 om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, 13 totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus. 14 Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt, 15 maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus. 16 En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde.

16 augustus

Wanneer de discipelen bijeen zijn op de Pinksterdag, wordt de belofte van de verhoogde Christus vervuld. Ineens komt er een geluid uit de hemel als van een geweldige windvlaag en vertonen zich tongen als van vuur. De discipelen worden vervuld met de heilige Geest en beginnen in andere talen te spreken, en wel in al de talen van de aanwezigen. Het is het omgekeerde van het oordeel bij de torenbouw van Babel. Daar verwarde de HEERE de talen als straf op de menselijke hoogmoed. Maar nu met Pinksteren doorbreekt Christus de taalgrenzen om Zijn kerk wereldwijd te vergaderen. Vrome mannen uit allerlei volken horen de apostelen in hun eigen taal “van de grote daden Gods spreken”. De Geest laat hen spreken van wat God in en door Christus voor Zijn volk heeft gedaan. De menigte reageert verdeeld. De een vraagt vol verwondering: “Wat wil dit toch zeggen?” Maar de ander spot: “Zij hebben te veel zoete wijn gehad!” En dat is vandaag niet anders. Ook nu kan er op twee manieren worden gereageerd op Gods openbaring. Gelovig dan wel ongelovig. Hoe luisteren wij vandaag naar de roepstem van de Geest in de prediking? Wie Gods werk spottend of onverschillig afwijst, gaat voor eeuwig verloren. Maar wie door diezelfde Geest de grote daden Gods in Christus leert bewonderen, ontvangt uit genade het eeuwige leven.

Verder lezen: Genesis 11:1-91 De gehele aarde nu was één van taal en één van spraak. 2 Toen zij oostwaarts trokken, vonden zij een vlakte in het land Sinear, waar zij zich vestigden. 3 En zij zeiden tot elkander: Welaan, laten wij tichelen maken en die goed bakken. En de tichel diende hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem. 4 Ook zeiden zij: Welaan, laten wij ons een stad bouwen met een toren, waarvan de top tot de hemel reikt, en laten wij ons een naam maken, opdat wij niet over de gehele aarde verstrooid worden. 5 Toen daalde de Here neder om de stad en de toren, die de mensenkinderen bouwden, te bezien, 6 en de Here zeide: Zie, het is één volk en zij allen hebben één taal. Dit is het begin van hun streven; nu zal niets van wat zij denken te doen voor hen onuitvoerbaar zijn. 7 Welaan, laat Ons nederdalen en daar hun taal verwarren, zodat zij elkanders taal niet verstaan. 8 Zo verstrooide de Here hen vandaar over de gehele aarde, en zij staakten de bouw van de stad. 9 Daarom noemt men haar Babel, omdat de Here daar de taal der gehele aarde verward heeft en de Here hen vandaar over de gehele aarde verstrooid heeft.

17 augustus

Handelingen 2:14-4014 Maar Petrus stond met de elven op, en hij verhief zijn stem en sprak hen toe: Gij Joden en allen, die te Jeruzalem woonachtig zijt, dit zij u bekend en neemt mijn woorden ter ore. 15 Want deze mensen zijn niet dronken, zoals gij veronderstelt, want het is het derde uur van de dag; 16 maar dit is het, waarvan gesproken is door de profeet Joël: 17 En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouderen zullen dromen dromen: 18 ja, zelfs op mijn dienstknechten en mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren. 19 En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en rookwalm. 20 De zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en doorluchtige dag des Heren komt. 21 En het zal zijn, dat al wie de naam des Heren aanroept, behouden zal worden. 22 Mannen van Israël, hoort deze woorden: Jezus, de Nazoreeër, een man u van Godswege aangewezen door krachten, wonderen en tekenen, die God door Hem in uw midden verricht heeft, zoals gij zelf weet, 23 deze, naar de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd, hebt gij door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood. 24 God evenwel heeft Hem opgewekt, want Hij verbrak de weeën van de dood, naardien het niet mogelijk was, dat Hij door hem werd vastgehouden. 25 Want David zegt van Hem: Ik zag de Here te allen tijde voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankelen zou. 26 Daarom is mijn hart verheugd en mijn tong verblijd, ja, ook mijn vlees zal nog een schuilplaats vinden in hope, 27 omdat Gij mijn ziel niet aan het dodenrijk zult overlaten, noch uw heilige ontbinding doen zien. 28 Gij hebt mij wegen ten leven doen kennen; Gij zult mij vervullen met verheuging voor uw aangezicht. 29 Mannen broeders, men mag vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David, dat hij èn gestorven èn begraven is, en zijn graf is bij ons tot op deze dag. 30 Daar hij nu een profeet was en wist, dat God hem onder ede gezworen had een uit de vrucht zijner lendenen op zijn troon te doen zitten, 31 heeft hij in de toekomst gezien en gesproken van de opstanding van de Christus, dat Hij niet aan het dodenrijk is overgelaten, noch zijn vlees ontbinding heeft gezien. 32 Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn. 33 Nu Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de belofte des heiligen Geestes van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort, wat gíj en ziet en hoort. 34 Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf: De Here heeft gezegd tot mijn Here: Zet U aan mijn rechterhand, 35 totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten. 36 Dus moet ook het ganse huis Israëls zeker weten, dat God Hem èn tot Here èn tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus, die gij gekruisigd hebt. 37 Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen, en zij zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders? 38 En Petrus antwoordde hun: Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des heiligen Geestes ontvangen. 39 Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal. 40 En met nog meer andere woorden getuigde hij, en hij vermaande hen, zeggende: Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht.

Wanneer Petrus zijn stem verheft, benadrukt hij eerst: hier is geen dronkenschap, maar de heerlijke vervulling van wat de profeet Joël had voorzegd. God stort Zijn Geest uit! En vol van die Geest predikt Petrus de Christus. De Geest wijst immers altijd naar het Woord. Petrus tekent de dood en de opstanding van Christus. Het kruis was geen toeval, want Christus is “naar de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd”, ook al is Hij “door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld”. God heeft Hem opgewekt, de dood kon Hem niet vasthouden. En Petrus komt dan met die vlijmscherpe boodschap: God heeft Hem tot Here en Christus gemaakt, “deze Jezus, die gij gekruisigd hebt”. Dat oordelende woord mist zijn uitwerking niet, want Gods Woord keert nooit ledig tot God weder maar doet altijd wat Hem behaagt. De hoorders worden “diep in hun hart getroffen” en roepen in uiterste nood: “Wat moeten wij doen, mannen broeders?” De Joden die het horen, staan voor een beslissende keus. “Bekeert u”, zo krijgen ze te horen. Bekeert u, want dan hebt u deel aan de vergeving van uw zonden. Die eis en belofte klinken ook vandaag nog, voor ons én onze kinderen. Bekeert u en laat u behouden!

Verder lezen: Jesaja 55:6-136 Zoekt de Here, terwijl Hij Zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. 7 De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de Here, dan zal Hij Zich over hem ontfermen - en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig. 8 Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des Heren. 9 Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten. 10 Want zoals de regen en de sneeuw van de hemel neerdaalt en daarheen niet weerkeert, maar doorvochtigt eerst de aarde en maakt haar vruchtbaar en doet haar uitspruiten en geeft zaad aan de zaaier en brood aan de eter, 11 alzo zal mijn woord, dat uit mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend. 12 Want in vreugde zult gij uittrekken en in vrede geleid worden; de bergen en de heuvelen zullen voor u uitbreken in gejuich en alle bomen des velds zullen in de handen klappen. 13 Voor een doornstruik zal een cypres opschieten, voor een distel zal een mirt opschieten, en het zal de Here zijn tot een naam, tot een eeuwig teken, dat niet uitgeroeid zal worden.

18 augustus

De uitstorting van de Heilige Geest draagt meteen vrucht. Petrus’ prediking wordt rijk gezegend: ongeveer drieduizend zielen aanvaarden het door hem gepredikte Woord en laten zich dopen. De kerk groeit en bloeit. En de gelovigen, zij blijven “volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden.” Bij die dingen dus, die de ware kerk tot op de dag van vandaag kenmerken. Ook wij ontvangen het onderwijs van de apostelen, in de dienst van het Woord. En ook wij breken het brood, in de dienst van het sacrament van het Heilig Avondmaal. En ook wij zenden samen onze gebeden op, in de dienst der gebeden. Laten wij dat alles doen, niet uit gewoonte, maar door een waar geloof, en zo als levende leden van de kerk, en dus evenals de gemeente uit Handelingen 21 En toen de Pinksterdag aanbrak, waren allen tezamen bijeen. 2 En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren; 3 en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen; 4 en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken. 5 Nu waren er Joden te Jeruzalem woonachtig, vrome mannen uit alle volken onder de hemel; 6 en toen dit geluid gekomen was, liep de menigte te hoop en verbaasde zich, want een ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken. 7 En buiten zichzelf van verwondering zeiden zij: Zie, zijn niet al dezen, die daar spreken, Galileeërs? 8 En hoe horen wij hen dan een ieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? 9 Parten, Meden, Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kapadocië, Pontus en Asia, 10 Frygië en Pamfylië, Egypte en de streken van Libië bij Cyrene, en hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten, 11 Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden Gods spreken. 12 En zij waren allen buiten zichzelf en geheel met de zaak verlegen, en zij zeiden de een tot de ander: Wat wil dit toch zeggen? 13 Maar anderen zeiden spottend: Zij hebben te veel zoete wijn gehad! 14 Maar Petrus stond met de elven op, en hij verhief zijn stem en sprak hen toe: Gij Joden en allen, die te Jeruzalem woonachtig zijt, dit zij u bekend en neemt mijn woorden ter ore. 15 Want deze mensen zijn niet dronken, zoals gij veronderstelt, want het is het derde uur van de dag; 16 maar dit is het, waarvan gesproken is door de profeet Joël: 17 En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouderen zullen dromen dromen: 18 ja, zelfs op mijn dienstknechten en mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren. 19 En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en rookwalm. 20 De zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en doorluchtige dag des Heren komt. 21 En het zal zijn, dat al wie de naam des Heren aanroept, behouden zal worden. 22 Mannen van Israël, hoort deze woorden: Jezus, de Nazoreeër, een man u van Godswege aangewezen door krachten, wonderen en tekenen, die God door Hem in uw midden verricht heeft, zoals gij zelf weet, 23 deze, naar de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd, hebt gij door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood. 24 God evenwel heeft Hem opgewekt, want Hij verbrak de weeën van de dood, naardien het niet mogelijk was, dat Hij door hem werd vastgehouden. 25 Want David zegt van Hem: Ik zag de Here te allen tijde voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankelen zou. 26 Daarom is mijn hart verheugd en mijn tong verblijd, ja, ook mijn vlees zal nog een schuilplaats vinden in hope, 27 omdat Gij mijn ziel niet aan het dodenrijk zult overlaten, noch uw heilige ontbinding doen zien. 28 Gij hebt mij wegen ten leven doen kennen; Gij zult mij vervullen met verheuging voor uw aangezicht. 29 Mannen broeders, men mag vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David, dat hij èn gestorven èn begraven is, en zijn graf is bij ons tot op deze dag. 30 Daar hij nu een profeet was en wist, dat God hem onder ede gezworen had een uit de vrucht zijner lendenen op zijn troon te doen zitten, 31 heeft hij in de toekomst gezien en gesproken van de opstanding van de Christus, dat Hij niet aan het dodenrijk is overgelaten, noch zijn vlees ontbinding heeft gezien. 32 Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn. 33 Nu Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de belofte des heiligen Geestes van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort, wat gíj en ziet en hoort. 34 Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf: De Here heeft gezegd tot mijn Here: Zet U aan mijn rechterhand, 35 totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten. 36 Dus moet ook het ganse huis Israëls zeker weten, dat God Hem èn tot Here èn tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus, die gij gekruisigd hebt. 37 Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen, en zij zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders? 38 En Petrus antwoordde hun: Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des heiligen Geestes ontvangen. 39 Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal. 40 En met nog meer andere woorden getuigde hij, en hij vermaande hen, zeggende: Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht. 41 Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd. 42 En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. 43 En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen. 44 En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; 45 en telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan hadden; 46 en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, 47 en zij loofden God en stonden in de gunst bij het gehele volk. En de Here voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden. in “blijdschap en eenvoud des harten”, waarmee wij voortdurend God loven. Ook wij hebben daarin trouw te volharden. En daarbij te vértrouwen, niet op onszelf, maar op onze verhoogde Heiland. Want Hij is het, die Zijn kerk doet groeien en bloeien en zo bewaart en vermeerdert.

Lezen: Hebreeën 10:19-2519 Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, 20 langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, zijn vlees, 21 en wij een grote priester over het huis Gods hebben, 22 laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, met een hart, dat door besprenging gezuiverd is van besef van kwaad, en met een lichaam, dat gewassen is met zuiver water. 23 Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want Hij, die beloofd heeft, is getrouw. 24 En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. 25 Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen.

19 augustus

Als Petrus en Johannes opgaan naar de tempel treffen zij een bedelaar, die al van kinds af aan verlamd is. Hij verwacht van de apostelen een aalmoes, een kleine stoffelijke gave om de dag door te komen. Het zou een tijdelijke verlichting geven van zijn aardse nood. Maar de ware nood van deze man, en ook van ons, zit veel dieper. Van nature zijn wij immers allemaal gééstelijk verlamd, vanaf onze geboorte niet in staat om in Gods wegen te wandelen. Petrus heeft dan ook geen zilver of goud te bieden. Hij wijst niet op aardse rijkdom, en evenmin op zijn eigen kracht. Hij heeft iets veel beters: “Wat ik heb geef ik u; in de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër: Wandel!” Niet de apostelen, maar de verhoogde Christus geneest deze man, en dat maar niet gedeeltelijk of tijdelijk, maar helemaal. De man, die nooit had gelopen, springt op en gaat met de apostelen de tempel binnen, “lopende en springende en God lovende”. Waar wij van nature verlamd op de grond liggen, daar richt het evangelie van Christus ons op. Hij geneest ons, opdat wij uit genade opstaan om eeuwig voor Hem te leven en Hem te loven.

Verder lezen: Jesaja 351 De woestijn en het dorre land zullen zich verblijden, de steppe zal juichen en bloeien als een narcis; 2 zij zal welig bloeien en juichen, ja, juichen en jubelen. De heerlijkheid van de Libanon is haar gegeven, de luister van de Karmel en van Saron; zij zullen aanschouwen de heerlijkheid des Heren, de luister van onze God. 3 Sterkt de slappe handen en verstevigt de knikkende knieën. 4 Zegt tot de versaagden van hart: Weest sterk, vreest niet; zie, uw God zal komen met wraak, met de vergelding Gods; Hij zal komen en Hij zal u verlossen. 5 Dan zullen de ogen der blinden geopend en de oren der doven ontsloten worden; 6 dan zal de lamme springen als een hert en de tong van de stomme zal jubelen; want in de woestijn zullen wateren ontspringen en beken in de steppe, 7 en het gloeiende zand zal tot een plas worden en het dorstige land tot waterbronnen; waar de jakhalzen verblijven en legeren, zal gras met riet en biezen zijn. 8 Daar zal een gebaande weg zijn, die de heilige weg genaamd wordt; geen onreine zal die betreden; maar hij zal alleen voor hen zijn; reizigers noch dwazen zullen erop dolen. 9 Daar zal geen leeuw zijn en geen verscheurend dier zal daarop komen; zij worden daar niet gevonden. Maar de verlosten wandelen daarop; 10 de vrijgekochten des Heren zullen wederkeren en met gejubel in Sion komen; eeuwige vreugde zal op hun hoofd zijn, blijdschap en vreugde zullen zij verkrijgen, maar kommer en zuchten zullen wegvlieden.

20 augustus

Handelingen 3:11-2611 En toen hij Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk rondom hen te hoop in de zogenaamde zuilengang van Salomo, vol verbazing. 12 En Petrus zag het en antwoordde het volk: Mannen van Israël, wat verwondert gij u hierover, of wat staart gij ons aan, alsof wij door eigen kracht of godsvrucht deze hadden doen lopen? 13 De God van Abraham en Isaak en Jakob, de God onzer vaderen, heeft zijn knecht Jezus verheerlijkt, die gij hebt overgeleverd en verloochend ten overstaan van Pilatus, ofschoon deze oordeelde, dat men Hem moest loslaten. 14 Doch gij hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend en begeerd, dat u een man, die een moordenaar was, geschonken zou worden; 15 en de Leidsman ten leven hebt gij gedood, maar God heeft Hem opgewekt uit de doden, waarvan wij getuigen zijn. 16 En op het geloof in zijn naam heeft zijn naam deze, die gij ziet en kent, sterk gemaakt; en het geloof door Hem heeft hem dit volkomen herstel gegeven in u aller tegenwoordigheid. 17 En nu, broeders, ik weet, dat gij uit onkunde hebt gehandeld, gelijk ook uw oversten; 18 maar zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, dat zijn Christus moest lijden. 19 Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, 20 en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende; 21 Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher. 22 Mozes toch heeft gezegd: De Here God zal u een profeet doen opstaan uit uw broeders, gelijk mij: naar hem zult gij horen in alles wat hij tot u spreken zal; 23 en het zal geschieden, dat alle ziel, die naar deze profeet niet hoort, uit het volk zal worden uitgeroeid. 24 En al de profeten, van Samuël af en vervolgens, zovelen er hebben gesproken, hebben ook deze dagen aangekondigd. 25 Gij zijt de zonen van de profeten en van het verbond, dat God met uw vaderen gemaakt heeft, toen Hij tot Abraham zeide: En in uw nageslacht zullen alle stammen der aarde gezegend worden. 26 God heeft in de eerste plaats voor u zijn Knecht doen opstaan en Hem tot u gezonden, om u te zegenen, door een ieder uwer af te brengen van zijn boosheden.

Het samengestroomde volk staart Petrus en Johannes aan, alsof zíj een wonder hebben verricht. Maar Petrus benadrukt dat hier geen sprake is van mensenwerk. God heeft Christus verheerlijkt, en Christus is het, die door de dienst van Zijn apostelen wonderen verricht. U hebt wel een moordenaar begeerd en de Leidsman ten leven gedood, zo klaagt Petrus de Joden aan, maar God heeft Hem opgewekt uit de doden. En door het geloof in Zijn Naam is er volkomen herstel, niet alleen voor de verlamde man, maar ook voor u, ja voor allen die in Hem geloven. En dat juist ook dankzij Zijn kruisdood. Want Christus móést wel lijden, om te betalen voor onze zonden. Door Zijn kruisdood vervult God Zijn verbondsbeloften. Dwars door de zonden van mensen heen, volvoert God Zijn heilsplan. En dat zegt Petrus niet zonder ernstig op te roepen tot berouw en bekering. Wie zich tot Christus keert, ontvangt de vergeving der zonden en het eeuwige leven. Maar wie naar deze hoogste Profeet niet luistert, zal worden uitgeroeid. En daar moeten ook wij ernst mee maken. Laten wij luisteren naar Christus en geloven in Zijn naam. Om zo te mogen delen in de zegen, die eerst kwam tot de Joden, maar in Abrahams Zaad ook tot ons.

Verder lezen: Galaten 3:6-146 Op dezelfde wijze heeft ook Abraham God geloofd en het is hem tot gerechtigheid gerekend. 7 Gij bemerkt dus, dat zij, die uit het geloof zijn, kinderen van Abraham zijn. 8 En de Schrift, die tevoren zag, dat God de heidenen uit geloof rechtvaardigt, heeft tevoren aan Abraham het evangelie verkondigd: In u zullen alle volken gezegend worden. 9 Zij, die uit het geloof zijn, worden dus gezegend tezamen met de gelovige Abraham. 10 Want allen, die het van werken der wet verwachten, liggen onder de vloek; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die zich niet houdt aan alles, wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. 11 En dat door de wet niemand voor God gerechtvaardigd wordt, is duidelijk; immers, de rechtvaardige zal uit geloof leven. 12 Doch bij de wet gaat het niet om geloof, maar: wie dat doet, zal daardoor leven. 13 Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt. 14 Zo is de zegen van Abraham tot de heidenen gekomen in Jezus Christus, opdat wij de belofte des Geestes ontvangen zouden door het geloof.

21 augustus

Handelingen 4:1-221 En terwijl zij tot het volk spraken, overvielen hen de priesters, de hoofdman van de tempel en de Sadduceeën, 2 zeer verontwaardigd, omdat zij het volk leerden en in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden; 3 en zij sloegen de handen aan hen en stelden hen in bewaring tot de volgende dag, want het was reeds avond. 4 Maar velen van hen, die het woord gehoord hadden, werden gelovig, en het getal der mannen werd ongeveer vijfduizend. 5 En het geschiedde tegen de volgende dag, dat hun oversten en hun oudsten en hun schriftgeleerden bijeenkwamen te Jeruzalem, 6 en Annas, de hogepriester, en Kajafas, Johannes, Alexander en allen, die tot het hogepriesterlijk geslacht behoorden; 7 en toen zij hen hadden laten voorkomen, wilden zij van hen weten: Door welke kracht of door welke naam hebt gij dit gedaan? 8 Toen zeide Petrus, vervuld met de heilige Geest, tot hen: Oversten van het volk en oudsten, 9 indien wij thans in verhoor genomen worden ter zake van een weldaad aan een zieke, waardoor hij gezond geworden is, 10 dan moet aan u allen en het ganse volk van Israël bekend zijn, dat door de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër, die gij gekruisigd hebt, maar die God heeft opgewekt uit de doden, dat door die naam deze hier gezond voor u staat. 11 Dit is de steen, door u, de bouwlieden, versmaad, die nochtans tot hoeksteen is geworden. 12 En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden. 13 Toen zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en bemerkt hadden, dat zij ongeletterde en eenvoudige mensen uit het volk waren, verwonderden zij zich, en zij herkenden hen, dat zij met Jezus geweest waren; 14 en daar zij de genezene bij hen zagen staan, konden zij er niets tegen inbrengen. 15 En na hun geboden te hebben buiten de raadzaal te gaan, overlegden zij met elkander, 16 en zij zeiden: Wat moeten wij met deze mensen beginnen? Want dat er een kennelijk wonderteken door hen verricht is, is duidelijk aan allen, die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet loochenen; 17 maar om te voorkomen, dat het nog meer onder het volk verbreid wordt, laat ons hun dreigend gebieden tot niemand meer te spreken op gezag van deze naam. 18 En toen zij hen binnengeroepen hadden, bevalen zij hun in het geheel niet meer te spreken over of te leren op gezag van de naam van Jezus. 19 Maar Petrus en Johannes antwoordden en zeiden tot hen: Beslist zelf, of het recht is voor God, meer aan u dan aan God gehoor te geven; 20 want wij kunnen niet nalaten te spreken van wat wij gezien en gehoord hebben. 21 Maar zij dreigden nog meer, doch lieten hen vrij, daar zij geen vorm konden vinden om hen te straffen - en wel om het volk; want allen verheerlijkten God om hetgeen er geschied was; 22 want de mens, aan wie dit teken der genezing verricht was, was boven de veertig jaar.

Terwijl Petrus en Johannes nog tot het volk spreken, worden zij overvallen en gevangengezet. De verkondiging van de opstanding uit de doden in en van en door Christus roept felle weerstand op bij met name de Sadduceeën, die immers “beweren, dat er geen opstanding is” (Marcus 12:1818 En er kwamen Sadduceeën tot Hem, die beweren, dat er geen opstanding is, en zij ondervroegen Hem en zeiden.). Maar het Woord van God is niet geboeid en laat Zich niet binden. Dwars door de verdrukking heen groeit de kerk gestaag. Wanneer de apostelen de volgende dag door de joodse raad worden gevraagd naar de bron van hun kracht, wijst Petrus niet op eigen vroomheid, maar getuigt hij onverschrokken van de gekruisigde en opgewekte Christus. Hij haalt Psalm 1181 Looft de Here, want Hij is goed, ja, zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. 2 Laat Israël nu zeggen: Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. 3 Laat het huis van Aäron nu zeggen: Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. 4 Laat wie de Here vrezen, nu zeggen: Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. 5 Uit de benauwdheid heb ik tot de Here geroepen, de Here heeft mij geantwoord en mij in de ruimte gesteld. 6 De Here is met mij, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen? 7 De Here is met mij, onder mijn helpers, daarom zal ik op mijn haters neerzien. 8 Het is beter bij de Here te schuilen dan op mensen te vertrouwen; 9 het is beter bij de Here te schuilen dan op edelen te vertrouwen. 10 Alle volken omringden mij - in de naam des Heren heb ik ze neergehouwen; 11 zij omringden mij, ja, zij omsingelden mij - in de naam des Heren heb ik ze neergehouwen; 12 zij omringden mij als bijen, zij werden als een doornenvuur uitgeblust - in de naam des Heren heb ik ze neergehouwen. 13 Gij hadt mij wel duchtig gestoten, tot vallens toe, maar de Here heeft mij geholpen. 14 De Here is mijn sterkte en mijn psalm, Hij is mij tot heil geweest. 15 Hoort! jubellied en zegezang in de tenten der rechtvaardigen: De rechterhand des Heren doet krachtige daden, 16 de rechterhand des Heren verhoogt, de rechterhand des Heren doet krachtige daden! 17 Ik zal niet sterven, maar leven en ik zal de daden des Heren vertellen. 18 De Here heeft mij zwaar gekastijd, maar aan de dood heeft Hij mij niet overgegeven. 19 Ontsluit mij de poorten der gerechtigheid, ik zal daardoor binnengaan, ik zal de Here loven. 20 Dit is de poort des Heren, de rechtvaardigen gaan daardoor binnen. 21 Ik loof U, omdat Gij mij geantwoord hebt en mij tot heil geweest zijt. 22 De steen die de bouwlieden versmaad hebben, is tot een hoeksteen geworden; 23 van de Here is dit geschied, het is wonderlijk in onze ogen. 24 Dit is de dag die de Here gemaakt heeft; laten wij juichen en ons daarover verheugen. 25 Och Here, geef toch heil, och Here, geef toch voorspoed! 26 Gezegend hij, die komt in de naam des Heren; wij zegenen u uit het huis des Heren. 27 De Here is God, Hij heeft het voor ons doen lichten. Bindt de feestoffers met touwen vast bij de hoornen van het altaar. 28 Gij zijt mijn God, U zal ik loven, o mijn God, U zal ik verhogen. 29 Looft de Here, want Hij is goed, ja, zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. aan: de bouwlieden hebben de Steen versmaad, maar God heeft Hem tot Hoeksteen gemaakt. Op Christus rust de kerk. Door Hem alleen worden wij behouden. Wie het leven zoekt buiten Christus om, vindt slechts de eeuwige dood. De raadsleden verbazen zich over de vrijmoedigheid van deze eenvoudige mannen. Zij herkennen echter één beslissend kenmerk: zij waren “met Jezus geweest”. Dat is het geheim van een waarachtig getuigenis. Wie door het geloof met Christus verbonden is, kan en mag niet nalaten te spreken van wat hij van Hem gezien en gehoord heeft. Wanneer de wereld ons probeert het zwijgen op te leggen, geldt daarom ook vandaag: wij moeten God meer gehoor geven dan mensen.

Verder lezen: 1 Petrus 2:1-101 Legt dan af alle kwaadwilligheid, alle bedrog, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerij, 2 en verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat gij daardoor moogt opwassen tot zaligheid, 3 indien gij geproefd hebt, dat de Here goedertieren is. 4 En komt tot Hem, de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar, 5 en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus. 6 Daarom staat er in een schriftwoord: Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren en kostbare hoeksteen, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. 7 U dan, die gelooft, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovigen geldt: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is geworden tot een hoeksteen en een steen des aanstoots en een rots der ergernis, 8 voor hen, die zich daaraan, in hun ongehoorzaamheid aan het woord, stoten, waartoe zij ook bestemd zijn. 9 Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: 10 u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen.

22 augustus

Zodra Petrus en Johannes zijn vrijgelaten, zoeken zij onmiddellijk de hunnen op. De gemeente is de plek waar gelovigen bemoediging en vertroosting zoeken. Wanneer de apostelen verslag doen van de vijandschap van de kant van de joodse overpriesters en oudsten, breekt er geen paniek uit. In plaats daarvan verheffen de gelovigen eenparig hun stem tot God. Het gebed dat zij dan opzenden is uiterst leerzaam. Ze beginnen niet met hun eigen nood, maar belijden de Here als de almachtige Schepper. Daarna grijpen ze terug op de Schriften. Wat ze meemaken, is de vervulling van Psalm 21 Waarom woelen de volken en zinnen de natiën op ijdelheid? 2 De koningen der aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de Here en zijn gezalfde: 3 Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen! 4 Die in de hemel zetelt, lacht; de Here spot met hen. 5 Dan spreekt Hij tot hen in zijn toorn, en verschrikt hen in zijn gramschap: 6 Ik heb immers mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg. 7 Ik wil gewagen van het besluit des Heren: Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt. 8 Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel, de einden der aarde tot uw bezit. 9 Gij zult hen verpletteren met een ijzeren knots, hen stukslaan als pottenbakkerswerk. 10 Nu dan, gij koningen, weest verstandig, laat u gezeggen, gij richters der aarde. 11 Dient de Here met vreze en verheugt u met beving. 12 Kust de zoon, opdat hij niet toorne en gij onderweg niet te gronde gaat, want zeer licht ontbrandt zijn toorn. Welzalig allen die bij Hem schuilen!. Aardse en geestelijke machten spannen samen “tegen de Here en tegen zijn Gezalfde”. Herodes, Pilatus, de heidenen en Israël hebben de Heere Jezus gekruisigd. Maar, zo belijdt de kerk vol ontzag: zij deden daarmee slechts “al wat uw hand en uw raad tevoren bepaald had, dat geschieden zou”. Zelfs de ergste zonden vielen niet buiten Gods soevereine raadsplan. Door het kruis bewerkte Hij onze verlossing! Vanuit dat rotsvaste vertrouwen bidden zij niet om een makkelijk leven zonder tegenspoed, maar om alle vrijmoedigheid om Gods Woord te te blijven spreken. En de Here verhoort dat gebed meteen. De plaats wordt bewogen, zij worden allen vervuld met de heilige Geest en spreken Gods Woord vrijmoedig. Laten ook wij dat doen: Gods Woord vrijmoedig (na)spreken, vervuld met Gods Geest.

Verder lezen: Efeziërs 6:18-2418 En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen; 19 ook voor mij, dat mij bij het openen van mijn mond het woord geschonken worde, om vrijmoedig het geheimenis van het evangelie bekend te maken, 20 waarvoor ik een gezant ben in ketenen. Dan zal ik daartoe vrijmoedig kunnen optreden, zoals ik behoor te spreken. 21 Opdat ook gij van mij moogt weten, hoe het mij gaat, zal Tychikus, mijn geliefde broeder en getrouwe dienaar in de Here, u alles bekendmaken. 22 Met dit doel heb ik hem tot u gezonden, dat gij onze omstandigheden zoudt weten en hij uw harten zou vertroosten. 23 Vrede zij de broeders en liefde met geloof, van God, de Vader, en van de Here Jezus Christus. 24 De genade zij met allen, die onze Here Jezus Christus onvergankelijk liefhebben.

23 augustus

De vrucht van de heilige Geest is niet alleen vrijmoedigheid om te (s)preken, maar ook onderling liefdebetoon. Lucas beschrijft hoe de menigte van hen die tot het geloof gekomen waren, “één van hart en ziel” is. Deze geestelijke eenheid krijgt zichtbaar gestalte in de omgang met geld en goed. Niemand hecht zich vast aan zijn bezit als zijn persoonlijk eigendom; de gelovigen hebben alles gemeenschappelijk. De liefde van Christus brengt hen tot diakonie, tot diénst, tot liefdedienst. Omdat er grote genade over hen allen is, verdwijnt het egoïsme. Men verkoopt zo nodig huizen en stukken grond, opdat de opbrengst kan worden uitgedeeld naar behoefte. Daardoor was er “ook niet één behoeftig onder hen”. Als voorbeeld noemt Lucas de Leviet Jozef, beter bekend als Barnabas: “zoon der vertroosting”. Hij verkoopt zijn akker en legt de opbrengst aan de voeten der apostelen. Deze levenshouding houdt ook ons een spiegel voor. Ware gemeenschap der heiligen betekent dat we niet krampachtig vasthouden aan ons aardse bezit, maar bereid zijn om met elkaar te delen, ja om elkaar te dienen, ook met wat wij bezitten aan stoffelijke gaven.

Verder lezen: 1 Johannes 3:11-1811 Want dit is de verkondiging, die gij van den beginne gehoord hebt: dat wij elkander zouden liefhebben; 12 niet gelijk Kaïn: hij was uit de boze en vermoordde zijn broeder. En waarom vermoordde hij hem? Omdat zijn werken boos waren en die van zijn broeder rechtvaardig. 13 Verwondert u niet, broeders, wanneer de wereld u haat. 14 Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben. Wie niet liefheeft, blijft in de dood. 15 Een ieder, die zijn broeder haat, is een mensenmoorder en gij weet, dat geen mensenmoorder eeuwig leven blijvend in zich heeft. 16 Hieraan hebben wij de liefde leren kennen, dat Hij zijn leven voor ons heeft ingezet; ook wij behoren dan voor de broeders ons leven in te zetten. 17 Wie nu in de wereld een bestaan heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden, maar zijn binnenste voor hem toesluit, hoe blijft de liefde Gods in hem? 18 Kinderkens, laten wij liefhebben niet met het woord of met de tong, maar met de daad en in waarheid.

24 augustus

Handelingen 5:1-111 En een zeker man, met name Ananias, met zijn vrouw Saffira, verkocht een eigendom, 2 hield iets van de opbrengst achter, met medeweten van zijn vrouw, en bracht een zeker deel en legde het aan de voeten der apostelen. 3 Maar Petrus zeide: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld om de heilige Geest te bedriegen en iets achter te houden van de opbrengst van het stuk land? 4 Als het onverkocht gebleven was, bleef het dan niet van u, en was, na de verkoop, de opbrengst niet te uwer beschikking? Hoe kondt gij aan deze daad in uw hart plaats geven? Gij hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God. 5 En bij het horen van deze woorden viel Ananias neder en blies de adem uit. En een grote vrees kwam over allen, die het hoorden. 6 En de jonge mannen stonden op en legden hem af, en zij droegen hem uit en begroeven hem. 7 En het geschiedde na verloop van ongeveer drie uur, dat zijn vrouw binnenkwam, onkundig van wat er gebeurd was. 8 En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gij het stuk land voor zoveel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zoveel. 9 En Petrus zeide tot haar: Hoe hebt gij kunnen overeenkomen om de Geest des Heren te verzoeken? Zie, de voeten van hen, die uw man hebben begraven, zijn aan de deur en zij zullen ook u uitdragen. 10 En zij viel terstond neder voor zijn voeten en blies de adem uit; en de jonge mannen kwamen binnen en vonden haar dood en zij droegen haar uit en begroeven haar bij haar man. 11 En een grote vrees kwam over de gehele gemeente en over allen, die dit hoorden.

In schril contrast met de toewijding van Barnabas staat het handelen van Ananias en Saffira. Ook zij verkopen een stuk eigendom, maar met een heel andere gezindheid. Zij houden iets van de opbrengst achter, terwijl ze net doen alsof ze alles aan de voeten der apostelen leggen. Ze zoeken de eer van mensen en kennen geen liefde tot God. Door de Geest geleid doorziet Petrus hun huichelarij. Hij vraagt scherp: “Waarom heeft de satan uw hart vervuld om de Heilige Geest te bedriegen?” Zij waren immers vrij om de opbrengst te houden. Hun zonde is de schijnheiligheid, het bewust bedriegen van de Heere. Petrus stelt het met klem: “Gij hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God.” Het ontzagwekkende oordeel dat volgt, laat zien hoe heilig de Heere is. Zowel Ananias als Saffira valt dood neer. God duldt geen zuurdesem van bedrog in de kerk die Christus zo duur heeft gekocht. Hij bewaart Zijn gemeente voor geestelijk bederf. Grote vrees kwam over de gehele gemeente. En ook ons moet deze geschiedenis brengen ontzag inboezemen. God laat niet met Zich spotten. Hij ziet dwars door onze vrome buitenkant heen en peilt onze harten. Laten wij ons met ons hart dan ook niet tot ons eigen verderf overgeven aan leugen en bedrog, maar aan Christus, de Weg, de Waarheid en het Leven.

Verder lezen: Jozua 7:1-151 De Israëlieten vergrepen zich evenwel aan het gebannene, doordat Achan, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerach, uit de stam Juda, iets wegnam van het gebannene. Toen ontbrandde de toorn des Heren tegen de Israëlieten. 2 Jozua nu zond mannen van Jericho naar Ai, dat bij Bet-Awen ligt, oostelijk van Betel, en zeide tot hen: Trekt op en verkent het land. Toen trokken die mannen op en verkenden Ai. 3 Daarop kwamen zij tot Jozua terug en zeiden tot hem: Het gehele volk behoeft niet op te trekken, laten ongeveer twee- of drieduizend man optrekken om Ai te verslaan; vermoei niet het gehele volk door een tocht daarheen, want zij zijn daar weinig talrijk. 4 Zo trokken van het volk ongeveer drieduizend man daarheen; zij sloegen echter voor de mannen van Ai op de vlucht. 5 Want de mannen van Ai versloegen van hen ongeveer zesendertig man; zij vervolgden hen buiten de poort tot aan de steengroeven en versloegen hen op de helling. Toen versmolt het hart van het volk en het werd als water. 6 En Jozua scheurde zijn klederen en wierp zich op zijn aangezicht ter aarde voor de ark des Heren tot aan de avond, hij en de oudsten van Israël, terwijl zij zich stof op het hoofd strooiden. 7 En Jozua zeide: Ach, Here Here, waarom hebt Gij dit volk dan toch over de Jordaan laten trekken, wanneer Gij ons in de macht der Amorieten wilt geven, zodat die ons te gronde richten? Hadden wij maar besloten aan gene zijde van de Jordaan te blijven! 8 Och, Here, wat zal ik zeggen, nu Israël zijn vijanden de rug heeft toegekeerd? 9 Wanneer de Kanaänieten en alle inwoners van het land het horen, zullen zij ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien. En wat zult Gij dan voor uw grote naam doen? 10 Toen zeide de Here tot Jozua: Sta toch op; waarom ligt gij daar op uw aangezicht? 11 Israël heeft gezondigd en zij hebben mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden, en ook iets van het gebannene weggenomen, en ook gestolen, en het heimelijk bij hun huisraad gelegd. 12 Daarom kunnen de Israëlieten geen stand houden tegen hun vijanden. Zij keren hun vijanden de rug toe, want zij liggen onder de ban. Ik zal voortaan niet meer met u zijn, indien gij niet de ban uit uw midden uitdelgt. 13 Sta op, heilig het volk en zeg: Heiligt u tegen morgen, want, zo zegt de Here, de God van Israël: er is een ban onder u, Israël, gij kunt geen stand houden voor uw vijanden, voordat gij de ban uit uw midden hebt verwijderd. 14 In de ochtend zult gij volgens uw stammen aantreden, en de stam, die de Here aanwijst, zal aantreden volgens de geslachten, en het geslacht, dat de Here aanwijst, zal aantreden volgens de families, en de familie, die de Here aanwijst, zal aantreden man voor man. 15 En wie aangewezen wordt als schuldig aan de ban, zal met vuur verbrand worden, hij en al wat hem toebehoort, omdat hij het verbond des Heren overtreden en een schandelijke dwaasheid in Israël gedaan heeft.

25 augustus

Door de dienst van Zijn apostelen zet onze verhoogde Heiland Zijn werk vanuit de hemel krachtig voort. Er geschieden vele tekenen en wonderen, die niet op zichzelf staan, maar de prediking van het evangelie begeleiden. Ze hebben een ondersteunende functie, bevestigen het apostolische getuigenis dat Christus is opgestaan uit de doden. Velen komen tot geloof, terwijl anderen het niet aandurven zich bij de kerk te voegen, uit vrees bijvoorbeeld voor verlies van eigen eer of aanzien, of uit angst voor maatregelen van de priesters en de Sadduceeën. De Joodse raad had het immers verboden in de naam van Christus te spreken. Onder het volk is echter ontzag voor het werk van de apostelen. Men hoopt op genezing doordat zelfs ook maar de schaduw van Petrus op een zieke zou vallen. Daarbij gaat het om geloof, niet in zogenaamd magische krachten van Petrus, maar in Christus en Zijn Geest. Want Christus Zelf is hier door Zijn Heilige Geest aan het werk. Hij is de grote Medicijnmeester, die Zijn overwinning op zonde, ziekte en de duivel hier aantoont door zieken te genezen. Laten ook wij vandaag onze toevlucht nemen tot Hem, die de macht heeft om volkomen te behouden.

Verder lezen: Psalm 103:1-131 Van David. Loof de Here, mijn ziel, en al wat in mij is, zijn heilige naam; 2 loof de Here, mijn ziel, en vergeet niet een van zijn weldaden; 3 die al uw ongerechtigheden vergeeft, die al uw krankheden geneest, 4 die uw leven verlost van de groeve, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid, 5 die uw ziel verzadigt met het goede, zodat uw jeugd zich vernieuwt als die van een arend. 6 De Here doet gerechtigheid en recht aan alle verdrukten. 7 Hij maakte Mozes zijn wegen bekend, de kinderen Israëls zijn daden. 8 Barmhartig en genadig is de Here, lankmoedig en rijk aan goedertierenheid; 9 niet altoos blijft Hij twisten, niet eeuwig zal Hij toornen; 10 Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden; 11 maar zo hoog de hemel is boven de aarde, zo machtig is zijn goedertierenheid over wie Hem vrezen. 12 Zover het oosten is van het westen, zover doet Hij onze overtredingen van ons; 13 gelijk zich een vader ontfermt over zijn kinderen, ontfermt Zich de Here over wie Hem vrezen.

26 augustus

Het evangelie verspreidt zich krachtig, maar dat roept felle weerstand op. De hogepriester en de Sadduceeën worden vervuld met jaloezie. Ze slaan de handen aan de apostelen en werpen hen in de gevangenis. Zo denken ze de opmars van hun ‘nieuwe leer’ definitief een halt toe te roepen. Maar de religieuze leiders vergeten één ding: ze strijden hier niet tegen een groepje ongewapende vissers, maar tegen de verhoogde Christus! Geen aardse gevangenis kan het werk van de levende Heiland tegenhouden. Zoals het graf Hem niet kon vasthouden, zo kunnen nu de gevangenisdeuren Zijn dienaren niet vasthouden. Een engel van de HEERE opent ‘s nachts de deuren. En hij beveelt de apostelen niet om veilig onder te duiken, maar stuurt hen rechtstreeks terug naar het hol van de leeuw: “Ga in de tempel staan en spreek tot het volk al deze woorden des levens.” Vol geloofsmoed gaan de apostelen daarmee door. Terwijl de joodse Raad even later in opperste verwarring bijeen is vanwege een hermetisch gesloten maar toch lege cel, klinkt in de tempel het evangelie alweer. Gods Woord laat zich niet binden. Het evangelie van de opgestane Christus is een woord van eeuwig leven, en die levendmakende boodschap moet klinken. Laten wij, geleid door Zijn Geest, dat evangelie geloven en met dezelfde vrijmoedigheid de Christus belijden!

Verder lezen: 2 Timoteüs 2:1-131 Gij dan, mijn kind, wees krachtig in de genade van Christus Jezus, 2 en wat gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan vertrouwde mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderrichten. 3 Lijd met de anderen als een goed soldaat van Christus Jezus. 4 Tijdens de veldtocht wordt geen soldaat gemoeid in de zorg voor zijn onderhoud; hij heeft (slechts) hem te voldoen, door wie hij aangeworven is. 5 En is iemand een kampvechter, dan ontvangt hij de krans alleen, als hij volgens de regels van de kamp heeft gestreden. 6 De landman, die de zware arbeid verricht, moet het eerst van de vruchten genieten. 7 Let wel op wat ik zeg, want de Here zal u in alles inzicht geven. 8 Gedenk, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, uit het geslacht van David, naar mijn evangelie, 9 waarvoor ik kwaad lijd en zelfs boeien draag als een misdadiger. Maar het woord van God is niet geboeid. 10 Om deze reden wil ik alles verdragen, om de uitverkorenen, opdat ook zij het heil in Christus Jezus verkrijgen met eeuwige heerlijkheid. 11 Het woord is betrouwbaar: immers, indien wij met Hem gestorven zijn, zullen wij ook met Hem leven; 12 indien wij volharden, zullen wij ook met Hem als koningen heersen; indien wij Hem zullen verloochenen, zal ook Hij ons verloochenen; 13 indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet.

27 augustus

Handelingen 5:26-4226 Toen ging de hoofdman met zijn dienaren erheen en nam hen mede, maar niet met geweld, want zij waren bevreesd, dat het volk hen stenigen zou; 27 en toen zij hen gebracht hadden, leidden zij hen voor de Raad. En de hogepriester ondervroeg hen, zeggende: 28 Wij hebben u nadrukkelijk verboden in deze naam te leren; en zie, gij hebt Jeruzalem vervuld met uw leer en gij wilt het bloed van deze mens op ons doen neerkomen. 29 Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzamen dan de mensen. 30 De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, die gij hebt gehangen aan een hout en omgebracht; 31 Hem heeft God door zijn rechterhand verhoogd, tot een Leidsman en Heiland om Israël bekering en vergeving van zonden te schenken. 32 En wij zijn getuigen van deze dingen en ook de heilige Geest, die God hun gegeven heeft, die Hem gehoorzaam zijn. 33 Toen zij dit hoorden, ontstaken zij in woede en wilden hen ter dood laten brengen. 34 Maar een zeker Farizeeër in de Raad, genaamd Gamaliël, een wetgeleerde, in ere bij het gehele volk, stond op en verzocht de mensen een ogenblik buiten te doen staan, 35 en hij zeide tot hen: Mannen van Israël, overweegt wel, wat gij met deze mensen zult doen! 36 Want vóór deze dagen stond Teudas op, die beweerde, dat hij iets was, en een aantal van ongeveer vierhonderd man sloot zich bij hem aan; maar hij werd gedood en zijn gehele aanhang viel uiteen en verliep. 37 Na hem stond Judas de Galileeër op, in de dagen der inschrijving, en kreeg vele afvalligen op zijn hand, maar ook deze is omgekomen en zijn gehele aanhang is uiteengeslagen. 38 En nu zeg ik u: Laat u niet in met deze mensen en laat hen geworden; want indien dit streven of dit werk uit mensen is, zal het vernietigd worden, 39 maar indien het uit God is, zult gij hen niet kunnen vernietigen; het mocht eens blijken, dat gij tegen God strijdt. En zij lieten zich door hem gezeggen, 40 en na de apostelen voorgeroepen te hebben, lieten zij hen geselen en verboden hun te spreken in de naam van Jezus, en gaven hun de vrijheid. 41 Zij dan gingen uit de Raad weg, verblijd, dat zij verwaardigd waren ter wille van de naam smadelijk behandeld te zijn; 42 en zonder ophouden, iedere dag, leerden zij in de tempel en aan huis, en verkondigden het evangelie, dat de Christus Jezus is.

Opnieuw staan de apostelen voor de joodse Raad. De aanklacht luidt: “Gij hebt Jeruzalem vervuld met uw leer!” Onbedoeld een prachtig getuigenis dat de evangelieprediking voortvarend voortgaat. De apostelen deinzen niet terug voor de Raad. Geleid door de Heilige Geest belijden ze standvastig: “Men moet Gode meer gehoorzamen dan de mensen.” Bovendien gebruiken ze het verhoor niet maar om zichzelf te verdedigen, maar om de Christus te prediken. Ze wijzen de geestelijke leiders op hun schuld – zij hebben Christus aan het kruishout genageld – maar tonen bovenal Gods heilsplan: God heeft deze Jezus opgewekt en verhoogd tot een Leidsman en Heiland, “om bekering en vergeving van zonden te schenken.” Een heerlijk wonder van Gods genade! De Raad ontsteekt in blinde woede, maar God waakt over Zijn gemeente. Hij gebruikt de farizeeër Gamaliël om een bloedbad te voorkomen. Zelfs een gruwelijke geseling krijgt de apostelen er niet onder. Integendeel, ze verlaten de rechtbank vol blijdschap, omdat ze zijn verwaardigd om te lijden voor de Naam van hun Heiland. Onophoudelijk klinkt de boodschap verder. Laten wij, door diezelfde Geest bezield, vrijmoedig ons kruis dragen en van Christus getuigen.

Verder lezen: 1 Petrus 4:12-1912 Geliefden, laat de vuurgloed, die tot beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwame. 13 Integendeel, verblijdt u naarmate gij deel hebt aan het lijden van Christus, opdat gij u ook met vreugde zult mogen verblijden bij de openbaring zijner heerlijkheid. 14 Indien gij door de naam van Christus smaad lijdt, zijt gij zalig, daar de Geest der heerlijkheid en de Geest Gods op u rust. 15 Laat dus niemand uwer moeten lijden als moordenaar, of dief, of boosdoener, of als een bemoeial. 16 Indien hij echter als Christen lijdt, dan schame hij zich niet, maar verheerlijke God onder die naam. 17 Want het is nu de tijd, dat het oordeel begint bij het huis Gods; als het bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods? 18 En indien de rechtvaardige ternauwernood behouden wordt, waar zal dan de goddeloze en zondaar verschijnen? 19 Laten derhalve ook zij, die naar de wil van God lijden, hun zielen aan de getrouwe Schepper overgeven, steeds het goede doende.

28 augustus

Handelingen 61 En toen in die dagen de discipelen talrijker werden, ontstond er gemor bij de Grieks sprekenden tegen de Hebreeën, omdat hun weduwen bij de dagelijkse verzorging verwaarloosd werden. 2 En de twaalven riepen de menigte der discipelen bijeen en zeiden: Het bevredigt niet, dat wij met veronachtzaming van het woord Gods de tafels bedienen. 3 Ziet dan uit, broeders, naar zeven mannen onder u, die goed bekend staan, vol van Geest en wijsheid, opdat wij hen voor deze taak aanstellen; 4 maar wij zullen ons houden aan het gebed en de bediening van het woord. 5 En dit voorstel vond bijval bij de gehele menigte, en zij kozen Stefanus, een man vol van geloof en heilige Geest, Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een Jodengenoot uit Antiochië; 6 hen stelden zij voor de apostelen, die, na gebeden te hebben, hun de handen oplegden. 7 En het woord Gods wies en het getal der discipelen te Jeruzalem nam zeer toe en een talrijke schare van de priesters gaf gehoor aan het geloof. 8 En Stefanus, vol van genade en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk. 9 Doch er stonden sommigen op van hen, die waren van de zogenaamde synagoge der Libertijnen, der Cyreneeërs en der Alexandrijnen en van de Joden uit Cilicië en Asia en redetwistten met Stefanus, 10 en zij waren niet bij machte de wijsheid en de Geest, waardoor hij sprak, te weerstaan. 11 Toen schoven zij mannen naar voren, die zeiden: Wij hebben hem lasterlijke woorden tegen Mozes en God horen spreken. 12 En zij brachten zowel het volk als de oudsten en de schriftgeleerden in opschudding; en op hem aandringende, sleepten zij hem mede en leidden hem voor de Raad, 13 en voerden valse getuigen aan, die zeiden: Deze mens spreekt onophoudelijk lasterlijke woorden tegen [deze] heilige plaats en de wet, 14 want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus, de Nazoreeër, deze plaats zal afbreken en de zeden veranderen, die Mozes ons heeft overgeleverd. 15 En allen, die in de Raad zitting hadden, zagen, toen zij hem aanstaarden, zijn gelaat als het gelaat van een engel.

De gemeente van Christus groeit gestaag, maar waar Gods werk voortgaat, daar zit de duivel niet stil. Hij probeert de kerk van binnenuit te ontwrichten. Er ontstaat gemor over de verzorging van de weduwen. De apostelen kunnen die verzorging niet goed aan zonder dat de dienst van het Woord en van de gebeden in het gedrang komen. Daarom stellen zij zeven met de Heilige Geest vervulde mannen aan. Hoe goed zorgt de Heere daarmee voor Zijn kerk zorgt: met de instelling van het diakenambt naast het predikambt komt de prediking noch de armenverzorging in gevaar. Eén van de zeven diakenen is Stefanus. Hij mag niet alleen dienen aan de tafels, maar ook wonderen verrichten onder het volk. En dat stuit op vijandschap. Als de joodse tegenstanders het afleggen tegen de geestelijke wijsheid van Stefanus, grijpen ze naar een doortrapt wapen: valse getuigenissen. Ze slepen hem voor het Sanhedrin. Stefanus volgt hierin zijn grote Meester, die immers ook door valse getuigen werd aangeklaagd inzake het afbreken van de tempel. Maar Stefanus raakt niet in paniek. Terwijl de leugens over tafel vliegen, straalt zijn gezicht als dat van een engel. Hij mag delen in de heerlijkheid van de verhoogde Christus. Laten ook wij vervuld met diezelfde Geest ons niet schamen voor onze Heiland.

Verder lezen: 1 Timoteüs 3:8-168 Evenzo moeten de diakenen waardig zijn, niet met twee tongen sprekende, niet verzot op veel wijn, niet op winstbejag uit, 9 maar het geheimenis des geloofs bewarend in een rein geweten. 10 Laten ook dezen eerst op de proef gesteld worden, om daarna, als zij onberispelijk blijken, hun dienst te vervullen. 11 Evenzo moeten (hun) vrouwen zijn: waardig, geen kwaadspreeksters, nuchter, betrouwbaar in alles. 12 Diakenen moeten mannen van één vrouw zijn, hun kinderen en hun eigen huis goed bestieren. 13 Want zij, die hun dienst goed hebben vervuld, verwerven zich een ereplaats en veel vrijmoedigheid om te spreken door het geloof in Christus Jezus. 14 Dit schrijf ik u, hoewel ik vrij spoedig tot u hoop te komen. 15 Mocht ik nog uitblijven, dan weet gij, hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God, een pijler en fundament der waarheid. 16 En buiten twijfel, groot is het geheimenis der godsvrucht: Die Zich geopenbaard heeft in het vlees, is gerechtvaardigd door de Geest, is verschenen aan de engelen, is verkondigd onder de heidenen, geloofd in de wereld, opgenomen in heerlijkheid.

29 augustus

Handelingen 7:1-531 En de hogepriester zeide: Is dat zo? 2 En hij zeide: Gij, mannen broeders en vaders, hoort toe. De God der heerlijkheid is verschenen aan onze vader Abraham, toen hij nog in Mesopotamië was, voordat hij in Haran ging wonen, 3 en Hij zeide tot hem: Verlaat uw land en uw bloedverwanten en kom herwaarts naar het land, dat Ik u wijzen zal. 4 Toen vertrok hij uit het land der Chaldeeën en vestigde zich in Haran. En nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem vandaar over naar dit land, waar gij nu woont; 5 en Hij gaf hem geen erfdeel daarin, zelfs niet één voet, maar Hij beloofde het hem en zijn nakomelingschap tot een bezitting te geven, ofschoon hij geen kinderen had. 6 En God sprak aldus, dat zijn nakomelingen bijwoners zouden zijn in een vreemd land en dat zij hen knechten en mishandelen zouden vierhonderd jaren; 7 maar het volk, dat zij dienen zullen, zal Ik oordelen, sprak God, en daarna zullen zij uittrekken en Mij vereren aan deze plaats. 8 En Hij gaf hem het verbond der besnijdenis; en aldus verwekte hij Isaak en besneed hem op de achtste dag; en Isaak verwekte Jakob en Jakob de twaalf aartsvaders. 9 En de aartsvaders verkochten uit naijver Jozef naar Egypte, maar God was met hem, 10 en verloste hem uit al zijn verdrukkingen en gaf hem genade en wijsheid tegenover Farao, de koning van Egypte, die hem aanstelde tot hoofd over Egypte en over zijn gehele huis. 11 En er kwam hongersnood over geheel Egypte en Kanaän en grote verdrukking, en onze vaderen vonden geen voedsel. 12 Maar toen Jakob hoorde, dat er koren was in Egypte, zond hij onze vaderen de eerste maal daarheen; 13 en bij de tweede maal maakte Jozef zich aan zijn broeders bekend en Jozefs afkomst werd aan Farao openbaar. 14 En Jozef zond heen om zijn vader Jakob te laten komen en al zijn bloedverwanten, vijfenzeventig zielen. 15 En Jakob trok af naar Egypte, en hijzelf stierf, en onze vaderen; 16 en zij werden overgebracht naar Sichem en bijgezet in het graf, dat Abraham voor een som gelds van de zonen van Hemor te Sichem gekocht had. 17 Doch naarmate de tijd der belofte, waarmede God Zich aan Abraham verbonden had, naderde, vermeerderde het volk en vermenigvuldigde zich in Egypte, 18 totdat er over Egypte een andere koning aan het bewind kwam, die Jozef niet gekend had. 19 Deze nam list te baat tegenover ons geslacht en handelde slecht met de vaderen, en liet hen hun zuigelingen te vondeling leggen, opdat het volk zich niet zou voortplanten. 20 Te dien tijde werd Mozes geboren en hij was schoon voor God; drie maanden werd hij opgevoed in zijns vaders huis. 21 En toen hij te vondeling was gelegd, nam de dochter van Farao hem aan en liet hem als haar eigen zoon opvoeden. 22 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren en was machtig in zijn woorden en werken. 23 Toen hij nu de leeftijd van veertig jaar bereikt had, kwam het in zijn hart op, naar zijn broeders, de kinderen Israëls, om te zien. 24 En toen hij er een onrechtvaardig zag behandelen, beschermde hij hem en nam het voor hem op, die mishandeld werd, door de Egyptenaar neer te slaan. 25 Hij meende, dat zijn broeders zouden inzien, dat God hun door zijn hand verlossing wilde geven, maar zij zagen het niet in. 26 En de volgende dag vertoonde hij zich weer onder hen, terwijl zij aan het vechten waren, en hij maande hen tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders, waarom doet gij elkander onrecht? 27 Maar hij, die zijn naaste onrecht deed, stiet hem van zich en zeide: Wie heeft u tot overste en rechter over ons aangesteld? 28 Wilt gij mij soms ombrengen, zoals gij gisteren de Egyptenaar hebt omgebracht? 29 En Mozes vluchtte op dit woord en werd een bijwoner in het land Midjan, waar hij twee zonen verwekte. 30 En toen er veertig jaren voorbijgegaan waren, verscheen hem in de woestijn van de berg Sinai een engel in de vlam van een brandende braamstruik. 31 En toen Mozes dit zag, verwonderde hij zich over het gezicht, en toen hij erheen ging om het te onderzoeken, kwam een stem des Heren (tot hem): 32 Ik ben de God uwer vaderen, de God van Abraham en Isaak en Jakob. En bevend van schrik durfde Mozes het niet onderzoeken. 33 En de Here zeide tot hem: Doe uw schoeisel van uw voeten, want de plaats, waar gij staat, is heilige grond. 34 Ik heb de mishandeling van mijn volk in Egypte zeer wel gezien en Ik heb zijn zuchten gehoord en ben nedergedaald om hen te verlossen; en nu, kom hier, laat Ik u naar Egypte zenden. 35 Deze Mozes, die zij verloochend hadden door te zeggen: Wie heeft u tot overste en rechter aangesteld, heeft God als een overste en bevrijder gezonden, met de macht van de engel, die hem verschenen was in de braamstruik. 36 Deze heeft hen uitgeleid onder het verrichten van wonderen en tekenen in het land Egypte, in de Rode zee en in de woestijn, veertig jaren lang. 37 Dit is die Mozes, die tot de kinderen Israëls gezegd heeft: Een profeet gelijk mij zal God u uit uw broeders doen opstaan. 38 Deze is het, die in de vergadering in de woestijn met de engel was, die tot hem sprak op de Sinai, en met onze vaderen; en hij ontving levende woorden om die u te geven. 39 En onze vaderen wilden hem niet gehoorzamen, maar stieten hem van zich en wendden zich in hun hart naar Egypte, 40 zeggende tot Aäron: Maak ons goden, die vóór ons uit zullen gaan; want deze Mozes, die ons uit het land Egypte geleid heeft, wij weten niet, wat er van hem geworden is. 41 En zij maakten een kalf in die dagen en brachten een offerande aan de afgod en verheugden zich over de werken hunner handen. 42 En God keerde Zich af en gaf hen over, om het heir des hemels te vereren, gelijk geschreven staat in het boek der profeten: Hebt gij ook slachtofferen en offeranden Mij gebracht, veertig jaren in de woestijn, o huis van Israël? 43 Hebt gij niet de tent van Moloch gedragen en de ster van de god Romfa, de afbeeldingen, die gij gemaakt hadt om die te aanbidden? En Ik zal u overbrengen, nog verder dan Babylon. 44 De tent der getuigenis hadden onze vaderen in de woestijn, zoals Hij het geboden had, die tot Mozes zeide, dat hij haar moest maken naar het voorbeeld, dat hij gezien had. 45 Onze vaderen namen die over en met Jozua brachten zij haar verder, bij de onderwerping van de heidenen, welke God heeft verdreven voor onze vaderen, (in het land), tot de dagen van David. 46 Deze heeft genade gevonden bij God en gevraagd een woonstede te mogen vinden voor het huis van Jakob. 47 Maar (eerst) Salomo bouwde Hem een huis. 48 De Allerhoogste echter woont niet in wat men met handen maakt, zoals de profeet zegt: 49 De hemel is Mij ten troon, en de aarde een voetbank mijner voeten. Wat voor huis zult gij Mij bouwen, zegt de Here, of wat is de plaats mijner rust? 50 Heeft niet mijn hand dit alles gemaakt? 51 Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij verzet u altijd tegen de heilige Geest; gelijk uw vaderen, zo ook gij. 52 Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? Zelfs hebben zij hen gedood, die geprofeteerd hebben van de komst van de Rechtvaardige, van wie gij nu verraders en moordenaars geworden zijt, 53 gij, die de wet ontvangen hebt op beschikking van engelen, doch haar niet hebt gehouden.

Tijdens zijn verhoor door de Joodse Raad houdt Stefanus geen krampachtige verdedigingsrede voor zichzelf, maar een machtige preek over Gods handelen in de heilsgeschiedenis. De rode draad in zijn betoog is even helder als ontdekkend. Eerst toont hij aan dat God Zich niet laat opsluiten in een stenen tempel; Hij verscheen immers al aan Abraham toen deze nog in het heidense Mesopotamië was. Vervolgens houdt Stefanus de geestelijke leiders een pijnlijke spiegel voor. Hij wijst op een hardnekkig patroon in de geschiedenis van Israël: telkens wanneer God een verlosser zond, werd deze door het volk afgewezen. Jozef werd uit jaloezie verkocht. Mozes werd weggestuurd met de kille woorden: “Wie heeft u tot overste aangesteld?” De vaderen stootten Gods dienaren van zich af en bogen liever voor afgoden. En dan volgt de climax. Stefanus doorprikt de schijnvroomheid van zijn aanklagers en noemt hen “hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren”. Ze doen precies hetzelfde als hun voorvaders, maar dan erger: ze hebben de beloofde Christus, de Rechtvaardige, verraden en vermoord! Ze verzetten zich tegen de Heilige Geest. Dat is een ernstige waarschuwing, ook voor ons vandaag. Wij hebben de Heilige Geest nodig om ons af te helpen van de hardheid van ons hart, opdat wij Christus niet verwerpen maar gelovig omhelzen.

Verder lezen: Jeremia 7:1-151 Het woord, dat van de Here tot Jeremia kwam: 2 Ga staan in de poort van het huis des Heren, predik daar dit woord en zeg: Hoort het woord des Heren, o gans Juda, gij die door deze poorten binnenkomt om u neder te buigen voor de Here; 3 zo zegt de Here der heerscharen, de God van Israël: Betert uw handel en wandel, dan wil Ik u op deze plaats laten wonen. 4 Stelt uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: Des Heren tempel, des Heren tempel, des Heren tempel is dit! 5 Neen, als gij werkelijk uw handel en wandel betert, als gij werkelijk onder elkander recht doet, 6 vreemdeling, wees en weduwe niet verdrukt, geen onschuldig bloed vergiet op deze plaats en andere goden niet achternaloopt, u tot onheil, 7 dan wil Ik u op deze plaats, in het land dat Ik aan uw vaderen gegeven heb, laten wonen van eeuw tot eeuw. 8 Zie, gij stelt uw vertrouwen op bedrieglijke woorden, zonder bate. 9 Wat? Stelen, doodslaan, echtbreken, vals zweren, voor de Baäl offers ontsteken en andere goden achternalopen, die gij niet gekend hebt - 10 en komt gij dan staan voor mijn aangezicht in dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, en zegt: Wij zijn geborgen! ten einde al deze gruwelen te bedrijven? 11 Is dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, in uw ogen een rovershol? En Ik - zie, Ik heb het wel degelijk opgemerkt, luidt het woord des Heren. 12 Want, gaat naar mijn plaats die in Silo was, waar Ik in het eerst mijn naam deed wonen, en ziet wat Ik daarmede gedaan heb om de boosheid van mijn volk Israël. 13 Nu dan, omdat gij al deze dingen gedaan hebt, luidt het woord des Heren, terwijl Ik tot u gesproken heb vroeg en laat, zonder dat gij gehoor gegeven hebt, en Ik u geroepen heb, zonder dat gij hebt geantwoord, 14 daarom zal Ik met het huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, waarop gij uw vertrouwen stelt, en met de plaats die Ik aan u en uw vaderen gegeven heb, doen gelijk Ik met Silo gedaan heb, 15 en Ik zal u van voor mijn aangezicht wegwerpen, gelijk Ik al uw broederen, het gehele zaad van Efraïm, weggeworpen heb.

30 augustus

De preek van Stefanus treft doel, maar in plaats van berouw roept het een moorddadige woede op bij de Joodse leiders. Ze knarsen de tanden. Maar Stefanus kijkt niet naar zijn tierende vijanden; hij kijkt omhoog. Vervuld met de Heilige Geest ziet hij de hemel geopend en de Heere Jezus staan aan de rechterhand van God. Onze verhoogde Heiland staat in de hemel op om Zijn trouwe getuige te verdedigen en hem straks welkom te heten in Zijn hemelse heerlijkheid. Terwijl de stenen zijn lichaam verbrijzelen, weerspiegelt Stefanus zijn Meester. Precies zoals de Heere Jezus aan het kruis, beveelt hij zijn geest in Gods handen en bidt hij om vergeving voor zijn moordenaars: “Heere, reken hun deze zonde niet toe!” Daarna ontslaapt hij in vrede. Bij deze brute moord staat een jonge, fanatieke farizeeër: Saulus. Hij stemt van harte in met de steniging van Stefanus. Het lijkt een enorme nederlaag voor de kerk, zeker als er een zware vervolging losbarst. Maar de Heere regeert. Juist deze verstrooiing vormt het zaad waardoor het evangelie straks groeit en bloeit in de wijde wereld. En we weten hoe Saulus straks diezelfde Christus ontmoet en door Zijn ingrijpen tot bekering komt. Zelfs in de grootste moeiten voor de kerk houdt haar verhoogde Heiland de regie in handen!

Verder lezen: Lucas 23:33-4633 En toen zij aan de plaats gekomen waren, die Schedel genoemd wordt, kruisigden zij Hem daar en ook de misdadigers, de ene aan zijn rechterzijde en de andere aan zijn linkerzijde. 34 En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. En zij wierpen het lot om zijn klederen te verdelen. 35 En het volk stond erbij en zag toe. Ook de oversten hoonden en zeiden: Anderen heeft Hij gered, laat Hij nu Zichzelf redden, indien Hij de Christus Gods is, de uitverkorene! 36 Ook de soldaten kwamen naderbij om Hem te bespotten en brachten Hem zure wijn, 37 en zeiden: Indien Gij de Koning der Joden zijt, red dan Uzelf! 38 Er was ook een opschrift boven Hem: Dit is de Koning der Joden. 39 Eén der gehangen misdadigers lasterde Hem: Zijt Gij niet de Christus? Red Uzelf en ons! 40 Maar de andere antwoordde en zeide, hem bestraffende: Vreest zelfs gij God niet, nu gij hetzelfde vonnis ontvangen hebt? 41 En wij terecht, want wij ontvangen vergelding, naar wat wij gedaan hebben, maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. 42 En hij zeide: Jezus, gedenk mijner, wanneer Gij in uw Koninkrijk komt. 43 En Hij zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn. 44 En het was reeds ongeveer het zesde uur en er kwam duisternis over het gehele land tot het negende uur, 45 want de zon werd verduisterd. En het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor. 46 En Jezus riep met luider stem: Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest. En toen Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest.

31 augustus

Handelingen 8:4-254 Zij dan, die verstrooid werden, trokken het land door, het evangelie verkondigende. 5 En Filippus daalde af naar de stad van Samaria en predikte hun de Christus. 6 En toen de scharen Filippus hoorden en tekenen zagen, die hij deed, hielden zij zich eenparig aan hetgeen door hem gezegd werd. 7 Want van velen, die onreine geesten hadden, gingen deze onder luid geroep uit en vele verlamden en kreupelen werden genezen; 8 en er kwam grote blijdschap in die stad. 9 En een man, met name Simon, was reeds vóór deze tijd in de stad bezig met toverij, waardoor hij het volk van Samaria verbijsterde, en hij beweerde van zichzelf, dat hij iets groots was; 10 en allen, van klein tot groot, hielden zich aan hem en zeiden: Deze is wat genoemd wordt de grote kracht Gods. 11 En zij hielden zich aan hem, omdat hij reeds lange tijd hen door toverijen verbijsterd had. 12 Toen zij echter geloof schonken aan Filippus, die het evangelie van het Koninkrijk Gods en van de naam van Jezus Christus predikte, lieten zij zich dopen, zowel mannen als vrouwen. 13 En ook Simon zelf kwam tot geloof, en na gedoopt te zijn, bleef hij voortdurend bij Filippus, verbijsterd door de tekenen en grote krachten, die hij zag geschieden. 14 Toen nu de apostelen te Jeruzalem hoorden, dat Samaria het woord Gods had aanvaard, zonden zij tot hen Petrus en Johannes, 15 die, daar aangekomen, voor hen baden, dat zij de heilige Geest mochten ontvangen. 16 Want deze was nog over niemand van hen gekomen, maar zij waren alleen gedoopt in de naam van de Here Jezus. 17 Toen legden zij hun de handen op en zij ontvingen de heilige Geest. 18 En toen Simon zag, dat door de handoplegging der apostelen de Geest werd gegeven, bood hij hun geld aan, 19 en zeide: Geef ook mij deze macht, opdat, als ik iemand de handen opleg, hij de heilige Geest ontvange. 20 Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u ten verderve, daar gij gemeend hebt de gave Gods voor geld te kunnen verwerven. 21 Gij hebt part noch deel aan deze zaak, want uw hart is niet recht voor God. 22 Bekeer u van deze uw boosheid en bid de Here, of deze toeleg van uw hart u moge vergeven worden; 23 want ik zie, dat gij gekomen zijt tot een gal van bitterheid en een warnet van ongerechtigheid. 24 Doch Simon antwoordde en zeide: Bidt gij voor mij tot de Here, dat mij niets moge overkomen van hetgeen gij gezegd hebt. 25 Toen zij dan het woord des Heren betuigd en gesproken hadden, keerden zij terug naar Jeruzalem en verkondigden het evangelie aan vele dorpen der Samaritanen.

De Heere gebruikt de vervolging in Jeruzalem voor Zijn doel, dwars tegen de bedoeling van de vijand in. De gelovigen worden verstrooid en dragen zo het zaad van het evangelie overal mee naartoe. Filippus trekt zelfs naar Samaria. De eeuwenoude vijandschap tussen Joden en Samaritanen wordt doorbroken. Filippus preekt er de Christus, en het resultaat is overweldigend: boze geesten vluchten, zieken genezen en blijdschap vervult de stad. In Samaria woont echter ook Simon de tovenaar, een man die lang indruk wist te maken met zijn toverijen. Ook hij komt op de prediking van Filippus tot ‘geloof’, echter niet tot een waar geloof. Hij laat zich wel dopen, maar als Petrus en Johannes de Heilige Geest ‘uitdelen’, wil Simon die macht met geld kopen. Het blijkt hem slechts te doen om eigen macht en aanzien. Petrus doorziet het: “Uw hart is niet recht voor God.” Simon is wel lid van de kerk geworden, maar geen levend lid. Het is een ernstige waarschuwing: we kunnen in de kerk gedoopt zijn en met alles meedoen zonder in Christus te geloven. Maar we houden God niet voor de gek. Hij laat Zich niet bedriegen en zal alle huichelaars vroeg of laat ontmaskeren. Laat het ons er dan ook om te doen zijn, om alleen uit genade deel te hebben aan Christus en Zijn Geest.

Verder lezen: Matteüs 7:13-2313 Gaat in door de enge poort, want wijd is [de poort] en breed de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan; 14 want eng is de poort, en smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden. 15 Wacht u voor de valse profeten, die in schapevacht tot u komen, maar van binnen zijn zij roofgierige wolven. 16 Aan hun vruchten zult gij hen kennen: men leest toch geen druiven van dorens of vijgen van distels? 17 Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de slechte boom brengt slechte vruchten voort. 18 Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, of een slechte boom goede vruchten dragen. 19 Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. 20 Zo zult gij hen dan aan hun vruchten kennen. 21 Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is. 22 Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? 23 En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid.

1 september

Handelingen 8:26-4026 En een engel des Heren sprak tot Filippus en zeide: Sta op en ga tegen de middag de weg op, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza. Deze is eenzaam. 27 En hij stond op en ging. En zie, een Ethiopiër, een kamerling, een rijksgrote van Kandake, de koningin der Ethiopiërs, haar opperschatbewaarder, was naar Jeruzalem gegaan om te aanbidden; 28 en hij was op de terugweg en las, in zijn wagen gezeten, de profeet Jesaja. 29 En de Geest zeide tot Filippus: Treed toe en voeg u bij deze wagen. 30 En Filippus liep snel erheen en hoorde hem de profeet Jesaja lezen en zeide: Verstaat gij wat gij leest? 31 En hij zeide: Hoe zou ik dit kunnen, als niet iemand mij de weg wijst? En hij verzocht Filippus in te stappen en naast hem te komen zitten. 32 En het gedeelte van de Schrift, dat hij las, was dit: Gelijk een schaap werd Hij ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is tegenover de scheerder, zo doet Hij zijn mond niet open. 33 In de vernedering werd zijn oordeel weggenomen: wie zal zijn afkomst verhalen? Want zijn leven wordt van de aarde weggenomen. 34 En de kamerling antwoordde, en zeide tot Filippus: Ik vraag u, van wie zegt de profeet dit? Van zichzelf of van iemand anders? 35 En Filippus opende zijn mond, en uitgaande van dat schriftwoord, predikte hij hem Jezus. 36 En terwijl zij onderweg waren, kwamen zij bij een water, en de kamerling zeide: Zie, daar is water; wat is ertegen, dat ik gedoopt word? 37 [En hij zeide: Indien gij van ganser harte gelooft, is het geoorloofd. En hij antwoordde en zeide: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is.] 38 En hij liet de wagen stilhouden en beiden daalden af in het water, zowel Filippus als de kamerling, en hij doopte hem. 39 En toen zij uit het water gekomen waren, nam de Geest des Heren Filippus weg en de kamerling zag hem niet meer, want hij ging zijn weg met blijdschap. 40 Maar Filippus bleek te Asdod te zijn; en hij trok rond om het evangelie te prediken aan alle steden, totdat hij te Caesarea kwam.

Filippus krijgt een bijzondere opdracht. Een engel stuurt hem naar een eenzame woestijnweg. Waarom? Omdat de Heere de Goede Herder is, die ook dat éne verdwaalde schaap zoekt. Op die weg rijdt een hooggeplaatste Ethiopiër. Hij is in de tempel van Jeruzalem geweest om God te aanbidden, maar kennelijk heeft hij nog niet genoeg kennis van de zaligheid. Hij leest in de boekrol van Jesaja, maar hij verstaat niet wat hij leest. En dan is het enkel en alleen te danken aan Gods voorzienigheid, dat Filippus naar zijn wagen komt. De Heilige Geest stuurt hem daarnaartoe. De Ethiopiër leest net het hoofdstuk over het Lam dat ter slachting wordt geleid. “Over wie gaat dit?” vraagt hij. Filippus grijpt dit moment aan en predikt hem Jezus. Híj is dat onschuldige Lam. Christus zweeg toen Hij werd aangeklaagd, om in onze plaats de straf te dragen. Zijn leven werd weggenomen, opdat wij eeuwig zouden leven. Wanneer de ogen van de kamerling opengaan voor deze Zaligmaker, wil hij meteen gedoopt worden. Hij belijdt met heel zijn hart dat Jezus de Zoon van God is. Daarna reist hij met grote blijdschap verder. Wie in de Schriften de Heere Jezus als zijn persoonlijke Verlosser leert kennen, ontvangt een vreugde die de wereld nooit kan geven.

Verder lezen: Jesaja 53:1-81 Wie gelooft, wat wij gehoord hebben, en aan wie is de arm des Heren geopenbaard? 2 Want als een loot schoot hij op voor zijn aangezicht, en als een wortel uit dorre aarde; hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd. 3 Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht. 4 Nochtans, onze ziekten heeft hij op zich genomen, en onze smarten gedragen; wij echter hielden hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte. 5 Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden. 6 Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de Here heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen. 7 Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open. 8 Hij is uit verdrukking en gericht weggenomen, en wie onder zijn tijdgenoten bedacht, dat hij is afgesneden uit het land der levenden? Om de overtreding van mijn volk is de plaag op hem geweest.

2 september

Saulus is vervuld met haat. Hij wil de volgelingen van Christus vervolgen. Gewapend met arrestatiebevelen trekt hij naar Damascus om de kerk van Christus uit te roeien. Maar God grijpt in. Een hemels licht omstraalt Saulus. De levende Christus werpt hem in het stof met de indringende vraag: “Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?” Wie christenen vervolgt, raakt immers Christus Zelf aan! Hij is één met de Zijnen. Eenmaal in Damascus zit de verblinde Saulus in duisternis en angst. Maar “zie, hij is in gebed”, krijgt Ananias te horen. De trotse farizeeër is gebroken, de felle vervolger is een roepende boeteling geworden. Als Ananias ten slotte bij hem komt, klinkt niet Gods oordeel, maar het heerlijke wonder van Gods genade: “Saul, broeder”, mag Ananias zeggen. De vijand is door de HEERE uitgekozen als Zijn werktuig. De bekering van Saulus bewijst dat niemand te slecht is of te ver afgedwaald om gered te kunnen worden. Nu kunnen wij onszelf niet redden, maar de levende Christus kan dat wel. Hij zoekt vijanden op om hen tot Gods kinderen te maken. Paulus zou later schrijven, wat ook voor ons geldt: wij zijn, toen wij nog vijanden waren, met God verzoend door de dood van Zijn Zoon. Hoeveel temeer zullen wij dan nu behouden worden, doordat Hij leeft!

Verder lezen: Romeinen 5:1-111 Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, 2 door wie wij ook de toegang hebben verkregen [in het geloof] tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods. 3 En niet alleen (hierin), maar wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt, 4 en de volharding beproefdheid, en de beproefdheid hoop; 5 en de hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de heilige Geest, die ons gegeven is, 6 zo zeker als Christus, toen wij nog zwak waren, te zijner tijd voor goddelozen is gestorven. 7 Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven - maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede te sterven - 8 God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is. 9 Veel meer zullen wij derhalve, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn. 10 Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood zijns Zoons, zullen wij veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden worden, doordat Hij leeft; 11 en dát niet alleen, maar wij roemen zelfs in God door onze Here Jezus [Christus], door wie wij nu de verzoening ontvangen hebben.

3 september

Handelingen 9:19b-31

Hoe wonderlijk: Saulus, de man die kortgeleden de kerk nog wilde uitroeien, staat nu in de synagoge van Damascus vol vuur te preken dat Jezus de Zoon van God is! Hij toont duidelijke vruchten van ware bekering. Maar zijn ommekeer roept onmiddellijk vijandschap op; de jager wordt nu zelf de prooi. De Joden verdragen de naam van Christus niet en smeden daarom plannen om Saulus te vermoorden. Wanneer hij veilig in Jeruzalem aankomt, is de gemeente begrijpelijkerwijs wantrouwend. Wie kan geloven dat deze bloeddorstige wolf werkelijk in een schaap is veranderd? Is hij niet een wolf in schaapskleren? Maar dan ontfermt Barnabas zich over hem. Hij pleit voor Saulus bij de apostelen en neemt het wantrouwen weg. En waar Barnabas bemiddelt, daar doet de Heere Jezus dat wel bij uitstek. Hij is onze grote, volmaakte Middelaar, die onwaardige zondaren verzoent en binnenbrengt in de gemeenschap met God en Zijn kinderen. Ondanks de felle weerstand bewaart God Zijn kerk. De gemeente ontvangt een gezegende tijd van vrede. Ze wandelt in de vreze des Heeren en neemt toe door de troost van de Heilige Geest. Er is bij haar een ootmoedig ontzag voor de HEERE en een kinderlijke afhankelijkheid van Zijn Geest. Laat dat ook bij ons het geval zijn!

Verder lezen: Galaten 1:11-2411 Want ik maak u bekend, broeders, dat het evangelie, hetwelk door mij verkondigd is, niet is naar de mens. 12 Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus. 13 Want gij hebt gehoord van mijn vroegere wandel in het Jodendom: ik heb de gemeente Gods bovenmate vervolgd en getracht haar uit te roeien, 14 en in het Jodendom heb ik het verder gebracht dan vele van (mijn) tijdgenoten onder mijn volk, als hartstochtelijk ijveraar voor mijn voorvaderlijke overleveringen. 15 Maar toen het Hem, die mij van de schoot mijner moeder aan afgezonderd en door zijn genade geroepen heeft, behaagd had, 16 zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem onder de heidenen verkondigen zou, ben ik geen ogenblik te rade gegaan met vlees en bloed; 17 ook ben ik niet naar Jeruzalem gereisd tot hen, die reeds vóór mij apostelen waren, maar ik ben naar Arabië vertrokken en vandaar naar Damascus teruggekeerd. 18 Daarop ging ik drie jaar later naar Jeruzalem, om Kefas te bezoeken, en ik bleef vijftien dagen bij hem; 19 en ik zag geen ander van de apostelen dan Jakobus, de broeder des Heren. 20 Wat ik u schrijf, zie, voor het aangezicht van God, ik lieg niet. 21 Daarna ben ik gegaan naar de streken van Syrië en van Cilicië. 22 En ik was aan de gemeenten van Christus in Judea van aanzien onbekend. 23 Alleen hoorden zij telkens: hij, die ons vroeger vervolgde, verkondigt nu het geloof, dat hij tevoren trachtte uit te roeien. 24 En zij verheerlijkten God in mij.

4 september

Handelingen 9:32-4332 En het geschiedde, toen Petrus overal rondreisde, dat hij ook bij de heiligen kwam, die te Lydda woonden. 33 Daar vond hij een man, genaamd Eneas, een verlamde, die reeds acht jaren bedlegerig was geweest. 34 En Petrus zeide tot hem: Eneas, Jezus Christus geneest u; sta op en maak zelf uw bed op. En hij stond onmiddellijk op. 35 En alle bewoners van Lydda en Saron zagen hem en bekeerden zich tot de Here. 36 En er was te Joppe een discipelin, genaamd Tabita, hetgeen, vertaald, betekent Dorkas. Deze was overvloedig in goede werken en aalmoezen, die zij gaf. 37 En het geschiedde in die dagen, dat zij ziek werd en stierf; en na haar gewassen te hebben, legde men haar in een bovenzaal. 38 En daar Lydda dicht bij Joppe lag, zonden de discipelen, toen zij hoorden, dat Petrus daar was, twee mannen tot hem met het verzoek: Kom zonder dralen tot ons. 39 En Petrus stond op en ging met hen mede. Toen hij daar aangekomen was, bracht men hem naar de bovenzaal en al de weduwen kwamen bij hem staan, en lieten hem onder tranen al de lijfrokken en mantels zien, die Dorkas, toen zij nog bij hen was, gemaakt had. 40 Maar Petrus zond hen allen naar buiten en knielde neder en bad. En hij wendde zich tot het lichaam en zeide: Tabita, sta op! En zij opende haar ogen en zag Petrus en ging overeind zitten, 41 en hij gaf haar de hand en richtte haar op; toen riep hij de heiligen en de weduwen en stelde haar levend voor hen. 42 En het werd bekend door geheel Joppe en velen kwamen tot geloof in de Here. 43 En het geschiedde, dat hij verscheidene dagen te Joppe bleef bij een zekere Simon, een leerlooier.

De rondreizende Petrus ontmoet ene Eneas, die al acht jaar verlamd op bed ligt. Petrus spreekt hem aan en zegt: “Eneas, Jezus Christus geneest u!” Niet de apostel, maar de verhoogde Heiland is hier aan het werk. Alleen Hij is de ware Geneesheer, die gaat over leven en dood. Alleen Hij is machtig om herstel te bewerken. Om gezond te maken door Zijn Geest en Woord. Zijn levendmakende Woord klinkt ook bij het sterfbed van Dorkas. Deze vrome vrouw was overvloedig in goede werken en diende God met ware naastenliefde – vrucht van een levend geloof. Maar haar liefdadigheid kon de dood niet weghouden. Petrus stuurt iedereen naar buiten en knielt in ootmoedige afhankelijkheid neer om te bidden. Dan klinkt het levenwekkende woord: “Tabita, sta op!” Beide wonderen leiden ertoe dat velen zich bekeren. En daar is het de Heere vooral om te doen! Dat van zichzelf dode zondaren komen tot een levend geloof in Hem. Christus toont Zijn heerschappij over ziekte en zelfs over de dood. En Hij komt vandaag ook ons opwekken uit de dood, uit de geestelijke dood waarin wij van nature liggen, om ons net als Dorkas vruchten van dankbaarheid te laten dragen in Zijn kerk en koninkrijk.

Verder lezen: Efeziërs 2:1-101 Ook u, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en zonden, 2 waarin gij vroeger gewandeld hebt overeenkomstig de loop dezer wereld, overeenkomstig de overste van de macht der lucht, van de geest, die thans werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid, 3 - trouwens, ook wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns - , 4 God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, 5 ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, - door genade zijt gij behouden - , 6 en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, 7 om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus. 8 Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; 9 niet uit werken, opdat niemand roeme. 10 Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.

5 september

De verkondiging van het evangelie gaat zich nu ook uitstrekken tot de heidenen. Ook vele heidenen zullen tot geloof en bekering komen, zonder dat ze joods of jodengenoten hoeven te worden door zich te laten besnijden. De Romeinse hoofdman Cornelius was als heiden een buitenstaander, uitgesloten van de verbondsgemeenschap van Israël. Maar God gaat de scheidsmuur doorbreken. Hij stuurt een engel naar Cornelius om Petrus te laten halen. Tegelijkertijd bereidt de Heere Petrus voor. Op het dak in Joppe krijgt de apostel een visioen. Een groot laken daalt neer uit de hemel, vol reine én onreine dieren. De hemelse stem beveelt: “Slacht en eet!” Petrus weigert stellig, in overeenstemming met de joodse wet. Maar dan klinkt Gods Woord: “Wat God rein verklaard heeft, moogt gij niet voor onheilig houden.” Dit visioen gaat over veel meer dan voedsel. Het markeert een keerpunt in de heilsgeschiedenis. De oudtestamentische ceremoniële wetten, die als een muur tussen Jood en heiden stonden, zijn met de komst van Christus vervuld. Er is nu geen onderscheid meer tussen Jood en Griek. Wat een rijke troost voor ons, die afstammen van onreine heidenen! Wie door het bloed van Christus is gewassen en door Hem is gereinigd, is ongeacht afkomst niet meer onrein te noemen.

Verder lezen: Efeziërs 2:11-2211 Bedenkt daarom dat gij, die vroeger heidenen waart naar het vlees, en onbesneden genoemd werdt door de zogenaamde besnijdenis, die werk van mensenhanden aan het vlees is, 12 dat gij te dien tijde zonder Christus waart, uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld. 13 Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen door het bloed van Christus. 14 Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, 15 doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, 16 en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft. 17 En bij zijn komst heeft Hij vrede verkondigd aan u, die veraf waart, en vrede aan hen, die dichtbij waren; 18 want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader. 19 Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, 20 gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is. 21 In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here, 22 in wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.

6 september

Handelingen 10:23b-48

Wanneer Petrus in het huis van Cornelius aankomt, valt deze hoge heidense officier eerbiedig voor hem neer. Maar Petrus weigert elke persoonsverheerlijking: “Sta op, ik ben zelf ook een mens.” Trouwe dienaren van God willen nooit zelf de eer die God toekomt, maar laten die aan Hem. En dat is precies wat Petrus doet. Hij houdt een machtige preek waarin Christus centraal staat. Hij vertelt van Christus en Zijn zalving, Zijn kruisdood, Zijn opstanding en Zijn absolute heerschappij. En dan volgt die zo heilrijke belofte van het evangelie: “Een ieder, die in Hem gelooft, ontvangt vergeving van zonden.” Deze belofte mag tot op de dag van vandaag klinken in de wereld. Terwijl Petrus nog spreekt, gebeurt er een wonder. De Heilige Geest valt op alle luisterende heidenen! Het heilsfeit van Pinksteren herhaalt zich hier als het ware voor de heidenwereld. God deelt Zijn genade soeverein en vrijmachtig uit, aan Joden en heidenen. En wie de Geest van Christus ontvangt en Zijn lichaam wordt ingelijfd, mag ook het teken van de doop ontvangen. De scheidsmuur is gevallen. Laten wij God grootmaken, want Zijn onverdiende genade is zo ook tot ons gekomen.

Verder lezen: Romeinen 10:4-134 Want Christus is het einde der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft. 5 Want Mozes schrijft: De mens, die de gerechtigheid naar de wet doet, zal daardoor leven. 6 Maar de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen? namelijk om Christus te doen afdalen; 7 of: Wie zal in de afgrond nederdalen? namelijk om Christus uit de doden te doen opkomen. 8 Maar wat zegt zij? Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken. 9 Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden; 10 want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis. 11 Immers het schriftwoord zegt: Al wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. 12 Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek. Immers, één en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen, die Hem aanroepen; 13 want: al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden.

7 september

Handelingen 11:1-181 De apostelen nu en de broeders in Judea hoorden, dat ook de heidenen het woord Gods aangenomen hadden. 2 En toen Petrus naar Jeruzalem gegaan was, verschilden zij, die uit de besnijdenis waren, met hem van mening, 3 en zij zeiden: Gij zijt binnengegaan bij onbesnedenen en hebt met hen gegeten. 4 Maar Petrus begon hun alles in geregelde orde uiteen te zetten en zeide: 5 Ik was in de stad Joppe in gebed en zag in zinsverrukking een gezicht: een voorwerp daalde neder in de vorm van een groot laken, dat aan de vier hoeken uit de hemel neergelaten werd, en het kwam vlak bij mij. 6 Toen ik er scherp naar keek, bemerkte ik en zag ik de viervoetige dieren der aarde, de wilde en de kruipende dieren en de vogelen des hemels. 7 En ik hoorde ook een stem tot mij zeggen: Sta op, Petrus, slacht en eet! 8 Maar ik zeide: Geenszins, Here, want nog nooit is iets, dat onheilig of onrein was, in mijn mond gekomen. 9 Doch ten tweeden male antwoordde mij een stem uit de hemel: Wat God rein verklaard heeft, moogt gij niet voor onheilig houden. 10 En dit geschiedde tot driemaal toe; en alles werd weer opgetrokken in de hemel. 11 En zie, terstond daarop bleven drie mannen voor het huis staan, waarin wij waren, die uit Caesarea tot mij waren gezonden. 12 En de Geest zeide tot mij, dat ik met hen moest medegaan zonder bezwaar te maken. En met mij gingen ook deze zes broeders, en wij zijn het huis van die man binnengegaan; 13 en hij heeft ons medegedeeld, hoe hij een engel in zijn huis had zien staan, die tot hem zeide: Zend iemand naar Joppe en nodig Simon uit, die bijgenaamd wordt Petrus; 14 deze zal woorden tot u spreken, waardoor gij en uw gehele huis behouden zult worden. 15 En toen ik begonnen was te spreken, viel de heilige Geest op hen, evenals in het begin ook op ons. 16 En ik herinnerde mij het woord des Heren, hoe Hij zeide: Johannes doopte wel met water, maar gij zult met de heilige Geest gedoopt worden. 17 Indien nu God hun op volkomen gelijke wijze als ons de gave heeft gegeven op het geloof in de Here Jezus Christus, hoe zou ik dan bij machte geweest zijn God tegen te houden? 18 En toen zij dit gehoord hadden, kwamen zij tot rust en verheerlijkten God, zeggende: Zo heeft dan God ook de heidenen de bekering ten leven geschonken.

De wonderlijke gebeurtenissen in het huis van Cornelius blijven in Jeruzalem niet onopgemerkt. Wanneer Petrus terugkeert, stuit hij op fel verzet. De Joodse gelovigen roepen hem ter verantwoording: hij heeft immers de heilige wetten overtreden door met onbesneden heidenen te eten! Deze reactie is menselijk gezien erg begrijpelijk. Bij een verandering wordt al gauw gedacht aan een gevaarlijke dwaling of aan nieuwlichterij. Maar daarvan is hier allerminst sprake, zo blijkt wel uit wat Petrus aangeeft. Hij benadrukt hoe God Zelf de leiding nam en de Heilige Geest liet uitstorten. God Zelf liet niet de afkomst maar alleen het geloof in Christus bepalend zijn. Petrus geeft aan: “Hoe zou ik dan bij machte geweest zijn God tegen te houden?” Als de Heere aan het werk is, past ons slechts eerbiedige onderwerping. Deze woorden breken het verzet. De broeders vallen stil en verheerlijken God om dit wonder: “Zo heeft dan God ook de heidenen de bekering ten leven geschonken.” Wat een rijke troost! Ook wij mogen weten van die bekering, niet als een prestatie van onszelf, maar als een genadegave, als een levensreddend geschenk uit de hemel, door de HEERE onverdiend geschonken aan geestelijk dode zondaren.

Verder lezen: Efeziërs 3:1-131 Daarom is het, dat ik, Paulus, die ter wille van Christus Jezus voor u, heidenen, in gevangenschap ben; 2 - gij hebt immers gehoord van de bediening door Gods genade mij met het oog op u gegeven: 3 dat mij door openbaring het geheimenis bekendgemaakt is, gelijk ik boven in het kort daarvan schreef. 4 Daarnaar kunt gij bij het lezen u een begrip vormen van mijn inzicht in het geheimenis van Christus, 5 dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heiligen, zijn apostelen en profeten: 6 (dit geheimenis), dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie, 7 waarvan ik een dienaar geworden ben naar de genadegave Gods, die mij geschonken is naar de werking zijner kracht. 8 Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, 9 en in het licht te stellen (wat) de bediening van het geheimenis (inhoudt), dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen, 10 opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden, 11 naar het eeuwige voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd, 12 in wie wij de vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen hebben door het geloof in Hem. 13 Daarom verzoek ik u met aandrang, de moed niet op te geven bij mijn verdrukkingen om uwentwil, want die zijn een eer voor u.

8 september

Handelingen 11:19-3019 Zij dan, die verstrooid werden door de verdrukking, welke in verband met Stefanus plaats vond, trokken verder tot Fenicië, Cyprus en Antiochië toe, zonder tot iemand het woord te spreken dan alleen tot de Joden. 20 Doch er waren onder hen enige Cyprische en Cyreense mannen, die, te Antiochië gekomen, ook tot de Grieken spraken en hun de Here Jezus predikten. 21 En de hand des Heren was met hen, en een groot aantal kwam tot het geloof en bekeerde zich tot de Here. 22 En het bericht daarvan kwam de gemeente van Jeruzalem ter ore en zij vaardigden Barnabas af naar Antiochië. 23 Toen deze aankwam en de genade Gods zag, verheugde hij zich en wekte allen op om naar het voornemen van hun hart de Here trouw te blijven; 24 want hij was een goed man, vol van de heilige Geest en van geloof. En een brede schare werd de Here toegevoegd. 25 En hij vertrok naar Tarsus om Saulus te zoeken; en toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochië. 26 En het geschiedde, dat zij een vol jaar in de gemeente gastvrij ontvangen werden en een brede schare leerden en dat de discipelen het eerst te Antiochië Christenen genoemd werden. 27 En in die dagen kwamen profeten van Jeruzalem te Antiochië; 28 en één uit hen, genaamd Agabus, stond op en gaf door de Geest te kennen, dat een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, die dan ook gekomen is onder Claudius. 29 En de discipelen besloten, dat elk van hen naar draagkracht iets zenden zou tot ondersteuning van de broeders, die in Judea woonden; 30 dit deden zij ook en zij zonden het aan de oudsten door de hand van Barnabas en Saulus.

De vervolging rond Stefanus leek het voortbestaan van de kerk te bedreigen, maar de HEERE gebruikt het juist als een middel om Zijn kerk uit te breiden. De vluchtelingen trekken naar Antiochië en verkondigen daar niet alleen aan de Joden, maar ook aan heidenen het evangelie. Wat is het geheim van deze opwekking? Is die te danken aan hun eigen welsprekendheid? Nee, “de hand des Heren was met hen.” Alleen door de soevereine kracht van de HEERE kan een zondig mensenhart verbroken worden en tot waar geloof komen. Als Barnabas vanuit Jeruzalem poolshoogte komt nemen, ziet hij dan ook geen mensenwerk, maar “de genade Gods”. Hij haalt Saulus erbij, en samen onderwijzen ze de jonge gemeente. Hier in Antiochië ontvangen de discipelen voor het eerst de naam ‘christenen’. Dat is een erenaam geworden, die ervan getuigt dat wij door het geloof levende leden van Christus zijn geworden en delen in Zijn zalving met de Heilige Geest. En dat Gods genade nooit onvruchtbaar blijft, blijkt wel als er hongersnood dreigt. Deze voormalige heidenen verzamelen meteen een gave voor de arme Joodse broeders in Judea. Het ware geloof breekt alle egoïsme af en wekt oprechte naastenliefde. Laten wij ons ook ware christenen bewijzen door te leven in liefde tot God en de naaste.

Verder lezen: 2 Korintiërs 8:1-151 Wij maken u de genade Gods bekend, broeders, die aan de gemeenten van Macedonië geschonken is. 2 Want, doordat zij beproefd zijn gebleken in veel verdrukking, hebben hun overvloedige blijdschap en diepe armoede nog overvloedig de rijkdom van hun mildheid bevorderd; 3 want (zij deden), dat getuig ik, wat zij konden, ja meer dan dat, 4 en zij vroegen, met alle aandrang, uit eigen beweging van ons de gunst, deel te mogen nemen aan het dienstbetoon voor de heiligen, 5 en zij gaven zich - zoals wij niet hadden durven verwachten - eerst aan de Here en door de wil van God ook aan ons; 6 met dit gevolg, dat wij bij Titus erop aandrongen om, zoals hij vroeger een begin ermede gemaakt had, nu ook dit liefdewerk bij u tot een goed einde te brengen. 7 Welnu, zoals gij in alles overvloedig zijt, in geloof, in spreken, in kennis, in volkomen toewijding en in de liefde, die van ons tot u uitgegaan is, zo weest dan ook in dit liefdewerk overvloedig. 8 Ik geef dit niet als een bevel, maar ik tracht aan die toewijding van anderen ook de echtheid uwer liefde te toetsen. 9 Gij kent immers de genade van onze Here Jezus [Christus], dat Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt worden. 10 En ik geef op dit punt mijn mening, want dit is voor u nuttig; gij hebt immers reeds vroeger, het vorige jaar, een begin gemaakt, niet alleen met de uitvoering, maar ook met het willen; 11 voltooit thans dan ook de uitvoering, opdat met de maat van uw bereidwilligheid ook de voltooiing uit hetgeen gij hebt overeenstemme. 12 Want als de bereidvaardigheid aanwezig is, is zij welkom naar hetgeen zij heeft, niet naar hetgeen zij niet heeft. 13 Want niet om anderen verlichting te schenken, wordt het u zwaar gemaakt, 14 maar uit het oogpunt van billijkheid kome uw overvloed voor het ogenblik hun gebrek ten goede, opdat hun overvloed wederkerig uw gebrek ten goede zou komen en er zodoende gelijkheid zij, 15 zoals er geschreven staat: die veel (verzameld had), had niet over en die weinig (verzameld had), had niet te kort.

9 september

Handelingen 12:1-171 En omstreeks die tijd sloeg koning Herodes de hand aan sommigen van de gemeente om hun kwaad te doen. 2 En hij liet Jakobus, de broeder van Johannes, ter dood brengen met het zwaard; 3 en toen hij zag, dat dit de Joden welgevallig was, ging hij voort en nam ook Petrus in hechtenis. Nu waren het de dagen der ongezuurde broden. 4 En hij liet hem grijpen en zette hem gevangen, onder bewaking van vier viertallen soldaten, met het voornemen hem na het Paasfeest voor het volk te brengen. 5 Petrus dan werd in de gevangenis in bewaring gehouden, maar door de gemeente werd voortdurend tot God voor hem gebeden. 6 Toen nu Herodes van plan was hem te doen voorkomen, lag Petrus die nacht te slapen tussen twee soldaten, geboeid met twee ketenen, en schildwachten hielden voor de deur der gevangenis de wacht. 7 En zie, een engel des Heren stond bij hem en er scheen licht in het vertrek, en hij stootte Petrus in zijn zijde om hem te wekken en zeide: Sta snel op! En de ketenen vielen van zijn handen. 8 En de engel zeide tot hem: Omgord u en bind uw sandalen aan. En hij deed aldus. En hij zeide tot hem: Sla uw mantel om en volg mij. 9 En hij volgde hem naar buiten en hij wist niet, dat het werkelijkheid was, wat door de engel gedaan werd, maar hij meende een gezicht te zien. 10 En toen zij langs de eerste en de tweede wacht gegaan waren, kwamen zij aan de ijzeren poort, die naar de stad leidde, welke vanzelf voor hen openging. En buiten gekomen, gingen zij één straat ver en terstond daarna verliet de engel hem. 11 En Petrus, tot zichzelf gekomen, zeide: Nu weet ik waarlijk, dat de Here zijn engel uitgezonden heeft en mij gerukt heeft uit de hand van Herodes en uit al wat het volk der Joden verwachtte. 12 En na een ogenblik van overleg, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, bijgenaamd Marcus, waar velen vergaderd waren in gebed. 13 En toen hij aan de deur van het voorportaal klopte, kwam een slavin, met name Rode, voor om te horen wat er was; 14 en toen zij de stem van Petrus herkende, deed zij van blijdschap het voorportaal niet open, maar liep naar binnen om mede te delen, dat Petrus voor het portaal stond. 15 En zij zeiden tot haar: Gij spreekt wartaal. Doch zij bleef volhouden, dat het zo was. En zij zeiden: Het is zijn engel. 16 Maar Petrus bleef kloppen en toen zij opengedaan hadden, zagen zij hem en waren verbijsterd. 17 En hij wenkte met zijn hand, dat zij zwijgen moesten, en verhaalde hun, hoe de Here hem uit de gevangenis had geleid en hij zeide: Bericht dit aan Jakobus en de broeders. En hij vertrok en reisde naar een andere plaats.

De nieuwtestamentische kerk krijgt zware slagen te verduren. Koning Herodes laat de apostel Jakobus onthoofden. Omdat dit de joden welgevallig is, wordt ook Petrus gegrepen en zwaar bewaakt in de kerker geworpen. Na het Paasfeest wacht hem de dood. Naar de mens gesproken is het een uitzichtloze situatie. Maar wat doet de kerk? Zij grijpt niet naar het zwaard, maar naar een machtig geestelijk wapen: “door de gemeente werd voortdurend tot God voor hem gebeden.” En terwijl de dood hem in de ogen staart, ligt Petrus rustig te slapen. Welk een geloofsvertrouwen op de Heere! En dan grijpt God in. Geen enkele aardse macht, geen ijzeren ketenen of zwaarbewapende soldaten kunnen Gods raad tegenhouden. Een engel leidt Petrus soeverein de gevangenis uit. De verhoogde Christus bewijst te waken over Zijn dienaar. Petrus zoekt meteen de biddende gemeente op. De broeders en zusters durven nauwelijks te geloven dat de Heere hun noodkreet verhoord heeft. Ze denken aan wartaal of aan een engel. Maar het blijkt waar: Petrus is in hun midden. De verhoogde Christus heeft gezorgd voor uitredding uit de nood. En Hij doet dat ook vandaag nog. Hij redt ons immers uit de macht van de zonde, de duivel en de dood. Laten ook wij daarom volharden in dankzegging en gebed!

Verder lezen: 2 Korintiërs 1:3-113 Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden en de God aller vertroosting, 4 die ons troost in al onze druk, zodat wij hen, die in allerlei druk zijn, troosten kunnen met de troost, waarmede wijzelf door God vertroost worden. 5 Want gelijk het lijden van Christus overvloedig over ons komt, zo valt ons door Christus ook overvloedig vertroosting ten deel. 6 Worden wij verdrukt, het is u tot troost en heil; worden wij getroost, het is u tot een troost, die zijn kracht toont in het doorstaan van hetzelfde lijden, dat ook wij ondergaan. 7 En onze hoop voor u is wèl gegrond, want wij weten, dat gij evenzeer aan de vertroosting deel hebt als aan het lijden. 8 Want wij willen u niet onkundig laten, broeders, van de verdrukking, die ons in Asia overkomen is: bovenmate en boven vermogen hebben wij een zware last te dragen gehad, zodat wij zelfs aan ons leven wanhoopten; 9 ja, voor eigen besef achtten wij ons als ter dood verwezen, opdat wij niet op onszelf vertrouwen zouden stellen, maar op God, die de doden opwekt. 10 En Hij heeft ons uit zulk een groot doodsgevaar verlost en zal ons verlossen: op Hem hebben wij onze hoop gevestigd, [dat] Hij ons ook verder verlossen zal, 11 terwijl ook gij ons te hulp komt met uw voorbede, opdat uit veler mond voor de genade, ons geschonken, veelvuldig dank gebracht worde voor ons.

10 september

Koning Herodes ontdekt dat zijn prooi ontkomen is. Zelfs na grondig onderzoek blijft de ontsnapping van Petrus voor hem een raadsel. Boos laat de tiran de schildwachten gevangenzetten (of zelfs doden, zoals het woord vertaald met ‘wegleiden’ ook kan aangeven) en vertrekt hij naar Caesarea. De machtige vorst blijkt volstrekt machteloos tegenover het verlossend optreden van God. En Herodes blijkt niets van deze les te hebben geleerd. In Caesarea waant hij zich alsnog de absolute heerser. Wanneer hij in een schitterend koninklijk gewaad het volk toespreekt, barst de afhankelijke menigte los in goddeloze vleierij: “De stem van een god en niet van een mens!” In plaats van deze afgoderij af te wijzen, neemt de hoogmoedige tiran de eerbewijzen aan zijn adres maar al te graag aan. Maar dan volgt een ontzagwekkend oordeel. Dezelfde God die zojuist een engel stuurde om Petrus te bevrijden, zendt nu een engel om Herodes te slaan. De man die God de eer weigerde te geven, wordt door wormen gegeten en sterft een gruwelijke dood. Dit snelle oordeel toont hoe nietig en breekbaar de mens is, hoe groot zijn aardse macht ook kan zijn. De Heere haat de hoogmoed, want daarmee beroven mensen Hem van Zijn eer. Laten wij hiervan leren. En ons diep verootmoedigen. Want God weerstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade.

Verder lezen: Daniël 4:28-3728 Dit alles overkwam koning Nebukadnessar. 29 Na verloop van twaalf maanden, toen hij aan het wandelen was op het koninklijk paleis in Babel, 30 nam de koning het woord en zeide: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een koninklijke woonstede door de sterkte mijner macht en tot eer mijner majesteit? 31 Nog was dat woord in des konings mond, toen er een stem nederklonk uit de hemel: U wordt aangezegd, o koning Nebukadnessar: het koningschap is van u geweken, 32 men verstoot u uit de gemeenschap der mensen en uw verblijf is bij het gedierte des velds; gras zal men u te eten geven als aan de runderen; en zeven tijden zullen over u voorbijgaan, totdat gij erkent, dat de Allerhoogste macht heeft over het koningschap der mensen en dat geeft aan wie Hij wil. 33 Op hetzelfde ogenblik ging dat woord aan Nebukadnessar in vervulling, en hij werd uit de gemeenschap der mensen verstoten en at gras als de runderen, en door de dauw des hemels werd zijn lichaam bevochtigd, totdat zijn haar lang werd als (de veren) der arenden en zijn nagels als die der vogels. 34 Maar na verloop van de gestelde tijd sloeg ik, Nebukadnessar, mijn ogen op naar de hemel, en mijn verstand keerde in mij terug. Toen prees ik de Allerhoogste en roemde en verheerlijkte ik de eeuwig Levende, omdat zijn heerschappij een eeuwige heerschappij is en zijn koningschap van geslacht tot geslacht. 35 Ja, alle bewoners der aarde worden als niets geacht; Hij doet naar zijn wil met het heer des hemels en de bewoners der aarde: en niemand is er, die zijn hand kan weerhouden of tot Hem kan zeggen: wat doet Gij? 36 Terzelfder tijd, dat mijn verstand in mij terugkeerde, keerden ook, tot roem van mijn koningschap, mijn majesteit en mijn luister tot mij terug; mijn raadsheren en machthebbers zochten mij weer op, ik werd in mijn koningschap hersteld, ja, grotere heerlijkheid dan vroeger werd mij geschonken. 37 Nu roem, verhef en verheerlijk ik, Nebukadnessar, de Koning des hemels, wiens werken alle waarheid en wiens paden recht zijn, en die hen die in hoogmoed wandelen, vermag te vernederen.

11 september

Handelingen 12:24-13:1224 En het woord des Heren wies en verbreidde zich. 25 Barnabas nu en Saulus keerden terug uit Jeruzalem na hun liefdedienst te hebben volbracht, en namen ook Johannes, bijgenaamd Marcus, mede. 1 Nu waren er te Antiochië in de gemeente aldaar profeten en leraars, namelijk: Barnabas, Simeon, genaamd Niger, Lucius van Cyrene, Manaën, de zoogbroeder van Herodes, de viervorst, en Saulus. 2 En terwijl zij vastten bij de dienst des Heren, zeide de heilige Geest: Zondert Mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. 3 Toen vastten en baden zij, en legden hun de handen op en lieten hen gaan. 4 Dezen dan, door de heilige Geest uitgezonden, trokken naar Seleucië en voeren vandaar naar Cyprus; 5 en te Salamis gekomen, verkondigden zij het woord Gods in de synagogen der Joden; en zij hadden ook Johannes tot helper. 6 En na het gehele eiland doorgetrokken te zijn tot aan Pafos, troffen zij een zekere tovenaar aan, een valse profeet, een Jood, wiens naam was Barjezus; 7 hij hield zich op bij de landvoogd Sergius Paulus, een verstandig man. Deze begeerde het woord Gods te horen en liet Barnabas en Saulus tot zich roepen. 8 Maar Elymas, de tovenaar, want zo wordt zijn naam vertaald, verzette zich tegen hen en trachtte de landvoogd van het geloof afkerig te maken. 9 Doch Saulus, anders gezegd Paulus, vervuld met de heilige Geest, zag hem scherp aan, en zeide: 10 Zoon des duivels, vol van allerlei list en streken, vijand van alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden de rechte wegen des Heren te verdraaien? 11 En nu, zie, de hand des Heren keert zich tegen u, en gij zult een tijd lang blind zijn en de zon niet zien. En terstond viel op hem donkerheid en duisternis, en rondtastende zocht hij iemand om hem bij de hand te leiden. 12 Toen de landvoogd zag, wat er gebeurd was, kwam hij tot geloof, zeer getroffen door de leer des Heren.

Koning Herodes is door Gods oordeel gestorven, maar Gods Woord gedijt en verbreidt zich. Gods werk gaat onstuitbaar door. In de biddende en vastende gemeente van Antiochië beveelt de Heilige Geest Barnabas en Saulus af te zonderen voor het zendingswerk. God Zelf zendt Zijn dienaren uit. Geleid door de Geest varen de mannen naar Cyprus. Maar waar God werkt, zit de satan nooit stil. In Pafos stuiten ze op felle tegenstand. De Romeinse landvoogd wil Gods Woord horen, maar de valse profeet en tovenaar Elymas probeert hem van het ware geloof af te houden. Saulus – vanaf nu Paulus genoemd – doorziet deze duivelse poging. Vervuld met de Heilige Geest ontmaskert hij Elymas als een zoon des duivels en een vijand van Gods gerechtigheid. En ook nu volgt meteen Gods oordeel: Elymas wordt tijdelijk met blindheid geslagen, een treffend, zichtbaar teken van de geestelijke duisternis waarin hij verkeert. Het verzet wordt gebroken en de landvoogd komt tot geloof, verwonderd over de leer van Christus. Geen enkele macht kan Gods genade tegenhouden. En de Heere heeft onze aangeboren geestelijke blindheid weggenomen en ons verlicht met de kennis van Zijn heerlijkheid, opdat wij Zijn rechte wegen niet krombuigen maar oprecht bewandelen.

Verder lezen: 2 Korintiërs 4:1-61 Daarom, nu wij deze bediening hebben, die ons door barmhartigheid is toevertrouwd, verliezen wij de moed niet, 2 maar hebben wij verworpen alle schandelijke praktijken, die het licht niet kunnen zien, daar wij niet met sluwheid omgaan of het woord Gods vervalsen, maar de waarheid aan het licht brengen en zo bij elk menselijk geweten onze eigen aanbeveling zijn voor het oog van God. 3 Indien dan nog ons evangelie bedekt is, is het bedekt bij hen, die verloren gaan, 4 ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is. 5 Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Here, en onszelf als uw dienaren om Jezus' wil. 6 Want de God, die gesproken heeft: Licht schijne uit het duister, heeft het doen schijnen in onze harten, om ons te verlichten met de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus.

12 september

Handelingen 13:13-4913 Paulus en die met hem waren, voeren af van Pafos en kwamen te Perge in Pamfylië; maar Johannes scheidde zich van hen af en keerde weder naar Jeruzalem. 14 Doch zelf gingen zij van Perge verder en kwamen te Antiochië in Pisidië, en op de sabbatdag in de synagoge gegaan zijnde, namen zij plaats. 15 En na de voorlezing van de wet en de profeten lieten de oversten der synagoge hun vragen: Mannen broeders, indien gij een woord van opwekking voor het volk hebt, spreekt het dan. 16 En Paulus stond op, wenkte met zijn hand en zeide: Mannen van Israël en vereerders van God, luistert. 17 De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren en het volk verhoogd, toen zij bijwoners waren in het land Egypte, en Hij heeft hen met hoge arm daaruit gevoerd, 18 en Hij heeft gedurende een tijd van omstreeks veertig jaren in de woestijn hun eigenaardigheden verdragen; 19 en na zeven volken uitgeroeid te hebben in het land Kanaän, heeft Hij hun land hun ten erfdeel gegeven, 20 omstreeks vierhonderd vijftig jaren lang. En daarna gaf Hij hun richters tot op de profeet Samuël. 21 En van toen af vroegen zij om een koning en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam Benjamin, veertig jaren lang; 22 en nadat Hij deze verworpen had, verwekte Hij hun David als koning, wie Hij ook dit getuigenis gaf: Ik heb David, de zoon van Isaï, gevonden, een man naar mijn hart, die al mijn bevelen zal volbrengen. 23 Uit zijn geslacht heeft God naar de belofte voor Israël de Heiland Jezus doen komen, 24 nadat Johannes eerst, vóór zijn optreden, aan het gehele volk Israël een doop van bekering gepredikt had. 25 En toen hij zijn loopbaan volbracht, zeide Johannes: Wat gij meent, dat ik ben, ben ik niet, maar zie, na mij komt Hij, wie ik niet waardig ben het schoeisel van zijn voeten los te maken. 26 Mannen broeders, zonen van het geslacht van Abraham, en vereerders van God onder u, tot ons is deze heilsboodschap gezonden. 27 Want die te Jeruzalem wonen en hun oversten hebben Hem niet erkend en zij hebben de uitspraken der profeten, die elke sabbat worden voorgelezen, door hun oordeel vervuld, 28 en hoewel zij geen grond voor doodstraf konden vinden, hebben zij Pilatus gevraagd Hem ter dood te brengen; 29 en toen zij alles volbracht hadden, wat van Hem geschreven stond, namen zij Hem af van het hout en legden Hem in een graf. 30 Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt; 31 en Hij is gedurende vele dagen verschenen aan hen, die met Hem van Galilea naar Jeruzalem opgegaan waren, die [thans] getuigen van Hem zijn bij het volk. 32 En wij verkondigen u, dat God de belofte, die aan de vaderen geschied is, 33 aan ons, hun kinderen, vervuld heeft door Jezus op te wekken, gelijk in de tweede psalm geschreven staat: Mijn zoon zijt Gij; Ik heb U heden verwekt. 34 En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, zonder dat Hij weer tot ontbinding zal wederkeren, heeft Hij aldus gezegd: Ik zal U het heilige van David geven, dat betrouwbaar is; 35 en daarom zegt Hij ook in een andere psalm: Gij zult uw Heilige geen ontbinding doen zien. 36 Want David is, na voor zijn geslacht de raad Gods gediend te hebben, ontslapen en bij zijn vaderen bijgezet, en hij heeft wèl ontbinding gezien; 37 maar Hij, die God heeft opgewekt, heeft geen ontbinding gezien. 38 Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Hem u vergeving van zonden verkondigd wordt; 39 ook van alles, waarvan gij niet gerechtvaardigd kondt worden door de wet van Mozes, wordt ieder, die gelooft, gerechtvaardigd door Hem. 40 Ziet dan toe, dat u niet overkome, wat in de profeten gezegd is: 41 Ziet, verachters, en verwondert u en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk, dat gij voorzeker niet zult geloven, als iemand het u verhaalt. 42 En toen zij vertrokken, verzochten zij hun tegen de eerstvolgende sabbat weder deze woorden te spreken. 43 En na het uitgaan van de synagoge, volgden vele van de Joden en de vereerders van God, die Jodengenoten waren, Paulus en Barnabas, die dan ook tot hen spraken en bij hen aandrongen om te blijven bij de genade Gods. 44 En de volgende sabbat kwam bijna de gehele stad bijeen om het woord Gods te horen. 45 Doch toen de Joden de scharen zagen, werden zij vervuld met nijd en spraken, lasterende, tegen hetgeen door Paulus gezegd werd. 46 Maar Paulus en Barnabas zeiden vrijmoedig: Het was nodig, dat eerst tot u het woord Gods werd gesproken, doch nu gij het verstoot en u het eeuwige leven niet waardig keurt, zie, nu wenden wij ons tot de heidenen. 47 Want zo heeft ons de Here geboden: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij tot heil zoudt zijn tot aan het uiterste der aarde. 48 Toen nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en verheerlijkten het woord des Heren; en allen, die bestemd waren ten eeuwigen leven, kwamen tot geloof; 49 en het woord des Heren verbreidde zich door het gehele land.

In de synagoge van Antiochië in Pisidië houdt Paulus een machtige preek. Hij neemt zijn hoorders mee in de heilsgeschiedenis van Israël, om uit te komen bij de komst van “de Heiland Jezus”. Paulus verkondigt Zijn dood en opstanding en de vergeving van zonden door Hem. Niet de wet van Mozes, maar Christus is het die ons volkomen rechtvaardigt. Aanvankelijk willen de joden hier meer over horen, totdat ze jaloers worden op de enorme invloed van Paulus’ prediking op vele mensen. Dat in die prediking niet hún werken der wet maar Góds gunst en genade centraal staat, moet hen een doorn in het oog zijn geweest. Ze worden vervuld met afgunst en stoten het Woord van zich af. Daarom richten de apostelen zich vervolgens tot de heidenen. Voor hen klinkt de troostrijke profetie dat Christus een Licht voor de heidenen is. Vele heidenen verblijden zich erover. Allen die bestemd zijn tot het eeuwige leven, komen tot geloof, geeft de evangelist aan. Het geloof komt immers niet op uit onszelf, maar is vrucht van Gods genadige verkiezing. Laten ook wij ons verblijden over dit evangelie. Opdat wij Gods Woord niet ondankbaar van ons afstoten maar dankbaar ter harte nemen.

Verder lezen: Efeziërs 1:3-143 Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus. 4 Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. 5 In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, 6 tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde. 7 En in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade, 8 welke Hij ons overvloedig heeft bewezen in alle wijsheid en verstand, 9 door ons het geheimenis van zijn wil te doen kennen, in overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, 10 om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten, 11 in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, die in alles werkt naar de raad van zijn wil, 12 opdat wij zouden zijn tot lof zijner heerlijkheid, wij, die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd. 13 In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte, 14 die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid.

13 september

Handelingen 13:50-14:2050 Maar de Joden stookten de aanzienlijke vrouwen, die God vereerden, en de voornaamsten der stad op, en zij verwekten een vervolging tegen Paulus en Barnabas en dreven hen uit hun gebied. 51 Doch zij schudden het stof van hun voeten af tegen hen en gingen naar Ikonium; 52 en de discipelen werden vervuld met blijdschap en met de heilige Geest. 1 En het geschiedde evenzo te Ikonium, dat zij in de synagoge der Joden gingen en zo spraken, dat er een grote menigte, zowel van Joden als van Grieken, tot het geloof kwam. 2 Maar de Joden, die hun geen gehoor gaven, prikkelden en verbitterden de zielen der heidenen tegen de broeders. 3 Zij verkeerden daar dan geruime tijd, vrijmoedig sprekende in vertrouwen op de Here, die getuigenis gaf aan het woord zijner genade en tekenen en wonderen door hun handen deed geschieden. 4 Maar er ontstond verdeeldheid onder het volk in de stad: sommigen waren voor de Joden, anderen voor de apostelen. 5 En toen er een oploop kwam, zowel van heidenen als van Joden met hun oversten, om hen te mishandelen en te stenigen, 6 namen zij, de toestand overzien hebbende, de wijk naar de steden van Lykaonië, Lystra en Derbe en omgeving, 7 en verkondigden daar een tijd lang het evangelie. 8 En er woonde te Lystra een man, die geen macht had over zijn voeten, verlamd van de schoot zijner moeder aan, die nooit had kunnen lopen. 9 Deze man luisterde naar Paulus, wanneer hij sprak, en Paulus keek hem scherp aan en zag, dat hij geloof had om genezing te vinden, 10 en hij zeide met luider stem: Ga recht op uw voeten staan! En hij sprong overeind en liep heen en weer. 11 En toen de scharen zagen, wat Paulus gedaan had, verhieven zij hun stem en zeiden in het Lykaonisch: De goden zijn, in mensengedaante, tot ons neergedaald; 12 en zij noemden Barnabas Zeus en Paulus Hermes, omdat hij het was, die het woord voerde. 13 En de priester van Zeus-voor-de-stad bracht stieren en kransen aan bij het poortgebouw en wilde met de scharen offeren. 14 Maar toen de apostelen Barnabas en Paulus dat hoorden, scheurden zij hun mantels en sprongen naar voren onder de schare, 15 uitroepende: Mannen, wat doet gij daar? Ook wij zijn maar zwakke mensen zoals gij en verkondigen u, dat gij u van dit ijdel bedrijf moet bekeren tot de levende God, die de hemel, de aarde, de zee en al wat erin is gemaakt heeft. 16 Hij heeft ten tijde der geslachten, die achter ons liggen, alle volken op hun eigen wegen laten gaan, 17 en toch heeft Hij Zich niet onbetuigd gelaten door wel te doen, door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan uw harten overvloed van spijs en vrolijkheid te schenken. 18 En hoewel zij zo spraken, konden zij ternauwernood de scharen weerhouden hun te offeren. 19 Maar er kwamen Joden van Antiochië en Ikonium en zij praatten de scharen om en stenigden Paulus en sleepten hem de stad uit, menende, dat hij dood was. 20 Doch toen de discipelen hem omringd hadden, stond hij op en ging de stad binnen. En de volgende dag vertrok hij met Barnabas naar Derbe.

Paulus en Barnabas ondervinden aan den lijve dat de evangelieprediking tweeërlei uitwerking heeft. Het brengt tot bekering en blijdschap dan wel tot verharding en vijandschap. In Ikonium moeten de apostelen vluchten voor een gewelddadige oploop. In Lystra volgt echter een andere beproeving. Als Paulus daar een verlamde man geneest, is de heidense menigte zó diep onder de indruk dat zij de apostelen als goden willen aanbidden. Ze noemen hen Zeus en Hermes, de bekende Griekse ‘goden’, en willen stieren voor hen offeren. Hoe gaan de apostelen daarmee om? Ze nemen de eerbewijzen aan hun adres niet aan, maar scheuren vol afschuw hun mantels en smeken de menigte om zich te bekeren van deze ijdele afgoderij. Bekeren moeten zij zich tot de levende God, de Schepper van hemel en aarde. En zo betaamt het trouwe dienaren van de Heere. Zij hebben van zichzelf af te wijzen naar hun grote Zender. Hoe wispelturig de mens is, blijkt even later. Opgehitst door joodse vijanden uit Antiochië, stenigt dezelfde menigte Paulus totdat hij voor dood blijft liggen. Maar de Heere beschermt Zijn knecht. Wonderlijk opgericht, staat Paulus overeind en reist hij de volgende dag onverschrokken verder om te preken. Laten ook wij in al ons denken en doen de Heere alle eer geven, en ons door tegenspoed niet laten afbrengen van Zijn weg.

Verder lezen: 2 Timoteüs 3:1-121 Weet wel, dat er in de laatste dagen zware tijden zullen komen: 2 want de mensen zullen zelfzuchtig zijn, geldgierig, pochers, vermetel, kwaadsprekers, aan hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, 3 liefdeloos, trouweloos, lasteraars, onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede, 4 verraderlijk, roekeloos, opgeblazen, met meer liefde voor genot dan voor God, 5 die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochend hebben; houd ook dezen op een afstand. 6 Want tot hen behoren zij, die zich in de huizen indringen en vrouwtjes weten in te palmen, die met zonden beladen zijn en gedreven worden door velerlei begeerten, 7 die zich te allen tijde laten leren, zonder ooit tot erkentenis der waarheid te kunnen komen. 8 Zoals Jannes en Jambres, de tegenstanders van Mozes, staan ook dezen de waarheid tegen; het zijn mensen, wier denken bedorven is, en wier geloof de toets niet kan doorstaan. 9 Maar zij zullen het niet veel verder brengen, want hun onzinnigheid zal aan allen overduidelijk worden, zoals ook bij genen het geval was. 10 Gij daarentegen hebt volle aandacht geschonken aan mijn onderricht, wijze van doen, bedoeling, geloof, lankmoedigheid, liefde, volharding, 11 vervolgingen en lijden, zoals mij getroffen hebben te Antiochië, te Ikonium en te Lystra. Al die vervolgingen heb ik doorstaan en de Here heeft mij uit alle gered. 12 Trouwens, allen, die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden.

14 september

Na de steniging in Lystra kiezen Paulus en Barnabas niet de weg van de minste weerstand. Integendeel, ze reizen moedig terug naar precies die steden waar ze zo hevig vervolgd werden: Lystra, Ikonium en Antiochië in Pisidië. En wel omdat ze de gemeenten aldaar willen versterken. Zij hebben immers geen goedkope belofte ontvangen van een makkelijk leven. Paulus benadrukt: we moeten door vele verdrukkingen het Koninkrijk Gods binnengaan. Kruisdragen hoort bij het leven van een christen hier op aarde. Kruisdragen achter onze gekruisigde Heiland aan, op weg naar de hemelse heerlijkheid. Maar de apostelen laten de christenen in hun lijden en strijden niet aan hun lot over. Onder bidden en vasten stellen zij in elke gemeente oudsten aan. Zo zorgt de grote Herder voor Zijn kudde. Hij geeft ambtsdragers aan Zijn gemeente om haar te weiden. Eenmaal terug te Antiochië (in Syrië), vanwaar ze waren uitgezonden, slaan de apostelen zichzelf niet op de borst, maar brengen ze een ootmoedig verslag uit van al wat Gód met en voor hen had gedaan. Híj was het die voor de heidenen een geloofsdeur had geopend. Voor de heidenen, en daarmee ook voor ons, die genetisch gezien van heidenen afstammen. Laten ook wij door alle verdrukkingen heen binnengaan in het Koninkrijk Gods, waarvan wij door het geloof nu al burgers mogen zijn.

Verder lezen: Filippenzen 3:17-4:717 Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt. 18 Want velen wandelen - ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende - als vijanden van het kruis van Christus. 19 Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind. 20 Want wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, 21 die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen. 1 Daarom, mijn geliefde broeders, naar wie mijn verlangen uitgaat, mijn blijdschap en kroon, staat alzo vast in de Here, geliefden! 2 Euodia vermaan ik en Syntyche vermaan ik, eensgezind te zijn in de Here. 3 Ja, ik vraag ook u, mijn trouwe metgezel: wees haar behulpzaam. Want zij hebben tezamen met mij in de prediking van het evangelie gestreden, naast Clemens en mijn overige medearbeiders, wier namen staan in het boek des levens. 4 Verblijdt u in de Here te allen tijde! Wederom zal ik zeggen: Verblijdt u! 5 Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend. De Here is nabij. 6 Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God. 7 En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus.

15 september

Handelingen 15:1-211 En sommigen, uit Judea gekomen, leerden de broeders: Indien gij u niet besnijden laat naar het gebruik van Mozes, kunt gij niet behouden worden. 2 En toen er van de zijde van Paulus en Barnabas geen gering verzet en tegenspraak tegen hen ontstond, droegen zij Paulus en Barnabas en nog enigen van hen op zich tot de apostelen en oudsten te Jeruzalem te begeven naar aanleiding van dit geschil. 3 Zij reisden dan, nadat hun door de gemeenten uitgeleide gedaan was, door Fenicië en Samaria, en bereidden met hun verhaal van de bekering der heidenen al de broeders grote blijdschap. 4 En te Jeruzalem aangekomen, werden zij door de gemeente, de apostelen en de oudsten ontvangen en vermeldden al wat God met hen gedaan had. 5 Maar er stonden uit de partij der Farizeeën enigen op, die gelovig geworden waren, en zeiden, dat men hen moest besnijden en gebieden de wet van Mozes te houden. 6 En de apostelen en de oudsten vergaderden om deze aangelegenheid te overwegen. 7 En toen daarover veel verschil van mening rees, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet, dat God van de aanvang af mij onder u heeft verkoren, opdat door mijn mond de heidenen het woord van het evangelie zouden horen en geloven. 8 En God, die de harten kent, heeft getuigd door hun de heilige Geest te geven evenals ook aan ons, 9 zonder enig onderscheid te maken tussen ons en hen, door het geloof hun hart reinigende. 10 Nu dan, wat stelt gij God op de proef door een juk op de hals der discipelen te leggen, dat noch onze vaderen, noch wij hebben kunnen dragen? 11 Maar door de genade van de Here Jezus geloven wij behouden te worden op dezelfde wijze als zij. 12 En de gehele vergadering werd stil en zij hoorden Barnabas en Paulus verhalen wat al tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had. 13 En nadat dezen uitgesproken waren, nam Jakobus het woord en zeide: Mannen broeders, hoort naar mij! 14 Simeon heeft uiteengezet, hoe God van meet aan erop bedacht geweest is een volk voor zijn naam uit de heidenen te vergaderen. 15 En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven staat: 16 Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weder opbouwen, en wat daarvan is ingestort, zal Ik weder opbouwen, en Ik zal haar weder oprichten, 17 opdat het overige deel der mensen de Here zoeke, en alle heidenen, over welke mijn naam is uitgeroepen, spreekt de Here, die deze dingen doet, 18 welke van eeuwigheid bekend zijn. 19 Daarom ben ik van oordeel, dat men hen, die zich uit de heidenen tot God bekeren, niet verder moet lastig vallen, 20 maar hun aanschrijven, dat zij zich hebben te onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed. 21 Immers Mozes heeft van oudsher in iedere stad, die hem prediken, daar hij elke sabbat in de synagogen wordt voorgelezen.

Leraren uit Judea beweren dat gelovigen uit de heidenen evenals de joden besneden moeten worden en ook verder de wet van Mozes moeten houden om deel te hebben aan de zaligheid. Daarom komt men te Jeruzalem in vergadering bijeen. Na een verhitte discussie neemt Petrus het woord. Hij wijst erop dat God de harten van de heidenen reinigde door het gelóóf. Petrus noemt het opleggen van de wet een ondragelijk juk. Geen mens kan door de wet behouden worden, want we zijn allemaal wetsovertreders. En dan klinkt die zo bevrijdende belijdenis: “Maar door de genade van de Heere Jezus geloven wij behouden te worden.” Het deelhebben aan de zaligheid is één en al genade, voor zowel Jood als Griek! Jakobus stemt hiermee in. Dat is het vermelden waard, omdat dit probleem later ook in zijn kring blijkt te spelen en zelfs Petrus zich door sommigen daaruit laat verleiden zijn eigen getuigenis te verloochenen (Galaten 2:1212 Want voordat sommigen uit de kring van Jakobus gekomen waren, at hij met de heidenen aan één tafel, maar toen zij kwamen, trok hij zich terug en zonderde zich af uit vrees voor de besnedenen.). De heidense bekeerlingen krijgen slechts enkele praktische leefregels mee. Gewaakt is hier tegen het kwaad van het wetticisme en de eigengerechtigheid. En daartegen moeten ook wij blijven waken. We moeten niets willen toevoegen aan (en zo afdoen van) het verlossingswerk van Christus, maar uitsluitend leven van Zijn genade. De zaligheid is in geen ander! De zaligheid, die wij ontvangen door het geloof alleen.

Verder lezen: Galaten 2:1-161 Daarna ging ik na verloop van veertien jaar weder naar Jeruzalem met Barnabas en nam ook Titus mede; 2 en ik ging op grond van een openbaring. En ik legde hun het evangelie voor, dat ik onder de heidenen verkondig, afzonderlijk echter aan hen, die in aanzien waren, opdat ik niet vruchteloos liep of gelopen had. 3 Maar zelfs Titus, die bij mij was, werd, ofschoon hij een Griek was, toch niet gedwongen zich te laten besnijden; 4 en dat met het oog op de binnengedrongen valse broeders, lieden, die waren binnengeslopen, om onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, te bespieden, en zo ons tot slavernij te brengen. 5 Wij zijn voor hen geen ogenblik gedwee uit de weg gegaan, opdat de waarheid van het evangelie ook verder bij u zou blijven. 6 Maar wat hen betreft, die in zeker aanzien waren - wat zij vroeger geweest mogen zijn, doet er voor mij niets toe: God ziet de persoon niet aan - mij immers hebben zij, die in aanzien waren, verder niets opgelegd. 7 Maar integendeel: toen zij zagen, dat mij de prediking van het evangelie aan de onbesnedenen toevertrouwd was, gelijk aan Petrus die aan de besnedenen, 8 - immers Hij, die Petrus kracht gaf om apostel te zijn voor de besnedenen, gaf die kracht ook aan mij voor de heidenen, 9 - en toen zij de genade, die mij geschonken was, opmerkten, reikten Jakobus, Kefas en Johannes, die voor steunpilaren golden, mij en Barnabas de broederhand: wij zouden naar de heidenen, zij naar de besnedenen gaan. 10 Alleen moesten wij de armen blijven gedenken, en ik heb mij dan ook beijverd dat vooral te doen. 11 Maar toen Kefas te Antiochië gekomen was, heb ik mij openlijk tegen hem verzet, omdat het ongelijk aan zijn kant was. 12 Want voordat sommigen uit de kring van Jakobus gekomen waren, at hij met de heidenen aan één tafel, maar toen zij kwamen, trok hij zich terug en zonderde zich af uit vrees voor de besnedenen. 13 En [ook] de overige Joden huichelden met hem mede, zodat zelfs Barnabas zich liet medeslepen door hun huichelarij. 14 Maar toen ik zag, dat zij niet de rechte weg bewandelden naar de waarheid van het evangelie, zeide ik tot Kefas ten aanhoren van allen: Indien gij, die een Jood zijt, naar heidens en niet naar Joods gebruik leeft, hoe kunt gij dan de heidenen dwingen zich als Joden te gedragen? 15 Wij, geboren Joden, en geen zondaars uit de heidenen, 16 wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken der wet, maar door het geloof in Christus Jezus, zijn ook zelf tot het geloof in Christus Jezus gekomen, om gerechtvaardigd te worden uit het geloof in Christus en niet uit werken der wet. Want uit werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden.

16 september

Handelingen 15:22-3422 Toen besloten de apostelen en de oudsten met de gehele gemeente mannen uit hun midden te kiezen en met Paulus en Barnabas naar Antiochië te zenden: Judas, genaamd Barsabbas, en Silas, mannen van aanzien onder de broeders. 23 En men schreef door hun bemiddeling: De apostelen en oudsten groeten als broeders de broeders uit de heidenen in Antiochië, Syrië en Cilicië. 24 Aangezien wij gehoord hebben, dat enigen uit ons midden u met hun woorden hebben verontrust, uw zielen in verwarring brengende, hoewel wij hun niets geboden hadden, 25 hebben wij eenstemmig besloten mannen te kiezen om die tot u te zenden met onze geliefden, Barnabas en Paulus, 26 mensen, die hun leven hebben overgehad voor de naam van onze Here Jezus Christus. 27 Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die zelf ook mondeling hetzelfde te uwer kennis zullen brengen. 28 Want het heeft de heilige Geest en ons goed gedacht, u verder geen last op te leggen dan dit noodzakelijke: 29 onthouding van hetgeen de afgoden geofferd is, van bloed, van het verstikte en van hoererij; indien gij u hier voor wacht, zult gij wèl doen. Vaart wel! 30 Toen men afscheid van hen genomen had, kwamen zij te Antiochië aan, riepen de vergadering bijeen en legden de brief over. 31 En toen zij die gelezen hadden, verblijdden zij zich over de bemoediging. 32 Judas en Silas, die zelf ook profeten waren, bemoedigden en versterkten de broeders met vele woorden. 33 En toen zij daar een tijd lang geweest waren, werden zij door de broeders met de vredegroet gezonden tot degenen, die hen hadden afgevaardigd. 34 [Maar Silas besloot op hen te wachten.

De uitkomst van de vergadering in Jeruzalem is een zegen voor de kerk. Er wordt een mededelingsbrief gestuurd naar de heidenchristenen in Antiochië. De apostelen nemen daarmee nadrukkelijk afstand van de dwaalleraren die de gelovigen in verwarring hadden gebracht. En verwarring, dat is iets waar een wettische prediking altijd voor zorgt. Het berooft mensen van de zekerheid en brengt de ziel onnodige onrust. Hoe anders is het besluit dat nu wordt overgebracht! Dat bevat maar geen menselijk compromis, maar goddelijke wijsheid: “Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht.” De Geest van God is een Geest van vrede, die bevrijdt van elk ondraaglijk slavenjuk. De heidenchristenen hoeven de ceremoniële wet niet te houden om gered te worden. En de praktische leefregels die ze wel meekrijgen, dienen niet om daarmee de zaligheid te verdienen, maar om de liefdesband met hun Joodse broeders te bewaren en zich rein te houden van heidense afgoderij. Als de brief in Antiochië wordt voorgelezen, verblijdt de gemeente zich over deze bemoediging. Het evangelie van Gods genade in Christus stemt altijd vrolijk! Wie in eigen kracht probeert zalig te worden, blijft diep in zijn hart onrustig. Maar wie door een waar geloof mag rusten in het volbrachte verlossingswerk van Christus, ontvangt een vrede, vreugde en vrijheid die de wereld niet kent.

Verder lezen: Galaten 5:1-151 Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weder een slavenjuk opleggen. 2 Zie, ik, Paulus, zeg u: indien gij u laat besnijden, zal Christus u geen nut doen. 3 Nogmaals betuig ik aan ieder, die zich laat besnijden, dat hij verplicht is de gehele wet na te komen. 4 Gij zijt los van Christus, als gij door de wet gerechtigheid verwacht; buiten de genade staat gij. 5 Wij immers verwachten door de Geest uit het geloof de gerechtigheid, waarop wij hopen. 6 Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar geloof, door liefde werkende. 7 Gij liept goed. Wie is u in de weg gekomen, dat gij aan de waarheid niet meer gehoorzaamt? 8 Die overreding kwam niet van Hem, die u roept. 9 Een weinig zuurdeeg maakt het gehele deeg zuur. 10 Ik voor mij ben van u overtuigd in de Here, dat gij geen andere mening zult hebben. Maar wie u in verwarring brengt, zal zijn straf hebben te dragen, wie hij ook zij. 11 Wat mij echter betreft, broeders, indien ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik dan nog vervolgd? Dan is immers het aanstotelijke van het kruis van kracht beroofd. 12 Zij moesten zich maar laten snijden, die u verontrusten! 13 Want gij zijt geroepen, broeders, om vrij te zijn; (gebruikt) echter die vrijheid niet als een aanleiding voor het vlees, maar dient elkander door de liefde. 14 Want de gehele wet is in één woord vervuld, in dit: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. 15 Indien gij echter elkander bijt en vereet, ziet dan toe, dat gij niet door elkander verslonden wordt.

17 september

In Antiochië ontstaat een pijnlijke ruzie tussen twee botsende broeders. Barnabas wil zijn neef Johannes Marcus meenemen op hun volgende reis. Paulus weigert echter, omdat Marcus hen op de eerste zendingsreis in de steek heeft gelaten. De botsing is zó groot dat hun wegen scheiden. Het laat maar zien: zelfs de meest vooraanstaande dienaren van Christus blijven zondige mensen. Maar hoe wonderlijk is Gods voorzienigheid! Hij laat Zijn werk niet verhinderen door menselijk falen. Integendeel: in plaats van één, trekken er nu twéé zendingsgroepen de wereld in! Paulus neemt Silas mee en ontmoet in Lystra de jonge discipel Timotheüs. Wat er dan gebeurt, lijkt enigszins verrassend: Paulus laat Timotheüs besnijden. Gaat hij nu in tegen het pas genomen besluit in Jeruzalem? Beslist niet! Toen dwaalleraren de besnijdenis eisten als vereiste voor de zaligheid, verzette Paulus zich fel. Maar hier gaat het om iets anders: liefdevolle verdraagzaamheid. Paulus wil niet dat de afkomst van Timotheüs een onnodig struikelblok is voor de nog onvoldoende onderwezen joden die zij willen bereiken. Hij gebruikt de besnijdenis niet om valse leer te staven, maar slechts om ingang te verkrijgen met het oog op de verkondiging van het zuivere evangelie van Christus. Het is een belangrijke les: we moeten onbuigzaam zijn als de waarheid van het evangelie in het geding is, maar anderszins uiterst verdraagzaam.

Verder lezen: 1 Korintiërs 9:16-2316 Want indien ik het evangelie verkondig, heb ik geen stof tot roemen. Immers, ik ben ertoe genoodzaakt. Want wee mij, indien ik het evangelie niet verkondig! 17 Want doe ik dit gewillig, dan heb ik aanspraak op loon; maar doe ik het niet uit eigen beweging, de taak blijft mij toch opgedragen. 18 Wat is dan mijn loon? Dit: door mijn evangelieprediking het evangelie om niet te mogen brengen, en zo van mijn bevoegdheid als evangelieprediker geen gebruik te maken. 19 Want hoewel ik vrij sta tegenover allen, heb ik mij allen dienstbaar gemaakt, om er zoveel mogelijk te winnen; 20 en ik ben voor de Joden geworden als een Jood, om Joden te winnen; hun, die onder de wet staan, als onder de wet - hoewel persoonlijk niet onder de wet - om hen, die onder de wet staan, te winnen; 21 hun, die zonder wet zijn, ben ik geworden als zonder wet - hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de wet van Christus - om hen, die zonder wet zijn, te winnen. 22 Ik ben voor de zwakken zwak geworden, om de zwakken te winnen; voor allen ben ik alles geweest, om in elk geval enigen te redden. 23 Alles doe ik ter wille van het evangelie, om er zelf ook deel aan te verkrijgen.

18 september

Handelingen 16:4-184 En toen zij de steden langs reisden, gaven zij hun de beslissingen, die door de apostelen en de oudsten te Jeruzalem genomen waren, om die te onderhouden. 5 De gemeenten dan werden bevestigd in het geloof en namen dagelijks in zielental toe. 6 En zij gingen door het Frygisch-Galatische land, maar werden door de heilige Geest verhinderd het woord in Asia te spreken; 7 en bij Mysië gekomen, poogden zij naar Bitynië te reizen, maar de Geest van Jezus liet het hun niet toe; 8 en toen zij Mysië voorbij waren, kwamen zij te Troas. 9 En Paulus kreeg in de nacht een gezicht; er stond een Macedonisch man, die hem toeriep: Steek over naar Macedonië en help ons. 10 Toen hij het gezicht gezien had, zochten wij dadelijk gelegenheid om naar Macedonië te vertrekken, daar wij eruit opmaakten, dat God ons had geroepen om hun het evangelie te verkondigen. 11 En van Troas afgevaren, koersten wij recht op Samotrake aan en de volgende dag naar Neapolis; 12 en vandaar naar Filippi, dat de eerste stad is van dit deel van Macedonië, een (Romeinse) kolonie. En wij vertoefden enkele dagen in die stad. 13 En op de sabbatdag gingen wij de poort uit, de rivier langs, waar wij verwachtten, dat een gebedsplaats zou zijn; en nedergezeten, spraken wij tot de vrouwen, die samengekomen waren. 14 En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster uit de stad Tyatira, die God vereerde, hoorde toe, en de Here opende haar hart, zodat zij aandacht schonk aan hetgeen door Paulus gezegd werd. 15 En toen zij gedoopt was en haar huis, nodigde zij ons, zeggende: Indien gij van oordeel zijt, dat ik de Here getrouw ben, neemt dan uw intrek in mijn huis. En zij drong ons ertoe. 16 En het geschiedde, toen wij naar de gebedsplaats gingen, dat een zekere slavin, die een waarzeggende geest had, ons tegenkwam, welke aan haar eigenaars met waarzeggen veel voordeel aanbracht. 17 Deze liep Paulus en ons achterna, luid roepende: Deze mensen zijn dienstknechten van de allerhoogste God, die u de weg tot behoudenis boodschappen. 18 En dit deed zij vele dagen lang. Maar toen dit Paulus verdroot, wendde hij zich tot de geest en zeide: Ik gelast u in de naam van Jezus Christus van haar uit te gaan. En hij ging uit op datzelfde uur.

Tijdens zijn zendingsreis ondervindt Paulus hoe soeverein de Heilige Geest de weg wijst. Tot twee keer toe wordt de apostel verhinderd het evangelie te prediken in gebieden waar hij zélf naartoe dacht te gaan. God trekt Zijn eigen spoor. Dan volgt de roeping in een droom: “Steek over naar Macedonië en help ons.” Het evangelie bereikt Europa. In de stad Filippi zien we hoe Gods Woord ingang vindt. Bij een rivier spreekt Paulus tot een groepje vrouwen. Eén van hen is Lydia. Zij luistert aandachtig, en de Heere doet wat Hij alleen kan: Hij opent haar hart. Alleen als Gods Geest ons van nature gesloten hart openbreekt, komen we tot geloof en verstaan we de dingen van God. Geloof is ten diepste dus geen eigen beslissing, maar een hemels geschenk! Waar het licht van het evangelie doordringt, bindt het direct de strijd aan met de machten van de duisternis. Een slavin met een waarzeggende geest, die haar eigenaars met haar waarzeggerij veel winst opleverde, spreekt vrome woorden over de apostelen. Maar Paulus doorziet de demonische list waarmee de onreine geest de waarheid met de leugen wil vermengen. In de naam van Jezus Christus werpt hij de onreine geest uit. Waar Christus spreekt, moet de satan wijken. Laat het ons dan ook te doen zijn om de waarheid alleen!

Verder lezen: 1 Korintiërs 2:10-1610 Want óns heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods. 11 Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest Gods. 12 Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is. 13 Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken. 14 Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is. 15 Maar de geestelijke mens beoordeelt alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld. 16 Want wie kent de zin des Heren, dat hij Hem zou voorlichten? Maar wij hebben de zin van Christus.

19 september

Handelingen 16:19-4019 Toen nu haar eigenaars zagen, dat hun kans op voordeel verdwenen was, grepen zij Paulus en Silas en sleurden hen naar de markt voor de overheid, 20 en toen zij hen bij de hoofdlieden gebracht hadden, zeiden zij: Deze mensen brengen onze stad in rep en roer, daar zij Joden zijn, 21 en zij verkondigen zeden, die wij als Romeinen niet mogen aanvaarden of volgen. 22 Ook de menigte schoolde tegen hen samen en de hoofdlieden scheurden hun de kleren van het lijf en lieten hen met de roede geselen; 23 en na hun vele slagen gegeven te hebben, wierpen zij hen in de gevangenis met bevel aan de bewaarder hen zorgvuldig te bewaken. 24 Daar deze zulk een bevel ontvangen had, zette hij hen in de binnenste kerker en sloot hun voeten zorgvuldig in het blok. 25 Maar omstreeks middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gods lof, en de gevangenen luisterden naar hen. 26 Doch plotseling kwam er een zware aardbeving, zodat de grondvesten der gevangenis schudden; en terstond gingen alle deuren open en de boeien van allen raakten los. 27 En de bewaarder, uit zijn slaap opgeschrikt, zag de deuren der gevangenis openstaan, trok zijn zwaard en was op het punt zelfmoord te plegen, in de waan, dat de gevangenen ontsnapt waren. 28 Maar Paulus riep met luider stem: Doe uzelf geen kwaad, want wij zijn allen hier! 29 En hij liet licht brengen, sprong naar binnen en wierp zich, bevende over al zijn leden, voor Paulus en Silas neder. 30 En hij leidde hen naar buiten en zeide: Heren, wat moet ik doen om behouden te worden? 31 En zij zeiden: Stel uw vertrouwen op de Here Jezus en gij zult behouden worden, gij en uw huis. 32 En zij spraken het woord Gods tot hem in tegenwoordigheid van allen, die in zijn huis waren. 33 En in datzelfde uur van de nacht nam hij hen mede om hun striemen af te wassen, en hij liet zichzelf en al de zijnen terstond dopen; 34 en hij bracht hen naar boven in zijn huis en richtte een tafel aan, en hij verheugde zich, dat hij met zijn gehele huis tot het geloof in God gekomen was. 35 En toen het dag was geworden, zonden de hoofdlieden de gerechtsdienaars om te zeggen: Laat die mensen vrij. 36 En de bewaarder deelde dit bericht aan Paulus mede: De hoofdlieden hebben doen weten, dat gij moet vrijgelaten worden; vertrekt dan nu en gaat heen in vrede. 37 Maar Paulus zeide tot hen: Zij hebben ons, hoewel wij Romeinen zijn, zonder vorm van proces in het openbaar gegeseld en in de gevangenis gezet, en willen zij ons er nu ongemerkt uitzetten? Geen sprake van; laten zij zelf komen en ons eruit leiden. 38 En de boden brachten deze woorden over aan de hoofdlieden. En dezen werden bevreesd, toen zij hoorden, dat het Romeinen waren; 39 en zij kwamen het hun verzoeken, en toen zij hen de gevangenis uitgeleid hadden, vroegen zij hun de stad te verlaten. 40 En uit de gevangenis gekomen, gingen zij naar Lydia, en zij zagen de broeders en spraken hen bemoedigend toe en vertrokken.

De bevrijding van de bezeten slavin valt slecht bij haar eigenaars, die zonder haar waarzeggende geest geen geld meer aan haar verdienen. Paulus en Silas worden in de kerker geworpen. Maar in plaats van te klagen, bidden ze en zingen ze Gods lof. Ondanks hun gevangenschap kennen ze immers de vrede die de Heilige Geest in het hart stort, dwars door alle verdrukking heen. Aardse ketenen kunnen niets afdoen van de hemelse vrijheid in Christus. En dan grijpt God in met een zware aardbeving. Alle gevangenisdeuren vliegen open. De gevangenbewaarder wordt wakker en gaat ervan uit dat zijn gevangenen ontsnapt zijn. Uit angst voor represailles wil hij zelfmoord plegen. Als Paulus hem verzekert dat niemand gevlucht is, breekt deze Romein. Overdonderd en verwonderd werpt hij zich voor Paulus en Silas neer met de noodkreet: "Wat moet ik doen om behouden te worden?" Het bevrijdende antwoord: "Geloof in de Heere Jezus, en gij zult behouden worden." Geen onmogelijke prestatie wordt van hem verwacht, maar een gelovig rusten in het volbrachte werk van de Zaligmaker. Nog diezelfde nacht wordt de gevangenbewaarder met zijn gezin gedoopt. De cipier is door Gods genade wedergeboren, wat ook blijkt uit zijn liefdevolle zorg voor Paulus en Silas. Waar Christus komt, maakt dodelijke wanhoop plaats voor de blijdschap van een levend geloof.

Verder lezen: Filippenzen 1:12-2012 Ik wil, dat gij weet, broeders, dat hetgeen mij wedervaren is veeleer tot bevordering van de evangelieprediking heeft gestrekt. 13 Daardoor toch is aan het gehele hof en aan al de overigen duidelijk geworden, dat ik in gevangenschap ben om Christus' wil, 14 en het merendeel der broeders in de Here heeft door mijn gevangenschap vertrouwen gekregen om met des te meer moed onbevreesd het woord Gods te spreken. 15 Sommigen prediken de Christus wel uit nijd en twist, maar anderen doen het met goede bedoeling. 16 Dezen verkondigen de Christus uit liefde, daar zij weten, dat ik tot verdediging van het evangelie gesteld ben, 17 maar genen uit eigenbelang, met de onzuivere bedoeling, mij de gevangenschap zwaar te maken. 18 Wat doet het ertoe? In elk geval, hetzij met een bijoogmerk, hetzij in oprechtheid, wordt Christus verkondigd; en daarin verblijd ik mij, en zal ik mij ook verblijden. 19 Want ik weet, dat dit mij tot behoud zal strekken door uw gebed en de bijstand des Geestes van Jezus Christus, 20 naar mijn vurig verlangen en hopen, dat ik in geen enkel opzicht beschaamd zal staan, maar dat met alle vrijmoedigheid, zoals steeds, ook nú Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood.

20 september

Handelingen 17:1-141 En hun weg nemende over Amfipolis en Apollonia, kwamen zij te Tessalonica, waar een synagoge der Joden was. 2 En Paulus ging, zoals hij gewoon was, daar binnen en behandelde drie sabbatten achtereen met hen gedeelten uit de Schriften, 3 door aanhalingen uitleggende, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze de Christus is, die Jezus, die ik (zeide hij) u predik. 4 En enigen van hen lieten zich overtuigen en sloten zich bij Paulus en Silas aan, en ook een grote menigte Grieken, die God vereerden, en tal van voorname vrouwen. 5 Maar de Joden werden afgunstig en namen enkelen van het minste straatvolk te hulp, veroorzaakten een oploop, en brachten de stad in rep en roer; en zij stormden op het huis van Jason aan met de bedoeling hen voor de volksvergadering te brengen. 6 Maar toen zij hen niet vonden, sleurden zij Jason en enige broeders voor de stadsbestuurders, en schreeuwden: Dezen, die de wereld in opschudding gebracht hebben, zijn ook hier gekomen, 7 en Jason heeft hen in zijn huis opgenomen. En zij handelen allen in strijd met de geboden van de keizer door te beweren, dat er een andere koning, Jezus, is. 8 En zij maakten de bevolking en de stadsbestuurders, die dit hoorden, ongerust. 9 Doch toen dezen van Jason en de anderen een borgtocht hadden ontvangen, lieten zij hen vrij. 10 Maar de broeders zonden terstond in de nacht Paulus en Silas naar Berea, die, daar aangekomen, naar de synagoge der Joden gingen; 11 en dezen onderscheidden zich gunstig van die te Tessalonica, daar zij het woord met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen, of deze dingen zo waren. 12 Velen dan van hen kwamen tot het geloof, en van de aanzienlijke Griekse vrouwen en mannen niet weinigen. 13 Maar toen de Joden uit Tessalonica bemerkten, dat het woord Gods ook te Berea door Paulus werd verkondigd, kwamen zij ook daar de scharen opzetten en verontrusten. 14 Doch de broeders lieten toen terstond Paulus vertrekken in de richting van de zee, maar Silas en Timoteüs bleven daar achter.

Onvermoeibaar predikt Paulus in de synagoge van Tessalonica de Christus der Schriften. Uitgebreid verkondigt hij dat Christus naar uitwijzen van Gods Woord wel moest lijden en opstaan uit de doden. Deze boodschap mist haar uitwerking niet: velen komen tot geloof. Maar waar de Heere Zijn kerk bouwt, verzet de vorst der duisternis zich fel. Uit haat en afgunst ontketenen ongelovige Joden een oploop. Ze beschuldigen Paulus en Silas ervan de wereld in opschudding te brengen door een 'andere koning' te prediken. En inderdaad, Christus ís Koning! Zijn rijk is echter geen aards rijk, dat een bedreiging vormt voor het rijk van de keizer, maar een hemels rijk, dat Christus regeert met het Zwaard van de Geest, dat is Gods Woord.

De apostelen vluchten dan naar Berea. Daar ontmoeten ze een heel andere luisterhouding. De Joden in Berea onderscheiden zich gunstig van die in Tessalonica. Ze wijzen de prediking niet vijandig af, maar ze nemen ook niet zomaar alles klakkeloos aan. Te goeder trouw onderzoeken ze dagelijks de Schriften of de gepredikte dingen werkelijk zo zijn. Ze toetsen elke preek aan het onfeilbare Woord van God. En dat wordt rijk gezegend: velen komen tot een waar geloof. Laten ook wij net als de Bereeërs voortdurend bidden en de Schriften onderzoeken. Want de Schriften zijn het, die ons wijs maken tot zaligheid.

Verder lezen: 1 Tessalonicenzen 11 Paulus, Silvanus en Timoteüs aan de gemeente der Tessalonicenzen in God, de Vader, en de Here Jezus Christus: genade zij u en vrede! 2 Wij danken God altijd om u allen, wanneer wij u gedenken bij onze gebeden, 3 onophoudelijk gedachtig aan het werk uws geloofs, de inspanning uwer liefde en de volharding uwer hoop op onze Here Jezus Christus voor het oog van onze God en Vader. 4 Immers, dat gij, door God geliefde broeders, verkoren zijt, weten wij, 5 omdat onze evangelieprediking niet slechts in woorden tot u gekomen is, maar ook in kracht en in de heilige Geest en in grote volheid; gij weet trouwens, hoedanigen wij bij u geweest zijn om uwentwil. 6 En gij zijt navolgers geworden van ons en van de Here en gij hebt het woord onder zware verdrukking met blijdschap des heiligen Geestes aangenomen, 7 zodat gij een voorbeeld geworden zijt voor alle gelovigen in Macedonië en in Achaje. 8 Want uit uw midden heeft het woord des Heren weerklonken niet alleen in Macedonië en Achaje, maar allerwegen is uw geloof, dat zich op God richt, bekend geworden, zodat wij daarvan niets behoeven te zeggen. 9 Want zelf verhalen zij van ons, hoe wij bij u ontvangen zijn en hoe gij u van de afgoden tot God bekeerd hebt, om de levende en waarachtige God te dienen, 10 en uit de hemelen zijn Zoon te verwachten, die Hij uit de doden opgewekt heeft, Jezus, die ons verlost van de komende toorn.

21 september

Handelingen 17:15-3415 En Paulus' geleiders brachten hem te Athene en vertrokken met de opdracht aan Silas en Timoteüs om zo spoedig mogelijk bij hem te komen. 16 En terwijl Paulus te Athene op hen wachtte, werd zijn geest in hem geprikkeld, toen hij zag, dat de stad zo vol afgodsbeelden was. 17 Hij hield daarom in de synagoge samensprekingen met de Joden en met hen, die God vereerden, en op de markt dagelijks met hen, die hij er aantrof. 18 En ook enige van de Epikureïsche en Stoïcijnse wijsgeren twistten met hem en sommigen zeiden: Wat zou die betweter willen beweren? Maar anderen: Hij schijnt een verkondiger van vreemde goden te zijn; want hij bracht het evangelie van Jezus en van de opstanding. 19 En zij namen hem mede en brachten hem naar de Areopagus en zeiden: Zouden wij ook mogen vernemen, wat dit voor een nieuwe leer is, waarvan gij spreekt? 20 Want gij brengt ons enige vreemde dingen ten gehore; wij wensten dan wel te weten, wat dit zeggen wil. 21 Alle Atheners nu en de vreemdelingen, die zich daar ophielden, hadden voor niets anders tijd over dan om iets nieuws te zeggen of te horen. 22 En Paulus, voor de Areopagus staande, zeide: Mannen van Athene, ik zie voor mijn ogen, dat gij in elk opzicht buitengewoon ontzag voor godheden hebt; 23 want toen ik door uw stad liep en de voorwerpen uwer verering aanschouwde, heb ik ook een altaar gevonden met het opschrift: Aan een onbekende god. Wat gij dan, zonder het te kennen, vereert, dat verkondig ik u. 24 De God, die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is, die een Heer is van hemel en aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt, 25 en laat Zich ook niet door mensenhanden dienen, alsof Hij nog iets nodig had, daar Hij zelf aan allen leven en adem en alles geeft. 26 Hij heeft uit één enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald, 27 opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons. 28 Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook enige van uw dichters hebben gezegd: Want wij zijn ook van zijn geslacht. 29 Daar wij dan van Gods geslacht zijn, moeten wij niet menen, dat de godheid gelijk is aan goud of zilver of steen door menselijke kunstvaardigheid gesneden of bedacht. 30 God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen; 31 omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft, waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken. 32 Toen zij nu van een opstanding van doden hoorden, spotten sommigen, maar anderen zeiden: Wij zullen u hierover nog wel eens horen. 33 Aldus vertrok Paulus uit hun midden. 34 Doch enige mannen sloten zich bij hem aan, en kwamen tot geloof, onder wie ook Dionysius, de Areopagiet, en een vrouw, genaamd Damaris, en anderen met hen.

Paulus komt in Athene, het hart van de Griekse cultuur. Daar wordt hij diep geraakt, niet door de indrukwekkende kunst en architectuur, maar door de vele afgodsbeelden. De stad ademt valse religie. Paulus richt het woord dan ook niet alleen tot de joden in de synagoge, maar ook tot de afgodische heidenen op de markt.

Hij wordt ook meegenomen naar de Areopagus, een podium voor filosofen. Daar haakt de apostel in op een altaar gewijd “aan een onbekende god”. De God die de Atheners niet kennen, komt Paulus hun nu verkondigen: de enige ware God en Schepper van hemel en aarde. Anders dan al hun afgoden is Hij de levende God, die niet in beelden of tempels te vangen is. Paulus ontmaskert de dwaasheid van de afgoderij en benadrukt Gods bevel aan alle mensen tot bekering, voordat Hij de wereld rechtvaardig zal oordelen door de opgestane Christus.

De reacties verschillen. Velen spotten met het in hun ogen dwaze evangelie of stellen hun beslissing uit. En dat is levensgevaarlijk: Gods Woord aanhoren zonder het aan te nemen. Toch komen ook in Athene sommigen tot geloof. Het is te danken aan de genade van de HEERE, die voor ons geen onbekende God mag zijn, omdat Hij zich in Zijn Woord aan ons heeft geopenbaard.

Verder lezen: 1 Korintiërs 1:18-3118 Want het woord des kruises is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een kracht Gods. 19 Want er staat geschreven: Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen. 20 Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd? Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt? 21 Want daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking te redden hen, die geloven. 22 Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken wijsheid, 23 doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, 24 maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, (prediken wij) Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods. 25 Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen. 26 Ziet slechts, broeders, wat gij waart, toen gij geroepen werdt: niet vele wijzen naar het vlees, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken. 27 Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen; 28 en wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren, dat, wat niets is, om aan hetgeen wèl iets is, zijn kracht te ontnemen, 29 opdat geen vlees zou roemen voor God. 30 Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing, 31 opdat het zij, gelijk geschreven staat: Wie roemt, roeme in de Here.


22 september

Handelingen 18:1-171 Daarna verliet hij Athene en kwam te Korinte. 2 En hij vond daar een Jood, genaamd Aquila, van geboorte uit Pontus, die juist uit Italië gekomen was met Priscilla, zijn vrouw, omdat Claudius bevolen had, dat alle Joden Rome zouden verlaten; en hij kwam bij hen. 3 En omdat hij hetzelfde handwerk uitoefende, bleef hij bij hen, en zij werkten samen, want zij waren tentenmakers van hun handwerk. 4 En hij hield elke sabbat besprekingen in de synagoge en trachtte Joden en Grieken te overtuigen. 5 En toen Silas en Timoteüs uit Macedonië kwamen, wijdde Paulus zich geheel aan de prediking, waarin hij de Joden betuigde, dat Jezus de Christus is. 6 Maar toen dezen zich verzetten en lasterden, schudde hij zijn kleren uit en zeide tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben er rein van, voortaan zal ik mij tot de heidenen wenden. 7 En hij vertrok vandaar en kwam in het huis van iemand, genaamd Titius Justus, die God vereerde, wiens huis naast de synagoge stond. 8 En Crispus, de overste der synagoge, kwam tot geloof in de Here met zijn gehele huis, en vele van de Korintiërs, die hem hoorden, geloofden en lieten zich dopen. 9 En de Here zeide in de nacht door een gezicht tot Paulus: Wees niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet; 10 want Ik ben met u en niemand zal het op u toeleggen om u kwaad te doen, want Ik heb veel volk in deze stad. 11 En hij woonde daar een jaar en zes maanden en leerde onder hen het woord Gods. 12 Maar toen Gallio landvoogd van Achaje was, keerden zich de Joden als één man tegen Paulus en brachten hem voor de rechterstoel, 13 en zeiden: Deze tracht de mensen te overreden om God op onwettige wijze te vereren. 14 En toen Paulus op het punt stond zijn mond te openen, zeide Gallio tot de Joden: Indien er sprake was van enige onrechtmatigheid of misdrijf, zou ik u, o Joden, uit de aard der zaak ontvankelijk verklaard hebben; 15 maar nu het geschillen zijn over een woord en namen en de wet, die bij u geldt, moet gij het zelf maar uitmaken; hierover wil ik geen rechter zijn. 16 En hij joeg hen van zijn rechterstoel weg. 17 En allen grepen Sostenes, de overste der synagoge, en zij sloegen hem vóór de rechterstoel; maar Gallio trok er zich niets van aan.

Paulus komt aan in de goddeloze havenstad Korinthe. Terwijl hij in zijn onderhoud voorziet als tentenmaker bij Aquila en Priscilla, preekt hij onvermoeibaar in de synagoge. Wanneer Silas en Timotheüs aankomen, wijdt hij zich volledig aan de verkondiging dat Jezus de Christus is. Maar er is veel weerstand. De Joden verzetten zich fel en lasteren de waarheid. Paulus schudt zijn kleren uit als teken dat hij geen gemeenschap meer met hen wil hebben. Wie het evangelie hardnekkig afwijst, draagt daarvoor zelf de eeuwige schuld. De apostel wendt zich nu tot de heidenen.

Toch is Paulus' werk onder de joden allerminst vruchteloos te noemen. Zelfs de overste van de synagoge komt tot geloof! Omdat de vijandschap groeit, en er bij Paulus sprake is van “veel vrezen en beven” (1 Korintiërs 2:33 Ook kwam ik in zwakheid, met veel vrezen en beven tot u.), bemoedigt de Heere Zijn dienaar in een visioen om niet te zwichten voor de druk: "Wees niet bevreesd, maar spreek”, “want Ik heb veel volk in deze stad." Hier schittert Gods verkiezend welbehagen! Midden in een verdorven stad kent God de Zijnen, zelfs nog vóórdat zij geloven. Dit woord geeft Paulus houvast, ook wanneer hij later voor de rechterstoel van Gallio wordt gesleept en God hem wonderlijk bewaart. De Heere zal al Zijn uitverkorenen vergaderen, door de dienst van mensen die onbevreesd Zijn Woord spreken. Laten wij dat Woord niet minder vrijmoedig náspreken.

Verder lezen: 1 Korintiërs 21 Ook ben ik, toen ik tot u kwam, broeders, niet met schittering van woorden of wijsheid u het getuigenis van God komen brengen. 2 Want ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en die gekruisigd. 3 Ook kwam ik in zwakheid, met veel vrezen en beven tot u; 4 mijn spreken en mijn prediking kwam ook niet met meeslepende woorden van wijsheid, maar met betoon van geest en kracht, 5 opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen, maar op kracht van God. 6 Toch spreken wij wijsheid bij hen, die daarvoor rijp zijn, een wijsheid echter niet van deze eeuw, noch van de beheersers dezer eeuw, wier macht teniet gaat, 7 maar wat wij spreken, als een geheimenis, is de verborgen wijsheid Gods, die God (reeds) van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid. 8 En geen van de beheersers dezer eeuw heeft van haar geweten, want indien zij van haar geweten hadden, zouden zij de Here der heerlijkheid niet gekruisigd hebben. 9 Maar, gelijk geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben. 10 Want óns heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods. 11 Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest Gods. 12 Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is. 13 Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken. 14 Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is. 15 Maar de geestelijke mens beoordeelt alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld. 16 Want wie kent de zin des Heren, dat hij Hem zou voorlichten? Maar wij hebben de zin van Christus.

23 september

Handelingen 18:18-2818 En nadat Paulus daar nog verscheidene dagen was gebleven, nam hij afscheid van de broeders en voer weg naar Syrië, vergezeld door Priscilla en Aquila, nadat hij te Kenchreeën zijn hoofdhaar had laten afknippen, want hij stond onder een gelofte. 19 En zij kwamen te Efeze aan en hen daar achterlatende, ging hij zelf naar de synagoge en hield besprekingen met de Joden. 20 Hun verzoek echter om langer te blijven willigde hij niet in, 21 maar hij nam afscheid en zeide: Zo God wil, kom ik bij u terug. En hij vertrok over zee van Efeze. 22 En hij kwam te Caesarea, ging aan land en groette de gemeente en ging naar Antiochië. 23 En toen hij daar een tijd lang geweest was, ging hij weer weg en doorreisde achtereenvolgens het land van Galatië en Frygië om al de discipelen te versterken. 24 En een zekere Jood, genaamd Apollos, geboortig uit Alexandrië, een geleerd man, doorkneed in de Schriften, kwam te Efeze. 25 Deze was ingelicht omtrent de weg des Heren en, vurig van geest, sprak en leerde hij nauwkeurig hetgeen op Jezus betrekking had, ofschoon hij alleen wist van de doop van Johannes. 26 En deze begon vrijmoedig op te treden in de synagoge. En toen Priscilla en Aquila hem hoorden, namen zij hem tot zich en legden hem de weg Gods nauwkeuriger uit. 27 En toen hij naar Achaje wilde oversteken, moedigden de broeders hem daartoe aan en schreven aan de discipelen, dat zij hem vriendelijk moesten ontvangen. Deze, daar aangekomen, was door (Gods) genade van veel nut voor hen, die geloofden. 28 Want onvermoeid bestreed hij de Joden in het openbaar en bewees uit de Schriften, dat Jezus de Christus is.

Paulus vertrekt uit Korinthe. Na een kort verblijf in Efeze, waar hij Aquila en Priscilla achterlaat, vragen de joden hem dringend om langer te blijven. Paulus wijst dit af, maar belooft terug te keren, met als voorbehoud: "zo God wil". Een ware gelovige beseft dat wij niet over onze eigen toekomst beschikken. Hoeveel reis- en levensplannen we ook maken, we zijn volstrekt afhankelijk van de wil van onze hemelse Vader (Jakobus 4:13-1513 Welaan dan, gij, die zegt: Vandaag of morgen gaan wij op reis naar die en die stad, wij zullen er een jaar doorbrengen, zaken doen en winst maken; 14 gij, die niet (eens) weet, hoe morgen uw leven zijn zal! Want gij zijt een damp, die voor een korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt; 15 in plaats van te zeggen: Indien de Here wil, zullen wij leven en dit of dat doen.). Terwijl Paulus verder reist, arriveert in Efeze een geleerd man: Apollos. Hij is welsprekend, vurig van geest en doorkneed in de oudtestamentische Schriften. Maar zijn kennis over het volbrachte werk van de Zaligmaker is nog onvolkomen; hij weet alleen van de doop van Johannes. Wat er dan gebeurt, is een schitterend voorbeeld van christelijke ootmoed en verbondenheid. De eenvoudige tentenmakers Priscilla en Aquila nemen deze geleerde man apart om hem de weg van God nauwkeuriger uit te leggen. En Apollos laat zich onderwijzen! Hij is niet te hoogmoedig om te leren van deze 'gewone' gemeenteleden. Hierna reist Apollos naar Achaje. Daar wordt hij een belangrijk instrument in Gods hand. Doordat hij onvermoeid aantoont dat Jezus de Christus is, is hij van veel nut. En dat niet dankzij zichzelf, maar "door Gods genade". Want geleerdheid en welsprekendheid zijn prachtige gaven, maar afhankelijk blijft ook Apollos van de Gever daarvan.

Verder lezen: 1 Korintiërs 3:1-91 En ik, broeders, kon niet tot u spreken als tot geestelijke mensen, maar slechts als tot vleselijke, nog onmondigen in Christus. 2 Melk heb ik u gegeven, geen vast voedsel, want dat kondt gij nog niet verdragen. Ja, dat kunt gij ook nu [nog] niet, 3 want gij zijt nog vleselijk. Want als er onder u nijd en twist is, zijt gij dan niet vleselijk, en leeft gij niet als (onveranderde) mensen? 4 Want wanneer de een zegt: Ik ben van Paulus; en de ander: Ik van Apollos; zijt gij dan niet (onveranderde) mensen? 5 Wat is dan Apollos? Of wat is Paulus? Dienaren, door wie gij tot geloof gekomen zijt, en wel zoals de Here dit aan een ieder geschonken heeft. 6 Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de wasdom. 7 Daarom, noch wie plant, noch wie begiet, betekent iets, maar God, die de wasdom geeft. 8 Wie plant en wie begiet, staan gelijk; alleen zal elk zijn eigen loon krijgen naar zijn eigen werk. 9 Want Gods medearbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij.

24 september

Handelingen 19:1-121 En terwijl Apollos te Korinte was, geschiedde het, dat Paulus, na door de bovenlanden gereisd te zijn, te Efeze kwam, en daar enige discipelen vond. 2 En hij zeide tot hen: Hebt gij de heilige Geest ontvangen, toen gij tot het geloof kwaamt? Doch zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord, dat er een heilige Geest is. 3 En hij zeide tot hen: Waarin zijt gij dan gedoopt? En zij zeiden: In de doop van Johannes. 4 Maar Paulus zeide: Johannes doopte een doop van bekering en zeide tot het volk, dat zij moesten geloven in Hem, die na hem kwam, dat is in Jezus. 5 En toen zij dit hoorden, lieten zij zich dopen in de naam van de Here Jezus. 6 En toen Paulus hun de handen oplegde, kwam de heilige Geest over hen, en zij spraken in tongen en profeteerden. 7 En het waren in het geheel ongeveer twaalf mannen. 8 En Paulus ging naar de synagoge en trad drie maanden lang vrijmoedig op, om hen door besprekingen te overtuigen aangaande het Koninkrijk Gods. 9 Maar toen sommigen verhard en ongehoorzaam bleven en ten aanhoren van de menigte kwaad bleven spreken van de weg, maakte hij zich van hen los en zonderde zijn discipelen af, terwijl hij dagelijks besprekingen hield in de gehoorzaal van Tyrannus. 10 En dit ging twee jaar lang zo voort, zodat allen, die in Asia woonden, het woord des Heren hoorden, Joden zowel als Grieken. 11 En God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus, 12 zodat ook zweetdoeken of gordeldoeken van zijn lichaam aan de zieken gebracht werden en hun kwalen van hen weken en de boze geesten uitvoeren.

Terug in Efeze ontmoet Paulus zo'n twaalf mannen. Ze worden discipelen genoemd en zijn ongetwijfeld oprecht, maar toch ontbreekt er iets wezenlijks. Als Paulus vraagt of zij de Heilige Geest ontvangen hebben, antwoorden ze: "Wij hebben zelfs niet gehoord dat er een Heilige Geest is", of duidelijker vertaald: “dat de Heilige Geest er al is”, dat Hij al is uitgestort. Deze discipelen waren wel gedoopt met de doop van Johannes de Doper, die wees op het komende werk van Christus, maar nu ontvangen zij ook de uitgestorte Geest van Christus. Hierna verkondigt Paulus de Christus drie maanden lang in de synagoge. Als het Zwaard van de Geest snijdt Gods Woord aan twee kanten. Terwijl het geloof werkt bij de een, leidt het bij anderen tot verharding. De hardnekkige ongelovigen spreken openlijk kwaad van 'de weg', van de christelijke leer en godsdienst. Paulus laat zich echter niet ontmoedigen. Hij trekt zich met de ware gelovigen terug in de gehoorzaal van Tyrannus. Twee jaar lang klinkt daar het apostolisch onderwijs. En God Zelf bevestigt de prediking met buitengewone wonderen. Zelfs de zweetdoeken van Paulus brengen genezing en verdrijven boze geesten. Niet omdat de apostel over magische krachten beschikt, maar "Gód deed buitengewone krachten.” De HEERE is het die wonderen werkt, niet in de laatste plaats het wonder van geloof en bekering!

Verder lezen: Hebreeën 3:7-197 Daarom, gelijk de heilige Geest zegt: Heden, indien gij zijn stem hoort, 8 verhardt uw harten niet, zoals bij de verbittering, ten dage van de verzoeking in de woestijn, 9 waar uw vaders Mij verzochten door Mij op de proef te stellen, hoewel zij mijn werken zagen, veertig jaren lang; 10 daarom heb Ik een afkeer gekregen van dit geslacht en Ik heb gezegd: Altijd dwalen zij met hun hart, en zij hebben mijn wegen niet gekend, 11 zodat Ik gezworen heb in mijn toorn: Nooit zullen zij tot mijn rust ingaan! 12 Ziet toe, broeders, dat bij niemand uwer een boos, ongelovig hart zij, door af te vallen van de levende God, 13 maar vermaant elkander dagelijks, zolang men nog van een heden kan spreken, opdat niemand van u zich verharde door de misleiding der zonde; 14 want wij hebben deel gekregen aan Christus, mits wij het begin van onze verzekerdheid tot het einde onverwrikt vasthouden. 15 Als er gezegd wordt: Heden, indien gij zijn stem hoort, verhardt uw harten niet zoals bij de verbittering. 16 Wie waren het dan, die, hoewel zij (de stem) gehoord hadden, (God) verbitterden? Waren dat niet allen, die onder Mozes uit Egypte waren uitgegaan? 17 En van wie heeft Hij een afkeer gehad, veertig jaren lang? Was het niet van hen, die gezondigd hadden en wier lijken in de woestijn lagen? 18 Aan wie anders zwoer Hij, dat zij tot zijn rust niet zouden ingaan, dan aan hen, die ongehoorzaam geweest waren? 19 Zo zien wij, dat zij niet konden ingaan wegens hun ongeloof.

25 september

Zeven Joodse geestenbezweerders zien in Efeze de wonderen die God door Paulus doet. Ze besluiten de Naam van Jezus als een soort toverspreuk te gebruiken bij het uitdrijven van boze geesten: "Ik bezweer u bij de Jezus, die Paulus predikt". Deze geestenbezweerders kennen Christus helemaal niet. En de heilige Naam van de Heere is maar geen magische formule die voor eigen gewin is te gebruiken. Het christelijk geloof komt niet neer op een goedkope tovertruc. De reactie van de boze geest die de geestenbezweerders in de naam van de door Paulus gepredikte Jezus willen uitdrijven is dan ook veelzeggend: "Jezus ken ik en van Paulus weet ik, maar wie zijt gij?" De duivel en zijn handlangers weten heel goed wie Christus en de Zijnen zijn. Maar de schijnvrome mannen maken hen niet bang. Die worden dan ook gewelddadig overmeesterd en vluchten naakt en gewond weg. Het laat maar zien: zonder deel aan Christus' bloed en Geest is een mens volstrekt weerloos tegen de machten van de duisternis. Wanneer dit gebeuren in de stad bekend wordt, wordt de Naam van de Heere Jezus door velen grootgemaakt. Velen komen tot bekering en belijden openlijk hun zondige praktijken. Tal van dure toverboeken worden verbrand. Ware bekering betekent immers een radicaal breken met de zonde, wat het ook kost. Dat geldt tot op de dag van vandaag!

Verder lezen: Marcus 5:1-201 En zij kwamen aan de overkant der zee in het land der Gerasenen. 2 En toen Hij uit het schip ging, kwam Hem [terstond] uit de grafsteden een mens tegemoet met een onreine geest, 3 die verblijf hield in de graven, en niemand had hem meer kunnen binden zelfs niet met een keten, 4 want hij was dikwijls met voetboeien en ketenen gebonden geweest en de ketenen waren door hem stukgetrokken en de voetboeien vernield, en niemand was bij machte hem te bedwingen. 5 En voortdurend, nacht en dag, was hij in de graven en in de bergen, schreeuwende en zichzelf met stenen slaande. 6 En toen hij Jezus uit de verte zag, liep hij toe, viel voor Hem neder, 7 en zeide, roepende met luider stem: Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt. 8 Want Hij zeide tot hem: Onreine geest, ga uit van deze mens. 9 En Hij vroeg hem: Hoe is uw naam? 10 En hij zeide tot Hem: Mijn naam is legioen, want wij zijn talrijk. En hij smeekte Hem dringend hen niet buiten het land te zenden. 11 Nu werd daar bij de berg een grote kudde zwijnen gehoed. 12 En zij smeekten Hem, zeggende: Zend ons in de zwijnen, dat wij daarin varen. 13 En Hij stond het hun toe. En de onreine geesten gingen uit en voeren in de zwijnen; en de kudde, ongeveer tweeduizend, stormde langs de helling de zee in en zij verdronken in de zee. 14 En die ze hoedden, namen de vlucht en berichtten het in de stad en op het land. En de mensen gingen zien, wat er gebeurd was. 15 En zij kwamen bij Jezus en zagen de bezetene zitten, gekleed en goed bij zijn verstand, hem, die het legioen gehad had; en zij werden bevreesd. 16 En die het hadden gezien, verhaalden hun, hoe het met de bezetene gegaan was en ook van de zwijnen. 17 En zij begonnen er bij Hem op aan te dringen, dat Hij uit hun gebied weg zou gaan. 18 En toen Hij in het schip ging, smeekte de bezetene Hem, dat hij bij Hem mocht blijven. 19 Doch Hij stond het hem niet toe, maar Hij zeide tot hem: Ga naar uw huis tot de uwen en bericht hun al wat de Here in zijn ontferming u gedaan heeft. 20 En hij ging weg en begon in de Dekapolis te verkondigen al wat Jezus hem gedaan had, en allen verwonderden zich.

26 september

Handelingen 19:21-4021 En toen dit alles voorbij was, nam Paulus zich voor door Macedonië en Achaje naar Jeruzalem te reizen, en hij zeide: Als ik daar geweest ben, moet ik ook Rome zien. 22 En hij zond twee van zijn helpers, Timoteüs en Erastus, naar Macedonië, maar hij bleef zelf nog een tijd lang in Asia. 23 En omstreeks dat tijdstip ontstond er geen geringe opschudding inzake de weg. 24 Want iemand, genaamd Demetrius, een zilversmid, die zilveren Artemistempels vervaardigde, verschafte aan de mannen van het vak niet weinig inkomsten. 25 Hij riep dezen bijeen, met de werklieden in dit vak, en zeide: Mannen, gij weet, dat wij aan dit werk onze welvaart danken, 26 en gij ziet en hoort, dat deze Paulus een talrijke schare, niet alleen van Efeze, maar ook van bijna geheel Asia, overgehaald en afkerig gemaakt heeft door te zeggen, dat goden, die met handen worden gemaakt, geen goden zijn; 27 en wij lopen niet alleen gevaar, dat deze tak van arbeid niet meer in tel zal zijn, maar ook, dat het heiligdom van de grote godin Artemis van geen betekenis meer geacht zal worden, en dat zij ook van haar luister beroofd zal worden, zij, die door geheel Asia en de ganse wereld als godin wordt vereerd. 28 Toen zij nu dit hoorden, riepen zij in heftige opwinding: Groot is de Artemis der Efeziërs! 29 En de stad werd een en al verwarring en zij stormden als één man naar het theater en sleurden Gajus en Aristarchus, Macedonische reisgenoten van Paulus, mede. 30 En toen Paulus zich onder het volk wilde begeven, lieten de discipelen hem dit niet toe; 31 zelfs zonden enige van de oversten van Asia, die hem welgezind waren, hem de waarschuwing, zich niet in het theater te wagen. 32 Nu riep de een dit, de ander dat, want de volksvergadering was verward en de meesten wisten niet eens, waartoe zij samengekomen waren. 33 En uit de schare gaf men inlichtingen aan Alexander, die de Joden naar voren geschoven hadden, en Alexander wenkte met de hand en wilde een verdedigingsrede houden voor het volk. 34 Maar toen zij bemerkten, dat hij een Jood was, ging er één geroep van allen op, wel twee uren lang: Groot is de Artemis der Efeziërs! 35 Maar de secretaris der stad bracht de schare tot kalmte, doordat hij zeide: Mannen van Efeze! Wie ter wereld weet niet, dat de stad der Efeziërs de tempelbewaarster is van de grote Artemis en van het beeld, dat uit de hemel is gevallen? 36 Daar dit nu buiten kijf is, hebt gij u kalm te houden en niets overijlds te doen. 37 Want gij hebt deze mannen opgebracht, zonder dat zij tempelrovers zijn, of onze godin lasteren. 38 Indien derhalve Demetrius en zijn vakgenoten iets tegen iemand hebben in te brengen, er worden rechtszittingen gehouden en er zijn landvoogden; laten zij een aanklacht tegen elkander indienen. 39 En indien gij nog iets meer te verlangen hebt, zal dit in de wettige volksvergadering worden beslist. 40 Want wij lopen gevaar van oproer te worden aangeklaagd om de dag van heden, daar er geen enkele reden is aan te voeren, waarover wij verantwoording zullen kunnen afleggen, terzake van deze samenscholing. En met deze woorden ontbond hij de volksvergadering.

De evangelieprediking in Efeze werpt rijke vruchten af, maar wekt ook felle tegenstand. Waar Gods Woord overwint, lijdt het rijk van de duisternis schade. Dat merkt de zilversmid Demetrius direct in zijn portemonnee. Hij verdient grof geld aan de handel in zilveren tempeltjes van de godin Artemis. Omdat Paulus vrijmoedig predikt dat door mensen gemaakte goden helemaal geen goden zijn, ziet Demetrius zijn inkomsten verdampen. Sluw hitst hij zijn vakgenoten op. Onder het schijnvrome mom van religieuze ijver voor de ‘grote’ Artemis der Efeziërs verdedigen zij hun eigen financiële belangen. Binnen de kortste keren is de stad in rep en roer. Een uitzinnige, verwarde menigte stroomt samen in het theater. In blinde woede gaat de heidense wereld tekeer tegen de bevrijdende waarheid van Christus. Paulus wil de schare moedig toespreken, maar wordt tegengehouden door de discipelen. En dan toont God hoe soeverein Hij regeert. Hij gebruikt hier geen grote wonderen of engelen, maar het nuchtere spreken van een heidense stadssecretaris om de menigte te sussen en uiteen te drijven. De Heere is het, die al wakend over Zijn kerk alle dingen regeert door Zijn eeuwige raad en voorzienigheid. Laten wij dan ook van harte dienaren zijn, niet van de Mammon, de god van het geld, maar van de Heere alleen. Dan boeken we eeuwige winst!

Verder lezen: 1 Timoteüs 6:3-123 Indien iemand een andere leer verkondigt en zich niet voegt naar de gezonde woorden van onze Here Jezus Christus en de leer der godsvrucht, 4 dan is hij opgeblazen, hoewel hij niets weet, en heeft hij een zwak voor geschillen en haarkloverijen, een bron van nijd, twist, lasteringen, kwade vermoedens, 5 en geharrewar bij mensen die niet helder meer zijn van denken en het spoor der waarheid bijster geraakt zijn, daar zij de godsvrucht als iets winstgevends beschouwen. 6 Nu brengt inderdaad de godsvrucht grote winst, (indien zij gepaard gaat) met tevredenheid. 7 Want wij hebben niets op de wereld medegebracht; wij kunnen er ook niets uit medenemen. 8 Als wij echter onderhoud en onderdak hebben, dan moet ons dat genoeg zijn. 9 Maar wie rijk willen zijn, vallen in verzoeking, in een strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang. 10 Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht. Door daarnaar te haken zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord. 11 Gij daarentegen, o mens Gods, ontvlucht deze dingen, doch jaag naar gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, volharding en zachtzinnigheid. 12 Strijd de goede strijd des geloofs, grijp het eeuwige leven, waartoe gij geroepen zijt en de goede belijdenis afgelegd hebt voor vele getuigen.

27 september

Handelingen 20:1-121 Nadat nu de opschudding was bedaard, riep Paulus de discipelen tot zich en sprak hen bemoedigend toe. Daarop nam hij afscheid en begaf zich op reis naar Macedonië. 2 En nadat hij die streken doorreisd en hen uitvoerig toegesproken had, kwam hij in Griekenland. 3 En toen hij daar drie maanden vertoefd had en de Joden een aanslag tegen hem smeedden, terwijl hij op het punt stond om over zee naar Syrië te gaan, kwam hij tot het besluit door Macedonië terug te keren. 4 En Sopater, de zoon van Pyrrus, uit Berea, en van de Tessalonicenzen Aristarchus en Secundus, en Gajus uit Derbe en Timoteüs, en uit Asia Tychikus en Trofimus, vergezelden hem. 5 Dezen waren echter vooruitgereisd en wachtten ons te Troas op. 6 Maar wij voeren na de dagen der ongezuurde broden van Filippi af en kwamen binnen vijf dagen bij hen te Troas aan, waar wij zeven dagen doorbrachten. 7 En toen wij op de eerste dag der week samengekomen waren om brood te breken, hield Paulus een toespraak tot hen en, daar hij van plan was de volgende dag te vertrekken, zette hij zijn rede voort tot middernacht. 8 En er waren verscheidene lampen in de bovenzaal, waar wij vergaderd waren. 9 En een zekere jonge man, genaamd Eutychus, zat in de vensterbank, en door een diepe slaap bevangen, viel hij, toen Paulus zo lang sprak, door de slaap overmand, van de derde verdieping naar beneden en werd dood opgenomen. 10 Doch Paulus kwam naar beneden, wierp zich op hem, en sloeg de armen om hem heen, en zeide: Maakt geen misbaar, want er is leven in hem. 11 En bovengekomen, brak hij brood en at, en hij sprak nog lang met hen, tot de morgenstond, en zo vertrok hij. 12 En zij brachten de jongen levend weg, en werden buitengewoon bemoedigd.

Ondanks voortdurende vijandschap reist Paulus door om de jonge gemeenten te bemoedigen. In Troas zien we de nieuwtestamentische kerk ten voeten uit: op de eerste dag van de week – en dus niet op de zaterdag, maar op de zondag, de dag van Christus' opstanding – komen de gelovigen samen om Gods Woord te horen en het avondmaalsbrood te breken. Er is zulk een honger naar het evangelie dat Paulus er tot middernacht doorpreekt!

Maar dan valt de jonge Eutychus in slaap. Hij valt uit het raam van de derde verdieping en blijkt dood. Maar dan toont de Heere Zijn levenscheppende macht. Paulus werpt zich op de jongen en door Gods genade keert het leven in hem terug. De dood heeft niet het laatste woord, want de opgestane Levensvorst regeert! Buitengewoon bemoedigd vieren de gelovigen daarna het avondmaal en luisteren ze nog tot de morgenstond naar de apostel.

Laat er bij ons ook zulk een honger zijn naar Gods Woord! En hoewel de zondagse preken niet gauw meer zo lang duren, moeten we het horen naar Gods Woord niet alleen lichamelijk vol kunnen houden, maar vooral ook geestelijk niet in slaap vallen en onverschillig worden. Laten we wakker en nuchter zijn, voortdurend biddend om de levendmakende kracht van de Heilige Geest. Want waar Hij werkt met het Woord, daar ontkiemt eeuwig leven!

Verder lezen: 1 Tessalonicenzen 5:1-111 Maar over de tijden en gelegenheden, broeders, is het niet nodig, dat u geschreven wordt: 2 immers, gij weet zelf zeer goed, dat de dag des Heren zó komt, als een dief in de nacht. 3 Terwijl zij zeggen: het is (alles) vrede en rust, overkomt hun, als de weeën een zwangere vrouw, een plotseling verderf, en zij zullen geenszins ontkomen. 4 Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief overvallen zou: 5 want gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des dags. Wij behoren niet aan nacht of duisternis toe; 6 laten wij dan ook niet slapen gelijk de anderen, doch wakker en nuchter zijn. 7 Want die slapen, slapen des nachts en die zich bedrinken, zijn des nachts dronken, 8 maar laten wij, die de dag toebehoren, nuchter zijn, toegerust met het harnas van geloof en liefde en met de helm van de hoop der zaligheid; 9 want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van zaligheid door onze Here Jezus Christus, 10 die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, tezamen met Hem zouden leven. 11 Vermaant daarom elkander en bouwt elkander op, gelijk gij dit ook doet.

28 september

Handelingen 20:13-3813 Maar wij gingen vooruit aan boord en voeren naar Assus om Paulus daar op te nemen, want zo had hij het beschikt, daar hij zelf te voet wilde gaan. 14 En toen hij zich te Assus bij ons voegde, namen wij hem aan boord en gingen naar Mitylene; 15 en, vandaar weggevaren, kwamen wij de volgende dag voor Chios en de daaropvolgende staken wij over naar Samos, en de dag daarna kwamen wij te Milete. 16 Want Paulus had zich voorgenomen Efeze voorbij te varen om geen tijd in Asia te verliezen, want hij haastte zich om, zo mogelijk, op de Pinksterdag te Jeruzalem te zijn. 17 Maar hij zond iemand van Milete naar Efeze en ontbood de oudsten der gemeente; 18 en toen zij bij hem gekomen waren, zeide hij tot hen: Gij weet, hoe ik van de eerste dag aan, dat ik in Asia voet aan wal zette, al die tijd onder u verkeerd heb, 19 dienende de Here met alle ootmoed, onder tranen en beproevingen, die mij overkwamen door de aanslagen der Joden; 20 hoe ik niets nagelaten heb van hetgeen nuttig was om u te verkondigen en te leren in het openbaar en binnenshuis, 21 Joden en Grieken betuigende zich te bekeren tot God en te geloven in onze Here Jezus. 22 En zie, nu reis ik, gebonden door de Geest, naar Jeruzalem, niet wetende wat mij daar overkomen zal, 23 behalve dat de heilige Geest mij van stad tot stad betuigt en zegt, dat mij boeien en verdrukkingen te wachten staan. 24 Maar ik tel mijn leven niet en acht het niet kostbaar voor mijzelf, als ik slechts mijn loopbaan mag ten einde brengen en de bediening, die ik van de Here Jezus ontvangen heb om het evangelie der genade Gods te betuigen. 25 En nu, zie, ik weet, dat gij allen, onder wie ik rondgereisd heb met de prediking van het Koninkrijk, mijn aangezicht niet meer zien zult. 26 Daarom verklaar ik u op de dag van heden, dat ik rein ben van aller bloed; 27 want ik heb niet nagelaten u al de raad Gods te verkondigen. 28 Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde, waarover de heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft. 29 Zelf weet ik, dat na mijn heengaan grimmige wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet zullen sparen; 30 en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan, die verkeerde dingen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken. 31 Waakt dan en herinnert u, dat ik drie jaren lang nacht en dag niet heb opgehouden ieder afzonderlijk onder tranen terecht te wijzen. 32 En nu, ik draag u op aan de Here en het woord zijner genade, aan Hem, die bij machte is te bouwen en het erfdeel te geven onder alle geheiligden. 33 Ik heb niemands zilver of goud of kleding begeerd; 34 zelf weet gij, dat deze handen in mijn behoeften en in die van hen, die bij mij waren, hebben voorzien. 35 Ik heb u in alles getoond, dat men door zo te arbeiden zich de zwakken moet aantrekken en zich de woorden van de Here Jezus herinneren, die zelf gezegd heeft: Het is zaliger te geven dan te ontvangen. 36 En toen hij dit gezegd had, boog hij de knieën en heeft hij met hen allen gebeden. 37 En zij barstten allen in groot geween uit en vielen Paulus om de hals en kusten hem herhaaldelijk, 38 het meest bedroefd over het woord, dat hij gesproken had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden. En zij deden hem uitgeleide naar het schip.

Op weg naar Jeruzalem roept Paulus de oudsten van Efeze naar Milete voor een ontroerend afscheid. Hij blikt terug op zijn trouwe dienst. Met ootmoed, onder vele tranen en beproevingen heeft hij hun héél de raad van God verkondigd. Niets heeft hij achtergehouden. Onvermoeibaar drong hij daarbij aan op bekering tot God en geloof in de Heere Jezus Christus.

En nu wacht hem dus de reis naar Jeruzalem. Geleid door de Geest weet de apostel dat hem daar gevangenschap en verdrukking wachten. Toch deinst de apostel daar niet voor terug. Hij heeft er zijn leven voor over om maar zijn loopbaan te mogen volbrengen en dus het evangelie van Gods genade in Christus te blijven prediken. Wat een zelfverloochenende liefde toont de gezonden apostel hier voor zijn Zender!

Daarna ontvangen de oudsten van Efeze een liefdevolle vermaning en waarschuwing. Zij moeten biddend waken over de kudde, die God Zich door het dierbare bloed van Zijn eniggeboren Zoon heeft verworven. Er zullen immers grimmige wolven, ja dwaalleraren de gemeente binnendringen. Paulus draagt de oudsten ten slotte op aan de grote Bewaarder: aan de Heere en aan het woord van Zijn genade. Onder luid geween en innige omhelzingen nemen ze afscheid. Zo bindt de Geest hier de harten samen. En zo doe Hij ook aan ons!

Verder lezen: 1 Petrus 5:1-111 De oudsten onder u vermaan ik dan als medeoudste en getuige van het lijden van Christus, die ook een deelgenoot ben van de heerlijkheid, welke zal geopenbaard worden: 2 hoedt de kudde Gods, die bij u is, niet gedwongen, maar uit vrije beweging, naar de wil van God, niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid, 3 niet als heerschappij voerend over hetgeen u ten deel gevallen is, maar als voorbeelden der kudde. 4 En wanneer de opperherder verschijnt, zult gij de onverwelkelijke krans der heerlijkheid verwerven. 5 Evenzo gij, jongeren, onderwerpt u aan de oudsten. Omgordt u allen jegens elkander met nederigheid, want God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. 6 Vernedert u dan onder de machtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te zijner tijd. 7 Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u. 8 Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. 9 Wederstaat hem, vast in het geloof, wetende, dat aan uw broederschap in de wereld hetzelfde lijden wordt toegemeten. 10 Doch de God van alle genade, die u in Christus geroepen heeft tot zijn eeuwige heerlijkheid, Hij zal u, na een korte tijd van lijden, volmaken, bevestigen, sterken en grondvesten. 11 Hem zij de kracht in alle eeuwigheid! Amen.

29 september

Handelingen 21:1-141 En het geschiedde, toen wij in zee gestoken waren, nadat wij ons van hen hadden losgescheurd, dat wij recht op Kos aankoersten en de dag daarna op Rodos en vandaar op Patara. 2 En nadat wij een schip gevonden hadden, dat naar Fenicië zou oversteken, gingen wij aan boord en voeren af. 3 En toen wij Cyprus in zicht gekregen hadden en het links hadden laten liggen, voeren wij naar Syrië en kwamen te Tyrus aan, want daar zou het schip zijn lading lossen. 4 En wij vonden de discipelen en bleven daar zeven dagen. Dezen zeiden Paulus door de Geest, dat hij zich niet naar Jeruzalem moest inschepen. 5 Toen het nu zover was, dat wij de dagen hadden voleindigd, gingen wij vandaar verder op reis, terwijl zij ons allen met vrouwen en kinderen uitgeleide deden tot buiten de stad; en op het strand knielden wij neder, baden en 6 namen afscheid van elkander. Wij gingen scheep en zij keerden naar huis terug. 7 Na afloop van de vaart van Tyrus uit kwamen wij te Ptolemaïs aan, begroetten de broeders en bleven één dag bij hen. 8 En de volgende dag gingen wij vandaar en kwamen te Caesarea; en gekomen in het huis van Filippus, de evangelist, die behoorde tot de zeven, bleven wij bij hem. 9 Deze had vier ongehuwde dochters, die profetessen waren. 10 En toen wij daar verscheidene dagen bleven, kwam uit Judea een zeker profeet, genaamd Agabus. 11 Toen deze bij ons gekomen was, nam hij de gordel van Paulus, en zich voeten en handen bindende, zeide hij: Dit zegt de heilige Geest: De man, van wie deze gordel is, zullen de Joden te Jeruzalem zo binden en uitleveren in de handen der heidenen. 12 Toen wij dit hoorden, verzochten zowel wij als de broeders daar ter plaatse hem, niet op te gaan naar Jeruzalem. 13 Toen antwoordde Paulus: Wat doet gij, dat gij weent en mijn hart week maakt? Want ik voor mij ben bereid, niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor de naam van de Here Jezus. 14 En toen hij niet te overreden was, hielden wij ons stil en zeiden: De wil des Heren geschiede.

Op weg naar Jeruzalem ontmoet Paulus in Tyrus en Caesarea medegelovigen. Hun geestelijke verbondenheid blijkt wel als ze samen op het strand knielen om te bidden. Toch brengt deze ontmoeting ook een zware beproeving met zich mee. In Tyrus wordt Paulus gewaarschuwd voor naderend gevaar. En in Caesarea voegt de profeet Agabus daar een zichtbare profetie aan toe: hij bindt zichzelf met de gordel van Paulus en voorzegt dat de apostel in Jeruzalem precies zo gebonden en uitgeleverd zal worden. Paulus’ reisgenoten en de plaatselijke gelovigen smeken hem zijn reis af te breken. Dat doen ze niet door de Geest, maar in hun bezorgdheid. Hun tranen raken de apostel; ze maken zijn hart week. Het is een zware aanvechting: de goedbedoelde zorg van medegelovigen die dreigt af te houden van de gehoorzaamheid aan de Heere. Maar door Gods genade staat Paulus rotsvast. Hij is niet alleen bereid om gebonden te worden, maar zelfs om te sterven voor de Naam van Christus. Zíjn leven draait immers niet om aardse veiligheid, maar om de eer van zijn hemelse God. Wanneer de broeders deze standvastigheid opmerken, buigen ze ootmoedig het hoofd: "De wil des Heren geschiede." Laten ook wij hiervan leren onszelf altijd over te geven aan Gods geopenbaarde wil, ongeacht de offers die dat kost. Paulus – en wat meer is: Christus – is ons daarin voorgegaan!

Verder lezen: Matteüs 26:36-4636 Toen ging Jezus met hen naar een plaats, genaamd Getsemane, en Hij zeide tot de discipelen: Zet u hier neder, terwijl Ik heenga om daar te bidden. 37 En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs mede en Hij begon bedroefd en beangst te worden. 38 Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt met Mij. 39 En Hij ging een weinig verder en Hij wierp Zich met het aangezicht ter aarde en bad, zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt. 40 En Hij kwam bij zijn discipelen en vond hen slapende, en Hij zeide tot Petrus: Waart gijlieden zo weinig bij machte één uur met Mij te waken? 41 Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. 42 Wederom, ten tweeden male, ging Hij heen en bad, zeggende: Mijn Vader, indien deze beker niet kan voorbijgaan, tenzij dan dat Ik die drinke, uw wil geschiede! 43 En toen Hij terugkwam, vond Hij hen slapende, want hun ogen waren bezwaard. 44 En Hij liet hen daar en ging wederom heen en bad ten derden male, opnieuw dezelfde woorden sprekende. 45 Toen kwam Hij bij de discipelen en zeide tot hen: Slaapt nu maar en rust. Zie, de ure is nabijgekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van zondaren. 46 Staat op, laten wij gaan. Zie, die Mij overlevert, is nabij.

30 september

Handelingen 21:15-2615 En na die dagen maakten wij ons reisvaardig en gingen op naar Jeruzalem; 16 en met ons gingen ook enige van de discipelen uit Caesarea mede, die ons brachten bij een zekere Mnason van Cyprus, een der eerste discipelen, wiens gasten wij zouden zijn. 17 En toen wij te Jeruzalem kwamen, heetten de broeders ons van harte welkom. 18 En de volgende dag ging Paulus met ons Jakobus bezoeken, en alle oudsten waren daarbij aanwezig. 19 En toen hij hen begroet had, verhaalde hij in bijzonderheden, wat God onder de heidenen door zijn dienst had verricht. 20 En zij loofden God, toen zij dit hoorden, en zeiden tot hem: Gij ziet, broeder, hoevele duizenden er onder de Joden gelovig zijn geworden en allen zijn zij ijveraars voor de wet; 21 nu heeft men hun van u verteld, dat gij alle Joden onder de heidenen afval van Mozes leert, door te zeggen, dat zij hun kinderen niet behoeven te besnijden, noch naar de gebruiken te leven. 22 Wat is dan het geval? Zij zullen stellig horen, dat gij aangekomen zijt. 23 Doe daarom wat wij u zeggen: Er zijn vier mannen bij ons, die een gelofte op zich genomen hebben; 24 neem hen mede, heilig u met hen en draag de kosten voor hen, opdat zij hun hoofd kunnen laten scheren; dan zullen allen bemerken, dat van alles, wat men hun van u verteld heeft, niets waar is, maar dat gij ook zelf medegaat in de onderhouding van de wet. 25 Maar inzake de heidenen, die tot het geloof gekomen zijn, hebben wij als ons oordeel geschreven, dat zij zich hebben te wachten voor wat de afgoden geofferd is, voor bloed, voor het verstikte en voor hoererij. 26 Toen nam Paulus die mannen mede, en hij heiligde zich de volgende dag met hen, ging in de tempel en deed aangifte, dat de dagen der heiliging zouden duren, totdat voor ieder hunner het offer gebracht was.

Wanneer Paulus in Jeruzalem aankomt, deelt hij vol blijdschap mee wat voor grote dingen God heeft gedaan onder de heidenen. De oudsten loven de Heere voor dit genadewonder. Toch is er ook onrust. In Jeruzalem zijn duizenden Joodse christenen die vurig ijveren voor het onderhouden van de ceremoniële wetten van het Oude Testament. Ze zien nog niet in dat die in Christus een einde hebben genomen. Onder hen is het hardnekkige en valse gerucht verspreid dat Paulus de Joden in de verstrooiing zou leren om de wet en de besnijdenis af te vallen. Om de eenheid te bewaren en onnodige aanstoot te voorkomen, komen Jakobus en de oudsten met een pastoraal voorstel. Paulus moet zich aansluiten bij vier mannen die een nazireeërgelofte hebben afgelegd, en hun tempelkosten betalen. Daarmee kan hij openlijk laten zien dat hij Gods wet niet minacht.

En hoewel Paulus als geen ander weet dat een mens uitsluitend door het geloof in Christus gerechtvaardigd wordt en niet door de onderhouding van de wet, stemt hij ermee in. Hij sluit hiermee geen compromis over de leer van het evangelie, maar toont slechts ware naastenliefde. Om zijn zwakkere Joodse broeders te behouden en de rust in de kerk te bewaren, geeft hij vrijwillig zijn eigen vrijheid op. Laten wij ervan leren onze persoonlijke rechten zo nodig op te geven omwille van de liefde en de eensgezindheid in de kerk.

Verder lezen: Romeinen 14:13-2313 Laten wij dan niet langer elkander oordelen, maar komt liever tot dit oordeel: uw broeder geen aanstoot of ergernis te geven. 14 Ik weet en ben overtuigd in de Here Jezus, dat niets uit zichzelf onrein is; alleen voor hem, die iets onrein acht, is het onrein. 15 Want indien uw broeder door iets, dat gij eet, gegriefd wordt, wandelt gij niet meer naar de eis der liefde. Breng niet door uw eten hem ten verderve, voor wie Christus gestorven is. 16 Laat van het goede, dat gij hebt, geen kwaad gezegd kunnen worden. 17 Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in eten en drinken, maar in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door de heilige Geest. 18 Want wie door deze Geest een dienstknecht is van Christus, is welgevallig bij God, en in achting bij de mensen. 19 Zo laten wij dan najagen hetgeen de vrede en de onderlinge opbouwing bevordert. 20 Breek niet ter wille van spijs het werk Gods af; alles is wel rein, maar het is verkeerd voor een mens, als hij door zijn eten tot aanstoot is. 21 Het is goed geen vlees te eten of wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broeder zich stoot. 22 Houd gij het geloof, dat gij hebt bij uzelf voor het aangezicht Gods. Zalig is hij, die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht. 23 Maar wie twijfelt, wanneer hij eet, is veroordeeld, omdat hij het niet uit geloof doet. En al wat niet uit geloof is, is zonde.

1 oktober

Handelingen 21:27-3927 Toen nu de zeven dagen nagenoeg om waren, zagen de Joden uit Asia hem in de tempel, en brachten al het volk in opschudding en zij sloegen de handen aan hem, 28 al schreeuwende: Help, mannen van Israël! Dit is de mens, die tegen het volk, de wet en deze plaats overal allen leert, en nu heeft hij ook nog Grieken in de tempel gebracht en deze heilige plaats ontwijd! 29 Want zij hadden al eerder Trofimus uit Efeze met hem in de stad gezien, en zij meenden, dat Paulus hem in de tempel had gebracht. 30 En de gehele stad kwam in rep en roer, het volk liep te hoop en zij grepen Paulus en sleurden hem de tempel uit; en terstond werden de poorten gesloten. 31 En terwijl zij hem poogden te vermoorden, kwam bericht in bij de overste der bezetting, dat geheel Jeruzalem in opschudding was; 32 deze nam onmiddellijk soldaten en hoofdlieden, en trok op hen af. Toen zij nu de overste en de soldaten zagen, hielden zij op Paulus te slaan. 33 Toen naderde de overste, liet hem grijpen, en met twee ketenen boeien, en deed er onderzoek naar, wie hij was en wat hij gedaan had. 34 En uit de schare riep de één dit, de ander dat hem toe; en toen hij door het rumoer de ware toedracht niet kon te weten komen, liet hij hem naar de kazerne brengen. 35 En toen hij bij de trappen gekomen was, geschiedde het, dat hij door de soldaten moest gedragen worden wegens het opdringen van de schare; 36 want de volksmenigte volgde, al schreeuwende: Weg met hem! 37 En toen Paulus de kazerne zou worden binnengedragen, zeide hij tot de overste: Mag ik u iets zeggen? En hij zeide: Kent gij dan Grieks? 38 Zijt gij dan niet de Egyptenaar, die dezer dagen oproer maakte en de vierduizend bandieten deed uittrekken naar de woestijn? 39 Maar Paulus zeide: Ik ben een Jood uit Tarsus, burger van een welbekende stad in Cilicië; ik vraag u verlof tot het volk te mogen spreken.

De bereidheid van Paulus om zijn vrijheid op te geven uit liefde voor zijn Joodse broeders, voorkomt niet dat de vlam in de pan slaat. Joden uit Klein-Azië zien de apostel in de tempel en stoken de menigte op met schandalige leugens. Ze beschuldigen hem ervan dat hij een onbesneden heiden het heiligdom heeft binnengebracht. Blinde religieuze haat neemt het over van een nuchter geloof. Heel Jeruzalem raakt in rep en roer. De woedende menigte sleurt Paulus de tempel uit en probeert hem dood te slaan. Hiermee gaat de eerdere profetie van Agabus in vervulling. De Romeinse commandant grijpt in, arresteert Paulus en boeit hem met twee ketenen. Terwijl de apostel wordt afgevoerd, schreeuwt de meute: "Weg met hem!" Het is een ijzingwekkende echo van wat jaren eerder klonk op de binnenplaats van Pilatus, toen de Heere Jezus werd veroordeeld. De door Christus gezonden apostel deelt hier in het bittere lijden van zijn Zender.

Toch loopt de situatie God niet uit de hand. Integendeel, Hij gebruikt uitgerekend een heidense Romein om het leven van Zijn dienaar te redden, opdat Paulus het evangelie straks zelfs in Rome zal verkondigen. Zelfs in de meest bedreigende omstandigheden houdt de Heere het roer in handen. Laten wij in tijden van beproeving dan ook moed en troost putten uit de grenzeloze macht en trouw van onze hemelse God en Vader.

Verder lezen: Lucas 23:13-2513 Pilatus nu riep de overpriesters en de oversten en het volk bijeen en zeide tot hen: 14 Gij hebt deze mens bij mij gebracht als iemand, die het volk afvallig maakt, en zie, ik heb Hem in uw tegenwoordigheid verhoord en in deze mens geen enkele grond gevonden voor datgene, waarvan gij Hem beschuldigt. 15 En ook Herodes niet; want hij heeft Hem tot ons teruggezonden. En zie, er is niets door Hem bedreven, dat de dood verdient. 16 Ik zal Hem dus geselen en dan loslaten. 17 [Want hij was verplicht hun op het feest iemand los te laten.] 18 Maar zij schreeuwden als één man, zeggende: Weg met Hem, laat ons Barabbas los! 19 En deze was wegens een oproer, dat in de stad was voorgevallen, en een doodslag gevangengezet. 20 Doch Pilatus richtte zich wederom met luider stem tot hen, omdat hij Jezus wenste los te laten. 21 Maar zij riepen terug en zeiden: Kruisig Hem, kruisig Hem! 22 Hij zeide voor de derde maal tot hen: Wat heeft deze dan toch voor kwaad gedaan? Ik heb niets in Hem gevonden, waarop de doodstraf staat. Ik zal Hem dus geselen en dan loslaten! 23 Maar zij drongen aan en eisten onder luid geschreeuw, dat Hij gekruisigd zou worden, en hun geschreeuw werd al sterker. 24 En Pilatus besliste, dat aan hun eis moest worden voldaan. 25 En hij liet de man los, die wegens oproer en doodslag was gevangengezet, die zij eisten, doch Jezus gaf hij over aan hun wil.

2 oktober

Handelingen 21:40-22:2240 En toen hij dit toegestaan had, wenkte Paulus, boven aan de trappen staande, het volk met zijn hand; en toen het geheel stil geworden was, sprak hij hen in de Hebreeuwse taal toe en zeide: 1 Mannen broeders en vaders, luistert naar hetgeen ik thans ter verdediging tot u ga zeggen. 2 Toen zij nu hoorden, dat hij hen in de Hebreeuwse taal toesprak, hielden zij zich te meer stil. En hij zeide: 3 Ik ben een Jood, te Tarsus in Cilicië geboren, doch in deze stad opgevoed, aan de voeten van Gamaliël opgeleid met nauwgezette inachtneming van de wet onzer vaderen, een ijveraar voor God evenals gij allen heden zijt. 4 En ik heb deze weg ten dode toe vervolgd door mannen en vrouwen in boeien te slaan en gevangen te zetten, 5 gelijk ook de hogepriester van mij getuigen kan en de gehele Raad der oudsten, van wie ik ook met brieven aan de broeders naar Damascus gereisd ben, om ook hen, die daar waren, geboeid naar Jeruzalem te brengen, opdat zij gestraft zouden worden. 6 Maar het gebeurde mij, toen ik op mijn reis dicht bij Damascus gekomen was, dat plotseling omstreeks de middag uit de hemel een fel licht mij omstraalde, 7 en ik viel op de grond en hoorde een stem tot mij zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? 8 En ik antwoordde: Wie zijt Gij, Here? En Hij zeide tot mij: Ik ben Jezus, de Nazoreeër, die gij vervolgt. 9 En zij, die met mij waren, zagen wèl het licht, maar de stem van Hem, die tot mij sprak, hoorden zij niet. 10 En ik zeide: Here, wat moet ik doen? En de Here zeide tot mij: Sta op en reis naar Damascus, en daar zal u gezegd worden al hetgeen u opgelegd is om te doen. 11 En daar ik vanwege de glans van dat licht niet meer kon zien, werd ik bij de hand geleid door hen, die met mij waren, en ik kwam te Damascus. 12 En een zekere Ananias, een godvruchtig man naar de wet, van wie alle Joden, die daar woonden, een goed getuigenis gaven, 13 kwam tot mij, ging bij mij staan en zeide tot mij: Saul, broeder, word weer ziende! En op hetzelfde ogenblik werd ik weer ziende en zag hem. 14 En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u voorbestemd om zijn wil te leren kennen en de Rechtvaardige te zien en een stem uit zijn mond te horen; 15 want gij moet getuige voor Hem zijn bij alle mensen, van hetgeen gij gezien en gehoord hebt. 16 En nu, wat aarzelt gij nog? Sta op, laat u dopen en uw zonden afwassen, onder aanroeping van zijn naam. 17 En het overkwam mij, toen ik te Jeruzalem was teruggekeerd en in de tempel aanbad, dat ik in zinsverrukking geraakte, 18 en dat ik Hem zag, die tot mij zeide: Haast u en vertrek spoedig uit Jeruzalem, want zij zullen van u geen getuigenis over Mij aannemen. 19 En ik zeide: Here, zij weten zelf, dat ik het was, die hen, die in U geloofden, liet gevangen zetten en in de synagogen geselen; 20 en toen het bloed van uw getuige Stefanus vergoten werd, werkte ik daaraan met volle instemming mede en bewaarde de kleren van hen, die hem doodden. 21 En Hij zeide tot mij: Ga heen, want Ik zal u uitzenden, ver weg, naar de heidenen. 22 Zij hoorden hem aan tot dit woord toe; maar toen verhieven zij hun stem en riepen: Weg van de aarde met zo iemand: want hij behoort niet te blijven leven!

Paulus krijgt toestemming om tot het volk te spreken. Er valt een stilte wanneer hij zijn volksgenoten in hun eigen Hebreeuwse taal toespreekt. Wat volgt is geen spitsvondig juridisch verweer, maar een indringend persoonlijk getuigenis van de genade die God hem bewezen heeft.

Paulus houdt de woedende joden een spiegel voor. Hij was immers precies zoals zij: een fanatiek ijveraar voor God, maar zó verblind door Christus-haat dat hij de volgelingen van Christus ten dode toe vervolgde. Maar toen greep de Heere in. Op de weg naar Damascus werd hij tegen de vlakte geslagen. De ontdekkende vraag van de Heere Jezus verbrijzelde zijn stenen hart: "Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?" Het bewijst maar dat het deelhebben aan de zaligheid niet afhangt van onszelf, maar van de verkiezende genade waarmee God ons opzoekt. De menigte luistert ademloos, totdat Paulus dat ene woord uitspreekt: heidenen. Zodra ze horen dat het heil ook naar de volken buiten Israël uitgaat, barst de woede weer los. De joden staan toch zeker niet op één lijn met heidenen?! Heidenen moeten volgens hen eerst jood worden om te delen in het heil van Israël. En dus opnieuw: weg met zo iemand! Iemand als Paulus mag zelfs niet blijven leven! Maar Paulus schrikt er al niet meer van: de kennis van Christus gaat voor hem alles te boven.

Verder lezen: Filippenzen 3:1-111 Overigens, mijn broeders, verblijdt u in de Here! Hetzelfde aan u te schrijven is voor mij niet verdrietig en voor u is het veilig. 2 Let op de honden, let op de slechte arbeiders, let op de versnijdenis! 3 Want wíj zijn de besnijdenis, die door de Geest Gods Hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op vlees vertrouwen. 4 Ofschoon ik voor mij wel reden zou hebben om ook op vlees vertrouwen te stellen. Indien een ander meent op vlees te kunnen vertrouwen, ik nog meer: 5 besneden ten achtsten dage, uit het volk Israël, van de stam Benjamin, 6 een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een Farizeeër, naar mijn ijver een vervolger van de gemeente, naar de gerechtigheid der wet onberispelijk. 7 Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus' wil schade geacht. 8 Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen, 9 en in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof. 10 (Dit alles) om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, 11 zou mogen komen tot de opstanding uit de doden.

3 oktober

De woede van de Joodse menigte bereikt een kookpunt. Ze schreeuwen, zwaaien met hun kleren en werpen stof in de lucht. De Romeinse overste snapt niets van de religieuze ophef en beveelt Paulus te geselen om de waarheid uit hem te slaan. Dit was geen gebruikelijke lijfstraf, maar een gruwelijke marteling. Terwijl Paulus met riemen wordt vastgebonden, stelt hij een uiterst scherpe vraag: Mogen jullie een nog niet veroordeelde Romein wel geselen? Die ene vraag verandert alles. De Romeinse militairen deinzen verschrikt terug. De overste had zijn burgerrecht voor veel geld gekocht, maar had niet verwacht dat Paulus het óók bezit, en wel eenvoudigweg door geboorte in Tarsus, waar men het Romeinse burgerrecht ontving. Maar waarom beroept Paulus zich hier op zijn aardse rechten? Is hij het spoor van het geloof soms bijster? Beslist niet. Het is te danken aan Gods voorzienigheid dat Paulus dit Romeinse burgerrecht bezit. De Heere gebruikt deze seculiere wetgeving als een schild om Zijn knecht te bewaren, opdat Paulus het evangelie straks in Rome kan verkondigen! Wij mogen onze wettelijke rechten dus gerust gebruiken om onrecht te bestrijden. Tegelijkertijd ligt onze troost elders. Als christenen hebben wij nog een veel hoger burgerrecht dan het Romeinse, en wel een hémels burgerrecht, dat niet met goud of zilver is betaald, maar met het dierbare bloed van Christus.

Verder lezen: Filippenzen 3:12-2112 Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ík ook door Christus Jezus gegrepen ben. 13 Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb, 14 maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus. 15 Laten wij dan allen, die volmaakt zijn, aldus gezind zijn. En indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren; 16 maar hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder! 17 Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt. 18 Want velen wandelen - ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende - als vijanden van het kruis van Christus. 19 Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind. 20 Want wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, 21 die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen.

4 oktober

Handelingen 22:30-23:1130 En de volgende dag liet hij, daar hij nauwkeurig wilde weten, waarvan hij door de Joden beschuldigd werd, hem de boeien afnemen, en hij beval de overpriesters en de gehele Raad bijeen te komen. En hij bracht Paulus uit de kazerne en stelde hem voor hen. 1 En Paulus, de ogen op de Raad gericht, zeide: Mannen broeders, ik voor mij heb een volkomen zuiver geweten voor God over mijn gedrag in het openbaar tot op deze dag. 2 Maar de hogepriester Ananias beval hun, die naast hem stonden, hem op de mond te slaan. 3 Toen zeide Paulus tot hem: God moge u slaan, gij gewitte wand! En gij, zit gij over mij recht te spreken naar de wet en beveelt gij tegen de wet mij te slaan? 4 Maar de omstanders zeiden: Scheldt gij de hogepriester Gods uit? 5 En Paulus zeide: Ik wist niet, broeders, dat het de hogepriester was, want er staat geschreven: Van een overste uws volks zult gij geen kwaad spreken. 6 En daar Paulus wist, dat het ene deel behoorde tot de Sadduceeën en het andere tot de Farizeeën, riep hij in de Raad: Mannen broeders, ik ben een Farizeeër, een zoon van Farizeeën, ik sta terecht om de hoop en de opstanding der doden. 7 En toen hij dit zeide, kwam er tweedracht tussen de Farizeeën en de Sadduceeën en de menigte werd verdeeld. 8 Want de Sadduceeën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel of geest, maar de Farizeeën belijden zowel het een als het ander. 9 En er ontstond groot geschreeuw, en sommige van de schriftgeleerden van de groep der Farizeeën stonden op en streden heftig en zeiden: Wij vinden generlei kwaad in deze mens! En indien nu eens een geest tot hem heeft gesproken, of een engel! 10 En toen er grote tweedracht ontstond, vreesde de overste, dat Paulus door hen zou worden verscheurd, en hij liet de soldaten komen om hem uit hun midden weg te halen en naar de kazerne te brengen. 11 En de volgende nacht stond de Here bij hem en zeide: Houd moed, want zoals gij te Jeruzalem van Mij getuigd hebt, moet gij ook te Rome getuigen.

De Romeinse overste brengt Paulus voor het Sanhedrin, de joodse Raad. De apostel verklaart tegenover de “mannen broeders” dat hij een volkomen zuiver geweten heeft voor God. Uit blinde haat laat de hogepriester Ananias Paulus op de mond slaan. De apostel reageert scherp: "Gód moge ú slaan, gij gewitte wand", gij die van buiten wel wat lijkt maar van binnen volstrekt bedorven zijt. Maar zodra Paulus beseft wie hij voor zich heeft, buigt hij ootmoedig voor het gezag. Hij denkt aan Exodus 221 Wanneer iemand een rund of een stuk kleinvee steelt en het slacht of verkoopt, dan zal hij vijf stuks rundvee als vergoeding geven voor het rund en vier stuks kleinvee voor het stuk kleinvee. 2 Indien een dief bij een inbraak betrapt en zo getroffen wordt, dat hij sterft, dan rust daarop geen bloedschuld; 3 indien de zon was opgegaan, rust daarop wel bloedschuld. Hij zal volledig vergoeding geven; indien hij niets heeft, zal hij verkocht worden om wat hij gestolen heeft. 4 Indien werkelijk het gestolene levend in zijn bezit gevonden wordt, hetzij rund, ezel of een stuk kleinvee, zal hij het dubbele als vergoeding geven. 5 Wanneer iemand een akker of een wijngaard laat afweiden door zijn vee erin los te laten, en dit weidt de akker van een ander af, dan zal hij het beste deel van zijn eigen akker of het beste deel van zijn wijngaard als vergoeding geven. 6 Wanneer brand ontstaat en doornstruiken aantast, doch ook een schoof of het staande koren of het gehele veld verteerd wordt, dan zal hij, die de brand aanstak, volledig vergoeding geven. 7 Wanneer iemand aan zijn naaste geld of goed te bewaren geeft, en het uit het huis van die man gestolen wordt, zal de dief, indien hij gevonden wordt, het dubbele als vergoeding geven. 8 Indien de dief niet gevonden wordt, zal de heer des huizes tot de goden naderen, om te zweren, dat hij zijn hand niet uitgestoken heeft naar de have van zijn naaste. 9 Bij elke zaak van verduistering, hetzij van een rund, een ezel, een stuk kleinvee, een gewaad, hetzij van welk verloren voorwerp ook, waarvan (de eigenaar) zegt: dat is het - zal hun beider zaak tot de goden komen. Hij, die de goden schuldig verklaren, zal aan zijn naaste het dubbele als vergoeding geven. 10 Wanneer iemand aan zijn naaste een ezel of een rund of een stuk kleinvee of welk dier ook, te bewaren geeft en het sterft, of het wordt gewond of geroofd, zonder dat iemand het ziet, 11 dan zal de eed bij de Here tussen hen beslissen, of hij niet zijn hand uitgestoken heeft naar de have van zijn naaste, en de eigenaar zal er genoegen mee nemen, de ander behoeft geen vergoeding te geven. 12 Maar indien het zonder meer van hem gestolen is, zal hij aan de eigenaar vergoeding geven. 13 Indien het zonder meer verscheurd is, zal hij het als bewijsstuk overleggen. Het verscheurde zal hij niet vergoeden. 14 Wanneer iemand van zijn naaste (een dier) leent, en het wordt gewond of sterft, terwijl de eigenaar er niet bij was, dan zal hij volledig vergoeding geven. 15 Indien de eigenaar erbij was, zal hij geen vergoeding geven. Indien het gehuurd was, is de schade in de huurprijs inbegrepen. 16 Wanneer iemand een maagd verleidt, die niet ondertrouwd is, en gemeenschap met haar heeft, dan zal hij haar tegen de volle bruidsprijs tot vrouw nemen. 17 Indien haar vader ten stelligste weigert haar aan hem te geven, dan zal hij de bruidsprijs der maagden aan zilver afwegen. 18 Een tovenares zult gij niet in leven laten. 19 Alwie met een dier gemeenschap heeft, zal zeker ter dood gebracht worden. 20 Wie aan de goden offert, behalve aan de Here alleen, zal met de ban geslagen worden. 21 Een vreemdeling zult gij niet onderdrukken, noch hem benauwen, want gij zijt vreemdelingen geweest in het land Egypte. 22 Geen enkele weduwe of wees zult gij verdrukken. 23 Indien gij dezen toch verdrukt, voorzeker zal Ik, indien zij luide tot Mij roepen, hun geroep horen, 24 en mijn toorn zal ontbranden en Ik zal u met het zwaard doden, zodat uw vrouwen weduwen worden en uw kinderen wezen. 25 Indien gij aan mijn volk, aan de arme bij u, geld leent, zult gij u niet als een schuldeiser jegens hem gedragen: gij zult hem geen rente opleggen. 26 Indien gij het opperkleed van uw naaste tot pand neemt, zult gij het hem vóór zonsondergang teruggeven, 27 want dat is zijn enige bedekking, dat is de bekleding voor zijn huid - waarin zal hij zich te ruste leggen? Wanneer hij tot Mij om hulp zal roepen, zal Ik horen, want Ik ben genadig. 28 De goden zult gij niet vervloeken en een vorst onder uw volk zult gij niet verwensen. 29 Gij zult niet talmen, van uw graan- en van uw wijnoogst te geven. De eerstgeborene van uw zonen zult gij Mij geven. 30 Evenzo zult gij doen met uw runderen en met uw kleinvee: zeven dagen zullen zij bij de moeder blijven, op de achtste dag zult gij ze Mij geven. 31 Gij zult Mij heilige mensen zijn; vlees van dieren, die in het veld verscheurd zijn, zult gij niet eten, gij zult het voor de honden werpen.: “een vorst van uw volk zult gij niet verwensen”.

Vervolgens geeft Paulus scherpzinnig aan dat hij terechtstaat vanwege de opstanding uit de doden. Daarmee weet hij de farizeeën uit te spelen tegen de sadduceeën, die geen opstanding geloofden. De Raad valt uiteen. Opnieuw moeten de Romeinen de apostel redden. Na alle tumult volgt een donkere nacht in de kazerne. Maar daar roept de Heere Zelf Zijn dienaar toe: "Houd moed!" Christus verzekert Zijn aangevochten knecht ervan dat hij ook in Rome zal getuigen. Want hoezeer de wereld ook woedt, Gods raadsplan met Zijn kerk wordt zonder meer volvoerd. Daarom hoeft Paulus niet te vrezen. “Maakt u dan niet bezorgd”, sprak Christus al eens tot Zijn discipelen. Gij zult wel “door allen gehaat worden om mijns naams wil; maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden.”

Verder lezen: Matteüs 10:16-2316 Zie, Ik zend u als schapen midden onder wolven; weest dan voorzichtig als slangen en argeloos als duiven. 17 Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren aan de gerechtshoven en zij zullen u geselen in hun synagogen; 18 gij zult ook geleid worden voor stadhouders en koningen om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen en voor de volken. 19 Wanneer zij u overleveren, maakt u dan niet bezorgd, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven worden wat gij spreken moet; 20 want gij zijt het niet, die spreekt, doch het is de Geest uws Vaders, die in u spreekt. 21 Een broeder zal zijn broeder overleveren ten dode en een vader zijn kind, en kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood brengen. 22 En gij zult door allen gehaat worden om mijns naams wil; maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. 23 Wanneer men u vervolgt in deze stad, vlucht naar de andere; want voorwaar, Ik zeg u, gij zult niet alle steden van Israël zijn rondgekomen, voordat de Zoon des mensen komt.

5 oktober

Handelingen 23:12-2212 En toen het dag was geworden, maakten de Joden een komplot en vervloekten zichzelf met de gelofte, dat zij niet zouden eten of drinken, voordat zij Paulus hadden gedood. 13 En het waren er meer dan veertig, die deze samenzwering maakten; 14 dezen gingen naar de overpriesters en de oudsten en zeiden: Wij hebben onszelf met een vloek verbonden om niets te nuttigen, voordat wij Paulus gedood hebben. 15 Geeft gij nu de overste, met de Raad, duidelijk te verstaan, dat hij hem voor u moet brengen, alsof gij nauwkeuriger van zijn zaak op de hoogte wildet komen; dan nemen wij op ons hem uit de weg te ruimen, eer hij nog dichtbij is. 16 Doch de zoon van Paulus' zuster hoorde van deze hinderlaag en hij vervoegde zich aan de kazerne, en binnengegaan zijnde bracht hij het aan Paulus over. 17 En Paulus riep een van de hoofdlieden en zeide: Breng deze jongeman naar de overste, want hij heeft hem iets te melden. 18 Deze nam hem mede en bracht hem bij de overste en zeide: Paulus, de gevangene, heeft mij geroepen, en verzocht deze jongeman bij u te brengen, daar hij u iets te zeggen heeft. 19 De overste nu nam hem bij de hand en ging terzijde en vroeg hem: Wat hebt gij mij te melden? 20 En hij zeide: De Joden hebben afgesproken om van u te begeren, dat gij Paulus morgen voor de Raad brengt, daar deze op een bepaald punt nauwkeuriger over hem wil worden ingelicht. 21 Doch laat u niet door hen ompraten, want meer dan veertig mannen uit hun midden loeren op hem. Zij hebben zich met een vervloeking verbonden te eten noch te drinken, voordat zij hem omgebracht hebben; en nu staan zij gereed en wachten slechts op uw toezegging. 22 De overste dan liet de jongeman gaan en beval hem: Laat u tegen niemand erover uit, dat gij mij dit hebt te kennen gegeven.

Nadat de Heere Paulus in de nacht heeft bemoedigd met de belofte dat de apostel in Rome zal getuigen, smeedt de vijand overdag een complot. Meer dan veertig joden doen een duivelse gelofte: zij zullen niet eten of drinken totdat Paulus vermoord is. De joodse leiders werken maar al te graag mee aan deze goddeloze samenzwering. Het beraamde plan lijkt waterdicht en de situatie volkomen hopeloos voor de gevangen apostel.

Maar dan schittert Gods voorzienigheid! En wel op eenzelfde manier als eeuwen eerder in het gebeuren van Ester 21 Na deze gebeurtenissen, toen de toorn van koning Ahasveros bedaard was, dacht hij weder aan Wasti, aan wat zij gedaan had en aan wat over haar besloten was. 2 Toen zeiden de dienstdoende hovelingen des konings: Men zoeke voor de koning jonge meisjes, maagden, schoon van uiterlijk; 3 daartoe stelle de koning ambtenaren aan in alle gewesten van zijn koninkrijk, die alle jonge maagden, schoon van uiterlijk, moeten bijeenbrengen in de burcht Susan in het vrouwenhuis, onder opzicht van de koninklijke hoveling Hegai, de bewaker der vrouwen; daar stelle men de schoonheidsmiddelen tot haar beschikking. 4 Het meisje dan, dat in de ogen des konings het schoonste zal zijn, worde koningin in de plaats van Wasti. Dit voorstel verwierf de goedkeuring van de koning en hij handelde ernaar. 5 Nu was er in de burcht Susan een Joods man, wiens naam was Mordekai, de zoon van Jaïr, de zoon van Simi, de zoon van Kis, een Benjaminiet, 6 die weggevoerd was uit Jeruzalem met de ballingen die weggevoerd waren met Jechonja, de koning van Juda, welke Nebukadnessar, de koning van Babel, in ballingschap had weggevoerd. 7 Hij was de pleegvader van Hadassa - dat is Ester - , de dochter van zijn oom, want zij had vader noch moeder, een meisje, bekoorlijk van gestalte en schoon van uiterlijk. Bij de dood van haar vader en moeder had Mordekai haar als dochter aangenomen. 8 Toen nu het besluit en de wet des konings bekend waren geworden en vele meisjes bijeengebracht werden in de burcht Susan onder opzicht van Hegai, werd ook Ester in het koninklijk paleis opgenomen onder opzicht van Hegai, de bewaker der vrouwen. 9 En het meisje was welgevallig in zijn ogen en verwierf zijn gunst, zodat hij haar zo spoedig mogelijk de schoonheidsmiddelen en de maaltijden verschafte, haar zeven der voortreffelijkste dienaressen uit het huis des konings ter beschikking stelde, en haar en haar dienaressen naar het mooiste gedeelte van het vrouwenhuis bracht. 10 Ester had haar volk en haar afkomst niet bekendgemaakt, daar Mordekai haar geboden had, dat zij die niet zou bekendmaken. 11 En iedere dag opnieuw wandelde Mordekai voor de voorhof van het vrouwenhuis om te vernemen, hoe het met Ester ging en wat er met haar zou gebeuren. 12 Wanneer nu een meisje aan de beurt was om bij koning Ahasveros te komen, nadat zij gedurende twaalf maanden aan de voor de vrouwen geldende bepalingen onderworpen was geweest - want de tijd voor het gebruik van de schoonheidsmiddelen werd aldus ingedeeld: zes maanden met mirreolie en zes maanden met balsem en schoonheidsmiddelen der vrouwen - , 13 dan kwam het meisje aldus tot de koning: men gaf haar alles wat zij uit het vrouwenhuis naar het koninklijk paleis begeerde mede te nemen. 14 Des avonds kwam zij binnen en des morgens keerde zij terug in een tweede vrouwenhuis, onder opzicht van Saäsgaz, de hoveling des konings, de bewaker der bijvrouwen. Zij mocht niet weer bij de koning komen, tenzij de koning behagen in haar had en zij bij name geroepen werd. 15 Toen nu Ester, de dochter van Abichaïl, de oom van Mordekai, die haar als dochter had aangenomen, aan de beurt was om tot de koning te gaan, begeerde zij niets dan wat Hegai, de hoveling des konings, de bewaker der vrouwen, aanried. En Ester verwierf de genegenheid van allen die haar zagen. 16 Zo werd dan Ester tot koning Ahasveros gebracht in zijn koninklijk paleis in de tiende maand - dat is de maand Tebet - in het zevende jaar van zijn regering. 17 De koning kreeg Ester lief boven alle vrouwen en zij ontving van hem meer genegenheid en liefde dan alle andere maagden, zodat hij de koninklijke kroon op haar hoofd zette en haar tot koningin verhief in de plaats van Wasti. 18 Toen richtte de koning een groot feestmaal aan voor al zijn vorsten en dienaren, het feestmaal van Ester, terwijl hij aan de gewesten vrijstelling van belasting gaf en geschenken uitdeelde, zoals men dat van de koning verwachten mocht. 19 Toen nu voor de tweede maal maagden bijeengebracht werden en Mordekai in de poort des konings zat - 20 Ester had haar afkomst en haar volk niet bekendgemaakt, zoals Mordekai haar geboden had; want Ester bleef naar het woord van Mordekai handelen, zoals toen zij bij hem opgevoed werd - , 21 in die dagen dan, toen Mordekai in de poort des konings zat, werden Bigtan en Teres, twee hovelingen des konings, behorende tot de dorpelwachters, zeer verbitterd en zij trachtten aan koning Ahasveros de hand te slaan. 22 Mordekai kwam dit echter te weten en hij vertelde het aan koningin Ester en Ester zeide het de koning namens Mordekai. 23 De zaak werd toen onderzocht en juist bevonden, en die twee werden op een paal gespietst. En het werd in de kronieken opgeschreven in tegenwoordigheid des konings.. De Heere stuurt geen leger engelen uit de hemel, maar gebruikt een op het oog onbeduidend middel. Een eenvoudige jongeman – de neef van Paulus – hoort 'toevallig' van deze geheime hinderlaag. Hij weet de kazerne binnen te komen en mag zelfs met de hoogste Romeinse commandant spreken. Deze heidense overste neemt de waarschuwing serieus en besluit Paulus te beschermen.

Zo loopt deze list van de duivel stuk op de eeuwige raad van God. Wat de Heere in de nacht beloofd heeft, zal Hij doen, ook al verzet de hele wereld zich ertegen. Het doet ons weten: blind toeval of een willekeurig noodlot bestaat niet in het leven. God leidt Zijn schepping zó, dat zelfs de kleinste dingen meewerken tot de volvoering van Zijn raadsplan.

Verder lezen: Ester 2:19-2319 Toen nu voor de tweede maal maagden bijeengebracht werden en Mordekai in de poort des konings zat - 20 Ester had haar afkomst en haar volk niet bekendgemaakt, zoals Mordekai haar geboden had; want Ester bleef naar het woord van Mordekai handelen, zoals toen zij bij hem opgevoed werd - , 21 in die dagen dan, toen Mordekai in de poort des konings zat, werden Bigtan en Teres, twee hovelingen des konings, behorende tot de dorpelwachters, zeer verbitterd en zij trachtten aan koning Ahasveros de hand te slaan. 22 Mordekai kwam dit echter te weten en hij vertelde het aan koningin Ester en Ester zeide het de koning namens Mordekai. 23 De zaak werd toen onderzocht en juist bevonden, en die twee werden op een paal gespietst. En het werd in de kronieken opgeschreven in tegenwoordigheid des konings.

6 oktober

Handelingen 23:23-3523 En hij riep een tweetal hoofdlieden bij zich en zeide: Laat tweehonderd soldaten zich gereed houden om naar Caesarea te trekken en zeventig ruiters en tweehonderd lansdragers omtrent het derde uur van de nacht; 24 en laat men rijdieren voorbrengen om Paulus daarop te zetten en veilig over te brengen naar stadhouder Felix. 25 En hij schreef een brief van de volgende inhoud: 26 Claudius Lysias groet de hoogedele stadhouder Felix. 27 Daar deze man door de Joden gevangengenomen was en door hen omgebracht zou worden, ben ik tussenbeide gekomen met mijn manschappen en heb hem buiten hun bereik gebracht, daar ik vernomen had, dat hij een Romein was; 28 en begerende te weten te komen, waarvan zij hem beschuldigden, bracht ik hem in hun Raad. 29 Het bleek mij, dat hij werd beschuldigd inzake vragen van hun wet, doch er was geen aanklacht, waarop dood of gevangenschap staat. 30 En daar mij was aangebracht, dat er een aanslag tegen deze man zou worden gepleegd, liet ik hem onmiddellijk naar u brengen en heb ik ook de aanklagers gelast in uw tegenwoordigheid te zeggen, wat zij tegen hem hebben. 31 De soldaten dan namen Paulus over, gelijk hun bevolen was, en brachten hem des nachts naar Antipatris; 32 en de volgende dag lieten zij de ruiters met hem verder trekken en keerden naar de kazerne terug. 33 Toen de anderen te Caesarea kwamen en de brief aan de stadhouder overhandigd hadden, brachten zij ook Paulus voor hem. 34 En na die gelezen te hebben, vroeg de stadhouder hem, uit welke provincie hij was, en vernemende, dat hij uit Cilicië was, 35 zeide hij: Ik zal u nader in verhoor nemen, zodra ook uw beschuldigers hier gekomen zijn. En hij beval hem in het paleis van Herodes in bewaring te houden.

Zodra Claudius Lysias, de Romeinse overste, van de moordaanslag hoort, grijpt hij onmiddellijk in. Om één weerloze gevangene te beschermen, mobiliseert hij een legermacht van maar liefst 470 man! Midden in de nacht wordt Paulus, omringd door zwaarbewapende soldaten en ruiters, naar Caesarea overgebracht.

Wel een schitterend bewijs van Gods leiding en trouwe zorg! De Heere had in de nacht beloofd dat Paulus in leven zou blijven, en nu zet Hij het machtige Romeinse leger in om die belofte in te lossen. In de begeleidende brief aan stadhouder Felix verdraait Lysias wel de tijdlijn om zelf als redder over te komen, maar erkent hij toch volmondig de kern van de zaak: Paulus is onschuldig. Terwijl de joodse leiders Gods knecht willen vermoorden, spreekt de heidense overheid hem vrij.

Paulus arriveert veilig in het paleis te Caesarea. De eed van de veertig bloeddorstige Joden is mislukt. Deze geschiedenis toont hoe soeverein God regeert. Hij gebruikt de seculiere machten – inclusief hun eigenbelang en trots – om Zijn raadsplan te volvoeren. Hoe veilig zijn Gods kinderen bij de Heere, óók als de omstandigheden hopeloos lijken! Zo nodig schakelt Hij zelfs een leger in, van mensen of ook van engelen, om hen te beschermen.

Verder lezen: 2 Koningen 6:8-188 De koning van Aram was in oorlog met Israël. Hij beraadslaagde met zijn dienaren: Op die en die plaats zal mijn legerkamp zijn. 9 Maar de man Gods zond aan de koning van Israël de boodschap: Neem u in acht niet langs die plaats te trekken, want de Arameeërs zijn daarheen afgedaald. 10 De koning van Israël zond dan mannen naar de plaats die de man Gods hem genoemd en waarvoor hij hem gewaarschuwd had, zodat hij zich daar in acht kon nemen, en dat niet slechts een- of tweemaal. 11 En het hart van de koning van Aram werd hierover verontrust; hij ontbood zijn dienaren en zeide tot hen: Kunt gij mij niet meedelen, wie van de onzen op de hand van de koning van Israël is? 12 Doch een van zijn dienaren zeide: Neen, mijn heer de koning, maar Elisa, de profeet in Israël, deelt aan de koning van Israël de woorden mee, die gij in uw slaapkamer spreekt. 13 Toen zeide hij: Gaat en ziet, waar hij is; dan zal ik hem laten gevangennemen. Nadat hem gemeld was; Zie, hij is te Dotan, 14 zond hij daarheen paarden en wagens, een sterk leger; zij kwamen des nachts en omsingelden de stad. 15 Toen de dienaar van de man Gods des morgens vroeg opstond en naar buiten trad, zie, een leger omringde de stad, zowel paarden als wagens. En zijn knecht zeide tot hem: Ach, mijn heer! wat moeten wij doen? 16 Maar hij zeide: Vrees niet, want zij, die bij ons zijn, zijn talrijker dan zij, die bij hen zijn. 17 Toen bad Elisa: Here, open toch zijn ogen, opdat hij zie. En de Here opende de ogen van de knecht en hij zag en zie, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa. 18 Toen de vijanden nu tot hem afdaalden, bad Elisa tot de Here: Sla dit volk toch met blindheid. En Hij sloeg hen met blindheid naar het woord van Elisa.

7 oktober

Handelingen 241 En vijf dagen daarna kwam de hogepriester Ananias met enige oudsten en een advocaat, Tertullus, om tegen Paulus bij de stadhouder hun klachten in te dienen. 2 En toen hij voorgeroepen was, begon Tertullus zijn beschuldiging met te zeggen: 3 Dat wij door uw toedoen grote vrede genieten en dat er verbeteringen voor dit volk tot stand komen door uw beleid, hoogedele Felix, erkennen wij alleszins en overal met grote erkentelijkheid. 4 Maar om u niet te lang op te houden, verzoek ik u, met uw bekende welwillendheid ons een ogenblik te willen aanhoren. 5 Want wij hebben gevonden, dat deze man een pest is, iemand, die opstanden verwekt onder alle Joden over de ganse wereld, een eerste voorstander van de secte der Nazoreeërs; 6 die ook een poging heeft gewaagd om de tempel te ontwijden, en die wij in hechtenis hebben genomen, [en naar onze wet wilden oordelen. 7 Maar de overste Lysias is tussenbeide gekomen en heeft hem met groot geweld buiten ons bereik gebracht, 8 en bevolen, dat de aanklagers zich tot u zouden wenden]. Gij zult zelf, wanneer gij hem in verhoor neemt over al deze dingen, wel van hem kunnen te weten komen, waarvan wij hem beschuldigen. 9 En ook de Joden sloten zich bij de beschuldiging aan, door te bevestigen, dat dit alles zo was. 10 Maar Paulus antwoordde, toen de stadhouder hem een wenk gaf om te spreken: Daar ik weet, dat gij sedert vele jaren rechter over dit volk zijt, verdedig ik mijn zaak met goede moed. 11 Gij kunt u immers ervan vergewissen, dat het niet langer dan twaalf dagen geleden is, dat ik naar Jeruzalem ben gegaan om te aanbidden. 12 En zij hebben mij noch in de tempel aangetroffen, terwijl ik met iemand sprak of een volksoploop veroorzaakte, noch in de synagogen, noch ergens in de stad; 13 en zij kunnen niets, waarvan zij mij nu beschuldigen, voor u bewijzen. 14 Maar dit erken ik voor u, dat ik naar die weg, die zij een secte noemen, inderdaad de God der vaderen vereer, gelovende al hetgeen in de wet en in de profeten geschreven staat, 15 terwijl ik van God hoop, gelijk ook dezen zelf het verwachten, dat er een opstanding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen zal zijn. 16 En hierin oefen ik mijzelf, altijd een onergerlijk geweten te hebben voor God en de mensen. 17 En na verloop van vele jaren ben ik gekomen om aalmoezen voor mijn volk te brengen en offeranden, 18 waarmede men mij, geheiligd zijnde, in de tempel bezig vond, zonder volksoploop of opschudding. Maar enige Joden uit Asia 19 - die moesten hier voor u staan en hun aanklacht indienen, indien zij iets tegen mij hebben. 20 Of laten dezen hier zelf zeggen, wat voor misdrijf zij hebben gevonden, toen ik voor de Raad stond, 21 of het moest zijn dit ene woord, dat ik, in hun midden staande, uitriep: Ter zake van de opstanding van doden sta ik heden voor u terecht! 22 Maar Felix, die zeer goed van de weg op de hoogte was, verdaagde hun zaak en zeide: Zodra de overste Lysias komt, zal ik in uw zaak een beslissing nemen; 23 en hij beval de hoofdman hem in bewaring te houden, maar minder streng, en niemand van de zijnen te beletten hem van dienst te zijn. 24 En na enige dagen kwam Felix daar met Drusilla, zijn vrouw, die een Jodin was, en hij liet Paulus roepen en hoorde hem over het geloof in Christus Jezus. 25 Maar toen hij sprak over rechtvaardigheid en ingetogenheid en het toekomstig oordeel, werd Felix bevreesd en antwoordde: Ga voor heden heen; wanneer ik nog eens gelegenheid heb, zal ik u wel weder ontbieden; 26 en tegelijkertijd hoopte hij, dat hem door Paulus geld zou worden aangeboden. Dit was ook de reden, dat hij hem telkens weer liet komen en zich met hem onderhield. 27 Maar toen de termijn van twee jaar voorbij was, kreeg Felix tot opvolger Porcius Festus; en daar Felix de Joden een gunst wilde bewijzen, liet hij Paulus in gevangenschap achter.

Paulus verschijnt voor stadhouder Felix. De door de joden ingeschakelde advocaat Tertullus schildert Paulus af als een oproerkraaier. Paulus verdedigt zich echter rustig, gerust als hij is in de Heere. Hij belijdt openlijk dat hij de God der vaderen dient en hoopt op de opstanding van doden, en dat hij zich voortdurend oefent om een zuiver geweten te hebben voor God en mensen. Dat maakt hem vrijmoedig!

Felix verdaagt de zaak, maar roept Paulus later bij zich om meer te horen over het christelijk geloof. Paulus houdt dan geen oppervlakkig praatje, maar spreekt indringend over de gerechtigheid en het komende oordeel. Het confronteert Felix met zijn corrupte en losbandige leven. Het Zwaard van de Geest dringt zo diep tot Felix door, dat hij er bang van wordt.

Maar zijn vrees gaat niet gepaard met ware bekering. Felix schuift de beslissing voor zich uit: "Ga voor heden heen". Het is een gevaarlijk uitstel, dat meer dan eens leidt tot afstel. Zo ook bij Felix. Zijn liefde voor geld wint het van de zorg voor zijn ziel. Hopend op steekpenningen laat hij Paulus twee jaar onschuldig gevangen zitten. Gods Woord aanhoren en er zelfs van beven, maar niet buigen voor de Zaligmaker, dat wordt een mens fataal. Laten wij dan ook waken voor uitstel en ons héden bekeren!

Verder lezen: Hebreeën 4:1-131 Laten wij daarom op onze hoede zijn, dat niemand van u, terwijl nog een belofte van tot zijn rust in te gaan bestaat, de indruk zou wekken achter te blijven. 2 Want ook ons is het evangelie verkondigd evenals hun, maar het woord der prediking was hun niet van nut, omdat het niet met geloof gepaard ging bij hen, die het hoorden. 3 Want wij gaan tot [de] rust in, wij, die tot geloof gekomen zijn, zoals Hij gesproken heeft: gelijk Ik gezworen heb in mijn toorn: Nooit zullen zij tot mijn rust ingaan, en toch waren zijn werken van de grondlegging der wereld af gereed. 4 Want Hij heeft ergens van de zevende dag aldus gesproken: En God rustte op de zevende dag van al zijn werken; 5 en hier wederom: Nooit zullen zij tot mijn rust ingaan. 6 Aangezien nog te wachten is, dat sommigen tot die rust zullen ingaan, en zij, die het evangelie eerst ontvangen hebben, niet ingegaan zijn wegens hun ongehoorzaamheid, 7 stelt Hij wederom een dag vast, heden, als Hij door David na zo lange tijd spreekt, zoals boven gezegd werd: Heden, indien gij zijn stem hoort, verhardt uw harten niet. 8 Want indien Jozua hen in de rust gebracht had, zou Hij niet (meer) over een andere, latere dag gesproken hebben. 9 Er blijft dus een sabbatsrust voor het volk van God. 10 Want wie tot zijn rust is ingegaan, is ook zelf tot rust gekomen van zijn werken, evenals God van de zijne. 11 Laten wij er dus ernst mede maken om tot die rust in te gaan, opdat niemand ten val kome door dit voorbeeld van ongehoorzaamheid te volgen. 12 Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; 13 en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen.

8 oktober

Handelingen 25:1-121 Festus hield dan zijn intocht in zijn provincie en ging drie dagen later van Caesarea naar Jeruzalem. 2 En de overpriesters en de voornaamsten der Joden dienden klachten tegen Paulus bij hem in, 3 en verwachtten van hem een gunst ten nadele van Paulus, verlangende, dat hij hem naar Jeruzalem zou laten komen, daar zij een aanslag smeedden om hem onderweg om te brengen. 4 Doch Festus antwoordde, dat Paulus te Caesarea in bewaring bleef en dat hij zelf binnenkort (daarheen) zou vertrekken. 5 Laten dan, zeide hij, zij, die onder u bevoegd zijn, medereizen en, als er iets onbehoorlijks in deze man is, hem beschuldigen. 6 En na een verblijf bij hen van niet meer dan acht of tien dagen vertrok hij naar Caesarea, zette zich de volgende dag op de rechterstoel en beval Paulus vóór te brengen. 7 En toen hij vóórkwam, omringden hem de Joden, die uit Jeruzalem gekomen waren, en brachten vele zware beschuldigingen in, die zij niet konden bewijzen, 8 terwijl Paulus zich aldus verdedigde: Ik heb noch tegen de wet der Joden noch tegen de tempel, noch tegen de keizer iets misdreven. 9 Maar Festus, die de Joden een gunst wilde bewijzen, antwoordde en zeide tot Paulus: Wilt gij naar Jeruzalem gaan en dáár in mijn bijzijn terechtstaan in deze zaak? 10 En Paulus zeide: Ik sta voor de keizerlijke rechtbank, en dáár moet ik terechtstaan. Tegen de Joden heb ik niets misdreven, gelijk ook gij zeer wel inziet. 11 Indien ik echter schuldig ben en een halsmisdaad gepleegd heb, verzet ik mij niet tegen een doodvonnis; maar indien er niets waar is van datgene, waarvan dezen mij betichten, dan kan niemand mij bij wijze van gunst aan hen uitleveren: ik beroep mij op de keizer! 12 Toen antwoordde Festus, na overleg met zijn Raad: Op de keizer hebt gij u beroepen, naar de keizer zult gij gaan!

Festus volgt Felix op als stadhouder. Wie verwachtte dat de woede van de Joodse leiders na twee jaar wel zou zijn bekoeld, komt bedrogen uit. Want zodra Festus aantreedt, smeken de overpriesters hem om Paulus naar Jeruzalem te laten overbrengen. Hun plan is even sluw als bloeddorstig: ze willen de apostel onderweg in een hinderlaag vermoorden. Het toont aan dat zondige haat niet vanzelf uitdooft; zonder de vernieuwende genade van Gods Geest blijft het hart van een mens zich verharden. Wanneer Festus de rechtszaak opent, uiten de Joden zware beschuldigingen. Maar Festus wéét dat Paulus onschuldig is. Toch stelt hij voor de zaak naar Jeruzalem te verplaatsen, puur om de Joden een politieke gunst te bewijzen. Paulus doorziet de valstrik meteen. Als Romeins burger spreekt hij de woorden: "Ik beroep mij op de keizer!" Daarop kan Festus niet anders antwoorden dan met: “Naar de keizer zult gij gaan!” Hier is geen gebrek aan geloofsvertrouwen, maar de verantwoorde inzet van wettige middelen. En bovenal schittert hier opnieuw Gods voorzienigheid. De Heere gebruikt de seculiere rechtspraak om Zijn knecht te bewaren. Sterker nog: door dit beroep op de keizer gaat de Heere vervullen wat Hij in Handelingen 231 En Paulus, de ogen op de Raad gericht, zeide: Mannen broeders, ik voor mij heb een volkomen zuiver geweten voor God over mijn gedrag in het openbaar tot op deze dag. 2 Maar de hogepriester Ananias beval hun, die naast hem stonden, hem op de mond te slaan. 3 Toen zeide Paulus tot hem: God moge u slaan, gij gewitte wand! En gij, zit gij over mij recht te spreken naar de wet en beveelt gij tegen de wet mij te slaan? 4 Maar de omstanders zeiden: Scheldt gij de hogepriester Gods uit? 5 En Paulus zeide: Ik wist niet, broeders, dat het de hogepriester was, want er staat geschreven: Van een overste uws volks zult gij geen kwaad spreken. 6 En daar Paulus wist, dat het ene deel behoorde tot de Sadduceeën en het andere tot de Farizeeën, riep hij in de Raad: Mannen broeders, ik ben een Farizeeër, een zoon van Farizeeën, ik sta terecht om de hoop en de opstanding der doden. 7 En toen hij dit zeide, kwam er tweedracht tussen de Farizeeën en de Sadduceeën en de menigte werd verdeeld. 8 Want de Sadduceeën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel of geest, maar de Farizeeën belijden zowel het een als het ander. 9 En er ontstond groot geschreeuw, en sommige van de schriftgeleerden van de groep der Farizeeën stonden op en streden heftig en zeiden: Wij vinden generlei kwaad in deze mens! En indien nu eens een geest tot hem heeft gesproken, of een engel! 10 En toen er grote tweedracht ontstond, vreesde de overste, dat Paulus door hen zou worden verscheurd, en hij liet de soldaten komen om hem uit hun midden weg te halen en naar de kazerne te brengen. 11 En de volgende nacht stond de Here bij hem en zeide: Houd moed, want zoals gij te Jeruzalem van Mij getuigd hebt, moet gij ook te Rome getuigen. 12 En toen het dag was geworden, maakten de Joden een komplot en vervloekten zichzelf met de gelofte, dat zij niet zouden eten of drinken, voordat zij Paulus hadden gedood. 13 En het waren er meer dan veertig, die deze samenzwering maakten; 14 dezen gingen naar de overpriesters en de oudsten en zeiden: Wij hebben onszelf met een vloek verbonden om niets te nuttigen, voordat wij Paulus gedood hebben. 15 Geeft gij nu de overste, met de Raad, duidelijk te verstaan, dat hij hem voor u moet brengen, alsof gij nauwkeuriger van zijn zaak op de hoogte wildet komen; dan nemen wij op ons hem uit de weg te ruimen, eer hij nog dichtbij is. 16 Doch de zoon van Paulus' zuster hoorde van deze hinderlaag en hij vervoegde zich aan de kazerne, en binnengegaan zijnde bracht hij het aan Paulus over. 17 En Paulus riep een van de hoofdlieden en zeide: Breng deze jongeman naar de overste, want hij heeft hem iets te melden. 18 Deze nam hem mede en bracht hem bij de overste en zeide: Paulus, de gevangene, heeft mij geroepen, en verzocht deze jongeman bij u te brengen, daar hij u iets te zeggen heeft. 19 De overste nu nam hem bij de hand en ging terzijde en vroeg hem: Wat hebt gij mij te melden? 20 En hij zeide: De Joden hebben afgesproken om van u te begeren, dat gij Paulus morgen voor de Raad brengt, daar deze op een bepaald punt nauwkeuriger over hem wil worden ingelicht. 21 Doch laat u niet door hen ompraten, want meer dan veertig mannen uit hun midden loeren op hem. Zij hebben zich met een vervloeking verbonden te eten noch te drinken, voordat zij hem omgebracht hebben; en nu staan zij gereed en wachten slechts op uw toezegging. 22 De overste dan liet de jongeman gaan en beval hem: Laat u tegen niemand erover uit, dat gij mij dit hebt te kennen gegeven. 23 En hij riep een tweetal hoofdlieden bij zich en zeide: Laat tweehonderd soldaten zich gereed houden om naar Caesarea te trekken en zeventig ruiters en tweehonderd lansdragers omtrent het derde uur van de nacht; 24 en laat men rijdieren voorbrengen om Paulus daarop te zetten en veilig over te brengen naar stadhouder Felix. 25 En hij schreef een brief van de volgende inhoud: 26 Claudius Lysias groet de hoogedele stadhouder Felix. 27 Daar deze man door de Joden gevangengenomen was en door hen omgebracht zou worden, ben ik tussenbeide gekomen met mijn manschappen en heb hem buiten hun bereik gebracht, daar ik vernomen had, dat hij een Romein was; 28 en begerende te weten te komen, waarvan zij hem beschuldigden, bracht ik hem in hun Raad. 29 Het bleek mij, dat hij werd beschuldigd inzake vragen van hun wet, doch er was geen aanklacht, waarop dood of gevangenschap staat. 30 En daar mij was aangebracht, dat er een aanslag tegen deze man zou worden gepleegd, liet ik hem onmiddellijk naar u brengen en heb ik ook de aanklagers gelast in uw tegenwoordigheid te zeggen, wat zij tegen hem hebben. 31 De soldaten dan namen Paulus over, gelijk hun bevolen was, en brachten hem des nachts naar Antipatris; 32 en de volgende dag lieten zij de ruiters met hem verder trekken en keerden naar de kazerne terug. 33 Toen de anderen te Caesarea kwamen en de brief aan de stadhouder overhandigd hadden, brachten zij ook Paulus voor hem. 34 En na die gelezen te hebben, vroeg de stadhouder hem, uit welke provincie hij was, en vernemende, dat hij uit Cilicië was, 35 zeide hij: Ik zal u nader in verhoor nemen, zodra ook uw beschuldigers hier gekomen zijn. En hij beval hem in het paleis van Herodes in bewaring te houden. beloofde. Paulus zál het evangelie naar Rome brengen, zelfs op kosten van de staat! Zo volvoert God onfeilbaar Zijn niet te verhinderen raad.

Verder lezen: Spreuken 16:1-91 De mens heeft overleggingen des harten, maar het antwoord der tong is van de Here. 2 Al iemands wegen zijn rein in zijn ogen, maar de Here toetst de geesten. 3 Beveel de Here uw werken, dan zullen uw voornemens gelukken. 4 De Here heeft alles gemaakt voor zijn doel, ja, zelfs de goddeloze voor de dag des kwaads. 5 Iedere hooghartige is de Here een gruwel; voorwaar, hij blijft niet ongestraft. 6 Door liefde en trouw wordt de ongerechtigheid verzoend, door de vreze des Heren wijkt men van het kwaad. 7 Als iemands wegen de Here behagen, doet Hij zelfs diens vijanden vrede met hem maken. 8 Beter een weinig met gerechtigheid, dan grote inkomsten met onrecht. 9 Het hart des mensen overdenkt zijn weg, maar de Here bestiert zijn gang.

9 oktober

Handelingen 25:13-2713 En toen enige dagen verlopen waren, kwamen koning Agrippa en Bernice te Caesarea om Festus te begroeten. 14 En gedurende de vele dagen, die zij daar doorbrachten, legde Festus aan de koning de zaak van Paulus voor, en zeide: Er is door Felix een man gevangen achtergelaten, 15 tegen wie de overpriesters en de oudsten der Joden, toen ik te Jeruzalem was, klachten ingediend hebben en wiens veroordeling zij verzochten. 16 Ik antwoordde hun, dat Romeinen niet de gewoonte hebben, een mens bij wijze van gunst uit te leveren; de beschuldigde moet eerst zijn aanklagers tegenover zich zien en de gelegenheid krijgen zich tegen de aanklacht te verdedigen. 17 Daar zij nu hierheen medegekomen waren, heb ik zonder uitstel de dag daarop mij op de rechterstoel gezet en bevolen de man vóór te brengen. 18 En de aanklagers, die rondom hem stonden, brachten geen enkele beschuldiging in over de boze dingen, die ik vermoedde, 19 doch zij hadden met hem enige twistpunten over hun eigen godsdienst en over een zekere Jezus, die dood is, van wie Paulus beweerde, dat Hij leeft. 20 En daar ik met het onderzoek hiervan verlegen was, vroeg ik, of hij naar Jeruzalem wilde gaan, om daar over deze dingen terecht te staan. 21 Maar toen Paulus in hoger beroep kwam, om tot de beslissing van Zijne Majesteit in bewaring te worden gehouden, beval ik, dat hij zou worden bewaard, totdat ik hem naar de keizer kon opzenden. 22 En Agrippa zeide tot Festus: Ik zou zelf die man ook wel willen horen. En hij zeide: Morgen zult gij hem horen. 23 Toen dan de volgende dag Agrippa en Bernice gekomen waren met grote praal en de gehoorzaal waren binnengegaan met de oversten en de mannen, die de voornaamsten der stad waren, werd Paulus op bevel van Festus vóórgebracht. 24 En Festus zeide: Koning Agrippa en gij allen, die met ons hier aanwezig zijt, gij ziet hier iemand, terzake van wie de gehele menigte der Joden zich te Jeruzalem en hier tot mij gewend heeft, roepende, dat hij niet langer moest blijven leven. 25 Maar het bleek mij, dat hij geen halsmisdaad had gepleegd, en daar hij zelf zich op Zijne Majesteit beriep, besloot ik hem op te zenden. 26 Maar ik heb niets stelligs over hem aan mijn heer te schrijven; daarom heb ik hem vóór u laten komen, en voornamelijk vóór ú, koning Agrippa, om, nadat het onderzoek heeft plaats gehad, iets te kunnen schrijven; 27 want het dunkt mij ongerijmd, als men een gevangene opzendt, ook niet de punten van beschuldiging tegen hem kenbaar te maken.

Koning Agrippa en zijn zus Bernice komen op staatsbezoek bij stadhouder Festus. Tijdens hun verblijf bespreekt Festus de zaak van Paulus. Het is veelzeggend hoe deze Romein de zaak samenvat: het gaat slechts over "een zekere Jezus, die dood is, van wie Paulus beweerde, dat Hij leeft." Voor de heidense Festus is zoiets een onbegrijpelijke dwaasheid. Maar voor Paulus – en voor ons – is de na Zijn kruisdood opgestane Heiland het enige fundament van onze zaligheid. Nieuwsgierig geworden, wil Agrippa de apostel wel eens aanhoren. De volgende dag vindt een hoorzitting plaats. Het contrast kan haast niet groter. Aan de ene kant zit de wereldse elite in pracht en praal, geflankeerd door hoge legercommandanten. Aan de andere kant staat een eenvoudige, geboeide gevangene. Toch is de geestelijke werkelijkheid precies omgekeerd. Agrippa en Festus zijn, ondanks al hun aanzien, dodelijk gebonden door de zonde. Paulus daarentegen is, hoewel hij letterlijk in ketenen staat, in Christus werkelijk vrij! Festus zoekt slechts een juridische aanklacht voor zijn brief aan de keizer. Maar de Heere gebruikt deze elitaire samenkomst voor Zijn doel: het evangelie van de opgestane Christus moet klinken, ook in de allerhoogste kringen. Zelfs voor de machtigste en vijandigste koningen hoeven we ons niet te schamen voor het bevrijdende evangelie van onze hemelse Koning.

Verder lezen: 1 Korintiërs 15:12-2212 Indien nu van Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe komen sommigen onder u ertoe te zeggen, dat er geen opstanding der doden is? 13 Indien er geen opstanding der doden is, dan is ook Christus niet opgewekt. 14 En indien Christus niet is opgewekt, dan is immers onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof. 15 Dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn, want dan hebben wij tegen God in getuigd, dat Hij de Christus opgewekt heeft, die Hij toch niet heeft opgewekt, indien er geen doden opgewekt worden. 16 Immers, indien er geen doden opgewekt worden, dan is Christus ook niet opgewekt; 17 en indien Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof zonder vrucht, dan zijt gij nog in uw zonden. 18 Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren. 19 Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen. 20 Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen, die ontslapen zijn. 21 Want, dewijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding der doden door een mens. 22 Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.

10 oktober

Handelingen 26:1-231 En Agrippa zeide tot Paulus: Het is u vergund voor u zelf te spreken. Toen strekte Paulus zijn hand uit en verantwoordde zich: 2 Ik heb mijzelf gelukkig geacht, koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal mogen verantwoorden over alle punten, waarop ik door de Joden word beschuldigd, 3 daar gij vooral een kenner zijt van alle gewoonten en twistpunten bij de Joden; daarom verzoek ik u mij geduldig te willen aanhoren. 4 Mijn leven dan van jongsaf, dat ik van den beginne aan geleid heb onder mijn volk en te Jeruzalem, kennen alle Joden, 5 daar zij sedert lange tijd van mij weten, indien zij het slechts willen getuigen, dat ik naar de meest nauwgezette partij van onze godsdienst, als Farizeeër, geleefd heb. 6 En nu sta ik voor het gerecht om mijn hoop op de belofte, die door God aan onze vaderen gedaan is; 7 welke onze twaalf stammen, door voortdurend nacht en dag God te vereren, hopen te bereiken. Om deze hoop, o koning, word ik door Joden aangeklaagd. 8 Waarom wordt het bij u ongelofelijk geacht, als God doden opwekt? 9 Ik voor mij was tot de slotsom gekomen, dat ik tegen de naam van Jezus, de Nazoreeër, fel moest optreden, 10 wat ik dan ook gedaan heb te Jeruzalem; en ik heb vele van de heiligen in gevangenissen opgesloten, waartoe ik de macht van de overpriesters ontvangen had; en als zij zouden omgebracht worden, heb ik mijn stem eraan gegeven. 11 En in alle synagogen trachtte ik hen dikwijls door toepassing van straffen tot lastering te dwingen en in tomeloze woede tegen hen heb ik hen vervolgd, tot zelfs in de buitenlandse steden. 12 En toen ik onder die omstandigheden naar Damascus reisde met volmacht en opdracht der overpriesters, 13 zag ik, o koning, midden op de dag onderweg een licht, schitterender dan de glans der zon, van de hemel mij en hen, die met mij reisden, omstralen; 14 en toen wij allen ter aarde vielen, hoorde ik een stem tot mij spreken in de Hebreeuwse taal: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? Het valt u zwaar tegen de prikkels achteruit te slaan. 15 En ik zeide: Wie zijt Gij, Here? En de Here zeide: Ik ben Jezus, die gij vervolgt. 16 Maar richt u op en sta op uw voeten; want hiertoe ben Ik u verschenen om u aan te wijzen als dienaar en getuige daarvan, dat gij Mij gezien hebt en dat Ik aan u verschijnen zal, 17 u verkiezende uit dit volk en de heidenen, waarheen Ik u zend, 18 om hun ogen te openen ter bekering uit de duisternis tot het licht en van de macht van de satan tot God, opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden zouden ontvangen door het geloof in Mij. 19 Daarom, koning Agrippa, ben ik dat hemelse gezicht niet ongehoorzaam geweest, 20 maar ik heb eerst hun, die te Damascus waren, en te Jeruzalem en in het gehele Joodse land en de heidenen verkondigd, dat zij met berouw zich zouden bekeren tot God en werken doen, met hun berouw in overeenstemming. 21 Hierom hebben de Joden mij in de tempel gegrepen en getracht mij om te brengen. 22 Als een getuige, die hulp van God heeft ontvangen tot op deze dag, sta ik dus hier voor klein en groot, zonder iets anders te zeggen dan wat de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou, 23 namelijk, dat de Christus zou lijden, en dat Hij als eerste uit de opstanding der doden het licht zou aankondigen en aan het volk en aan de heidenen.

Paulus krijgt de kans zich voor koning Agrippa te verdedigen. Hij begint niet met een klaagzang over zijn onterechte gevangenschap, maar grijpt de gelegenheid aan om vrijmoedig te getuigen. De ware reden dat hij terechtstaat, is de hoop op de belofte die God aan de vaderen deed. Alles draait om die ene vraag: "Waarom wordt het bij u ongelofelijk geacht, als God doden opwekt?"

Paulus houdt niets verborgen van zijn zondige verleden. Eerlijk belijdt hij zijn eerdere haat en vervolging van de christelijke kerk. Maar toen was daar het wonder van Gods genade, in zijn bekering op de weg naar Damascus. In plaats van zijn verdiende loon, ontving deze vijand een goddelijke roeping. Christus stelde hem aan als Zijn dienaar om de ogen van jood en heiden te openen tot geloof en bekering.

Aan deze hemelse roeping is Paulus door Gods genade gehoorzaam gebleven. Hij verkondigt slechts wat Mozes en de profeten al hadden voorzegd: de Christus móést lijden en als Eerste uit de doden opstaan. Laten ook wij dit evangelie geloven en belijden, en er vrijmoedig van getuigen dat het niet ongelofelijk maar juist voluit geloofwaardig is, ja ons aller geloof waard, dat Christus uit de doden is opgestaan en wij Hem daarin mogen volgen.

Verder lezen: 1 Timoteüs 1:12-1712 Ik breng dank aan Hem, die mij kracht gegeven heeft, Christus Jezus, onze Here, dat Hij mij getrouw geacht heeft, daar Hij mij in de bediening gesteld heeft, 13 hoewel ik vroeger een godslasteraar en een vervolger en een geweldenaar was. Maar mij is ontferming bewezen, omdat ik het in mijn onwetendheid, uit ongeloof, gedaan heb, 14 en zeer overvloedig is de genade van onze Here geweest, met het geloof en de liefde in Christus Jezus. 15 Dit is een getrouw woord en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaren te behouden, onder welke ik een eerste plaats inneem. 16 Maar hiertoe is mij ontferming bewezen, dat Jezus Christus in de eerste plaats in mij zijn ganse lankmoedigheid zou bewijzen tot een voorbeeld voor hen, die later op Hem zouden vertrouwen ten eeuwigen leven. 17 De Koning der eeuwen, de onvergankelijke, de onzienlijke, de enige God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid! Amen.

11 oktober

Terwijl Paulus zijn getuigenis aflegt, onderbreekt Festus hem ruw: "Gij spreekt wartaal, Paulus!" En dat is niet vreemd. Want voor de natuurlijke mens is de prediking van het kruis en de opstanding pure dwaasheid. Paulus blijft echter kalm. Hij spreekt de nuchtere waarheid en richt zich rechtstreeks tot koning Agrippa, die de Schriften kent. Paulus vraagt hem: "Gelooft gij de profeten?" Agrippa voelt zich in het nauw gedreven door dit persoonlijke appèl en wringt zich er behendig onderuit: "Gij wilt mij wel spoedig als christen laten optreden!" Agrippa is zelf niet van plan om christen te worden. Maar dan toont Paulus een vurige liefde voor hun zielen. Hij bidt dat allen precies zo mogen worden als hij – volkomen vrij in Christus – maar dan wel zónder zijn knellende boeien. Het is een heerlijk blijk van Gods genade, als Zijn liefde ons hart zó vervult, dat we zelfs de redding verlangen van degenen die ons onrecht aandoen! Na afloop erkennen de machthebbers Paulus' onschuld. Slechts zijn beroep op de keizer houdt hem gevangen. Maar dat moet ook. Want Paulus moet naar Rome. Daarvan geldt niet slechts: zo de Here wil, maar: zó wil de Here.

Verder lezen: Matteüs 5:38-4838 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Oog om oog en tand om tand. 39 Maar Ik zeg u, de boze niet te weerstaan, doch wie u een slag geeft op de rechterwang, keer hem ook de andere toe; 40 en wil iemand met u rechten en uw hemd nemen, laat hem ook uw mantel; 41 en zal iemand u voor één mijl pressen, ga er twee met hem. 42 Geef hem, die van u vraagt, en wijs hem niet af, die van u lenen wil. 43 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten. 44 Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen, 45 opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is; want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 46 Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat voor loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? 47 En indien gij alleen uw broeders groet, waarin doet gij meer dan het gewone? Doen ook de heidenen niet hetzelfde? 48 Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is.

12 oktober

Handelingen 27:1-131 En toen het beslist was, dat wij naar Italië zouden afvaren, vertrouwde men Paulus en enige andere gevangenen toe aan een hoofdman, genaamd Julius, van de keizerlijke afdeling. 2 En op een schip uit Adramyttium, dat naar de kustplaatsen van Asia zou varen, kozen wij zee, met Aristarchus, een Macedoniër uit Tessalonica, bij ons. 3 En de volgende dag gingen wij te Sidon aan land en Julius behandelde Paulus vriendelijk en vergunde hem naar zijn vrienden te gaan om zich te laten verzorgen. 4 En vandaar afgevaren, voeren wij onder Cyprus langs, omdat de winden tegen waren; 5 wij staken de volle zee bij Cilicië en Pamfylië over en kwamen te Myra in Lycië aan. 6 En daar vond de hoofdman een schip uit Alexandrië, dat naar Italië voer, en hij liet ons daarop overgaan. 7 En daar wij verscheidene dagen lang weinig vorderden en met moeite ter hoogte van Knidus konden komen, daar de wind ons niet gunstig was, voeren wij onder Kreta langs ter hoogte van Salmone; 8 en daar met moeite voorbijkomende, bereikten wij een plaats, Goede Rede geheten, waar de stad Lasea dichtbij lag. 9 En toen door het vele tijdverlies de vaart reeds bedenkelijk werd, daar ook de vasten reeds achter de rug was, waarschuwde Paulus hen 10 met deze woorden: Mannen, ik zie, dat de vaart met ongerief en grote averij gepaard zal gaan, niet alleen wat lading en schip, maar ook wat ons leven aangaat. 11 Maar de hoofdman stelde meer vertrouwen in de stuurman en de schipper dan in de woorden van Paulus. 12 En daar de haven niet geschikt was om te overwinteren, ried het merendeel aan, vandaar zee te kiezen om zo mogelijk Feniks, een haven op Kreta, beschermd liggende naar het zuidwesten en het noordwesten, te bereiken, ten einde daar te overwinteren. 13 En toen er een zachte zuidenwind opstak en zij meenden hun oogmerk te hebben bereikt, lichtten zij het anker en hielden zo dicht mogelijk langs de kust van Kreta.

De reis naar Rome is begonnen. Onder bewaking van de Romeinse hoofdman Julius schepen Paulus en andere gevangenen in. De vaart verloopt echter moeizaam door tegenwind en vertragingen. Het laat zien dat Gods weg lang niet altijd zonder tegenslag is. Toch is God erbij met Zijn Vaderlijke zorg: Hij neigt het hart van Julius zó, dat deze heiden Gods knecht vriendelijk behandelt.

Omdat de herfst inmiddels is aangebroken, wordt verder varen levensgevaarlijk. Paulus waarschuwt de bemanningsleden voor grote schade, niet alleen aan hun schip, maar ook aan hun leven. De hoofdman legt deze door de Heilige Geest ingegeven waarschuwing echter naast zich neer. Hij stelt zijn vertrouwen liever op de kennis en kunde van de stuurman en de schipper. Hoe typerend: van nature vertrouwen we liever op menselijke ‘deskundigen’ dan op het goddelijke Woord.

Wanneer er plotseling een zachte zuidenwind opsteekt, lijken die deskundigen ook nog eens gelijk te krijgen. Vol zelfvertrouwen lichten ze het anker en wanen ze zich veilig. Maar hoe misleidend blijkt hun gerustheid straks te zijn! Laten wijzelf dan ook oppassen: in het leven moeten we onze koers niet laten bepalen door gebrekkige meningen van mensen, maar door Gods onfeilbaar Woord.

Verder lezen: Spreuken 3:1-81 Mijn zoon, vergeet mijn onderwijzing niet en uw hart beware mijn geboden, 2 want lengte van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen. 3 Dat liefde en trouw u niet verlaten! Bind ze om uw hals, schrijf ze op de tafel van uw hart, 4 dan zult gij genegenheid en goedkeuring verwerven in de ogen van God en mensen. 5 Vertrouw op de Here met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet. 6 Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken. 7 Wees niet wijs in eigen ogen, vrees de Here en wijk van het kwaad; 8 het zal medicijn wezen voor uw vlees, en lafenis voor uw gebeente.

13 oktober

Handelingen 27:14-4414 Maar kort daarop sloeg vandaar een stormwind neer, de zogenaamde Eurakylon; 15 en toen het schip werd meegesleurd en de kop niet in de wind kon houden, moesten wij het opgeven en dreven weg. 16 Maar wij schoten in de luwte van een eilandje, Klauda geheten, waar wij nog moeite hadden de sloep meester te worden; 17 nadat ze haar opgehesen hadden, namen zij hulpmiddelen te baat door het schip te ondergorden; en daar zij bang waren op de Syrte te worden geworpen, haalden zij het tuig neer en lieten zich zo drijven. 18 En daar wij vreselijk noodweer hadden, wierpen zij de volgende dag lading over boord, 19 en de derde dag gaven zij eigenhandig het scheepstuig prijs. 20 En toen zich verscheidene dagen zon noch sterren vertoonden, en zwaar noodweer ons bedreigde, werd ons tenslotte alle hoop op redding benomen. 21 En nadat zij lang zonder eten waren gebleven, ging Paulus in hun midden staan en zeide: Mannen, had men maar naar mij geluisterd om niet van Kreta weg te varen en zich dit ongerief en deze averij te besparen! 22 Maar ook nu wek ik u op moed te houden, want het leven van niemand uwer zal verloren gaan, alleen maar het schip. 23 Want deze nacht heeft een engel van de God, wie ik toebehoor en die ik vereer, bij mij gestaan, 24 en hij heeft gezegd: Wees niet bevreesd, Paulus, want gij moet voor de keizer staan; en zie, allen, die met u varen, heeft God u geschonken. 25 Daarom, mannen, houdt moed, want dit vertrouwen heb ik op God, dat het zo zal gaan, als mij gezegd is. 26 Maar wij moeten op een of ander eiland stranden. 27 Toen nu de veertiende nacht was aangebroken, dat wij in de Adriatische Zee rondzwalkten, vermoedde het scheepsvolk midden in de nacht, dat er land naderde. 28 En zij peilden met het lood twintig vadem en iets verder peilden zij vijftien vadem, 29 en uit vrees van tegen de klippen geslagen te worden, wierpen zij vier ankers van het achterschip uit en baden, dat het dag mocht worden. 30 Doch toen het scheepsvolk uit het schip trachtte weg te komen en de sloep te water liet onder voorwendsel dat zij van het voorschip ankers wilden uitbrengen, 31 zeide Paulus tot de hoofdman en zijn soldaten: Indien zij niet aan boord blijven, kunt gij niet gered worden. 32 Toen kapten de soldaten de touwen van de sloep en lieten haar in zee vallen. 33 En tegen dat het dag zou worden, spoorde Paulus hen allen aan voedsel te nemen en zeide: Het duurt nu reeds veertien dagen, dat gij maar blijft afwachten zonder eten en niets genuttigd hebt. 34 Daarom spoor ik u aan voedsel te nemen, want dit is goed voor uw redding; want niemand uwer zal ook maar een haar van zijn hoofd gekrenkt worden. 35 En terwijl hij dit zeide, nam hij brood, dankte God in aller tegenwoordigheid, brak het en begon te eten. 36 En allen werden goedsmoeds en nuttigden eveneens voedsel. 37 Wij waren nu in het geheel aan boord met tweehonderd zesenzeventig man. 38 En toen zij van voedsel verzadigd waren, maakten zij het schip lichter door het graan in zee te werpen. 39 En toen het dag werd, herkenden zij het land niet, maar zij bemerkten een inham, die een strand had, en zij overlegden, zo mogelijk het schip daarop te doen lopen. 40 En zij haalden de ankers op en lieten zich voor de zee wegdrijven, terwijl zij meteen de roerbanden losmaakten, het voorzeil voor de wind hesen en op het strand aanhielden. 41 Maar zij kwamen terecht op een uitstekende bank en raakten met het schip aan de grond. En het voorschip bleef onwrikbaar vastzitten, maar het achterschip brak af door het geweld (der golven). 42 De soldaten nu waren van plan de gevangenen te doden, opdat niet iemand met zwemmen zou ontsnappen; 43 maar de hoofdman, die Paulus wilde sparen, verijdelde hun voornemen en beval, dat wie zwemmen konden, het eerst over boord zouden springen om aan land te komen; 44 en de overigen deels op planken, deels op wrakhout. En zo geschiedde het, dat allen behouden aan land kwamen.

De zachte zuidenwind verandert al snel in de verwoestende orkaan Eurakylon. Stuurloos drijft het schip rond. Menselijke hulpmiddelen falen: de vracht en het scheepstuig gaan overboord. Als dagenlang zon noch sterren verschijnen, verdampt de laatste hoop op redding. Hoe herkenbaar: als we blindvaren op ons eigen inzicht in plaats van op Gods Woord, eindigen we in duisternis en wanhoop.

Maar te midden van deze doodsangst spreekt God! In de nacht bezoekt een engel Paulus. Het goddelijke raadsplan is onwrikbaar: Paulus zál in Rome getuigen. God wil zelfs het leven redden van álle 276 opvarenden. Omwille van de trouwe dienstknecht van Christus worden deze heidenen gespaard. Paulus bemoedigt hen vol geloof: "Ik heb dit vertrouwen op God, dat het zo zal gaan, als mij gezegd is."

Na veertien dagen vasten breekt Paulus het brood en dankt God. Een prachtig getuigenis aan boord. Het loopt uit op een schipbreuk en de soldaten willen de gevangenen zelfs doden, maar hoofdman Julius spaart Paulus en daarmee de rest. Het schip breekt in stukken, maar Gods Woord houdt stand in eeuwigheid! Precies zoals beloofd, komt iedereen behouden aan land. Laten wij die varen op het kerkschip vast vertrouwen op de Heere en Zijn Woord, om ons geloof geen schipbreuk te laten lijden maar zelfs de grootste stormwinden in ons leven te kunnen doorstaan!

Verder lezen: Psalm 107:23-3223 Er waren er, die met schepen de zee bevoeren, die handel dreven op de grote wateren. 24 Zij zagen de werken des Heren en zijn wonderen in de diepte. 25 Hij sprak en deed een stormwind opsteken, die haar golven omhoog hief; 26 zij rezen ten hemel, zonken neer in de waterdiepten, hun ziel verging van ellende; 27 zij tuimelden en wankelden als een beschonkene, al hun wijsheid werd verslonden. 28 Toen riepen zij tot de Here in hun benauwdheid, en Hij voerde hen uit hun angsten; 29 Hij maakte de storm tot een zacht suizen, zodat de golven stil werden. 30 Zij verheugden zich, omdat die tot rust kwamen, en Hij leidde hen naar de haven van hun begeerte. 31 Dat zij de Here loven om zijn goedertierenheid en om zijn wonderen aan de mensenkinderen; 32 dat zij Hem verhogen in de gemeente des volks, en Hem loven in de raad der oudsten.

14 oktober

Behouden aan wal gekomen, blijkt de groep gestrand te zijn op het eiland Malta. God toont daar Zijn zorg door middel van de heidense eilandbewoners, die “buitengewone menslievendheid” tonen. Ze steken een groot vuur aan om de verkleumde schipbreukelingen te verwarmen. En de apostel Paulus voelt zich er niet te groot voor om mee te helpen en hout te sprokkelen. Maar dan grijpt een dodelijke adder zijn hand. De heidense bewoners denken meteen: deze man is vast een moordenaar, gestraft door goddelijke wraak. Als Paulus de slang echter ongedeerd in het vuur schudt, slaat hun mening helemaal om: hij is een god! Het toont de wispelturigheid van het zondige mensenhart. Het oordeelt verkeerd. De meningen van mensen zijn onbetrouwbaar en veranderen maar zo. Laten wij daarom alleen uitgaan van de ons in Gods Woord geopenbaarde zin en mening van de Heilige Geest! Paulus laat zich door deze dwaze verafgoding niet meeslepen. Hij weet zich een eenvoudige dienaar van Christus. Als de vader van de eilandbestuurder Publius dan ook ernstig ziek is, geneest Paulus hem niet in eigen kracht, maar onder ootmoedig gebed. De genezing van vele andere zieken volgt. Zo wordt de schijnbaar fatale schipbreuk tot een rijke zegen voor heel Malta. Waar de Heere Zijn kinderen ook brengt, daar wil Hij hen dienstbaar maken aan de vermeerdering van Zijn eer!

Verder lezen: Marcus 16:14-2014 Daarna verscheen Hij aan de elven zelf, terwijl zij aanlagen, en Hij verweet hun hun ongeloof en hardheid van hart, omdat zij hen niet geloofden, die Hem aanschouwd hadden, nadat Hij opgewekt was. 15 En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping. 16 Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden. 17 Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, 18 slangen zullen zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden. 19 De Here [Jezus] dan werd, nadat Hij tot hen gesproken had, opgenomen in de hemel en heeft Zich gezet aan de rechterhand Gods. 20 Doch zij gingen heen en predikten overal, terwijl de Here medewerkte en het woord bevestigde door de tekenen, die erop volgden.

15 oktober

Handelingen 28:11-3111 Na drie maanden nu zeilden wij uit met een schip uit Alexandrië, dat op het eiland overwinterd had, en de Dioskuren als kenteken voerde. 12 En te Syracuse aangekomen, bleven wij daar drie dagen, 13 vanwaar wij, na langs het eiland te zijn gevaren, te Regium aankwamen; en toen na één dag de wind zuid werd, kwamen wij reeds de tweede te Puteoli aan. 14 Hier vonden wij broeders en wij werden uitgenodigd zeven dagen bij hen te blijven. En zo gingen wij naar Rome. 15 En vandaar kwamen de broeders, die van onze aangelegenheden gehoord hadden, ons tot Forum Appii en Tres Tabernae tegemoet, en toen Paulus hen zag, dankte hij God en greep moed. 16 En toen wij te Rome aangekomen waren, kreeg Paulus verlof op zichzelf te wonen met de soldaat die hem bewaakte. 17 En het geschiedde na drie dagen, dat Paulus de voormannen der Joden samenriep, en toen zij bijeen gekomen waren, zeide hij tot hen: Mannen broeders, ofschoon ik niets gedaan heb tegen ons volk of de voorvaderlijke gewoonten, ben ik uit Jeruzalem gevankelijk overgeleverd in de handen der Romeinen, 18 die na onderzoek mij wilden vrijlaten, omdat er bij mij van geen halsmisdaad sprake was. 19 Maar toen de Joden in verzet gingen, werd ik genoodzaakt mij op de keizer te beroepen; niet, dat ik mijn volk van iets wilde beschuldigen. 20 Daarom heb ik verzocht u te zien en toe te spreken, want om de hoop van Israël draag ik deze keten. 21 Maar zij zeiden tot hem: Wij voor ons hebben geen brieven over u uit Judea ontvangen, en ook is niemand van de broeders iets kwaads van u komen boodschappen of spreken. 22 Maar wij stellen het wel op prijs van u te vernemen, welke uw denkbeelden zijn, want wat deze secte betreft, ons is bekend, dat zij overal tegenspraak vindt. 23 En nadat zij een dag met hem hadden afgesproken, kwamen verscheidenen tot hem in zijn verblijf, wie hij met nadruk het Koninkrijk Gods voorstelde, pogende hen te overtuigen ten opzichte van Jezus, uit de wet van Mozes en de profeten, van de vroege morgen tot de avond toe. 24 En sommigen gaven wel gehoor aan hetgeen gezegd werd, maar anderen bleven ongelovig; 25 en zonder het eens geworden te zijn, gingen zij uiteen, nadat Paulus dit ene woord gesproken had: Terecht heeft de heilige Geest door de profeet Jesaja tot uw vaderen gesproken, 26 zeggende: Ga heen tot dit volk en zeg: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; 27 want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen en met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan en zij zich bekeren, en Ik hen zou genezen. 28 Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen! 29 [En nadat hij dit gezegd had, gingen de Joden al redetwistende heen.] 30 En hij bleef de volle termijn van twee jaar in zijn eigen gehuurde woning, en ontving allen, die tot hem kwamen, 31 predikende het Koninkrijk Gods, en onderricht gevende aangaande de Here Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, zonder enige belemmering.

Paulus bereikt Rome. Gods belofte is dwars door alles heen vervuld. De plaatselijke broeders reizen hem tegemoet. Paulus dankt God ervoor en grijpt moed. De gemeenschap der heiligen doet hem goed. Hoewel Paulus in Rome in huisarrest verblijft, roept hij de joodse leiders samen. Hij verklaart dat hij door joods verzet als gevangene in Rome is terechtgekomen, terwijl het hem juist te doen is om "de hoop van Israël"! De joodse leiders zijn nog onbekend met Paulus en willen wel meer horen over zijn ‘sekte’. Van de vroege morgen tot de late avond opent Paulus dan de Schriften om hen ervan te overtuigen dat Jezus de Christus is. We zien het bekende patroon: sommigen geloven, anderen blijven ongelovig. Het brengt Paulus tot het uitspreken van de ernstige woorden uit Jesaja 61 In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Here zitten op een hoge en verheven troon en zijn zomen vulden de tempel. 2 Serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn aangezicht, met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij. 3 En de een riep de ander toe: Heilig, heilig, heilig is de Here der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol. 4 En de dorpelposten beefden van het luide roepen en het huis werd vervuld met rook. 5 Toen zeide ik: Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lippen, en woon te midden van een volk, dat onrein van lippen is, - en mijn ogen hebben de Koning, de Here der heerscharen, gezien. 6 Maar één der serafs vloog naar mij toe met een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar genomen had; 7 hij raakte mijn mond daarmede aan en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt; nu is uw ongerechtigheid geweken en uw zonde verzoend. 8 Daarop hoorde ik de stem des Heren, die zeide: Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons gaan? En ik zeide: Hier ben ik, zend mij. 9 Toen zeide Hij: Ga, zeg tot dit volk: Hoort aldoor - maar verstaat niet, en ziet aldoor - maar merkt niet op. 10 Maak het hart van dit volk vet, maak zijn oren doof en doe zijn ogen dichtkleven, opdat het met zijn ogen niet zie en met zijn oren niet hore en opdat zijn hart niet versta, zodat het zich niet bekere en genezen worde. 11 Toen vroeg ik: Hoelang, Here? Hij antwoordde: Totdat de steden verwoest zijn, zodat er geen inwoner meer is, en de huizen, zodat er geen mens meer in is, en het bouwland verwoest is tot een wildernis, 12 en de Here de mensen ver verwijderd heeft en het verlaten gebied in het land groot is. 13 Is daarin nog een tiende deel, dan zal dit weer verwoest worden. Evenals van een terebint en een eik na het vellen een tronk overblijft, zo zal zijn tronk een heilig zaad zijn. over het niet willen horen en het daardoor ook niet meer kunnen verstaan. En dan wijst hij op het heil dat God nu ook tot de heidenen gezonden heeft. In tegenstelling tot veel joden, zullen veel heidenen het evangelie wél willen horen en verstaan. Hierop vertrekken de joden al twistend met elkaar.

Twee jaar lang klinkt hier in Rome het evangelie, midden in het hart van het heidense wereldrijk, en wel "zonder enige belemmering". De knecht is geboeid, maar het Woord niet! Gods Woord vindt altijd Zijn weg, ook in ons leven.

Verder lezen: Romeinen 1:8-178 In de eerste plaats dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen, omdat in de gehele wereld van uw geloof gesproken wordt. 9 Want God, die ik met mijn geest dien in het evangelie van zijn Zoon, is mijn getuige, hoe ik onophoudelijk te allen tijde bij mijn gebeden uwer gedenk, 10 biddende, of mij eindelijk door de wil van God eens een weg gebaand moge worden om tot u te komen. 11 Want ik verlang u te zien om u enige geestelijke gave mede te delen tot uw versterking, 12 dat is te zeggen: onder u mede bemoedigd te worden door elkanders geloof, van u zowel als van mij. 13 Doch ik stel er prijs op, broeders, dat gij weet, dat ik dikwijls het voornemen heb opgevat tot u te komen - waarin ik tot nu toe verhinderd ben - om ook onder u enige vrucht te hebben, evenals onder de andere heidenen. 14 Van Grieken en niet-Grieken, van wijzen en onwetenden ben ik een schuldenaar. 15 Vandaar mijn bereidheid om ook u te Rome het evangelie te brengen. 16 Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek. 17 Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven.

16 oktober

De roeping die van God komt, om het Evangelie te verkondigen, is niet afhankelijk van mensen. Dat maakt de apostel Paulus in de eerste zinnen van zijn brief aan de gemeenten in Galatië duidelijk. Hij is door God de Vader en door de Here Jezus Christus geroepen. En wat hij moet verkondigen van zijn hemelse Zender is de enige leer tot behoud en redding uit de wereld van de zonde.

Hij predikt niet voor zichzelf om in een goed boekje te komen bij de mensen. Om zoveel mogelijk volgers achter zich aan te krijgen zodat hij heel veel likes krijgt. O nee, niets daarvan. Om zijn eigen populariteit is het Paulus niet te doen. Want je maakt je toch niet populair door anderen te vervloeken die een ander evangelie brengen?

Nee, de apostel is niet bezig mensen te behagen of zieltjes te winnen. Hij zoekt God te behagen, door alles op alles te zetten om het Evangelie van Jezus Christus tot zijn recht te doen komen. Het Evangelie van de Here Jezus Christus die Zichzelf voor onze zonden heeft opgeofferd. Dit is de enige weg tot zaligheid, tot verlossing uit de wereld van zonde en ondergang, om onze God en Vader de heerlijkheid toe te brengen.

Verder lezen: I1 Timoteüs 1:1-111 Paulus, een apostel van Christus Jezus naar de opdracht van God, onze Heiland, en van Christus Jezus, onze hoop, 2 aan Timoteüs, mijn waar kind in het geloof: genade, barmhartigheid en vrede zij u van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze Here. 3 Doe, zoals ik u bij mijn reis naar Macedonië aangeraden heb: blijf nog te Efeze, om sommigen te bevelen geen andere leer te brengen, 4 noch zich bezig te houden met fabels en eindeloze geslachtsregisters, die veeleer moeilijkheden ten gevolge hebben dan door God gegeven leiding in het geloof. 5 En het doel van (alle) vermaning is liefde uit een rein hart, uit een goed geweten en een ongeveinsd geloof. 6 Door dit spoor te verlaten zijn sommigen vervallen tot ijdel gepraat; 7 zij willen leraars der wet zijn, zonder ook maar te beseffen wat zij zeggen of waarover zij zo stellig spreken. 8 Wij weten, dat de wet goed is, indien iemand haar wettig toepast, 9 wel wetend, dat de wet niet gesteld is voor de rechtvaardige, maar voor wettelozen en tuchtelozen, voor goddelozen en zondaars, voor onverlaten en onheiligen, voor vadermoorders en moedermoorders en doodslagers, 10 hoereerders, knapenschenders, zielverkopers, leugenaars, meinedigen, en al wat verder ingaat tegen de gezonde leer, 11 in overeenstemming met het evangelie der heerlijkheid van de zalige God, dat mij is toevertrouwd.

17 oktober

Galaten 1:11-2411 Want ik maak u bekend, broeders, dat het evangelie, hetwelk door mij verkondigd is, niet is naar de mens. 12 Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus. 13 Want gij hebt gehoord van mijn vroegere wandel in het Jodendom: ik heb de gemeente Gods bovenmate vervolgd en getracht haar uit te roeien, 14 en in het Jodendom heb ik het verder gebracht dan vele van (mijn) tijdgenoten onder mijn volk, als hartstochtelijk ijveraar voor mijn voorvaderlijke overleveringen. 15 Maar toen het Hem, die mij van de schoot mijner moeder aan afgezonderd en door zijn genade geroepen heeft, behaagd had, 16 zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem onder de heidenen verkondigen zou, ben ik geen ogenblik te rade gegaan met vlees en bloed; 17 ook ben ik niet naar Jeruzalem gereisd tot hen, die reeds vóór mij apostelen waren, maar ik ben naar Arabië vertrokken en vandaar naar Damascus teruggekeerd. 18 Daarop ging ik drie jaar later naar Jeruzalem, om Kefas te bezoeken, en ik bleef vijftien dagen bij hem; 19 en ik zag geen ander van de apostelen dan Jakobus, de broeder des Heren. 20 Wat ik u schrijf, zie, voor het aangezicht van God, ik lieg niet. 21 Daarna ben ik gegaan naar de streken van Syrië en van Cilicië. 22 En ik was aan de gemeenten van Christus in Judea van aanzien onbekend. 23 Alleen hoorden zij telkens: hij, die ons vroeger vervolgde, verkondigt nu het geloof, dat hij tevoren trachtte uit te roeien. 24 En zij verheerlijkten God in mij.

De bedoeling hier is duidelijk te maken dat de weg die de Here gaat met Zijn dienaren ongedacht is. Een mens bedenkt dat niet. En het Evangelie dat zij verkondigen ook niet. Gods wegen zijn hoogheilige wegen. Paulus had eerst wel de ‘likes’, een heel hoge en voorname positie. Namelijk binnen het Jodendom. Hij had die zelf verdiend, als een echte man van de wet. Hij ijverde ook hartstochtelijk en vol inzet voor de wet. Hij dacht voor de HERE te strijden, maar het was tegen Hem. Hij vervolgde de gemeente, als waren het goddeloze wetsovertreders, maar hij vervolgde de Christus. Daar kwam door goddelijk ingrijpen een einde aan. De Here Jezus trad op vanuit de hemel en nam Saulus in zijn dienst. Daar kwamen geen mensen aan te pas. En wat Paulus moest gaan verkondigen ook niet. Hij kreeg het door openbaring. Eens heeft hij wel overleg gehad met enkele andere apostelen, maar dat was geen cursus evangelieverkondiging. Paulus was direct geroepen en gezonden door onze verhoogde Heiland. Die zending door God bepaalt zijn bevoegdheid en is zijn kracht. Zodat Paulus vrijmoedig, langs ongedachte wegen, het Evangelie verkondigde. Dit zorgde voor de verheerlijking van God; het doel van ons leven.

Verder lezen: Handelingen 9:11 En Saulus, nog dreiging en moord blazende tegen de discipelen des Heren, ging naar de hogepriester.-19a

18 oktober

Galaten 2:1-101 Daarna ging ik na verloop van veertien jaar weder naar Jeruzalem met Barnabas en nam ook Titus mede; 2 en ik ging op grond van een openbaring. En ik legde hun het evangelie voor, dat ik onder de heidenen verkondig, afzonderlijk echter aan hen, die in aanzien waren, opdat ik niet vruchteloos liep of gelopen had. 3 Maar zelfs Titus, die bij mij was, werd, ofschoon hij een Griek was, toch niet gedwongen zich te laten besnijden; 4 en dat met het oog op de binnengedrongen valse broeders, lieden, die waren binnengeslopen, om onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, te bespieden, en zo ons tot slavernij te brengen. 5 Wij zijn voor hen geen ogenblik gedwee uit de weg gegaan, opdat de waarheid van het evangelie ook verder bij u zou blijven. 6 Maar wat hen betreft, die in zeker aanzien waren - wat zij vroeger geweest mogen zijn, doet er voor mij niets toe: God ziet de persoon niet aan - mij immers hebben zij, die in aanzien waren, verder niets opgelegd. 7 Maar integendeel: toen zij zagen, dat mij de prediking van het evangelie aan de onbesnedenen toevertrouwd was, gelijk aan Petrus die aan de besnedenen, 8 - immers Hij, die Petrus kracht gaf om apostel te zijn voor de besnedenen, gaf die kracht ook aan mij voor de heidenen, 9 - en toen zij de genade, die mij geschonken was, opmerkten, reikten Jakobus, Kefas en Johannes, die voor steunpilaren golden, mij en Barnabas de broederhand: wij zouden naar de heidenen, zij naar de besnedenen gaan. 10 Alleen moesten wij de armen blijven gedenken, en ik heb mij dan ook beijverd dat vooral te doen.

Het is niet afhankelijk van de persoon of iemand bekwaam is voor de verkondiging. Het is God die de kracht daartoe geeft. En het is één en al genade als de Here iemand roept en bekwaam maakt om het Evangelie van de genade van Christus te verkondigen. Dat Evangelie is bestemd voor Jood en Griek, voor besnedenen en onbesnedenen. Want alles staat onder de noemer van Gods soevereine ontferming. Uitsluitend Zijn krachtwerking in zijn dienaren is bepalend of zij kunnen arbeiden. En dan gaan zij in overleg samenwerken, eenieder naar zijn eigen arbeidsveld. Zodat ze niet door elkaar lopen maar tegelijk wel hetzelfde heilige Evangelie verkondigen, tot zaligheid voor eenieder die gelooft. Daarbij moet van begin af aan gewaakt worden voor de valse broeders die dit Evangelie van vrije genade niet uit kunnen staan. Die de vrijheid van Christus bespieden, en die proberen af te nemen met schijnvroomheid in het onderhouden van (besnijdenis)wetten. Maar de ware besnijdenis is van het hart. De eigen gerechtigheid van de mens, die de genade bestrijdt, die moet direct bestreden worden, zonder aanzien des persoons, want anders wordt niet meer alle lof aan God gebracht.

Verder lezen: Handelingen 15:1-211 En sommigen, uit Judea gekomen, leerden de broeders: Indien gij u niet besnijden laat naar het gebruik van Mozes, kunt gij niet behouden worden. 2 En toen er van de zijde van Paulus en Barnabas geen gering verzet en tegenspraak tegen hen ontstond, droegen zij Paulus en Barnabas en nog enigen van hen op zich tot de apostelen en oudsten te Jeruzalem te begeven naar aanleiding van dit geschil. 3 Zij reisden dan, nadat hun door de gemeenten uitgeleide gedaan was, door Fenicië en Samaria, en bereidden met hun verhaal van de bekering der heidenen al de broeders grote blijdschap. 4 En te Jeruzalem aangekomen, werden zij door de gemeente, de apostelen en de oudsten ontvangen en vermeldden al wat God met hen gedaan had. 5 Maar er stonden uit de partij der Farizeeën enigen op, die gelovig geworden waren, en zeiden, dat men hen moest besnijden en gebieden de wet van Mozes te houden. 6 En de apostelen en de oudsten vergaderden om deze aangelegenheid te overwegen. 7 En toen daarover veel verschil van mening rees, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet, dat God van de aanvang af mij onder u heeft verkoren, opdat door mijn mond de heidenen het woord van het evangelie zouden horen en geloven. 8 En God, die de harten kent, heeft getuigd door hun de heilige Geest te geven evenals ook aan ons, 9 zonder enig onderscheid te maken tussen ons en hen, door het geloof hun hart reinigende. 10 Nu dan, wat stelt gij God op de proef door een juk op de hals der discipelen te leggen, dat noch onze vaderen, noch wij hebben kunnen dragen? 11 Maar door de genade van de Here Jezus geloven wij behouden te worden op dezelfde wijze als zij. 12 En de gehele vergadering werd stil en zij hoorden Barnabas en Paulus verhalen wat al tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had. 13 En nadat dezen uitgesproken waren, nam Jakobus het woord en zeide: Mannen broeders, hoort naar mij! 14 Simeon heeft uiteengezet, hoe God van meet aan erop bedacht geweest is een volk voor zijn naam uit de heidenen te vergaderen. 15 En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven staat: 16 Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weder opbouwen, en wat daarvan is ingestort, zal Ik weder opbouwen, en Ik zal haar weder oprichten, 17 opdat het overige deel der mensen de Here zoeke, en alle heidenen, over welke mijn naam is uitgeroepen, spreekt de Here, die deze dingen doet, 18 welke van eeuwigheid bekend zijn. 19 Daarom ben ik van oordeel, dat men hen, die zich uit de heidenen tot God bekeren, niet verder moet lastig vallen, 20 maar hun aanschrijven, dat zij zich hebben te onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed. 21 Immers Mozes heeft van oudsher in iedere stad, die hem prediken, daar hij elke sabbat in de synagogen wordt voorgelezen.

19 oktober

Angst voor mensen, dat was Petrus’ valkuil (zie Lucas 22:54-6254 Toen zij Hem gevangengenomen hadden, voerden zij Hem weg en leidden Hem naar het huis van de hogepriester. En Petrus volgde van verre. 55 Toen zij een vuur hadden aangelegd, midden in de hof, en bij elkander zaten, ging Petrus tussen hen in zitten. 56 En bij het licht van het vuur zag een slavin hem zitten en zij keek hem scherp aan en zeide: Ook die was bij Hem! 57 Maar hij loochende het en zeide: Vrouw, ik ken Hem niet! 58 En even daarna zag een ander hem en zeide: Ook gij behoort tot hen! Maar Petrus zeide: Mens, ik niet! 59 En ongeveer een uur later verzekerde een ander en zeide: Inderdaad, ook die man was bij Hem, want hij is een Galileeër! 60 Maar Petrus zeide: Mens, ik weet niet, wat gij zegt! En terstond, terwijl hij nog sprak, kraaide een haan. 61 En de Here keerde Zich om en zag Petrus aan. En Petrus herinnerde zich het woord des Heren, hoe Hij tot hem gezegd had: Eer de haan heden kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. 62 En hij ging naar buiten en weende bitter.). Daardoor ging hij huichelen. Daardoor kwam er discriminatie van de christenen uit de heidenen, die niet besneden waren. Blijkbaar was er onder sommige christenen uit de Joden hoogmoed. Hun bevoorrechting als Joden, vereiste in hun ogen een gescheiden leven van gelovigen uit de heidenen. Maar dit was niets anders dan een verloochening van de eenheid in Christus en het geloof in Hem als de vervuller van de wet. De scheidsmuur die er eerst wel was, was nu weggebroken. En Petrus wist dat, want hij at eerst gewoon met de christenen uit de heidenen. Vrees voor mensen echter deed hem het verkeerde pad opgaan. En Paulus keert zich omwille van de waarheid daartegen. Geen vrees voor mensen, maar vrees voor God stond hem hierbij voor ogen, zodat hij durfde optreden tegen één van de voornaamste apostelen.

Hoe kunnen wij ook zo dapper optreden? Door te geloven in Christus. Door de HERE te vrezen om niet van Zijn Woord af te wijken. Door ons te laten leren zodat wij onderscheiden waarop het aankomt, en zo twist en tweedracht zoeken te voorkomen, omwille van de eenheid van de kerk, het lichaam van Christus.

Verder lezen Handelingen 10-11:181 En er was te Caesarea iemand, genaamd Cornelius, een hoofdman van de zogenaamde Italiaanse afdeling, 2 een godvruchtig man, een vereerder van God met zijn gehele huis, die vele aalmoezen aan het volk gaf en geregeld tot God bad. 3 Hij zag in een gezicht, omstreeks het negende uur van de dag, duidelijk een engel Gods bij zich binnenkomen en tot hem zeggen: Cornelius! 4 Hij staarde hem aan en werd zeer bevreesd en zeide: Wat is er, heer! En hij zeide tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn voor God in gedachtenis gekomen. 5 En nu, zend mannen naar Joppe en nodig een zekere Simon uit, die bijgenaamd wordt Petrus: 6 deze is de gast van een Simon, een leerlooier, wiens huis bij de zee ligt. 7 Zodra de engel, die tot hem sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijn huisslaven en een godvruchtige soldaat uit degenen, die voortdurend bij hem waren; 8 en nadat hij hun alles uitgelegd had, zond hij hen naar Joppe. 9 De volgende dag, terwijl dezen onderweg waren en de stad naderden, ging Petrus omstreeks het zesde uur op het dak, om zijn gebed te verrichten. 10 En hij werd hongerig en verlangde te eten, en terwijl men iets gereed maakte, geraakte hij in zinsverrukking, 11 en hij zag de hemel geopend en een voorwerp nederdalen in de vorm van een groot laken, dat aan de vier hoeken nedergelaten werd op de aarde; 12 hierin bevonden zich allerlei viervoetige en kruipende dieren der aarde en allerlei vogelen des hemels. 13 En er kwam een stem tot hem: Sta op, Petrus, slacht en eet! 14 Maar Petrus zeide: Geenszins, Here, want ik heb nog nooit iets gegeten, dat onheilig of onrein was. 15 En nogmaals ten tweeden male, kwam een stem tot hem: Wat God rein verklaard heeft, moogt gij niet voor onheilig houden. 16 En dit geschiedde tot driemaal toe, en terstond werd het voorwerp weer opgenomen in de hemel. 17 Terwijl Petrus bij zichzelf in onzekerheid was, wat het gezicht, dat hij gezien had, betekenen mocht, zie, daar waren de mannen, die door Cornelius afgezonden waren, bij hun navraag naar het huis van Simon aan het voorportaal gekomen, 18 en zij trachtten na geroepen te hebben te weten te komen, of Simon, bijgenaamd Petrus, daar verblijf hield. 19 En terwijl Petrus nog steeds over het gezicht nadacht, zeide de Geest: Zie, twee mannen zoeken naar u; 20 sta dan op, ga naar beneden en reis, zonder bezwaar te maken, met hen mede, want Ik heb hen gezonden. 21 En Petrus ging naar beneden en zeide tot de mannen: Zie, ik ben het, die gij zoekt; wat is de reden van uw komst? 22 En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman, een rechtvaardig man en vereerder van God, die goed bekend staat bij het gehele volk der Joden, heeft door een heilige engel een godsspraak ontvangen om u te zijnen huize te nodigen en te horen wat gij zeggen zult. 23 Hij noodde hen binnen en ontving hen gastvrij. En de volgende dag stond hij op en vertrok met hen, en enige der broeders uit Joppe gingen met hem mede. 24 En de volgende dag kwam hij te Caesarea aan. En Cornelius was hen wachtende, terwijl hij zijn bloedverwanten en beste vrienden had bijeengeroepen. 25 En toen het geschiedde, dat Petrus binnentrad, kwam Cornelius hem tegemoet, viel hem te voet en bewees hem hulde. 26 Maar Petrus richtte hem op en zeide: Sta op, ik ben zelf ook een mens. 27 En terwijl hij zich met hem onderhield, kwam hij binnen en vond er velen bijeen; 28 en hij sprak tot hen: Gij weet, hoe het een Jood verboden is zich te voegen bij of te gaan tot een niet-Jood; doch mij heeft God doen zien, dat ik niemand onheilig of onrein mag noemen. 29 Daarom ben ik ook zonder tegenspreken op uw uitnodiging gekomen. Ik zou nu wel willen weten, om welke reden gij mij uitgenodigd hebt. 30 En Cornelius zeide: Juist vóór vier dagen, van dit ogenblik af gerekend, was ik op het negende uur thuis in gebed; 31 en zie, een man stond voor mij in een blinkend kleed, en hij zeide: Cornelius, uw gebed is verhoord en aan uw aalmoezen is voor God gedacht geworden. 32 Zend dan iemand naar Joppe en ontbied Simon, die bijgenaamd wordt Petrus; deze is als gast in het huis van Simon, een leerlooier, aan de zee. 33 Ik heb dan terstond iemand tot u gezonden en gij hebt er wèl aan gedaan hier te komen. Wij zijn dan nu allen aanwezig voor het aangezicht Gods, om te horen al wat u door de Here opgedragen is. 34 En Petrus opende zijn mond en zeide: Inderdaad bemerk ik, dat er bij God geen aanneming des persoons is, 35 maar onder elk volk is wie Hem vereert en gerechtigheid werkt, Hem welgevallig, 36 naar het woord, dat Hij heeft doen brengen aan de kinderen Israëls om vrede te verkondigen door Jezus Christus. Deze is aller Heer. 37 Gij weet van de dingen, die geschied zijn door het gehele Joodse land, te beginnen in Galilea, na de doop, die Johannes verkondigde, 38 van Jezus van Nazaret, hoe God Hem met de heilige Geest en met kracht heeft gezalfd. Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem. 39 En wij zijn getuigen van al hetgeen Hij gedaan heeft in het land der Joden zowel als te Jeruzalem; en zij hebben Hem gedood door Hem te hangen aan een hout. 40 Hem heeft God ten derden dage opgewekt en heeft gegeven, dat Hij verscheen, 41 niet aan het gehele volk, doch aan de getuigen, die door God tevoren gekozen waren, aan ons, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de doden was opgestaan; 42 en Hij heeft ons geboden het volk te prediken en te betuigen, dat Hij het is, die door God is aangesteld tot rechter over levenden en doden. 43 Van Hem getuigen alle profeten, dat een ieder, die in Hem gelooft, vergeving van zonden ontvangt door zijn naam. 44 Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de heilige Geest op allen, die het woord hoorden. 45 En al de gelovigen uit de besnijdenis, die met Petrus waren medegekomen, stonden verbaasd, dat de gave van de heilige Geest ook over de heidenen was uitgestort, 46 want zij hoorden hen spreken in tongen en God grootmaken. Toen merkte Petrus op: 47 Zou iemand het water kunnen weren, om dezen te dopen, die evenals wij de heilige Geest hebben ontvangen? 48 En hij beval hen te dopen in de naam van Jezus Christus. Toen verzochten zij hem nog enige dagen te blijven.

20 oktober

Of iemand nou een zondaar is uit de heidenen, of geboren als Jood onder de wet, het maakt geen verschil. Want door werken van de wet te doen kan niemand gerechtvaardigd worden. Er is slechts één manier om gerechtvaardigd te worden, en dat is door het geloof in Jezus Christus. En geloven staat lijnrecht tegenover het verwachten van gerechtigheid uit de werken.

Als u dit goed bedenkt, dan ziet u ook dat u uw eigen vlees, uw eigen ego, moet kruisigen. Wij willen het graag zelf verdienen. De mens denkt van zichzelf dat hij het heel goed doet. Maar wij moeten daar radicaal van af door het geloof. Want dan worden wij met Christus gekruisigd en vertrouwen we voor geen millimeter meer op onszelf, maar zien we in dat Hij onze gerechtigheid voor God is. Christus, en Christus alleen! Hij is het, die de gerechtigheid die God in Zijn wet van ons eist, heeft volbracht. Volmaakt is deze Zaligmaker. Volmaakt in de liefde, waardoor Hij Zich voor u en mij heeft overgegeven in de dood. Ja, alles heeft Hij voor ons overgehad, zodat wij in Hem Gods gerechtigheid krijgen. Dat is één en al genade. En uit deze genade kunnen we leven. Elke dag opnieuw. In blijde dankbaarheid eigendom van Jezus Christus te zijn.

Verder lezen: Romeinen 3:21-2621 Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, 22 en wel gerechtigheid Gods door het geloof in [Jezus] Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid. 23 Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, 24 en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. 25 Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden - 26 om zijn rechtvaardigheid te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is.

21 oktober

Galaten 3:1-141 O, onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd, wie Jezus Christus toch als gekruisigde voor de ogen geschilderd is? 2 Dit alleen zou ik van u willen weten: Hebt gij de Geest ontvangen ten gevolge van werken der wet, of van de prediking van het geloof? 3 Zijt gij zó onverstandig? Gij zijt begonnen met de Geest, eindigt gij nu met het vlees? 4 Was het dan tevergeefs, dat gij zoveel hebt ondervonden? Ware het slechts tevergeefs! 5 Die u de Geest schenkt en krachten onder u werkt, (doet Hij dit) ten gevolge van werken der wet, of van de prediking van het geloof? 6 Op dezelfde wijze heeft ook Abraham God geloofd en het is hem tot gerechtigheid gerekend. 7 Gij bemerkt dus, dat zij, die uit het geloof zijn, kinderen van Abraham zijn. 8 En de Schrift, die tevoren zag, dat God de heidenen uit geloof rechtvaardigt, heeft tevoren aan Abraham het evangelie verkondigd: In u zullen alle volken gezegend worden. 9 Zij, die uit het geloof zijn, worden dus gezegend tezamen met de gelovige Abraham. 10 Want allen, die het van werken der wet verwachten, liggen onder de vloek; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die zich niet houdt aan alles, wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. 11 En dat door de wet niemand voor God gerechtvaardigd wordt, is duidelijk; immers, de rechtvaardige zal uit geloof leven. 12 Doch bij de wet gaat het niet om geloof, maar: wie dat doet, zal daardoor leven. 13 Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt. 14 Zo is de zegen van Abraham tot de heidenen gekomen in Jezus Christus, opdat wij de belofte des Geestes ontvangen zouden door het geloof.

Door het geloof, en door het geloof alleen. Dat is het thema dat de apostel hier begint aan te snijden. Alleen door het geloof worden wij gerechtvaardigd door God. En dat geloof is er niet doordat wij daarvoor gewerkt hebben. En de gaven van de Heilige Geest komen niet tot ons, omdat wij ons daarvoor hebben ingespannen, door aan allerlei wetsregels te voldoen. Nee, zo is het niet. Steeds weer wordt de kerk en het Evangelie van soevereine genade van God bedreigt door de dwaling alsof onze werken maatgevend en bepalend zijn voor Gods zegeningen. Het geloof is daarentegen gevolg en uitwerking van het gepredikte Woord. Waarbij wij de gave van de Heilige Geest krijgen op de prediking van het geloof. Abraham, en een ieder die zijn geestelijk kind is, wordt gerechtvaardigd door het geloof in Christus. Daarvoor heeft Christus de gerechtigheid van de wet volbracht. Want God, die consequent is, houdt aan zijn eis van gehoorzaamheid altijd vast.

Door de prediking van de Christus, en het geloof in Hem, is de zegen van Abraham tot ons gekomen. Alleen door te vertrouwen is Christus’ gerechtigheid van u en mij. Anders blijft de vloek van de wet op ons liggen. Het is het één of het ander, zegen of vloek.

Verder lezen: Romeinen 4:1-121 Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze voorvader naar het vlees, verkregen heeft? 2 Want indien Abraham uit werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God. 3 Want wat zegt het schriftwoord? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. 4 Nu wordt hem die werkt, het loon niet toegerekend uit genade, maar krachtens verplichting. 5 Hem echter, die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid, 6 gelijk ook David de mens zalig spreekt, aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken: 7 Zalig zij, wier ongerechtigheden vergeven en wier zonden bedekt zijn. 8 Zalig de man, wiens zonde de Here geenszins zal toerekenen. 9 Geldt deze zaligspreking dan de besnedene of ook de onbesnedene? Wij zeggen immers: Het geloof werd Abraham tot gerechtigheid gerekend. 10 Hoe werd het hem dan toegerekend? Was hij toen besneden of onbesneden? Niet besneden, maar onbesneden. 11 En het teken der besnijdenis ontving hij als het zegel der gerechtigheid van dat geloof, dat hij in zijn onbesneden staat bezat. Zo kon hij een vader zijn van alle onbesneden gelovigen, opdat hun [de] gerechtigheid zou worden toegerekend, 12 en een vader van de besnedenen, voor hen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook treden in het voetspoor van het geloof, dat onze vader Abraham in zijn onbesneden staat bezat.

22 oktober

Galaten 3:15-2915 Broeders, ik spreek op menselijke wijze: zelfs het testament van een mens, dat rechtskracht verkregen heeft - niemand kan het ongeldig maken of er iets aan toevoegen. 16 Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus. 17 Ik bedoel dit: de wet, die vierhonderd dertig jaar later is gekomen, maakt het testament, waaraan door God tevoren rechtskracht verleend was, niet ongeldig, zodat zij de belofte haar kracht zou doen verliezen. 18 Immers, als de erfenis van de wet afhangt, dan niet van de belofte; en juist door een belofte heeft God aan Abraham zijn gunst bewezen. 19 Waartoe dient dan de wet? Om de overtredingen te doen blijken is zij erbij gevoegd, totdat het zaad zou komen, waarop de belofte sloeg, en zij is op last van (God) door engelen in de hand van een middelaar gegeven. 20 Een middelaar is niet (de vertegenwoordiger) van één; God echter is één. 21 Is de wet dan in strijd met de beloften [Gods]? Volstrekt niet! Want indien er een wet gegeven was, die levend kon maken, dan zou inderdaad uit een wet de gerechtigheid voortgekomen zijn. 22 Neen, de Schrift heeft alles besloten onder de zonde, opdat ten gevolge van het geloof in Jezus Christus de belofte het deel zou worden van hen, die geloven. 23 Doch voordat dit geloof kwam, werden wij onder de wet in verzekerde bewaring gehouden met het oog op het geloof, dat geopenbaard zou worden. 24 De wet is dus een tuchtmeester voor ons geweest tot Christus, opdat wij uit geloof gerechtvaardigd zouden worden. 25 Nu echter het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder de tuchtmeester. 26 Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. 27 Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28 Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. 29 Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.

Het gaat om Christus. Hij is de beloofde Zoon van Abraham. Op Hem sloeg de belofte. In en door Zijn komst heeft God Zijn belofte aan Abraham vervuld. En door het geloof in Hem hebben wij de belofte verkregen. Door te geloven in de Here Jezus behoor je ook tot Abrahams nageslacht, heb je hem tot geestelijk vader, en ben je ook in zijn volk opgenomen; de christelijke kerk. Dat is een uitnemend voorrecht. Want we hoeven niet op de belofte te wachten, wanneer die vervuld zal worden, want de belofte is al vervuld in Christus. En daarom is de wet ook niet meer nodig om ons als een schoolmeester voor te bereiden op zijn komst. We leven daarentegen elke dag in de zalige kennis dat Christus de wet heeft vervuld en al die offers en ceremonies niet meer nodig zijn. Alles is volbracht. En het heerlijke is, dat we door de doop zo in Christus zijn ingelijfd, dat we kinderen van Abraham en zonen en dochters van God genoemd worden. Wat een onuitsprekelijk geluk is het, om kind van God te zijn! Wat een gelukzalig leven daarom ook! Want steeds zijn we onder Zijn hoede. Wat een troost ook als we tegenspoed hebben. Om dan altijd te weten kind van de Vader te zijn en erfgenaam van het Koninkrijk.

Verder lezen: Genesis 12:1-71 De Here nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; 2 Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. 3 Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. 4 Toen ging Abram, zoals de Here tot hem gesproken had, en Lot ging met hem; en Abram was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran trok. 5 Abram nu nam zijn vrouw Sarai en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de lieden, die zij in Haran verkregen hadden, en zij trokken uit om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän. 6 En Abram trok het land door tot de plek bij Sichem, tot de terebint More; en de Kanaänieten waren toen in het land. 7 Toen verscheen de Here aan Abram en zeide: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. En hij bouwde daar een altaar voor de Here, die hem verschenen was. en 26:1-61 Eens kwam er een hongersnood in het land, behalve de eerste hongersnood, die er geweest was in de dagen van Abraham; en Isaak ging naar Abimelek, de koning der Filistijnen, naar Gerar. 2 Toen verscheen hem de Here en zeide: Trek niet naar Egypte, woon in het land, dat Ik u zeggen zal, 3 vertoef in dit land als een vreemdeling, dan zal Ik met u zijn en u zegenen, want u en uw nageslacht zal Ik al die landen geven, en Ik zal de eed gestand doen, die Ik uw vader Abraham gezworen heb. 4 En Ik zal uw nageslacht vermenigvuldigen als de sterren des hemels, en Ik zal uw nageslacht al die landen geven, en met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, 5 omdat Abraham naar Mij geluisterd en mijn dienst in acht genomen heeft: mijn geboden, mijn inzettingen en mijn wetten. 6 Dus bleef Isaak in Gerar.

23 oktober

Het is voor ons vandaag niet voor te stellen hoe gelukkig een slaaf in de oudheid was, als zijn heer hem tot zoon aannam. Hierdoor werd de arme slaaf, zonder rechten, ineens een rijke erfgenaam. Iets wat hij voor onmogelijk hield, viel hem ten deel.

De apostel zegt dat wij zonen, dat is kinderen, van God zijn. En dat dankzij de wettige en echte Zoon die onder de wet is gekomen om de slaven eruit vrij te kopen. En om ons er helemaal van te verzekeren dat wij kinderen van de Vader zijn, heeft Hij ons Zijn Heilige Geest in onze harten gegeven. Zodat we God lief hebben en gehoorzamen zoals een kind zijn Vader. De Geest leert ons met het Woord alles wat wij nodig hebben om de erfenis te krijgen. Welk een gave van genade! Hoe onmetelijk groot! We verkeren niet meer onder de wet, die de hele dag zegt, dit mag niet en dat moet wel, en blijf daar af, anders krijg je straf. Nee, het is leven als vrije kinderen van God, uit genade. Hoe verschrikkelijk dwaas is het dan, jezelf weer slaaf te (laten) maken van allerlei wetten. Wie dat doet zegt: ik wil geen zoon zijn, maar een rechteloze slaaf, zonder erfenis. Zie hier hoe levensgevaarlijk de eigengerechtigheid uit de wet is en hoe zaligmakend de leer van Christus is.

Verder lezen: Romeinen 8:12-1712 Derhalve, broeders, zijn wij schuldenaars, maar niet van het vlees, om naar het vlees te leven. 13 Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven. 14 Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods. 15 Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. 16 Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn. 17 Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking.

24 oktober

Wat levert de gerechtigheid van het geloof op? En wat levert de eigen gerechtigheid van de werken der wet op? Daar zit een hemelsbreed verschil tussen.

Toen Paulus het Evangelie van gerechtigheid uit het geloof kwam brengen, hebben de Galaten de Geest ontvangen (hoofdstuk 3:22 Dit alleen zou ik van u willen weten: Hebt gij de Geest ontvangen ten gevolge van werken der wet, of van de prediking van het geloof?). Hoe grote liefde en ijver was er toen! Ze hadden bij wijze van spreken hun ogen wel willen geven aan de apostel. Ja, het Evangelie van Christus is zo krachtig dat het de aangenomen zoon bereidwillig maakt heel zijn leven de Here te geven. Want in Christus is het leven! Maar wat blijft van die dienstvaardigheid en motivatie en kracht over als de gerechtigheid volgens de werken van de wet de overhand krijgt? En dus het evangelie van vrije genade verduisterd wordt? Dan is er nog slechts dienstbetoon over als de apostel bij de Galaten aanwezig is, als ze hem zien. Dan is het allemaal uitwendige godsdienst, onoprecht, en niet uit een rein en zuiver hart, dat zich volkomen laat leiden door het Woord van de genade en door de Heilige Geest.

Dit leert ons vandaag om uit het geloof en de kracht van Gods genade dienstbaar te zijn! Zijn Woord en Geest zijn de inspiratie voor een leven uit geloof.

Verder lezen: Hebreeën 13:1-161 Laat de broederlijke liefde blijven. 2 Vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor hebben sommigen, zonder het te weten, engelen geherbergd. 3 Denkt aan de gevangenen, alsof gij met hen gevangen waart; aan hen, die mishandeld worden, als (mensen), die ook zelf een lichaam hebt. 4 Het huwelijk zij in ere bij allen en het bed onbezoedeld, want hoereerders en echtbrekers zal God oordelen. 5 Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn, weest tevreden met wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten. 6 Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: De Here is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen? 7 Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord Gods tot u hebben gesproken; let op het einde van hun wandel en volgt hun geloof na. 8 Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid. 9 Laat u niet medeslepen door allerlei vreemde leringen; want het is goed, dat het hart zijn vastheid vindt in genade en niet in spijzen: wie het hierin zochten, hebben er geen baat bij gevonden. 10 Wij hebben een altaar, waarvan zij, die de dienst voor de tabernakel verrichten, niet mogen eten. 11 Want van de dieren, waarvan het bloed als zondoffer door de hogepriester in het heiligdom werd gebracht, werd het lichaam buiten de legerplaats verbrand. 12 Daarom heeft ook Jezus, ten einde zijn volk door zijn eigen bloed te heiligen, buiten de poort geleden. 13 Laten wij derhalve tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en zijn smaad dragen. 14 Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige. 15 Laten wij dan door Hem Gode voortdurend een lofoffer brengen, namelijk de vrucht onzer lippen, die zijn naam belijden. 16 En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welgevallen.

25 oktober

Het is inderdaad een wereld van verschil tussen het hemels Jeruzalem en het Jeruzalem in slavernij. Het is de slavernij van het vlees, dat gerechtigheid uit eigen werken wil bewerken door wetten na te leven. Degenen die zulke gerechtigheid najagen, missen het doel, zij zondigen en komen nooit tot Gods gerechtigheid. Uit verkeerde naijver gaan ze de kerk, de burgers van het hemelse Jeruzalem vervolgen. Zoals Ismaël bij Izaäk, om maar de erfenis van Abraham te krijgen. Maar die erfenis was voor Izaäk, de zoon van de belofte. De belofte van de HERE wordt alleen door het geloof verkregen. Door te geloven heeft Abraham de belofte gekregen en ook heeft hij de dag van Christus gezien (Johannes 8:5656 Uw vader Abraham heeft zich erop verheugd mijn dag te zien en hij heeft die gezien en zich verblijd.). En Sara, de vrije moeder, is moeder van een talloze schare geworden. Ons Jeruzalem is een vrije moeder, zij is als Sara en krijgt kinderen volgens Gods belofte. Oftewel, de kerk is vrij en geen slavin. En haar kinderen zijn vrij. Vrijgemaakt door Christus. Vrij van de zondeschuld en het aanklagend getuigen van de wet. Als kind van de vrije moeder bent u wettig erfgenaam. Dit geloof maakt u vrij en de Here plaatst u als zijn kind in de ruimte, om te ademen en Hem te dienen, nu u verlost bent. Door Zijn genade alleen.

Verder lezen: Jesaja 54:1-101 Jubel, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt; breek uit in gejubel en juich, gij die geen weeën gekend hebt, want de kinderen der eenzame zijn talrijker dan de kinderen der gehuwde, zegt de Here. 2 Maak de plaats voor uw tent wijd, en men spanne de kleden uwer woningen uit, wees er niet karig mee, maak uw touwen lang en sla uw pinnen vast. 3 Want naar rechts en links zult gij uitbreiden en uw nageslacht zal de volken in bezit nemen en de verwoeste steden bevolken. 4 Vrees niet, want gij zult niet beschaamd staan; word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; ja, gij zult de schande van uw jeugd vergeten en aan de smaad van uw weduwschap niet meer denken. 5 Want uw man is uw Maker, Here der heerscharen is zijn naam; en uw losser is de Heilige Israëls, God der ganse aarde zal Hij genoemd worden. 6 Want als een verlaten en diep bedroefde vrouw heeft u de Here geroepen, als een vrouw uit de jeugdtijd, nadat zij versmaad werd - zegt uw God. 7 Een kort ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot Mij nemen; 8 in een uitstorting van toorn heb Ik mijn aangezicht een ogenblik voor u verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid ontferm Ik Mij over u, zegt uw Losser, de Here. 9 Dit is Mij als in de dagen van Noach: zoals Ik gezworen heb, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden komen, zo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer toornig op u zal zijn noch u zal dreigen. 10 Want bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en mijn vredesverbond zal niet wankelen, zegt uw Ontfermer, de Here.

26 oktober

Ook hier laat de apostel ons het absolute verschil zien tussen het verwachten van gerechtigheid door de wet of door de Geest. Die twee zijn onverzoenbaar. Geloof door liefde werkende, daar komt het op aan. En daarvoor moet het vlees eraan. Door wetswerken is geen gerechtigheid voor God te verwachten. Wie dat wel leren horen in de vrije kerk niet thuis. Ze blijken niet bij Christus te horen en hebben Gods straf te dragen. Polderen kan hier niet. Resoluut moet alles aan de kant om volop te hopen en te geloven Gods gerechtigheid in Christus te krijgen. En juist, omdat God wat Hij belooft ook geeft, krijgt het geloof in ons kracht om door liefde te werken. We weten dat Christus komt met de vergelding en Hij zijn gaven ons wil en zal geven. Wanneer u daaraan denkt, krijgt u moed. Hij heeft alles al volbracht voor u en mij. Dat is één en al genade! Als u dit gelooft staat u in de genade, maar gaat u denken dat u het zelf kan, dan staat u er buiten. Wie het evangelie kent, weet, dat hier geen keuze is. Want God heeft namelijk zijn gerechtigheid in Zijn Zoon geopenbaard, tot zaligheid voor wie gelooft. Er is geen enkele andere weg. Christus is de weg. Christus is de weg der vrijheid!

Verder lezen: Johannes 14:1-141 Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. 2 In het huis mijns Vaders zijn vele woningen - anders zou Ik het u gezegd hebben - want Ik ga heen om u plaats te bereiden; 3 en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben. 4 En waar Ik heenga, daarheen weet gij de weg. 5 Tomas zeide tot Hem: Here, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg? 6 Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. 7 Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien. 8 Filippus zeide tot Hem: Here, toon ons de Vader en het is ons genoeg. 9 Jezus zeide tot hem: Ben Ik zolang bij u, Filippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader? 10 Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet; maar de Vader, die in Mij blijft, doet zijn werken. 11 Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is: of anders, gelooft om de werken zelf. 12 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader; 13 en wat gij ook vraagt in mijn naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt worde. 14 Indien gij Mij iets vraagt in mijn naam, Ik zal het doen.

27 oktober

Galaten 5:13-2613 Want gij zijt geroepen, broeders, om vrij te zijn; (gebruikt) echter die vrijheid niet als een aanleiding voor het vlees, maar dient elkander door de liefde. 14 Want de gehele wet is in één woord vervuld, in dit: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. 15 Indien gij echter elkander bijt en vereet, ziet dan toe, dat gij niet door elkander verslonden wordt. 16 Dit bedoel ik: wandelt door de Geest en voldoet niet aan het begeren van het vlees. 17 Want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen het vlees - want deze staan tegenover elkander - zodat gij niet doet wat gij maar wenst. 18 Indien gij u echter door de Geest laat leiden, dan zijt gij niet onder de wet. 19 Het is duidelijk, wat de werken van het vlees zijn: hoererij, onreinheid, losbandigheid, 20 afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht, partijschappen, 21 nijd, dronkenschap, brasserijen en dergelijke, waarvoor ik u waarschuw, zoals ik u gewaarschuwd heb, dat wie dergelijke dingen bedrijven, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven. 22 Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. 23 Tegen zodanige mensen is de wet niet. 24 Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd. 25 Indien wij door de Geest leven, laten wij ook door de Geest het spoor houden. 26 Wij moeten niet praalziek zijn, elkander tartend, elkander benijdend.

Als je de lijst van de werken van het vlees vergelijkt (vers 19-2119 Het is duidelijk, wat de werken van het vlees zijn: hoererij, onreinheid, losbandigheid, 20 afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht, partijschappen, 21 nijd, dronkenschap, brasserijen en dergelijke, waarvoor ik u waarschuw, zoals ik u gewaarschuwd heb, dat wie dergelijke dingen bedrijven, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven.) met de lijst van de vrucht van de Geest (vers 2222 Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.) dan kun je als gelovige niet anders denken: die lijst van vers 2222 Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. brengt nu echt geluk, maar al die werken van het vlees zijn verschrikkelijk en slecht en brengen alleen maar ongeluk. Maar toch, toch doen de mensen het. Dat geeft te denken. De mens is dus echt slecht van nature en geneigd tot het kwaad. Dat is echt heel triest. En het tragische is, dat de mens dit zelf niet recht inziet, maar die zonden maskeert en zich beter voordoet dan hij of zij is en zo ook blind blijft voor de verlossing, tenzij God de ogen opent.

Nu over de vrucht van de Geest. Dat is dus niet de vrucht van onze keuze en onze wil, maar de vrucht van de Geest. De vrucht, van wat de Heilige Geest in hen die van Christus zijn uitwerkt, door het levendmakende Woord van God. Dat is echt een grote genade, als de Heilige Geest, dit in uw leven doet groeien. Welk een geluk brengt dat! Daarop moeten we alle aandacht vestigen. Deze vrucht van harte begeren. En dus dagelijks om de Heilige Geest bidden, die de Vader schenkt in Christus’ naam. Christus schenkt door Zijn Geest ons leven, bloeiend en rijk leven.

Verder lezen: Leviticus19:1-18

28 oktober

Wie op eigen werken vertrouwt, kan niet doen, wat Paulus in vers 1 en 21 Broeders, zelfs indien iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen. 2 Verdraagt elkanders moeilijkheden; zó zult gij de wet van Christus vervullen. opdraagt. Die gaat namelijk een zondaar afwijzen en met de rug aankijken, omdat hijzelf zoveel beter doet. De vrucht van de Geest evenwel is zachtmoedigheid. En die Geest leert ons dan ook op onszelf te letten, om niet ook tot zonde te komen en anderen te helpen. Allerlei gebreken zijn nog bij ons. Daarom moeten we oppassen. Ook het verslappen in het goed doen is steeds een gevaar, zodat je er moe van wordt. Want soms lijkt alle inspanning tevergeefs, juist als het goede werk afkeuring van zondige mensen ontmoet. Maar wie op de akker van de Geest zaait zal eeuwig leven oogsten. Oftewel, u moet verder kijken dan de zichtbare eerste resultaten en lang wachten op de oogsttijd. Alles wat uit het geloof wordt gedaan, is in zichzelf goed en voor de HERE aangenaam. Alles wat niet uit geloof is, is zonde.

Wie op de akker van zijn vlees zaait, zal verderf oogsten. Zo’n iemand is zelfzuchtig en zoekt alleen eigen lof en eer en dient dus zichzelf, en niet de HERE, noch de naaste. Bedenk dan: hoe ga ik goed doen, aan allen, en in het bijzonder aan mijn geloofsgenoten, en zo te leven als de HERE het wil? En bid tot God.

Verder lezen: Romeinen 13:8-148 Zijt niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben; want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld. 9 Want de geboden: gij zult niet echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult niet begeren en welk ander gebod er ook zij, worden samengevat in dit woord: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. 10 De liefde doet de naaste geen kwaad; daarom is de liefde de vervulling der wet. 11 Gij verstaat immers de tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwamen. 12 De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts! 13 Laten wij, als bij lichte dag, eerbaar wandelen, niet in brasserijen en drinkgelagen, niet in wellust en losbandigheid, niet in twist en nijd! 14 Maar doet de Here Jezus Christus aan en wijdt geen zorg aan het vlees, zodat begeerten worden opgewekt.

29 oktober

De vrede en de barmhartigheid van de Vader en de genade van onze Here Jezus Christus, dat is de ware rust en de eeuwige zaligheid voor onze zielen. Maar die zijn alleen ons deel als we ook bereid zijn de wereld resoluut achter ons te laten. Ook de zogenaamde religieuze wereld, waar het gaat om het zich uiterlijk goed voordoen; om vroom vertoon in werken. Daarachter zit de dwaalleer om de gerechtigheid voor God zelf (een beetje) te kunnen verdienen. Wie daarvoor staan, mogen op waardering rekenen. Maar wie alleen in het kruis van onze Here Jezus Christus roemen, hoeven niet op instemming te rekenen. Dan is veroordeling je deel en wordt het zwaar. Voor jezelf, want je moet het vlees kruisigen. Tegenover de (kerkelijke) wereld, want je houdt je aan de leer van Christus alleen, en verwacht alles van Zijn Woord en de herscheppende kracht van de Heilige Geest. En daar gaat het om; een nieuwe schepping te zijn. Dat is iets wat geen mens zelf kan bewerken, maar wat de Here bewerkt, door Zijn almachtige kracht. Dit is de ware genade van God. Als u daarin staat, leeft, en gelooft, dan is Gods genade, vrede en barmhartigheid voor u in gemeenschap met Gods volk, Zijn kerk!

Verder lezen: 1 Korintiërs 15:12-3412 Indien nu van Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe komen sommigen onder u ertoe te zeggen, dat er geen opstanding der doden is? 13 Indien er geen opstanding der doden is, dan is ook Christus niet opgewekt. 14 En indien Christus niet is opgewekt, dan is immers onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof. 15 Dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn, want dan hebben wij tegen God in getuigd, dat Hij de Christus opgewekt heeft, die Hij toch niet heeft opgewekt, indien er geen doden opgewekt worden. 16 Immers, indien er geen doden opgewekt worden, dan is Christus ook niet opgewekt; 17 en indien Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof zonder vrucht, dan zijt gij nog in uw zonden. 18 Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren. 19 Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen. 20 Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen, die ontslapen zijn. 21 Want, dewijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding der doden door een mens. 22 Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. 23 Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst; 24 daarna het einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader overdraagt, wanneer Hij alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben. 25 Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft. 26 De laatste vijand, die onttroond wordt, is de dood, 27 want alles heeft Hij aan zijn voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat alles onderworpen is, is blijkbaar Hij uitgezonderd, die Hem alles onderworpen heeft. 28 Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de Zoon zelf Zich aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen. 29 Wat zullen anders zij doen, die zich voor de doden laten dopen? Indien er in het geheel geen doden opgewekt worden, waarom laten zij zich nog voor hen dopen? 30 Waarom zijn ook wijzelf van uur tot uur in gevaar? 31 Zowaar als ik, broeders, op u roem draag in Christus Jezus, onze Here, ik sterf elke dag. 32 Indien ik te Efeze, naar de mens, met wilde dieren gevochten heb, wat baat het mij? Indien er geen doden worden opgewekt, laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij. 33 Misleidt uzelf niet; slechte omgang bederft goede zeden. 34 Komt tot de rechte nuchterheid en zondigt niet langer, want sommigen hebben geen besef van God. Tot uw beschaming moet ik dit zeggen.

30 oktober

Efeziërs 1:1-141 Paulus, door de wil van God een apostel van Christus Jezus, aan de heiligen en gelovigen in Christus Jezus, die [te Efeze] zijn; 2 genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus. 3 Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus. 4 Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. 5 In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, 6 tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde. 7 En in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade, 8 welke Hij ons overvloedig heeft bewezen in alle wijsheid en verstand, 9 door ons het geheimenis van zijn wil te doen kennen, in overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, 10 om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten, 11 in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, die in alles werkt naar de raad van zijn wil, 12 opdat wij zouden zijn tot lof zijner heerlijkheid, wij, die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd. 13 In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte, 14 die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid.

Als je deze verzen uit je hoofd zou kennen dan heb je de hele geloofsleer paraat. Nu hebben we daarvoor de Apostolische Geloofsbelijdenis, maar een tekst als deze zegt alles. Wat een troost en genade en zaligheid zijn in deze woorden gelegen! Echt, een rijkdom die geen grenzen heeft. Zoveel liefde van God in zijn Raad om ons tot Zijn eigen kinderen aan te nemen. Zoveel barmhartigheid ons te verlossen door Zijn Zoon. Wat een troost ook, dat dit van eeuwigheid door God besloten is en niet op twijfelachtige getuigenissen van mensen berust, of op gebeurtenissen in de wereld. Nee, Gods genade om onze overtredingen te vergeven, is er volgens zijn eeuwig besluit! En dat Zijn Zoon onze zaligheid heeft verworven, het erfdeel als wettig aangenomen, ook dat is volgens Zijn onveranderlijk en eeuwig voornemen. Niets of niemand kan dat veranderen. En daar komt bij, dat niet wijzelf, maar Zijn Heilige Geest het is, die ons van deze zaligheid verzekert. Dit vervult u met diepe blijdschap. Het doet ontroerd zien hoeveel Christus voor ons heeft over gehad; Zijn bloed. Het doet de wijsheid van God zien, om ons tenslotte te brengen tot heerlijkheid, om Hem voor eeuwig te roemen en te prijzen! Amen.

Verder lezen: 1 Petrus 1:1-121 Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen, die in de verstrooiing zijn in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bitynië, 2 de uitverkorenen naar de voorkennis van God, de Vader, in heiliging door de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging met het bloed van Jezus Christus: genade en vrede worde u vermenigvuldigd. 3 Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons naar zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop, 4 tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen weggelegd is voor u, 5 die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, welke gereed ligt om geopenbaard te worden in de laatste tijd. 6 Verheugt u daarin, ook al wordt gij thans, indien het moet zijn, voor korte tijd door allerlei verzoekingen bedroefd, 7 opdat de echtheid van uw geloof, kostbaarder dan vergankelijk goud, dat door vuur beproefd wordt, tot lof en heerlijkheid en eer blijke te zijn bij de openbaring van Jezus Christus. 8 Hem hebt gij lief, zonder Hem gezien te hebben; in Hem gelooft gij, zonder Hem thans te zien, en gij verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde, 9 daar gij het einddoel des geloofs bereikt, dat is de zaligheid der zielen. 10 Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, 11 terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna. 12 Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan.

31 oktober

Het indrukwekkende begin van deze brief krijgt hier een rijk vervolg. Wat een grote blijdschap proef je in de woorden van de apostel hier. De eeuwige liefde en ontferming van God de Vader is in onze Here Jezus Christus dichtbij. En de Heilige Geest doet dit begrijpen. De kracht van de Geest is in Paulus werkzaam om voortdurend te danken, voor de doorwerking van het Evangelie in de gelovigen. Zij, de Efeziërs, betonen liefde tot al de heiligen. Ze zijn ijverig voor de dienst van de Here. Zozeer dat Paulus er van gehoord heeft. In de gevangenis is dat de apostel tot troost. Alhoewel hijzelf niet zoveel lijkt te kunnen doen, blijkt het Evangeliewoord krachtig door te werken in het leven van de gelovigen. Wat een energie is er! Want God is het die alles in allen volmaakt en daarvoor Christus aan de gemeente heeft gegeven als haar Hoofd. Christus heeft alle macht in hemel en op aarde en door Zijn Geest zorgt Hij er vanuit de hemel voor, dat de liefde van de Vader haar uitwerking heeft in al de heiligen. En wij zijn getroost dat Christus, onze Here, alle macht heeft. Hij beschermt en zegent ons, en geeft alles. En hoeveel staat ons nog te wachten! Hoe krachtig werkt Hij in de zijnen door.

Verder lezen: Kolossenzen 1:9-209 Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, 10 om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God. 11 Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld, 12 en dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht. 13 Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde, 14 in wie wij de verlossing hebben, de vergeving der zonden. 15 Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping, 16 want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; 17 en Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem; 18 en Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente. Hij is het begin, de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de eerste geworden is. 19 Want het heeft de ganse volheid behaagd in Hem woning te maken, 20 en door Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, alle dingen weder met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is.

1 november

Nadat Paulus op een onnavolgbaar schone wijze heeft geschreven van Gods eeuwige Raad tot onze verlossing door onze Here Jezus Christus (hoofdstuk 1), vervolgt hij met de uiteenzetting van dit Evangelie zodat wij diep onder de indruk zijn van Gods genade. We zijn met Christus in de hemelen geplaatst. Daar is onze positie. We zijn zo met de Here Jezus verenigd, dat wij leden van Zijn lichaam zijn. Dat betekent niets minder dan de eeuwige zaligheid te hebben. Dat houdt in, in gemeenschap met de Christus te leven. En Hij zorgt vanuit de hemel voor Zijn leden op aarde, waar Hij zijn leven voor heeft gegeven! Hier geen vraagtekens, alleen uitroeptekens. Gods genadewerking, doordat Hij ons in Christus Jezus geschapen heeft, doet ons zijn overvloedige rijkdom zien. God geeft dat en gebruikt daarvoor Zijn scheppende almacht, zodat we uit die poel van zonde en onreinheid zijn getrokken en nu leven, uit genade, door geloof. Het is u allemaal gegeven en uiteraard komt u niets tekort. Alle reden tot grote dankbaarheid. Om God te roemen en te prijzen, niet in de laatste plaats ook door goede werken te verrichten. Want Christus’ verlossingswerk; welke betoning van Gods genade is, moet in ons, zijn lidmaten, uitwerken.

Verder lezen: Psalm 116:12-1912 Hoe zal ik de Here vergelden al zijn weldaden jegens mij? 13 De beker der verlossing zal ik opheffen, ik zal de naam des Heren aanroepen. 14 Mijn geloften zal ik de Here betalen, in de tegenwoordigheid van al zijn volk. 15 Kostbaar is in de ogen des Heren de dood van zijn gunstgenoten. 16 Ach Here, waarlijk, ik ben uw knecht, ik ben uw knecht, de zoon van uw dienstmaagd: Gij hebt mijn banden losgemaakt. 17 Ik zal U lofoffer brengen en de naam des Heren aanroepen. 18 Mijn geloften zal ik de Here betalen in de tegenwoordigheid van al zijn volk, 19 in de voorhoven van het huis des Heren in uw midden, o Jeruzalem. Halleluja.

2 november

De eenheid van de kerk komt niet tot stand door inspanning van mensen. De kerk die het ene lichaam van Christus is, het huis Gods, is een bouwwerk van de grote Bouwmeester. Het was in de tijd waarin Paulus werkzaam was heel bijzonder, dat de muur tussen Joden en Grieken werd weggebroken door de Here. Er kwam op ongedachte wijze, door het ingrijpen van de Geest van Boven, een vereniging van Jood en heiden in de Christelijke kerk. De Here Jezus sprak: “Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder.” (Johannes 10:1616 Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder.) Dit heeft Hij ook gedaan. Het heil is tot de heidenen gekomen en het onderscheid is weggenomen, want in één Geest hebben de gelovige Jood en heiden toegang tot de Vader. En daar draait het om; de toegang tot de Vader door het geloof in Christus.

Het geloof dat Gods welbehagen in Christus ons deel is als pure genade, maakt dankbaar en nederig. Want te mogen fungeren als een steen in Gods tempelhuis, is een buitengewone gunst. God Zelf woont in haar. Zijn vrede is in haar. In Zijn Huis is ruimte. Daarin weet je verzoend te zijn, dankzij Christus’ kruisdood.

Verder lezen: Psalm 871 Van de Korachieten. Een psalm. Een lied. Zijn stichting ligt op heilige bergen; 2 de Here heeft Sions poorten lief boven alle woningen van Jakob. 3 Heerlijke dingen zijn van u te zeggen, o gij stad Gods! sela 4 Rahab en Babel vermeld Ik als degenen die Mij kennen; zie, Filistea en Tyrus met Ethiopië: deze is daar geboren. 5 Ja, van Sion wordt gezegd: Ieder van hen is in haar geboren, Hij, de Allerhoogste, bevestigt haar. 6 De Here telt bij het opschrijven der volken: deze is daar geboren. sela 7 En zij zingen bij reidans: Al mijn bronnen zijn in u!

3 november

Efeziërs 3:1-131 Daarom is het, dat ik, Paulus, die ter wille van Christus Jezus voor u, heidenen, in gevangenschap ben; 2 - gij hebt immers gehoord van de bediening door Gods genade mij met het oog op u gegeven: 3 dat mij door openbaring het geheimenis bekendgemaakt is, gelijk ik boven in het kort daarvan schreef. 4 Daarnaar kunt gij bij het lezen u een begrip vormen van mijn inzicht in het geheimenis van Christus, 5 dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heiligen, zijn apostelen en profeten: 6 (dit geheimenis), dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie, 7 waarvan ik een dienaar geworden ben naar de genadegave Gods, die mij geschonken is naar de werking zijner kracht. 8 Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, 9 en in het licht te stellen (wat) de bediening van het geheimenis (inhoudt), dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen, 10 opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden, 11 naar het eeuwige voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd, 12 in wie wij de vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen hebben door het geloof in Hem. 13 Daarom verzoek ik u met aandrang, de moed niet op te geven bij mijn verdrukkingen om uwentwil, want die zijn een eer voor u.

We leven in unieke tijden. Vroeger was het nog niet zo geopenbaard als nu, dat heidenen ook de belofte van de Christus deelachtig werden. De rijkdom hiervan glinstert als een kristalheldere diamant met veel kleuren. Gods plan om uit alle volken zijn tempel te bouwen, heeft Hij heerlijk uitgewerkt door onze Here Jezus Christus. In en door Hem hebben we nu vrijmoedig toegang tot de Vader. En de Geest heeft dit geopenbaard, en de apostelen en profeten van het Nieuwe Testament hebben het bekend gemaakt en uitgelegd. Paulus mocht dat ook doen. Dat was genadewerk. En datzelfde geldt voor dominees vandaag, dat is ook genadewerk. En wie het gelovig aanneemt, ontvangt genade! Waar wij vaak minder aan denken, is dat de engelen in de hemel ook bekend worden met dit geheim. Het is kosmisch. De kerk wordt op aarde vergaderd, maar in de hemel is daar ook blijdschap over. Bij engelen, aartsengelen, machten, tronen is verwondering dat God de zaligheid heeft aangebracht door Christus, en het zo’n heerlijke uitwerking heeft. Lof zij aan God. We moeten niet verslappen als dit evangelie wordt tegengesproken, want de heerlijkheid er van is heel groot.

Verder lezen: Openbaring 5:8-148 En toen het de boekrol nam, wierpen de vier dieren en de vierentwintig oudsten zich voor het Lam neder, hebbende elk een citer en gouden schalen, vol reukwerk; dit zijn de gebeden der heiligen. 9 En zij zongen een nieuw gezang, zeggende: Gij zijt waardig de boekrol te nemen en haar zegels te openen; want Gij zijt geslacht en Gij hebt (hen) voor God gekocht met uw bloed, uit elke stam en taal en volk en natie; 10 en Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters, en zij zullen als koningen heersen op de aarde. 11 En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rondom de troon, en van de dieren en de oudsten; en hun getal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen, 12 zeggende met luider stem: Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de macht en de rijkdom, en de wijsheid en de sterkte, en de eer en de heerlijkheid en de lof. 13 En alle schepsel in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem, die op de troon gezeten is, en het Lam zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden. 14 En de vier dieren zeiden: Amen. En de oudsten wierpen zich neder en aanbaden.

4 november

Er is in deze wereld veel kennis te verkrijgen op allerlei gebied. Ook op religieus gebied. Maar, in gemeenschap met alle heiligen, is iets te kennen, dat alle kennis te boven gaat! Veel weten maakt niet gelukkig. Als je veel weet, kom je erachter dat je nog veel meer niet weet. Je ontdekt de leegte, die ieder mens heeft. Maar er is een kennis die onze leegte vult. Dat gebeurt door het kennen van de liefde van Christus. Die liefde, die van God komt, die is in staat ons te vervullen; om ons tot Gods bestemming te doen komen en gelukzalig te maken. Paulus bidt de Vader, uit Wie alle vaderschap in hemel en op aarde is, dat Christus in de harten der Efeziërs woning komt maken. En dat zij in hun binnenste gesterkt worden door de Geest! Dat is een bede die wij dagelijks nodig hebben. Het is de Geest die ons met Christus verenigt. Alle kennis vergaat en alle zogenaamde wetenschap, maar God werkt door, tot Hij alle dingen voleindigd heeft. Welk een heerlijkheid zal er dan zijn. En nu moeten we bidden in ditzelfde geloof als de apostel, dat God namelijk niet meer, ook niet veel meer, maar oneindig veel meer doet, dan wij bidden of beseffen! Denk daar maar eens een dag over na. Oneindig veel meer…!

Verder lezen: 1 Johannes 4:7-217 Geliefden, laten wij elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en een ieder, die liefheeft, is uit God geboren en kent God. 8 Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde. 9 Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem. 10 Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden. 11 Geliefden, indien God ons zó heeft liefgehad, behoren ook wij elkander lief te hebben. 12 Niemand heeft ooit God aanschouwd; indien wij elkander liefhebben, blijft God in ons en zijn liefde is in ons volmaakt geworden. 13 Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem blijven en Hij in ons, dat Hij ons van zijn Geest gegeven heeft. 14 En wij hebben aanschouwd en getuigen, dat de Vader de Zoon gezonden heeft als Heiland der wereld. 15 Al wie belijdt, dat Jezus de Zoon van God is - God blijft in hem en hij in God. 16 En wij hebben de liefde onderkend en geloofd, die God jegens ons heeft. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem. 17 Hierin is de liefde bij ons volmaakt geworden, dat wij vrijmoedigheid hebben op de dag des oordeels, want gelijk Hij is, zijn ook wij in deze wereld. 18 Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit; want de vrees houdt verband met straf en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde. 19 Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. 20 Indien iemand zegt: Ik heb God lief, doch zijn broeder haat, dan is hij een leugenaar; want wie zijn broeder, die hij gezien heeft, niet liefheeft, kan (ook) God, die hij niet gezien heeft, niet liefhebben. 21 En dit gebod hebben wij van Hem: Wie God liefheeft, moet ook zijn broeder liefhebben.

5 november

Efeziërs 4:1-161 Als gevangene in de Here, vermaan ik u dan te wandelen waardig der roeping, waarmede gij geroepen zijt, 2 met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, en elkander in liefde te verdragen, 3 en u te beijveren de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes: 4 één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping, 5 één Here, één geloof, één doop, 6 één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen. 7 Maar aan een ieder onzer afzonderlijk is de genade gegeven, naar de mate, waarin Christus haar schenkt. 8 Daarom heet het: opgevaren naar den hoge voerde Hij krijgsgevangenen mede, gaven gaf Hij aan de mensen. 9 Wat betekent dit: Hij is opgevaren, anders dan dat Hij ook nedergedaald is naar de lagere, aardse gewesten? 10 Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen. 11 En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, 12 om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, 13 totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus. 14 Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt, 15 maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus. 16 En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde.

Wanneer de Here ons een opdracht geeft, zoals Paulus dat in de verzen 1-31 Als gevangene in de Here, vermaan ik u dan te wandelen waardig der roeping, waarmede gij geroepen zijt, 2 met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, en elkander in liefde te verdragen, 3 en u te beijveren de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes. doorgeeft, dan geeft de Here ook altijd de nodige gaven om die opdracht te vervullen. Die gaven staan vervolgens beschreven in de verzen 4-114 één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping, 5 één Here, één geloof, één doop, 6 één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen. 7 Maar aan een ieder onzer afzonderlijk is de genade gegeven, naar de mate, waarin Christus haar schenkt. 8 Daarom heet het: opgevaren naar den hoge voerde Hij krijgsgevangenen mede, gaven gaf Hij aan de mensen. 9 Wat betekent dit: Hij is opgevaren, anders dan dat Hij ook nedergedaald is naar de lagere, aardse gewesten? 10 Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen. 11 En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars., waarin de apostel vervolgens laat zien, dat Christus, zodanig die gaven geeft dat Zijn Lichaam, de gemeente groeit en bloeit en leeft (12-16). Onze opdrachten vervullen wij door zijn kracht en dankzij de gaven die Hij geeft vanuit de hemel. Daarvoor is Hij naar de Hemel gevaren, om vandaar zijn verdiende gaven van de Vader ons te schenken. Velerlei zijn die gaven, en heel geschikt, om opgebouwd te worden in de liefde. Om dienstbaar te zijn en de eenheid van het geloof te bewaren en vervuld te worden met Gods genade. Die eenheid is er reeds. In de kerk opgenomen te zijn, doet u delen in de gemeenschap van de Here Christus en van God de Vader, die is boven allen en door allen en in allen. Zodat al onze werken in geloof, dankzij God verricht worden en uiteindelijk blijkt dat Hij het is, die alles in allen volmaakt. Vol worden van Gods genade, groeien in Zijn liefde, dat brengt het vasthouden aan de leer der waarheid met zich mee. Standvastigheid in de leer gaat samen met het groeien in de liefde.

Verder lezen: 1 Korintiërs 12:1-111 Ten aanzien van de uitingen des geestes, broeders, wil ik u niet onkundig laten. 2 Gij weet, dat gij, toen gij nog heidenen waart, u blindelings naar de stomme afgoden liet heendrijven. 3 Daarom maak ik u bekend, dat niemand, door de Geest Gods sprekende, zegt: Vervloekt is Jezus; en dat niemand kan zeggen: Jezus is Here, dan door de heilige Geest. 4 Er is verscheidenheid in genadegaven, maar het is dezelfde Geest; 5 en er is verscheidenheid in bedieningen, maar het is dezelfde Here; 6 en er is verscheidenheid in werkingen, maar het is dezelfde God, die alles in allen werkt. 7 Maar aan een ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen. 8 Want aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken, en aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest; 9 aan de een geloof door dezelfde Geest en aan de ander gaven van genezingen door die ene Geest; 10 aan de een werking van krachten, aan de ander profetie; aan de een het onderscheiden van geesten, en aan de ander allerlei tongen, en aan weer een ander vertolking van tongen. 11 Doch dit alles werkt één en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij wil.

6 november

Efeziërs 4:17-3217 Dit zeg ik dan en betuig ik in de Here, dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken, 18 verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart. 19 Zij hebben zich immers in hun verdoving overgegeven aan de losbandigheid om gretig winst te slaan uit allerlei onreinheid. 20 Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen. 21 Gij toch hebt van Hem gehoord en zijt in Hem onderwezen, gelijk dit de waarheid is in Jezus, 22 dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten, 23 dat gij verjongd wordt door de geest van uw denken, 24 en de nieuwe mens aandoet, die naar (de wil van) God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid. 25 Legt daarom de leugen af en spreekt waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander. 26 Geraakt gij in toorn, zondigt dan niet: de zon mag niet over een opwelling van uw toorn ondergaan; 27 en geeft de duivel geen voet. 28 Wie een dief was, stele niet meer, maar spanne zich liever in om met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan mededelen aan de behoeftige. 29 Geen liederlijk woord kome uit uw mond, maar als gij een goed (woord) hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij, die het horen, genade ontvangen. 30 En bedroeft de heilige Geest Gods niet, door wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing. 31 Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek worde uit uw midden gebannen, evenals alle kwaadaardigheid. 32 Maar weest jegens elkander vriendelijk, barmhartig, elkander vergevend, zoals God in Christus u vergeving geschonken heeft.

In deze tekst maakt de apostel duidelijk wat de antithese (strijdige tegenstelling) is tussen een heidens werelds leven en het leven als lidmaat van Christus. Uiteraard is het onmogelijk als zoveel genade is geschonken door God in Christus, in de vergeving der zonden, en Christus zoveel gaven heeft geschonken aan de gemeente en ieder lid, dat er dan nog in zonde geleefd wordt. Toch moet de apostel er voor waarschuwen. De wereld blijft trekken en ons zondig vlees ook. Steeds is er de neiging tot zondigen. Op seksueel gebied. Ook door het misbruiken van de tong, door te schelden. Ook is er de zonde van het toornig en boos zijn op de naaste. Dat kwaad moeten we bestrijden. En dat doe je door dat verdorven kleed van de oude zondige mens af te leggen, en in Christus te geloven. Door de Geest van de Here in je te laten werken. Door de naaste als een aan jouw verbondene goed te doen en zo vergevingsgezind te zijn tegenover hem of haar, zoals je zelf ook vergeven bent. Leven uit de vergeving, verzoend met de Vader, doet krachten ontvangen om te werken, door verjonging van geest en vernieuwing van denken. Dit is waarheid in Jezus onze Here. Zo hebben wij Hem leren kennen; zo is Hij.

Verder lezen: Romeinen 61 Wat zullen wij dan zeggen? Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme? 2 Volstrekt niet! Immers, hoe zullen wij, die der zonde gestorven zijn, daarin nog leven? 3 Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn? 4 Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen. 5 Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn (met hetgeen gelijk is) aan zijn opstanding; 6 dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn; 7 want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde. 8 Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven, 9 daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft: de dood voert geen heerschappij meer over Hem. 10 Want wat zijn dood betreft, is Hij voor de zonde eens voor altijd gestorven; wat zijn leven betreft, leeft Hij voor God. 11 Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wèl dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus. 12 Laat dan de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam, zodat gij aan zijn begeerten zoudt gehoorzamen, 13 en stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God, als mensen, die dood zijn geweest, maar thans leven, en stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God. 14 Immers, de zonde zal over u geen heerschappij voeren, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade. 15 Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet onder de wet, maar onder de genade zijn? Volstrekt niet! 16 Weet gij niet, dat gij hem, in wiens dienst gij u stelt als slaven ter gehoorzaamheid, ook moet gehoorzamen als slaven, hetzij dan van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid? 17 Maar Gode zij dank: gij wáárt slaven der zonde, doch gij zijt van harte gehoorzaam geworden aan die vorm van onderricht, die u overgeleverd is; 18 en, vrijgemaakt van de zonde, zijt gij in dienst gekomen van de gerechtigheid. 19 Ik zeg dit van menselijk standpunt om de zwakheid van uw vlees. Want gelijk gij uw leden gesteld hebt ten dienste van de onreinheid en van de wetteloosheid tot wetteloosheid, zo stelt nu uw leden ten dienste van de gerechtigheid tot heiliging. 20 Want toen gij slaven waart der zonde, waart gij vrij van de gerechtigheid. 21 Wat voor vrucht hadt gij toen? Dingen, waarover gij u nu schaamt; immers, het einde daarvan is de dood. 22 Maar thans, vrijgemaakt van de zonde en in de dienst van God gekomen, hebt gij tot vrucht uw heiliging en als einde het eeuwige leven. 23 Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here.

7 november

Efeziërs 5:1-211 Weest dan navolgers Gods, als geliefde kinderen, 2 en wandelt in de liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk. 3 Maar van hoererij en allerlei onreinheid of hebzucht mag onder u zelfs geen sprake zijn, zoals het heiligen betaamt, 4 en evenmin van onwelvoegelijkheid en zotte of losse taal, die geen pas geven, doch veeleer van dankzegging. 5 Want hiervan moet gij doordrongen zijn, dat in geen geval een hoereerder, onreine of geldgierige, dat is een afgodendienaar, erfdeel heeft in het Koninkrijk van Christus en God. 6 Laat niemand u misleiden met drogredenen, want door zulke dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid. 7 Doet dan niet met hen mede. 8 Want gij waart vroeger duisternis, maar thans zijt gij licht in de Here; wandelt als kinderen des lichts, 9 - want de vrucht des lichts bestaat in louter goedheid en gerechtigheid en waarheid - , 10 en toetst wat de Here welbehagelijk is. 11 En neemt geen deel aan de onvruchtbare werken der duisternis, maar ontmaskert ze veeleer, 12 want het is zelfs schandelijk om te noemen, wat heimelijk door hen wordt verricht; 13 maar als dat alles door het licht ontmaskerd wordt, komt het aan de dag; want al wat aan de dag komt is licht. 14 Daarom heet het: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten. 15 Ziet dus nauwlettend toe, hoe gij wandelt, niet als onwijzen, doch als wijzen, 16 u de gelegenheid ten nutte makende, want de dagen zijn kwaad. 17 Weest daarom niet onverstandig, maar tracht te verstaan, wat de wil des Heren is. 18 En bedrinkt u niet aan wijn, waarin bandeloosheid is, maar wordt vervuld met de Geest, 19 en spreekt onder elkander in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, en zingt en jubelt de Here van harte, 20 dankt te allen tijde in de naam van onze Here Jezus Christus God, de Vader, voor alles, 21 en weest elkander onderdanig in de vreze van Christus.

Het erbij laten zitten is geen optie. Dan ga je berusten in eigen onvermogen en dus eigenlijk berusten in de zonde (het doel missen). De apostel beveelt het tegenovergestelde, namelijk navolgers van God te zijn. Daarvoor heeft God overvloedige zegeningen gegeven, bovenal Zijn kostbaarste Gave gegeven, Zijn Eniggeboren Zoon, onze Here Jezus Christus. Die liefde van Christus waarmee Hij Zichzelf voor ons aan God heeft opgeofferd, is de inspiratiebron voor een leven naar Gods wil, als de nieuwe mens. Blijven in de zonde sluit de toegang tot het Koninkrijk. Dat is blijven in de duisternis, onvruchtbaarheid en dood.

Tegenover de geest van de misleiding en de zonde is het nodig wakker te zijn en moet je jezelf er op toeleggen de wil van de Here te verstaan. Niet onnadenkend maar oplettend en bedenkend wat de Here aangenaam is. En dit is Hem zeker weten aangenaam, als wij ons laten vervullen door Zijn Geest. Ook dat is hier bevel! Niet maar van: ‘och mocht het eens gebeuren’. Zo niet. Het is eveneens een rijkmakende plicht God de Vader in Christus’ naam te loven en te prijzen en te danken voor alles, ja altijd te danken met heel ons hart! Laten we het Psalmboek er bij pakken.

Verder lezen: Psalm 1471 Looft de Here, want het is goed, onze God te psalmzingen, ja, het is liefelijk, een lofzang is betamelijk. 2 De Here bouwt Jeruzalem, Hij verzamelt Israëls verdrevenen; 3 Hij geneest de verbrokenen van hart en verbindt hun wonden. 4 Hij bepaalt het getal der sterren, Hij roept ze alle bij name. 5 Groot is onze Here en geweldig in kracht, zijn verstand is onbeperkt. 6 De Here houdt de ootmoedigen staande, maar Hij vernedert de goddelozen ter aarde toe. 7 Zingt de Here een loflied toe, psalmzingt onze God met de citer, 8 Hem, die de hemel met wolken bedekt, die voor de aarde regen bereidt, die op de bergen gras doet uitspruiten, 9 die het vee zijn voeder geeft, de jonge raven, als zij roepen. 10 Hij heeft geen welgevallen aan de kracht van het paard, noch behagen in de benen van de man; 11 de Here heeft welbehagen in wie Hem vrezen, die op zijn goedertierenheid hopen. 12 Jeruzalem, roem de Here, Sion, loof uw God. 13 Want Hij maakt de grendels van uw poorten sterk, Hij zegent uw kinderen in uw midden; 14 Hij geeft uw gebied vrede, Hij verzadigt u met het vette der tarwe. 15 Hij zendt zijn bevel op de aarde, zijn woord loopt zeer snel; 16 Hij geeft sneeuw als wol, Hij strooit de rijp als as, 17 Hij werpt zijn ijs als stukken; wie kan bestaan voor zijn koude? 18 Hij zendt zijn woord en doet ze smelten, Hij doet zijn wind waaien, - daar vloeien de wateren. 19 Hij heeft Jakob zijn woorden bekendgemaakt, Israël zijn inzettingen en zijn verordeningen. 20 Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan, en zijn verordeningen kennen zij niet. Halleluja.

8 november

Er is wel gezegd dat het Evangelie niet naar de mens is. Bedoeld is dan, dat het ons mensen van nature niet ligt. Dat is zeker waar. Want alleen door genade wordt de mens behouden, door het geloof dat de Heilige Geest werkt. Ook wat de apostel Paulus hier opdraagt is niet naar de mens. Sinds de zondeval zit het niet bepaald in de vrouw onderdanig te zijn aan haar man en ontzag voor hem te hebben. En in de huidige, van het Christelijk geloof steeds verder afgedwaalde wereld, is dat wel heel duidelijk te zien. En dat de man de vrouw moet liefhebben als zichzelf is ook geen vanzelfsprekendheid. Maar Christus, Hij heeft de liefde bewezen, ons als zijn leden verzorgd en alles voor ons over gehad. Daar was geen weerhouding bij Hem. Hij heeft Zichzelf voor ons overgegeven, grotere liefde is niet denkbaar. En dit, zijn liefde, en de kracht van zijn reiniging, moet onze aandacht hebben. De gemeente is geheiligd en gereinigd en zonder vlek of rimpel. Dat bewerkte Christus. En dit nu is inspiratie voor de man zijn vrouw met zelfovergave lief te hebben. En die liefde van de man is ook weer aansporing voor de vrouw ontzag voor haar man te hebben. Dit is wel niet ‘naar’ de mens, maar wel voor de mens, die gelooft.

Verder lezen: Johannes 15:9-179 Gelijk de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad; blijft in mijn liefde. 10 Indien gij mijn geboden bewaart, zult gij in mijn liefde blijven, gelijk Ik de geboden mijns Vaders bewaard heb en blijf in zijn liefde. 11 Dit heb Ik tot u gesproken, opdat mijn blijdschap in u zij en uw blijdschap vervuld worde. 12 Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad. 13 Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden. 14 Gij zijt mijn vrienden, indien gij doet, wat Ik u gebied. 15 Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet, wat zijn heer doet; maar u heb Ik vrienden genoemd, omdat Ik alles, wat Ik van mijn Vader gehoord heb, u heb bekend gemaakt. 16 Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen en u aangewezen, opdat gij zoudt heengaan en vrucht dragen en uw vrucht zou blijven, opdat de Vader u alles geve, wat gij Hem bidt in mijn naam. 17 Dit gebied Ik u, dat gij elkander liefhebt.

9 november

De gehoorzaamheid. Dat is ook zo’n moeilijke zaak voor het mensenkind sinds de zondeval. Maar de Here wil zijn scheppingsorde handhaven. We moeten daar goed over nadenken. God geeft namelijk zijn zegeningen in de weg van gehoorzaamheid (niet als verdienste). Ook in de weg van gehoorzaamheid aan ouders. Een lang leven krijg je.

Erkenning van de door God gestelde orde geeft rust. En gehoorzaamheid aan Hem, aan Christus, moet blijken in de gehoorzaamheid aan de ouders, of als werknemer aan je werkgever. Dit houdt uiteraard niet in, dat ouders en werkgevers maar kunnen doen wat ze willen. Christus is tenslotte Heer over allen, aan wie eenieder rekenschap moet afleggen. In alle handelingen van gezagsverhoudingen gaat het erom dat Gods genade werkzaam blijkt. Zodat het bij gehoorzaamheid er maar niet om gaat in een goed boekje te komen bij de ander, maar dat de hartelijke bereidwilligheid, die in Christus werkzaam is, ook in ons is. En als wij bevelen geven, gedenken wij, dat Hij Heer is. En als wij bevelen opvolgen, doen we dat om gehoorzaamheid aan Christus te betonen. Want Hij heeft de Vader gehoorzaamheid uit liefde bewezen en ons zo gered.

Verder lezen: Spreuken 21 Mijn zoon, indien gij mijn woorden aanneemt en mijn geboden bij u bewaart, 2 zodat uw oor de wijsheid opmerkt en gij uw hart neigt tot de verstandigheid, 3 ja, indien gij tot het inzicht roept en tot de verstandigheid uw stem verheft; 4 indien gij haar zoekt als zilver en naar haar speurt als naar verborgen schatten, 5 dan zult gij de vreze des Heren verstaan en de kennis Gods vinden. 6 Want de Here geeft wijsheid, uit zijn mond komen kennis en verstandigheid; 7 Hij bewaart hulp voor de oprechten, Hij is een schild voor wie onberispelijk wandelen, 8 terwijl Hij waakt over de paden van het recht en de weg zijner gunstgenoten beschermt. 9 Dan zult gij gerechtigheid en recht verstaan, ook rechtschapenheid, elke goede weg. 10 Want de wijsheid zal in uw hart komen en de kennis zal voor uw ziel liefelijk zijn; 11 bedachtzaamheid zal over u waken, verstandigheid zal u behoeden, 12 om u te redden van de boze weg, van de man die verkeerde dingen spreekt, 13 van hen die de rechte paden verlaten, om op duistere wegen te gaan; 14 die in kwaaddoen zich verheugen, juichen over boze draaierijen, 15 wier paden krom zijn en die op hun dwaalwegen gaan; 16 om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende die gladde woorden spreekt, 17 die de echtvriend van haar jeugd verlaat en het verbond van haar God vergeet; 18 want haar huis zinkt weg naar de dood, haar paden voeren naar de schimmen; 19 niet één van allen die tot haar gaan, keert weder, en zij bereiken de paden des levens niet; 20 opdat gij de weg der goeden bewandelt en de paden der rechtvaardigen bewaart. 21 Want de oprechten zullen het land bewonen en de vromen zullen daarin overblijven, 22 maar de goddelozen zullen uit het land worden uitgeroeid en de trouwelozen zullen eruit worden weggerukt.

10 november

Hier is een aansporing van de apostel om met de wapenen van het geloof en het Woord van God te strijden. Om een harnas aan te trekken, een helm op te doen en een zwaard in de hand te nemen. Want het gaat er hard aan toe in de oorlog die gevoerd wordt. Het is een strijd op leven en dood. En aan die strijd ontkomen we niet. Die wordt sowieso gestreden; ook al zou je het niet willen. Onze tegenstanders zijn niet mensen, maar geestelijke machten. Dat maakt de strijd moeilijk. Je wordt maar zo verleid door de duivel of op ongewone manier bewogen van het geloof af te keren. Of anders door druk van de grote massa.

Maar er staat een sterke Held naast je. En door te bidden in de Geest, en dus in geloof, zal blijken dat op ongedachte wijze Gods Woord overwint. Want gebed zorgt ervoor, dat een in de gevangenis geketende apostel, vrijmoedig het Evangelie verkondigt. Ja, het gebed vermag veel voor de verbreiding van het Woord en de overwinning op de boze machten in de lucht. De strijd is hevig. En onze vijanden zijn veel sterker, maar zie, de wapens die God geeft, maken onoverwinnelijk. Gevouwen handen verbreken ketenen.

Gelovige gebeden binden duivelen.

Verder lezen: Handelingen 16:19-3419 Toen nu haar eigenaars zagen, dat hun kans op voordeel verdwenen was, grepen zij Paulus en Silas en sleurden hen naar de markt voor de overheid, 20 en toen zij hen bij de hoofdlieden gebracht hadden, zeiden zij: Deze mensen brengen onze stad in rep en roer, daar zij Joden zijn, 21 en zij verkondigen zeden, die wij als Romeinen niet mogen aanvaarden of volgen. 22 Ook de menigte schoolde tegen hen samen en de hoofdlieden scheurden hun de kleren van het lijf en lieten hen met de roede geselen; 23 en na hun vele slagen gegeven te hebben, wierpen zij hen in de gevangenis met bevel aan de bewaarder hen zorgvuldig te bewaken. 24 Daar deze zulk een bevel ontvangen had, zette hij hen in de binnenste kerker en sloot hun voeten zorgvuldig in het blok. 25 Maar omstreeks middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gods lof, en de gevangenen luisterden naar hen. 26 Doch plotseling kwam er een zware aardbeving, zodat de grondvesten der gevangenis schudden; en terstond gingen alle deuren open en de boeien van allen raakten los. 27 En de bewaarder, uit zijn slaap opgeschrikt, zag de deuren der gevangenis openstaan, trok zijn zwaard en was op het punt zelfmoord te plegen, in de waan, dat de gevangenen ontsnapt waren. 28 Maar Paulus riep met luider stem: Doe uzelf geen kwaad, want wij zijn allen hier! 29 En hij liet licht brengen, sprong naar binnen en wierp zich, bevende over al zijn leden, voor Paulus en Silas neder. 30 En hij leidde hen naar buiten en zeide: Heren, wat moet ik doen om behouden te worden? 31 En zij zeiden: Stel uw vertrouwen op de Here Jezus en gij zult behouden worden, gij en uw huis. 32 En zij spraken het woord Gods tot hem in tegenwoordigheid van allen, die in zijn huis waren. 33 En in datzelfde uur van de nacht nam hij hen mede om hun striemen af te wassen, en hij liet zichzelf en al de zijnen terstond dopen; 34 en hij bracht hen naar boven in zijn huis en richtte een tafel aan, en hij verheugde zich, dat hij met zijn gehele huis tot het geloof in God gekomen was.

11 november

Dit slot van deze indrukwekkende brief zit vol dynamiek. Het levende verkeer tussen de gelovigen wordt gestimuleerd, door de zending van deze brief door de dienaar Tychikus. Hij is in staat te troosten met de leer van de Schriften en goede berichten over Paulus. Ondanks Paulus’ gevangenschap gaat de verbreiding van het Evangelie (on)gewoon door. Dan volgt de zegenwens. Allereerst de vrede, de shalom. De vrede van God de Vader bevat allerlei zegen, voor alle broeders. Gods vrede gaat alle verstand te boven en brengt volmaakte blijdschap. De liefde met geloof noemt de apostel daarna. Liefde met geloof is een rijke samenstelling. De liefde van de Vader is in Zijn Zoon, onze Here Jezus Christus, geopenbaard. En die liefde werkt in alle gelovigen, in heel de gemeente, door. En dat met geloof; met het geloof dat die liefde eeuwig zal blijven bloeien en dus onverderfelijk is. Wie onze Here Jezus Christus liefheeft in onverderfelijkheid, voor diegene is de genade. Het komt aan op het liefhebben van Hem, onze Zaligmaker. Hij heeft ons gekocht met zijn kostbaar bloed. Hij heeft ons eerst uitnemend liefgehad. Alle aandacht voor Hem. Al Gods genade komt door Hem, tot ons, die Hem liefhebben.

Verder lezen: Kolossenzen 4:7-187 Van al mijn omstandigheden zal Tychikus, mijn geliefde broeder en getrouwe dienaar en mededienstknecht in de Here, u op de hoogte brengen. 8 Ik heb hem juist daarom tot u gezonden, dat gij zoudt vernemen, hoe het met ons staat en dat hij uw hart vertrooste, 9 samen met Onesimus, mijn getrouwe en geliefde broeder, die een der uwen is. Zij zullen u van alle omstandigheden hier op de hoogte brengen. 10 Aristarchus, mijn medegevangene, laat u groeten, en Marcus, de neef van Barnabas - over hem hebt gij opdracht gekregen; ontvangt hem, indien hij bij u mocht komen - 11 en Jezus genaamd Justus, de enigen uit de besnedenen, die mijn medewerkers zijn voor het Koninkrijk Gods, en die mij dan ook tot troost zijn geweest. 12 Epafras laat u groeten, die een der uwen is, een dienstknecht van Christus Jezus, altijd in zijn gebeden voor u worstelende, dat gij moogt staan, volmaakt en verzekerd bij alles wat God wil. 13 Want ik kan van hem getuigen, dat hij zich veel moeite heeft gegeven voor u en voor hen, die te Laodicea en te Hiërapolis zijn. 14 De geliefde geneesheer Lucas en ook Demas laten u groeten. 15 Groet de broeders te Laodicea; ook Nymfa met de gemeente bij haar aan huis. 16 En wanneer deze brief bij u is voorgelezen, zorgt dan, dat hij ook in de gemeente te Laodicea voorgelezen wordt en dat ook gij die van Laodicea u laat voorlezen. 17 En zegt tot Archippus: Zorg dat gij de bediening, die gij in de Here aanvaard hebt, ook vervult. 18 Een eigenhandige groet van mij, Paulus. Gedenkt mijn gevangenschap. De genade zij met u.

12 november

Het Christelijk geloof is ongetwijfeld geloof. En de reden daarvoor vinden we in deze tekst. Want wie is het, die dit geloof is begonnen te werken en die het ook tot het einde zal voortzetten? Niet de gelovigen zelf, hoezeer ze ook van begin af aan gelovig hoorden naar de prediking. Nee, God is het, die het eenmaal begonnen werk zal voleindigen. Hij zelf is de grote Werkmeester van de zaligheid die wij in Christus Jezus hebben. En al meer en meer, door de dagen, maanden en jaren van ons leven heen, is God dezelfde, die ons doet delen in zijn genade.

Die genade gaat steeds meer het leven beheersen en zo ook in liefde werken. Nu is liefde wel iets van het hart, maar de apostel verbindt het duidelijk met verstand, onderscheidingsvermogen en fijngevoeligheid. Dus is liefde niet slechts subjectief Het is niet een vaag doelloos gevoel, maar heeft als doel vol te worden van de vrucht van de gerechtigheid. God schenkt die vrucht, door het geloof in Jezus Christus. Aan Hem hebben wij het te danken dat God zijn werk voleindigen zal. Dat is vaste grond om op te bouwen. Hij werkt altijd door. En dat is de inspiratie voor deze nieuwe dag. Voor elke dag. Want dag aan dag draagt Hij ons. Gode zij dank.

Verder lezen: Psalm 1381 Van David. Ik zal U loven met mijn ganse hart, in de tegenwoordigheid der goden zal ik U psalmzingen. 2 Ik zal mij nederbuigen naar uw heilige tempel en uw naam prijzen om uw goedertierenheid en trouw, want Gij hebt, om uws grote naams wil, uw toezegging heerlijk gemaakt. 3 Ten dage dat ik riep, hebt Gij mij geantwoord, Gij hebt mij bemoedigd met kracht in mijn ziel. 4 Alle koningen der aarde zullen U, o Here, loven, wanneer zij de woorden van uw mond gehoord hebben; 5 zij zullen zingen van de wegen des Heren, want de heerlijkheid des Heren is groot. 6 Want de Here is verheven, en Hij aanschouwt de nederige, maar de hovaardige kent Hij van verre. 7 Wanneer ik wandel te midden van benauwdheid, behoudt Gij mij in het leven; tegen de toorn van mijn vijanden strekt Gij uw hand uit, en uw rechterhand verlost mij. 8 De Here zal het voor mij voleindigen. O Here, uw goedertierenheid is tot in eeuwigheid. Laat niet varen de werken uwer handen.

13 november

Filippenzen 1:12-2612 Ik wil, dat gij weet, broeders, dat hetgeen mij wedervaren is veeleer tot bevordering van de evangelieprediking heeft gestrekt. 13 Daardoor toch is aan het gehele hof en aan al de overigen duidelijk geworden, dat ik in gevangenschap ben om Christus' wil, 14 en het merendeel der broeders in de Here heeft door mijn gevangenschap vertrouwen gekregen om met des te meer moed onbevreesd het woord Gods te spreken. 15 Sommigen prediken de Christus wel uit nijd en twist, maar anderen doen het met goede bedoeling. 16 Dezen verkondigen de Christus uit liefde, daar zij weten, dat ik tot verdediging van het evangelie gesteld ben, 17 maar genen uit eigenbelang, met de onzuivere bedoeling, mij de gevangenschap zwaar te maken. 18 Wat doet het ertoe? In elk geval, hetzij met een bijoogmerk, hetzij in oprechtheid, wordt Christus verkondigd; en daarin verblijd ik mij, en zal ik mij ook verblijden. 19 Want ik weet, dat dit mij tot behoud zal strekken door uw gebed en de bijstand des Geestes van Jezus Christus, 20 naar mijn vurig verlangen en hopen, dat ik in geen enkel opzicht beschaamd zal staan, maar dat met alle vrijmoedigheid, zoals steeds, ook nú Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood. 21 Want het leven is mij Christus en het sterven gewin. 22 Indien ik in het vlees blijf leven, betekent dat voor mij werken met vrucht, en wat ik moet kiezen, weet ik niet. 23 Van beide zijden word ik gedrongen: ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste; 24 maar nog in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil. 25 En in deze overtuiging weet ik, dat ik zal blijven en voortdurend bij u allen zijn, opdat gij verder moogt komen en u in het geloof verblijden. 26 Dan zult gij ruimschoots reden hebben om over mij te roemen in Christus Jezus, wanneer ik weder bij u kom.

Het Woord is niet geboeid. Al mag de apostel in de gevangenis zitten, in afwachting van zijn rechtszaak, dat hindert de evangelieverkondiging niet. Nota bene zijn leden van het keizerlijk hof op de hoogte van het evangelie van Christus gebracht, omdat duidelijk werd dat Paulus om Christus’ wil gevangen zat. En dat maakte indruk. Dat Paulus zijn leven voor Christus waagde! Vrijwillig. Wie was Christus dan wel? De cel werd evangelisatie-terrein. Broeders durfden vrijmoediger te spreken van de Heiland.

Omdat de apostel zijn aandacht op de verkondiging van Christus vestigt, maakt hij zich niet druk om zichzelf. Niet dat het hem geheel koud laat hoe het met hem zal aflopen. Maar hij laat zien hoe we ons leven in Gods hand moeten leggen en dienstbaar maken aan Zijn Rijk. Linksom of rechtsom, als Christus maar verheerlijkt wordt. Dat is het doel van evangeliedienaren. En God is het, die dat door zijn leiding en regering zal realiseren. Onder die leiding is de aandacht gevestigd op het verder helpen van de broeders in het geloof.

Laten we de korte tijd die we hier op aarde hebben besteden in Zijn dienst, en de blijdschap in het geloof bij onze broeders en zusters bevorderen.

Verder lezen: Handelingen 28:11-3111 Na drie maanden nu zeilden wij uit met een schip uit Alexandrië, dat op het eiland overwinterd had, en de Dioskuren als kenteken voerde. 12 En te Syracuse aangekomen, bleven wij daar drie dagen, 13 vanwaar wij, na langs het eiland te zijn gevaren, te Regium aankwamen; en toen na één dag de wind zuid werd, kwamen wij reeds de tweede te Puteoli aan. 14 Hier vonden wij broeders en wij werden uitgenodigd zeven dagen bij hen te blijven. En zo gingen wij naar Rome. 15 En vandaar kwamen de broeders, die van onze aangelegenheden gehoord hadden, ons tot Forum Appii en Tres Tabernae tegemoet, en toen Paulus hen zag, dankte hij God en greep moed. 16 En toen wij te Rome aangekomen waren, kreeg Paulus verlof op zichzelf te wonen met de soldaat die hem bewaakte. 17 En het geschiedde na drie dagen, dat Paulus de voormannen der Joden samenriep, en toen zij bijeen gekomen waren, zeide hij tot hen: Mannen broeders, ofschoon ik niets gedaan heb tegen ons volk of de voorvaderlijke gewoonten, ben ik uit Jeruzalem gevankelijk overgeleverd in de handen der Romeinen, 18 die na onderzoek mij wilden vrijlaten, omdat er bij mij van geen halsmisdaad sprake was. 19 Maar toen de Joden in verzet gingen, werd ik genoodzaakt mij op de keizer te beroepen; niet, dat ik mijn volk van iets wilde beschuldigen. 20 Daarom heb ik verzocht u te zien en toe te spreken, want om de hoop van Israël draag ik deze keten. 21 Maar zij zeiden tot hem: Wij voor ons hebben geen brieven over u uit Judea ontvangen, en ook is niemand van de broeders iets kwaads van u komen boodschappen of spreken. 22 Maar wij stellen het wel op prijs van u te vernemen, welke uw denkbeelden zijn, want wat deze secte betreft, ons is bekend, dat zij overal tegenspraak vindt. 23 En nadat zij een dag met hem hadden afgesproken, kwamen verscheidenen tot hem in zijn verblijf, wie hij met nadruk het Koninkrijk Gods voorstelde, pogende hen te overtuigen ten opzichte van Jezus, uit de wet van Mozes en de profeten, van de vroege morgen tot de avond toe. 24 En sommigen gaven wel gehoor aan hetgeen gezegd werd, maar anderen bleven ongelovig; 25 en zonder het eens geworden te zijn, gingen zij uiteen, nadat Paulus dit ene woord gesproken had: Terecht heeft de heilige Geest door de profeet Jesaja tot uw vaderen gesproken, 26 zeggende: Ga heen tot dit volk en zeg: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; 27 want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen en met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan en zij zich bekeren, en Ik hen zou genezen. 28 Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen! 29 [En nadat hij dit gezegd had, gingen de Joden al redetwistende heen.] 30 En hij bleef de volle termijn van twee jaar in zijn eigen gehuurde woning, en ontving allen, die tot hem kwamen, 31 predikende het Koninkrijk Gods, en onderricht gevende aangaande de Here Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, zonder enige belemmering.

14 november

Het geloof is maar geen theoretische aangelegenheid. Dat blijkt wel duidelijk in wat hier staat. Er zijn tegenstanders. Tegenstanders die maar niet met argumenten, maar met dreiging optreden. Dreiging van vervolging en gevangenschap. Dreiging met uitsluiting en economische boycotten. Dat is in de kerkgeschiedenis zo vaak gebleken. Ook recent.

Terwijl tegenstanders dreigen, blijven christenen op hun Here Jezus Christus vertrouwen. Dan behoren ze evenals hun Zaligmaker al hun vertrouwen op Gods goede regering te vestigen. En terwijl de gelovigen eensgezind in alle rust blijven, waar ongelovigen doodsbang zouden worden, wordt iets duidelijk. Voor de ongelovige bestrijders van de christenen wordt duidelijk dat zijzelf ten onder gaan. De gelovigen worden daarentegen bevestigd in Gods reddende genade. Genade, die blijkt in het geloven in Christus en in het lijden als lid van Christus. Want geloven is maar geen theoretische aangelegenheid. Er komt strijd en lijden bij. En u moet erop letten dat u niet alleen strijdt, maar samen met uw medebroeders. Want het is dezelfde strijd. En Christus heeft overwonnen en overwint in de Zijnen. Dat is voor ons: genade!

Verder lezen: Johannes 15:18-2718 Indien de wereld u haat, weet dan, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. 19 Indien gij van de wereld waart, zou de wereld het hare liefhebben, doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld uitgekozen heb, daarom haat u de wereld. 20 Gedenkt het woord, dat Ik tot u gesproken heb: Een slaaf staat niet boven zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren. 21 Maar dit alles zullen zij u aandoen om mijn naam, want zij kennen Hem niet, die Mij gezonden heeft. 22 Indien Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, zij zouden geen zonde hebben, maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. 23 Wie Mij haat, haat ook mijn Vader. 24 Indien Ik niet de werken onder hen gedaan had, die niemand anders gedaan heeft, zouden zij geen zonde hebben; maar nu hebben zij, hoewel zij ze gezien hebben, toch Mij en mijn Vader gehaat. 25 Maar het woord moet vervuld worden, dat in hun wet geschreven is: Zij hebben Mij zonder reden gehaat. 26 Wanneer de Trooster komt, die Ik u zenden zal van de Vader, de Geest der Waarheid, die van de Vader uitgaat, zal deze van Mij getuigen; 27 en gij moet ook getuigen, want gij zijt van het begin aan met Mij.

15 november

Egoïsme en individualisme zijn wel de ziekten van deze tijd te noemen. Toch is het er vanouds. En Paulus spoort hier aan, vooral aan het belang van de ander te denken. En eensgezind te zijn. De strijd van het geloof is gemeenschappelijk en het leven volgens Gods wil is nooit een leven voor jezelf.

Als er iemand is, die heeft laten zien wat het inhoudt het belang van de ander voorop te stellen, dan is het onze Zaligmaker wel. In de bewoording van de apostel hier, wordt wel duidelijk dat Christus vrijwillig Zich gegeven heeft voor ons leven. Dat Hij zijn hoge positie in de hemelen vrijwillig heeft verlaten en Zich zo vernederd heeft, om in onze natuur te lijden. In Hem alleen kunnen wij rust vinden en vrede met God krijgen. Dankzij Zijn inzet voor ons belang! Wanneer u bedenkt hoeveel de Here Jezus heeft over gehad om u te redden, wanneer u bedenkt dat Hij al zijn privileges in de hemel heeft opgegeven om arme zondaren in deze wereld te redden; dan inspireert Zijn gezindheid om zelf ook zo gezind te zijn en het belang van de ander zoeken. Dat nu heeft Gods Zoon gedaan. Dit is Hem ook tot eeuwige eer en grote heerlijkheid geworden. Het levert oneindig veel op.

Verder lezen: Matteüs 20:20-2820 Toen kwam de moeder der zonen van Zebedeüs tot Hem, met haar zonen, en zij boog zich voor Hem neder, om iets van Hem te vragen. 21 Hij zeide tot haar: Wat wilt gij? Zij zeide tot Hem: Zeg, dat deze mijn twee zonen mogen zitten, één aan uw rechterzijde en één aan uw linkerzijde in uw Koninkrijk. 22 En Jezus antwoordde en zeide: Gij weet niet wat gij vraagt. Kunt gij de beker drinken, die Ik zal drinken? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen het. 23 Hij zeide tot hen: Mijn beker zult gij wel drinken, maar het zitten aan mijn rechterzijde en linkerzijde staat niet aan Mij te geven, maar het is voor hen, voor wie het bereid is door mijn Vader. 24 En toen de tien dit hoorden, namen zij het de beide broeders kwalijk. 25 Doch Jezus riep hen tot Zich en zeide: Gij weet, dat de regeerders der volken heerschappij over hen voeren en de rijksgroten oefenen macht over hen. 26 Zo is het onder u niet. Maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn, 27 en wie onder u de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn; 28 gelijk de Zoon des mensen niet gekomen is om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.

16 november

God is het die in u werkt, zowel het willen als het werken. Dat moeten we steeds bedenken in het geloof. Het geloof is niet werkloos. We hebben wat te doen. Werken aan onze zaligheid met vreze en beven. Hoe? Niet om te verdienen, maar wel om het beloofde te krijgen. De Here wil niet dat wij stil neerzitten in valse gerustheid. Met de gedachte: ‘het komt toch wel goed want ik hoor toch bij de kerk en ik ga er iedere zondag heen’. Nee, zo’n instelling is niet vanuit geloof. Net als gehoorzaamheid wanneer ouderlingen in de buurt zijn. Nee, het hart waarin God werkzaam is, zoekt de Here. En door geloof in Hem, willen we niet meer leven volgens eigen ideeën of wereldse opvattingen. De gezindheid van Christus moet in ons komen. Daarvoor moeten wij Zijn Geest in ons laten werken. Want Christus werkt Zelf, om de zaligheid aan Zijn bruidskerk te geven. Vol blijdschap gericht op de bruiloft. In blijdschap dienen en als sterren lichten in deze duistere wereld. Dat is maar niet een privilége voor superchristenen, die nu eenmaal zoveel kunnen, nee, dit is de opdracht voor iedereen, zonder onderscheid. Volkomen offerdienst, want Christus is een volkomen Verlosser. Opdat wij gelovig dienen.

Verder lezen: Jakobus 2:14-2614 Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert geloof te hebben, als hij geen werken heeft? Kan dat geloof hem behouden? 15 Stel, dat een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel, 16 en iemand uwer zegt tot hen: Gaat heen in vrede, houdt u warm en eet goed, zonder hen echter van het nodige voor het lichaam te voorzien, wat baat dit? 17 Zo is het ook met het geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood. 18 Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt geloof en ík heb werken. Toon mij dan uw geloof zonder de werken, en ik zal u mijn geloof tonen uit mijn werken. 19 Gij gelooft, dat God één is? Daaraan doet gij wèl, (maar) dat geloven de boze geesten ook en zij sidderen. 20 Wilt gij weten, gij dwaze mens, dat het geloof zonder de werken niets uitwerkt? 21 Is onze vader Abraham niet uit werken gerechtvaardigd, toen hij zijn zoon Isaak op het altaar legde? 22 Daaruit kunt gij zien, dat zijn geloof samenwerkte met zijn werken, en dat dit geloof pas volkomen werd uit de werken; 23 en het schriftwoord werd vervuld, dat zegt: Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend, en hij werd een vriend van God genoemd. 24 Gij ziet, dat een mens gerechtvaardigd wordt uit werken en niet slechts uit geloof. 25 En is niet evenzo Rachab, de hoer, uit werken gerechtvaardigd, toen zij de boodschappers in huis nam en langs een andere weg liet heengaan? 26 Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood.

17 november

Ook het ambtelijk werk dat Paulus organiseert voor de gemeente te Filippi is uit geloof. En daarbij gaat de apostel juist ook met verstand te werk. Hij stuurt eerst de dienaar Epafroditus terug naar de Filippenzen. Hij heeft Paulus een zeer goede dienst bewezen namens de gelovigen. En we zien in Epafroditus een liefde en opofferingsgezindheid, waarin Christus’ alles gevende liefde voor ons, tot uitdrukking komt.

En dan hoopt Paulus Timotheüs te zenden. Want ook die arbeider in de Here is gericht op het belang van de Filippische gelovigen. Paulus zendt in zijn gevangenschap zijn dienaren weg. Geven, geven in blijmoedigheid, doet hij. Om de broederschap, om de gemeente te bouwen en samen in geloof verenigd te worden. Dat wordt in de kerk gedaan. En dat moeten wij bedenken om te doen. Dienstbaar zijn om anderen vooruit te helpen. Dus bedenken wat uw naaste broeder of zuster echt helpt in het geloof. Andermans belang zoeken en dan samen zich verblijden over Gods grote daden in Christus Jezus onze Here.

Deze brief leert ons dit geloof. En dit stuk laat het bewijs er van zien. Het moedigt aan vandaag praktisch het belang van onze mede-gelovigen te dienen.

Verder lezen: Romeinen 16:1-161 Ik beveel Febe, onze zuster, [tevens] dienares der gemeente te Kenchreeën, bij u aan, 2 dat gij haar ontvangt in de Here op een wijze, de heiligen waardig, en haar bijstaat, indien zij u in het een of ander mocht nodig hebben. Want zij zelf heeft velen, ook mij persoonlijk, bijstand verleend. 3 Groet Prisca en Aquila, mijn medearbeiders in Christus Jezus, 4 mensen, die voor mijn leven hun hals gewaagd hebben. Niet ik alleen ben hun dankbaar, maar ook al de heidengemeenten. 5 Groet insgelijks de gemeente bij hen aan huis. Groet mijn geliefde Epenetus, de eersteling voor Christus uit Asia. 6 Groet Maria, iemand, die zich veel moeite voor u heeft gegeven. 7 Groet Andronikus en Junias, mijn stamgenoten en medegevangenen, mannen onder de apostelen in aanzien, die reeds vóór mij in Christus geweest zijn. 8 Groet Ampliatus, mijn geliefde in de Here. 9 Groet Urbanus, onze medewerker in Christus, en mijn geliefde Stachys. 10 Groet Apelles, die in Christus beproefd gebleken is. Groet hen, die behoren tot de kring van Aristobulus. 11 Groet mijn stamgenoot Herodion. Groet hen, die behoren tot de kring van Narcissus, die in de Here zijn. 12 Groet Tryfena en Tryfosa, vrouwen, die zich moeite gegeven hebben in de Here. Groet de geliefde Persis, die zich veel moeite gegeven heeft in de Here. 13 Groet Rufus, de uitverkorene in de Here, met zijn moeder, die ook voor mij een moeder is. 14 Groet Asynkritus, Flegon, Hermes, Patrobas, Hermas, en de broeders bij hen. 15 Groet Filologus, en Julia, Nereus met zijn zuster, en Olympas, benevens al de heiligen, die bij hen zijn. 16 Groet elkander met de heilige kus. U groeten al de gemeenten van Christus.

18 november

Filippenzen 3:1-161 Overigens, mijn broeders, verblijdt u in de Here! Hetzelfde aan u te schrijven is voor mij niet verdrietig en voor u is het veilig. 2 Let op de honden, let op de slechte arbeiders, let op de versnijdenis! 3 Want wíj zijn de besnijdenis, die door de Geest Gods Hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op vlees vertrouwen. 4 Ofschoon ik voor mij wel reden zou hebben om ook op vlees vertrouwen te stellen. Indien een ander meent op vlees te kunnen vertrouwen, ik nog meer: 5 besneden ten achtsten dage, uit het volk Israël, van de stam Benjamin, 6 een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een Farizeeër, naar mijn ijver een vervolger van de gemeente, naar de gerechtigheid der wet onberispelijk. 7 Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus' wil schade geacht. 8 Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen, 9 en in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof. 10 (Dit alles) om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, 11 zou mogen komen tot de opstanding uit de doden. 12 Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ík ook door Christus Jezus gegrepen ben. 13 Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb, 14 maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus. 15 Laten wij dan allen, die volmaakt zijn, aldus gezind zijn. En indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren; 16 maar hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder!

Dit gedeelte leert ons om waakzaam te zijn voor mensen die steunen op hun eigen gerechtigheid. Vervolgens evengoed om op uzelf te letten, dat u niet gaat roemen op iets van uzelf of wat u ooit hebt gedaan. Die verleiding is groter dan u denkt. De apostel leert ons dat hij al die zogenaamde religieuze prestaties ver van zich heeft weggeworpen; weggeworpen op de stortplaats van het afval, ja, weg ermee! Al die zogenaamde werken en al dat roemen in de mens.

Christus alleen. Ja, Hij alleen en ten volle. In het licht van Christus verbleken al onze zogenaamde prestaties. Meer nog, ze zijn allemaal met ongerechtigheid bevlekt. Onze gerechtigheden zijn als een vervuild kleed dat weggeworpen moet worden, de container in. Christus alleen is de volmaakt Rechtvaardige. Onze enige heilige Middelaar. Aan Hem hebben wij alles te danken. Heel onze rechtvaardiging is door het geloof. En dat is uit God. En dat heeft een doel. We moeten met Christus sterven en opstaan en komen tot de opstanding uit de doden. Dat is een flinke geestelijke marathonwedstrijd. We moeten in ons leven hier lang rennen, uithouden en doorzetten en jagen. En dus ook alle ballast achterlaten en wegwerpen en niet achterom kijken.

Verder lezen: I1 Korintiërs 41 Zo moet men ons beschouwen: als dienaren van Christus, aan wie het beheer van de geheimenissen Gods is toevertrouwd. 2 Voor zulke beheerders is dit tenslotte het vereiste: betrouwbaar te blijken. 3 Nu raakt het mij zeer weinig, of ik al door u of door enig menselijk gericht beoordeeld word. Ja, ook mijzelf beoordeel ik niet. 4 Want ik ben mij van niets bewust, maar daardoor ben ik niet gerechtvaardigd; Hij, die mij beoordeelt is de Here. 5 Daarom, velt geen oordeel vóór de tijd, dat de Here komt, die ook hetgeen in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen der harten openbaar maken. En dan zal aan elk zijn lof geworden van God. 6 Dit, broeders, heb ik op mijzelf en Apollos overgebracht om uwentwil, opdat gij uit ons (voorbeeld) zoudt leren niet te gaan boven hetgeen geschreven staat, opdat niet iemand uwer zich vóór de een en tegen de ander opblaze. 7 Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? En indien gij het dan ontvangen hebt, wat beroemt gij u, alsof gij het niet ontvangen hadt? 8 Reeds zijt gij verzadigd, reeds zijt gij rijk geworden, zonder ons hebt gij u koning gemaakt. Ja, was het maar zo, dat gij koning geworden waart; dan waren ook wij met u koning geworden. 9 Want het schijnt mij toe, dat God ons, apostelen, de laatste plaats heeft aangewezen als ten dode gedoemden, want wij zijn een schouwspel geworden voor de wereld, voor engelen en mensen. 10 Wij zijn dwaas om Christus' wil, maar gij zijt verstandig in Christus; wij zijn zwak, maar gij zijt sterk; gij zijt in aanzien, maar wij zijn niet in ere. 11 Tot op dit ogenblik verduren wij honger, dorst, naaktheid, vuistslagen en een zwervend leven; 12 wij verrichten zware handenarbeid; worden wij gescholden, wij zegenen; worden wij vervolgd, wij verdragen; 13 worden wij gelasterd, wij blijven vriendelijk; wij zijn als het uitvaagsel der wereld geworden, als aller voetveeg, tot op dit ogenblik toe. 14 Dit schrijf ik niet om u beschaamd te maken, maar om u als mijn geliefde kinderen terecht te wijzen. 15 Want al hadt gij duizenden opvoeders in Christus, gij hebt niet vele vaders. Immers, ik heb u in Christus Jezus door het evangelie verwekt. 16 Ik vermaan u dus: volgt mijn voorbeeld. 17 Juist hierom heb ik Timoteüs tot u gezonden, die mij een geliefd en trouw kind is in de Here. Hij zal u mijn wegen in Christus [Jezus] indachtig maken, zoals ik die overal in elke gemeente leer. 18 Doch sommigen hebben zich opgeblazen, in de waan, dat ik niet tot u komen zou; 19 maar spoedig zal ik tot u komen, zo de Here wil. Dan zal ik mij vergewissen, niet van het woord dier opgeblazenen, maar van hun kracht. 20 Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in woorden, maar in kracht. 21 Wat wilt gij? Moet ik met de roede tot u komen, of met liefde en in een geest van zachtmoedigheid?

19 november

Filippenzen 3:17-4:917 Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt. 18 Want velen wandelen - ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende - als vijanden van het kruis van Christus. 19 Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind. 20 Want wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, 21 die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen. 1 Daarom, mijn geliefde broeders, naar wie mijn verlangen uitgaat, mijn blijdschap en kroon, staat alzo vast in de Here, geliefden! 2 Euodia vermaan ik en Syntyche vermaan ik, eensgezind te zijn in de Here. 3 Ja, ik vraag ook u, mijn trouwe metgezel: wees haar behulpzaam. Want zij hebben tezamen met mij in de prediking van het evangelie gestreden, naast Clemens en mijn overige medearbeiders, wier namen staan in het boek des levens. 4 Verblijdt u in de Here te allen tijde! Wederom zal ik zeggen: Verblijdt u! 5 Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend. De Here is nabij. 6 Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God. 7 En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus. 8 Voorts, broeders, al wat waar, al wat waardig, al wat rechtvaardig is, al wat rein, al wat beminnelijk, al wat welluidend is, al wat deugd heet en lof verdient, bedenkt dat; 9 wat u geleerd en overgeleverd is, wat gij van mij gehoord en gezien hebt, breng dat in toepassing en de God des vredes zal met u zijn.

De apostel stelt hier een tegenstelling voor. Of u bent een mede-navolger van Paulus en de anderen, en dus navolger van Christus, of u wandelt als vijand van het kruis van Christus. Dat is een tegenstelling die aansluit op wat we gisteren lazen. Zij dan, die wandelen in strijd met het kruis, zijn bezig met hun besnijdenis (hun eer stellen zij in hun schande), met hun buik, oftewel de voedselvoorschriften. Zij zijn aardsgezind.

Hemels daarentegen is het burgerschap van wie geloven. En dat is van eeuwigheidswaarde en onvergankelijk. Vergankelijk zijn onze lichamen. Die gaan er aan. We moeten sterven. Maar Christus zal ons opwekken. Onsterfelijkheid en heerlijkheid is ons deel. Dus geen zorgen voor de dag van morgen maar vandaag leven onder een geopende hemel, met de vrede van God in Christus Jezus. Dan worden uw gedachten behoed om niet af te dwalen en u te verliezen in dwaze strijdvragen en onnodige ruzies met uw naasten.

Ten positieve roept de apostel op te bedenken wat goed is. Om verblijd en verheugd te zijn. En God te bidden, te smeken en te danken bij alles. Dat woordje ‘alles’ kun je wel een favoriet woord van de apostel noemen. Dus niets in het leven zonder God. Alles van en door Hem.

Verder lezen: Kolossenzen 2:16-3:416 Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, 17 dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is. 18 Laat niemand u de prijs doen missen door gewilde nederigheid en engelenverering, als ingewijde in wat hij heeft aanschouwd, zonder reden opgeblazen door zijn vleselijk denken, 19 terwijl hij zich niet houdt aan het hoofd, waaruit het gehele lichaam, door pezen en banden ondersteund en samengehouden, zijn goddelijke wasdom ontvangt. 20 Indien gij met Christus afgestorven zijt aan de wereldgeesten, waartoe laat gij u, alsof gij in de wereld leefdet, geboden opleggen: 21 raak niet, smaak niet, roer niet aan; 22 dat alles zijn dingen, die door het gebruik teloorgaan, zoals het gaat met voorschriften en leringen van mensen. 23 Dit toch is, al staat het in een roep van wijsheid met zijn eigendunkelijke godsdienst, zijn nederigheid en zijn kastijding van het lichaam, zonder enige waarde (en dient slechts) tot bevrediging van het vlees. 1 Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. 2 Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. 3 Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God. 4 Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.

20 november

Filippenzen 4:10-2310 Ik heb er mij ten zeerste over verblijd in de Here, dat gij nu eindelijk uw belangstelling in mij hebt kunnen verlevendigen, omdat gij wel belangstelling hadt, maar niet de gelegenheid. 11 Niet dat ik dit zeg, als zou ik gebrek lijden; want ik heb geleerd met de omstandigheden, waarin ik verkeer, genoegen te nemen. 12 Ik weet wat armoede is en ik weet wat overvloed is. In elk opzicht en in alle dingen ben ik ingewijd, zowel in verzadigd worden als in honger lijden, zowel in overvloed als in gebrek. 13 Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft. 14 Toch hebt gij er goed aan gedaan, te delen in mijn verdrukking. 15 Gij weet het zelf ook wel, Filippenzen; in het begin van mijn evangelieprediking, toen ik uit Macedonië vertrok, heeft geen enkele gemeente met mij in rekening van uitgave en ontvangst gestaan dan gij alleen. 16 Want ook te Tessalonica hebt gij mij een en andermaal ondersteuning gezonden. 17 Niet, dat het mij om de gave te doen zou zijn, maar het is mij te doen om de opbrengst, die als een tegoed op uw rekening aangroeit. 18 Nu is alles voldaan en ik ben rijkelijk voorzien; alles is aangezuiverd, nu ik van Epafroditus het door u gezondene ontvangen heb, een welriekend, een aangenaam, Gode welgevallig offer. 19 Mijn God zal in al uw behoeften naar zijn rijkdom heerlijk voorzien, in Christus Jezus. 20 Onze God en Vader nu zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid! Amen. 21 Groet iedere heilige in Christus Jezus. U groeten de broeders, die bij mij zijn. 22 U groeten al de heiligen, inzonderheid die aan het huis des keizers verbonden zijn. 23 De genade van de Here Jezus Christus zij met uw geest.

Ik ben tot alles in staat in Hem die mij kracht geeft. Dit is wel andere taal dan; ik kan niet, ik wil niet en hoeveel ‘nieten’ er wel niet bedacht zijn. In Hem, daar gaat het hier om. Dat is het geheim van het vermogen van de gelovigen. Hoe kon David volhouden in al zijn vervolgingen en omzwervingen? En ook, hoe kon de Here Jezus volhouden, die geen steen had om Zijn hoofd op neer te leggen? Antwoord: het geloof in God.

Zo is het voor wie in eenheid met Christus leven door het geloof, dat zij een onuitputtelijke Krachtbron hebben, wat de enige verklaring is voor het bestaan van de Christelijke Kerk. Door Christus’ bijstand houden de gelovigen, in alle omstandigheden vol. Niet door eigen kracht, maar door Zijn kracht. Zijn genade inspireert de gelovigen ook elkaar te ondersteunen en te helpen, zoals de Filippenzen Paulus hielpen. Dat bracht weer grote blijdschap. En de apostel wenst de Filippenzen weer alle zegen toe; dat God in alles zal voorzien. Zowel in het geestelijke als in het stoffelijke. In alles. In Christus Jezus, die alles voor ons is. De genade en de vrede van God vergezelschapt steeds de zijnen. Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheden.

Verder lezen: 2 Korintiërs 11:7-317 Of heb ik er verkeerd aan gedaan, dat ik, om u te verhogen, mijzelf vernederde door u om niet het evangelie Gods te verkondigen? 8 Andere gemeenten heb ik geplunderd door vergoeding aan te nemen om u van dienst te kunnen zijn, en toen ik bij u was en gebrek kreeg, ben ik niemand lastig gevallen, 9 want wat mij ontbrak, hebben de broeders, die uit Macedonië kwamen, aangevuld en in elk opzicht heb ik mij ervoor gewacht u tot last te zijn, en dit zal ik blijven doen. 10 Zo zeker als de waarheid van Christus in mij is: dit roemen zal mij niet belet worden in de streken van Achaje. 11 Waarom niet? Omdat ik u niet liefheb? God weet het. 12 Maar wat ik doe, zal ik blijven doen, om hun de gelegenheid af te snijden, die er een zoeken, zodat zij in hetgeen, waarin zij roemen, blijken te zijn zoals ook wij. 13 Want zulke lieden zijn schijn-apostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus. 14 Geen wonder ook! Immers, de satan zelf doet zich voor als een engel des lichts. 15 Het is dus niets bijzonders, indien ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren der gerechtigheid; maar hun einde zal zijn naar hun werken. 16 Nog eens: niemand houde mij voor onverstandig; of anders: aanvaardt mij als een onverstandige; dan kan ik ook een weinig roemen. 17 Wat ik zeg, zeg ik niet naar de Here, maar als in onverstand, aangenomen, dat wij mogen roemen. 18 Daar velen roemen naar het vlees, zal ook ik eens roemen. 19 Gij hebt immers gaarne geduld met onverstandigen, omdat gij zo verstandig zijt: 20 gij verdraagt het immers, als iemand u als slaven gebruikt, als iemand u opeet, als iemand beslag op u legt, als iemand groot doet, als iemand u in het aangezicht slaat. 21 Tot mijn schande moet ik erkennen, dat wij te zwak geweest zijn. En toch, wanneer iemand iets durft - ik spreek in onverstand - dan durf ik ook. 22 Hebreeën zijn zij? Ik ook. Israëlieten zijn zij? Ik ook. Nageslacht van Abraham zijn zij? Ik ook. 23 Dienaren van Christus zijn zij? - ik spreek tegen mijn verstand in - ik nog meer: in moeiten veel vaker, in gevangenschap veel vaker, in slagen maar al te zeer, in doodsgevaren menigmaal. 24 Van de Joden heb ik vijfmaal de veertig-min-één-slagen ontvangen, 25 driemaal ben ik met de roede gegeseld, eens ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een etmaal heb ik doorgebracht in volle zee; 26 telkens op reis, in gevaar door rivieren, in gevaar door rovers, in gevaar door volksgenoten, in gevaar door heidenen, in gevaar in de stad, in gevaar in de woestijn, in gevaar op zee, in gevaar onder valse broeders; 27 in moeite en inspanning, tal van nachten zonder slaap, in honger en dorst, tal van dagen zonder eten, in koude en naaktheid; 28 (en dan), afgezien van de dingen, die er verder nog zijn, mijn dagelijkse beslommering, de zorg voor al de gemeenten. 29 Indien iemand zwak is, zou ik het dan niet zijn? Indien iemand aanstoot neemt, zou ik dan niet in brand staan? 30 Moet er geroemd worden, dan zal ik van mijn zwakheid roemen. 31 De God en Vader van onze Here Jezus, geprezen zij Hij in eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg.

21 november

Kolossenzen 1:1-141 Paulus, door de wil van God een apostel van Christus Jezus, en Timoteüs onze broeder, 2 aan de heilige en gelovige broeders in Christus te Kolosse: genade en vrede zij u van God, onze Vader. 3 Wij danken God, de Vader van onze Here Jezus [Christus], te allen tijde bij ons bidden voor u, 4 daar wij gehoord hebben van uw geloof in Christus Jezus en van de liefde, die gij al de heiligen toedraagt, 5 om de hoop, die voor u is weggelegd in de hemelen. Daarvan hebt gij tevoren gehoord in de prediking der waarheid, het evangelie, 6 dat tot u gekomen is. Immers, in de gehele wereld draagt het vrucht en wast het op, zoals ook bij u, sedert de dag, dat gij het gehoord hebt en de genade Gods in waarheid hebt leren kennen; 7 zoals gij het vernomen hebt van Epafras, onze geliefde mededienstknecht, die voor u een getrouw dienaar van Christus is, 8 en ons ook kenbaar gemaakt heeft uw liefde in de Geest. 9 Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, 10 om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God. 11 Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld, 12 en dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht. 13 Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde, 14 in wie wij de verlossing hebben, de vergeving der zonden.

De apostel begint zijn brief, na de lezersgroet en zegenbede, met veelzeggende dankzeggingen. In enkele zinnen beschrijft hij de overvloeiende genade en zegen van God, die de gelovigen te Kolosse kregen. Ze zijn door de Vader overgebracht uit de macht van de duisternis naar het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde. Dat heilrijk feit is alleszeggend. Het is Gods werk. Paulus spreekt hier veel over de kennis van Gods wil, en dan bidt hij dat we er vervuld van worden. Wanneer u namelijk doordrongen bent van uw verlossing in Christus, die bestaat in de vergeving van uw zonden, dan ziet u Gods wil. De Vader heeft heilrijke gedachten en voornemens; die zijn ons in het werk van Christus bekend geworden. En wanneer u zich door het werk van Christus laat inspireren, dan komt er de wens om de Here in alles te behagen. Om uit dankbaarheid voor de verlossing, liefde te geven aan de heiligen. Er komt groei in dienstbaarheid. Paulus bidt voor alle wijsheid, in alle goed werk vrucht dragen, en spreekt van alle kracht en alle volharding. Het werk Gods is volmaakt. De kennis van Hem vervult met blijdschap, geloof, hoop en liefde. Het geeft overvloedig stof tot het hartelijk danken van de Here.

Verder lezen: Lucas 1:68-7968 Geloofd zij de Here, de God van Israël, want Hij heeft omgezien naar zijn volk en heeft het verlossing gebracht, 69 en heeft ons een hoorn des heils opgericht, in het huis van David, zijn knecht, 70 - gelijk Hij gesproken heeft door de mond zijner heilige profeten van oudsher - 71 om ons te redden van onze vijanden en uit de hand van allen, die ons haten, 72 om barmhartigheid te betonen aan onze vaderen en zijn heilig verbond te gedenken, 73 de eed, die Hij zwoer aan Abraham, onze vader, 74 dat Hij ons zou geven, zonder vreze, uit de hand der vijanden verlost, 75 Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen. 76 En gij, kind, zult een profeet des Allerhoogsten heten; want gij zult uitgaan voor het aangezicht des Heren, om zijn wegen te bereiden, 77 om aan zijn volk te geven kennis van heil in de vergeving hunner zonden, 78 door de innerlijke barmhartigheid van onze God, waarmede de Opgang uit de hoogte naar ons zal omzien, 79 om hen te beschijnen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods, om onze voeten te richten op de weg des vredes.

22 november

De hoge plaats van Christus, zijn eer, roem, lof, heerschappij en macht wordt hier door de apostel bezongen. Maar hoe hoog Christus ook verhoogd is en hoezeer alle dingen machtig, Hij is niet ver van ons. Want Hij is het Hoofd van de gemeente, en wij zijn met Hem verenigd. De Zoon, om Hem gaat het hier, door wie de Vader alle dingen geschapen heeft en die leeft tot in alle eeuwigheden, aan de Zoon zijn wij verbonden. Met Hem zijn wij verenigd. Hoe groot is deze genade wel niet!!

Door Zijn bloed aan het kruis heeft God alles met Zich verzoend van wat in de hemel en op de aarde is, zodat alles wat geschapen is, zijn verband en eenheid heeft in Christus. Heel de schepping heeft zijn bestaan en voortbestaan, en zijn redding na de zondeval, aan Christus te danken. Hij is het beeld van de onzichtbare God. Verzoening, vrede en leven hebben wij gekregen door het geloof in Hem. God houdt alle dingen in stand. Vast staat nu de aarde, zij wankelt niet. Ook de hemelen vertellen Gods eer, Zijn hoge majesteit en heerlijkheid. En doordat Christus verzoening gebracht heeft, is er vandaag alle reden God lief te hebben, te danken en te dienen.

Verder lezen: Psalm 961 Zingt de Here een nieuw lied, zingt de Here, gij ganse aarde. 2 Zingt de Here, prijst zijn naam, boodschapt zijn heil van dag tot dag. 3 Vertelt onder de volken zijn heerlijkheid, onder alle natiën zijn wonderen. 4 Want de Here is groot en zeer te prijzen, geducht is Hij boven alle goden; 5 want alle goden der volken zijn afgoden, maar de Here heeft de hemel gemaakt; 6 majesteit en luister zijn voor zijn aangezicht, sterkte en glorie in zijn heiligdom. 7 Geeft de Here, gij geslachten der volken, geeft de Here heerlijkheid en sterkte. 8 Geeft de Here de heerlijkheid van zijn naam, brengt offer en komt in zijn voorhoven. 9 Buigt u neder voor de Here in heilige feestdos, beef voor zijn aangezicht, gij ganse aarde. 10 Zegt onder de volken: De Here is Koning, vast staat nu de wereld, zodat zij niet wankelt; Hij zal de volken richten in rechtmatigheid. 11 De hemel verheuge zich, de aarde juiche, de zee bruise en haar volheid, 12 het veld en al wat daarop is, verblijde zich; dan zullen alle bomen des wouds jubelen 13 voor de Here, want Hij komt, want Hij komt om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid en de volken in zijn trouw.

23 november

Blijdschap om lijden. Dat is een tegenstelling. Maar niet als je verder kijkt. Want als dat lijden bijdraagt aan de eeuwige zaligheid van mensenkinderen, waardoor God geprezen wordt, dan is het lijden dienstbaar. Voor Paulus waren het de ijzeren ketenen waarin hij vast zat. Maar dat verhinderde hem niet om met spreken en schrijven te onderwijzen, zelfs hen die hem nooit hadden gezien. We zien dat Paulus zich ook voor hen inzet, die hij niet kent, maar over wie hij slechts via een ander had gehoord. Hij accepteert alle moeiten in blijdschap en strijdt door.

De kracht hiervoor krijgt hij van Christus. En dat is het waar u op moet letten. In alles waartoe de Here zijn kinderen roept, geeft Hij ook Zelf de kracht om te doen wat Hij vraagt. Daarom is er ook steeds de inspiratie en het vermogen om door te werken. En dat om de harten van de mede-gelovigen te troosten en de christenen in liefde verenigd te laten blijven met het oog op de kennis van Christus. Om het geheimenis van God te kennen. Om samen te kennen en te geloven, en van de rijkdom daarvan vervuld te worden. Christus, in het midden van de gemeente, Hij is het, door wie allen Gods gaven ontvangen. De focus ligt op Hem.

Verder lezen: Efeziërs 3:1-131 Daarom is het, dat ik, Paulus, die ter wille van Christus Jezus voor u, heidenen, in gevangenschap ben; 2 - gij hebt immers gehoord van de bediening door Gods genade mij met het oog op u gegeven: 3 dat mij door openbaring het geheimenis bekendgemaakt is, gelijk ik boven in het kort daarvan schreef. 4 Daarnaar kunt gij bij het lezen u een begrip vormen van mijn inzicht in het geheimenis van Christus, 5 dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heiligen, zijn apostelen en profeten: 6 (dit geheimenis), dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie, 7 waarvan ik een dienaar geworden ben naar de genadegave Gods, die mij geschonken is naar de werking zijner kracht. 8 Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, 9 en in het licht te stellen (wat) de bediening van het geheimenis (inhoudt), dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen, 10 opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden, 11 naar het eeuwige voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd, 12 in wie wij de vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen hebben door het geloof in Hem. 13 Daarom verzoek ik u met aandrang, de moed niet op te geven bij mijn verdrukkingen om uwentwil, want die zijn een eer voor u.

24 november

Kolossenzen 2:4-154 Dit zeg ik, opdat niemand u met drogredenen misleide. 5 Want al ben ik naar het vlees afwezig, naar de geest ben ik bij u en ik zie met blijdschap de orde, die bij u heerst, en de hechtheid van uw geloof in Christus. 6 Nu gij Christus Jezus, de Here, aanvaard hebt, wandelt in Hem, 7 geworteld en dan opgebouwd wordend in Hem, bevestigd wordend in het geloof, zoals u geleerd is, overvloeiende in dankzegging. 8 Ziet toe, dat niemand u medeslepe door zijn wijsbegeerte en door ijdel bedrog in overeenstemming met de overlevering der mensen, met de wereldgeesten en niet met Christus, 9 want in Hem woont al de volheid der godheid lichamelijk; 10 en gij hebt de volheid verkregen in Hem, die het hoofd is van alle overheid en macht. 11 In Hem zijt gij ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van Christus, 12 daar gij met Hem begraven zijt in de doop. In Hem zijt gij ook mede opgewekt door het geloof aan de werking Gods, die Hem uit de doden heeft opgewekt. 13 Ook u heeft Hij, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en onbesnedenheid naar het vlees, levend gemaakt met Hem, toen Hij ons al onze overtredingen kwijtschold, 14 door het bewijsstuk uit te wissen, dat door zijn inzettingen tegen ons getuigde en ons bedreigde. En dat heeft Hij weggedaan door het aan het kruis te nagelen: 15 Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd.

De apostel sprak van de schatten van wijsheid en kennis die in Christus verborgen zijn. Nu waarschuwt hij ervoor dat de gelovigen zich niet door mensen met een eigen wijsbegeerte en ijdel bedrog laten meeslepen als een prooi. Schepselmatige, wereldse wijsheid, door mensen overgeleverd, brengt slechts verderf. Het staat tegenover Christus, in wie de volheid der Godheid lichamelijk woont. Dat is iets ontzagwekkends. En het is volkomen wijs, omdat God in zijn wijsheid, door zijn eigen Zoon in ons vlees te zenden, tot ons is gekomen. En zo is Christus de wijsheid van God, dat Hij ons verzoend heeft met God door het handschrift van onze zonden aan het kruis te nagelen. Met Christus zijn wij gestorven en begraven en opgewekt. In Christus’ gedoopt te zijn, houdt ook in het lichaam van de zonden, als een vies kleed, te hebben uitgetrokken. Als u dat bedenkt, dan is er alle reden God te danken. Want in de kennis van de vergeving van onze zonden is ons leven. Wij zijn schoongewassen en rein. Alle menselijke religieuze redeneringen gooien we graag snel in de container. Die verontreinigen ons als de boze geesten, want die trekken ons van Christus af, die ons Hoofd en onze Verlosser is. In Hem is onze reiniging.

Verder lezen: Lucas 11:14-2814 En Hij was bezig een boze geest uit te drijven en deze was stom. En het geschiedde, toen de geest uitgevaren was, dat de stomme sprak. En de scharen verwonderden zich. 15 Doch sommigen van hen zeiden: Door Beëlzebul, de overste der boze geesten, drijft Hij de geesten uit. 16 Anderen begeerden, om Hem te verzoeken, van Hem een teken uit de hemel. 17 Maar Hij kende hun gedachten en zeide tot hen: Ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat ten onder, en het ene huis valt op het andere. 18 Indien ook de satan tegen zichzelf verdeeld is, hoe zal zijn koninkrijk kunnen standhouden? Want gij zegt, dat Ik door Beëlzebul de boze geesten uitdrijf. 19 Indien Ik door Beëlzebul de boze geesten uitdrijf, door wie doen uw zonen het dan? Daarom zullen zij rechters over u zijn. 20 Maar indien Ik door de vinger Gods de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen. 21 Wanneer een sterke, goed gewapende man zijn eigen hof bewaakt, is zijn bezit in veiligheid. 22 Maar wanneer iemand, die sterker is dan hij, hem aanvalt en hem overwint, rooft deze zijn wapenrusting, waarop hij vertrouwde, en verdeelt zijn buit. 23 Wie met Mij niet is, die is tegen Mij en wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit. 24 Zodra de onreine geest van de mens is uitgevaren, gaat hij door dorre plaatsen om rust te zoeken, en als hij die niet vindt, zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik ben uitgevaren. 25 En als hij komt, vindt hij het geveegd en op orde. 26 Dan trekt hij heen en neemt zeven andere geesten mede, bozer dan hij zelf; en zij komen binnen en wonen daar. En het wordt met die mens in het einde erger dan in het begin. 27 En het geschiedde, toen Hij deze dingen sprak, dat een vrouw uit de schare haar stem verhief en tot Hem zeide: Zalig de schoot, die U heeft gedragen, en de borsten, die Gij hebt gezogen. 28 Maar Hij zeide: Zeker, zalig, die het woord Gods horen en het bewaren.

25 november

Waar de apostel deze perikoop begint met de waarschuwing voor het oordeel der mensen met hun inzettingen, daar eindigt hij met het Evangelie. Christus is onze besnijdenis en we zijn met Hem gestorven en opgewekt. Zo ook hebben we een plaats in de hemel bij Hem en daar is een toekomst in heerlijkheid voor u en mij, met Hem. Wat een rijke beloften!

Maar schijnvrome voedselvoorschriften en andere door mensen bedachte regels, die door de tijd heen verdwijnen, helpen niets. Ja, die helpen je van de regen in de drup, en trekken je af van Christus. Wanneer dan ook de leer van het geloof niet wordt bedacht en niet uit het geloof geleefd, dan krijgen allerlei ideeën en meningen van mensen de overhand. Dan gaat het er alleen nog maar om hoe je leeft en niet meer wat je gelooft. En dan is het einde zoek. Dan is Christus zoek. Dan staat Hij niet meer in de aandacht, als de Koning die komt in goddelijke heerlijkheid. Als ons Hoofd vanwaaruit wij leven. En dit is het gevaar ook in deze tijd, dat we door leefpatronen denken gelukkig te worden. Maar, dit is aards en vergankelijk.

God heeft grotere en heerlijkere dingen geschonken!

Verder lezen: Johannes 14:1-141 Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. 2 In het huis mijns Vaders zijn vele woningen - anders zou Ik het u gezegd hebben - want Ik ga heen om u plaats te bereiden; 3 en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben. 4 En waar Ik heenga, daarheen weet gij de weg. 5 Tomas zeide tot Hem: Here, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg? 6 Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. 7 Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien. 8 Filippus zeide tot Hem: Here, toon ons de Vader en het is ons genoeg. 9 Jezus zeide tot hem: Ben Ik zolang bij u, Filippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader? 10 Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet; maar de Vader, die in Mij blijft, doet zijn werken. 11 Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is: of anders, gelooft om de werken zelf. 12 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader; 13 en wat gij ook vraagt in mijn naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt worde. 14 Indien gij Mij iets vraagt in mijn naam, Ik zal het doen.

26 november

Kolossenzen 3:5-175 Doodt dan de leden, die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die niet anders is dan afgoderij, 6 om welke dingen de toorn Gods komt. 7 Daarin hebt ook gij eertijds gewandeld, toen gij erin leefdet. 8 Maar thans moet ook gij dit alles wegdoen: toorn, heftigheid, kwaadaardigheid, laster en vuile taal uit uw mond. 9 Liegt niet meer tegen elkander, daar gij de oude mens met zijn praktijken afgelegd, 10 en de nieuwe aangedaan hebt, die vernieuwd wordt tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper, 11 waarbij geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar en Skyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is Christus. 12 Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. 13 Verdraagt elkander en vergeeft elkander, indien de een tegen de ander een grief heeft; gelijk ook de Here u vergeven heeft, doet ook gij evenzo. 14 En doet bij dit alles de liefde aan, als de band der volmaaktheid. 15 En de vrede van Christus, tot welke gij immers in één lichaam geroepen zijt, regere in uw harten; en weest dankbaar. 16 Het woord van Christus wone rijkelijk in u, zodat gij in alle wijsheid elkander leert en terechtwijst en met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen zingende, Gode dank brengt in uw harten. 17 En al wat gij doet met woord of werk, doet het alles in de naam des Heren Jezus, God, de Vader, dankende door Hem!

Tegenover de leer van eigen gerechtigheid, door voedselvoorschriften na te volgen, stelde de apostel het zoeken wat boven is, bij Christus. En zo komt hij er nu van te spreken te leven uit Christus tegenover het leven uit zonde en boosheid. Al de heerlijke eigenschappen van vers 1212 Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. en alle liefde en vergevingsgezindheid moet bij ons zijn. Ook in deze perikoop hanteert de apostel weer vaak het woordje al of alles (zie bij hoofdstuk 1:1-141 Paulus, door de wil van God een apostel van Christus Jezus, en Timoteüs onze broeder, 2 aan de heilige en gelovige broeders in Christus te Kolosse: genade en vrede zij u van God, onze Vader. 3 Wij danken God, de Vader van onze Here Jezus [Christus], te allen tijde bij ons bidden voor u, 4 daar wij gehoord hebben van uw geloof in Christus Jezus en van de liefde, die gij al de heiligen toedraagt, 5 om de hoop, die voor u is weggelegd in de hemelen. Daarvan hebt gij tevoren gehoord in de prediking der waarheid, het evangelie, 6 dat tot u gekomen is. Immers, in de gehele wereld draagt het vrucht en wast het op, zoals ook bij u, sedert de dag, dat gij het gehoord hebt en de genade Gods in waarheid hebt leren kennen; 7 zoals gij het vernomen hebt van Epafras, onze geliefde mededienstknecht, die voor u een getrouw dienaar van Christus is, 8 en ons ook kenbaar gemaakt heeft uw liefde in de Geest. 9 Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, 10 om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God. 11 Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld, 12 en dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht. 13 Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde, 14 in wie wij de verlossing hebben, de vergeving der zonden.). En niet alleen wenst hij de vrede van Christus toe, ook geeft hij de opdracht dankbaar te zijn. De zegeningen van het verbond komen namelijk in de weg van gehoorzaamheid tot ons. De rijke zegeningen die we dankzij Christus hebben, brengen ook de opdracht met zich mee, om zich in te zetten voor Christus’ gemeente, zijn Lichaam. Zodat we in ons handelen en spreken met elkaar, steeds de lof op God zoeken te vermeerderen. Alle onderwijzing, vermaning, vertroosting moeten we laten dienen om het geloof en de blijdschap in de Here Jezus Christus te vergroten en dus God te danken en te prijzen om al Zijn grote en rijkmakende zegeningen.

Deze tekst helpt om zich te bekeren. De tekst motiveert de naaste liefde te bewijzen. Deze tekst doet letten op al wat God door Christus voor u heeft gedaan.

Verder lezen: Matteüs 18:21-3521 Toen kwam Petrus bij Hem en zeide: Here, hoeveel maal zal mijn broeder tegen mij zondigen en moet ik hem vergeven? 22 Tot zevenmaal toe? Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig maal zevenmaal. 23 Daarom is het Koninkrijk der hemelen te vergelijken met een koning, die afrekening wilde houden met zijn slaven. 24 Toen hij begon te rekenen, werd een voor hem geleid, die tienduizend talenten schuldig was. 25 Omdat hij niet bij machte was te betalen, beval zijn heer hem te verkopen, met zijn vrouw en kinderen en al wat hij bezat, opdat er betaald kon worden. 26 De slaaf wierp zich neder als smekeling en zeide: Heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. 27 De heer van die slaaf kreeg medelijden met hem en hij liet hem vrij en schold hem de schuld kwijt. 28 Toen die slaaf wegging, trof hij een zijner medeslaven aan, die hem honderd schellingen schuldig was, en hij greep hem bij de keel en zeide: Betaal wat gij schuldig zijt. 29 De medeslaaf nu wierp zich voor hem neder en bad hem dringend, zeggende: Heb geduld met mij en ik zal u betalen. 30 Doch hij wilde niet, maar ging heen en zette hem gevangen, totdat hij het verschuldigde zou betaald hebben. 31 Toen nu zijn medeslaven zagen, wat er gebeurd was, werden zij zeer verdrietig en gingen hun heer al wat er gebeurd was, mededelen. 32 Toen ontbood zijn heer hem en zeide tot hem: Slechte slaaf, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, daar gij het mij dringend hadt gevraagd. 33 Hadt ook gij geen medelijden moeten hebben met uw medeslaaf, zoals ook ik medelijden had met u? 34 En zijn meester werd toornig en gaf hem in handen van de folteraars, totdat hij hem al het verschuldigde zou betaald hebben. 35 Alzo zal ook mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet, een ieder zijn broeder, van harte vergeeft.

27 november

Hoe impopulair deze voorschriften zijn in de huidige maatschappij behoeft geen toelichting. Onderwerping van vrouw aan man. Dat is iets ondenkbaars in deze seculiere eeuw. Toch is het een voorschrift waar geen vrouw schade door lijdt, omdat het volgens Gods scheppingsorde is. Het gaat om onderwerping in de Here, dus volgens zijn heilige wil. Hier is kruisiging van het vlees nodig. En dat geldt voor het naleven van al de voorschriften die de apostel hier geeft. We moeten bedenken dat we van nature tegen Gods bevelen in gaan. En het goedpraten daarvan, omdat we nu eenmaal zwak zijn, of omdat de wereld er zo over denkt, maakt de zonde alleen maar erger. We moeten daartegen strijden, en juist de poorten openzetten voor het Woord van God om ons te verlichten, te vernieuwen en gehoorzaam te maken. Opdat we niet leven volgens de normen van de huidige verdorven maatschappij en ons vlees, maar leven uit geloof volgens de norm van Gods heilig Woord. Door te geloven komen de hemelse zegeningen in Christus tot ons. Door zijn zegen krijgen we vrijmoedigheid en wijsheid om te spreken van Zijn verlossing. Verlossing doordat Hij Zich onderwierp aan de Vader, vrijwillig en gehoorzaam, tot de kruisdood.

Verder lezen: 1 Petrus 2:11-3:711 Geliefden, ik vermaan u als bijwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerten, die strijd voeren tegen uw ziel; 12 en dat gij een goede wandel leidt onder de heidenen, opdat zij, nader toeziende op datgene, waarin zij u als boosdoeners belasteren, op grond van uw goede werken God mogen verheerlijken ten dage der bezoeking. 13 Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen, om des Heren wil: hetzij aan de keizer, als opperheer, 14 hetzij aan stadhouders, als door hem gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van wie goed doen. 15 Want zó is het de wil van God, dat gij door goed te doen de mond snoert aan de onwetendheid van de onverstandige mensen, 16 als vrijen en niet als mannen, die de vrijheid misbruiken tot dekmantel voor hun kwaadwilligheid, maar als dienaren Gods. 17 Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de keizer. 18 Gij, huisslaven, weest in alle vreze uw meesters onderdanig, niet alleen de goede en vriendelijke, maar ook de verkeerde. 19 Want dit is genade, indien iemand, omdat hij met God rekening houdt, leed verdraagt, dat hij ten onrechte lijdt. 20 Want mag dát roem heten, als gij slagen moet verduren, omdat gij kwaad doet? Maar als gij goed doet en dan lijden moet verduren, dát is genade bij God. 21 Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden; 22 die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog is gevonden; 23 die, als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt; 24 die zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven; en door zijn striemen zijt gij genezen. 25 Want gij waart dwalende als schapen, maar thans hebt gij u bekeerd tot de herder en hoeder van uw zielen. 1 Evenzo gij, vrouwen, weest uw mannen onderdanig, opdat, ook indien sommigen aan het woord niet gehoorzaam zijn, zij door de wandel hunner vrouwen zonder woorden gewonnen worden, 2 doordat zij uw reine en godvrezende wandel opmerken. 3 Uw sieraad zij niet uitwendig: het vlechten van haar, het omhangen van goud of het dragen van gewaden, 4 maar de verborgen mens uws harten, met de onvergankelijke (tooi) van een zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is in het oog van God. 5 Want aldus tooiden zich ook weleer de heilige vrouwen, die hoopten op God, onderdanig aan haar mannen, 6 zoals Sara Abraham gehoorzaamde en hem heer noemde; en haar dochters zijt gij, als gij goed doet en u geen schrik laat aanjagen. 7 Desgelijks gij, mannen, leeft verstandig met uw vrouwen, als met brozer vaatwerk, en bewijst haar eer, daar zij ook medeërfgenamen zijn van de genade des levens, opdat uw gebeden niet belemmerd worden.

28 november

Kolossenzen 4:7-187 Van al mijn omstandigheden zal Tychikus, mijn geliefde broeder en getrouwe dienaar en mededienstknecht in de Here, u op de hoogte brengen. 8 Ik heb hem juist daarom tot u gezonden, dat gij zoudt vernemen, hoe het met ons staat en dat hij uw hart vertrooste, 9 samen met Onesimus, mijn getrouwe en geliefde broeder, die een der uwen is. Zij zullen u van alle omstandigheden hier op de hoogte brengen. 10 Aristarchus, mijn medegevangene, laat u groeten, en Marcus, de neef van Barnabas - over hem hebt gij opdracht gekregen; ontvangt hem, indien hij bij u mocht komen - 11 en Jezus genaamd Justus, de enigen uit de besnedenen, die mijn medewerkers zijn voor het Koninkrijk Gods, en die mij dan ook tot troost zijn geweest. 12 Epafras laat u groeten, die een der uwen is, een dienstknecht van Christus Jezus, altijd in zijn gebeden voor u worstelende, dat gij moogt staan, volmaakt en verzekerd bij alles wat God wil. 13 Want ik kan van hem getuigen, dat hij zich veel moeite heeft gegeven voor u en voor hen, die te Laodicea en te Hiërapolis zijn. 14 De geliefde geneesheer Lucas en ook Demas laten u groeten. 15 Groet de broeders te Laodicea; ook Nymfa met de gemeente bij haar aan huis. 16 En wanneer deze brief bij u is voorgelezen, zorgt dan, dat hij ook in de gemeente te Laodicea voorgelezen wordt en dat ook gij die van Laodicea u laat voorlezen. 17 En zegt tot Archippus: Zorg dat gij de bediening, die gij in de Here aanvaard hebt, ook vervult. 18 Een eigenhandige groet van mij, Paulus. Gedenkt mijn gevangenschap. De genade zij met u.

Hoe levend het verkeer was in de begindagen van de kerk in het Nieuwe Testament laat deze perikoop zien. Er is wederzijdse zorg voor elkaar. En er is aansporing dat te blijven doen. Vanwege gevangenschap om het geloof in de Here Jezus, is het niet gemakkelijk elkaar te ontmoeten en samen God te dienen. Maar toch verhindert dat niet het werk voor het Koninkrijk van God. De vele personen van wie de apostel de groeten laat overbrengen en de gemeenten die hij groet, laat duidelijk uitkomen hoezeer het geloof samenbindt. Maar dat neemt niet weg dat ook aansporing nodig is. Aan Archippus om zijn bediening te verrichten. En aan de gemeenten om brieven uit te wisselen en te laten voorlezen. De onderwijzing moet doorgaan en zo ook de opbouw in het gemeenschappelijk geloof.

Deze tekst spoort aan om naar elkaar om te zien en naar elkaars welstand te vragen. Om elkaar op te bouwen in het geloof. Voor elkaar te bidden. Elkaar te wijzen op Christus en te beseffen dat, in welke omstandigheid ook, zelfs in de koude gevangenis, de Here voortgaat met Zijn werk. Zodat ook in de kerker altijd licht schijnt. Zodat in onderlinge omgang, troost gevonden wordt, in Zijn genade.

Verder lezen: Handelingen 15:22-3422 Toen besloten de apostelen en de oudsten met de gehele gemeente mannen uit hun midden te kiezen en met Paulus en Barnabas naar Antiochië te zenden: Judas, genaamd Barsabbas, en Silas, mannen van aanzien onder de broeders. 23 En men schreef door hun bemiddeling: De apostelen en oudsten groeten als broeders de broeders uit de heidenen in Antiochië, Syrië en Cilicië. 24 Aangezien wij gehoord hebben, dat enigen uit ons midden u met hun woorden hebben verontrust, uw zielen in verwarring brengende, hoewel wij hun niets geboden hadden, 25 hebben wij eenstemmig besloten mannen te kiezen om die tot u te zenden met onze geliefden, Barnabas en Paulus, 26 mensen, die hun leven hebben overgehad voor de naam van onze Here Jezus Christus. 27 Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die zelf ook mondeling hetzelfde te uwer kennis zullen brengen. 28 Want het heeft de heilige Geest en ons goed gedacht, u verder geen last op te leggen dan dit noodzakelijke: 29 onthouding van hetgeen de afgoden geofferd is, van bloed, van het verstikte en van hoererij; indien gij u hier voor wacht, zult gij wèl doen. Vaart wel! 30 Toen men afscheid van hen genomen had, kwamen zij te Antiochië aan, riepen de vergadering bijeen en legden de brief over. 31 En toen zij die gelezen hadden, verblijdden zij zich over de bemoediging. 32 Judas en Silas, die zelf ook profeten waren, bemoedigden en versterkten de broeders met vele woorden. 33 En toen zij daar een tijd lang geweest waren, werden zij door de broeders met de vredegroet gezonden tot degenen, die hen hadden afgevaardigd. 34 [Maar Silas besloot op hen te wachten.

29 november

De apostel en zijn medewerkers danken God om het geloof, de liefde en de volharding die de Tessalonicenzen aan de dag hebben gelegd sinds ze het Evangelie hoorden en in geloof aannamen. Dat ging alleen gepaard met enorme vervolgingen door de jaloerse Joden. Die waren razend om wat Paulus verkondigde. Hoe zij toch in het geloof volhardden, is te danken aan de Here en duidelijk blijk van hun verkiezing. Ze ontvingen de leer daarbij in blijdschap van de Heilige Geest. En als vrucht van hun verkiezing werkte hun geloof veel goeds uit. Juist ook tegen de achtergrond van de vervolgingen. En zo ging er een uitnemend getuigenis van de gemeente te Tessalonica uit. Ze waren een voorbeeld voor de andere gemeenten in hun provincie en het nabijgelegen Achaje, maar ook nog verder. Zo zien we in deze eerste zinnen een getuigenis van de apostel hoe heerlijk het Evangelie doorwerkt. Daarom alle aandacht voor het Woord van het geloof. En het voortdurend gebed om de Heilige Geest, om in de blijdschap die Hij geeft, in dit geloof te volharden. In dit gebed de dag beginnen geeft goede verwachting in liefde, dankbaarheid en blijdschap het goede te werken uit geloof.

Verder lezen: Handelingen 17:1-141 En hun weg nemende over Amfipolis en Apollonia, kwamen zij te Tessalonica, waar een synagoge der Joden was. 2 En Paulus ging, zoals hij gewoon was, daar binnen en behandelde drie sabbatten achtereen met hen gedeelten uit de Schriften, 3 door aanhalingen uitleggende, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze de Christus is, die Jezus, die ik (zeide hij) u predik. 4 En enigen van hen lieten zich overtuigen en sloten zich bij Paulus en Silas aan, en ook een grote menigte Grieken, die God vereerden, en tal van voorname vrouwen. 5 Maar de Joden werden afgunstig en namen enkelen van het minste straatvolk te hulp, veroorzaakten een oploop, en brachten de stad in rep en roer; en zij stormden op het huis van Jason aan met de bedoeling hen voor de volksvergadering te brengen. 6 Maar toen zij hen niet vonden, sleurden zij Jason en enige broeders voor de stadsbestuurders, en schreeuwden: Dezen, die de wereld in opschudding gebracht hebben, zijn ook hier gekomen, 7 en Jason heeft hen in zijn huis opgenomen. En zij handelen allen in strijd met de geboden van de keizer door te beweren, dat er een andere koning, Jezus, is. 8 En zij maakten de bevolking en de stadsbestuurders, die dit hoorden, ongerust. 9 Doch toen dezen van Jason en de anderen een borgtocht hadden ontvangen, lieten zij hen vrij. 10 Maar de broeders zonden terstond in de nacht Paulus en Silas naar Berea, die, daar aangekomen, naar de synagoge der Joden gingen; 11 en dezen onderscheidden zich gunstig van die te Tessalonica, daar zij het woord met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen, of deze dingen zo waren. 12 Velen dan van hen kwamen tot het geloof, en van de aanzienlijke Griekse vrouwen en mannen niet weinigen. 13 Maar toen de Joden uit Tessalonica bemerkten, dat het woord Gods ook te Berea door Paulus werd verkondigd, kwamen zij ook daar de scharen opzetten en verontrusten. 14 Doch de broeders lieten toen terstond Paulus vertrekken in de richting van de zee, maar Silas en Timoteüs bleven daar achter.

30 november

Hoe Paulus en de zijnen het evangelie hebben gebracht aan de Tessalonicenzen was niet onbelangrijk. Hij brengt het hen hier in herinnering. Zijn onbaatzuchtigheid, zijn bereidheid zijn leven te geven. Het laat zien dat hij gedreven werd door de liefde van zijn hemelse Zender; Christus, die zijn leven voor ons heeft over gehad. Wanneer we dat bedenken en ook de trouw die voorgangers hebben bewezen, dan wordt ons oog gericht op de liefde waarmee Christus ons heeft liefgehad, zoals een vader eigen kinderen vermaant en een moeder haar eigen kinderen koestert. Ja, de hoogste liefde heeft God ons bewezen. Zijn roeping getuigt daarvan. Zijn Zoon, onze Here Jezus Christus heeft die liefde bewezen. Door Hem komt Gods roepstem tot ons. Daar is het eeuwig en onverderfelijk Koninkrijk dat God bestemd heeft. En de waarde daarvan, de glorie en heerlijkheid er van, neemt de verkondiger helemaal in. Zodat hij niets nalaat, ook geen zware strijd of levensgevaar, om de gelovigen te bemoedigen, aan te sporen en te onderwijzen, dit Rijk in te gaan, waar God toe roept en Christus plaats bereidt. Laten we dus de vermaningen van Christus’ ambtsdragers ter harte nemen, daaruit blijkt Zijn levendmakende liefde.

Verder lezen: Matteüs 4:12-1712 Toen Hij vernam, dat Johannes overgeleverd was, trok Hij Zich terug naar Galilea. 13 En Hij verliet Nazaret en ging wonen te Kafarnaüm, aan de zee, in het gebied van Zebulon en Naftali, 14 opdat vervuld zou worden het woord, door de profeet Jesaja gesproken, toen hij zeide: 15 Het land Zebulon en het land Naftali, aan de zeeweg, over de Jordaan, Galilea der heidenen: 16 het volk, dat in duisternis gezeten is, heeft een groot licht gezien, en voor hen, die gezeten zijn in het land en de schaduw des doods, is een licht opgegaan. 17 Van toen aan begon Jezus te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.

1 december

Deze tekst spreekt van de genegenheid van Paulus voor de Tessalonicenzen. Zij zijn evenals hij in strijd met de Joden gekomen. Een hevige, zware strijd, op leven en dood. De ijver waarmee de Joden van Tessalonica Paulus ook achtervolgden, toen hij het Evangelie kwam brengen, doen opmerken hoezeer de satan daar achter zat, om te verhinderen dat het Woord zich verbreidde. Maar zo krachtig en sterk is de liefde Gods in zijn Woord, dat het niet te stoppen is. Het is krachtig werkzaam in wie geloven. En die het geloven nemen het aan als Gods Woord. En juist dat Woord is het, dat ook wijst op de toorn van God. Een toorn, die rechtvaardig komt over alle ongerechtigheid van de mensen. Die vooral blijkt in het ten onder houden van de waarheid. Wat op zijn hoogtepunt komt in het doden van de profeten en de Christus. De enige verlossing van de komende toorn is er door de Here Jezus, de Zoon van God (zie hoofdstuk 1:1010 Hizkia verwekte Manasse, Manasse verwekte Amon, Amon verwekte Josia.).

Blijdschap is daar, wanneer de leer van de verlossing door Hem, wordt geloofd en beleden. Die blijdschap is er bij de dienaren, om hun leerlingen, omdat ze op Hem vertrouwen. De zaligheid is er alleen in Hem. En door strijd en aanvechting wordt de erekrans verkregen.

Verder lezen: Matteüs 21:33-4633 Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en er een heg omheen zette, en er een wijnpers in groef en een toren bouwde; en hij verhuurde die aan pachters en ging buitenslands. 34 Toen nu de tijd der vruchten naderde, zond hij zijn slaven naar die pachters om zijn vruchten in ontvangst te nemen. 35 Maar de pachters grepen zijn slaven, sloegen de ene, doodden de andere en stenigden een derde. 36 Hij zond weder andere slaven, nog meer dan eerst, en zij behandelden hen op dezelfde wijze. 37 Ten laatste zond hij zijn zoon tot hen, zeggende: Mijn zoon zullen zij ontzien. 38 Maar toen de pachters de zoon zagen, zeiden zij tot elkander: Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden om zijn erfenis aan ons te brengen. 39 En zij grepen hem en wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem. 40 Wanneer nu de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die pachters doen? 41 Zij zeiden tot Hem: Een kwade dood zal hij die kwaden doen sterven en de wijngaard zal hij verhuren aan andere pachters, die hem de vruchten op tijd zullen afleveren. 42 Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden; van de Here is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? 43 Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt. 44 [En wie op deze steen valt, zal verpletterd worden, en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen.] 45 En toen de overpriesters en de Farizeeën zijn gelijkenissen hadden gehoord, begrepen zij, dat Hij hen bedoelde. 46 En hoewel zij Hem trachtten te grijpen, vreesden zij de scharen, daar die Hem voor een profeet hielden.

2 december

I Tessalonicenzen 3:1-131 In die dagen trad Johannes de Doper op en hij predikte in de woestijn van Judea, 2 en zeide: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. 3 Hij toch is het, van wie door de profeet Jesaja gesproken werd, toen hij zeide: De stem van een, die roept in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, maakt recht zijn paden. 4 Hij nu, Johannes, droeg een kleed van kameelhaar en een lederen gordel om zijn lendenen; en zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilde honing. 5 Toen liep Jeruzalem en heel Judea en de gehele Jordaanstreek tot hem uit, 6 en zij lieten zich in de rivier, de Jordaan, door hem dopen, onder belijdenis van hun zonden. 7 Toen hij nu zag, dat vele van de Farizeeën en Sadduceeën tot de doop kwamen, zeide hij tot hen: Adderengebroed, wie heeft u een wenk gegeven om de komende toorn te ontgaan? 8 Brengt dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt; 9 en beeldt u niet in, dat gij bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot vader, want ik zeg u, dat God bij machte is uit deze stenen Abraham kinderen te verwekken. 10 Reeds ligt de bijl aan de wortel der bomen: iedere boom dan, die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. 11 Ik doop u met water tot bekering, maar Hij, die na mij komt, is sterker dan ik; ik ben niet waardig Hem zijn schoenen na te dragen; die zal u dopen met de heilige Geest en met vuur. 12 De wan is in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer geheel zuiveren en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur. 13 Toen kwam Jezus uit Galilea naar de Jordaan tot Johannes, om Zich door hem te laten dopen.

Verdrukking om het geloof was door de apostel aangekondigd. Hij werd vervolgd, zijn leerlingen zouden ook vervolgd worden. En dat om Christus’ wil. Dat was zo bestemd en dus onontkoombaar. Waar de apostel als ouder van zijn kinderen bezorgd om was, is of zij zouden blijven geloven en de verzoekingen doorstaan. Paulus was verheugd te horen van zijn medewerker Timotheüs dat zij hadden vol gehouden. Het gaf troost en leven, want zij stonden in de Here. Zijn dank aan God hierover was overvloedig. Hoe lief hij hen had blijkt in heel zijn schrijven, en de liefde was wederzijds. Daar is in de kerk tussen de gelovigen de hartelijke begeerte samen de Here te dienen en daarom ook het gebed dat de Here elkaar in liefde doe toenemen. Daaruit blijkt de gemeenschap der heiligen. Ook het begeren van elkaars toename in geloof en liefde werkt de Heilige Geest. Dus is ook het gebed om Zijn troostende bijstand in verdrukkingen dagelijks nodig. Met name in de samenkomst van de gemeente wordt om Zijn hulp gebeden. Laten we vandaag ook weer de Here bidden en danken om al zijn werk in en aan ons. En of Hij wil voortgaan ons in geloof en liefde op te bouwen op het fundament, onze Here Jezus Christus.

Verder lezen: Johannes 17:14-2614 Ik heb hun uw woord gegeven en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet uit de wereld zijn, gelijk Ik niet uit de wereld ben. 15 Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze. 16 Zij zijn niet uit de wereld, gelijk Ik niet uit de wereld ben. 17 Heilig hen in uw waarheid; uw woord is de waarheid. 18 Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik hen gezonden in de wereld; 19 en Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid. 20 En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, 21 opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt. 22 En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn: 23 Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt. 24 Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt - Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld. 25 Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en dezen weten, dat Gij Mij gezonden hebt; 26 en Ik heb hun uw naam bekend gemaakt en Ik zal hem bekend maken, opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij en Ik in hen.

3 december

Nadat de apostel drie hoofdstukken van goede tijding sprak, begint hij nu te vermanen. Allereerst om te blijven wandelen zoals zij geleerd hebben van de Here Jezus. Ook nu er vermaningen komen, inzake de omgang met het huwelijk en het dagelijks werk, moet bedacht worden, dat terechtwijzingen van de Here komen. Het gaat in de levensheiliging om de dienst en eer aan God. Vervolgens ook tot opbouw van het geloof van de broeders. De liefde die aan de broeders bewezen werd door de Tessalonicenzen wordt door Paulus geprezen. Toch spoort hij aan nog meer liefde te bewijzen. Niet zozeer omdat het niet genoeg was, maar omdat in meerder liefdebetoon de genade van God ook overvloediger blijkt. De eer en lof aan God en de verbreiding van het Koninkrijk Gods wordt hierdoor bevorderd. De kerk waarin de liefde bloeit en groeit kan rekenen op nog meer zegeningen van boven. En ook de buitenstaanders merken dit op en worden door de goede werken voor Christus gewonnen. Dat strekt dan tot behoud en vervulling van Gods Raad om zijn kerk tot volheid te doen komen. Ook daar moeten we aan denken in de dienst van de liefde van God en van Christus. Hierbij verwachten we terecht alles van Hem!

Verder lezen: Psalm 1331 Een bedevaartslied. Van David. Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, als broeders ook tezamen wonen. 2 Het is als de kostelijke olie op het hoofd, nedervloeiende op de baard, de baard van Aäron, die nedergolft op de zoom van zijn klederen. 3 Het is als dauw van de Hermon, die nederdaalt op de bergen van Sion. Want daar gebiedt de Here de zegen, leven tot in eeuwigheid.

4 december

I Tessalonicenzen 4:13-18.

Door het geloof in Christus, de Zoon van God, hebben we het leven en leven wij. De kracht van zijn opstanding is de kracht van ons leven. Ja, het onverderfelijk leven heeft Hij in Zich en heeft Hij de menselijke natuur geschonken met zijn opstanding uit de doden. Als wij met Hem gestorven en opgewekt zijn, hebben wij het eeuwige leven. Deze belofte van God is waarheid in Hem. Maar wij, die van Christus zijn, ontslapen nog wel. En dat roept bij elke graflegging bij ons zwakke mensenkinderen weer vragen op. Ook kan het gevoel opkomen dat er een verschil zit tussen het overlijden en het eeuwige leven dat wij in Christus bezitten. Hier, in deze perikoop staan de antwoorden die wij nodig hebben.

En de vraag, wanneer Hij wederkomt, is alleen de Vader bekend. Wij moeten ook hierin berusten. Ons tevreden stellen dat we nog leerlingen zijn en geduld hebben en ook elkaar troosten met deze woorden. De ontslapenen zullen eerst opgewekt worden bij Zijn komst. Hun ziel, als zij in geloof in de Here sterven, wordt direct tot Hem opgenomen. De hoop vervliegt dus niet bij het sterven. Integendeel, die hoop wordt eerder meer en meer, gelet op Zijn wederkomst.

Verder lezen: Handelingen 1:1-111 Mijn eerste boek heb ik gemaakt, Teofilus, over al wat Jezus begonnen is te doen en te leren, 2 tot de dag dat Hij werd opgenomen, nadat Hij aan de apostelen, die Hij had uitgekozen, door de heilige Geest zijn bevelen had gegeven; 3 aan wie Hij Zich ook na zijn lijden met vele kentekenen levend heeft vertoond, veertig dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft. 4 En terwijl Hij met hen aanzat, gebood Hij hun Jeruzalem niet te verlaten, maar te blijven wachten op de belofte van de Vader, die gij (zeide Hij) van Mij gehoord hebt. 5 Want Johannes doopte met water, maar gij zult met de heilige Geest gedoopt worden, niet vele dagen na deze. 6 Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël? 7 Hij zeide tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, 8 maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde. 9 En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen. 10 En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij henenvoer, zie, twee mannen in witte klederen stonden bij hen, 11 die ook zeiden: Galileese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen.

5 december

I Tessalonicenzen 5:1-111 En een zeker man, met name Ananias, met zijn vrouw Saffira, verkocht een eigendom, 2 hield iets van de opbrengst achter, met medeweten van zijn vrouw, en bracht een zeker deel en legde het aan de voeten der apostelen. 3 Maar Petrus zeide: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld om de heilige Geest te bedriegen en iets achter te houden van de opbrengst van het stuk land? 4 Als het onverkocht gebleven was, bleef het dan niet van u, en was, na de verkoop, de opbrengst niet te uwer beschikking? Hoe kondt gij aan deze daad in uw hart plaats geven? Gij hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God. 5 En bij het horen van deze woorden viel Ananias neder en blies de adem uit. En een grote vrees kwam over allen, die het hoorden. 6 En de jonge mannen stonden op en legden hem af, en zij droegen hem uit en begroeven hem. 7 En het geschiedde na verloop van ongeveer drie uur, dat zijn vrouw binnenkwam, onkundig van wat er gebeurd was. 8 En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gij het stuk land voor zoveel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zoveel. 9 En Petrus zeide tot haar: Hoe hebt gij kunnen overeenkomen om de Geest des Heren te verzoeken? Zie, de voeten van hen, die uw man hebben begraven, zijn aan de deur en zij zullen ook u uitdragen. 10 En zij viel terstond neder voor zijn voeten en blies de adem uit; en de jonge mannen kwamen binnen en vonden haar dood en zij droegen haar uit en begroeven haar bij haar man. 11 En een grote vrees kwam over de gehele gemeente en over allen, die dit hoorden.

De wederkomst van onze Heiland en Zaligmaker behoort onze aandacht te hebben, elke dag. We hebben door Hem het leven, en God heeft ons gesteld de zaligheid door Hem te verkrijgen. Bij zijn plotselinge komst, als een dief in de nacht, is het verderf daar voor de goddelozen die Hem niet verwachten en met zijn Woord geen rekening houden. Het zal zijn als in de dagen van Noach en als in de dagen van Sodom en Gomorra, terwijl men denkt: ‘er is niets aan de hand’. De haat, dronkenschap, doodslag die er onder de zondaren is, wordt dan vergolden. Er zal recht gedaan worden en de kerk zal verlost worden.

Wie echter wakker is, en kind van het licht is, die let op Hem die het licht geschapen heeft en het leven geeft. En die moet letten op zijn Woord. De apostel spoort aan nuchter te zijn en waakzaam. Hoewel wij niet weten wanneer Hij komt, zullen wij wel gereed moeten zijn, door namelijk te strijden in geloof, hoop en liefde en zo samen met Hem, onze Here Jezus Christus, te leven. Waarbij we voortdurend verzekerd zijn van Gods liefde voor ons, omdat Jezus het is, die voor ons gestorven is. Wakker zijn, dat is wandelen in het levenslicht dat God over u doet schijnen in Christus.

Verder lezen: Matteüs 24:32-4432 Leert dan van de vijgeboom deze les: Wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan, dat de zomer nabij is. 33 Zo moet ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weten, dat het nabij is, voor de deur. 34 Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt. 35 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan. 36 Doch van die dag en van die ure weet niemand, ook de engelen der hemelen niet, ook de Zoon niet, maar de Vader alleen. 37 Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn. 38 Want zoals zij in [die] dagen vóór de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop Noach in de ark ging, 39 en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn. 40 Dan zullen er twee in het veld zijn, één zal aangenomen worden en één achtergelaten worden; 41 twee vrouwen zullen aan het malen zijn met de molen, één zal aangenomen worden, en één achtergelaten worden. 42 Waakt dan, want gij weet niet, op welke dag uw Here komt. 43 Maar weet dit: Als de heer des huizes geweten had, in welke nachtwaak de dief zou komen, hij zou gewaakt hebben en in zijn huis niet hebben laten inbreken. 44 Daarom, weest ook gij bereid, want op een uur, dat gij het niet verwacht, komt de Zoon des mensen.

6 december

I Tessalonicenzen 5:12-2812 Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten vóór u vervolgd. 13 Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden. 14 Gij zijt het licht der wereld. Een stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. 15 Ook steekt men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar op de standaard, en zij schijnt voor allen, die in het huis zijn. 16 Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken. 17 Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. 18 Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied. 19 Wie dan één van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen. 20 Want Ik zeg u: Indien uw gerechtigheid niet overvloedig is, meer dan die der schriftgeleerden en Farizeeën, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan. 21 Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doodslaan; en: Wie doodslag pleegt, zal vervallen aan het gerecht. 22 Maar Ik zeg u: Een ieder, die in toorn leeft tegen zijn broeder, zal vervallen aan het gerecht. Wie tot zijn broeder zegt: Leeghoofd, zal vervallen aan de Hoge Raad, en wie zegt: Dwaas, zal vervallen aan het hellevuur. 23 Wanneer gij dan uw gave brengt naar het altaar en u daar herinnert, dat uw broeder iets tegen u heeft, 24 laat uw gave daar, vóór het altaar, en ga eerst heen, verzoen u met uw broeder en kom en offer daarna uw gave. 25 Wees vriendelijk jegens uw tegenpartij, tijdig, terwijl gij nog met hem onderweg zijt, opdat uw tegenpartij u niet aan de rechter overlevere en de rechter aan zijn dienaar en gij in de gevangenis wordt geworpen. 26 Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar voorzeker niet uitkomen, voordat gij de laatste penning hebt betaald. 27 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult niet echtbreken. 28 Maar Ik zeg u: Een ieder, die een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd.

Hoeveel rijkdom er in enkele korte zinnen kan zitten, wijst deze tekst aan. Jaag altijd het goede na voor eenieder, onthoud je van elke vorm van kwaad. Bid zonder ophouden, oftewel, leef in het gebed en dank God onder alles. Want heel het leven, alles wat kan voorvallen, gebeurt onder Zijn goede voorzienige leiding en regering. Steeds bewijst de Here zijn trouw, om, tot de komst van Christus, te doen blijken dat Zijn roeping tot de eeuwige zaligheid ook door Hem wordt waar gemaakt. Daarom is er alle reden daar ook voor te bidden. En het heerlijk vooruitzicht van de zaligheid, die de God van de vrede door Christus zal brengen, inspireert tot gebed, geduld, gehoorzaamheid, werkzaamheid, liefde, blijdschap en dankbaarheid. En steeds mag in alles de slotsom zijn: ‘God heeft door Christus vrede gemaakt en alles zal goed komen’. Maar dit is niet goedkoop. Het wil niet zeggen, dat er geen moeiten meer zijn. Maar door alle tranen en lijden heen, glinstert de dankbare blijdschap in de ogen. Want Christus heeft aan het kruis alles volbracht. Niemand en niets kan ons van Hem scheiden. En Hij komt. De troost van Christus te zijn, is steeds weer opnieuw de kracht van onze kracht.

Verder lezen: Psalm 841 Voor de koorleider. Op de Gittit. Van de Korachieten. Een psalm. 2 Hoe liefelijk zijn uw woningen, o Here der heerscharen! 3 Mijn ziel verlangt, ja smacht naar de voorhoven des Heren; mijn hart en mijn vlees jubelen tot de levende God. 4 Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen neerlegt: uw altaren, o Here der heerscharen, mijn Koning en mijn God. 5 Welzalig zij die in uw huis wonen, zij loven U gestadig. sela 6 Welzalig de mensen wier sterkte in U is, in wier hart de gebaande wegen zijn. 7 Als zij trekken door een dal van balsemstruiken, maken zij het tot een oord van bronnen; ook hult de vroege regen het in zegeningen. 8 Zij gaan voort van kracht tot kracht en verschijnen voor God in Sion. 9 Here, God der heerscharen, hoor mijn gebed, neem het ter ore, o God van Jakob! sela 10 O God, ons schild, zie en aanschouw het aangezicht van uw gezalfde. 11 Want één dag in uw voorhoven is beter dan duizend (elders); ik wil liever staan aan de drempel van het huis mijns Gods dan verblijven in de tenten der goddeloosheid. 12 Want de Here God is een zon en schild, de Here geeft genade en ere; het goede onthoudt Hij niet aan hen die onberispelijk wandelen. 13 Here der heerscharen, welzalig de mens die op U vertrouwt.

7 december

Evenals in de eerste brief tonen Paulus, Silvanus en Timotheüs hun dankbaarheid voor het geloof en de liefde van de Tessalonicenzen. En dat, terwijl de gemeente verdrukking ondergaat. Tegenover die verdrukking die van tijdelijke aard is, stelt de apostel de heerlijkheid die God door het oordeel van Christus brengt. Het onrecht, waaronder de christenen lijden, zal vergolden worden. Christus komt terug, zoals in de eerste brief ook nadrukkelijk is voorgesteld. En Zijn wederkomst is met de machtige engelen en tot vergelding van het kwaad van de bestrijders van het Evangelie. Hoe angstwekkend is zijn komst voor hen die God niet erkennen in het Evangelie van de Christus.

Maar hoe troostrijk voor wie de Here vrezen. Maar om vol te houden is steeds Gods hulp nodig. Daarvoor bidt de apostel hier ook. Dat God toch met kracht het werk van het geloof volmake! Aan Zijn welgevallen en zegenrijke krachtwerking is het gelegen. Dat Hij ook ons de roeping waardig achtte. Laten wij daar steeds om bidden. Want voor de verlossing van de kerk verwachten we het van Hem. Voor de verhoring van dit gebed is alles in Christus gelegen. Wiens heerlijkheid in de zijnen openbaar zal worden, op ongedachte wijze!

Verder lezen: Openbaring 2:8-118 En schrijf aan de engel der gemeente te Smyrna: Dit zegt de eerste en de laatste, die dood geweest is en levend geworden: 9 Ik weet uw verdrukking en armoede, hoewel gij rijk zijt, en de laster van hen, die zeggen, dat zij Joden zijn, doch het niet zijn, maar een synagoge des satans. 10 Wees niet bevreesd voor hetgeen gij lijden zult. Zie, de duivel zal sommigen uwer in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt, en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees getrouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon des levens. 11 Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, zal van de tweede dood geen schade lijden. en 6:9-179 En toen Hij het vijfde zegel opende, zag ik onder het altaar de zielen van hen, die geslacht waren om het woord van God en om het getuigenis, dat zij hadden. 10 En zij riepen met luider stem en zeiden: Tot hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet aan hen, die op de aarde wonen? 11 En aan elk hunner werd een wit gewaad gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat ook het getal vol zou zijn van hun mededienstknechten en hun broeders, die gedood zouden worden evenals zij. 12 En ik zag, toen Hij het zesde zegel opende, en daar geschiedde een grote aardbeving en de zon werd zwart als een haren zak en de maan werd geheel als bloed. 13 En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn wintervijgen laat vallen, wanneer hij door een harde wind geschud wordt. 14 En de hemel week terug als een boekrol, die wordt opgerold, en alle berg en eiland werd van zijn plaats gerukt. 15 En de koningen der aarde en de groten en de oversten over duizend en de rijken en de machtigen en iedere slaaf en vrije verborgen zich in de holen en de rotsen der bergen; 16 en zij zeiden tot de bergen en tot de rotsen: Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem, die gezeten is op de troon, en voor de toorn van het Lam; 17 want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?

8 december

II Tessalonicenzen 2

Ook vandaag de dag zijn er zogenaamde predikers die beweren te weten wanneer de Here terugkomt. Ze vullen sociale media met het aanwijzen van de antichrist en trekken zo de aandacht. Sensatiezucht wordt hierdoor gevoed. Het berekenen van de dag van Zijn komst is eigenlijk werk voor dwazen. Want het is niet te berekenen. Toch wijst de apostel wel op het gegeven dat eerst de afval van het Christelijke geloof komt en de mens der wetteloosheid zich zal openbaren. Maar dat is ook op zijn tijd (vers 66 Doch dit hebt gij, dat gij de werken der Nikolaïeten haat, welke ook Ik haat.). Alle tijd en gelegenheid blijft onder Gods voorzienige regering. En het verslaan van de wetteloze? Daar zal de Here Jezus voor zorgen. We hebben evenwel te waken voor de verleidingen en ons te beijveren in alle goed werk, dat voor God en mensen aangenaam is. En daarbij goed bedenken dat God ons verkoren heeft en geroepen, tot het verkrijgen van de heerlijkheid van onze Here Jezus Christus. Laten we vasthouden wat ons in de kerk is overgeleverd, de goede leer van het Woord. De Here Zelf troost onze harten in de verdrukking en sterkt tot zijn dienst, waarin wij grote vreugde vinden. Wees dan actief en paraat om Zijn Koninkrijk te zoeken in de liefde voor de waarheid van het Evangelie!

Verder lezen: Openbaring 131 En ik zag uit de zee een beest opkomen met tien horens en zeven koppen; en op zijn horens tien kronen en op zijn koppen namen van godslastering. 2 En het beest, dat ik zag, was een luipaard gelijk, en zijn poten als van een beer en zijn muil als de muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn kracht en zijn troon en grote macht. 3 En (ik zag) een van zijn koppen als ten dode gewond, en zijn dodelijke wond genas; en de gehele aarde ging het beest met verbazing achterna, 4 en zij aanbaden de draak, omdat hij aan het beest de macht gegeven had, en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is aan het beest gelijk? en: Wie kan er oorlog tegen voeren? 5 En hem werd een mond gegeven, die grote woorden en godslasteringen spreekt; en hem werd macht gegeven dit tweeënveertig maanden lang te doen. 6 En (het beest) opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om zijn naam te lasteren en zijn tent en hen, die in de hemel wonen. 7 En hem werd gegeven om tegen de heiligen oorlog te voeren en hen te overwinnen; en hem werd macht gegeven over elke stam en natie en taal en volk. 8 En allen, die op de aarde wonen, zullen het (beest) aanbidden, ieder, wiens naam niet geschreven is in het boek des levens van het Lam, dat geslacht is, sedert de grondlegging der wereld. 9 Indien iemand een oor heeft, hij hore. 10 Indien iemand in gevangenschap voert, dan gaat hij in gevangenschap; indien iemand met het zwaard zal doden, dan moet hij zelf met het zwaard gedood worden. Hier blijkt de volharding en het geloof der heiligen. 11 En ik zag een ander beest opkomen uit de aarde en het had twee horens als die van het Lam, en het sprak als de draak. 12 En het oefent al de macht van het eerste beest voor diens ogen uit. En het bewerkt, dat de aarde en zij, die daarop wonen, het eerste beest zullen aanbidden, welks dodelijke wond genezen was. 13 En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel doet nederdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen. 14 En het verleidt hen, die op de aarde wonen, wegens de tekenen, die hem gegeven zijn te doen voor de ogen van het beest. En het zegt tot hen, die op de aarde wonen, dat zij een beeld moeten maken voor het beest, dat de wond van het zwaard had en (weer) levend geworden is. 15 En hem werd gegeven om aan het beeld van het beest een geest te schenken, zodat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken dat allen, die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood werden. 16 En het maakt, dat aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken gegeven wordt op hun rechterhand of op hun voorhoofd, 17 [en] dat niemand kan kopen of verkopen, dan wie het merkteken, de naam van het beest, of het getal van zijn naam heeft. 18 Hier is de wijsheid: wie verstand heeft, berekene het getal van het beest, want het is een getal van een mens, en zijn getal is zeshonderd zesenzestig.

9 december

II Tessalonicenzen 3

De gedachte aan Christus’ wederkomst werkt bij sommigen een verkeerde lijdelijkheid uit. Alsof het nu niet meer nodig is actief en paraat God te dienen in en met het dagelijks werk. De toekomst zou een luilekkerland zijn en waarom dan nu nog moeilijk werk doen terwijl die toekomst op handen is?

Hiertegenover staat het gebed van Paulus: “De Here neige uw harten tot de liefde Gods en tot de volharding van Christus.” Worden wij door de Heilige Geest op Gods liefde gericht en worden we er van doordrongen hoe onze Zaligmaker tot het einde toe volhard heeft, dan inspireert dat juist tot het einde toe door te werken. Ja, juist onder inspiratie van de liefde van God is daar een trouw arbeiden. Dat is nooit tevergeefs. Want wat voor een resultaat heeft Christus bereikt! En daarin mogen we uit genade delen, en Gods vrede deelachtig zijn. Maar wie Gods genade als dekmantel voor luiheid misbruiken, moeten vermaand en vervolgens op broederlijke wijze uitgesloten worden van vriendelijke omgang. Ze moeten zo voelen dat zij handelen tegen de regel van de Here. Als Hij werkt, dan moeten wij dat ook doen. Om voor Christus dienend te werken, zodat het Woord snel loopt, een heerlijke dingen uitwerkt!

Verder lezen: Galaten 6:1-101 Broeders, zelfs indien iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen. 2 Verdraagt elkanders moeilijkheden; zó zult gij de wet van Christus vervullen. 3 Want indien iemand zich verbeeldt, dat hij iets is, en het niet is, dan vergist hij zich zeer. 4 Ieder moet zijn eigen werk toetsen; dan zal hij slechts voor zichzelf stof tot roem hebben en niet voor een ander. 5 Want ieder zal zijn eigen last dragen. 6 En hij, die onderricht wordt in het woord, dele van alle goed mede aan wie dat onderricht geeft. 7 Dwaalt niet, God laat niet met Zich spotten. Want wat een mens zaait, zal hij ook oogsten. 8 Want wie op (de akker van) zijn vlees zaait, zal uit zijn vlees verderf oogsten, maar wie op (de akker van) de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten. 9 Laten wij niet moede worden goed te doen, want, wanneer het eenmaal tijd is, zullen wij oogsten, als wij niet verslappen. 10 Laten wij dus, daar wij de gelegenheid hebben, doen wat goed is voor allen, maar inzonderheid voor onze geloofsgenoten.

10 december

Titus 11 Paulus, een dienstknecht van God, een apostel van Jezus Christus, naar het geloof der uitverkorenen Gods en de erkentenis van de waarheid, die naar de godsvrucht is, 2 in de hoop des eeuwigen levens, dat God, die niet liegt, vóór eeuwige tijden beloofd heeft, terwijl Hij te zijner tijd zijn woord heeft openbaar gemaakt in de verkondiging, 3 die mij is toevertrouwd in opdracht van God, onze Heiland: 4 aan Titus, mijn waar kind krachtens (ons) gemeenschappelijk geloof: genade zij u en vrede van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze Heiland. 5 Ik heb u op Kreta achtergelaten met de bedoeling, dat gij in orde zoudt brengen hetgeen nog verbetering behoefde, en dat gij, zoals ik u opdroeg, in alle steden als oudsten zoudt aanstellen mannen, 6 die onberispelijk zijn, één vrouw hebben, die gelovige kinderen hebben, die niet in opspraak zijn wegens losbandigheid of van geen tucht willen weten. 7 Want een opziener moet onberispelijk zijn als een beheerder van het huis Gods, niet aanmatigend, niet driftig, niet aan de wijn verslaafd, niet opvliegend, niet op oneerlijke winst uit, 8 maar gastvrij, met liefde voor wat goed is, bezadigd, rechtvaardig, vroom, ingetogen, 9 zich houdende aan het betrouwbare woord naar de leer, zodat hij ook in staat is te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen. 10 Want velen willen van geen tucht weten: het zijn ijdele praters en misleiders, vooral die uit de besnijdenis zijn. 11 Men moet hun de mond snoeren, daar zij gehele gezinnen ondersteboven keren en, om oneerlijke winst te maken, onbehoorlijke dingen leren. 12 Iemand uit hun kring, hun eigen profeet, heeft gezegd: Leugenaars zijn de Kretenzen altijd, beesten en vadsige buiken. 13 Dit getuigenis is waar. Daarom, weerleg hen kortweg, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof, 14 en niet het oor lenen aan Joodse verdichtsels en geboden van mensen, die zich van de waarheid afkeren. 15 Alles is rein voor de reinen, maar voor hen, die besmet en onbetrouwbaar zijn, is niets rein. Maar bij hen zijn zowel het denken als het geweten besmet. 16 Zij belijden wel, dat zij God kennen, maar met hun werken verloochenen zij Hem, daar zij verfoeilijk en ongehoorzaam zijn en niet deugen voor enig goed werk.

Paulus schrijft aan zijn geestelijke zoon Titus over de hoop van de gelovigen op het eeuwige leven. Die hoop is een vaste hoop, want ze rust op de vaste, aloude beloften van God, die niet liegen kan. Onze zaligheid hangt maar niet af van onze eigen inspanningen, maar is verankerd in Gods eeuwige raad. En dat biedt rijke troost.

Troost die dringend nodig is in de weerbarstige praktijk van het leven hier op aarde. Titus heeft een zware taak op het eiland Kreta: hij moet de jonge christelijke gemeenten aldaar in orde brengen, onder meer door er bekwame oudsten aan te stellen. En bekwaam, dat is niemand uit zichzelf, zoals Paulus elders aangeeft, “maar onze bekwaamheid is Gods werk” (2 Korintiërs 3:55 Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets als óns werk in rekening te brengen, maar onze bekwaamheid is Gods werk.). Oudsten of opzieners moeten oprecht en betrouwbaar zijn, en zich bovenal houden aan het betrouwbare Woord van God. Alleen zo kunnen zij de kudde van Christus weiden en beschermen.

En bescherming is nodig, want Kreta wemelt van de dwaalleraars. Zij moeten worden weerlegd op grond van de gezonde leer van Christus. Verraderlijk is daarbij vooral de huichelarij van mensen die wel met de mond belijden dat ze God kennen, maar met hun werken het tegendeel bewijzen. Het herinnert ons eraan dat we niet alleen hoorders van het Woord moeten zijn, maar ook daders, met goede werken als vruchten van een levend geloof.

Verder lezen: Jakobus 1:19-2719 Weet (dit) wel, mijn geliefde broeders: ieder mens moet snel zijn om te horen, langzaam om te spreken, langzaam tot toorn; 20 want de toorn van een man brengt geen gerechtigheid voor God voort. 21 Legt dus af alle vuilheid en alle uitwas van boosheid en neemt met zachtmoedigheid het in u geplante woord aan, dat uw zielen kan behouden. 22 En weest daders des woords en niet alleen hoorders: dan zoudt gij uzelf misleiden. 23 Want wie hoorder is van het woord en niet dader, die gelijkt op een man, die het gelaat, waarmede hij geboren is, in een spiegel beschouwt; 24 want hij heeft zich beschouwd, is heengegaan en heeft terstond vergeten, hoe hij er uitzag. 25 Maar wie zich verdiept in de volmaakte wet, die der vrijheid, en daarbij blijft, niet als een vergeetachtige hoorder, doch als een werkelijk dader, die zal zalig zijn in zijn doen. 26 Indien iemand meent godsdienstig te zijn en daarbij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart misleidt, diens godsdienst is waardeloos. 27 Zuivere en onbevlekte godsdienst voor God, de Vader, is: omzien naar wezen en weduwen in hun druk en zichzelf onbesmet van de wereld bewaren.

11 december

Titus 21 Maar gij, kom uit voor hetgeen met de gezonde leer strookt. 2 Oude mannen moeten nuchter zijn, waardig, bezadigd, gezond in het geloof, de liefde en de volharding. 3 Oude vrouwen eveneens, priesterlijk in haar optreden, niet kwaadsprekend, niet verslaafd aan veel wijn, in het goede onderrichtende, 4 zodat zij de jonge vrouwen opwekken man en kinderen lief te hebben, 5 bezadigd, kuis, huishoudelijk, goed en aan haar man onderdanig te zijn, opdat het woord Gods niet gelasterd worde. 6 Vermaan evenzo de jonge mannen bezadigd te zijn in alles, 7 houd (hun) in uzelf een voorbeeld voor van goede werken, zuiverheid in de leer, waardigheid, 8 een gezonde prediking, waarop niets valt aan te merken, opdat de tegenstander tot zijn beschaming niets ongunstigs van ons hebbe te zeggen. 9 De slaven moeten hun meesters onderdanig zijn in alles, het hun naar de zin maken zonder tegenspraak, 10 of oneerlijkheid, maar alle goede trouw bewijzen, om de leer van God, onze Heiland, in alles tot sieraad te strekken. 11 Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen, 12 om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, 13 verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, 14 die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken. 15 Spreek hiervan, vermaan en weerleg met alle nadruk: niemand mag u verachten.

Paulus roept Titus op om met een gezonde prediking, waartegen niets valt in te brengen, te verkondigen wat met de gezonde leer strookt. En die gezonde leer moet in de kerk worden versierd met een godvruchtig leven. Zowel oude als jonge mannen en vrouwen worden aangespoord om te leven zoals het bij hen past, een ieder in zijn hoedanigheid en rol. Daarbij moet Titus ook zelf een voorbeeld zijn in leer en leven. Zelfs de slaven hebben hun roeping: zij moeten trouw zijn aan hun meesters, zoals wij allen trouw moeten zijn jegens allen die over ons gesteld zijn. Een ieder van ons is geroepen om voor de Heere te leven, niet alleen op de zondag, maar ook doordeweeks.

Maar hoe komen we tot zo’n heilige levenswandel? Enkel en alleen door de heilbrengende genade van God. Deze genade voedt ons op. Ze leert ons onze zondige begeerten steeds meer de rug toe te keren en godvruchtig te leven. Christus gaf Zichzelf immers aan het kruis om ons vrij te kopen en voor Zichzelf een eigen volk te reinigen dat vol ijver is om het goede te doen. Wij mogen delen in het heil van Christus, om uit dank daarvoor heilig te leven in deze wereld, terwijl we intussen verlangend uitzien naar de wederkomst van onze Heiland, Christus Jezus!

Verder lezen: Efeziërs 2:1-101 Ook u, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en zonden, 2 waarin gij vroeger gewandeld hebt overeenkomstig de loop dezer wereld, overeenkomstig de overste van de macht der lucht, van de geest, die thans werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid, 3 - trouwens, ook wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns - , 4 God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, 5 ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, - door genade zijt gij behouden - , 6 en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, 7 om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus. 8 Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; 9 niet uit werken, opdat niemand roeme. 10 Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.

12 december

Titus 31 Herinner hen eraan, dat zij zich aan overheid en gezag onderwerpen, gehoorzaam, tot alle goed werk bereid zijn, 2 geen lastertaal uiten, niet twisten, vriendelijk zijn en alle zachtmoedigheid bewijzen aan alle mensen. 3 Want vroeger waren ook wij verdwaasd, ongehoorzaam, dwalende, verslaafd aan velerlei begeerten en zingenot, levende in boosheid en nijd, hatelijk en elkander hatende. 4 Maar toen de goedertierenheid en mensenliefde van onze Heiland (en) God verscheen, 5 heeft Hij, niet om werken der gerechtigheid, die wij zouden gedaan hebben, doch naar zijn ontferming ons gered door het bad der wedergeboorte en der vernieuwing door de heilige Geest, 6 die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onze Heiland, 7 opdat wij, gerechtvaardigd door zijn genade, erfgenamen zouden worden overeenkomstig de hope des eeuwigen levens. 8 Dit is een getrouw woord en ik wil, dat gij op dit punt een krachtig getuigenis geeft, opdat zij, die hun vertrouwen op God gebouwd hebben, ervoor zorgen vooraan te staan in goede werken. Die zijn schoon en voor de mensen nuttig; 9 maar dwaze vragen, geslachtsregisters, twist, en strijd over de wet moet gij ontwijken, want dat is nutteloos en doelloos. 10 Een mens, die scheuring maakt, moet gij, na hem een en andermaal terechtgewezen te hebben, afwijzen; 11 gij weet immers, dat zo iemand het spoor geheel bijster is, en dat hij zondigt, terwijl hij zichzelf veroordeelt. 12 Doe uw best, zodra ik Artemas of Tychikus tot u zend, tot mij te komen te Nikopolis, want ik heb besloten daar de winter door te brengen. 13 Help Zenas, de wetgeleerde, en Apollos met alle ijver voort, opdat hun niets ontbreke. 14 En laten ook de onzen leren vóór te gaan in goede werken, ter voorziening in hetgeen noodzakelijk is, opdat zij niet onvruchtbaar zijn. 15 Allen, die bij mij zijn, laten u groeten. Groet hen, die ons in het geloof liefhebben. De genade zij met u allen.

Titus moet de gelovigen eraan herinneren de overheid te gehoorzamen en vriendelijk en zachtmoedig te zijn voor alle mensen. Van nature doen wij dat niet. Van nature zijn wij verdwaasd, ongehoorzaam en verslaafd aan zondige begeerten. Die spiegel houdt Paulus ons hier voor, om ons ootmoedig te maken. We hebben geen enkele reden om ons hoogmoedig boven andere mensen te verheffen. Maar de apostel blijft niet steken bij onze zondige natuur. Want in Christus is Gods goedertierenheid en mensenliefde verschenen! In Christus heeft God ons gered, niet op grond van ónze goede werken, maar enkel en alleen naar Zíjn genadige ontferming over ons. Deze redding bestaat in onze rechtvaardiging uit vrije genade door het bloed van Christus en in onze heiligmaking door de Geest van Christus. Deze genadige redding gaat gepaard met een heilige roeping. Paulus benadrukt immers dat wie zijn vertrouwen op God heeft gebouwd, er zorg voor moet dragen vooraan te staan in goede werken. Goede werken zijn niet de oorzaak van onze redding, maar wel het onmisbare bewijs ervan. Dwaze twisten en bittere verdeeldheid moeten we vermijden, want die maken ons onvruchtbaar voor de Heere en ook voor anderen. Laten we ons dan ook overgeven aan Gods genade en Geest, opdat we in geloof en in liefde God eren en elkaar dienen.

Verder lezen: 1 Petrus 2:11-1711 Geliefden, ik vermaan u als bijwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerten, die strijd voeren tegen uw ziel; 12 en dat gij een goede wandel leidt onder de heidenen, opdat zij, nader toeziende op datgene, waarin zij u als boosdoeners belasteren, op grond van uw goede werken God mogen verheerlijken ten dage der bezoeking. 13 Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen, om des Heren wil: hetzij aan de keizer, als opperheer, 14 hetzij aan stadhouders, als door hem gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van wie goed doen. 15 Want zó is het de wil van God, dat gij door goed te doen de mond snoert aan de onwetendheid van de onverstandige mensen, 16 als vrijen en niet als mannen, die de vrijheid misbruiken tot dekmantel voor hun kwaadwilligheid, maar als dienaren Gods. 17 Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de keizer.

13 december

Evenals de brief aan de Hebreeën begint ook deze brief zonder groet. In preekstijl komt Johannes meteen met het evangelie: het eeuwige Woord des levens is mens geworden! En daarmee is het Woord niet slechts iéts, maar Iémand, een goddelijk Persóón. Zoals de apostel ook al duidelijk maakte aan het begin van zijn evangeliebeschrijving: het Woord was niet alleen bíj God, maar het Woord wás God. Johannes benadrukt dat dit maar geen verzonnen verhaal is. Hij is immers zelf oor- en ooggetuige van Christus! Hij heeft Hem horen spreken, Hem gezien en Hem zelfs met zijn eigen handen aangeraakt. En het gaat Johannes daarin vooral om één doel: gemeenschap. De apostel wil dat wij door een waar geloof in het getuigenis van de apostelen geestelijk gemeenschap met hen hebben. En daarmee ook met God de Vader en Zijn Zoon Jezus Christus. Ja dáártoe verkondigt Johannes wat hij gezien heeft en gehoord, opdat wij geloven en gemeenschap hebben met de Heere en de Zijnen. En die gemeenschap geeft reden tot blijdschap. In een leven vol zorgen, verdriet en onrust, mogen wij vaste vreugde vinden in onze verbondenheid met de Heere en met elkaar. Laten we ons dan ook dankbaar verblijden over de gemeenschap ván de heiligen áán de Heilige en alle heiligen!

Verder lezen: Johannes 1:1-141 In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. 2 Dit was in den beginne bij God. 3 Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. 4 In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; 5 en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen. 6 Er trad een mens op, van God gezonden, wiens naam was Johannes; 7 deze kwam als getuige om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden. 8 Hij was het licht niet, maar was om te getuigen van het licht. 9 Het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld. 10 Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend. 11 Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. 12 Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; 13 die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn. 14 Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid.

14 december

Johannes geeft door wat Hij van Christus Zelf gehoord heeft: God is Licht en dus volstrekt heilig. En als Licht vérlicht God ook óns. Dankzij Hem wandelen wij in het licht en dus niet meer in de duisternis van de zonde. Al betekent dat niet dat we al zonder enige zonde zijn. Want wie beweert geen zonde meer te hebben, misleidt zichzelf. Het betekent wel dat we ons door het geloof niet meer laten leiden door de zonde, maar door de Heere. Wanneer we voor Hem leven, hebben we gemeenschap met elkaar en met het bloed van Christus, dat ons reinigt van alle zonde. Maar dan moeten we dus wel eerlijk onze zonden belijden, juist om er vergeving voor te ontvangen. God is immers volkomen getrouw en rechtvaardig om te doen wat Hij heeft gezegd en beloofd; niet alleen om hardnekkige goddelozen te straffen, maar ook om schuldbewuste gelovigen te vergeven en te reinigen, te rechtvaardigen en te heiligen. Nu mogen we dit evangelie niet aangrijpen als een vrijbrief om maar te blijven zondigen. Maar zo vaak als we onverhoopt tóch zondigen, mogen we weten van onze Voorspraak bij de Vader, van onze hemelse Advocaat: Jezus Christus, die als de Rechtvaardige wél zonder enige zonde is! Door Zijn vergoten bloed is Hij de verzoening voor de zonden van álle gelovigen.

Verder lezen: Romeinen 6:1-141 Wat zullen wij dan zeggen? Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme? 2 Volstrekt niet! Immers, hoe zullen wij, die der zonde gestorven zijn, daarin nog leven? 3 Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn? 4 Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen. 5 Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn (met hetgeen gelijk is) aan zijn opstanding; 6 dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn; 7 want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde. 8 Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven, 9 daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft: de dood voert geen heerschappij meer over Hem. 10 Want wat zijn dood betreft, is Hij voor de zonde eens voor altijd gestorven; wat zijn leven betreft, leeft Hij voor God. 11 Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wèl dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus. 12 Laat dan de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam, zodat gij aan zijn begeerten zoudt gehoorzamen, 13 en stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God, als mensen, die dood zijn geweest, maar thans leven, en stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God. 14 Immers, de zonde zal over u geen heerschappij voeren, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.

15 december

Hoe weten we zeker dat we Christus kennen? Johannes antwoordt: als we Zijn geboden bewaren. Een geloof dat alleen maar uit mooie woorden bestaat, is een dood geloof. Wie zegt dat hij Christus kent en in Hem blijft, moet ook wandelen zoals Hij gewandeld heeft. Dat betekent niet dat wij Christus in Zijn middelaarsambt moeten imiteren of nadoen – Hij is immers de enige die kan verlossen – maar wel dat wij Hem moeten navolgen in de liefde waarmee Hij Zijn middelaarsambt vervult. Wij zijn immers niet verlost ómdat wij goede werken doen, maar ópdat wij goede werken doen; opdat wij wandelen in liefdevolle gehoorzaamheid aan Gods geboden. Die gehoorzaamheid spitst Johannes hier toe op de broederliefde. Dat is aan de ene kant een oud gebod, want het bevel tot naastenliefde klonk al in het Oude Testament, maar aan de andere kant ook een nieuw gebod, omdat deze liefde in Christus volmaakt is geopenbaard! Verlicht met de zaligmakende kennis van Zijn leer wijkt de duisternis van de haat uit ons hart. Wie dan ook beweert in het licht te wandelen, maar ondertussen zijn broeder of zuster haat, dwaalt feitelijk nog altijd blind rond in de geestelijke duisternis. Maar wie de ander van harte liefheeft, is en blijft in het Licht dat Christus is. Diegene ziet in Hem het eeuwige levenslicht.

Verder lezen: Johannes 15:9-179 Gelijk de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad; blijft in mijn liefde. 10 Indien gij mijn geboden bewaart, zult gij in mijn liefde blijven, gelijk Ik de geboden mijns Vaders bewaard heb en blijf in zijn liefde. 11 Dit heb Ik tot u gesproken, opdat mijn blijdschap in u zij en uw blijdschap vervuld worde. 12 Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad. 13 Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden. 14 Gij zijt mijn vrienden, indien gij doet, wat Ik u gebied. 15 Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet, wat zijn heer doet; maar u heb Ik vrienden genoemd, omdat Ik alles, wat Ik van mijn Vader gehoord heb, u heb bekend gemaakt. 16 Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen en u aangewezen, opdat gij zoudt heengaan en vrucht dragen en uw vrucht zou blijven, opdat de Vader u alles geve, wat gij Hem bidt in mijn naam. 17 Dit gebied Ik u, dat gij elkander liefhebt.

16 december

De apostel bemoedigt de gelovigen als zijn geestelijke kinderen. Jongeren én ouderen – allen mogen weten van de vergeving van hun zonden om Christus’ wil. Zij allen kennen de eeuwige God en hebben in Christus de boze overwonnen. Zo staan zij op een rotsvast fundament.

Maar dan klinkt een ernstige waarschuwing: heb de wereld niet lief! Met ‘de wereld’ bedoelt Johannes niet Gods goede schepping, maar al het goddeloze dat zich tegen de Heere verzet. Wie dié wereld liefheeft, heeft in zijn hart geen ruimte voor de liefde van God. We moeten er dan ook voor waken ons niet te laten leiden door de begeerte van ons vlees of door de wellust van onze ogen, en ons niet over te geven aan een hoogmoedig leven waarin we onszelf in het middelpunt plaatsen.

Wereldsgezindheid is bovendien heel gevaarlijk. Want de goddeloze wereld met al haar verlokkingen gaat onherroepelijk voorbij. Wie dáárvoor leeft, bouwt op drijfzand en verliest straks alles. Maar wie door Gods genade Zijn wil doet en zich aan Christus toevertrouwt, blijft tot in alle eeuwigheid! Laten we dan ook niet leven voor onszelf en opgaan in wat leeg en tijdelijk is, maar eeuwig leven voor onze eeuwige God.

Verder lezen: Jakobus 4:1-101 Waaruit komt bij u strijden en vechten voort? Is het niet hieruit: uit uw hartstochten, die in uw leden zich ten strijde toerusten? 2 Gij begeert, doch gij hebt niet; gij zijt moorddadig en naijverig en gij kunt er niets mede verkrijgen; gij vecht en gij strijdt. Gij hebt niets, omdat gij niet bidt. 3 (Of,) gij bidt wel, maar gij ontvangt niet, doordat gij verkeerd bidt, om het in uw hartstochten door te brengen. 4 Overspeligen, weet gij niet, dat de vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is? Wie dus een vriend der wereld wil zijn, wordt metterdaad een vijand van God. 5 Of meent gij, dat het schriftwoord zonder reden zegt: De geest, die Hij in ons deed wonen, begeert Hij met jaloersheid? 6 Maar Hij geeft dan ook des te grotere genade. Daarom heet het: God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. 7 Onderwerpt u dus aan God, maar biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden. 8 Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen. Reinigt uw handen, zondaars, en zuivert uw harten, gij, die innerlijk verdeeld zijt. 9 Beseft uw ellende, treurt en weent; uw gelach moet veranderen in treurigheid, en uw vreugde in neerslachtigheid. 10 Vernedert u voor de Here, en Hij zal u verhogen.

17 december

Johannes wijst zijn geestelijke kinderen op de ernst van de tijd: sinds Pinksteren is het de laatste ure! Een beslissende tijd, waarin vele antichristen opstaan. Dit zijn geen onbekende buitenstaanders, maar dwaalleraars uit het midden van de gemeente. Door de kerk de rug toe te keren, laten zij zien dat zij nooit echt bij de kudde van Christus hoorden. Hun grootste dwaling is dat zij loochenen dat Jezus de Christus is, de gezalfde Zoon van God. En de waarschuwing is duidelijk: wie de Zoon verwerpt, heeft ook geen gemeenschap met de Vader. Die twee zijn immers één.

Maar hoe blijven wij dan overeind in een tijd vol misleiding? Johannes wijst ons op de "zalving van de Heilige". Al wie door een waar geloof met Christus is verbonden, ontvangt de Heilige Geest. Die Geest leert ons de leugen van de waarheid te onderscheiden. Hij doet ons Christus kennen en belijden naar Gods Woord. Zo bewaart Hij ons bij het onvervalste evangelie.

Laat u dus niet meeslepen door allerlei dwaalleringen, hoe mooi ze ook kunnen klinken. Maar houdt u aan Gods Woord. En blijf zo, door Gods genade en Geest, in de Zoon en in de Vader, ja in de gemeenschap van de drie-enige God. Want daarin ontvangt u de vervulling van wat “Hij zelf ons beloofd heeft: het eeuwige leven”.

Verder lezen: 1 Timoteüs 4:1-101 Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen, 2 door de huichelarij van leugensprekers, die in hun eigen geweten gebrandmerkt zijn, 3 het huwelijk verbieden en het genot van spijzen, welke God toch geschapen heeft om met dankzegging te worden gebruikt door de gelovigen, die tot erkentenis der waarheid gekomen zijn. 4 Want alles wat God geschapen heeft, is goed en niets daarvan is verwerpelijk, als het met dankzegging aanvaard wordt: 5 want het wordt geheiligd door het woord Gods en door gebed. 6 Als gij dit de broeders voorhoudt, zult gij een goed dienaar van Christus Jezus zijn, wèl onderlegd in de woorden des geloofs en der goede leer, die gij gevolgd zijt; 7 maar wees afkerig van onheilige oudevrouwenpraat. Oefen u in de godsvrucht. 8 Want de oefening van het lichaam is van weinig nut, doch de godsvrucht is nuttig tot alles, daar zij een belofte inhoudt van leven, in heden en toekomst. 9 Dit is een betrouwbaar woord en alle aanneming waard. 10 Ja, hierom getroosten wij ons moeite en grote inspanning, omdat wij onze hoop gevestigd hebben op de levende God, die een Heiland is voor alle mensen, inzonderheid voor de gelovigen.

18 december

1 Johannes 2:28-3:1028 En nu, kinderkens, blijft in Hem, opdat wij, als Hij zal geopenbaard worden, vrijmoedigheid hebben en voor Hem niet beschaamd staan bij zijn komst. 29 Als gij weet, dat Hij rechtvaardig is, erkent dan ook, dat een ieder, die de rechtvaardigheid doet, uit Hem geboren is. 1 Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd worden, en wij zijn het (ook). Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet kent. 2 Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; (maar) wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. 3 En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is. 4 Ieder, die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid, en de zonde is wetteloosheid. 5 En gij weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij de zonden zou wegnemen, en in Hem is geen zonde. 6 Een ieder, die in Hem blijft, zondigt niet; een ieder, die zondigt, heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend. 7 Kinderkens, laat niemand u misleiden. Wie de rechtvaardigheid doet, is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is; 8 wie de zonde doet is uit de duivel, want de duivel zondigt van den beginne. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou. 9 Een ieder, die uit God geboren is, doet geen zonde; want het zaad (Gods) blijft in hem en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. 10 Hieraan zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels kenbaar: een ieder, die de rechtvaardigheid niet doet, is niet uit God, evenmin als wie zijn broeder niet liefheeft.

Verwonderd roept Johannes het uit: "Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven"! Wat een genadewonder, dat geboren zondaren kinderen van God mogen heten. Door het geloof in Christus zijn we uit God geboren! De blinde wereld begrijpt daar niets van, maar voor de gelovige is het zijn rijkste troost. Eén die gepaard gaat met een heerlijke toekomstverwachting. Want als Christus straks terugkomt op aarde, zullen wij Hem volkomen gelijk zijn. Dat betekent niet dat wij goden worden, maar dat we komen tot volkomen heerlijkheid. De vaste hoop op die toekomst maakt ons in het heden echter niet passief. Want wie deze hoop kent, reinigt zichzelf, gelijk de Heere rein is. Zoals God als sprak in Leviticus 111 De Here sprak tot Mozes en Aäron en zeide tot hen: 2 Spreekt tot de Israëlieten: Dit zijn de dieren, die gij eten moogt van al het gedierte dat op de aarde is. 3 Al wat gespleten hoeven heeft, te weten geheel doorkloofde hoeven, en wat herkauwt onder de dieren moogt gij eten. 4 De volgende echter zult gij niet eten van de dieren die herkauwen of gespleten hoeven hebben: de kameel, omdat die wel herkauwt, maar geen gespleten hoeven heeft; onrein zal die voor u zijn. 5 Ook de klipdas, omdat die wel herkauwt, maar geen gespleten hoeven heeft; onrein zal die voor u zijn. 6 Ook de haas, omdat die wel herkauwt, maar geen gespleten hoeven heeft; onrein zal die voor u zijn. 7 Ook het zwijn, omdat het wel gespleten hoeven, ja zelfs geheel doorkloofde hoeven heeft, maar niet herkauwt; onrein zal het voor u zijn. 8 Van hun vlees zult gij niet eten en hun aas zult gij niet aanraken; onrein zullen die voor u zijn. 9 Dit moogt gij eten van al wat in het water leeft: al wat vinnen en schubben heeft, in het water, in de zeeën en in de stromen, dat moogt gij eten. 10 Maar al wat geen vinnen of schubben heeft, in de zeeën en de stromen, onder al wat in het water wemelt en onder alle levende wezens die in het water zijn, dat zal u een gruwel wezen. 11 Ja, een gruwel zullen zij u zijn; van hun vlees zult gij niet eten en hun aas zult gij verafschuwen. 12 Alles in het water, dat geen vinnen of schubben heeft, dat zal u een gruwel zijn. 13 Deze zult gij verafschuwen onder de vogels, - zij mogen niet gegeten worden, een gruwel zijn zij - : de arend, de lammergier en de zeearend, 14 de wouw en alle soorten gieren, 15 alle soorten raven, 16 de struisvogel, de katuil en de meeuw en alle soorten sperwers, 17 de steenuil, de aalscholver en de oehoe, 18 de witte uil, de pelikaan, de aasgier 19 en de ooievaar, alle soorten reigers, de hop en de vleermuis. 20 Alle wemelend gedierte met vleugels, dat op vier poten gaat - dat zal u een gruwel zijn. 21 Deze echter moogt gij eten van al het wemelend gedierte met vleugels, dat op vier poten gaat: die boven zijn voeten dijen heeft om daarmee over de grond te springen. 22 Deze moogt gij daarvan eten: alle soorten sprinkhanen, alle soorten treksprinkhanen, alle soorten veldsprinkhanen en alle soorten kleine treksprinkhanen. 23 Maar alle wemelend gedierte met vleugels, dat vier poten heeft, dat zal u een gruwel zijn. 24 Aan deze verontreinigt gij u; ieder die hun aas aanraakt, zal onrein zijn tot de avond, 25 en ieder die van hun aas opneemt, zal zijn klederen wassen en onrein zijn tot de avond. 26 Alle dieren die gespleten hoeven hebben, maar niet geheel doorkloofde hoeven, en die niet herkauwen, zullen u onrein zijn; ieder die ze aanraakt, zal onrein zijn. 27 Ook alle zoolgangers onder al de viervoetige dieren zullen u onrein zijn: ieder die hun aas aanraakt, zal onrein zijn tot de avond. 28 En hij die hun aas opneemt, zal zijn klederen wassen en onrein zijn tot de avond; onrein zullen zij u zijn. 29 Dit zal u het onreine zijn onder het wemelend gedierte dat op de grond wemelt: de mol, de muis en alle soorten padden; 30 en de egel, de waraan en de hagedis, de slak en het kameleon. 31 Deze zullen u onrein zijn onder al het wemelend gedierte. Ieder die ze aanraakt, als zij dood zijn, zal onrein zijn tot de avond. 32 En alles waarop zulk een dier valt, als het dood is, zal onrein zijn; elk houten vat of kledingstuk of vel of zak, elk gebruiksvoorwerp, zal in het water gelegd worden en onrein zijn tot de avond; dan zal het rein zijn. 33 En elk aarden vat, waarin zulk een dier valt - alles wat daarin is, zal onrein zijn, en gij zult het stuk breken. 34 Alle voedsel dat gegeten mag worden, waarop water komt, zal onrein zijn; en alle drank die gedronken mag worden, zal in al zulk vaatwerk onrein zijn. 35 En alles waarop zulk aas valt, zal onrein zijn: de oven en de bakpan zullen gebroken worden, onrein zijn zij en onrein zullen zij u zijn; 36 een bron echter of een put, een vergaarbak van water, zal rein zijn; maar die zulk aas aanraakt, zal onrein zijn. 37 En wanneer zulk aas valt op enig zaaizaad dat uitgezaaid zal worden, dan zal dit rein blijven. 38 Maar wanneer water op dat zaad gedaan is en er valt zulk aas op, dan zal het u onrein zijn. 39 Wanneer een van de dieren die u tot spijze zijn, sterft, dan zal hij die zijn aas aanraakt, onrein zijn tot de avond. 40 En hij die van zijn aas eet, zal zijn klederen wassen en onrein zijn tot de avond; ook hij die zijn aas opneemt, zal zijn klederen wassen en onrein zijn tot de avond. 41 En al het wemelend gedierte dat op de grond wemelt, is een gruwel, het zal niet gegeten worden. 42 Alles wat op de buik gaat en alles wat op vier voeten gaat, ook alle veelvoetigen van allerlei wemelend gedierte dat op de grond wemelt, dat zult gij niet eten, want die zijn een gruwel. 43 Maakt uzelf niet verfoeilijk door enig wemelend gedierte en verontreinigt u daardoor niet, zodat gij daardoor onrein wordt. 44 Want Ik ben de Here, uw God; heiligt u en weest heilig, want Ik ben heilig; verontreinigt uzelf niet door allerlei wemelend gedierte dat op de grond krioelt. 45 Want Ik ben de Here, die u uit het land Egypte heb doen trekken, om u tot een God te zijn; weest heilig, want Ik ben heilig. 46 Dit is de wet aangaande het vee, het gevogelte en elk levend wezen dat krioelt in het water, en elk wezen dat op de grond wemelt - 47 om scheiding te maken tussen het onreine en het reine, tussen de dieren die gegeten mogen worden, en de dieren die niet gegeten mogen worden.: “weest heilig, want Ik ben heilig”. Je kunt niet de zonde blijven dienen, als je weet dat Christus juist naar deze aarde kwam om onze zonden te verzoenen en de werken van de duivel te verbreken. Daarom zegt Johannes: "wie uit God geboren is, doet de zonde niet". Niet dat een christen nooit meer zonden doet, maar de zonde is niet langer onze heerser en onze levenslust. Want het zaad van onze wedergeboorte blijft in ons! Het door de Geest gezaaide zaad van Gods Woord, dat de vrucht voortbrengt van een rechtvaardig en liefdevol leven.

Verder lezen: 2 Korintiërs 6:14-7:114 Vormt geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeen met wetteloosheid, of welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis? 15 Welke overeenstemming is er tussen Christus en Belial, of welk deel heeft een gelovige samen met een ongelovige? 16 Welke gemeenschappelijke grondslag heeft de tempel Gods met afgoden? Wij toch zijn de tempel van de levende God, gelijk God gesproken heeft: Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. 17 Daarom gaat weg uit hun midden, en scheidt u af, spreekt de Here, en houdt niet vast aan het onreine. 18 en Ik zal u aannemen, en Ik zal u tot Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Here, de Almachtige. 1 Daar wij nu deze beloften bezitten, geliefden, laten wij ons reinigen van alle bezoedeling des vlezes en des geestes, en zo onze heiligheid volmaken in de vreze Gods.

19 december

Johannes komt niet met een nieuwe boodschap of leer, maar met de aloude verkondiging dat gelovigen elkaar moeten liefhebben. Tegenover die broederliefde plaatst Johannes de zonde van Kaïn. Die liet zich leiden door afgunst, wat uitliep op de moord op zijn broer Abel. En dat is ons tot waarschuwing: wie in zijn hart haat koestert tegen een broeder of zuster, is in Gods ogen reeds een moordenaar, omdat de wortel van de doodslag al in hem aanwezig is. Zo iemand heeft daarom geen deel aan de zaligheid, maar is geestelijk dood zolang hij zich niet bekeert. Haten is dan ook echt iets van de wereld, die God en de Zijnen niet kan uitstaan. Wij echter hebben de liefde leren kennen. En wel door Christus. In Hem is de liefde van God ten volle geopenbaard. Hij heeft immers zelfs Zijn leven voor ons ingezet. En de zelfopofferende liefde van Christus moet door ons worden nagevolgd. Uit onze liefdevolle omgang met elkaar moet blijken dat we zijn overgegaan uit de dood in het leven. En daarbij mag het niet slechts bij woorden blijven. Als we iemand gebrek zien lijden, maar onze portemonnee en ons hart gesloten houden, dan blijkt de liefde van God niet in ons te wonen. Laten wij daarom, gered en geleerd door de liefde van Christus, met elkaar leven in ware broederliefde.

Verder lezen: Genesis 4:1-121 De mens nu had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde Kaïn; en zij zeide: Ik heb met des Heren hulp een man verkregen. 2 Voorts baarde zij zijn broeder Abel; en Abel werd schaapherder, Kaïn landbouwer. 3 Na verloop van tijd nu bracht Kaïn van de vruchten der aarde aan de Here een offer; 4 ook Abel bracht er een van de eerstelingen zijner schapen, van hun vet; en de Here sloeg acht op Abel en zijn offer, 5 maar op Kaïn en zijn offer sloeg Hij geen acht. Toen werd Kaïn zeer toornig en zijn gelaat betrok. 6 En de Here zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij toornig en waarom is uw gelaat betrokken? 7 Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed handelt? Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen. 8 Maar Kaïn zeide tot zijn broeder Abel: (Laten wij het veld ingaan). Toen zij nu in het veld waren, stond Kaïn tegen zijn broeder Abel op en doodde hem. 9 Toen zeide de Here tot Kaïn: Waar is uw broeder Abel? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder? 10 En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? Hoor, het bloed van uw broeder roept tot Mij van de aardbodem. 11 En nu, vervloekt zijt gij, ver van de bodem, die zijn mond heeft opengesperd om het bloed van uw broeder van uw hand te ontvangen. 12 Wanneer gij de aardbodem bewerken zult, zal hij u zijn volle opbrengst niet meer geven; een zwerver en een vluchteling zult gij op de aarde zijn.


20 december

De apostel wil dat wij van harte liefhebben, en dat niet slechts met het woord maar ook met de daad. Als wij geloven kán het ook niet anders of wij brengen vruchten van dankbaarheid voort en dus ook daden van oprechte liefde tot God en de naaste. En uit die vruchten mogen we afleiden dat wij uit de waarheid zijn, dat we door een waar geloof uit God geboren zijn.

Toch kent een kind van God ook aanvechtingen. Ons geweten kan ons zo streng veroordelen. Als we onze tekortkomingen inzien, twijfelen we maar zo aan onze oprechtheid. Maar "God is meerder dan ons hart en Hij weet alle dingen." Waar ons hart zich kan blindstaren op onze zonde en zwakheid, daar kent God als geen ander het goede werk dat Hij in ons begonnen is. En Hij baseert Zijn oordeel niet op onze zonden, maar op het volmaakte offer van Christus!

Dat geeft vrijmoedigheid om tot God te bidden. En wat we bidden naar Zijn wil, ontvangen we ook, als we tenminste Zijn geboden bewaren en Zijn wil doen, door te geloven in Christus en elkaar lief te hebben. En dat doen wij niet uit onszelf, maar door de werking van de Heilige Geest, die Christus ons gegeven heeft om ons te verzekeren van onze gemeenschap met Hem.

Verder lezen: Jakobus 2:8-188 Indien gij echter de koninklijke wet vervult naar het schriftwoord: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf, dan doet gij wèl. 9 Doch indien gij met aanzien des persoons handelt, doet gij zonde en wordt gij door de wet overtuigd van overtreding. 10 Want wie de gehele wet houdt, maar op één punt struikelt, is schuldig geworden aan alle (geboden). 11 Want Hij, die gezegd heeft: Gij zult niet echtbreken, heeft ook gezegd: Gij zult niet doodslaan. Indien gij nu geen echtbreuk pleegt, maar wel doodslag, zijt gij toch een overtreder van de wet geworden. 12 Spreekt zó en handelt zó als (mensen past), die door de wet der vrijheid zullen geoordeeld worden. 13 Want onbarmhartig zal het oordeel zijn over hem, die geen barmhartigheid bewezen heeft; barmhartigheid (echter) roemt tegen het oordeel. 14 Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert geloof te hebben, als hij geen werken heeft? Kan dat geloof hem behouden? 15 Stel, dat een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel, 16 en iemand uwer zegt tot hen: Gaat heen in vrede, houdt u warm en eet goed, zonder hen echter van het nodige voor het lichaam te voorzien, wat baat dit? 17 Zo is het ook met het geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood. 18 Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt geloof en ík heb werken. Toon mij dan uw geloof zonder de werken, en ik zal u mijn geloof tonen uit mijn werken.

21 december

Johannes waarschuwt de gelovigen om in geestelijke zaken niet naïef te zijn. Ze moeten mensen die zich aandienen als leraar niet zomaar vertrouwen, maar wat zij leren toetsen aan Gods Woord. Er zijn immers vele valse profeten in de wereld. Christus Zelf had hun komst al voorzegd. Belangrijk is het te toetsen of men wel belijdt dat Christus werkelijk in het vlees gekomen is, wat de tegenstanders van Johannes loochenden. Want elke leer die afdoet aan de vleeswording of het verlossingswerk van de eeuwige Zoon van God, ademt niet de Geest van God, maar de geest van de antichrist.

Nu zijn valse leraars vaak populair. Ze zeggen precies wat de onbekeerde mens graag wil horen. Maar wie uit God geboren is, laat zich niet leiden door de tijdgeest, maar buigt onder het apostolische Woord. En hoewel de invloed van dwaalleringen soms ontmoedigend groot kan lijken, biedt de apostel hier een onuitsprekelijke troost: "Hij, die in u is, is meerder dan die in de wereld is!" Gods kinderen hebben de boze in wezen al overwonnen. Niet door hun eigen scherpe inzicht of vroomheid, maar door de kracht van de Heilige Geest die in hen woont. Hij leidt ons in de waarheid, ontmaskert elke geest der dwaling en doet ons tegenover de wereld de Christus der Schriften belijden!

Verder lezen: Matteüs 7:15-2315 Wacht u voor de valse profeten, die in schapevacht tot u komen, maar van binnen zijn zij roofgierige wolven. 16 Aan hun vruchten zult gij hen kennen: men leest toch geen druiven van dorens of vijgen van distels? 17 Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de slechte boom brengt slechte vruchten voort. 18 Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, of een slechte boom goede vruchten dragen. 19 Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. 20 Zo zult gij hen dan aan hun vruchten kennen. 21 Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is. 22 Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? 23 En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid.

22 december

1 Johannes 4:7-217 Geliefden, laten wij elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en een ieder, die liefheeft, is uit God geboren en kent God. 8 Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde. 9 Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem. 10 Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden. 11 Geliefden, indien God ons zó heeft liefgehad, behoren ook wij elkander lief te hebben. 12 Niemand heeft ooit God aanschouwd; indien wij elkander liefhebben, blijft God in ons en zijn liefde is in ons volmaakt geworden. 13 Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem blijven en Hij in ons, dat Hij ons van zijn Geest gegeven heeft. 14 En wij hebben aanschouwd en getuigen, dat de Vader de Zoon gezonden heeft als Heiland der wereld. 15 Al wie belijdt, dat Jezus de Zoon van God is - God blijft in hem en hij in God. 16 En wij hebben de liefde onderkend en geloofd, die God jegens ons heeft. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem. 17 Hierin is de liefde bij ons volmaakt geworden, dat wij vrijmoedigheid hebben op de dag des oordeels, want gelijk Hij is, zijn ook wij in deze wereld. 18 Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit; want de vrees houdt verband met straf en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde. 19 Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. 20 Indien iemand zegt: Ik heb God lief, doch zijn broeder haat, dan is hij een leugenaar; want wie zijn broeder, die hij gezien heeft, niet liefheeft, kan (ook) God, die hij niet gezien heeft, niet liefhebben. 21 En dit gebod hebben wij van Hem: Wie God liefheeft, moet ook zijn broeder liefhebben.

De liefde is uit God, schrijft Johannes, ja God ís liefde. Dat is wel heerlijk gebleken toen God Zijn eniggeboren Zoon gaf als een verzoening voor onze zonden. Want dát is toch wel liefde ten voeten uit: dat God in Zijn genadige ontferming omzag naar toen nog vijandige zondaren. En alleen omdat Hij ons eerst heeft liefgehad, kunnen wij Hem nu ook liefhebben. Hem, én elkaar. Want de liefde van en tot God kan in ons leven onmogelijk zonder naastenliefde blijven. Wie beweert God lief te hebben, maar intussen zijn broeder haat, is een leugenaar. Je kunt de Heere, die wij niet met onze ogen kunnen zien, onmogelijk liefhebben als je een broeder in nood wél ziet maar hem liefdeloos en kil in de kou laat staan. We kunnen dus niet zonder de liefde, zonder die zo heerlijke vrucht van de Geest, die Christus in ons hart uitstort. Die liefde drijft ook alle vrees uit voor het laatste oordeel. Want ze is tegelijk een liefde tot de waarheid. En als we de waarheid liefhebben en dus belijden dat Jezus de Zoon van God is, blijft God in ons en wij in Hem. En als we in God blijven, blijven we ook in de liefde. Want God ís liefde.

Verder lezen: Romeinen 5:1-111 Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, 2 door wie wij ook de toegang hebben verkregen [in het geloof] tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods. 3 En niet alleen (hierin), maar wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt, 4 en de volharding beproefdheid, en de beproefdheid hoop; 5 en de hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de heilige Geest, die ons gegeven is, 6 zo zeker als Christus, toen wij nog zwak waren, te zijner tijd voor goddelozen is gestorven. 7 Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven - maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede te sterven - 8 God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is. 9 Veel meer zullen wij derhalve, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn. 10 Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood zijns Zoons, zullen wij veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden worden, doordat Hij leeft; 11 en dát niet alleen, maar wij roemen zelfs in God door onze Here Jezus [Christus], door wie wij nu de verzoening ontvangen hebben.

23 december

1 Johannes 5:1-121 Een ieder, die gelooft, dat Jezus de Christus is, is uit God geboren; en ieder, die Hèm liefheeft, die deed geboren worden, heeft (ook) degene lief, die uit Hem geboren is. 2 Hieraan onderkennen wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben en zijn geboden doen. 3 Want dit is de liefde Gods, dat wij zijn geboden bewaren. En zijn geboden zijn niet zwaar, 4 want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons geloof. 5 Wie is het, die de wereld overwint, dan wie gelooft, dat Jezus de Zoon van God is? 6 Dit is Hij, die gekomen is door water en bloed, Jezus Christus, niet slechts met water, maar met het water en met het bloed. En de Geest is het, die getuigt, omdat de Geest de waarheid is. 7 Want drie zijn er, die getuigen [in de hemel: de Vader, het Woord, en de heilige Geest; en deze drie zijn één. 8 En drie zijn er, die getuigen op de aarde]: de Geest en het water en het bloed, en de drie zijn tot één. 9 Indien wij het getuigenis der mensen aannemen, het getuigenis van God is meerder, want dit is het getuigenis van God, dat Hij van zijn Zoon getuigd heeft. 10 Wie in de Zoon van God gelooft, heeft het getuigenis in zich; wie God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, omdat hij niet geloofd heeft in het getuigenis, dat God getuigd heeft van zijn Zoon. 11 En dit is het getuigenis: God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in zijn Zoon. 12 Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet.

Het geloof bindt ons niet alleen aan onze hemelse Vader, maar ook aan Zijn andere kinderen. Wie de Vader liefheeft, heeft ook zijn broeders en zusters lief. En die liefde is slechts oprecht als we ook God liefhebben en Zijn geboden bewaren. Want de liefde tot de naaste gaat altijd gepaard met de liefde tot God. Nu zijn Gods geboden voor ons geen zwaar juk, maar een heerlijke regel voor ons leven in dankbaarheid voor de verlossing door Christus. Ondanks onze zonde en zwakheid, kunnen we toch al beginnen Gods geboden te doen, omdat we gelóven. Het geloof doet ons delen in de overwinning van Christus op de goddeloze wereld, ook op de Boze, die geen vat meer op ons heeft. Christus is daartoe gekomen door het water van Zijn doop en met het bloed van Zijn zoenoffer. Samen met de Heilige Geest getuigen dat doopwater en dat offerbloed op aarde van het volbrachte verlossingswerk, zoals de Vader, het vleesgeworden Woord en de Heilige Geest dat doen in en vanuit de hemel. En als zelfs de drie-enige God hiervan getuigt, dan is dat getuigenis voluit geloofwaardig. Dan moeten we God niet tot een leugenaar maken door niet in Christus te geloven. Alleen door te geloven hebben wij de Zoon, en alleen wie de Zoon heeft, heeft het eeuwige leven!

Verder lezen: Johannes 3:31-3631 Die van boven komt, is boven allen; wie uit de aarde is, is uit de aarde en spreekt van de aarde. 32 Die uit de hemel komt, is boven allen; wat Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij en zijn getuigenis neemt niemand aan. 33 Wie zijn getuigenis aanvaardt, heeft bezegeld, dat God waarachtig is. 34 Want Hij, die God gezonden heeft, die spreekt de woorden Gods, want Hij geeft de Geest niet met mate. 35 De Vader heeft de Zoon lief en heeft Hem alles in handen gegeven. 36 Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; doch wie aan de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.

24 december

Johannes heeft zijn brief geschreven om ons te brengen tot geloofszekerheid. Hij wil dat we niet twijfelen, maar overtuigd zijn van onze gemeenschap met Christus en daarmee met het eeuwige leven! Die zekerheid geeft ons vrijmoedigheid in de omgang met God. We mogen als Zijn kinderen tot Hem naderen. En als we iets bidden naar Zijn wil, zal Hij ons niet alleen áánhoren maar ook vérhoren. En die vrijmoedigheid moeten we ook inzetten voor onze naasten. Zien we een broeder of zuster afdwalen? Laten we dan niet hoogmoedig oordelen of roddelen, maar voor hem bidden! Want het gebed van een rechtvaardige vermag veel. En de Heere vergééft veel. De enige uitzondering is de “zonde tot de dood", een moedwillig afwijzen van Christus en Zijn Geest, uit pure haat en tegen beter weten in. Maar een kind van God zal dié zonde nooit begaan. Want een ieder die uit God geboren is, zondigt niet, dat wil zeggen: hij wandelt niet ín de zonde, het zondigen is niet zijn lust en zijn leven. Bovendien mogen wij weten van Gods bewarende hand, waarmee Hij ons beschermt tegen de Boze. Hoe heerlijk is het dan ook om Hém te kennen, “de enige waarachtige God, en Jezus Christus”, zoals onze Heiland het zegt in Johannes 171 Dit sprak Jezus en Hij hief zijn ogen ten hemel en zeide: Vader, de ure is gekomen; verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijke, 2 gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken. 3 Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt. 4 Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt. 5 En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was. 6 Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben uw woord bewaard. 7 Nu weten zij, dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U komt, 8 want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt. 9 Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn van U, 10 en al het mijne is het uwe en het uwe is het mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt. 11 En Ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld en Ik kom tot U. Heilige Vader, bewaar hen in uw naam, welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij één zijn zoals Wij. 12 Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in uw naam, welke Gij Mij gegeven hebt, en Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd. 13 Maar nu kom Ik tot U en Ik spreek dit in de wereld, opdat zij ten volle mijn blijdschap in zichzelf mogen hebben. 14 Ik heb hun uw woord gegeven en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet uit de wereld zijn, gelijk Ik niet uit de wereld ben. 15 Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze. 16 Zij zijn niet uit de wereld, gelijk Ik niet uit de wereld ben. 17 Heilig hen in uw waarheid; uw woord is de waarheid. 18 Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik hen gezonden in de wereld; 19 en Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid. 20 En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, 21 opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt. 22 En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn: 23 Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt. 24 Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt - Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld. 25 Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en dezen weten, dat Gij Mij gezonden hebt; 26 en Ik heb hun uw naam bekend gemaakt en Ik zal hem bekend maken, opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij en Ik in hen., want “dit nu is het eeuwige leven”!

Verder lezen: Jakobus 5:13-2013 Heeft iemand onder u leed te dragen? Laat hij bidden. Is iemand blij te moede? Laat hij lofzingen. 14 Is er iemand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der gemeente tot zich roepen, opdat zij over hem een gebed uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren. 15 En het gelovige gebed zal de lijder gezond maken, en de Here zal hem oprichten. En als hij zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken worden. 16 Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt. 17 Elia was slechts een mens zoals wij en hij bad een gebed, dat het niet regenen zou, en het regende niet op het land, drie jaar en zes maanden lang; 18 en hij bad opnieuw, en de hemel gaf regen en de aarde deed haar vrucht uitspruiten. 19 Mijn broeders, indien bij u iemand van de waarheid afdwaalt, en een ander brengt hem tot inkeer, 20 weet dan, dat, wie een zondaar van zijn dwaalweg terugbrengt, diens ziel van de dood zal behouden en tal van zonden bedekken.

25 december

Zoals Petrus in zijn eerste brief (hoofdstuk 5:1.), noemt ook Johannes zichzelf hier een oudste. Als drager van het ambt van oudste schrijft hij aan de 'uitverkoren vrouw en haar kinderen', aan de bruidsgemeente van Christus en haar leden. Die heeft hij in waarheid lief, zoals allen die de waarheid kennen. Waarheid en liefde blijken hier nauw verbonden. Ware broederliefde is immers onmogelijk zonder de waarheid van Gods genade in Christus te kennen en te omhelzen. En omgekeerd: wie de waarheid in het hart gesloten heeft, zal vanzelf overvloeien van oprechte liefde tot allen die in de waarheid wandelen. Het is voor de apostel dan ook verblijdend als hij ziet dat Gods kinderen dat doen: wandelen in de waarheid, leven vanuit een waar geloof. Johannes wijst daarbij weer op de bekende roeping: dat wij elkander liefhebben. Dat is geen nieuwigheid, maar een gebod dat de kerk al van oudsher kent. En naast de broederliefde, moet er bij ons ook zijn de liefde tot God. Die liefde komt tot uiting in het wandelen naar Gods geboden. Bijbelse liefde is dus niet los verkrijgbaar van Gods wet, en Gods geboden zijn niet te onderhouden zonder ware liefde. Liefde, waarheid en gerechtigheid vormen zo een drievoudig snoer dat ons verbindt met God! En dat dankzij Christus, die ons daartoe heeft verlost.

Verder lezen: Johannes 14:15-2415 Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren. 16 En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, 17 de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. 18 Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u. 19 Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer, maar gij ziet Mij, want Ik leef en gij zult leven. 20 Te dien dage zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u. 21 Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren. 22 Judas, niet Iskariot, zeide tot Hem: Here, en hoe komt het, dat Gij Uzelf aan ons zult openbaren en niet aan de wereld? 23 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren en mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen. 24 Wie Mij niet liefheeft bewaart mijn woorden niet; en het woord, dat gij hoort, is niet van Mij, maar van de Vader, die Mij gezonden heeft.

26 december

De apostel heeft niet alleen oog voor de waarheid, maar ook voor de leugen die de kerk bedreigt. Er zijn vele misleiders in de wereld, die in de dagen van Johannes de menswording van Gods eeuwige Zoon loochenen. Ze ontkennen dat Christus in het vlees gekomen is om door Zijn plaatsvervangend lijden de straf op de zonde te dragen. Maar wie dat fundament wegslaat, verloochent het evangelie en ademt de geest van de antichrist. Daarom roept Johannes op tot geestelijke waakzaamheid. We moeten trouw blijven aan de onvervalste leer van Christus. En dus niet hoogmoedig 'verder' willen gaan dan Gods geopenbaarde Woord. Wie de leer van Christus verlaat, is God Zelf kwijt. Maar wie door Zijn genade in die leer geworteld blijft, heeft en houdt zowel de Vader als de Zoon! De liefde voor Gods waarheid vraagt dan ook om duidelijke grenzen. Dwaalleraars mogen we geen podium bieden, om niet medeplichtig te worden aan hun verwoestende werk. De kerk moet mild zijn voor haar schapen, maar streng optreden tegen wolven. En hoewel Johannes nog veel meer te schrijven had, hebben wij vandaag genoeg aan alles wat geschreven ís. De volle waarheid is ons geopenbaard! Houden we dan ook vast aan de volkomen leer van de Zoon, dan ontvangen we straks ons volle genadeloon.

Verder lezen: 2 Timoteüs 3:14-4:814 Blijf gij echter bij wat u geleerd en toevertrouwd is, wèl bewust van wie gij het hebt geleerd, 15 en dat gij van kindsbeen af de heilige schriften kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het geloof in Christus Jezus. 16 Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, 17 opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust. 1 Ik betuig u nadrukkelijk voor God en Christus Jezus, die levenden en doden zal oordelen, met beroep zowel op zijn verschijning als op zijn koningschap: 2 verkondig het woord, dring erop aan, gelegen of ongelegen, wederleg, bestraf en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting. 3 Want er komt een tijd, dat (de mensen) de gezonde leer niet (meer) zullen verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich (tal van) leraars zullen bijeenhalen, 4 dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren en zich naar de verdichtsels keren. 5 Blijf gij echter nuchter onder alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle. 6 Want wat mij aangaat, reeds word ik als plengoffer geofferd en het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur. 7 Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden; 8 voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid, welke te dien dage de Here, de rechtvaardige rechter, mij zal geven, doch niet alleen mij, maar ook allen, die zijn verschijning hebben liefgehad.

27 december

De apostel richt deze brief aan zijn geliefde vriend Gajus. Als oudste bidt Johannes voor de fysieke gezondheid en welvaart van Gajus, zoals ook zijn ziel gezond is in geestelijk opzicht. Het geeft de apostel grote vreugde dat Gajus standvastig in de waarheid wandelt, dat deze gelovige leeft in een waar geloof. Dat blijkt bij Gajus vooral uit zijn zorgzame gastvrijheid. Hij stelt zijn huis trouw open voor rondreizende predikers, die zijn uitgegaan omwille van de Christus. Deze zendelingen weigeren financiële steun van heidenen, om het evangelie van Christus niet in diskrediet te brengen door de indruk te wekken dat de evangeliepredikers slechts uit zijn op geld, zoals zoveel valse leraren. De zendelingen steunen dus volledig op de liefdevolle zorg van de kerk. Hierin ligt een prachtige roeping. Wij zijn niet allemaal geroepen om predikant of zendeling te zijn. Maar alleen al door de dienaren van het Woord met gaven en gebeden bij te staan, kan worden samengewerkt voor de waarheid. Door Gods genade mag een ieder van ons daarmee dienstbaar zijn aan de voortgang van het evangelie.

Verder lezen: Hebreeën 13:1-81 Laat de broederlijke liefde blijven. 2 Vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor hebben sommigen, zonder het te weten, engelen geherbergd. 3 Denkt aan de gevangenen, alsof gij met hen gevangen waart; aan hen, die mishandeld worden, als (mensen), die ook zelf een lichaam hebt. 4 Het huwelijk zij in ere bij allen en het bed onbezoedeld, want hoereerders en echtbrekers zal God oordelen. 5 Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn, weest tevreden met wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten. 6 Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: De Here is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen? 7 Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord Gods tot u hebben gesproken; let op het einde van hun wandel en volgt hun geloof na. 8 Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid.

28 december

Tegenover de gastvrije Gajus plaatst Johannes als tegenbeeld Diotrefes. Zijn probleem? Hoogmoed. Hij wil in de gemeente het belangrijkst zijn. Zijn heerszucht maakt hem blind en hard. Hij verwerpt het gezag van de apostel, verspreidt boosaardige lasterpraat, weigert de predikers te ontvangen en werpt zelfs gemeenteleden die wél liefdevol en gastvrij zijn meedogenloos uit de kerk. Het is een aangrijpende waarschuwing hoe hoogmoed de gemeenschap der heiligen kan ontwrichten. In de kerk is dan ook geen plaats voor zelfverheffing. Christus is in de kerk het enige Hoofd! Daarom hoopt Johannes binnenkort langs te komen om orde op zaken te stellen. Maar nu komt hij alvast met de dringende oproep het kwade niet na te volgen, maar het goede. Wie het goede doet, bewijst daarmee door Gods genade uit God geboren te zijn, zoals bijvoorbeeld Demetrius. Alle gelovigen die hem kennen getuigen van zijn liefde en trouw, die hij bovendien nog dagelijks bewijst. Zijn leven is in overeenstemming met de leer van Christus.

Wat Johannes verder nog te zeggen heeft, bewaart hij liever voor een persoonlijke ontmoeting, zodat van mond tot mond gesproken kan worden. En wat hij ons in dit korte briefje biedt, is toch lang genoeg om ons te leren, dat wij hebben te waken voor hoogmoed en te leven in ootmoed, in onderwerping aan ons enige Hoofd Christus.

Verder lezen: Filippenzen 1:27-2:1127 Alleen, gedraagt u waardig het evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig blijf, ik van u moge horen, dat gij vaststaat in één geest, één van ziel medestrijdende voor het geloof aan het evangelie, 28 zonder dat gij u in enig opzicht door de tegenstanders laat beangstigen. Hierin is voor hen een aanwijzing van hún verderf, doch van úw behoud, en dat van Godswege. 29 Want aan u is de genade verleend, voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden, 30 in dezelfde strijd, die gij eens van mij hebt gezien en nu van mij hoort. 1 Indien er dan enig beroep (op u gedaan mag worden) in Christus, indien er enige bemoediging is der liefde, indien er enige gemeenschap is des geestes, indien er enige ontferming en barmhartigheid is, 2 maakt (dan) mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn, één in liefdebetoon, één van ziel, één in streven, 3 zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, 4 maar ieder (lette) ook op dat van anderen. 5 Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, 6 die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, 7 maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. 8 En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. 9 Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, 10 opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, 11 en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader!

29 december

Judas schrijft aan allen die door Gods Woord en Geest geroepen zijn tot gemeenschap met Christus, en daarmee ook aan ons. Door en voor Christus zijn en blijven we zalig. Maar niet zonder tot het uiterste te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd, voor het algemeen en ongetwijfeld christelijk geloof. Er zijn dwaalleraars de gemeente binnengeslopen, die de leer van het geloof verdraaien. Ze leren dat Gods genade een vrijbrief geeft voor een losbandig leven. En ze verloochenen Christus als onze enige Heerser en Heere, doordat ze zelf willen heersen en niet willen leven als Zijn eigendom. Judas waarschuwt daarom voor Gods rechtvaardig oordeel, dat over alle goddelozen komt, zoals dat in het verleden al zo vaak is gebleken. Toen Israël werd verlost uit Egypte, werden de ongelovigen alsnog in de woestijn verdelgd. En toen een deel van de engelen met satan in opstand kwam, verloren zij hun hemelwoning en wacht hen de eeuwige duisternis. En ook Sodom en Gomorra vormen een waarschuwend voorbeeld: om hun hoererij en sodomie liggen deze steden voorgoed onder het vuur van Gods toorn. Dit alles “is opgetekend ter waarschuwing voor ons”, kunnen we met Paulus zeggen. Laten we dan ook waakzaam zijn, de zonde haten en volhardend strijden voor de zuivere waarheid van Gods Woord!

Verder lezen: 1 Korintiërs 10:1-121 Want ik stel er prijs op, broeders, dat gij weet, dat onze vaderen allen onder de wolk waren, allen door de zee heengingen, 2 allen zich in Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee, 3 allen hetzelfde geestelijke voedsel aten, 4 en allen dezelfde geestelijke drank dronken, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen medeging, en die rots was de Christus. 5 En toch heeft God in het merendeel van hen geen welgevallen gehad, want zij werden neergeveld in de woestijn. 6 Deze gebeurtenissen zijn ons ten voorbeeld geschied, opdat wij geen lust tot het kwade zouden hebben, zoals zij die hadden. 7 Wordt ook geen afgodendienaars zoals sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zette zich neder om te eten en te drinken, en zij stonden op om te dansen. 8 En laten wij geen hoererij plegen, zoals sommigen van hen deden, en er vielen op één dag drieëntwintigduizend. 9 En laten wij de Here niet verzoeken, zoals sommigen van hen deden, en zij kwamen om door de slangen. 10 En mort niet, zoals sommigen van hen deden, en zij kwamen om door de verderfengel. 11 Dit is hun overkomen tot een voorbeeld (voor ons) en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is. 12 Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.

30 december

Judas 1:8-168 Desgelijks bezoedelen ook deze dromenzieners hun vlees, verwerpen wat heerschappij heet en lasteren de heerlijkheden. 9 Maar Michaël, de aartsengel, durfde, toen hij met de duivel in twist gewikkeld was over het lichaam van Mozes, geen smadelijk oordeel uitbrengen, doch hij zeide: De Here straffe u! 10 Zij echter lasteren al wat zij niet kennen en in hetgeen zij, gelijk de redeloze wezens, van nature weten, ligt hun verderf. 11 Wee hun, want zij zijn de weg van Kaïn opgegaan, zij zijn voor de verleiding van een Bileamsloon bezweken en door het verzet van een Korach ten onder gegaan. 12 Dezen zijn de schandvlekken bij uw liefdemalen, zij, die zonder schroom tezamen feesten om zichzelf te weiden; wolken, die geen water geven, daar zij door winden voorbijgejaagd worden; bomen, die in de late herfst geen vrucht geven; tweemaal gestorven zijn zij en ontworteld; 13 wilde baren der zee, die hun eigen schande opschuimen; dwaalsterren. Voor hen is de donkerste duisternis voor eeuwig weggelegd. 14 Ook over hen heeft Henoch, de zevende van Adam af, geprofeteerd, zeggende: Zie, de Here is gekomen met zijn heilige tienduizenden, 15 om over allen de vierschaar te spannen en alle goddelozen te straffen voor al hun goddeloze werken, die zij goddeloos bedreven hebben, en voor al de harde taal, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben. 16 Dit zijn de morrenden, mokkend om hun lot, wandelende naar hun begeerten, maar hun mond spreekt hoogdravend, als zij om des voordeels wil (de mensen) in hun gezicht vleien.

Judas ontmaskert de dwaalleraars als vleselijke 'dromenzieners'. Zij laten zich niet leiden door Gods Woord en Geest, maar door hun zelfbedachte visioenen en begeerten. Vanuit die opstandige hoogmoed vullen zij hun leven met zonde en verwerpen zij het goddelijk gezag. Hoe anders handelde de aartsengel Michaël! Toen hij met de duivel twistte over het lichaam van Mozes, matigde hij zich geen oordeel aan, maar onderwierp hij zich eerbiedig aan de hemelse Rechter, die alle wraak toekomt: "De Heere straffe u." Deze dwaalgeesten daarentegen spreken lasterlijk over wat ze niet begrijpen en storten zich als verstandeloze dieren in het verderf. Met hun schijngodsdienst gaan ze de weg van Kaïn, al verleidend om aards gewin bezwijken ze als Bileam, en door hun opstand tegen het wettige gezag gaan ze onherroepelijk ten onder als Korach. In de kerk zijn ze als schandvlekken, die de gemeenschap ontheiligen door slechts zichzelf te weiden. Ze wanen zich misschien wel vroom en veilig, maar juist over hén profeteerde de met God wandelende Henoch reeds dat de Heere onverwachts zal komen om gericht te houden over hun goddeloze handel en wandel. Wij moeten hun voorbeeld dan ook niet navolgen, maar ons door Gods Geest en Woord laten leiden. Opdat wij niet ten onder gaan in de eeuwige duisternis, maar eeuwig wandelen in het Licht.

Verder lezen: Ezechiël 34:1-101 Het woord des Heren kwam tot mij: 2 Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer en zeg tot hen, tot die herders: zo zegt de Here Here: wee de herders van Israël, die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden? 3 Het vet eet gij, met de wol kleedt gij u, het gemeste slacht gij, maar de schapen weidt gij niet; 4 zwakke versterkt gij niet, zieke geneest gij niet, gewonde verbindt gij niet, afgedwaalde haalt gij niet terug, verlorene zoekt gij niet, maar gij heerst over hen met hardheid en geweldenarij. 5 Zij raken verstrooid, omdat er geen herder is, en worden tot voedsel voor al het gedierte des velds; zo raken zij verstrooid. 6 Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel; over de gehele aarde zijn mijn schapen verstrooid zonder dat er iemand is die naar hen vraagt of ze zoekt. 7 Daarom, gij herders, hoort het woord des Heren. 8 Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here Here, omdat mijn schapen tot een prooi geworden zijn, omdat mijn schapen tot voedsel geworden zijn voor al het gedierte des velds doordat er geen herder is - want mijn herders vragen niet naar mijn schapen; de herders weiden zichzelf, maar mijn schapen weiden zij niet - 9 daarom, gij herders, hoort het woord des Heren. 10 Zo zegt de Here Here: Zie, Ik zàl die herders! Ik eis mijn schapen van hen terug, en Ik zal een eind maken aan dat schapenweiden van hen. De herders zullen niet langer zichzelf weiden, Ik zal mijn schapen uit hun mond redden, zodat die hun niet meer tot voedsel dienen.

31 december

De apostelen hadden al voorzegd dat er in de laatste dagen spotters zouden komen. Spotters of misleiders, die leven naar hun eigen begeerten, scheuringen in de kerk veroorzaken en met hun afwijking van Gods Woord de Heilige Geest niet blijken te hebben, ook al beweren ze van wel. Te midden van hun misleidingen klinkt daarom de heilige roeping: bewaar uzelf in de liefde van God! En dat doen we door elkaar op te bouwen in het geloof en te volharden in het gebed. Daarbij mogen we vertrouwen op de belofte dat God Zich in Christus voor eeuwig over ons zal ontfermen. Tegelijk hebben ook wíj ons te ontfermen, en wel over hen die dwalen. Als iemand twijfelt aan de waarheid, moeten we hem niet verder het vuur van Gods oordeel induwen maar juist als een brandhout uit dat vuur proberen te rukken, zoals God dat in Zijn genade ook met óns gedaan heeft. Daarbij past een heilige waakzaamheid: we moeten de zondaar liefhebben, maar zijn zonde haten, om er zelf niet mee besmet te raken. En hoe houden we dat vol? Alleen maar door Gods genade. Want niet wij, maar Hij is bij machte om ons voor struikelen te behoeden en ons onberispelijk voor Zijn hemelse troon te stellen, bekleed met het feestkleed van Christus’ gerechtigheid. Hem zij dan ook alle eer, nu en tot in eeuwigheid!

Verder lezen: Zacharia 3:1-51 Vervolgens deed Hij mij de hogepriester Jozua zien, staande vóór de Engel des Heren, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen. 2 De Here echter zeide tot de satan: De Here bestraffe u, satan, ja de Here, die Jeruzalem verkiest, bestraffe u; is deze niet een brandhout uit het vuur gerukt? 3 Jozua nu was met vuile klederen bekleed, terwijl hij voor de Engel stond. 4 Toen nam deze het woord en zeide tot hen die vóór Hem stonden: Doet hem de vuile klederen uit. Hij zeide tot hem: Zie, Ik neem uw ongerechtigheid van u weg, Ik trek u feestklederen aan. 5 Ik nu zeide: Laat ze een reine tulband op zijn hoofd zetten. Toen zetten zij een reine tulband op zijn hoofd en trokken hem een staatsiegewaad aan, terwijl de Engel des Heren erbij stond.


Paginahulpmiddelen